Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62002TO0334

Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 2 december 2003.
Viomichania Syskevasias Typopoiisis Kai Syntirisis Agrotikon Proïonton AE tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
EOGFL - Verbetering van voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten - Verzoek om intrekking van communautaire financiële bijstand - Stilzitten van Commissie - Beroep wegens nalaten.
Zaak T-334/02.

Jurisprudentie 2003 II-05121

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2003:323

Ordonnance du Tribunal

Zaak T-334/02


Viomichania Syskevasias Typopoiisis kai Syntirisis Agrotikon Proïonton AE
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen


«EOGFL – Verbetering van voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten – Verzoek om intrekking van communautaire financiële bijstand – Stilzitten van Commissie – Beroep wegens nalaten»

Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 2 december 2003
    

Samenvatting van de beschikking

1..
Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Verschoonbare dwaling – Begrip

2..
Beroep wegens nalaten – Natuurlijke of rechtspersonen – Nalaten dat vatbaar is voor beroep – Nalaten om procedure wegens niet-nakoming in te leiden – Niet-ontvankelijkheid

(Art. 226 EG en 232, derde alinea, EG)

1.
Met betrekking tot beroepstermijnen is een dwaling verschoonbaar wanneer zij voortvloeit uit een door de betrokken instelling zelf veroorzaakt misverstand en de verzoeker te goeder trouw is en alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht. cf. punt 35

2.
Een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep wegens nalaten, dat strekt tot vaststelling dat de Commissie, door te verzuimen tegen een lidstaat een procedure wegens niet nakoming in te leiden, in strijd met het Verdrag heeft nagelaten een beslissing te nemen, is niet-ontvankelijk. Natuurlijke of rechtspersonen kunnen zich immers slechts op artikel 232, derde alinea, EG beroepen om te doen vaststellen dat een instelling in strijd met het Verdrag heeft nagelaten handelingen, andere dan aanbevelingen of adviezen, te verrichten waarvan zij de potentiële adressaten zijn of die hen rechtstreeks en individueel zouden raken. In het kader van de door artikel 226 EG geregelde niet-nakomingsprocedure kan de Commissie evenwel uitsluitend handelingen verrichten die tot de lidstaten zijn gericht. Bovendien volgt uit het stelsel van artikel 226 EG dat noch het met reden omkleed advies, dat slechts een prealabel is voor de eventuele instelling van een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof, noch de adiëring van het Hof door de daadwerkelijke instelling van een dergelijk beroep een handeling kan zijn die natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks raakt. cf. punt 44




BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
2 december 2003 (1)


„EOGFL – Verbetering van voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten – Verzoek om intrekking van communautaire financiële bijstand – Stilzitten van Commissie – Beroep wegens nalaten”

In zaak T-334/02,

Viomichania Syskevasias Typopoiisis kai Syntirisis Agrotikon Proïonton AE, gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door I. Stamoulis, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een beroep strekkende tot vaststelling krachtens artikel 232 EG dat de Commissie nalatig is geweest door enerzijds geen niet-nakomingsprocedure in te leiden tegen de Helleense Republiek wegens een schending van het gemeenschapsrecht die de economische belangen van verzoekster heeft geschaad, en door anderzijds de financiële bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) die was toegekend ter cofinanciering van het investeringsproject van verzoekster als goedgekeurd bij beslissing nr. 324986/505 van de Griekse autoriteiten van 17 februari 1994, niet ex tunc in te trekken,

geeft



HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),



samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, M. Jaeger en F. Dehousse, rechters,

griffier: H. Jung,

de navolgende



Beschikking



Feitelijk en procedureel kader

1
De naamloze vennootschap Viomichania Syskevasias Typopoiisis kai Syntirisis Agrotikon Proïonton AE is een Griekse onderneming met als doel de productie, de verpakking, de standaardisering, de conservering en de verkoop van groenten en fruit. Zij is opgericht op grond van een verbeteringsplan dat is opgesteld op basis van verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten (PB L 51, blz. 1), met het oog op cofinanciering door de Europese Gemeenschap en de Griekse Staat.

2
Vervolgens heeft verzoekster overeenkomstig verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB L 91, blz. 1) een investeringsproject aan de Griekse autoriteiten voorgelegd met het oog op de verbetering van de installaties en de voorzieningen voor de verwerking van groenten en fruit. Dit project werd gevoegd bij de investeringsprojecten die door de Helleense Republiek waren ingediend in het kader van haar aanvraag om bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voor het operationeel programma ter verwerking en afzet van landbouwproducten in Griekenland (92.CT.EL.03). Bij beschikking van 24 november 1992 heeft de Commissie de aanvraag van de Griekse autoriteiten goedgekeurd.

3
Het project van verzoekster werd in september 1993 afgerond en bij beslissing nr. 324986/505/17-2-94 van de secretaris-generaal van het ministerie van Landbouw door de Griekse autoriteiten goedgekeurd. Dit project met een kostprijs van 243 738 000 Griekse drachmen (GRD) werd gecofinancierd door de Europese Gemeenschap en de Griekse Staat onder de volgende modaliteiten: 85 308 000 GRD ten laste van het EOGFL, 24 373 000 GRD ten laste van de Griekse Staat en 134 057 000 GRD ten laste van de begunstigde.

4
In november 1994, toen verzoekster haar activiteiten opstartte, hebben de Griekse autoriteiten ministerieel besluit nr. 10/94 betreffende de ordening van de markten en besluit nr. A2-2330/26-6-95 betreffende onder meer de voorwaarden voor de huur van een winkel op de centrale markt van Athene, vastgesteld. Deze besluiten hebben de commerciële activiteiten van verzoekster ernstig belemmerd en zelfs teniet gedaan.

5
Deze situatie duurde voort totdat, na talloze bij het Griekse ministerie van Landbouw ingediende klachten, een door dit ministerie ingestelde commissie concludeerde dat de betrokken ministeriële besluiten aan talloze ondernemingen schade toebrachten. Bijgevolg hebben de Griekse autoriteiten beslissingen vastgesteld die de toegang tot de centrale markt van Athene moesten vergemakkelijken en waarbij de betrokken besluiten werden herroepen. Vanaf augustus 1998 kreeg verzoekster uiteindelijk toegang tot de centrale markt van Athene.

6
Op grond van een en ander heeft verzoekster bij de Dioikitiko Protodikeio Athinon (administratieve rechter in eerste aanleg te Athene) beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige handelingen van de Griekse Staat. Deze rechterlijke instantie heeft het beroep toegewezen en geconcludeerd dat de Griekse Staat aansprakelijk was.

7
Parallel hieraan heeft verzoekster tal van verzoekschriften, klachten en verzoeken om hulp aan de communautaire instellingen gericht, naar aanleiding waarvan deze instellingen diverse malen in actie zijn gekomen en hebben geantwoord.

8
In het bijzonder in 2001 en 2002 heeft zij verschillende verzoekschriften aan het Europees Parlement gericht.

9
Zij heeft eveneens op respectievelijk 23 november 2001, 18 februari en 30 maart 2002 officiële klachten neergelegd bij het met landbouwvraagstukken belaste Commissielid.

10
Aangezien zij ─ in haar ogen ─ geen afdoende antwoord kreeg, heeft verzoekster bij schrijven van 20 mei 2002 de Commissie in gebreke gesteld. Deze brief was eveneens gericht aan de Rekenkamer en aan het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF). In deze brief verweet zij de Commissie in wezen geen beroep wegens niet-nakoming tegen de Helleense Republiek te hebben ingesteld en in haar antwoordbrieven te hebben verklaard dat de zaak tot de bevoegdheid van de Griekse rechter behoorde.

11
Bij schrijven van 14 juni 2002 heeft Silva Rodriguez, directeur-generaal van het directoraat-generaal Landbouw, hierop geantwoord als volgt: Commissaris Fischler heeft mij gevraagd u te danken voor uw schrijven van 24 mei 2002, waarmee u uw voornemen kenbaar maakt om een beroep wegens nalaten in te stellen tegen de Commissie teneinde haar ertoe te bewegen een procedure wegens niet-nakoming tegen de Griekse autoriteiten in te leiden in het kader van uw geschil met deze laatste. Ik moet u eraan herinneren dat de Commissie volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie bijvoorbeeld arrest Star Fruit Company/Commissie, 247/87) niet verplicht is om een procedure wegens niet-nakoming in te leiden tegen een lidstaat en dat zij op dit punt over een 'discretionaire bevoegdheid beschikt, waardoor het is uitgesloten dat particulieren het recht zouden hebben om van haar te eisen dat zij een bepaald standpunt inneemt'. In deze omstandigheden kan ik niet anders dan het reeds door de diensten van de Commissie geformuleerde standpunt herhalen volgens hetwelk het de met de zaak belaste Griekse gerechtelijke instanties zijn die soeverein moeten oordelen over de hoogte van de schadevergoeding die in voorkomend geval door de Griekse autoriteiten aan uw cliënt moet worden betaald.

12
Bij schrijven van 12 september 2002 heeft bovendien OLAF geantwoord op de verschillende brieven van verzoekster. Het heeft enerzijds benadrukt dat het niet bevoegd was om kennis te nemen van deze zaak en anderzijds dat, gelet op de verstreken termijn, verzoekster zich kon wenden tot de Europese Ombudsman.

13
Bij op 28 oktober 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster ten slotte het onderhavige beroep ingesteld.

14
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2003, heeft verweerster krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft op 13 maart 2003 haar opmerkingen over deze exceptie neergelegd.

Conclusies

15
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

vast te stellen dat verweerster nalatig is geweest door de bijstand die door het EOGFL is toegekend ter cofinanciering van haar investeringsproject, niet in te trekken;
vast te stellen dat verweerster nalatig is geweest door de bijstand die door het EOGFL is toegekend ter cofinanciering van haar investeringsproject, niet in te trekken;

vast te stellen dat verweerster nalatig is geweest door geen procedure wegens niet-nakoming in te leiden tegen de Helleense Republiek;
vast te stellen dat verweerster nalatig is geweest door geen procedure wegens niet-nakoming in te leiden tegen de Helleense Republiek;

verweerster te verwijzen in de kosten
verweerster te verwijzen in de kosten

16
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.
verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

17
Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.

18
Het Gerecht is van oordeel dat de processtukken in casu voldoende gegevens bevatten en dat niet tot de mondelinge behandeling behoeft te worden overgegaan.

Argumenten van partijen

19
Verweerster voert in de eerste plaats aan dat het beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk is, aangezien zij bij schrijven van 14 juni 2002 heeft geantwoord op de uitnodiging tot handelen die verzoekster bij schrijven van 20 mei 2002 tot haar richtte.

20
In de tweede plaats is zij van mening dat het beroep te laat is ingesteld. Zij merkt op dat het beroep is ingesteld op 28 oktober 2002, terwijl het schrijven van verzoekster van 20 mei 2002, dat een uitnodiging tot handelen vormde, was toegezonden op 22 mei 2002.

21
Ten slotte herinnert zij eraan dat volgens vaste rechtspraak natuurlijke of rechtspersonen zich op grond van artikel 232, derde alinea, EG slechts tot het Hof van Justitie kunnen wenden om te doen vaststellen dat een van de instellingen in strijd met het Verdrag heeft nagelaten een handeling, niet zijnde een aanbeveling of advies, te verrichten waarvan zij de potentiële adressaten zijn of waartegen zij met een beroep tot nietigverklaring kunnen opkomen (zie onder meer beschikking Gerecht van 4 juli 1994, Century Oils Hellas/Commissie, T-13/94, Jurispr. blz. II-431). Zij is evenwel van mening dat deze voorwaarde in casu niet is vervuld, daar verzoekster haar in feite verwijt dat zij nagelaten heeft een procedure wegens niet-nakoming tegen de Helleense Republiek in te leiden. Deze voorwaarde is evenmin vervuld voor wat betreft het verzoek tot inleiding van de procedure van artikel 23 van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1). Om te beginnen betreft deze bepaling immers uitsluitend de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaat, alsook de verplichtingen van deze laatste jegens de Commissie. Vervolgens doet deze bepaling geen enkel recht ontstaan ten gunste van de onderneming dat door deze laatste kan worden ingeroepen om van de Commissie een handeling af te dwingen die haar rechtstreeks en individueel raakt. Ten slotte bevatte de ingebrekestelling van 22 mei 2002 geen uitnodiging tot handelen in die zin.

22
Verzoekster betwist dat haar beroep niet-ontvankelijk zou zijn.

23
Ten eerste voert zij aan dat de vaste rechtspraak met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van beroepen tot vaststelling dat verweerster nalatig is geweest door geen procedure wegens niet-nakoming in de zin van artikel 226 EG in te leiden, niet toepasselijk is op de onderhavige zaak. In casu wordt de discretionaire bevoegdheid van verweerster namelijk beperkt door drie vereisten die haar verplichten in te grijpen en onmiddellijk op te treden. In de eerste plaats moet verweerster als communautaire instelling de grondrechten van verzoekster respecteren die worden gewaarborgd door het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1) ─ met name de vrijheid van beroep (artikel 15), de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), het recht op eigendom (artikel 17), de gelijkheid voor de wet en de beginselen van behoorlijk bestuur en non-discriminatie ─ en haar bijgevolg te hulp komen, aangezien zij heeft erkend dat de Griekse overheid haar onmenselijk behandelde. In de tweede plaats is verweerster overeenkomstig artikel 280 EG ertoe gehouden de financiële belangen van de Europese Gemeenschap te beschermen en mag zij daarom haar discretionaire bevoegdheid niet gebruiken om van de Griekse Staat niet de bedragen terug te vorderen die zijn betaald in het kader van de cofinanciering van een door haar goedgekeurd project. In de derde plaats moet verweerster, wanneer zij, zoals in casu, wordt ingelicht over onregelmatigheden die zijn begaan in het kader van een met communautaire middelen gecofinancierd project, volgens het beginsel van gelijke behandeling een beschikking tot intrekking van de financiële bijstand geven (zie onder meer arrest Hof van 24 januari 2002, Conserve Italia/Commissie, C-500/99 P, blz. I-867).

24
Ten tweede verwerpt zij het argument van verweerster dat het onderhavige beroep zonder voorwerp is geworden op grond dat het schrijven van 14 juni 2002 een standpuntbepaling bevat. Om te beginnen is het arrest van het Hof van 14 februari 1989, Star Fruit/Commissie (C-247/87, Jurispr. blz. 291), niet relevant, aangezien de omstandigheden van de zaak waarin dit arrest is gewezen, fundamenteel anders waren, nu het ging om een verzoek tot intrekking van een door de Franse Republiek vastgestelde regelgevende handeling die de verzoekende partij niet raakte. Vervolgens is de in deze brief vervatte aanbeveling van verweerster om zich tot de Griekse gerechtelijke instanties te wenden, onbegrijpelijk, aangezien deze instanties noch de naleving van het gemeenschapsrecht, noch de uitlegging ervan, noch de toepassing ervan waarborgen. Ten slotte is de brief van 14 juni 2002 hoogstens een informatieve brief, maar in geen geval een beschikking tot weigering.

25
Ten derde heeft verweerster een drievoudige inbreuk op het gemeenschapsrecht begaan door verzoekster in haar brief van 14 juni 2002 aan te raden zich tot de nationale rechterlijke instanties te wenden in plaats van tot de communautaire rechter. In de eerste plaats heeft zij artikel 220 EG geschonden, dat de communautaire rechterlijke instanties de exclusieve bevoegdheid toekent om de eerbiediging van het gemeenschapsrecht te verzekeren en dat in casu toepasselijk is, aangezien de begane inbreuk betrekking heeft op artikel 23 van verordening nr. 4253/88, artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van verordening nr. 4253/88 (PB L 193, blz. 20), de artikelen 5 EG en 34 EG evenals op het beginsel van uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht. In de tweede plaats was haar standpuntbepaling ontoereikend. In de derde plaats heeft zij verzoekster de bescherming van haar grondrechten ontzegd.

26
Ten slotte wijst verzoekster de bewering van verweerster van de hand dat haar beroep te laat is ingesteld.

27
Om te beginnen tonen de omstandigheden van het geval aan dat zij een verschoonbare dwaling heeft begaan die de overschrijding van de toepasselijke termijnen rechtvaardigt. Zij heeft zich namelijk met brieven van 18 februari en 30 maart 2002 tot het voor landbouwvraagstukken bevoegde Commissielid gericht om de frauduleuze handelingen van de Griekse autoriteiten aan de kaak te stellen. De secretaris-generaal van de Commissie heeft haar bij schrijven van 23 april 2002 laten weten dat haar brief van 23 november 2001 als klacht met nr. 02/4436 SG(2002) A 3934/1 was geregistreerd. Vervolgens heeft zij de Commissie bij schrijven van 20 mei 2002 verzocht om op grond van artikel 232 EG te handelen en deze laatste heeft hierop bij schrijven van 14 juni 2002 geantwoord. Voorts heeft de voorzitter van de commissie verzoekschriften van het Europees Parlement haar bij schrijven van 18 juni 2002 meegedeeld dat haar verzoekschrift ontvankelijk was en heeft de Rekenkamer haar in antwoord op haar brieven van 20 mei, 24 juni en 28 juli 2002 bij schrijven van 15 juli 2002 meegedeeld dat haar dossier door de bevoegde afdeling van haar administratie zou worden onderzocht. Overigens heeft het lid van het Europees Parlement Alavanos op 8 juli 2002 een schriftelijke vraag aan verweerster gesteld en heeft deze laatste in haar antwoord van 20 september 2002 benadrukt dat zij geen officieel antwoord van de Griekse autoriteiten had ontvangen, dat de klacht van 18 februari 2002 en het verzoekschrift nr. 1075/2001 nog steeds in behandeling waren en dat het hoe dan ook aan de Griekse rechterlijke instanties stond om uitspraak te doen in het geschil dat bij hen aanhangig was gemaakt. Ten slotte heeft OLAF haar op 12 september 2002 in antwoord op haar verschillende brieven aangeraden zich tot de Europese Ombudsman te wenden.

28
Volgens verzoekster volgt uit deze feitelijke omstandigheden dat zij een verschoonbare dwaling heeft begaan inzake de werkelijke inhoud van het schrijven van de Commissie van 14 juni 2002 en dat deze dwaling drieledig is. Ten eerste was het op grond van de dubbelzinnige bewoordingen van de brief van 14 juni 2002 niet mogelijk te achterhalen dat het een weigeringsbesluit betrof. Ten tweede had verweerster volledig kennis van de feitelijke omstandigheden op grond waarvan zij het vermeende standpunt in het schrijven van 14 juni 2002 heeft ingenomen, zodat het niet nodig was om de klacht van 18 februari 2002 verder te behandelen, indien zij de intentie had om een duidelijke weigering te formuleren op haar uitnodiging tot handelen. Ten derde kon geen enkel verband worden gelegd tussen de brief van 14 juni 2002 en de overige ontvangen brieven.

29
Wegens deze verschoonbare dwaling heeft zij het beroep te laat ingesteld. Zij heeft het beroep van 28 oktober 2002 namelijk ingesteld omdat zij van oordeel was dat de brief van 14 juni 2002 haar probleem te oppervlakkig behandelde. Deze vertraging, die de toepasselijke termijn slechts met 33 dagen overschrijdt, is redelijk. De aanmaningsbrief is immers op 24 mei 2002 verstuurd en 25 juli 2002 was dan ook de uiterste datum voor een standpuntbepaling van de Commissie. Daarom is de beroepstermijn op 25 september 2002 verstreken.

30
Ten slotte heeft de Commissie op 20 september 2002 op de schriftelijke vraag van het lid van het Europees Parlement Alavanos van 8 juli 2002, die de Commissie gevraagd heeft wat zij van plan was in dit dossier te doen, geantwoord dat zij geen officieel antwoord heeft ontvangen van de Griekse autoriteiten, zodat zij niet kan bevestigen of een procedure is ingeleid teneinde de voortzetting van de activiteiten van verzoekster te waarborgen, maar dat er regelmatig contact met het Griekse ministerie van Landbouw wordt onderhouden. Zij heeft hieraan toegevoegd dat zij hoe dan ook van mening was dat het aan de Griekse rechterlijke instanties stond om uitspraak te doen in het geschil dat bij hen aanhangig is gemaakt. Dit antwoord, dat 96 dagen na de brief van 14 juni 2002 werd gegeven, vormt in werkelijkheid een intrekking hiervan, aangezien de Commissie hierin verduidelijkt dat de behandeling van de klacht wordt voortgezet, zonder te verwijzen naar het standpunt dat zij heeft ingenomen in de brief van 14 juni 2002.

Beoordeling door het Gerecht

31
In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep zal het Gerecht eerst verweersters argumenten inzake de laattijdigheid van het beroep onderzoeken en vervolgens de argumenten inzake het ontbreken van een verplichting tot handelen.

32
Overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG moet het beroep wegens nalaten worden ingesteld binnen een termijn van twee maanden die begint te lopen bij het verstrijken van de termijn van twee maanden waarbinnen verweerster haar standpunt had moeten bepalen na een uitnodiging tot handelen.

33
In casu staat tussen partijen vast dat het onderhavige beroep, dat is ingesteld bij op 28 oktober 2002 ter griffie neergelegd verzoekschrift, de in artikel 232, tweede alinea, EG voorziene termijn niet naleeft, aangezien de uitnodiging tot handelen is verstuurd op 22 mei 2002.

34
Ter rechtvaardiging van de te late instelling van haar beroep voert verzoekster echter aan dat zij een verschoonbare dwaling heeft begaan.

35
Volgens vaste rechtspraak is een dwaling verschoonbaar wanneer zij voortvloeit uit een door de betrokken instelling zelf veroorzaakt misverstand en de verzoeker te goeder trouw is en alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht (zie onder meer arrest Hof van 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en ECB, C-193/01 P, Jurispr. blz. I-4837, punt 25).

36
In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, rechtvaardigt echter noch de brief van 14 juni 2002, noch de brief van OLAF van 12 september 2002, waarin haar wordt aangeraden zich te wenden tot de Europese Ombudsman, noch het antwoord van verweerster op de schriftelijke vraag van Alavanos de conclusie dat het beroep te laat is ingesteld als gevolg van een verschoonbare dwaling harerzijds.

37
Om te beginnen moet worden benadrukt dat de brief van 14 juni 2002 een standpuntbepaling van verweerster vormt. In deze brief heeft verweerster namelijk te kennen gegeven dat verzoekster, ongeacht verweersters houding in onderhavige zaak, niet gerechtigd was van haar een standpuntbepaling in een welbepaalde zin te eisen, aangezien zij over een discretionaire bevoegdheid beschikt wat de inleiding van een niet-nakomingsprocedure betreft. Ook stond het volgens haar aan de Griekse rechterlijke instanties om uitspraak te doen in het geschil dat bij hen aanhangig was gemaakt. Met dit antwoord heeft verweerster verzoekster duidelijk meegedeeld dat zij niet van plan was in de door verzoekster gewenste zin te antwoorden.

38
Zelfs wanneer er, zoals verzoekster aanvoert, van uitgegaan wordt dat het op grond van de dubbelzinnige bewoordingen van de brief van 14 juni 2002 niet mogelijk was te achterhalen dat het een standpuntbepaling van verweerster betrof, dan nog kon dit niet de oorzaak zijn van de door verzoekster begane dwaling inzake het aanvangstijdstip van de beroepstermijn. Indien verzoekster namelijk van mening was dat deze brief geen standpuntbepaling vormde, dan had zij haar beroep moeten instellen binnen de termijn van twee maanden voorzien in artikel 232, tweede alinea, EG.

39
Eveneens ten onrechte beroept verzoekster zich op OLAF's brief van 12 september 2002. Volgens verzoekster zelf is dit schrijven namelijk geen antwoord op haar brief van 20 mei 2002 en de hierin vervatte uitnodiging tot handelen, maar een antwoord op de brieven van 30 mei, 4 juli, 16 juli, 31 juli, 6 augustus en 14 augustus 2002 die zij aan OLAF heeft gericht (zoals blijkt uit punt 4.13 van de opmerkingen en de verwijzing in de brief van OLAF). In deze brief verduidelijkt OLAF weliswaar dat deze klacht zal worden doorgestuurd naar de bevoegde directoraten voor landbouw en mededinging, die hiervan op de hoogte zijn en die waarschijnlijk een onderzoek verrichten. Uit de gebruikte bewoordingen (in het bijzonder de term waarschijnlijk) blijkt evenwel dat het louter een veronderstelling van OLAF betreft en geen definitieve vaststelling. Gezien zijn taken en zijn onafhankelijkheid van de Commissie, was OLAF bovendien duidelijk niet bevoegd om tegenover een derde de staat van de werkzaamheden van de Commissie vast te stellen, laat staan om deze laatste op dit punt te verbinden.

40
Ten slotte moet worden vastgesteld dat verweersters antwoord van 20 september 2002 op de door het lid van het Europees Parlement Alavanos gestelde schriftelijke vraag E-2108/02 (PB 2003, C 52, blz. 130) evenmin de conclusie rechtvaardigt dat er sprake was van een verschoonbare dwaling bij verzoekster. Dit antwoord bevat immers geen enkele verwijzing naar de in het schrijven van 20 mei 2002 vervatte uitnodiging tot handelen. Het enkele feit dat in de tweede alinea van dit antwoord wordt verduidelijkt dat [...] de klacht van 18 februari 2002 die is ingediend door de betrokken bedrijfsleider, de heer Barakakos, en zijn verzoekschrift nr. 1075/2001 [ondertussen] onderzocht [worden] volgens de geldende procedures, kan geen reden zijn voor welk misverstand dan ook bij verzoekster. In dit antwoord wordt immers verduidelijkt dat de klacht van 18 februari 2002 nog onderzocht wordt, en niet de uitnodiging tot handelen van 20 mei 2002.

41
Uit een en ander volgt dat het onderhavige middel van niet-ontvankelijkheid gegrond is.

42
Ten overvloede moet worden opgemerkt dat het onderhavige beroep eveneens niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een verplichting tot handelen voor verweerster.

43
Hierbij zij eraan herinnerd dat verzoekster in het kader van onderhavig beroep verweerster enerzijds verwijt dat zij de in artikel 226 EG voorziene procedure niet heeft ingeleid tegen de Helleense Republiek en anderzijds dat zij de op verzoek van de Griekse autoriteiten toegekende financiële bijstand van het EOGFL niet heeft ingetrokken.

44
Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep wegens nalaten dat strekt tot vaststelling dat de Commissie, door te verzuimen tegen een lidstaat een procedure wegens niet-nakoming in te leiden, in strijd met het Verdrag heeft nagelaten een besluit te nemen, niet-ontvankelijk (zie bijvoorbeeld het in punt 24 aangehaalde arrest Star Fruit/Commissie). Natuurlijke of rechtspersonen kunnen zich immers slechts op artikel 232, derde alinea, EG beroepen om te doen vaststellen dat een instelling in strijd met het Verdrag heeft nagelaten handelingen, andere dan aanbevelingen of adviezen, te verrichten waarvan zij de potentiële adressaten zijn of die hen rechtstreeks en individueel zouden raken (arrest Hof van 26 november 1996, T. Port, C-68/95, Jurispr. I-6065, punten 58 en 59). In het kader van de door artikel 226 EG geregelde niet-nakomingsprocedure kan de Commissie uitsluitend handelingen verrichten die tot de lidstaten zijn gericht (beschikkingen Gerecht van 29 november 1994, Bernardi/Commissie, T-479/93 en T-559/93, Jurispr. blz. II-1115, punt 31, en 19 februari 1997, Intertronic/Commissie, T-117/96, Jurispr. blz. II-141, punt 32). Bovendien volgt uit het stelsel van artikel 226 EG dat noch het met redenen omkleed advies, dat slechts een prealabel is voor de eventuele instelling van een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof, noch de adiëring van het Hof door de daadwerkelijke instelling van een dergelijk beroep een handeling kan zijn die natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks raakt.

45
Hieruit volgt dat de vordering van verzoekster tot vaststelling dat verweerster in strijd met het Verdrag heeft nagelaten een besluit te nemen door geen procedure wegens niet-nakoming tegen de Helleense Republiek in te leiden, kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

46
Met betrekking tot verzoeksters vordering tot vaststelling dat verweerster heeft nagelaten een besluit te nemen door de verleende financiële bijstand niet in te trekken, moet worden vastgesteld dat de brief van 20 mei 2002 geen uitnodiging tot handelen in die zin bevatte. Hieruit volgt dat deze vordering niet ontvankelijk is.

47
Bovendien, en ten overvloede, kan uit artikel 23 van verordening nr. 4253/88 geen enkele verplichting tot handelen voor verweerster worden afgeleid, zelfs indien de brief van 20 mei 2002 als een uitnodiging tot handelen in die zin zou kunnen worden uitgelegd. Artikel 23 bepaalt immers dat de lidstaten, teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, de nodige maatregelen nemen om regelmatig te verifiëren dat de door de Europese Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, en om door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Het bepaalt voorts dat, behalve indien de lidstaat en/of de tussenpersoon en/of de projectontwikkelaar het bewijs leveren/levert dat het misbruik of de nalatigheid hun/hem niet kan worden aangerekend, de lidstaat subsidiair aansprakelijk is voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. Hieruit volgt dat, gesteld dat een verplichting tot handelen uit deze bepaling kan worden afgeleid, die verplichting niet op verweerster rust, maar op de lidstaten. Artikel 24, lid 2, van verordening nr. 2082/93, waarnaar verzoekster verwijst in haar stukken, bepaalt dat de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel [kan] verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht. Dit artikel bepaalt dus dat de intrekking of de schorsing van de bijstand een bevoegdheid en geen verplichting voor verweerster is (zie, met betrekking tot een gelijkaardige bepaling, arrest Gerecht van 12 oktober 1999, Conserve Italia/Commissie, T-216/96, Jurispr. blz. II-3139, punt 92, bevestigd door arrest Hof van 24 januari 2002, Conserve Italia/Commissie, C-500/99 P, Jurispr. blz. I-867). Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat verordening nr. 4253/88, waarnaar verzoekster verwijst, met ingang van 1 januari 2000 is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB L 161, blz. 1).

48
Uit al het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere door verweerster aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid.


Kosten

49
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij conform verweersters vordering in de kosten worden verwezen.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)

beschikt:

1)
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)
Verzoekster zal haar eigen kosten dragen en die van de Commissie.

Luxemburg, 2 december 2003.

De griffier

De president van de Derde kamer

H. Jung

J. Azizi


1
Procestaal: Grieks.

Top