This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62010CJ0323
Judgment of the Court (Eighth Chamber) of 24 November 2011.#Gebr. Stolle GmbH & Co. KG (C-323/10, C-324/10 and C-326/10) and Doux Geflügel GmbH (C-325/10) v Hauptzollamt Hamburg-Jonas.#References for a preliminary ruling: Finanzgericht Hamburg - Germany.#Regulation (EEC) No 3846/87 - Agriculture - Export refunds - Poultrymeat - Fowls of the species Gallus domesticus, drawn and plucked.#Joined cases C-323/10 to C-326/10.
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 24 november 2011.
Gebr. Stolle GmbH & Co. KG (C-323/10, C-324/10 en C-326/10) en Doux Geflügel GmbH (C-325/10) tegen Hauptzollamt Hamburg-Jonas.
Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Hamburg - Duitsland.
Verordening (EEG) nr. 3846/87 - Landbouw - Restituties bij uitvoer - Vlees van pluimvee - Schoongemaakte en geplukte hanen en kippen.
Gevoegde zaken C-323/10 tot C-326/10.
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 24 november 2011.
Gebr. Stolle GmbH & Co. KG (C-323/10, C-324/10 en C-326/10) en Doux Geflügel GmbH (C-325/10) tegen Hauptzollamt Hamburg-Jonas.
Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Hamburg - Duitsland.
Verordening (EEG) nr. 3846/87 - Landbouw - Restituties bij uitvoer - Vlees van pluimvee - Schoongemaakte en geplukte hanen en kippen.
Gevoegde zaken C-323/10 tot C-326/10.
Jurisprudentie 2011 -00000
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2011:774
Gevoegde zaken C‑323/10 tot en met C‑326/10
Gebr. Stolle en Doux Geflügel
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
(verzoeken van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EEG) nr. 3846/87 – Landbouw – Restituties bij uitvoer – Vlees van pluimvee – Schoongemaakte en geplukte hanen en kippen”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Vlees van pluimvee – Restituties bij uitvoer – Indeling in landbouwproductennomenclatuur voor uitvoerrestituties
(Verordening nr. 3846/87 van de Commissie, bijlage I)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Vlees van pluimvee – Restituties bij uitvoer – Indeling in landbouwproductennomenclatuur voor uitvoerrestituties
(Verordening nr. 3846/87 van de Commissie, bijlage I)
3. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Vlees van pluimvee – Restituties bij uitvoer – Indeling in landbouwproductennomenclatuur voor uitvoerrestituties
(Verordening nr. 3846/87 van de Commissie, bijlage I)
4. Douane-unie – Douaneaangiften – Controle achteraf – Onderzoek van gedeelte van goederen waarop aangifte betrekking heeft – Resultaten geldend voor alle aangegeven goederen
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 70, lid 1)
1. Postonderverdeling 0207 12 90 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip van deze postonderverdeling geheel moet zijn schoongemaakt, zodat de omstandigheid dat na het machinale schoonmaken ervan bijvoorbeeld nog een deel van het spijsverteringskanaal of van de luchtpijp aan het hele geslachte dier vastzit, tot een nadelige tariefindeling leidt.
(cf. punt 57, dictum 1)
2. Productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomstig het begrip „onregelmatige samenstelling” een heel geslacht dier in totaal maximaal vier van de aldaar genoemde organen, in een of meer exemplaren, mag bevatten, en voorts dat een hele geslachte haan of kip niet onder deze productcode valt wanneer de luchtpijp nog aan de hals vastzit.
(cf. punten 69, 93, dictum 2, 5)
3. Postonderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip die meerdere exemplaren van een van de in deze postonderverdeling genoemde organen bevat, te weten de hals, het hart, de lever en de spiermaag, niet onder deze postonderverdeling valt. Daarentegen valt een hele geslachte haan of kip waaraan na het machinale plukken nog enkele kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes vastzitten onder deze postonderverdeling, voor zover deze resten verenigbaar zijn met het kenmerk van een kip van gezonde handelskwaliteit die klaar is om gebraden te worden.
(cf. punten 74, 87, dictum 3‑4)
4. Bij de controle door de douaneautoriteiten of de voor uitvoer bestemde producten overeenkomen met de in de uitvoeraangifte vermelde tariefpost, gelden de resultaten van een onderzoek van een gedeelte van de aangegeven goederen overeenkomstig artikel 70, lid 1, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek voor alle goederen van deze aangifte. Geen tolerantiemarge moet worden toegepast op grond waarvan een uitzonderlijke fout niet tot een nadelige tariefindeling leidt.
(cf. punt 107, dictum 6)
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
24 november 2011 (*)
„Verordening (EEG) nr. 3846/87 – Landbouw – Restituties bij uitvoer – Vlees van pluimvee – Schoongemaakte en geplukte hanen en kippen”
In de gevoegde zaken C‑323/10 tot en met C‑326/10,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissingen van 11 mei 2010, ingekomen bij het Hof op 5 en 6 juli 2010, in de procedures
Gebr. Stolle GmbH & Co. KG (C‑323/10, C‑324/10 en C‑326/10),
Doux Geflügel GmbH (C‑325/10)
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident (rapporteur), K. Schiemann en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 juni 2011,
gelet op de opmerkingen van:
– Gebr. Stolle GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door R. Steiling en M. Niestedt, Rechtsanwälte,
– Doux Geflügel GmbH, vertegenwoordigd door R. Steiling en M. Niestedt, Rechtsanwälte,
– het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (C‑324/10−C‑326/10), vertegenwoordigd door T. Peters,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman en G. von Rintelen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (PB L 366, blz. 1).
2 Deze verzoeken zijn ingediend door het Finanzgericht Hamburg in het kader van vier gedingen tussen Gebr. Stolle GmbH & Co. KG (hierna: „Gebr. Stolle”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas in de zaken C‑323/10, C‑324/10 en C‑326/10, en tussen Doux Geflügel GmbH (hierna: „Doux Geflügel”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas in zaak C‑325/10, over restituties bij uitvoer van vlees van pluimvee.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EEG) nr. 2777/75
3 Artikel 8 van verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB L 282, blz. 77), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 679/2006 van de Raad van 25 april 2006 (PB L 119, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2777/75”), voorzag in de verlening van uitvoerrestituties in die sector, ter overbrugging van het verschil tussen de wereldmarktprijzen van genoemde producten en de prijzen in de Europese Gemeenschap.
4 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2777/75 luidt:
„De algemene bepalingen voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de bijzondere regels voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur zijn van toepassing voor de indeling van de producten die onder deze verordening vallen; de tariefnomenclatuur die voortvloeit uit de toepassing van deze verordening wordt opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief.”
Verordening nr. 3846/87
5 Bij verordening nr. 3846/87 is een landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties ingesteld, die in bijlage I daarbij is opgenomen. Verordening nr. 3846/87 is weliswaar gebaseerd op de algemeen geldende gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2658/87”), maar beoogt rekening te houden met het bijzondere karakter van het restitutiestelsel en vooral met de noodzaak voor dergelijke producten onderverdelingen in de GN in te voegen.
6 Bijlage I bij verordening nr. 3846/87 is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2765/1999 van de Commissie van 16 december 1999 (PB L 338, blz. 1) ten tijde van de feiten in de zaken C‑324/10 tot en met C‑326/10, en bij verordening (EG) nr. 2091/2005 van de Commissie van 15 december 2005 houdende bekendmaking, voor 2006, van de bij verordening (EEG) nr. 3846/87 vastgestelde landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (PB L 343, blz. 1) ten tijde van de feiten in zaak C‑323/10.
7 In de sector slachtpluimvee wordt in bijlage I bij verordening nr. 3846/87 met betrekking tot vers, gekoeld of bevroren vlees van pluimvee het volgende onderscheid gemaakt:
|
GN-code |
Omschrijving |
Productcode |
|
|
ex 0207 |
Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105), vers, gekoeld of bevroren: |
||
|
- van hanen of van kippen: |
|||
|
ex 0207 12 |
-- niet in stukken gesneden, bevroren: |
||
|
ex 0207 12 10 |
--- geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, met hart, met lever en met spiermaag (zogenaamde kippen 70 %): |
||
|
---- hanen en kippen, waarbij de punt van het borstbeen, het dijbeen en het scheenbeen volledig zijn verbeend |
|||
|
---- andere |
0207 12 10 9900 |
||
|
ex 0207 12 90 |
--- geplukt, schoongemaakt, zonder kop, zonder hals, zonder poten, zonder hart, zonder lever en zonder spiermaag (zogenaamde kippen 65 %), of in andere staat aangeboden: |
||
|
---- „kippen 65 %”: |
|||
|
----- hanen en kippen, waarbij de punt van het borstbeen, het dijbeen en het scheenbeen volledig zijn verbeend |
|||
|
----- andere |
0207 12 90 9190 |
||
|
---- hanen en kippen, geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, hart, lever en spiermaag in onregelmatige samenstelling: |
|||
|
----- hanen en kippen, waarbij de punt van het borstbeen, het dijbeen en het scheenbeen volledig zijn verbeend |
|||
|
----- andere |
0207 12 90 9990 |
||
8 Bij verordening (EG) nr. 2580/98 van de Commissie van 30 november 1998 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3846/87 (PB L 322, blz. 31) is productcode 0207 12 90 9990 ingevoegd in bijlage I bij de laatstgenoemde verordening. Dienaangaande is in de tweede overweging van de considerans ervan gepreciseerd:
„Overwegende dat op de markt andere aanbiedingsvormen dan ‚kippen 70 %’ en ‚kippen 65 %’ zijn verschenen en dat deze aanbiedingsvormen dienen te worden opgenomen in de nomenclatuur voor de restituties met het oog op de toekenning daarvan; dat deze nomenclatuur bijgevolg moet worden gewijzigd”.
9 De verordeningen tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector slachtpluimvee die van kracht waren tijdens de desbetreffende periodes voorzagen met name in rechten op restituties bij uitvoer voor producten van de posten 0207 12 10 9900, 0207 12 90 9190 en 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87.
Verordening nr. 2658/87
10 De algemene regels voor de interpretatie van de GN, die zijn neergelegd in het eerste deel, titel I, A, daarvan, bepalen onder meer:
„A. Algemene regels voor de interpretatie van de [GN]
Voor de indeling van goederen in de [GN] gelden de volgende bepalingen.
1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
2. a) De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet‑afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet‑gemonteerde staat.
[...]”
11 Krachtens de artikelen 9, lid 1, sub a, tweede streepje, en 10 van verordening nr. 2658/87 stelt de Europese Commissie de toelichtingen op de GN vast, die in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.
12 De toelichting op onderverdeling 0207 11 30, die volgens de toelichting op onderverdeling 0207 12 10 van overeenkomstige toepassing is op deze laatste onderverdeling, luidt:
„Deze onderverdeling omvat in het bijzonder braadkuikens; dit zijn geplukte kuikens, zonder kop en zonder poten, doch met hals, waaruit alle ingewanden verwijderd zijn, maar waarin het hart, de lever en de spiermaag teruggelegd zijn.”
13 De toelichting op onderverdeling 0207 11 90, die volgens de toelichting op onderverdeling 0207 12 90 van overeenkomstige toepassing is op deze laatste onderverdeling, luidt:
„Deze onderverdeling omvat in het bijzonder braadkuikens; dit zijn geplukte kuikens, zonder kop en zonder poten, waaruit alle ingewanden verwijderd zijn. Deze onderverdeling omvat voorts hanen, kippen en kuikens, die worden aangeboden in een staat die niet overeenkomt met een van de aanbiedingsvormen genoemd in de onderverdelingen 0207 11 10 en 0207 11 30, bijvoorbeeld kippen die niet zijn geplukt en worden aangeboden met kop, poten en darmen.”
Verordening (EG) nr. 800/1999
14 Bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11) worden de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten vastgesteld.
15 Artikel 21, lid 1, eerste alinea, van deze verordening luidt:
„Restituties worden niet verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van gezonde handelskwaliteit zijn.”
16 Volgens artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999 wordt aan de exporteur een sanctie opgelegd indien hij „een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende”.
Verordening (EEG) nr. 2913/92
17 Artikel 70, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), luidt:
„Wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, gelden de resultaten van het onderzoek voor alle goederen van deze aangifte.
De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek van de goederen verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑323/10
18 Bij op 4 september 2006 bij het bevoegde douanekantoor ingediende uitvoeraangifte heeft Gebr. Stolle 2 163 dozen kippen van productcode 0207 12 90 9190 van de productenlijst van de gemeenschappelijke ordening der markten voor uitvoer naar de Verenigde Arabische Emiraten aangegeven en daarvoor uitvoerrestitutie aangevraagd.
19 In het kader van de uitklaring heeft het bevoegde douanekantoor vier dozen als monster genomen, waaronder twee dozen als reservemonster, en deze doen toekomen aan de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt (instituut voor technische controle en opleiding van de douane) van de Oberfinanzdirektion Hamburg (regionale belastingdienst te Hamburg), die vervolgens heeft vastgesteld dat vier onderzochte hele geslachte kippen niet onder de opgegeven code konden worden ingedeeld, aangezien zij niet geheel waren schoongemaakt. In twee gevallen zat een deel van het spijsverteringskanaal nog vast aan het hele dier en in twee andere gevallen was de luchtpijp niet verwijderd.
20 Bij gedeeltelijk afwijzende beslissing van 27 maart 2007 heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (douaneautoriteit) geweigerd een uitvoerrestitutie toe te kennen voor 5 292,5 kg van de kippen, wat overeenkwam met 21,17 % van het totaalgewicht. Het heeft Gebr. Stolle eveneens een boete van 1 402,51 EUR opgelegd.
21 Na afloop van een onsuccesvolle bezwaarprocedure heeft Gebr. Stolle op 7 mei 2008 bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen deze beslissing en de beslissing op bezwaar van 9 april 2008.
22 Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet een heel geslacht dier van onderverdeling 0207 12 90 geheel (= zonder resten) zijn schoongemaakt, zodat de omstandigheid dat na het machinale schoonmaken ervan bijvoorbeeld nog een deel van het spijsverteringskanaal of van de luchtpijp aan het hele geslachte dier vastzit, tot een nadelige tariefindeling leidt?”
Zaak C‑324/10
23 Bij op 9 juni 2000 bij het bevoegde douanekantoor ingediende uitvoeraangifte heeft Gebr. Stolle 480 dozen kippen van productcode 0207 12 90 9990 van de productenlijst van de gemeenschappelijke ordening der markten voor uitvoer naar Rusland aangegeven en daarvoor uitvoerrestitutie aangevraagd.
24 In het kader van de uitklaring heeft het bevoegde douanekantoor twee dozen als monster genomen, waaronder één doos als reservemonster, met in elk daarvan twaalf hele geslachte kippen, en deze doen toekomen aan de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt van de Oberfinanzdirektion Hamburg, die vervolgens heeft vastgesteld dat vier van de onderzochte hele geslachte kippen niet onder de opgegeven code konden worden ingedeeld gezien de ongewoon grote hoeveelheid orgaanvlees. De Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt heeft bij de afgekeurde kippen uit het monster met name het volgende orgaanvlees vastgesteld:
– 1 hals, 1 lever, 1 maag, 2 harten;
– 2 halzen, 1 hart, 1 lever, 1,5 spiermaag;
– 1 hals, 1 lever, 1 maag, 2 harten, en
– 1 hals, 1 lever, 1 maag, 2 harten.
25 Bij gedeeltelijk afwijzende beslissing van 8 januari 2001 heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas geweigerd een uitvoerrestitutie toe te kennen voor 1 741,9 kg van de kippen, wat overeenkwam met 33,6 % van het totaalgewicht. Het heeft Gebr. Stolle eveneens een boete van 600,96 EUR opgelegd.
26 Na afloop van een onsuccesvolle bezwaarprocedure heeft Gebr. Stolle op 30 april 2003 bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen deze beslissing en de beslissing op bezwaar van 3 april 2003.
27 Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Wordt een ‚onregelmatige samenstelling’ in de zin van productcode 0207 12 90 9990 gekenmerkt door de omstandigheid dat aan het hele geslachte dier in totaal maximaal 4 van de aldaar genoemde organen – in een of meer exemplaren – mogen worden toegevoegd?
2) Voor het geval dat vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: vallen ook hele geslachte dieren waaraan meerdere exemplaren van een van de aldaar genoemde organen zijn toegevoegd, onder onderverdeling 0207 12 10?”
Zaak C‑325/10
28 Bij op 8 november 2000 bij het bevoegde douanekantoor ingediende uitvoeraangifte heeft Doux Geflügel 66 060 dozen kippen van productcode 0207 12 10 9900 van de productenlijst van de gemeenschappelijke ordening der markten voor uitvoer naar Rusland aangegeven en daarvoor uitvoerrestitutie aangevraagd.
29 In het kader van de uitklaring heeft het bevoegde douanekantoor vier dozen als monster genomen, waaronder twee dozen als reservemonster, met in elk daarvan tien hele geslachte kippen, en deze doen toekomen aan de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt van de Oberfinanzdirektion Hamburg, die vervolgens heeft vastgesteld dat zeventien onderzochte hele geslachte kippen niet onder de opgegeven code konden worden ingedeeld, omdat veertien van deze hele geslachte kippen niet geheel waren geplukt, of in drie gevallen omdat zij teveel of helemaal geen ingewanden bevatten, of ten slotte omdat zij botbreuken vertoonden.
30 Bij gedeeltelijk afwijzende beslissing van 30 maart 2001 heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas geweigerd een uitvoerrestitutie toe te kennen voor 369 508,50 kg van de kippen, wat overeenkwam met 43,49 % van het totaalgewicht. Het heeft Doux Geflügel eveneens een boete opgelegd.
31 Vervolgens heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas het voor restitutie in aanmerking komende gedeelte van de voor uitvoer bestemde partij goederen tot 58,89 % verhoogd, omdat toen uit de rechtspraak van het Hof (arrest van 7 september 2006, Nowaco Germany, C‑353/04, Jurispr. blz. I‑7357) en van het Bundesfinanzhof (arrest van 16 januari 2007, VII R 19/03) bleek dat het in het kader van het onderzoek van de monsters wegens een open botbreuk afgekeurde hele geslachte dier voor restitutie in aanmerking kwam.
32 Na afloop van een onsuccesvolle bezwaarprocedure heeft Doux Geflügel bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen de beslissing van 30 maart 2001 en de beslissing op bezwaar van 15 juin 2001. In het geding tussen partijen ging het om de vraag of Doux Geflügel recht had op een aanvullende uitvoerrestitutie voor de resterende 331 019,74 kg van de betrokken partij goederen.
33 Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten hanen of kippen van onderverdeling 0207 12 10 van de [GN] geheel zijn geplukt of mogen na het machinale plukken nog kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes aan het geslachte dier vastzitten?”
Zaak C‑326/10
34 Bij op 20 oktober 2000 bij het bevoegde douanekantoor ingediende uitvoeraangifte heeft Gebr. Stolle 405 dozen kippen van productcode 0207 12 90 9990 van de productenlijst van de gemeenschappelijke ordening der markten voor uitvoer naar Rusland aangegeven en daarvoor uitvoerrestitutie aangevraagd.
35 In het kader van de uitklaring heeft het bevoegde douanekantoor twee dozen als monster genomen, waaronder één doos als reservemonster, met in elk daarvan tien hele geslachte kippen en deze doen toekomen aan de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt van de Oberfinanzdirektion Hamburg, die vervolgens heeft vastgesteld dat een van de tien onderzochte hele geslachte kippen niet onder de opgegeven code kon worden ingedeeld, doordat in het geval van de betrokken kip, waaraan orgaanvlees was toegevoegd, de hals niet van de luchtpijp was ontdaan.
36 Bij gedeeltelijk afwijzende beslissing van 25 juli 2001 heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas aan Gebr. Stolle geweigerd een uitvoerrestitutie toe te kennen voor 543,20 kg van de kippen, wat overeenkwam met 9,58 % van het totaalgewicht. Het heeft Gebr. Stolle eveneens een boete van 73,33 EUR opgelegd.
37 Na afloop van een onsuccesvolle bezwaarprocedure heeft Gebr. Stolle op 7 mei 2008 bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen deze beslissing en de beslissing op bezwaar van 10 april 2008.
38 Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Valt een hele geslachte haan of kip ook dan onder productcode 0207 12 90 9990 wanneer aan een volgens deze productcode toegelaten orgaan een niet toegelaten deel van de geslachte haan of kip vastzit?
2) Voor het geval dat vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: moet bij de controle door de douaneautoriteiten of de voor uitvoer bestemde producten overeenkomen met de in de aangifte ten uitvoer vermelde productcode, een tolerantiemarge worden toegepast in die zin dat een zogenoemde uitzonderlijke fout niet tot een nadelige tariefindeling leidt?”
39 Bij beschikking van 23 september 2010 heeft de president van het Hof de zaken C‑323/10, C‑324/10, C‑325/10 en C‑326/10 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Zaak C‑323/10
40 In deze zaak wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of onderverdeling 0207 12 90 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2091/2005, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip van deze onderverdeling geheel moet zijn schoongemaakt, zodat de omstandigheid dat na het machinale schoonmaken ervan bijvoorbeeld nog een deel van het spijsverteringskanaal of van de luchtpijp aan het hele geslachte dier vastzit, tot een nadelige tariefindeling leidt.
41 Onderverdeling 0207 12 90 betreft producten bestaande uit hanen of kippen, niet in stukken gesneden, bevroren, geplukt, schoongemaakt, zonder kop, zonder hals, zonder poten, zonder hart, zonder lever en zonder spiermaag (zogenaamde kippen 65 %).
42 Bij gebreke van een definitie van het begrip „schoongemaakt” in verordening nr. 3846/87 moet overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2777/75 worden verwezen naar de algemene regels voor de interpretatie van de GN en de bijzondere regels voor de toepassing ervan.
43 Volgens algemene regel 1 van het eerste deel, titel I, A, van de GN zijn voor de indeling van de goederen in de eerste plaats bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken, aangezien de tekst van de opschriften van de afdelingen en van de hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden.
44 Volgens vaste rechtspraak moet het beslissende criterium voor de indeling van goederen in de GN in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de bewoordingen van de posten en in de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken zijn omschreven (zie met name arresten van 18 juli 2007, Olicom, C‑142/06, Jurispr. blz. I‑6675, punt 16, en 20 mei 2010, Data I/O, C‑370/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 29).
45 Bovendien vormen de toelichtingen bij het geharmoniseerde systeem van de Werelddouaneorganisatie als zodanig waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging van de GN. Hetzelfde geldt voor de toelichtingen bij de GN van de Commissie (zie met name arrest van 7 oktober 2004, Imexpo Trading, C‑379/02, Jurispr. blz. I‑9273, punt 16).
46 De GN-toelichting op onderverdeling 0207 11 90, die volgens de toelichting op onderverdeling 0207 12 90 van overeenkomstige toepassing is op deze laatste onderverdeling, bepaalt dat deze onderverdeling „in het bijzonder braadkuikens omvat; dit zijn geplukte kuikens, zonder kop en zonder poten, waaruit alle ingewanden verwijderd zijn”.
47 De verwijzende rechter merkt op dat de tekst van de Duitse taalversie van deze toelichting afwijkt van de Franse en de Engelse taalversie ervan wat de definitie van het begrip „schoongemaakt” betreft. Terwijl met name volgens de Franse en de Engelse taalversie een hele geslachte haan of kip slechts onder onderverdeling 0207 12 90 kan worden ingedeeld indien die „geheel is schoongemaakt”, moet volgens de Duitse taalversie al het orgaanvlees zijn verwijderd („sämtliche Innereien entfernt sind”). De verwijzende rechter wenst bijgevolg te vernemen of de wil van de Europese wetgever correct is weergegeven in de Duitse taalversie van deze toelichtingen.
48 Volgens verzoeksters in de hoofdgedingen betekent het gebruik van de term „sämtliche” (al het) in de Duitse taalversie van deze toelichting uitsluitend dat alle organen moeten worden verwijderd, zodat het hele geslachte dier geen enkel volledig orgaan meer bevat. Het kan dus uitzonderlijk resten van orgaanvlees bevatten, zonder dat dit afbreuk doet aan de indeling ervan onder onderverdeling 0207 12 90. Voorts blijkt uit de formulering van deze toelichting, en met name uit het gebruik van de term „in het bijzonder”, dat zij niet‑exhaustief is en zich ertoe beperkt voorbeelden te geven.
49 Dienaangaande zij opgemerkt dat op grond van de taalkundige verschillen van deze versie met de Franse en de Engelse taalversie het begrip „schoongemaakt” in onderverdeling 0207 12 90 niet verschillend kan worden uitgelegd naargelang van de gebruikte versie. Weliswaar zijn de woorden „sämtliche Innereien entfernt sind” niet de letterlijke vertaling in het Duits van de woorden „complètement vidés” in het Frans en „completely drawn” in het Engels, maar de precisering in de Duitse taalversie dat uit een heel geslacht dier van onderverdeling 0207 12 90 alle organen moeten zijn verwijderd, heeft geen werkelijk andere betekenis dan de Franse en de Engelse taalversie, waarin wordt bepaald dat het hele geslachte dier geheel moet zijn schoongemaakt.
50 Ofschoon de toelichting op deze onderverdeling niet-exhaustief is door het gebruik hierin van de term „in het bijzonder”, kan niet worden gesteld dat deze toelichting eveneens impliciet verwijst naar goederen waarvan de kenmerken tegenovergesteld zijn aan die van de expliciet in deze toelichting vermelde goederen, daar anders afbreuk wordt gedaan aan de interpretatieve waarde van deze toelichting.
51 Verzoeksters in de hoofdgedingen voeren tevens aan dat op grond van de toepassing van algemene regel 2, sub a, van het eerste deel, titel I, A, voor de interpretatie van de GN, volgens welke de vermelding van een goed in een post eveneens betrekking heeft op dat goed in niet-complete of in niet‑afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont, kan worden geconcludeerd dat de omstandigheid dat een heel geslacht dier resten van orgaanvlees bevat, geen afbreuk doet aan de indeling ervan onder onderverdeling 0207 12 90.
52 Dienaangaande zij vooraf opgemerkt dat in de toelichting met betrekking tot deze regel in het kader van de algemene regels voor de interpretatie van de nomenclatuur van de Werelddouaneorganisatie, wordt gepreciseerd dat deze regel praktisch niet van toepassing is op producten van de afdelingen I tot en met VI, dat wil zeggen de hoofdstukken 1 tot en met 38.
53 Weliswaar heeft het Hof in de arresten van 3 juni 1992, Boehringer Mannheim (C‑318/90, Jurispr. blz. I‑3495, punt 18), en 10 december 1998, Bruner (C‑290/97, Jurispr. blz. I‑8333, punt 30) erkend dat op grond van de term „praktisch niet” niet volledig kan worden uitgesloten dat deze regel van toepassing is op tariefposten van deze hoofdstukken, maar het heeft gepreciseerd dat deze regel beoogt de gelijkstelling mogelijk te maken van twee producten die zo op elkaar lijken, dat zij voor de gebruiker in wezen identiek zijn, afgezien van verschillen die enkel met de aanbiedingsvorm van die producten verband houden (arrest Bruner, reeds aangehaald, punt 32). Een hele geslachte haan of kip waaruit al het orgaanvlees is verwijderd zodat die geheel is schoongemaakt, is vanuit het oogpunt van de gebruiker in wezen echter niet identiek aan een heel geslacht dier dat na het schoonmaken ervan nog resten van orgaanvlees bevat.
54 Dienaangaande zij met name vastgesteld dat de toelichting op onderverdeling 0207 12 90, zowel in de Franse en de Engelse taalversie als in de Duitse taalversie, met name betrekking heeft op braadkuikens. Zoals de Commissie opmerkt, worden braadkuikens gekenmerkt door het feit dat zij zo zijn schoongemaakt dat de gebruiker ze niet meer hoeft schoon te maken alvorens ze te braden.
55 Gelet op het feit dat in deze toelichting uitdrukkelijk is bepaald dat een heel geslacht dier slechts onder onderverdeling 0207 12 90 kan worden ingedeeld indien al het orgaanvlees is verwijderd, hebben verzoeksters in de hoofdgedingen in ieder geval geen bijzondere omstandigheden aangetoond die de toepassing van deze algemene regel in de onderhavige zaak zouden rechtvaardigen.
56 Wat ten slotte het argument van verzoeksters in de hoofdgedingen betreft dat de niet‑indeling van een hele geslachte haan of kip onder GN‑onderverdeling 0207 12 90 omdat deze enkele orgaanresten bevat, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, voor zover dit niet alleen aanleiding geeft tot een gedeeltelijke weigering om de uitvoerrestituties te betalen, maar ook gepaard gaat met een sanctie, kan worden volstaan met de vaststelling dat de vraag naar de indeling van de goederen voorafgaat aan de vraag of de eventuele financiële gevolgen van niet‑eerbiediging van deze indeling evenredig zijn. Het antwoord op deze laatste vraag kan dus niet het antwoord op de eerste vraag bepalen.
57 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag in zaak C‑323/10 te worden geantwoord dat onderverdeling 0207 12 90 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2091/2005, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip van deze onderverdeling geheel moet zijn schoongemaakt, zodat de omstandigheid dat na het machinale schoonmaken ervan bijvoorbeeld nog een deel van het spijsverteringskanaal of van de luchtpijp aan het hele geslachte dier vastzit, tot een nadelige tariefindeling leidt.
Zaak C‑324/10
Eerste vraag in zaak C‑324/10
58 In deze zaak wenst de verwijzende rechter allereerst te vernemen of productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomstig het begrip „onregelmatige samenstelling” in deze code een heel geslacht dier in totaal maximaal vier van de aldaar genoemde organen, te weten de hals, het hart, de lever en de spiermaag, in een of meer exemplaren, mag bevatten.
59 Productcode 0207 12 90 9990 betreft producten bestaande uit hanen en kippen, geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, hart, lever en spiermaag in onregelmatige samenstelling.
60 Deze productcode is in bijlage I bij verordening nr. 3846/87 in de sector slachtpluimvee opgenomen bij verordening nr. 2580/98. Volgens de tweede overweging van haar considerans gebeurde dit om in de nomenclatuur voor de uitvoerrestituties andere op de markt verschenen aanbiedingsvormen op te nemen dan de zogenaamde kippen 65 % en de zogenaamde kippen 70 %.
61 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de zogenaamde kippen 65 % van onderverdeling 0207 12 90 zonder orgaanvlees worden aangeboden. Wat de zogenaamde kippen 70 % van onderverdeling 0207 12 10 betreft, blijkt uit de toelichting op onderverdeling 0207 11 30, die volgens de toelichting op onderverdeling 0207 12 10 van overeenkomstige toepassing is op deze laatste onderverdeling, dat nadat al het orgaanvlees eruit is verwijderd, het hart, de lever en de spiermaag worden teruggelegd in het hele geslachte dier.
62 Zo onderscheiden kippen van productcode 0207 12 90 9990 zich van kippen van onderverdeling 0207 12 10 doordat zij hals, hart, lever en spiermaag „in onregelmatige samenstelling” kunnen bevatten.
63 Vastgesteld zij dat noch verordening nr. 3846/87, noch productcode 0207 12 90 9990, noch de toelichtingen daarop een definitie van het begrip „onregelmatige samenstelling” bevat.
64 Gelet op de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 2580/98 en het ontstaan van de betrokken productcode moeten volgens de verwijzende rechter en verzoeksters in de hoofdgedingen onder dit begrip ook hele geslachte dieren vallen die meer dan vier van de genoemde organen, in één of meer exemplaren, bevatten. Zij merken in het bijzonder op dat de Bondsrepubliek Duitsland tijdens de 661e vergadering van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren op 14 oktober 1998 heeft voorgesteld om de nomenclatuur voor de uitvoerrestituties te wijzigen door de invoering van productcode 0207 1290 9990 om te vermijden dat er geen enkele restitutie zou kunnen worden toegekend voor goederen waarvan de samenstelling van de organen kleine tekortkomingen vertoont ten gevolge van gebreken in het productieproces. Aangezien een heel geslacht dier ook meer dan vier organen kan bevatten ten gevolge van dergelijke gebreken, moet de betrokken productcode eveneens dit geval omvatten. Productcode 0207 12 90 9990 is dus een restpost voor producten die, gelet op het slachtafval dat het hele geslachte dier omvat, niet kunnen worden ingedeeld onder een van de in de onderverdelingen 0207 12 10 (kippen 70 %) en 0207 12 90 (kippen 65 %) bedoelde aanbiedingsvormen.
65 Daarentegen beschouwt het Hauptzollamt Hamburg-Jonas productcode 0207 12 90 9990 niet als een restpost. Zoals tijdens de 662e vergadering van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren op 17 november 1998 is gepreciseerd, leidt de invoering van deze productcode niet tot een nieuwe post goederen. Bijgevolg moet de in deze productcode bedoelde onregelmatige samenstelling worden ondergebracht in de marge van 5 % die een zogenaamde kip 65 % onderscheidt van een zogenaamde kip 70 %, omdat anders de gewichtsverhouding niet meer natuurlijk zou zijn.
66 Wat de tijdens de 661e en de 662e vergadering van het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren geformuleerde verduidelijkingen betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat noch individuele standpuntbepalingen noch een gemeenschappelijke verklaring van de lidstaten kunnen worden gebruikt bij de uitlegging van een gemeenschapshandeling wanneer, zoals in casu, de inhoud ervan niet in de tekst van de handeling is terug te vinden en dus geen rechtskracht heeft (zie met name arresten van 30 januari 1985, Commissie/Denemarken, 143/83, Jurispr. blz. 427, punt 13, en 26 februari 1991, Antonissen, C‑292/89, Jurispr. blz. I‑745, punt 18).
67 Bij gebreke van een definitie van het begrip „onregelmatige samenstelling” in verordening nr. 3846/87 moet voor de uitlegging ervan rekening worden gehouden met de algemene opzet en de doelstellingen van het stelsel van uitvoerrestituties waarin het begrip is opgenomen.
68 Dienaangaande zij opgemerkt dat het bedrag van het recht op uitvoerrestituties voor producten van de productcodes 0207 12 10 9900, 0207 12 90 9190 en 0207 12 90 9990 in het kader van de uitvoer van slachtpluimvee wordt vastgesteld op basis van het totale gewicht van de uitgevoerde hele geslachte dieren. Ter verzekering van het nuttig effect van het stelsel van restituties op basis van het totale gewicht en ter voorkoming van misbruiken waarbij aan de hele geslachte dieren regelmatig meer dan vier organen worden toegevoegd teneinde het referentiegewicht voor de restitutie van de uitgevoerde hele geslachte dieren kunstmatig te verhogen, dient het begrip „onregelmatige samenstelling” aldus te worden uitgelegd dat een heel geslacht dier toevalligerwijze in totaal maximaal vier van de in productcode 0207 12 90 9990 bedoelde organen, in twee of meer exemplaren, mag bevatten, ook al wordt noch in de tekst van verordening nr. 2580/98 noch in de overwegingen van de considerans ervan gepreciseerd dat de Europese wetgever voor productcode 0207 12 90 9990 een minimum‑ of maximumhoeveelheid organen heeft overwogen die in onregelmatige samenstelling aan het hele geslachte dier mogen worden toegevoegd.
69 Bijgevolg dient de eerste prejudiciële vraag in zaak C‑324/10 aldus te worden beantwoord dat productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomstig het begrip „onregelmatige samenstelling” een heel geslacht dier in totaal maximaal vier van de aldaar genoemde organen, in een of meer exemplaren, mag bevatten.
Tweede vraag in zaak C‑324/10
70 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, in geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip die meerdere exemplaren van een van de in deze onderverdeling genoemde organen bevat, onder deze onderverdeling valt.
71 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat onderverdeling 0207 12 10 producten betreft bestaande uit hanen en kippen, niet in stukken gesneden, bevroren, geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, met hart, met lever en met spiermaag (zogenaamde kippen 70 %).
72 Zoals opgemerkt in punt 62 van het onderhavige arrest onderscheiden kippen van onderverdeling 0207 12 10 zich van kippen van productcode 0207 12 90 9990 doordat zij, nadat al het orgaanvlees eruit is verwijderd, één exemplaar van elk van de in deze onderverdeling genoemde organen bevatten, terwijl kippen van productcode 0207 12 90 9990 deze organen in onregelmatige samenstelling kunnen bevatten.
73 Bijgevolg kan onderverdeling 0207 12 10 alleen hele geslachte hanen of kippen omvatten die slechts één exemplaar bevatten van elk van de genoemde organen, te weten de hals, het hart, de lever en de spiermaag.
74 Bijgevolg dient de tweede prejudiciële vraag in zaak C‑324/10 aldus te worden beantwoord dat onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip die meerdere exemplaren van een van de in deze onderverdeling genoemde organen bevat, te weten de hals, het hart, de lever en de spiermaag, niet onder deze onderverdeling valt.
Zaak C‑325/10
75 In deze zaak wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip waaraan na het machinale plukken nog enkele kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes vastzitten, onder deze onderverdeling valt.
76 Zoals opgemerkt in punt 71 van het onderhavige arrest betreft onderverdeling 0207 12 10 producten bestaande uit hanen en kippen, niet in stukken gesneden, bevroren, geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, met hart, met lever en met spiermaag (zogenaamde kippen 70 %).
77 Bij gebreke van een definitie van het begrip „geplukt” in verordening nr. 3846/87 moet overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2777/75 worden verwezen naar de algemene regels voor de interpretatie van de GN en de bijzondere regels voor de toepassing ervan.
78 Gelet op de in punt 44 van dit arrest aangehaalde rechtspraak moeten de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen worden onderzocht, zoals deze in de tekst van de posten van de GN en in de aantekeningen bij de afdelingen zijn omschreven.
79 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de toelichting op onderverdeling 0207 11 30, die volgens de toelichting op onderverdeling 0207 12 10 van overeenkomstige toepassing is op deze laatste onderverdeling, blijkt dat laatstgenoemde post „in het bijzonder braadkuikens omvat; dit zijn geplukte kuikens [...]”. Ter fine van de tariefindeling van de betrokken hele geslachte dieren dient bijgevolg te worden uitgemaakt of de aanwezigheid van enkele kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes kan afdoen aan het door de betrokken kip vertoonde kenmerk van een kip die klaar is „om gebraden te worden”.
80 De verwijzende rechter, verzoeksters in de hoofdgedingen en de Commissie verwijzen dienaangaande naar de kwaliteitseisen gesteld in de artikelen 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PB L 143, blz. 11).
81 Volgens artikel 6, lid 2, tweede streepje, van deze verordening verhindert de aanwezigheid van enkele kleine veertjes, stompjes (veerpunten) en haartjes („filoplumes”) op de borst, de poten of dijen, de staart, de voetgewrichten en de vleugelspitsen na afloop van het plukproces niet dat een heel geslacht dier in handelsklasse A wordt ingedeeld voor de afzet ervan op de gemeenschapsmarkt. Voorts kunnen kippen van klasse B eveneens in de handel worden gebracht, maar overeenkomstig artikel 7, lid 5, van deze verordening zijn de normen die hierop van toepassing zijn minder veeleisend dan de normen die van toepassing zijn op kippen van klasse A. Het zou dus niet logisch zijn om te weigeren uitvoerrestituties te betalen voor hele geslachte dieren die zonder enige beperking in de Europese Unie en in derde landen in de handel kunnen worden gebracht omdat het goed niet onder een productcode van de nomenclatuur voor de uitvoerrestituties valt.
82 Volgens het Hauptzollamt Hamburg-Jonas geldt verordening nr. 1538/91 daarentegen niet voor vlees van pluimvee dat voor uitvoer uit de Unie is bestemd en de bepalingen ervan zijn niet relevant voor de tariefindeling van de producten of de uitlegging van de tariefregels. Deze bepalingen worden slechts in overweging genomen in het kader van de beoordeling of goederen van gezonde handelskwaliteit zijn in het kader van het recht op restitutie.
83 Wat de toepasselijkheid van verordening nr. 1538/91 in een zaak als die in het hoofdgeding betreft, zij er vooraf aan herinnerd dat in deze verordening de uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld van verordening nr. 1906/90, die in artikel 1, lid 3, eerste streepje, uitdrukkelijk bepaalt dat zij niet van toepassing is op vlees van pluimvee dat voor uitvoer uit de Gemeenschap bestemd is.
84 In punt 39 van het reeds aangehaalde arrest Nowaco Germany heeft het Hof echter geoordeeld dat de bepalingen van verordening nr. 1538/91 die minimumkwaliteitsnormen en tolerantiemarges voor de afzet van slachtpluimvee op de gemeenschapsmarkt vaststellen, met name de artikelen 6 en 7, eveneens gelden voor de vaststelling of een goed waarvoor om uitvoerrestitutie is verzocht, „van gezonde handelskwaliteit” is.
85 Dienaangaande zij opgemerkt dat het in artikel 21, lid 1, van verordening nr. 800/1999 geformuleerde vereiste van gezonde handelskwaliteit van een product, en de indeling van een product onder een tariefpost van de bij verordening nr. 3846/87 vastgestelde nomenclatuur voor de uitvoerrestituties in de regel twee wezenlijk verschillende voorwaarden vormen voor de verlening van uitvoerrestituties.
86 In casu zij echter opgemerkt dat deze voorwaarden, te weten het in onderverdeling 0207 12 10 bedoelde kenmerk van een geplukte kip die klaar is om gebraden te worden, en voorts het vereiste van gezonde handelskwaliteit, de neiging vertonen overeen te komen.
87 Derhalve dient op de prejudiciële vraag in zaak C‑325/10 te worden geantwoord dat onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip waaraan na het machinale plukken nog enkele kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes vastzitten, voor de indeling voor de uitvoerrestitutie onder deze onderverdeling valt, voor zover deze pluimresten verenigbaar zijn met het kenmerk van een kip van gezonde handelskwaliteit die klaar is om gebraden te worden.
Zaak C‑326/10
Eerste vraag in zaak C‑326/10
88 Met zijn eerste vraag in deze zaak wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip hieronder valt wanneer aan een volgens deze productcode toegelaten orgaan, in casu de hals, nog een niet toegelaten orgaan, in casu de luchtpijp, vastzit.
89 Ter beantwoording van deze vraag moeten, gelet op de in punt 44 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen worden onderzocht, zoals deze in de tekst van de posten van de GN en in de aantekeningen bij de afdelingen zijn omschreven.
90 Productcode 0207 12 90 9990 betreft producten bestaande uit hanen en kippen, geplukt, schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, hart, lever en spiermaag in onregelmatige samenstelling.
91 Uit de tekst zelf van deze productcode blijkt bijgevolg dat een hele geslachte kip niet onder deze productcode kan worden ingedeeld indien zij andere organen bevat dan die waarop deze productcode expliciet betrekking heeft. De woorden „[...] schoongemaakt, zonder kop en zonder poten, doch met hals, hart, lever en spiermaag in onregelmatige samenstelling” sluiten met name uit dat een goed van productcode 0207 12 90 9990 naast of in de plaats van de genoemde organen een ander orgaan, zoals de luchtpijp, kan bevatten.
92 Aangaande de verwijzing door de verwijzende rechter en verzoeksters in de hoofdgedingen naar de in verordening nr. 1538/91 bedoelde tolerantiemarges betreffende kwaliteitseisen voor hele geslachte hanen of kippen, moet in ieder geval worden opgemerkt dat de bepaling waarnaar zij hebben verwezen, namelijk artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1538/91, niet preciseert of de luchtpijp nog aan de hals mag vastzitten.
93 Derhalve dient op de eerste prejudiciële vraag in zaak C‑326/10 te worden geantwoord dat productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, aldus moet worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip niet onder deze productcode valt wanneer aan de hals nog de luchtpijp vastzit.
Tweede vraag in zaak C‑326/10
94 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bij de controle door de douaneautoriteiten of de voor uitvoer bestemde producten overeenkomen met de in de aangifte ten uitvoer vermelde tariefpost, een tolerantiemarge moet worden toegepast in die zin dat een zogenoemde uitzonderlijke fout niet tot een nadelige tariefindeling leidt.
95 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het bevoegde douanekantoor in de onderhavige zaak twee dozen als monster heeft genomen, waaronder één doos als reservemonster, met in elk daarvan tien hele geslachte kippen. Uit het onderzoek van een van deze dozen is gebleken dat negen hele geslachte dieren overeenkwamen met de in de aanvraag om restitutie opgegeven tariefpost en één niet.
96 Volgens de verwijzende rechter en verzoeksters in de hoofdgedingen moet de controle van de goederen om na te gaan of zij overeenkomen met het bepaalde in de opgegeven tariefpost, gelet op de verlaging van de uitvoerrestitutie en de mogelijke sanctie die op grond van artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999 kan worden opgelegd, gebaseerd zijn op een representatief monster, wat niet het geval is indien de douaneautoriteiten zich beperken tot één enkel monster en slechts één van de gecontroleerde producten niet conform blijkt te zijn.
97 Dienaangaande verwijzen de verwijzende rechter en verzoeksters in de hoofdgedingen naar verordening (EG) nr. 2457/97 van de Commissie van 10 december 1997 betreffende het nemen van monsters in het kader van een fysieke controle op delen van rundvlees zonder been waarvoor uitvoerrestituties worden verleend (PB L 340, blz. 29; hierna: „verordening nr. 2457/97”), waarin de gemeenschapswetgever volgens hen uitdrukkelijk een foutenmarge in de wetgeving inzake uitvoerrestituties heeft erkend.
98 Wat de onder deze verordening vallende goederen betreft, moeten de douaneautoriteiten op grond van artikel 3, eerste alinea, van deze verordening nagaan of alle delen van rundvlees zonder been in de eerste doos afzonderlijk zijn verpakt en of elke verpakking slechts één deelstuk bevat, en indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, het reservemonster op dezelfde wijze onderzoeken. De tweede alinea van deze bepaling preciseert dat wanneer in de beide dozen samen slechts één niet afzonderlijk verpakt deelstuk of slechts één verpakking met meer dan één deelstuk wordt aangetroffen, dit niet als een onregelmatigheid wordt beschouwd en de restitutie wordt toegekend.
99 De verwijzende rechter en verzoeksters in de hoofdgedingen erkennen dat deze verordening enkel de uitvoer van delen van afzonderlijk verpakt rundvlees zonder been betreft, maar zij beschouwen deze bepalingen als een uitdrukking van het in het gemeenschapsrecht vastgelegde evenredigheidsbeginsel, dat in casu moet worden toegepast. Volgens hen mag het feit dat het reservemonster in het hoofdgeding niet is onderzocht, verzoeksters geen nadeel berokkenen.
100 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 70, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 voorziet in de door het Hauptzollamt Hamburg-Jonas uitgevoerde extrapolatie. Uit deze bepaling volgt dat wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, de resultaten van dit onderzoek voor alle goederen van deze aangifte gelden.
101 Deze fictie van eenvormige kwaliteit is niet uitsluitend van toepassing op onderzoeken die worden verricht op grond van de douanewetgeving, aangezien het genoemde artikel 70 een van de algemene douanebepalingen is die van toepassing zijn op alle aangiften ten uitvoer ter zake van goederen waarvoor een restitutie geldt, onverminderd bijzondere bepalingen (zie in die zin arrest Nowaco Germany, reeds aangehaald, punten 47, 49 en 56).
102 De toepassing van artikel 70, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 is dus relevant voor de controle van de aard van de goederen door de douaneautoriteiten ter waarborging van de overeenstemming van de voor uitvoer bestemde producten met de in de uitvoeraangifte opgegeven tariefpositie.
103 Voorts ontbreken, in strijd met de bepalingen van verordening nr. 2457/97 inzake rundvlees, in het kader van de controle van hele geslachte hanen of kippen, bepalingen die voorzien in een specifieke verhouding tussen het aantal niet-conforme hele geslachte kippen en het aantal onderzochte hele geslachte dieren.
104 In ieder geval is het rechtsgevolg dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 70, lid 1, van verordening nr. 2913/92 in het kader van de controle van de in de uitvoeraangifte opgegeven tariefposten in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.
105 Aangezien het stelsel van uitvoerrestituties berust op facultatieve verklaringen, moet de exporteur de relevante gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op restitutie en de bepaling van het bedrag ervan, wanneer hij uit eigen beweging heeft besloten een beroep op dat stelsel te doen. Door de aangifte van een product in het kader van de procedure voor uitvoerrestituties laat een exporteur doorschemeren dat dit product alle voor de restitutie noodzakelijke voorwaarden vervult.
106 Voorts staat artikel 70, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92 de aangever toe om een aanvullend onderzoek van de goederen te verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden. Deze bepaling biedt dus zelf de mogelijkheid om te verzekeren dat het resultaat van het gedeeltelijke onderzoek geen onevenredig grote gevolgen heeft.
107 Gelet op het voorgaande moet op de tweede prejudiciële vraag in zaak C‑326/10 worden geantwoord dat bij de controle door de douaneautoriteiten of de voor uitvoer bestemde producten overeenkomen met de in de uitvoeraangifte vermelde tariefpost, de resultaten van een gedeeltelijk onderzoek van de aangegeven goederen overeenkomstig artikel 70, lid 1, van verordening nr. 2913/92 voor alle goederen van deze aangifte gelden. Geen tolerantiemarge moet worden toegepast op grond waarvan een uitzonderlijke fout niet tot een nadelige tariefindeling leidt
Kosten
108 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
1) Onderverdeling 0207 12 90 van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2091/2005 van de Commissie van 15 december 2005 houdende bekendmaking, voor 2006, van de bij verordening (EEG) nr. 3846/87 vastgestelde landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties, moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip van deze onderverdeling geheel moet zijn schoongemaakt, zodat de omstandigheid dat na het machinale schoonmaken ervan bijvoorbeeld nog een deel van het spijsverteringskanaal of van de luchtpijp aan het hele geslachte dier vastzit, tot een nadelige tariefindeling leidt.
2) Productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2765/1999 van de Commissie van 16 december 1999, moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomstig het begrip „onregelmatige samenstelling” een heel geslacht dier in totaal maximaal vier van de aldaar genoemde organen, in een of meer exemplaren, mag bevatten.
3) Onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip die meerdere exemplaren van een van de in deze onderverdeling genoemde organen bevat, te weten de hals, het hart, de lever en de spiermaag, niet onder deze onderverdeling valt.
4) Onderverdeling 0207 12 10 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip waaraan na het machinale plukken nog enkele kleine dekveren, veren, veerpunten of haartjes vastzitten, voor de indeling voor de uitvoerrestitutie onder deze onderverdeling valt, voor zover deze pluimresten verenigbaar zijn met het kenmerk van een kip van gezonde handelskwaliteit die klaar is om gebraden te worden.
5) Productcode 0207 12 90 9990 van bijlage I bij verordening nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2765/1999, moet aldus worden uitgelegd dat een hele geslachte haan of kip niet onder deze productcode valt wanneer aan de hals nog de luchtpijp vastzit.
6) Bij de controle door de douaneautoriteiten of de voor uitvoer bestemde producten overeenkomen met de in de uitvoeraangifte vermelde tariefpost, gelden de resultaten van een gedeeltelijk onderzoek van de aangegeven goederen overeenkomstig artikel 70, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek voor alle goederen van deze aangifte. Geen tolerantiemarge moet worden toegepast op grond waarvan een uitzonderlijke fout niet tot een nadelige tariefindeling leidt.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.