Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CO0466

Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 12 juli 2012.
Gennaro Currà e.a. tegen Bundesrepublik Deutschland.
Verzoek van het Tribunale ordinario di Brescia om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Artikel 92, lid 1, van Reglement voor de procesvoering – Vordering van slachtoffers van moordpartijen tegen lidstaat in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor handelingen die zijn strijdkrachten in oorlogstijd hebben gesteld – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Kennelijke onbevoegdheid van Hof.
Zaak C‑466/11.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:465

BESCHIKKING VAN HET HOF (Derde kamer)

12 juli 2012 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Artikel 92, lid 1, van Reglement voor de procesvoering — Vordering van slachtoffers van moordpartijen tegen lidstaat in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor handelingen die zijn strijdkrachten in oorlogstijd hebben verricht — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Kennelijke onbevoegdheid van Hof”

In zaak C-466/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunale ordinario di Brescia (Italië) bij beslissing van 25 juli 2011, ingekomen bij het Hof op 9 september 2011, in de procedure

Gennaro Currà e.a.

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

in tegenwoordigheid van:

Repubblica italiana,

geeft HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), E. Juhász, T. von Danwitz en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het EU-Verdrag, van het WEU-Verdrag en van de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Italiaanse staatsburgers en de Bundesrepublik Deutschland over de vordering die deze burgers hebben ingesteld met het oog op vergoeding van de schade die zij hebben geleden doordat zijzelf of personen van wie zij de rechthebbenden zijn, tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gedeporteerd.

Rechtskader

3

Artikel 28 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht luidt:

„Tenzij uit het verdrag of op andere wijze een andere bedoeling blijkt, binden de bepalingen van een verdrag een partij niet met betrekking tot een handeling of feit, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit verdrag voor deze partij, of enige situatie die op die datum niet meer bestond.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

4

In haar arrest Ferrini van 6 november 2003, dat op 11 maart 2004 is gepubliceerd, heeft de Corte suprema di cassazione (Italiaans Hof van cassatie) geoordeeld dat een Italiaans staatsburger bij de Italiaanse rechter een vordering tegen de Bundesrepublik Deutschland kon instellen met het oog op vergoeding van de schade die hij door zijn deportatie heeft geleden, omdat de Bundesrepublik Deutschland zich, gelet op de ernst van de tegen die burger begane misdaden, niet kon beroepen op de immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht die zij krachtens het internationale recht geniet.

5

Na dat arrest hebben verzoekers in het hoofdgeding een vordering bij het Tribunale ordinario di Brescia ingesteld om van de Bundesrepublik Deutschland een billijke schadevergoeding te verkrijgen voor de gedwongen arbeid en de deportatie waarvan zijzelf of personen van wie zij de rechthebbenden zijn, het slachtoffer zijn geweest.

6

Op 23 december 2008 heeft de Bundesrepublik Deutschland bij het Internationaal Gerechtshof beroep ingesteld tegen de Repubblica italiana met het betoog dat deze laatste het beginsel van internationaal recht dat staten immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht genieten niet eerbiedigt.

7

In afwachting van het arrest van het Internationaal Gerechtshof heeft de Repubblica italiana wet nr. 98/2010 van 23 juni 2010 houdende spoedmaatregelen betreffende de immuniteit van vreemde staten voor de Italiaanse rechter en betreffende de verkiezing van de representatieve instanties van Italianen in het buitenland (GURI nr. 147 van 26 juni 2010) afgekondigd, die de maatregelen ter uitvoering van beslissingen waarbij de Bundesrepublik Deutschland is veroordeeld, opschort. Die maatregel gold tot de publicatie van het arrest van het Internationaal Gerechtshof.

8

Rekening houdend met de internationale context en met de afkondiging van die wet, hebben verzoekers in het hoofdgeding, die van mening zijn dat de Duitse en de Italiaanse rechters de internationale normen die Italiaanse staatsburgers het genot van hun rechten garanderen, met name de artikelen 17 en 47 van het Handvest, hebben geschonden, het Tribunale ordinario di Brescia verzocht om het Hof te adiëren.

9

De Bundesrepublik Deutschland meent dat zij krachtens het internationaal recht immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht geniet, die is bevestigd in verschillende lidstaten, in verschillende arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens en in het op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen. Zij voegt daaraan toe dat de vordering niet-ontvankelijk is, aangezien de Repubblica italiana krachtens het Vredesverdrag van 1947 afstand heeft gedaan van schadevorderingen ten aanzien van de Bundesrepublik Deutschland.

10

De verwijzende rechter, die van oordeel is dat de vordering van verzoekers in het hoofdgeding moet worden ingewilligd, wijst erop dat het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op de vraag hoe de exceptie van immuniteit zich verhoudt tot het Unierecht, te weten het Verdrag van Lissabon en het Handvest. Voorts merkt hij op dat de verzochte uitlegging, voor zover deze twee lidstaten betreft, hem in staat zal stellen uitspraak te doen over de immuniteit van de Bundesrepublik Deutschland.

11

Bijgevolg heeft het Tribunale ordinario di Brescia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Zijn op basis van de internationale verplichtingen van de [Bundesrepublik Deutschland] (onder meer de artikelen 2 en 5, lid 2, van de op 27 februari 1953 in Londen gesloten Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden) het vermeende voorrecht van immuniteit in civiele zaken [van deze staat] voor de Italiaanse rechter voor de feiten van de [...] zaak, waarop [hij] zich sinds 11 maart 2004 ([reeds aangehaald] arrest Ferrini [van de Corte suprema di cassazione]) niet langer kan beroepen, en het akkoord [dat op 18 november 2008 te Triëst is ondertekend met de Italiaanse regering] om een zaak bij het Internationaal Gerechtshof aanhangig te maken ([zaak] nr. 143/2008 General List), samen met de desbetreffende in wet nr. 98/2010 neergelegde Italiaanse regeling volgens welke Italiaanse uitspraken gebaseerd op ernstige misdaden tegen de menselijkheid niet-uitvoerbaar zijn, in strijd met artikel 6 [VEU] en met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest [...]?

2)

Heeft de toepassing van artikel 7 van het Reichsbeamtenhaftungsgesetz [wet van 22 mei 1910 op de aansprakelijkheid van het Duitse rijk voor zijn ambtenaren] (arrest van het Bundesgerichtshof van 26 juni 2003, III ZR 245/98, [en] arrest van het Bundesverfassungsgericht van 15 februari 2006, 2 Bvr 1476/03) inzake oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, waarbij Europese burgers in strijd met artikel 2 van de Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden het recht wordt ontnomen om schadevergoeding te vorderen van de [Bundesrepublik Deutschland], de rechten die verzoekers aan de artikelen 17 en 47 van het Handvest [...] ontlenen, geschonden tot 11 maart 2004 ([reeds aangehaald] arrest Ferrini [van de Corte suprema di cassazione]), zodat het beroep op een verjaringstermijn in strijd is met de communautaire verplichtingen, in het bijzonder de artikelen 3 [VEU] en 4, lid 3, laatste alinea, [VEU] en het beginsel non conceditur contra venire factum proprio?

3)

Is de exceptie van immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht die de [Bundesrepublik Deutschland], de verwerende partij, opwerpt, in strijd met artikel 4, lid 3, laatste alinea, [VEU] en artikel 21 [VEU], daar zij in de weg staat aan de civiele aansprakelijkheid op basis van gemeenschappelijke Europese beginselen (artikel 340 [VWEU]) van verwerende partij voor de schending van het internationaal recht (verbod van slavernij en dwangarbeid) die zij jegens burgers van een andere lidstaat heeft begaan?”

Bevoegdheid van het Hof

12

Krachtens de artikelen 92, lid 1, en 103, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een verzoek om een prejudiciële beslissing, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

13

Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de aan het internationaal recht ontleende exceptie van immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in civiele zaken waarop de Bundesrepublik Deutschland zich voor de Italiaanse rechter beroept en zoals die staat deze in zijn nationaal recht toepast op de feiten van het hoofdgeding, alsmede wet nr. 98/2010 in strijd zijn met de artikelen 3 VEU, 4, lid 3, VEU en 6 VEU, met artikel 340 VWEU en met de artikelen 17, 42 en 52 van het Handvest.

14

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat uit artikel 5, lid 2, VEU volgt dat de Europese Unie enkel handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken en dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten.

15

Voorts is het vaste rechtspraak dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU, het Unierecht enkel kan uitleggen binnen de grenzen van de aan de Unie toegekende bevoegdheden (zie arrest van 5 oktober 2010, McB., C-400/10 PPU, Jurispr. blz. I-8965, punt 51, en beschikking van 14 december 2011, Boncea e.a. en Budan, C-483/11 en C-484/11, punt 32). Meer bepaald is het Hof krachtens artikel 267 VWEU niet bevoegd uitspraak te doen over de uitlegging van bepalingen van internationaal recht die de lidstaten binden buiten het kader van het Unierecht (arrest van 27 november 1973, Vandeweghe e.a., 130/73, Jurispr. blz. 1329, punt 2).

16

In casu betreft het hoofdgeding een schadevordering die is ingesteld door burgers van een lidstaat tegen een andere lidstaat voor feiten die hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, dus vóór de oprichting van de Europese Gemeenschappen.

17

De verwijzende rechter vermeldt niets waaruit blijkt dat het Hof ratione materiae bevoegd is. Hij verzoekt het Hof in de eerste plaats om uitlegging van het algemene beginsel van internationaal recht betreffende de staatsimmuniteit en om uitlegging van de Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden, waarbij de Unie geen partij is, en in de tweede plaats na te gaan of het recht en de handelwijze van twee lidstaten, gelet op die uitlegging, in overeenstemming zijn met de verschillende bepalingen van het EU-Verdrag, het WEU-Verdrag en het Handvest.

18

Het is juist dat de bevoegdheden van de Unie moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met het internationaal recht (zie naar analogie arresten van 24 november 1992, Poulsen en Diva Navigation, C-286/90, Jurispr. blz. I-6019, punt 9, en 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C-366/10, Jurispr. blz. I-13755, punt 123). Het Hof moet dus het internationaal recht toepassen en in voorkomend geval bepaalde regels van internationaal recht uitleggen, maar dit uitsluitend in het kader van de bevoegdheid die de lidstaten de Unie hebben toegedeeld.

19

Niets wijst er echter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie kan vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht of dus van de regels van internationaal recht met een invloed op de uitlegging van het Unierecht. Het Hof is bijgevolg niet bevoegd om de regels van internationaal recht uit te leggen die de verwijzende rechter voornemens is op die situatie toe te passen.

20

Het Hof merkt in dit verband overigens op dat, wat de uitlegging en de toepassing betreft van het beginsel van staatsimmuniteit in het kader van een schadevordering die burgers van een staat hebben ingesteld tegen een andere staat voor feiten die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden, de twee in het hoofdgeding betrokken lidstaten het Internationaal Gerechtshof hebben geadieerd zonder de bevoegdheid van dit hof te betwisten. Het Internationaal Gerechtshof heeft zich bevoegd verklaard en heeft zich ten gronde over de zaak uitgesproken op 3 februari 2012.

21

Uit al het voorgaande volgt dat het Hof ratione materiae kennelijk onbevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

22

Gesteld al dat de Unie de regels van internationaal recht als die waarnaar de verwijzende rechter verwijst, kan uitleggen, volgt uit artikel 28 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, dat de instellingen van de Unie bindt en als regel van internationaal gewoonterecht deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie (zie naar analogie arrest van 25 februari 2010, Brita, C-386/08, Jurispr. blz. I-1289, punt 42), dat, tenzij in het betrokken verdrag een andere bedoeling te kennen is gegeven, de bepalingen van dat verdrag de verdragsluitende staten niet binden met betrekking tot een handeling of feit, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dat verdrag.

23

Een dergelijke andere bedoeling, op grond waarvan een bevoegdheid van de Unie zou kunnen worden uitgebreid tot feiten zoals die van het hoofdgeding, die voorafgaan aan haar bestaan, blijkt helemaal niet uit de Verdragen.

24

Bijgevolg is het Hof ratione temporis kennelijk onbevoegd om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

25

Wat meer bepaald de bepalingen van het Handvest betreft waarvan de verwijzende rechter de uitlegging vraagt, volstaat het eraan te herinneren dat overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest de bepalingen van dit handvest uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Bovendien breidt het Handvest volgens lid 2 van diezelfde bepaling de werkingssfeer van het Unierecht niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept het geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, en wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken niet. Het Hof moet dus het Unierecht binnen de grenzen van de aan de Unie toegekende bevoegdheden, in het licht van het Handvest uitleggen (arrest van 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11, Jurispr. blz. I-11315, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en het Hof dus onbevoegd is, kunnen de aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor een nieuwe bevoegdheid.

27

Bijgevolg is het Hof kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van het Tribunale ordinario di Brescia om een prejudiciële beslissing.

Kosten

28

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) beschikt:

 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van het Tribunale ordinario di Brescia (Italië) om een prejudiciële beslissing.

 

ondertekeningen


( *1 )   Procestaal: Italiaans.

Top