Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CC0268

Conclusie van advocaat-generaal Y. Bot van 21 juni 2012.
Atilla Gülbahce tegen Freie und Hansestadt Hamburg.
Verzoek van het Hamburgische Oberverwaltungsgericht om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad – Artikel 6, lid 1, eerste streepje – Rechten van Turkse werknemers die tot legale arbeidsmarkt behoren – Retroactieve intrekking van verblijfstitel.
Zaak C‑268/11.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:381

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 21 juni 2012 ( 1 )

Zaak C-268/11

Atilla Gülbahce

tegen

Freie und Hansestadt Hamburg

[verzoek van het Hamburgische Oberverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing ]

„Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije — Non-discriminatiebeginsel met betrekking tot arbeidsvoorwaarden — Verlening aan Turkse werknemer van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd — Intrekking, met terugwerkende kracht, van besluiten waarbij duur van verblijfsvergunning is verlengd — Voorwaarden om verblijfsrecht te baseren op artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80, gelet op arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd”

1. 

In deze zaak wordt het Hof door het Hamburgische Oberverwaltungsgericht (Duitsland) opnieuw verzocht om uitlegging van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad ( 2 ) van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie. ( 3 )

2. 

De feitelijke context van deze zaak betreft een Turkse onderdaan die met een visum voor gezinshereniging het Duitse grondgebied is binnengekomen en op deze basis een recht van verblijf heeft verkregen. Ook ontving hij een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd. In deze zaak staat de vraag centraal of de autoriteiten van een lidstaat krachtens het bepaalde in besluit nr. 1/80 bevoegd zijn de verblijfsvergunningen die aan een Turkse onderdaan zijn afgegeven, met terugwerkende kracht in te trekken tot de datum waarop de grond van nationaal recht op basis waarvan zijn vergunning is verleend, is opgehouden te bestaan, namelijk de samenwoning met zijn echtgenote.

3. 

Naar aanleiding van deze vraag zal ik in eerste instantie nagaan of verzoeker in het hoofdgeding zich ter betwisting van deze intrekking met terugwerkende kracht en ter verkrijging van verlenging van zijn verblijfsvergunning rechten kan ontlenen aan artikel 6, lid 1, eerste streepje, van dit besluit. Deze bepaling verleent migrerende Turkse werknemers na één jaar legale arbeid op de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst recht op verlenging van hun arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever.

4. 

Vervolgens zal ik de draagwijdte van artikel 10, lid 1, van dit besluit nader bezien. Volgens deze bepaling passen de lidstaten van de Europese Unie op de Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren, een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van werknemers van de Unie, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of een Turkse werknemer aan wie een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd is afgegeven, zich met succes kan beroepen op deze bepaling ter verkrijging van verlenging van zijn verblijfsvergunning, ook indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80.

5. 

In werkelijkheid moet het Hof in dezen beslissen of artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 enkel gericht is op de voorwaarden waaronder Turkse onderdanen die tot de legale arbeidsmarkt behoren hun arbeid verrichten, en niet mede op de voorwaarden voor toegang tot deze markt en de verkrijging van het hiertoe noodzakelijke verblijfsrecht, die zelf enkel worden beheerst door artikel 6, lid 1, van dit besluit. Of kan wellicht worden aangenomen dat het discriminatieverbod van artikel 10, lid 1, van dat besluit tevens van invloed is op de voorwaarden voor de toegang tot arbeid voor Turkse werknemers en dientengevolge op hun verblijfsrecht?

6. 

In deze conclusie zal ik het Hof in overweging geven te verklaren dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer niet met terugwerkende kracht kan intrekken tot de datum waarop de grond van nationaal recht voor de verlening van zijn vergunning is opgehouden te bestaan, indien deze werknemer niet frauduleus heeft gehandeld en deze intrekking plaats heeft na afloop van de in deze bepaling genoemde periode van een jaar legale arbeid.

7. 

Ik zal vervolgens toelichten waarom artikel 10, lid 1, van dat besluit naar mijn mening aldus moet worden uitgelegd dat een Turkse werknemer die een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd bezit en niet aan de in artikel 6, lid 1, van dat besluit bedoelde voorwaarden voldoet, zich niet kan beroepen op die eerste bepaling voor een verlenging van zijn verblijfstitel op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Recht van de Unie

1. Associatieovereenkomst

8.

Teneinde het vrije verkeer van Turkse werknemers in de Europese Economische Gemeenschap te regelen, is op 12 september 1963 tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije een associatieovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst heeft tot doel „de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de economie van Turkije en de verruiming van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren” ( 4 ).

9.

Het door de overeenkomst beoogde vrije verkeer van Turkse werknemers moet geleidelijk worden verwezenlijkt overeenkomstig nadere regels vastgesteld door de Associatieraad, die is belast met de toepassing en de geleidelijke ontwikkeling van de associatieregeling. ( 5 )

2. Besluit nr. 1/80

10.

Op deze grondslag heeft de Associatieraad besluit nr. 1/80 vastgesteld, dat er met name toe strekt de rechtssituatie van werknemers en hun gezinsleden te verbeteren ten opzichte van de regeling van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad van 20 december 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 12 van de associatieovereenkomst. Dat besluit voorzag, ten behoeve van de Turkse werknemers, in een geleidelijk ruimer wordend recht op toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst, alsmede, ten gunste van de kinderen van deze werknemers, in het recht op toegang tot onderwijs in die staat.

11.

De bepalingen die van toepassing zijn op de rechten van Turkse werknemers staan opgesomd in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80:

„Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.”

12.

Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 bepaalt dat de lidstaten op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toepassen dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van werknemers uit de Unie, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

13.

Artikel 13 van dit besluit bepaalt:

„De lidstaten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.”

B – Nationaal recht

14.

§ 19, lid 1, eerste alinea, punten 1 en 4, van de wet inzake het verblijf, het werk en de integratie van buitenlanders op het federale grondgebied (Gesetz über die Einreise und den Aufenthalt von Ausländern im Bundesgebiet), van 9 juli 1990 ( 6 ) bepaalt dat de verblijfsvergunning van de echtgenoot in geval van beëindiging van de echtelijke samenwoning wordt verlengd als een autonoom rechtsverblijf, dat onafhankelijk is van het in § 17, lid 1, van het Ausländergesetz benoemde verblijfsdoel, wanneer de echtelijke samenwoning ten minste twee jaar legaal op het federale grondgebied heeft geduurd en de buitenlander tot het moment dat de in de punten 1 tot en met 3 vermelde voorwaarden zijn vervuld, in het bezit was van de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf, tenzij hij niet tijdig een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning heeft kunnen indienen om redenen die hem niet kunnen worden toegerekend.

15.

§ 23, lid 1, punt 1, van het Ausländergesetz bepaalt dat de verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 17, lid 1, ervan wordt verleend aan de buitenlandse echtgenoot van een Duitse onderdaan wanneer deze laatste zijn gewone verblijfplaats op het federale grondgebied heeft.

16.

Ingevolge § 4, lid 1, van de wet inzake het verblijf, het werk en de integratie van buitenlanders op het federale grondgebied (Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet) van 30 juli 2004 ( 7 ) moeten vreemdelingen voor de toegang tot en het verblijf op het federale grondgebied beschikken over een verblijfstitel voor zover het recht van de Europese Unie of een nationale regeling niet anders bepaalt, of indien een verblijfsrecht bestaat op grond van de associatieovereenkomst.

17.

Krachtens § 4, lid 2, van het Aufenthaltsgesetz mag op basis van een verblijfstitel arbeid in loondienst worden verricht voor zover in deze wet voorzien, of indien de verblijfsvergunning arbeid in loondienst uitdrukkelijk toestaat. Iedere verblijfstitel moet vermelden of het is toegestaan arbeid in loondienst te verrichten. Een vreemdeling die geen verblijfstitel bezit met de vermelding dat het verrichten van arbeid is toegestaan, kan enkel toestemming krijgen arbeid te verrichten indien het Duitse federale arbeidsbureau zijn toestemming daartoe heeft gegeven, of indien krachtens regelgevend besluit het verrichten van arbeid is toegestaan zonder toestemming van dit bureau. De beperkingen die het arbeidsbureau heeft gesteld bij de afgifte van de vergunning moeten worden vermeld in de verblijfstitel.

18.

§ 4, lid 5, van het Aufenthaltsgesetz bepaalt dat een vreemdeling die krachtens de associatieovereenkomst beschikt over een verblijfsrecht, het bestaan van dit recht moet aantonen door overlegging van een verblijfsvergunning indien hij niet beschikt over een vestigingsvergunning of een vergunning tot duurzaam verblijf in de Unie. De verblijfsvergunning wordt op verzoek afgegeven.

19.

Volgens § 39 van het Aufenthaltsgesetz kan een verblijfstitel die de vreemdeling toestaat arbeid te verrichten, behoudens een andersluidende regeling, enkel worden afgegeven met toestemming van het Duitse federale arbeidsbureau. De toestemming kan worden gegeven wanneer dit is bepaald in overeenkomsten tussen staten, bij wet of bij regelgevend besluit. Volgens § 50, lid 1, van het Aufenthaltsgesetz moet een vreemdeling het territoriale grondgebied verlaten wanneer hij niet of niet meer in het bezit is van de noodzakelijke verblijfstitel en geen verblijfsrecht krachtens de associatieovereenkomst heeft of meer heeft.

20.

Krachtens § 105, lid 2, van het Aufenthaltsgesetz wordt een arbeidsvergunning die is afgegeven vóór de inwerkingtreding van deze wet, aangemerkt als een onbeperkte goedkeuring van het Duitse federale arbeidsbureau voor het verrichten van arbeid.

C – De Eddline El-Yassini- en Gattoussi-rechtspraak

21.

In de zaken die hebben geleid tot de arresten Eddline El-Yassini en Gattoussi ( 8 ) heeft het Hof al uitspraak moeten doen over een soortgelijk probleem als thans door de verwijzende rechter wordt voorgelegd, al was de juridische context anders. Het rechtskader van deze zaken bestond namelijk uit respectievelijk de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko ( 9 ) en de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië ( 10 ).

22.

In deze zaken had de lidstaat van ontvangst door middel van een limitering van het recht van verblijf, het recht van de onderdaan van een derde land op het verrichten van arbeid beperkt, hoewel hem dit recht was verleend bij arbeidsvergunning. ( 11 )

23.

El-Yassini had, na in het huwelijk te zijn getreden met een Britse onderdaan, in 1991 voor een periode van twaalf maanden een vergunning tot verblijf in het Verenigd Koninkrijk gekregen. Sinds zijn huwelijk verrichtte hij arbeid in loondienst. Na zijn scheiding van zijn echtgenote vroeg El-Yassini in 1992 om verlenging van zijn verblijfsvergunning, in het bijzonder op grond van artikel 40, eerste alinea, van de overeenkomst EEG-Marokko, dat bepaalt dat elke lidstaat op de werknemers van Marokkaanse nationaliteit die werkzaam zijn op zijn grondgebied een regeling toepast die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en zijn eigen onderdanen voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen. De aanvraag van El-Yassini werd door de Secretary of State for the Home Department afgewezen, met name op grond dat de tekst „voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen” in deze bepaling geen betrekking had op het recht van verblijf van een Marokkaanse werknemer in de lidstaat van ontvangst en daarom niet in die zin kon worden opgevat dat hij op basis hiervan het recht had zijn arbeid in die lidstaat voort te zetten wanneer zijn verblijfsvergunning was verlopen.

24.

Gattoussi, een Tunesische onderdaan, had na in het huwelijk te zijn getreden met een Duitse onderdaan en na toestemming te hebben verkregen zich bij haar te voegen, een vergunning tot verblijf voor een duur van drie jaar en vervolgens een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen. Nadat de Duitse autoriteiten hadden vernomen dat Gattoussi gescheiden leefde van zijn vrouw, beperkten zij de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning en gelastten hem het Duitse grondgebied te verlaten op straffe van uitzetting naar Tunesië. Net als in de zaak die heeft geleid tot het arrest Eddline El-Yassini, waren de nationale autoriteiten van mening dat Gattoussi geen verblijfsrecht had op basis van artikel 64, lid 1, van de Euro-mediterrane overeenkomst, dat bepaalt elke lidstaat op de werknemers van Tunesische nationaliteit die werkzaam zijn op zijn grondgebied, een regeling toepast die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van zijn eigen onderdanen voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden, de lonen en het ontslag.

25.

In de twee zaken weigerden de nationale autoriteiten, ondanks het feit dat de aanvragers een arbeidsvergunning voor onbepaalde duur en werk hadden, hun verblijfsrecht te verlengen, omdat de oorspronkelijke grond voor verlening van dit recht niet meer bestond op het moment dat hun verblijfsvergunning afliep. De vraag in deze twee zaken was dus of de artikelen 40, eerste alinea, van de overeenkomst EEG-Marokko en 64, lid 1, van de Euro-mediterrane overeenkomst aldus moesten worden uitgelegd dat zij in de weg stonden aan de weigering van de lidstaten om onder dergelijke omstandigheden een verblijfstitel af te geven.

26.

In het arrest Eddline El-Yassini heeft het Hof dienaangaande geoordeeld dat „het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht een lidstaat in beginsel niet verboden is, te weigeren de verblijfstitel te verlengen van een Marokkaans onderdaan die hij toegang tot zijn grondgebied heeft verleend en aan wie hij heeft toegestaan aldaar beroepswerkzaamheden te verrichten, wanneer de oorspronkelijke reden voor de verlening van het verblijfsrecht niet meer bestaat op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de betrokkene verstrijkt”. ( 12 ) Het Hof voegde eraan toe dat de „omstandigheid dat deze maatregel van de bevoegde nationale autoriteiten de betrokkene verplicht, vóór het einde van de met zijn werkgever overeengekomen termijn zijn arbeidsverhouding in de lidstaat van ontvangst te beëindigen, [...] in het algemeen aan die uitlegging niet [afdoet]”. ( 13 )

27.

Het Hof stelde verder echter dat „[d]it evenwel anders [zou] zijn, indien de verwijzende rechter mocht vaststellen, dat de lidstaat van ontvangst de Marokkaanse migrerende werknemer nauwkeurig bepaalde rechten op het gebied van het verrichten van arbeid had verleend, die ruimer zijn dan die welke diezelfde lidstaat hem op het gebied van verblijf had toegekend”. ( 14 ) Dit zou het geval zijn indien de betreffende lidstaat betrokkene enkel een verblijfstitel had verleend met een kortere duur dan die van zijn arbeidsvergunning en vervolgens vóór het aflopen van de arbeidsvergunning zou weigeren de verblijfstitel te verlengen, zonder dit te funderen op de bescherming van een rechtmatig overheidsbelang, zoals redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. ( 15 )

28.

De nuttige werking van artikel 40, eerste alinea, van de overeenkomst EEG-Marokko brengt noodzakelijkerwijze mee dat een Marokkaans onderdaan aan wie regulier toestemming is verleend gedurende zekere tijd beroepswerkzaamheden te verrichten op het grondgebied van een lidstaat, gedurende die gehele periode de rechten geniet die deze bepaling hem verleent. ( 16 )

29.

In het arrest Gattoussi heeft het Hof dezelfde redenering gevolgd. ( 17 )

II – Feiten en hoofdgeding

30.

De heer Gülbahce, een Turkse onderdaan, is in februari 1996 binnengekomen op het Duitse grondgebied en heeft een asielverzoek ingediend. In juni 1997 trouwde hij met een Duitse onderdaan. Zijn asielverzoek is vervolgens afgewezen.

31.

Gülbahce keerde in mei 1998 terug naar zijn land van oorsprong en kwam vervolgens op 8 juni van dat jaar met een visum voor gezinshereniging terug in Duitsland. Hiertoe had hij verklaard op het toenmalige adres van zijn echtgenote te wonen. In juli 1998 verleende de plaatselijke vreemdelingendienst hem een verblijfsvergunning voor een jaar. Deze vergunning is op 17 juni 1999 verlengd tot en met 2 juli 2001. Daarnaast kreeg Gülbahce op 29 september 1998 van het arbeidsbureau van Bochum (Duitsland) een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd.

32.

Tussen februari en november 1999 werkte Gülbahce als hulpkracht in de bouw te Hamburg (Duitsland) en vanaf september 2000 opnieuw bij verschillende werkgevers, nog steeds te Hamburg. Elk van deze arbeidsovereenkomsten duurde minder dan een jaar.

33.

Op 1 juli 2000 diende Gülbahce in Hamburg een aanvraag in voor de toewijzing van een appartement en in juni 2001 vroeg hij bij de vreemdelingendienst van de Freie und Hansestadt Hamburg verlenging van zijn verblijfsvergunning aan daar hij werk had.

34.

Op 16 augustus 2001 verleende de Freie und Hansestadt Hamburg Gülbahce een verblijfsvergunning voor twee jaar, die zij voor het laatst verlengde op 20 januari 2004 voor een periode van twee jaar.

35.

In juli 2005 vernam de Freie und Hansestadt Hamburg dat de echtgenote van Gülbahce op 2 november 1999 bij de stad Aschersleben (Duitsland) schriftelijk had verklaard dat zij sinds 1 oktober 1999 gescheiden van hem leefde. Toen Gülbahce werd gehoord door de Freie und Hansestadt Hamburg, bevestigde hij dat hij definitief van zijn echtgenote was gescheiden in november 2000. Hij zou wegens zijn werk vaak op reis zijn geweest door heel Duitsland en enkel de weekeinden en rustperiodes bij zijn echtgenote hebben verbleven.

36.

In december 2005 heeft Gülbahce de verlenging aangevraagd van zijn verblijfsvergunning wegens een baan waarmee hij in november 2004 was begonnen bij Atla GmbH in Hamburg.

37.

Bij beschikking van 6 februari 2006, die werd bekrachtigd bij beschikking van 29 augustus 2006, heeft de Freie und Hansestadt Hamburg de verblijfsvergunningen van Gülbahce van 16 augustus 2001 en 20 januari 2004 met terugwerkende kracht ingetrokken. Zij wees de aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning af en dreigde hem uit te zetten naar Turkije. Volgens de stad hadden de verblijfsvergunningen van Gülbahce niet mogen worden verlengd, aangezien de samenwoning volgens de verklaringen van zijn echtgenote geen twee jaar had geduurd. De Freie und Hansestadt Hamburg is tevens van mening dat Gülbahce zich voor een verlenging niet kon beroepen op artikel 6 van besluit nr. 1/80, aangezien hij ten tijde van elk van deze verlengingen niet minstens één jaar bij dezelfde werkgever in dienst was geweest. Daarenboven zou Gülbahce deze verblijfsvergunningen door bedrog hebben verkregen, aangezien hij en zijn echtgenote niet langer samenwoonden.

38.

Bij vonnis van 3 juli 2007 heeft het Verwaltungsgericht (Duitsland) het beroep van Gülbahce tegen de beschikking van de Freie und Hansestadt Hamburg verworpen op grond dat de stad de verblijfsvergunningen terecht had ingetrokken, omdat de samenwoning van de echtgenoten geen twee jaar had standgehouden. Verder had artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80, dat door Gülbahce was aangevoerd ten behoeve van zijn arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, niet tot gevolg dat de Freie und Hansestadt Hamburg verplicht werd hem middels de verlenging van zijn verblijfsvergunning in staat te stellen de beroepswerkzaamheden die hij toen verrichte, voort te zetten.

39.

Bij arrest van 29 mei 2008 heeft de appèlrechter, het Hamburgische Oberverwaltungsgericht, de uitspraak van het Verwaltungsgericht gewijzigd en de Freie und Hansestadt Hamburg gelast Gülbahce een verblijfsvergunning te verlenen op grond dat de arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, in samenhang met artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80, een van het huwelijk onafhankelijk recht van verblijf verleent. Een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort en in het bezit is van een rechtmatige arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, kan immers een beroep doen op deze bepaling zelfs indien hij geen aanspraak kan maken op de rechten van artikel 6 van dat besluit. De appèlrechter is van oordeel dat de rechtspraak van het Hof inzake het uit de overeenkomst EEG-Marokko en de Euro-mediterrane overeenkomst voortvloeiende discriminatieverbod naar analogie moet worden toegepast. Het recht om daadwerkelijk een beroepswerkzaamheid uit te oefenen had hem dan enkel mogen worden ontnomen om redenen van bescherming van een rechtmatig belang van de staat, zoals bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Van dergelijke redenen was geen sprake. Met name zou Gülbahce geen schijnhuwelijk hebben gesloten.

40.

In „Revision” heeft het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) bij arrest van 8 december 2009 het arrest van 29 mei 2008 vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling en beslissing. De appèlrechter zou namelijk ten onrechte hebben aangenomen dat Gülbahce op basis van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 en de verleende arbeidsvergunning voor onbepaalde duur recht had op verlenging of verlening van een verblijfsvergunning.

41.

De verwijzende rechter geeft aan dat uit de nieuwe terechtzittingen die in het kader van de terugverwijzing van de zaak zijn gehouden alsook uit het door partijen overgelegde bewijs naar voren komt dat Gülbahce sinds oktober 2006 in dienst is van Consultin Bau GmbH in Hamburg, aanvankelijk met onderbrekingen en vervolgens, sinds 2 november 2009, zonder onderbrekingen.

III – Prejudiciële vragen

42.

Aangezien het Hamburgische Verwaltungsgerichtshof twijfelt aan de uitlegging die moet worden gegeven aan het bepaalde in besluit nr. 1/80, heeft het besloten de procedure te schorsen en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:

„1)

Moet artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat:

a)

een Turkse werknemer aan wie rechtmatig een vergunning is afgegeven om voor zekere (in voorkomend geval onbepaalde) tijd, die de duur van de verblijfsvergunning overtreft, op het grondgebied van een lidstaat arbeid te verrichten (zogenoemde ‚overlopende’ arbeidsvergunning), gedurende deze gehele tijd zijn rechten op grond van deze vergunning kan uitoefenen voor zover redenen van bescherming van een rechtmatig overheidsbelang, zoals redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, hieraan niet in de weg staan;

b)

en het een lidstaat verboden is om aan deze vergunning, onder verwijzing naar op het tijdstip van afgifte daarvan geldende nationale bepalingen volgens welke de arbeidsvergunning afhankelijk is van de verblijfsvergunning, a priori elk gevolg voor de verblijfsrechtelijke status van de betrokkene te ontzeggen (in navolging van de arresten [Eddline] El-Yassini, [reeds aangehaald], punt 3 van de samenvatting en punten 62-65, inzake de draagwijdte van artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst [...] EEG-Marokko, en [...] Gattoussi, [reeds aangehaald], punt 2 van de samenvatting en punten 36-43, inzake de draagwijdte van artikel 64, lid 1, van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst [...])?

Voor het geval dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord:

2)

Moet artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat het een lidstaat op grond van de standstillbepaling eveneens is verboden om een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer door middel van een regeling van normatieve aard (in casu het [Aufenthaltsgesetz]) de mogelijkheid te ontnemen om zich te beroepen op schending van het in artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 neergelegde discriminatieverbod met het oog op de hem tevoren verstrekte arbeidsvergunning met een langere duur dan die van de verblijfsvergunning?

Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord:

3)

Moet artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat het de nationale autoriteiten op grond van het daarin neergelegde discriminatieverbod in elk geval niet verboden is om verblijfsvergunningen die naar nationaal recht ten onrechte voor bepaalde tijd aan een Turkse werknemer zijn afgegeven, na het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan overeenkomstig de nationale bepalingen in te trekken voor die perioden waarin de Turkse werknemer feitelijk gebruik heeft gemaakt van de hem tevoren regulier afgegeven arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd en heeft gewerkt?

4)

Moet artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voorts aldus worden uitgelegd dat deze bepaling uitsluitend van toepassing is op de arbeid die een Turkse werknemer die in het bezit is van een hem door de nationale autoriteiten regulier afgegeven, inhoudelijk niet beperkte arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, verricht op het tijdstip waarop zijn voor een ander doel afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afloopt, en een Turkse werknemer in die situatie derhalve niet kan verlangen dat de nationale autoriteiten ook nadat hij deze arbeid definitief heeft gestaakt, zijn voortgezet verblijf toestaan voor nieuwe arbeid, in voorkomend geval na een tijdelijke onderbreking die noodzakelijk is voor het vinden van werk?

5)

Moet artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voorts aldus worden uitgelegd dat het de nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat op grond van het non-discriminatiebeginsel (enkel) verboden is om jegens een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse onderdaan aan wie hij oorspronkelijk met betrekking tot het verrichten van arbeid ruimere rechten heeft toegekend dan met betrekking tot diens verblijf, na het aflopen van de laatstelijk afgegeven verblijfsvergunning maatregelen tot beëindiging van het verblijf te treffen, voor zover deze maatregelen niet strekken tot bescherming van een rechtmatig overheidsbelang, maar dat het geen verplichting voor hem meebrengt om een verblijfsvergunning af te geven?”

IV – Mijn analyse

43.

Gülbahce meent dat de verlenging van zijn verblijfsvergunningen in augustus 2001 en januari 2004 niet in strijd was met het recht en dat hij aanspraak had op deze verlenging ter uitoefening van zijn recht op werk op basis van de arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd die hem in september 1998 was verleend.

44.

Uit de verwijzingsbeschikking komt naar voren dat het Hamburgische Oberverwaltungsgericht uitgaat van de premisse dat Gülbahce zich niet kon beroepen op de rechten van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 om de intrekking van zijn verblijfsvergunningen te betwisten.

45.

Ik merk evenwel op dat in deze beschikking staat vermeld dat Gülbahce in december 2005 heeft verzocht om de verlenging van zijn verblijfsvergunning in verband met een baan waarmee hij in november 2004 was begonnen bij Atla GmbH, te Hamburg. Ook wordt hierin verklaard dat Gülbahce pas in november 2004 beroepswerkzaamheden voor langere tijd is gaan uitoefenen, hetgeen hij tot juni 2006 heeft gedaan. ( 18 ) Overigens licht de verwijzende rechter toe dat Gülbahce op het moment dat de verblijfsvergunningen van augustus 2001 en januari 2004 werden ingetrokken en werd geweigerd zijn verblijfsvergunning te verlengen, namelijk in februari 2006, meer dan een jaar in dienst was bij dezelfde werkgever. ( 19 )

46.

Naar mijn mening is het dus niet vanzelfsprekend dat Gülbahce op geen enkele wijze de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 vervulde.

47.

Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, zal ik bij de bestudering van de door hem gestelde vragen dan ook eerst uitgaan van de hypothese dat Gülbahce zijn recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning zou kunnen baseren op artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, en vervolgens uitgaan van de premisse waarop de verwijzende rechter zich baseert, namelijk dat Gülbahce de voorwaarden van deze bepaling niet vervult.

A – Gülbahce kan zich beroepen op het uit artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende recht

48.

De verwijzende rechter legt uit dat het nationale verblijfsrecht van Gülbahce door de intrekking in februari 2006 van de verblijfsvergunningen van augustus 2001 en januari 2004, naar nationaal recht met terugwerkende kracht was vervallen vanaf 3 juli 2001 en dat hij dan ook geen rechten kon ontlenen aan artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80. ( 20 )

49.

Deze vaststelling is volgens mij in directe tegenspraak met de uitspraak van het Hof in het arrest Unal. ( 21 )

50.

Het Hof heeft in dit arrest namelijk geoordeeld dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken tot de datum waarop niet langer de nationaalrechtelijke grond voor de verlening van zijn vergunning is opgehouden te bestaan, wanneer de genoemde werknemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig frauduleus handelen en deze intrekking plaatsvindt na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in genoemd artikel 6, lid 1, eerste streepje.

51.

Het Hof was met name van oordeel dat, wanneer een Turks onderdaan rechten kan ontlenen aan een bepaling van besluit nr. 1/80, deze rechten volgens het algemene beginsel van eerbiediging van verworven rechten niet langer afhangen van het voortbestaan van de omstandigheden op grond waarvan zij zijn ontstaan, aangezien een dergelijke voorwaarde niet in dat besluit wordt gesteld. ( 22 )

52.

Om te bepalen of Unal dergelijke rechten had verworven, nam het Hof als relevante datum de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst hadden besloten tot intrekking van de verblijfsvergunning van de Turkse werknemer. ( 23 )

53.

In de zaak in het hoofdgeding zijn de verblijfsvergunningen van Gülbahce van 16 augustus 2001 en 20 januari 2004 ingetrokken bij beslissing van 6 februari 2006. Zoals ik heb aangegeven in punt 45 van deze conclusie, was Gülbahce op die datum waarschijnlijk langer dan een jaar in dienst bij dezelfde werkgever.

54.

Het is dan mogelijk dat Gülbahce op de datum waarop de in geding zijnde verblijfsvergunningen werden ingetrokken, rechten had verworven op basis van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, hetgeen noodzakelijkerwijze impliceert dat hij een daarmee samenhangend recht van verblijf bezat. ( 24 ) De verwijzende rechter moet in dit verband vaststellen of het tijdvak van arbeid dat tussen november 2004 en juni 2006 door Gülbahce is vervuld, voldoet aan de voorwaarde van een jaar legale arbeid in de zin van deze bepaling. Een Turkse werknemer hoeft immers slechts meer dan één jaar legale arbeid te hebben verricht om recht te hebben op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever. ( 25 ) Een legale dienstbetrekking veronderstelt een stabiele en niet slechts voorlopige situatie van de betrokkene op de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst en, daarmee, een onomstreden verblijfsrecht. ( 26 )

55.

Met name de arbeid die door een Turkse werknemer is verricht op basis van een verblijfsvergunning die hem is verleend op grond van frauduleus handelen dat tot zijn veroordeling heeft geleid, of een voorlopige verblijfsvergunning die enkel geldig is in afwachting van een definitieve beslissing over zijn verblijfsrecht, kan voor deze onderdaan geen rechten uit hoofde van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 doen ontstaan. ( 27 )

56.

In de onderhavige zaak lijkt Gülbahce zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig frauduleus handelen en lijkt hij daarenboven een verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd te hebben gehad, zodat hij in Duitsland vrijelijk arbeid in loondienst kon verrichten. In elk geval staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of Gülbahce aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 voldeed.

57.

Ik ben derhalve van mening dat, indien de verwijzende rechter vaststelt dat Gülbahce voldeed aan de voorwaarde van een jaar legale arbeid op de Duitse arbeidsmarkt op de datum van intrekking van de verblijfsvergunningen van augustus 2001 en januari 2004, hij zich zou kunnen beroepen op de rechten die deze bepaling hem verleent ter verkrijging van verlenging van zijn verblijfsvergunning, en de bevoegde nationale autoriteiten hem zijn verblijfsvergunningen niet met terugwerkende kracht mochten ontnemen tot de datum waarop de grond die het nationale recht als voorwaarde stelde voor de verlening van zijn verblijfsvergunningen, had opgehouden te bestaan.

58.

Mocht de verwijzende rechter daarentegen vaststellen dat Gülbahce deze voorwaarde niet vervulde, heeft hij terecht uitgesloten dat Gülbahce zijn verblijfsvergunning kon laten verlengen op basis van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80.

59.

In dit laatste geval is het de vraag of Gülbahce zich voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning kan beroepen op artikel 10, lid 1, van dit besluit.

B – Gülbahce kan zich niet beroepen op het recht van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80

60.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wat de draagwijdte is van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80. Kan een Turkse onderdaan die houder is van een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, zijn verblijfsvergunning verlengd krijgen op basis van deze bepaling, ofschoon de tekst van artikel 6, lid 1 van dit besluit, waarvan hij de voorwaarden niet vervult, hieraan in de weg lijkt te staan?

61.

Het lijkt er namelijk op dat de verwijzende rechter van mening is dat Gülbahce niet kan worden geacht onder een van de in artikel 6, lid 1 van dat besluit bedoelde situaties te vallen, bij gebreke van een ononderbroken tijdvak van arbeid van ten minste een jaar bij dezelfde werkgever ten tijde van de intrekking van de verblijfsvergunning.

62.

Wat ten eerste de eventuele analoge toepassing betreft van de regels van de overeenkomst EEG-Marokko of de Euro-mediterrane overeenkomst, moet worden gewezen op de verschillen die bestaan tussen deze overeenkomsten en de associatieovereenkomst.

63.

Het Hof heeft zelf in punt 61 van het arrest Eddline El-Yassini aangegeven dat er tussen de overeenkomst EEG-Marokko en associatieovereenkomst wezenlijke verschillen bestaan in zowel bewoordingen alsook in voorwerp en doel. Het concludeerde dan ook dat zijn rechtspraak over de associatieovereenkomst niet analoog kan worden toegepast op de overeenkomst EEG-Marokko.

64.

Zo heeft het Hof in dit arrest opgemerkt dat de associatieovereenkomst een geleidelijke integratie van Turkse werknemers met het oog op de toetreding van de Republiek Turkije tot de Unie tot doel heeft, terwijl de overeenkomst EEG-Marokko enkel deel uitmaakt van een algemene economische samenwerking. ( 28 )

65.

Na nogmaals te hebben gewezen op de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, vermeldt het Hof dat het in deze context steeds heeft geoordeeld dat een Turkse werknemer die voldoet aan de in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 gestelde voorwaarden, aanspraak kan maken op verlenging van zijn verblijfstitel in de lidstaat van ontvangst teneinde aldaar legale arbeid in loondienst te kunnen blijven verrichten. ( 29 )

66.

Uit de vaststelling dat de bepalingen van dit besluit de afspiegeling zijn van de specifieke opzet ervan, heeft het Hof de logische conclusie getrokken dat de overeenkomst EEG-Marokko niet analoog met deze bepalingen kon worden uitgelegd.

67.

Het Hof moet deze vaststelling om dezelfde redenen ook omgekeerd toepassen.

68.

Het Hof heeft namelijk in punt 53 van het arrest Eddline El-Yassini benadrukt dat de verlenging van de verblijfstitel van de Turkse werknemer teneinde legale arbeid in loondienst te kunnen blijven verrichten, veronderstelt dat de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 zijn vervuld. Echter, de overeenkomst EEG-Marokko kent geen soortgelijke bepaling. Dit punt zou op zichzelf pleiten voor de afwijzing van de door Gülbahce voorgestelde analoge toepassing. Dit temeer daar deze bepaling een bestanddeel vormt van een systeem dat door het voorwerp en het doel ervan eigen is aan de associatieovereenkomst.

69.

Hieruit vloeit naar mijn mening voort dat de in dit arrest gegeven uitlegging niet kan worden toegepast op de zaak die hier wordt behandeld.

70.

Voor zover Gülbahce niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, kan hij geen enkel recht op de verlenging van zijn verblijfsvergunning aan dit besluit ontlenen.

71.

Uit het arrest Unal, reeds aangehaald, vloeit namelijk voort dat, wanneer de rechten uit artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 als verworven zijn te beschouwen, het feit dat de oorspronkelijke omstandigheden op basis waarvan de rechten zijn verworven, zijn opgehouden te bestaan, geen gevolg heeft. ( 30 ) Als de in artikel 6, lid 1, eerste streepje, van dit besluit bepaalde voorwaarde van minimaal een jaar legale arbeid evenwel niet is vervuld, kunnen de uit deze bepaling voortvloeiende rechten niet zijn verworven.

72.

De draagwijdte van artikel 10, lid 1, van dit besluit kan nu dan ook nader worden bepaald.

73.

Deze bepaling maakt zelf deel uit van het specifieke stelsel van de associatieovereenkomst en besluit nr. 1/80. Zij vormt dus een aanvulling op artikel 6, lid 1, van dit besluit en geen belemmering, in tegenstelling tot de door de Gülbahce bepleite uitlegging. Aangezien deze bepaling voorziet in een systeem van geleidelijke integratie, begint het proces dat dit systeem in gang zet namelijk met een stelsel dat de rechten van de Turkse werknemer die behoort tot de legale arbeidsmarkt beperkt.

74.

De geleidelijke verwerving van het recht op het verrichten van beroepswerkzaamheden omvat, in de eerste fases, beperkingen die lijken op discriminatie op grond van nationaliteit, zoals blijkt uit artikel 6, lid 1, tweede streepje, van dit besluit, dat bepaalt dat voorrang moet worden verleend aan de werknemers uit de lidstaten. Deze beperkingen zijn gerechtvaardigd door de filosofie van de associatieovereenkomst en hebben betrekking op de verwerving van het recht om te solliciteren naar een baan.

75.

Zodra dit recht en de baan zijn verworven, kan daarentegen geen enkele discriminatie in de voorwaarden van de uitoefening van dit recht worden gedoogd. Dit wordt mijns inziens nogmaals naar voren gebracht in artikel 10, lid 1, van dit besluit.

76.

Ik ben dus van mening dat de voorwaarden voor toegang tot arbeid voor Turkse werknemers enkel worden beheerst door artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 en dat artikel 10, lid 1, van dit besluit derhalve niet tot doel kan hebben die toegangsvoorwaarden eveneens te regelen en de betrokkene aldus in staat te stellen zijn verzoek tot verlenging van zijn verblijfsvergunning op deze bepaling te baseren.

77.

Dienaangaande wijs ik er nogmaals op dat de bepalingen betreffende de associatieovereenkomst, bij de huidige stand van het Unierecht, de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste dienstverband te regelen, intact laten en uitsluitend de situatie betreffen van Turkse werknemers die reeds regulier in de lidstaat zijn geïntegreerd omdat zij er gedurende zekere tijd legaal hebben gewerkt, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 6 van besluit nr. 1/80. ( 31 ) De eerste toelating van een Turkse onderdaan tot het grondgebied van een lidstaat wordt dus in beginsel uitsluitend geregeld door het nationale recht van die staat. De betrokkene kan slechts bepaalde rechten krachtens het Unierecht doen gelden op het gebied van het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige en, daarmee samenhangend, op het gebied van verblijf, voor zover hij reeds legaal in de betrokken lidstaat verblijft. ( 32 )

78.

De associatieovereenkomst verleent de Turkse werknemers dus geen enkel recht op verblijf.

79.

Indien derhalve werd aanvaard dat een Turkse werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, zich kan beroepen op artikel 10, lid 1, van dit besluit, zou dat leiden tot de verplichting voor de lidstaten om de verblijfsvergunning van deze werknemer te verlengen, ondanks een door de bevoegde nationale autoriteiten als onrechtmatig beschouwde situatie op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst.

80.

Een dergelijke uitlegging zou tot gevolg hebben dat de Turkse werknemer een recht van verblijf krijgt zodra hij in het bezit is van een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd. In een dergelijk recht is niet alleen niet voorzien in de associatieovereenkomst, bovendien treedt het in de bevoegdheden van de lidstaten om de binnenkomst van Turkse onderdanen op hun grondgebied te regelen totdat zij de rechten van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 hebben verworven.

81.

Deze uitlegging dreigt het bij besluit nr. 1/80 ingestelde systeem in gevaar te brengen.

82.

Om al deze redenen ben ik van mening dat artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een Turkse werknemer die een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd bezit en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van dit besluit, zich niet kan beroepen op de eerstgenoemde bepaling ter verkrijging van verlenging van zijn verblijfsvergunning op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst.

V – Conclusie

83.

Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om te antwoorden aan het Hamburgische Oberverwaltungsgericht als volgt:

„1)

Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die in het leven is geroepen bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer niet met terugwerkende kracht kan intrekken tot de datum waarop de grond van nationaal recht voor de verlening van zijn vergunning is opgehouden te bestaan, indien deze werknemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan frauduleus handelen en de intrekking plaats heeft na afloop van de in deze bepaling genoemde periode van een jaar legale arbeid.

2)

Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 moet aldus worden uitgelegd dat een Turkse werknemer die een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd bezit en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van dit besluit, geen beroep kan doen op de eerstgenoemde bepaling ter verkrijging van verlenging van zijn verblijfsvergunning op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) De Associatieraad is opgericht bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds. Deze overeenkomst is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: „associatieovereenkomst”).

( 3 ) Besluit nr. 1/80 is te vinden in Associatieovereenkomst en protocollen EEG-Turkije en andere basisteksten, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Brussel, 1992.

( 4 ) Zie artikel 2, lid 1, van de associatieovereenkomst.

( 5 ) Zie artikel 6 van de associatieovereenkomst.

( 6 ) BGBl. 1990 I, blz. 1354; hierna: „Ausländergesetz”.

( 7 ) BGBl. 2004 I, p. 1950, in de versie die is bekendgemaakt op 25 februari 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 162; hierna: „Aufenthaltsgesetz”).

( 8 ) Arresten van respectievelijk 2 maart 1999 (C-416/96, Jurispr. blz. I-1209) en 14 december 2006 (C-97/05, Jurispr. blz. I-11917).

( 9 ) Deze overeenkomst is getekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1; hierna: „overeenkomst EEG-Marokko”).

( 10 ) Deze overeenkomst is gesloten te Brussel op 17 juli 1995 en namens de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal goedgekeurd bij besluit 98/238/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 26 januari 1998 (PB L 97, blz. 1; hierna: „Euro-mediterrane overeenkomst”).

( 11 ) Zie arrest Gattoussi, reeds aangehaald, punt 31.

( 12 ) Arrest Eddline El-Yassini, reeds aangehaald (punt 62).

( 13 ) Ibidem (punt 63).

( 14 ) Ibidem (punt 64).

( 15 ) Ibidem (punt 65).

( 16 ) Ibidem (punt 66).

( 17 ) Zie punten 29-40 van dat arrest.

( 18 ) Punt 23 van de verwijzingsbeschikking.

( 19 ) Punt 24 van de verwijzingsbeschikking.

( 20 ) Punt 23 van de verwijzingsbeschikking.

( 21 ) Arrest van 29 september 2011 (C-187/10, Jurispr. blz. I-9045).

( 22 ) Arrest Unal, reeds aangehaald (punt 50).

( 23 ) Ibidem (punten 51 en 52).

( 24 ) Ibidem (punten 29 en 30).

( 25 ) Ibidem (punt 38).

( 26 ) Ibidem (punt 31).

( 27 ) Ibidem (punt 47).

( 28 ) Zie de punten 54 en 58 van dat arrest.

( 29 ) Zie arrest Eddline El-Yassini, reeds aangehaald (punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 30 ) Zie punt 50 van dat arrest.

( 31 ) Zie arrest van 21 oktober 2003, Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, Jurispr. blz. I-12301, punt 63 alsook de aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest Unal, reeds aangehaald (punt 41).

( 32 ) Arrest Abatay e.a., reeds aangehaald (punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Top