This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62002CJ0077
Judgment of the Court (Sixth Chamber) of 11 September 2003. # Erika Steinicke v Bundesanstalt für Arbeit. # Reference for a preliminary ruling: Verwaltungsgericht Sigmaringen - Germany. # Social policy - Equal treatment for men and women - Scheme of part-time work for older employees - Directive 76/207/EEC - Indirect discrimination - Objective justification. # Case C-77/02.
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 september 2003.
Erika Steinicke tegen Bundesanstalt für Arbeit.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Sigmaringen - Duitsland.
Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Stelsel van deeltijdarbeid voor oudere werknemers - Richtlijn 76/207/EEG - Indirecte discriminatie - Objectieve rechtvaardiging.
Zaak C-77/02.
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 september 2003.
Erika Steinicke tegen Bundesanstalt für Arbeit.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Sigmaringen - Duitsland.
Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Stelsel van deeltijdarbeid voor oudere werknemers - Richtlijn 76/207/EEG - Indirecte discriminatie - Objectieve rechtvaardiging.
Zaak C-77/02.
Jurisprudentie 2003 I-09027
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2003:458
«Sociale politiek – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Stelsel van deeltijdarbeid voor oudere werknemers – Richtlijn 76/207/EEG – Indirecte discriminatie – Objectieve rechtvaardiging»
|
I - 0000 | |||
|
I - 0000 | |||
(Richtlijn 76/207 van de Raad, art. 2, lid 1, en 5, lid 1)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
11 september 2003 (1)
„Sociale politiek – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Stelsel van deeltijdarbeid voor oudere werknemers – Richtlijn 76/207/EEG – Indirecte discriminatie – Objectieve rechtvaardiging”
In zaak C-77/02, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen Erika Steinickeen
Bundesanstalt für Arbeit, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 141 EG en de richtlijnen 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19), 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40) en 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9),wijstHET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2003,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Sigmaringen bij beschikking van 10 december 2001 gestelde vraag, verklaart voor recht:|
Puissochet |
Schintgen |
Skouris |
|
Macken |
Cunha Rodrigues |
|
|
De griffier |
De president van de Zesde kamer |
|
R. Grass |
J.-P. Puissochet |