Conclusions
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 29 april 2004(1)
Zaak C-70/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Spanje
„Niet-nakoming – Onvolledige omzetting van richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten”
I – Inleiding
1.
In deze inbreukprocedure op grond van artikel 226 EG voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Spanje richtlijn 93/13/EEG
van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
(2)
(hierna: „de richtlijn”) niet volledig in nationaal recht heeft omgezet en derhalve de krachtens het Verdrag en deze richtlijn
op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2.
De klacht van de Commissie heeft betrekking op twee punten in het bijzonder. De eerste betreft het verzuim van het Koninkrijk
Spanje om de in artikel 5, derde volzin, van de richtlijn vervatte interpretatieregel correct in de nationale regelgeving
op te nemen. De tweede betreft de onjuiste implementatie van artikel 6, lid 2, van de richtlijn betreffende de regeling inzake
de rechtskeuze. De termijn voor de omzetting van de richtlijn verstreek op 31 december 1994.
II – De eerste klacht van de Commissie: artikel 5, derde volzin, van de richtlijn
3.
De eerste klacht van de Commissie betreft de omzetting van artikel 5, derde volzin, van de richtlijn in de Spaanse regelgeving.
Artikel 5 geeft als hoofdregel dat wanneer bedingen in consumentenovereenkomsten schriftelijk zijn opgesteld, deze steeds
duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. Vervolgens bevat deze bepaling in de tweede en de derde volzin de volgende
interpretatieregel:
„[…] In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze
uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedures.”
Deze in artikel 7, lid 2, voorziene procedures zijn de zogenoemde collectieve verbodsacties, „[…] waarbij personen of organisaties
die volgens de nationale wetgeving een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, overeenkomstig het nationale
recht een beroep kunnen doen op de rechtbanken of de bevoegde administratieve instanties om te oordelen of contractuele bedingen
die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn, en de passende en doeltreffende middelen aan te wenden
om een eind te maken aan het gebruik van deze bedingen”. Een beding wordt blijkens artikel 3, lid 1, van de richtlijn als
„oneerlijk” beschouwd, indien het, „[…] in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende
rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort”.
4.
De richtlijn is in de Spaanse wetgeving opgenomen bij wet nr. 7/1998 van 13 april 1998 betreffende algemene contractsvoorwaarden
(3)
(hierna: „wet nr. 7/1998”) en houdende de wijziging van de algemene wet nr. 26/1984 van 19 juli 1984 voor de bescherming
van consumenten en gebruikers
(4)
(hierna: „algemene wet nr. 26/1984”). Artikel 10, lid 2, van de door wet nr. 7/1998 gewijzigde algemene wet nr. 26/1984 implementeert
artikel 5 van de richtlijn in de volgende termen:
„In geval van twijfel over de betekenis van een beding prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie.”
Een met artikel 5, derde volzin, van de richtlijn corresponderende bepaling is niet in de Spaanse wetgeving opgenomen.
5.
De Commissie stelt dat door niet te bepalen dat de in artikel 5, tweede volzin, van de richtlijn opgenomen regel betreffende
uitlegging ten gunste van de consument niet van toepassing is in het kader van collectieve verbodsacties, de Spaanse wetgever
deze bepaling niet correct in de nationale regelgeving heeft omgezet. Zij betoogt dat een dergelijke verbodsactie zou kunnen
worden ondergraven voorzover een verkoper, juist met een beroep op deze interpretatieregel, zou kunnen bewerkstelligen dat
een beding niet als oneerlijk wordt aangemerkt. Anders dan door de Spaanse regering aangevoerd, kan niet uit artikel 10, lid 2,
van de gewijzigde algemene wet nr. 26/1984 worden afgeleid dat deze uitleggingsregel uitsluitend van toepassing is in het
kader van individuele acties. Bij het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling die de toepasselijkheid van deze regel beperkt
tot individuele acties, moet worden geconcludeerd dat deze op beide soorten acties van toepassing is.
6.
De Spaanse regering wijst erop dat de Spaanse regelgeving voorziet in zowel individuele acties als collectieve acties en dat
de uitleggingsregel van artikel 5, tweede volzin, van de richtlijn slechts van toepassing is in het kader van individuele
acties. Hieraan voegt zij toe dat wanneer bij collectieve acties een beding volgens de normale interpretatiemethodes als onduidelijk
en oneerlijk wordt aangemerkt de actie zal slagen, zonder dat hieraan kan worden afgedaan door een nadere uitlegging ten gunste
van deze of gene consument. Voorts merkt zij op dat de Spaanse wetgeving, die een verdergaande bescherming van de consument
biedt dan voorzien door de richtlijn, een lijst van bedingen bevat die in alle gevallen als oneerlijk worden beschouwd. Het
dwingende karakter van deze lijst verzet zich tegen het inroepen van de uitlegging ten gunste van de consument om collectieve
verbodsacties te ondermijnen. Aangezien het hier gaat om een evidentie, ziet de Spaanse regering niet in welk belang is gediend
met het letterlijk weergeven van artikel 5, derde volzin, van de richtlijn in de Spaanse regelgeving. Naar haar oordeel is
de toepassing van deze regel volledig verzekerd in de Spaanse rechtsorde. Zij wijst in dit verband tevens op artikel 1228
van het Spaans Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat „de uitlegging van onduidelijke bedingen in een overeenkomst de partij die
verantwoordelijk is voor deze onduidelijkheid niet mag begunstigen”. Verder is in de rechtspraak van het Tribunal Supremo
bevestigd dat deze regel van toepassing is op toetredingsovereenkomsten.
7.
Wat partijen verdeeld houdt ten aanzien van de eerste klacht is niet zozeer de inhoud van de uit artikel 5 voortvloeiende
verplichting, als wel de wijze waarop deze verplichtingen in de nationale regelgeving dienen te worden vastgelegd. De Commissie
meent dat de in artikel 5, derde volzin, bedoelde beperking van de reikwijdte van de interpretatieregel ten gunste van de
consument, ook wel spiegelbeeldig bekend als interpretatie contra preferentem, uitdrukkelijk uit de wetstekst moet blijken.
De Spaanse regering beroept zich erop dat uit het systeem van de Spaanse wetgeving voortvloeit dat deze interpretatieregel
uitsluitend van toepassing is op individuele acties en dat het derhalve overbodig is expliciet te bepalen dat deze niet van
toepassing is in de context van de collectieve verbodsacties bedoeld in artikel 7, lid 2, van de richtlijn. Meer inhoudelijk
geeft zij aan dat er ook geen ruimte is voor de toepassing van de uitlegging ten gunste van de (individuele) consument in
het kader van een actie gericht op het verbieden van algemeen gebruik van bepaalde oneerlijke bedingen.
8.
De vrijheid van de lidstaten om ingevolge artikel 249 van het EG-Verdrag vorm en middelen te kiezen ter verwezenlijking van
een door een richtlijn voorgeschreven resultaat is door het Hof in een vaste rechtspraak nader omlijnd. Daarbij heeft het
Hof verduidelijkt dat voor de omzetting van een richtlijn in intern recht niet noodzakelijkerwijs is vereist, dat de bepalingen
ervan formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke wettelijke bepaling worden overgenomen. Naar gelang van de inhoud
van de richtlijn kan een algemene juridische context daartoe voldoende zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing
van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert, zodat, ingeval de richtlijn rechten voor particulieren
in het leven beoogt te roepen, de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en deze zo nodig voor de nationale rechterlijke
instanties kunnen doen gelden.
(5)
Dit laatste is van bijzonder belang wanneer een richtlijn rechten toekent aan onderdanen van andere lidstaten, hetgeen steeds
het geval zal zijn op het terrein van de consumentenbescherming.
9.
Het nationale wettelijke kader moet derhalve garanderen dat het resultaat, dat met de richtlijn wordt beoogd, daadwerkelijk
wordt bereikt. Rechten die voor particulieren uit een richtlijn voortvloeien moeten op duidelijke en transparante wijze zijn
omschreven. Verder moet de eerbiediging daarvan op een effectieve wijze voor de bevoegde nationale (rechterlijke) instanties
kunnen worden afgedwongen. Voorzover de nationale regelgeving onzekerheid laat over de conformiteit met de bepalingen van
een richtlijn die rechten aan particulieren beoogt toe te kennen, kan deze niet worden opgeheven met een beroep op de mogelijkheid
van een systematische uitlegging van deze bepalingen of met een verwijzing naar de mogelijkheid van richtlijnconforme uitlegging
door de nationale rechterlijke instanties. Zoals het Hof heeft overwogen, kan met name op een terrein als de bescherming van
de belangen van de consument een nationale rechtspraak, gesteld al dat zij constant is, waarin bepalingen van intern recht
worden uitgelegd op een wijze die wordt geacht aan de eisen van een richtlijn te voldoen, niet de helderheid en nauwkeurigheid
hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn.
(6)
10.
Waar artikel 5, tweede volzin, van de richtlijn letterlijk is overgenomen in de Spaanse regelgeving is het in casu de vraag
of ook daaruit voldoende duidelijk blijkt dat het toepassingsbereik van deze interpretatieregel beperkt is tot individuele
acties en dat deze derhalve, overeenkomstig artikel 5, derde volzin, van de richtlijn niet van toepassing is in het kader
van collectieve verbodsacties. Teneinde te beoordelen of het door de richtlijn op dit punt voorgeschreven resultaat wordt
verzekerd, dient eerst de ratio van deze op het oog nogal paradoxale bepaling nader te worden geduid.
11.
De uitleggingsregel vervat in artikel 5, tweede volzin, van de richtlijn heeft een subsidiair karakter in zoverre deze eerst
van toepassing is, indien na een beoordeling van een beding op basis van de gangbare interpretatiemethodes twijfel blijft
bestaan over de betekenis van dat beding. In de context van een geschil tussen een consument en een verkoper over een beding
in een overeenkomst wordt het beding in dat geval uitgelegd ten gunste van de consument. De onduidelijkheid van het beding
en de daaruit voortvloeiende gevolgen worden toegerekend aan de verkoper. Het gaat hierbij om situaties waarin een overeenkomst
reeds tot stand is gekomen en achteraf het al dan niet oneerlijke karakter van het beding moet worden beoordeeld. Deze interpretatieregel
ligt in lijn met het doel van de richtlijn om de consument te beschermen bij het aangaan van (grensoverschrijdende) transacties.
12.
Collectieve verbodsacties, ingesteld door consumentenbelangenorganisaties, verschillen naar hun aard op een aantal wezenlijke
punten van acties ingesteld door individuele consumenten tegen een verkoper. Zo zijn deze erop gericht door preventief handelen
de consument in algemene zin te beschermen tegen de toepassing van bedingen in algemene voorwaarden die als oneerlijk moeten
worden beschouwd. In deze context wordt de ongelijkheid tussen de consument en de verkoper opgeheven door ingrijpen buiten
de consument om.
(7)
De beoordeling van dergelijke bedingen vindt hier in abstracto plaats zonder dat de eiser een concreet eigen belang heeft
bij de uitkomst.
13.
In een actie als bedoeld in artikel 7, lid 2, van de richtlijn dient de betrokken rechterlijke of administratieve instantie
aan de hand van de in het nationale recht gebruikelijke interpretatiemethodes te beoordelen of een beding als oneerlijk in
de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn moet worden aangemerkt en in dat geval het gebruik van het beding te doen beëindigen.
Indien het mogelijk zou zijn om bij aanhoudende twijfel het betrokken beding met toepassing van de contra-preferentemregel
in het voordeel van de consument uit te leggen, zou dat beding in stand blijven, hetgeen uiteindelijk niet in het belang van
de consument behoeft te zijn. Teneinde de voor de consument meest wenselijke uitkomst te bereiken dient in het kader van een
abstracte beoordeling in een collectieve verbodsactie te worden uitgegaan van de negatieve gevolgen van een beding voor de
belangen van de consument. De paradox is derhalve dat in deze situatie een consumentvijandige uitlegging leidt tot een hogere
graad van bescherming van de consument.
14.
Dit is de reden waarom de uitleggingsregel van artikel 5, tweede volzin, niet van toepassing is in de context van een collectieve
verbodsactie. Bedingen die in algemene voorwaarden zijn opgenomen en zijn bedoeld om in een veelheid van contractuele relaties
te worden toegepast dienen, overeenkomstig artikel 5, eerste volzin, van de richtlijn, vooraf volstrekt duidelijk en begrijpelijk
te zijn voor de consument. De betekenis daarvan dient niet afhankelijk te zijn van de eventuele verschillende interpretaties
die aan dat beding kunnen worden gegeven.
15.
Gelet hierop dient in de nationale rechtsorde te zijn gewaarborgd dat de beoordeling van voor algemeen gebruik bedoelde bedingen
in het kader van de in artikel 7, lid 2, bedoelde collectieve verbodsacties uiteindelijk leidt tot het voor consumenten meest
wenselijke resultaat. In het systeem van de richtlijn wordt dit resultaat bereikt door uit te sluiten dat in het kader van
deze beoordeling de contra-preferentemregel kan worden toegepast, zodat daarbij uitsluitend wordt uitgegaan van de in het
nationale recht gangbare interpretatiemethoden.
16.
De Spaanse regering stelt dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat wordt gewaarborgd door het systeem van de regelgeving
betreffende de bescherming van consumenten enerzijds en algemene contractsvoorwaarden anderzijds. Uit het feit dat artikel 5,
tweede volzin, van de richtlijn uitsluitend is opgenomen in de bepalingen die betrekking hebben op individuele acties (artikel 10,
lid 2, van de door wet nr. 7/1998 gewijzigde algemene wet nr. 26/1984) zou blijken dat de daarin vervatte interpretatieregel,
in lijn met artikel 5, derde volzin, van de richtlijn, niet van toepassing is in het kader van collectieve verbodsacties.
Laatstgenoemde acties zijn onderworpen aan hoofdstuk IV van wet nr. 7/1998 (de artikelen 12 tot en met 20 van die wet). Voorts
wijst de Spaanse regering op het feit dat de Spaanse wetgeving een verdergaande bescherming biedt dan de richtlijn doordat
deze een zwarte lijst van bedingen kent die van rechtswege nietig zijn. Op deze wijze zou de volle werking van de richtlijn,
ook op het punt van de beoordeling van bedingen in het kader van collectieve verbodsacties, zijn verzekerd.
17.
Daar staat tegenover, zoals de Commissie aanvoert, dat er indicaties zijn in de Spaanse wetgeving dat de interpretatieregel
ten gunste van de consument wel algemeen toepasselijk is. Zo bepaalt artikel 10, lid 3, van de door wet nr. 7/1998 gewijzigde
algemene wet nr. 26/1984, dat volgt op de bepaling waarin deze interpretatieregel is opgenomen, dat bedingen die het karakter
hebben van een algemene voorwaarde in de zin van de wet betreffende algemene contractsvoorwaarden „gelijkelijk” onderworpen
zijn aan de bepalingen van die wet. Deze wet bevat in artikel 6, lid 2, eveneens een interpretatieregel ten gunste van de
consument: twijfels over de uitlegging van onduidelijke algemene voorwaarden worden opgelost ten gunste van de tot de overeenkomst
toetredende partij. Indien de Spaanse wetgever het toepassingsbereik van de interpretatieregel had willen beperken tot individuele
acties had zulks uitdrukkelijk kunnen worden bepaald hetzij in artikel 10, lid 3, van algemene wet nr.
26/1984, hetzij in artikel 6 van wet nr. 7/1998. Nu dit niet is gebeurd is de logische conclusie dat deze regel op beide typen
acties van toepassing is.
18.
Bij het ontbreken van concrete aanwijzingen dat de contra-preferentemregel daadwerkelijk in strijd met de richtlijn wordt
gehanteerd bij de beoordeling van bedingen in de context van collectieve verbodsacties, kan niet met stelligheid worden vastgesteld
dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat niet wordt bereikt in de Spaanse rechtsorde. Niettemin blijkt uit het toepassingsbereik
van de relevante wetsbepalingen dat de juridische mogelijkheid bestaat dat deze interpretatieregel kan worden toegepast in
de gevallen bedoeld in artikel 7, lid 2, van de richtlijn. Waar een regel betreffende de interpretatie van de bepalingen van
een regeling medebepalend is voor de inhoud van die bepalingen, dient deze op gelijke wijze te worden verankerd als de bepalingen
waarop deze betrekking heeft. In deze omstandigheden ben ik van oordeel dat onvoldoende is verzekerd in de Spaanse rechtsorde
dat de in artikel 5, lid 2, van de richtlijn neergelegde interpretatieregel niet in de context van de in artikel 7, lid 2,
van de richtlijn bedoelde acties kan worden toegepast.
19.
De eerste klacht van de Commissie is derhalve gegrond.
III – De tweede klacht van de Commissie: artikel 6, lid 2, van de richtlijn
20.
De tweede klacht van de Commissie ziet op de wijze waarop artikel 6, lid 2, van de richtlijn in de Spaanse wetgeving is verwerkt.
Deze bepaling is als volgt verwoord:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de consument de door deze richtlijn geboden bescherming
niet wordt ontzegd door de keuze van het recht van een derde land als recht dat op de overeenkomst van toepassing is, wanneer
er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het grondgebied van een lidstaat.”
21.
Artikel 10 bis, derde alinea, van de door wet nr. 7/1998 gewijzigde algemene wet nr. 26/1984, dat de weergave van artikel 6,
lid 2, van de richtlijn in de Spaanse wetgeving vormt, is in de volgende termen gegoten: „De bepalingen voor de bescherming
van de consument tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten zijn van toepassing, ongeacht de keuze van het recht dat partijen
op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard, onder de voorwaarden voorzien in artikel 5 van het Verdrag van Rome van
1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.”
22.
Artikel 5, lid 2, van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna
het Verdrag van Rome van 1980) bepaalt – kort weergegeven – dat de rechtskeuze van partijen er niet toe kan leiden dat de
consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht van het land waar hij
gewone verblijfplaats heeft, indien een van de in dit artikel genoemde situaties zich voordoet. Blijkens het eerste lid van
artikel 5 is deze bepaling van toepassing op door consumenten gesloten overeenkomsten betreffende de levering van roerende
lichamelijke zaken, de verstrekking van diensten en overeenkomsten ter financiering daarvan.
23.
In dit verband is verder van belang artikel 3, tweede alinea, van wet nr. 7/1998, waarin het volgende is neergelegd:
„Voorts is [deze wet] van toepassing op overeenkomsten die worden beheerst door het recht van buitenlands recht wanneer de
partij zijn wilsverklaring op Spaans grondgebied kenbaar heeft gemaakt en wanneer hij daar zijn gebruikelijke woonplaats heeft,
onverminderd bepalingen van verdragen en internationale overeenkomsten.”
24.
De Commissie wijst erop dat waar artikel 6, lid 2, van de richtlijn tot doel heeft bescherming te bieden aan alle consumenten
bij het sluiten van alle soorten contracten gesloten met een verkoper, artikel 10 bis van de gewijzigde algemene wet nr. 26/1984
deze bescherming beperkt tot bepaalde soorten contracten (namelijk contracten bedoeld in artikel 5, lid 1, van het Verdrag
van Rome van 1980) en slechts indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan (namelijk de vereisten neergelegd in artikel 5, lid 2,
van het Verdrag van Rome van 1980). Deze voorwaarden zijn strikter dan de enige voorwaarde die door artikel 6, lid 2, van
de richtlijn wordt gesteld, te weten dat „er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het grondgebied van een lidstaat”.
25.
Volgens de Spaanse regering vloeit uit een „geïntegreerde” (of systematische) uitlegging („interpretación integradora”) van
de Spaanse wettelijke bepalingen ten aanzien van de bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen voort dat deze
dwingend van aard zijn. Zij zijn van toepassing, ongeacht de keuze van partijen inzake het op de overeenkomst toepasselijk
recht. Deze bepalingen houden rekening met zowel de richtlijn als het Verdrag van Rome van 1980. Zij benadrukt dat artikel 3,
lid 2, van wet nr. 7/1998 voorziet in de verplichte toepassing van Spaans recht op contracten die zijn onderworpen aan buitenlands
recht ingeval een partij zijn wilsverklaring op Spaans grondgebied kenbaar heeft gemaakt en hij er zijn woonplaats heeft.
Op deze wijze wordt voor overeenkomsten die een band met Spaans recht hebben invulling gegeven aan het vereiste van „een nauwe
band tussen de overeenkomst en het grondgebied van een lidstaat.”
26.
Artikel 6, lid 2, van de richtlijn heeft tot doel te verzekeren dat de beschermende werking van de richtlijn niet wordt ondermijnd
doordat de partijen bij de overeenkomst het recht van een derde land op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard. Om
dit doel te bereiken hanteert de richtlijn een ruim criterium als aanknopingspunt: er dient een nauw verband te bestaan tussen
de overeenkomst en het grondgebied van een lidstaat. Nu artikel 10 bis van de gewijzigde algemene wet nr. 26/1984 wordt verwezen
naar artikel 5 van het Verdrag van Rome van 1980 is het de vraag of het beschermingsdoel van de richtlijn niet wordt aangetast.
27.
Ik ben van mening dat dit inderdaad het geval is. Het in de richtlijn opgenomen criterium van een nauwe band tussen de overeenkomst
en het grondgebied van een lidstaat laat ruimte voor een flexibele invulling. Daarmee stelt het een lage drempel in voor het
activeren van de beschermende werking van de richtlijn, wanneer partijen hebben gekozen voor de toepassing van het recht van
een derde land op hun overeenkomst. Daarentegen brengt de verwijzing naar artikel 5 van het Verdrag van Rome van 1980 in artikel 10
bis, derde alinea, van de door wet nr. 7/1998 gewijzigde algemene wet nr. 26/1984 met zich mee, dat criteria worden geïntroduceerd
die tot gevolg hebben dat de toepassing van de bepalingen van de richtlijn niet in alle gevallen, waarop artikel 6, lid 2,
van de richtlijn betrekking heeft, in de Spaanse rechtsorde is verzekerd.
28.
Artikel 5 van het Verdrag van Rome van 1980 stelt immers de toepasselijkheid van het (dwingend) recht van het land van de
gewone verblijfplaats van de consument, ondanks de rechtskeuze van partijen, afhankelijk van voorwaarden die niet in de richtlijn
zijn opgenomen. Zo dient (a) de sluiting van de overeenkomst in dat land te zijn voorafgegaan door een voorstel of publiciteit
en moet de consument de voor de sluiting van de overeenkomst de daarvoor noodzakelijke handelingen hebben verricht of (b)
de wederpartij van de overeenkomst de bestelling van de consument in dat land hebben ontvangen of (c) is door de verkoper
een reis georganiseerd met het doel de consument tot koop te bewegen. Deze beperkingen doen afbreuk aan de omvang van de bescherming
die ingevolge artikel 6, lid 2, van de richtlijn wordt vereist. Daarnaast is het toepassingsbereik van artikel 5 van het Verdrag
van Rome van 1980 beperkt tot de in het eerste lid van die bepaling genoemde overeenkomsten. Hoe ruim de materiële reikwijdte
van die bepaling ook is, de richtlijn heeft betrekking op alle overeenkomsten die een consument met een verkoper aangaat,
zodat niet kan worden uitgesloten dat bepaalde categorieën overeenkomsten ten onrechte buiten het toepassingsbereik van artikel 10
bis, derde alinea, vallen.
29.
Waar de Spaanse regering wijst op artikel 3, tweede alinea, van wet nr. 7/1998 moet eveneens worden opgemerkt dat naast het
feit dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op algemene contractsvoorwaarden en derhalve niet op consumentenovereenkomsten
in het bijzonder, zij eveneens twee beperkende voorwaarden kent die niet passen in het beschermingsstelsel van de richtlijn.
Ook hier gelden immers de cumulatieve voorwaarden dat de consument op Spaans grondgebied zijn gewone verblijfplaats dient
te hebben en dat hij aldaar eveneens zijn wilsverklaring tot uitdrukking moet hebben gebracht. Deze eisen perken de door artikel 6,
lid 2, van de richtlijn geboden bescherming eveneens in.
30.
Ten slotte, voorzover de Spaanse regering zich erop beroept dat door middel van een systematische of geïntegreerde uitlegging
van de betrokken bepalingen van Spaans recht het resultaat van de richtlijn wordt bereikt, moet worden gewezen op de rechtspraak
van het Hof over deze richtlijn.
(8)
Hieruit blijkt duidelijk dat de rechten die particulieren ontlenen aan de richtlijn op nauwkeurige en heldere wijze in de
nationale regelgeving moeten zijn vastgelegd. Zoals uit het vorenstaande moge blijken is dit wat betreft artikel 6, lid 2,
van de richtlijn allerminst het geval.
31.
De tweede klacht van de Commissie is derhalve eveneens gegrond.
IV – Conclusie
32.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging
- –
- vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje door de artikelen 5 en 6, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april
1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten niet volledig in nationaal recht om te zetten, de krachtens
het Verdrag en deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- –
- het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.
- 1 –
- Oorspronkelijke taal: Nederlands.
- 2 –
- PB L 95, blz. 29.
- 3 –
- Ley 7/1998, de 13 de abril, sobre Condiciones Generales de la Contratacíon, Boletin Oficial del Estado nr. 89, van 14 april 1998, blz. 12304.
- 4 –
- Ley General 26/1984, de 19 de julio, para la Defensa de los Consumidores y Usarios, Boletin Oficial del Estado nr. 176, van 24 juli, blz. 21686.
- 5 –
- Zie onder meer de arresten van 30 mei 1991 (C‑361/88, Commissie/Duitsland, Jurispr. blz. I‑2567, punt 15), en van 11 augustus
1995 (C‑433/93, Commissie/ Duitsland, Jurispr. blz. I‑2303, punt 18).
- 6 –
- Arrest van 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C‑144/99, Jurispr. blz. I‑3541, punt 21).
- 7 –
- Arresten van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C‑240/98–C‑244/98, Jurispr. blz. I‑4941, punt 27),
en van 24 januari 2002, Commissie/ Italië (C‑372/99, Jurispr. blz. I‑819, punten 14 en 15).
- 8 –
- Aangehaald in voetnoot 6.