Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014TO0111(04)

Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 10 maart 2020.
Unitec Bio SA e.a. tegen Raad van de Europese Unie.
Procedure – Begroting van de proceskosten – Invorderbare kosten.
Gevoegde zaken T-111/14 DEP–T-118/14 DEP.

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2020:99

 BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)

10 maart 2020 ( *1 )

„Procedure – Begroting van de proceskosten – Invorderbare kosten”

In de gevoegde zaken T‑111/14 DEP tot en met T‑118/14 DEP,

Unitec Bio SA, gevestigd te Buenos Aires (Argentinië), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑111/14,

Molinos Río de la Plata SA, gevestigd te Buenos Aires, vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑112/14,

Oleaginosa Moreno Hermanos SACIFI y A, gevestigd te Bahia Blanca (Argentinië), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑113/14,

Vicentin SAIC, gevestigd te Avellaneda (Argentinië), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑114/14,

Aceitera General Deheza SA, gevestigd te General Deheza (Argentinië), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑115/14,

Bunge Argentina SA, gevestigd te Buenos Aires, vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑116/14,

Cargill SACI, gevestigd te Buenos Aires, vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑117/14,

LDC Argentina SA, gevestigd te Buenos Aires, vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en R. Luff, advocaten,

verzoekster in zaak T‑118/14,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door H. Marcos Fraile als gemachtigde,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie

en door

European Biodiesel Board (EBB), gevestigd te Brussel (België),

interveniënten,

betreffende een verzoek tot begroting van de proceskosten naar aanleiding van vier arresten van 15 september 2016, LDC Argentina/Raad (T‑118/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:502); 15 september 2016, Cargill/Raad (T‑117/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:503); 15 september 2016, Unitec Bio/Raad (T‑111/14, EU:T:2016:505), en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad (T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509),

geeft

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, Z. Csehi (rapporteur) en G. De Baere, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Feiten, procesverloop en conclusies van partijen

1

Bij acht verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 februari 2014, respectievelijk ingeschreven onder de nummers T‑111/14, T‑112/14, T‑113/14, T‑114/14, T‑115/14, T‑116/14, T‑117/14 en T‑118/14, hebben verzoeksters, Unitec Bio SA, Molinos Río de la Plata SA, Oleaginosa Moreno Hermanos SACIFI y A, Vicentin SAIC, Aceitera General Deheza SA, Bunge Argentina SA, Cargill SACI, LDC Argentina SA, elk een beroep ingesteld tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2; hierna: „ bestreden handeling”), voor zover daarbij aan hen een antidumpingrecht werd opgelegd.

2

Bij beschikkingen van de president van de Negende kamer van het Gerecht van 17 juli en 22 september 2014 zijn de Europese Commissie en de European Biodiesel Board (EBB) toegelaten tot interventie in de in punt 1 hierboven vermelde zaken aan de zijde van de Raad van de Europese Unie.

3

Bij vier arresten van 15 september 2016, LDC Argentina/Raad (T‑118/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:502), 15 september 2016, Cargill/Raad (T‑117/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:503), 15 september 2016, Unitec Bio/Raad (T‑111/14, EU:T:2016:505), en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad (T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509), heeft het Gerecht de bestreden handeling nietig verklaard voor zover zij betrekking had op verzoeksters. In elke zaak werd de Raad verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van verzoeksters.

4

Bij vier op 24 november 2016 ingestelde en onder de nummers C‑602/16 P en C‑607/16 P tot en met C‑609/16 P ingeschreven hogere voorzieningen heeft de Raad krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om vernietiging van de arresten van 15 september 2016, LDC Argentina/Raad (T‑118/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:502); 15 september 2016, Cargill/Raad (T‑117/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:503); 15 september 2016, Unitec Bio/Raad (T‑111/14, EU:T:2016:505), en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad (T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509).

5

Bij brief van 22 januari 2018 heeft de Raad het Hof overeenkomstig artikel 148 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof meegedeeld afstand te doen van zijn hogere voorzieningen.

6

Bij beschikking van 15 februari 2018, Raad/Unitec Bio e.a. (C‑602/16 P en C‑607/16 P–C‑609/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:150), heeft de president van het Hof de gevoegde zaken C‑602/16 P en C‑607/16 P tot en met C‑609/16 P doorgehaald in het register van het Hof en de Raad verwezen in de kosten van verzoeksters.

7

Bij brief van 27 april 2018 hebben verzoeksters de Raad verzocht om vergoeding van een totaalbedrag van 391249 EUR voor de acht in punt 1 hierboven genoemde procedures bij het Gerecht en voor de vier in punt 4 hierboven genoemde procedures bij het Hof.

8

Bij brief van 25 juli 2018 heeft de Raad te kennen gegeven het niet eens te zijn met het bedrag van de door verzoeksters gevorderde kosten en voorgesteld om in totaal 45300 EUR voor de betrokken procedures bij het Gerecht en het Hof terug te betalen. Dit voorstel van de Raad kwam overeen met 200 arbeidsuren tegen een uurtarief van 225 EUR. Verzoeksters hebben dit aanbod bij brief van 28 september 2018 geweigerd, maar daarbij wel hun gevraagde totaalbedrag verlaagd tot 388887 EUR wegens een rekenfout.

9

Bij brief van 10 januari 2019 heeft de Raad dit nieuwe verzoek afgewezen en voorgesteld om voor de betrokken procedures bij het Gerecht en het Hof een totaalbedrag van 54100 EUR te vergoeden.

10

Bij brief van 18 maart 2019 hebben verzoeksters hun verzochte bedrag voor de betrokken procedures bij het Gerecht en het Hof opnieuw verlaagd tot 85150 EUR; dit bedrag komt overeen met 265 arbeidsuren tegen een uurtarief van 320 EUR en 350 EUR administratiekosten. Bij brief van 29 maart 2019 heeft de Raad dit nieuwe verzoek afgewezen en zijn aanbod tot vergoeding van een totaalbedrag van 54100 EUR gehandhaafd.

11

Aangezien partijen geen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag van de invorderbare kosten, hebben verzoeksters bij op 28 juni 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte krachtens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek tot begroting van de proceskosten ingediend, waarin zij het Gerecht hebben verzocht:

–

de invorderbare kosten, die door de Raad moeten worden vergoed, vast te stellen op een bedrag van 185811,50 EUR uit hoofde van de procedures die zijn ingeschreven onder de nummers T‑111/14, T‑112/14 tot en met T‑116/14, T‑117/14 en T‑118/14;

–

de bij de Raad invorderbare kosten uit hoofde van de onderhavige procedure tot begroting van de proceskosten vast te stellen op een bedrag van 1539 EUR;

–

op dit bedrag vertragingsrente toe te passen vanaf de betekening van de te geven beschikking.

12

In zijn op 25 juli 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen heeft de Raad het Gerecht verzocht:

–

het verzoek van verzoeksters af te wijzen;

–

het totaalbedrag van de invorderbare kosten vast te stellen op 43150 EUR.

13

Aangezien de samenstelling van de kamers van het Gerecht was gewijzigd, is de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering na de toevoeging van de rechter-rapporteur aan de Derde kamer bijgevolg aan die kamer toegewezen.

In rechte

14

Uit artikel 170, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering blijkt dat het Gerecht, in geval van betwisting van de invorderbare kosten, bij beschikking waartegen geen hogere voorziening openstaat beslist over het verzoek van de partij die daarbij belang heeft, na de partij waarop het verzoek betrekking heeft in de gelegenheid te hebben gesteld om haar opmerkingen in te dienen.

15

Volgens artikel 140, onder b), van het Reglement voor de procesvoering worden de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfskosten en het honorarium van een gemachtigde, raadsman of advocaat als invorderbare kosten aangemerkt. Uit deze bepaling volgt dat de invorderbare kosten beperkt zijn tot in de eerste plaats de kosten die in verband met de procedure bij het Gerecht zijn gemaakt, en in de tweede plaats de daartoe noodzakelijke kosten (zie beschikking van 28 juni 2004, Airtours/Commissie,T‑342/99 DEP, EU:T:2004:192, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16

Op basis van deze criteria dient het bedrag van de in casu invorderbare kosten te worden vastgesteld.

Bedrag van de invorderbare honoraria

17

Volgens vaste rechtspraak staat het niet aan het Gerecht om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient het te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen van de partij die in de kosten is verwezen kunnen worden teruggevorderd. Bij de beslissing op een verzoek tot begroting van de proceskosten behoeft het Gerecht derhalve geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (zie beschikking van 28 juni 2004, Airtours/Commissie, T‑342/99 DEP, EU:T:2004:192, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18

Aangezien een tariefregeling in het Unierecht ontbreekt, beoordeelt het Gerecht de gegevens van de zaak bovendien vrijelijk, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het Unierecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (zie beschikking van 28 juni 2004, Airtours/Commissie, T‑342/99 DEP, EU:T:2004:192, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19

Wat in de eerste plaats het voorwerp, de aard en het belang van de gedingen vanuit het oogpunt van het Unierecht betreft, alsmede de moeilijkheid van de zaken, stelt het Gerecht vast dat de hoofdgedingen acht beroepen tot nietigverklaring op het gebied van antidumping betroffen en dat in alle acht drie identieke middelen werden aangevoerd. Het eerste en het tweede middel strekten ertoe de handelwijze van de Raad ter discussie te stellen die erin bestond dat de Raad, wegens de vertekening van de prijzen van die grondstoffen door het gedifferentieerde belastingstelsel voor export, was afgeweken van de in de administratie van de onderzochte producenten/exporteurs vermelde kosten van de voornaamste grondstoffen en deze heeft vervangen door de referentieprijs. In het kader van het eerste middel betoogden verzoeksters dat een dergelijke handelwijze niet in overeenstemming was met artikel 2, lid 5, eerste en tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”). In het kader van het tweede middel betoogden zij dat deze handelwijze niet in overeenstemming was met de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103). In het derde middel werd gesteld dat de Raad, door te overwegen dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de invoer van biodiesel uit Argentinië waarop het onderzoek betrekking had en de schade voor de bedrijfstak van de Unie, artikel 3, lid 7, van de basisverordening had geschonden.

20

Opgemerkt zij dat het eerste middel van de beroepen een vanuit het oogpunt van het Unierecht belangrijke vraag aan de orde stelde, die een zekere feitelijke en juridische complexiteit vertoonde en een diepgaande analyse vereiste, zoals verzoeksters stellen. Dit middel had immers betrekking op de toepassing van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, dat in essentie voorziet in de verschillende mogelijkheden voor de instellingen om bij de berekening van de normale waarde van een soortgelijk product in de zin van die verordening rekening te houden met de kosten, meer in het bijzonder in verband met productie en de verkoop van een onderzocht product. In casu betoogden verzoeksters dat de Raad in wezen artikel 2, lid 5, van de basisverordening had geschonden door in het kader van de berekening van de normale waarde van het soortgelijke product in de zin van de basisverordening, de prijzen van de voornaamste grondstoffen die waren vermeld in de administratie van verzoeksters buiten beschouwing te laten. Zij verweten de Raad met name een onjuiste toepassing van het arrest van 7 februari 2013, Acron en Dorogobuzh/Raad (T‑235/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:65). Hieruit volgt dat dit middel van de beroepen een diepgaande analyse vergde, aangezien het Gerecht naar aanleiding van de vraag die dit middel opriep in het bijzonder uitspraak heeft gedaan over de bewijslast en de beoordelingsmarge waarover de instellingen van de Unie beschikken in het kader van de berekening van de normale waarde van een soortgelijk product in de zin van de basisverordening (zie in die zin en naar analogie beschikking van 19 december 2019, Unitec Bio e.a./Raad, C‑602/16 P-DEP, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1148, punten 30‑32).

21

Ten aanzien van de andere middelen moet worden vastgesteld dat ze niet bijzonder complex waren.

22

Wat in de tweede plaats het economisch belang van het geschil voor de partijen betreft, zij eraan herinnerd dat bij de bestreden handeling definitieve antidumpingrechten werden ingesteld ten belope van 216,64 EUR tot 245,67 EUR per ton nettogewicht uitvoer van verzoeksters. Indien de zaken voor verzoeksters een economisch belang hadden, kan, zoals de Raad betoogt, dit belang niet worden beschouwd als ongebruikelijk of aanzienlijk afwijkend van hetgeen ten grondslag ligt aan elke onderzoeksprocedure waarbij antidumpingrechten worden ingesteld.

23

Wat in de derde plaats de hoeveelheid van het door het geding veroorzaakte werk betreft, vragen verzoeksters om de invorderbare kosten van de advocatenhonoraria voor hun acht beroepen bij het Gerecht vast te stellen op een bedrag van 184837,50 EUR, hetgeen volgens hen overeenkomt met 543 arbeidsuren van vier advocaten tegen een gewogen gemiddeld uurtarief dat iets hoger ligt dan 340 EUR.

24

De Raad betwist het aantal advocaten, het aantal uren en het betaalde uurtarief, door te stellen dat het werk van maximaal 170 uur van één advocaat tegen een uurtarief van 250 EUR voldoende was voor alle acht procedures bij het Gerecht.

25

In casu moet worden vastgesteld dat verzoeksters ter ondersteuning van hun verzoek een gedetailleerd overzicht verstrekken van de arbeidsuren van hun advocaten („timesheets”), met gedetailleerde informatie over het soort werk, de daaraan bestede uren en de bijbehorende uurtarieven. Uit dat document blijkt dat vier advocaten in totaal 540,75 uur hebben gewerkt, met een totale kostprijs die wordt geraamd op 184837,50 EUR.

26

Ten eerste moeten bepaalde uren worden uitgesloten die niet tot de categorie van invorderbare kosten in de zin van de in punt 15 hierboven aangehaalde rechtspraak kunnen behoren, omdat zij niet noodzakelijk blijken te zijn voor de procedures ten gronde bij het Gerecht.

27

Zo kunnen de uren die overeenkomen met de tijd die is besteed aan het beroep van Cámara Argentina de Biométia (Carbio), die geen partij is bij het onderhavige verzoek tot begroting van de proceskosten en die is verwezen in haar eigen kosten in het arrest van 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad (T‑112/14– T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509), niet tot de categorie van invorderbare kosten behoren. In het bijzonder moeten de aan de bezwaren van de Raad met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep van Carbio bestede uren van het onderhavige verzoek worden uitgesloten.

28

Bovendien moet de terugvordering van kosten betreffende perioden waarin geen enkele proceshandeling door het Gerecht is vastgesteld, worden afgewezen, aangezien dergelijke kosten geen rechtstreeks verband houden met het optreden van hun advocaat voor het Gerecht (beschikking van 21 december 2010, Le Levant 015 e.a./Commissie, T‑34/02 DEP, EU:T:2010:559, punten 33 en 34). Ook moet de terugvordering van kosten met betrekking tot de periode na de terechtzitting worden geweigerd wanneer na die zitting geen enkele proceshandeling heeft plaatsgevonden (beschikking van 24 januari 2002, Groupe Origny/Commissie, T‑38/95 DEP, EU:T:2002:13, punt 31).

29

In casu zijn 2,5 arbeidsuren tegen een uurtarief van 300 EUR geregistreerd voor de terugreis van Luxemburg (Luxemburg) na de terechtzitting op 28 oktober 2015 in de hoofdgedingen en voor werkzaamheden ter afhandeling daarvan. In dit verband moet worden vastgesteld dat de mondelinge behandeling op 22 februari 2016 is heropend. Bij maatregelen tot organisatie van de procesgang van 22 februari 2016 en 23 maart 2016 heeft het Gerecht aan verzoeksters vragen gesteld. Gelet op de tijd die is verstreken tussen de terugreis van de terechtzitting van 28 oktober 2015 en de vaststelling van die maatregelen tot organisatie van de procesgang, konden de betrokken uren voor afhandeling echter niet zijn besteed aan het antwoord op die maatregelen tot organisatie van de procesgang, aangezien die maatregelen nog niet door het Gerecht waren vastgesteld. Bijgevolg moeten bovengenoemde uren voor de afhandeling worden uitgesloten van de categorie noodzakelijke kosten op grond dat zij betrekking hebben op een periode waarin geen enkele proceshandeling is vastgesteld en zij dus geen rechtstreeks verband houden met het optreden van de advocaten voor het Gerecht.

30

Ten tweede moet er volgens de rechtspraak, wanneer de advocaten van een partij deze reeds hebben bijgestaan tijdens procedures of stappen voordat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd, zoals in casu, rekening worden gehouden met het feit dat die advocaten daardoor reeds bekend zijn met de voor het geding relevante elementen, hetgeen hun werk vergemakkelijkt en de voor de contentieuze procedure benodigde voorbereidingstijd verkort (beschikking van 21 december 2010, Le Levant 015 e.a./Commission, T‑34/02 DEP, EU:T:2010:559, punt 43).

31

In dit verband betogen verzoeksters dat bepaalde in het verweerschrift voor het Gerecht opgeworpen vragen niet tijdens de administratieve procedure zijn behandeld, met name die betreffende de ontvankelijkheid van de beroepen. De bezwaren tegen de ontvankelijkheid van de beroepen betroffen evenwel slechts twee van de verzoeksters die partij zijn bij het onderhavige verzoek tot begroting van de proceskosten, te weten Cargill, verzoekster in zaak T‑117/14, en Unitec Bio, verzoekster in zaak T‑111/14, en deze verzoeksters hebben hierop in hun repliek met twee identieke en zeer eenvoudige paragrafen geantwoord.

32

Ten derde rechtvaardigen de verzoeksters het hoge aantal arbeidsuren door het feit dat hun advocaten aan acht beroepen moesten werken. Volgens verzoeksters, die in dit verband verwijzen naar punt 35 van beschikking van 13 mei 2019, Giant (China)/Raad (T‑425/13 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2019:340), heeft de Unierechter geoordeeld dat 190 uur voor één enkele verzoekende partij redelijk was. In het licht van deze rechtspraak kunnen 543 arbeidsuren voor acht beroepen dus niet buitensporig worden geacht. Bovendien waren de onderhavige hoofdgedingen ingewikkelder dan het geding dat heeft geleid tot het arrest van 26 november 2015, Giant (China)/Raad (T‑425/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:896). Verzoeksters voegen hieraan toe dat hoewel bepaalde vragen in de acht zaken vergelijkbaar waren, andere procedurele kwesties zoals vertrouwelijkheid, ontvankelijkheid en gegevensverwerking voor elke verzoekster een individuele behandeling hebben vereist.

33

Het Gerecht merkt op dat de onderhavige situatie waarin acht beroepen aan de orde zijn weliswaar een groter aantal arbeidsuren kan rechtvaardigen dan voor de voorbereiding en het voeren van één enkele procedure bij het Gerecht, maar dat toch rekening moet worden gehouden met de juridische en feitelijke gelijkenissen tussen de betrokken zaken, die de advocaten arbeidsuren hebben bespaard.

34

In casu moet in aanmerking worden genomen dat alle schrifturen van de acht verzoeksters, afgezien van enkele verschillen, in essentie identiek waren en dat verzoeksters gezamenlijk hebben geantwoord op de vragen van het Gerecht. Met name de juridische en feitelijke vragen in verband met de toepassing van artikel 2, lid 5, van de basisverordening werden in dezelfde bewoordingen voorgelegd, zodat zij in de arresten van 15 september 2016, LDC Argentina/Raad (T‑118/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:502), 15 september 2016, Cargill/Raad (T‑117/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:503), 15 september 2016, Unitec Bio/Raad (T‑111/14, EU:T:2016:505), en 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad (gevoegde zaken T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509), met een vrijwel identieke motivering werden beantwoord. Dergelijke gelijkenissen tussen deze verknochte zaken hebben noodzakelijkerwijs tot een schaalvoordeel geleid [zie in dit verband beschikkingen van 27 april 2009, Mülhens/BHIM – Conceria Toska (TOSKA), T‑263/03 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2009:118, punt 17, en 27 april 2009, Mülhens/BHIM, T‑28/04 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2009:119, punt 17, en zie ook in die zin beschikking van 12 mei 2016, Ningbo Yonghong Fasteners/Raad, T‑150/09 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2016:317, punt 28].

35

Bovendien moet worden opgemerkt dat hoewel de ontvankelijkheidsvragen in het stadium van de opstelling van het verzoekschrift en de repliek een grondigere behandeling van bepaalde beroepen hebben genoodzaakt, deze vragen – zoals reeds is vermeld in punt 31 hierboven – slechts twee van de verzoeksters in de onderhavige procedure tot begroting van de proceskosten betroffen en in de schrifturen van die verzoeksters op dezelfde wijze zijn behandeld, zodat het Gerecht ze op identieke gronden heeft beantwoord in zijn arresten van 15 september 2016, Cargill/Raad (T‑117/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:503), en 15 september 2016, Uniteo/Raad (T‑111/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:505). De verzoeken om vertrouwelijke behandeling in de gevoegde zaken T‑112/14 tot en met T‑116/14 en T‑118/14 waren eveneens identiek.

36

Ten vierde moet de Unierechter vooral rekening houden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig lijkt voor de procedure voor het Gerecht, ongeacht het aantal advocaten dat de betrokken diensten heeft verricht (beschikking van 28 juni 2004, Airtours/Commissie, T‑342/99 DEP, EU:T:2004:192, punt 30).

37

In casu stelt het Gerecht, met name gelet op het belang van de gedingen vanuit het oogpunt van het Unierecht en de moeilijkheden in verband met één van de voor hem aangevoerde middelen, de totale arbeidstijd van de advocaten die objectief gezien noodzakelijk was voor de vertegenwoordiging van de acht verzoeksters in de hoofdgedingen tijdens de gerechtelijke fase vast op 408 uur. Hieronder vallen het opstellen van de beroepen tot nietigverklaring, de replieken, de zeer korte verzoeken om vertrouwelijke behandeling in de zaken T‑112/14 tot en met T‑116/14 en T‑118/14 en de voorbereiding van de niet-vertrouwelijke versies van de stukken van die procedures, de antwoorden op de twee memories in interventie van de Commissie en de EBB, de voorbereiding van de terechtzitting en de vertegenwoordiging van verzoeksters ter terechtzitting, alsmede de antwoorden op de na de terechtzitting gestelde vragen van het Gerecht, die dezelfde waren voor elk van de verzoeksters. Er zij benadrukt dat, op de totale hierboven genoemde arbeidstijd, de voorbereiding van één enkele standaardzaak die als basismodel voor de behandeling van de zeven andere zaken dient, een groter aantal uren toekomt dan de overige zeven zaken.

38

Met betrekking tot het in de aanvraag vermelde gewogen gemiddelde uurtarief, dat iets hoger ligt dan 340 EUR, is het Gerecht van oordeel dat een dergelijk uurtarief kan worden toegepast op de uren die zijn besteed aan het voorbereiden en het opstellen van schrifturen en aan de voorbereiding op en de bijstand ter terechtzitting voor één standaardzaak die als basismodel voor de behandeling van de zeven andere zaken dient. Het Gerecht is eveneens van oordeel dat het werk met betrekking tot de zeven andere zaken, dat is verricht op basis van hetgeen voor de standaardzaak is voorbereid, eenvoudiger van aard is en dat voor dat werk daarom moet worden uitgegaan van een uurtarief van 220 EUR.

39

In die omstandigheden is het billijk om het bedrag van de door verzoeksters invorderbare honoraria vast te stellen op 110160 EUR.

Invorderbare uitgaven

40

Verzoeksters vorderen 974 EUR aan reis- en verblijfkosten in verband met de enige terechtzitting die in de hoofdgedingen heeft plaatsgevonden.

41

In casu moet worden vastgesteld dat verzoeksters tot staving van hun verzoek tot vergoeding van reis- en hotelkosten twee hotelfacturen overleggen voor een totaalbedrag van 728 EUR en een document waarin wordt uitgelegd dat de vervoerskosten zijn berekend op basis van vervoer per auto, met name 0,5 EUR per km, wat neerkomt op een totaalbedrag van 246 EUR.

42

Wat betreft de uitgaven voor de deelneming van twee advocaten aan de terechtzitting, beklemtoont de Raad dat alleen de uitgaven voor één advocaat objectief noodzakelijk waren en stelt hij voor een bedrag van 350 EUR terug te betalen.

43

Dienaangaande is het Gerecht van oordeel dat, hoewel de zaken zeer vergelijkbaar waren, de advocaten de terechtzitting hebben moeten voorbereiden en daar acht verzoeksters hebben moeten vertegenwoordigen. Het is dus gerechtvaardigd te oordelen dat de kosten die twee raadslieden hebben gemaakt om aan de terechtzitting deel te nemen, noodzakelijk waren in de zin van artikel 140, onder b), van het Reglement voor de procesvoering.

44

Hieruit volgt dat de reis- en verblijfkosten van twee advocaten om verzoeksters ter terechtzitting van 28 oktober 2015 bij te staan, redelijkerwijs kunnen worden vastgesteld op 974 EUR.

Kosten van de onderhavige procedure

45

Het Gerecht houdt bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening met alle omstandigheden van de zaak tot de uitspraak van de beschikking over de begroting van de proceskosten, daaronder begrepen de in verband met de procedure voor de begroting van de proceskosten gemaakte noodzakelijke kosten (beschikking van 23 maart 2012, Kerstens/Commissie, T‑498/09 P-DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2012:147, punt 15).

46

Met betrekking tot het bedrag van 1539 EUR dat wordt gevorderd voor het voeren van de onderhavige procedure tot begroting van de proceskosten, moet worden opgemerkt dat dit bedrag niet buitensporig is, ook al is een verzoek tot begroting van de proceskosten min of meer een standaardverzoek.

47

In die omstandigheden dienen de kosten van verzoeksters betreffende de onderhavige procedure te worden vastgesteld op 1539 EUR.

Vordering tot toekenning van vertragingsrente

48

Verzoeksters vorderen dat over het bedrag van de invorderbare kosten vertragingsrente wordt berekend.

49

In dit verband zij erop gewezen dat de vaststelling van een eventuele verplichting tot betaling van vertragingsrente en de vaststelling van de toepasselijke rentevoet krachtens artikel 170, leden 1 en 3, van het Reglement voor de procesvoering tot de bevoegdheid van het Gerecht behoren (zie beschikking van 19 juli 2017, Yanukovych/Raad, T‑348/14 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2017:549, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het is vaste rechtspraak dat een vordering tot verhoging met vertragingsrente van het bedrag dat verschuldigd is in het kader van een procedure tot begroting van de proceskosten, moet worden toegewezen voor de periode tussen de datum van betekening van de beschikking tot begroting van de proceskosten en de datum van effectieve terugbetaling van de kosten (zie beschikking van 19 juli 2017, Yanukovych/Raad, T‑348/14 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2017:549, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

Wat de toepasselijke rentevoet betreft, acht het Gerecht het passend rekening te houden met artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1). Bijgevolg wordt het toepasselijke percentage berekend op basis van het percentage dat de Europese Centrale Bank (ECB) op haar basisherfinancieringsoperaties toepast, zoals dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin de genoemde termijn valt en zoals het bekendgemaakt is in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met drieënhalf procentpunten (zie beschikking van 19 juli 2017, Yanukovych/Raad, T‑348/14 DEP, niet gepubliceerd, EU:T:2017:549, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

Bijgevolg moet worden bepaald dat het bedrag van de invorderbare kosten vanaf de datum van betekening van de onderhavige beschikking vertragingsrente zal dragen tegen het percentage dat is berekend op basis van het percentage dat de ECB voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met drieënhalf procentpunten.

52

Uit het voorgaande volgt dat het totaalbedrag van de door verzoeksters van de Raad invorderbare kosten 112673 EUR bedraagt, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de datum van betekening van de onderhavige beschikking.

 

HET GERECHT (Derde kamer)

beschikt:

 

1)

Het totaalbedrag van de kosten die de Raad van de Europese Unie moet vergoeden aan Unitec Bio SA, Molinos Río de la Plata SA, Oleaginosa Moreno Hermanos SACIFI y A, Vicentin SAIC, Aceitera General Deheza SA, Bunge Argentina SA, Cargill SACI en LDC Argentina SA, wordt vastgesteld op 112673 EUR.

 

2)

Dat bedrag zal vertragingsrente dragen vanaf de datum van betekening van de onderhavige beschikking tot aan de datum van betaling.

 

Luxemburg, 10 maart 2020.

De griffier

E. Coulon

De president

A. M. Collins


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top