This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61994TO0156
Order of the President of the Court of First Instance of 25 August 1994. # Siderúrgica Aristrain Madrid SL v Commission of the European Communities. # Competition - ECSC Treaty - Procedure for interim relief - Suspension of operation of a measure - Interim measures. # Case T-156/94 R.
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 25 augustus 1994.
Siderúrgica Aristrain Madrid SL tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Mededinging - EGKS-Verdrag - Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen.
Zaak T-156/94 R.
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 25 augustus 1994.
Siderúrgica Aristrain Madrid SL tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Mededinging - EGKS-Verdrag - Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen.
Zaak T-156/94 R.
Jurisprudentie 1994 II-00715
ECLI identifier: ECLI:EU:T:1994:97
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN 25 AUGUSTUS 1994. - SIDERURGICA ARISTRAIN MADRID SL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - EGKS-VERDRAG - PROCEDURE IN KORT GEDING - OPSCHORTING TENUITVOERLEGGING - VOORLOPIGE MAATREGELEN. - ZAAK T-156/94 R.
Jurisprudentie 1994 bladzijde II-00715
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van beschikking waarbij geldboete wordt opgelegd ° Voorwaarden ° Zekerheidstelling ° Toelaatbaarheid ° Grenzen ° Erkenning door Commissie van gedeelde aansprakelijkheid tussen twee ondernemingen van eenzelfde groep en aankondiging van wijziging van beschikking waarbij met verdeling rekening wordt gehouden ° Vermindering van te garanderen bedrag
(EGKS-Verdrag, art. 39, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
De rechter in kort geding dient de gedeeltelijke opschorting te gelasten van de verplichting van de verzoekende onderneming een bankgarantie te stellen tot waarborg van de betaling van een haar opgelegde geldboete, wanneer die onderneming bij brief van het bevoegde lid van de Commissie is meegedeeld, dat de beschikking waarbij haar die geldboete wordt opgelegd, zal worden gewijzigd, en overigens de voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging in verband met de "fumus boni juris" en de spoedeisendheid als vervuld kunnen worden beschouwd.
Wanneer de Commissie overweegt het bedrag van de wegens schending van de mededingingsregels van het Verdrag opgelegde geldboete te verdelen tussen deze onderneming en een andere die tot dezelfde ijzer- en staalgroep behoort en ook heeft deelgenomen aan de concurrentiebeperkende gedragingen waarvoor de sanctie is opgelegd, lijkt het namelijk niet meer gerechtvaardigd, dat de verzoekende onderneming in afwachting van de aangekondigde wijziging van de beschikking een zekerheid stelt die het totale bedrag van de betrokken geldboete dekt, voor zover het door verzoekster te garanderen bedrag het belang van haar positie in de groep waarin de schendingen zijn gepleegd, overtreft.
In zaak T-156/94 R,
Siderúrgica Aristrain Madrid, SL, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Madrid, vertegenwoordigd door A. Creus en X. Ruiz, advocaten te Barcelona, en J. R. García-Gallardo, advocaat te Burgos, domicilie gekozen hebbende te Brussel ten kantore Cuatrecasas, Oudergemse laan 78,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en F. E. González Díaz, leden van haar juridische dienst, en door G. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal deskundige, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek, ertoe strekkende dat het Gerecht de opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3, 4 en 5 van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB 1994, L 116, blz. 1) gelast, voor zover verzoekster daarin een geldboete van 10,6 miljoen ECU wordt opgelegd wegens haar deelneming aan een aantal concurrentiebeperkende gedragingen; haar tot de uitspraak op het beroep in de hoofdzaak ontslaat van haar verplichting een bankgarantie te stellen ten gunste van de Commissie om de betaling te garanderen van het totaalbedrag van de litigieuze geldboete, of, subsidiair, het bedrag van deze garantie bepaalt en, als bewarende maatregel, de Commissie beveelt de geldboete niet in te vorderen vóórdat in het kort geding uitspraak is gedaan,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
De feiten
1 Blijkens de ingediende memories en de door partijen ter terechtzitting gegeven mondelinge toelichtingen kunnen de voornaamste feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, worden samengevat als volgt.
2 Op 16 februari 1994 gaf de Commissie op basis van artikel 65 EGKS-Verdrag een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat bepaalde Europese balkenproducenten hebben deelgenomen aan overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die verboden zijn krachtens deze bepaling van het Verdrag (beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten; PB 1994, L 116, blz. 1, hierna: "beschikking").
3 Hoewel de Commissie in de motivering van de beschikking van oordeel was, dat twee vennootschappen van de Spaanse groep Aristrain aan de betrokken inbreuken hadden deelgenomen, was de beschikking enkel tot de vennootschap Siderúrgica Aristrain Madrid, SL (hierna: "SAM, SL" of "verzoekster") gericht en werd alleen aan haar een geldboete van 10 600 000 ECU opgelegd.
4 Ingevolge artikel 5 van de beschikking moest de betrokken geldboete worden betaald binnen drie maanden na kennisgeving ervan aan de adressaat. Deze termijn liep af op 7 juni 1994. Aangezien de geldboete meer dan 20 000 ECU bedroeg, kon zij ook in vijf gelijke jaarlijkse termijnen worden betaald, waarbij de eerste moest worden betaald binnen dezelfde termijn van drie maanden, mits een bankgarantie werd gesteld die de hoofdsom en rente dekte. Uiterlijk op de datum waarop de termijn van drie maanden afliep, moest de betrokken onderneming de Commissie meedelen, welke wijze van betaling zij had gekozen.
5 Bij brief van 28 februari 1994 stelde de Commissie overeenkomstig een in 1981 vastgestelde gedragslijn SAM, SL ervan in kennis, dat geen enkele maatregel tot invordering van de geldboete zou worden genomen indien bij het Gerecht beroep tegen de beschikking zou worden ingesteld, op voorwaarde dat de onderneming een bankgarantie stelde ten gunste van de Commissie, die het volledige bedrag van de geldboete en de rente dekte voor de periode dat het geding aanhangig was.
6 Na contacten tussen vertegenwoordigers van de Commissie en de groep Aristrain in mei en juni 1994 liet K. Van Miert, het met het mededingingsbeleid belaste lid van de Commissie, bij brief van 22 juni 1994 aan SAM, SL weten, dat hij aan de Commissie zou voorstellen de beschikking in dier voege te wijzigen, dat zij ook tot Siderúrgica Aristrain Olaberría, SL (hierna SAO, SL), de zustervennootschap van SAM, SL, zou worden gericht. Volgens de brief zou de wijziging hierin bestaan, dat aan elk van deze twee vennootschappen van de groep Aristrain, naar evenredigheid van hun respectieve omzet, een geldboete zou worden opgelegd, waarvan het totaalbedrag gelijk zou zijn aan dat van de aan SAM, SL alleen opgelegde geldboete. Die wijziging werd overwogen nadat de juridisch adviseur van SAM, SL onder de aandacht van de diensten van de Commissie had gebracht, dat naar Spaans vennootschapsrecht een vennootschap niet met haar vermogen instaat voor de verplichtingen van een andere vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep.
Procedure
7 Bij een op 16 april 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft SAM, SL krachtens de artikelen 33 en 36 EGKS-Verdrag beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld, voor zover daarin wordt vastgesteld dat SAM, SL heeft deelgenomen aan bepaalde overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten, en haar een geldboete van 10 600 000 ECU wordt opgelegd.
8 Bij faxbericht van 7 juni 1994 heeft SAM, SL krachtens artikel 39 EGKS-Verdrag verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3, 4 en 5 van de beschikking, voor zover haar daarin een geldboete van 10,6 miljoen ECU wordt opgelegd. Verzoekster heeft de president van het Gerecht ook verzocht haar te ontslaan van de verplichting een bankgarantie te stellen om de eventuele betaling van de geldboete te garanderen, of subsidiair het bedrag van die garantie te bepalen, alsmede als bewarende maatregel de Commissie te gelasten niet over te gaan tot tenuitvoerlegging van de geldboete vóór de beslissing op het verzoek om voorlopige maatregelen.
9 De Commissie heeft haar opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend op 22 juni 1994. Partijen zijn in hun mondelinge toelichtingen gehoord op 5 juli 1994.
10 Ter terechtzitting heeft verzoekster verzocht een aantal stukken omtrent haar financiële situatie te mogen indienen, die volgens haar de zich reeds in het dossier bevindende bewijselementen versterken. Verweerster verklaarde, dat aangezien zij van die stukken vooraf geen kennis had, zij de gelegenheid wenste te hebben deze te onderzoeken en bij het Gerecht haar opmerkingen te maken. Onder deze omstandigheden heeft de rechter in kort geding, van mening dat aanvullende informatie nuttig was om het geschil te kunnen beslechten, SAM, SL uitgenodigd vóór 8 juli 1994 ter griffie van het Gerecht de stukken in te dienen die volgens haar relevant waren om het ernstige en onherstelbare karakter van de in haar verzoek om voorlopige maatregelen gestelde schade aan te tonen. Deze nieuwe elementen dienden voor dezelfde datum aan de Commissie te worden meegedeeld om deze in staat te stellen vóór 12 juli 1994 bij het Gerecht haar opmerkingen over deze stukken in te dienen.
11 Bij faxbericht van 8 juli 1994 heeft SAM, SL verscheidene stukken, alsook een toelichting omtrent haar financiële situatie en die van andere vennootschappen van de groep Aristrain in het dossier laten opnemen. Bij faxbericht van 12 juli 1994 heeft de Commissie haar opmerkingen ingediend over de door verzoekster ingediende stukken.
In rechte
12 Krachtens het bepaalde in artikel 39, tweede alinea, EGKS-Verdrag, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de aangevochten handeling gelasten of voorlopige maatregelen voorschrijven.
13 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de in artikel 39, tweede alinea, EGKS-Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede van de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter hebben in die zin, dat zij niet mogen vooruitlopen op de beslissing ten gronde (zie beschikking van de president van het Gerecht van 14 december 1993, zaak T-543/93, Gestevisión Telecinco, Jurispr. 1993, blz. II-1409, r.o. 16).
Argumenten van partijen
14 Om aan te tonen dat haar vorderingen op het eerste gezicht gegrond zijn, stelt verzoekster om te beginnen, dat de Commissie een algemeen beginsel, dat het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter garandeert, heeft geschonden, voor zover de vaststelling van de inbreuk en de oplegging van de desbetreffende geldboete uitgaan van het administratieve orgaan dat ook het onderzoek en de instructie van de procedure heeft geleid, en voor zover de rechterlijke controle van het Gerecht dit gebrek aan onpartijdigheid niet kan verhelpen. Het Gerecht neemt immers geen kennis van alle feitelijke vragen, noch van hetgeen onder de discretionaire bevoegdheid van de Commissie valt. Bij ontstentenis van een toetsing uit hoofde van een volledige rechtsmacht door het Gerecht wordt in het procedurele stelsel van het communautaire mededingingsrecht artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, alsook een door de grondwettelijke tradities van de Lid-Staten erkend algemeen beginsel geschonden.
15 Bovendien voert SAM, SL verscheidene argumenten aan, ontleend aan onjuiste toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag. Allereerst heeft de Commissie de uitleggingscriteria van artikel 85 EEG-Verdrag gebruikt, waardoor specifieke beginselen van het EGKS-Verdrag zijn miskend, alsook de feiten en de deelneming van de groep Aristrain aan de in de beschikking gelaakte uitwisseling van informatie verkeerd zijn beoordeeld. In de tweede plaats is de litigieuze geldboete berekend op basis van de totale omzet van de groep Aristrain, wat in strijd is met artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag, krachtens hetwelk alleen de omzet aan EGKS-produkten van SAM, SL in aanmerking mag worden genomen. In de derde plaats bedraagt de opgelegde geldboete in strijd met dezelfde verdragsbepaling meer dan 10 % van de jaaromzet van SAM, SL. Nog steeds volgens verzoekster is het bedrag van de geldboete berekend op basis van de wisselkoers peseta/ecu van 1990, zonder rekening te houden met de devaluaties van de peseta in 1992 en 1993, waardoor SAM, SL is benadeeld, aangezien het bedrag van de geldboete daardoor 22 % hoger is.
16 Verder betoogt verzoekster, dat de beschikking verschillende algemene rechtsbeginselen schendt. In de eerste plaats zijn de rechten van de verdediging geschonden door het gebrek aan duidelijkheid in de omschrijving van de draagwijdte van de aan SAM, SL ten laste gelegde inbreuken en in de juridische strekking van de haar opgelegde lasten. In de tweede plaats heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel geschonden, voor zover zij geen rekening heeft gehouden met enige specifieke omstandigheden van verzoekster, noch met in vergelijkbare zaken opgelegde sancties. In de derde plaats is de beschikking ontoereikend gemotiveerd, gelet op artikel 15 EGKS-Verdrag, en schendt zij ook het evenredigheidsbeginsel. Ten slotte heeft de Commissie niet met de nodige voortvarendheid gehandeld wat het verloop van de procedure en de vaststelling van haar eindbeschikking betreft.
17 Ter terechtzitting heeft verzoekster een afschrift overgelegd van voormelde brief van K. Van Miert (zie hierboven r.o. 6), waarin de ondertekenaar aankondigde, dat hij een wijziging van de beschikking zou voorstellen, zodat zij zou worden gericht tot de twee vennootschappen van de groep Aristrain, die aansprakelijk zijn naar evenredigheid van hun respectieve omzet. De Commissie, die aldus heeft erkend dat haar bevoegdheid de litigieuze geldboete te verhalen op het vermogen van SAM, SL is beperkt, zou dezelfde beperking eveneens in acht moeten nemen met betrekking tot de eis van zekerheidstelling.
18 Met betrekking tot de spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen betoogt verzoekster in wezen, dat de zekerheidstelling die door de Commissie wordt geëist om een onmiddellijke invordering van de geldboete te voorkomen wanneer beroep in rechte wordt ingesteld, een ondraaglijke financiële last vormt wegens de bijzondere omstandigheden in verband met haar financiële situatie, haar hoedanigheid van particuliere en familieonderneming, alsmede met het feit dat de opgelegde geldboete onevenredig is aan de grootte van de onderneming. Een dergelijke last belet verzoekster haar bedrijvigheid op een normale wijze voort te zetten en impliceert voor haar een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen in een sector die zich in een crisissituatie bevindt. SAM, SL betoogt, dat de banken waarmee zij handelsbetrekkingen onderhoudt, niet bereid zijn haar de voor deze zekerheidstelling benodigde extra kredieten te verlenen. Daar te verwachten is dat de aan SAM, SL toegekende kredieten ten gevolge van het stellen en de handhaving van de zekerheid zullen worden uitgeput, zal het lopende investeringsprogramma, dat onontbeerlijk is om haar levensvatbaarheid op een "oververzadigde markt met een sterke concurrentie" te verzekeren, ernstig in gevaar komen. De gestelde schade is ernstig en onherstelbaar, aangezien verzoekster, zelfs indien haar vorderingen in het beroep in de hoofdzaak door het Gerecht werden toegewezen, niet meer in staat zal zijn haar intussen verloren concurrentiepositie te herstellen. Uit dien hoofde voldoet verzoekster haars inziens aan de uitzonderlijke voorwaarden genoemd in de beschikking van de president van het Hof van 15 maart 1983 (zaak 234/82 R, Ferriere di Roè Volciano, Jurispr. 1983, blz. 725), waarbij de tenuitvoerlegging van een beschikking tot oplegging van een geldboete werd opgeschort, zonder dat vooraf zekerheid behoefde te worden gesteld.
19 Met betrekking tot de afweging van de betrokken belangen betoogt SAM, SL, dat de schade die zij lijdt ten gevolge van het stellen en de handhaving van een dure bankgarantie, onevenredig is aan het belang van een dergelijke garantie voor de Commissie. Volgens verzoekster zal het communautaire algemeen belang beter worden beschermd wanneer het haar mogelijk wordt gemaakt haar activiteiten op de markt voort te zetten, zodat zij in staat is de geldboete te zijner tijd te betalen indien het Gerecht aldus beslist.
20 Verweerster heeft in haar opmerkingen en ter terechtzitting van 5 juli 1994 haar voornemen bevestigd de beschikking te wijzigen. De Commissie verbindt daaraan evenwel geen enkel gevolg voor de verplichting van de groep Aristrain, op basis van de huidige beschikking een waarborg te stellen, die het totaalbedrag van de boete en de rente dekt totdat het Gerecht uitspraak zal hebben gedaan over het beroep in de hoofdzaak.
21 Zoals verweerster ter terechtzitting heeft verklaard, heeft de aangekondigde wijziging alleen tot doel, te verzekeren dat ook SAO, SL met haar vermogen zal instaan voor de betaling van de aan SAM, SL opgelegde boete, ingeval de geldboete voor een Spaanse rechter moet worden ingevorderd. De zekerheidstelling is een vrijwillige handeling, die de groep Aristrain kan verrichten om te voorkomen dat de betrokken geldboete onmiddellijk moet worden betaald of gerechtelijk ten uitvoer wordt gelegd. De twee vennootschappen vormen een enkele economische entiteit, die aansprakelijk is voor alle bij de beschikking aan de groep Aristrain verweten inbreuken. De beschikking werd tot SAM, SL gericht als "vertegenwoordigende" vennootschap van de groep. Een dergelijke praktijk levert over het algemeen geen moeilijkheden op, omdat de adressaat normaliter de moedervennootschap of dochter is van de andere aansprakelijke vennootschappen. De in casu aangevoerde moeilijkheden vloeien voort uit het feit dat de twee verantwoordelijke vennootschappen zustervennootschappen zijn.
22 Met betrekking tot de beweerdelijk te hoge geldboete herinnert de Commissie eraan, dat het bedrag van de geldboete, uitgaande van de omzet van SAM, SL in 1990, de bij artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag gestelde limiet van 10 % van de omzet niet overschrijdt.
23 Aangaande de spoedeisendheid is verweerster van oordeel, dat SAM, SL geenszins heeft bewezen, dat de door de Commissie gevraagde zekerheidstelling haar ernstige en onherstelbare schade zal berokkenen, "naast het offer dat noodzakelijkerwijs resulteert uit de oplegging van een boete van 10,6 miljoen ECU". Na onderzoek van de door verzoekster ingediende stukken betreffende de financiële situatie van de groep Aristrain, verklaart de Commissie ervan overtuigd te zijn, dat het voortbestaan van SAM, SL niet wordt bedreigd door de financiële last die voortvloeit uit het stellen en de handhaving van de zekerheid.
24 Bovendien beantwoordt verzoeksters situatie volgens de Commissie aan geen van de "uitzonderlijke omstandigheden" waarnaar wordt verwezen in de beschikking Ferriere di Roè Volciano (reeds aangehaald). Anders dan verzoekster heeft verklaard, is SAM, SL geen kleine onderneming, aangezien haar omzet 129 994 939 ECU bedroeg in 1990 en zij deel uitmaakt van een groep die de derde Europese producent van balken is. Tevens beklemtoont de Commissie, dat SAM, SL geen onderaannemer is, en het feit dat zij geen gediversifieerde produktie heeft, is volgens de recente rechtspraak van het Hof niet van belang. Bovendien heeft SAM, SL, aldus verweerster, niet aangetoond dat zij niet in staat is de betrokken zekerheid te stellen hetzij door extra kredieten van andere banken te verkrijgen, hetzij door de middelen van de groep Aristrain te gebruiken. Ten slotte beklemtoont de Commissie, dat de groep Aristrain over voldoende middelen beschikt om de volledige geldboete te betalen, hoewel deze aanwending van fondsen van invloed kan zijn op de geplande investeringen.
25 Aangaande de afweging van de betrokken belangen betoogt verweerster, dat de eis van zekerheidstelling "het door het communautaire algemeen belang vereiste minimum" vertegenwoordigt en een evenwicht verzekert tussen het algemeen belang en het particuliere belang van de ondernemingen die opkomen tegen beschikkingen waarbij hun een geldboete is opgelegd. De Commissie acht het, gelet op verzoeksters sterke economische en financiële positie, bijzonder ongerechtvaardigd om haar te ontslaan van de verplichting een waarborg te stellen.
Beoordeling door de rechter in kort geding
26 Met betrekking tot het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van de beschikking voor zover verzoekster daarin een geldboete wordt opgelegd, zij om te beginnen vastgesteld, dat de Commissie heeft verklaard, dat zij overeenkomstig haar gebruikelijke praktijk geen enkele maatregel tot invordering zal nemen ingeval een beroep bij het Gerecht wordt ingesteld, wanneer deze onderneming uiterlijk op de datum waarop de voor de betaling van de boete gestelde termijn verstrijkt, een bankgarantie stelt die de hoofdsom en de rente van de schuld dekt. Aangezien een dergelijk beroep is ingesteld, dient ervan te worden uitgegaan, dat het voorwerp van deze procedure in kort geding alleen betrekking heeft op het verzoek om bij wege van voorlopige maatregel geheel of gedeeltelijk te worden ontslagen van de verplichting een bankgarantie te stellen tot zekerheid van de betaling van het totaalbedrag van de betrokken geldboete totdat het geding in de hoofdzaak is beslecht.
27 Met betrekking tot het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3 van de beschikking, voor zover verzoekster wordt verplicht de in de beschikking genoemde inbreuken onverwijld te beëindigen en zich ervan te onthouden de betrokken handelingen of gedragingen te herhalen of voort te zetten, zij opgemerkt, dat SAM, SL geen enkele overweging rechtens of feitelijk aanvoert die dit verzoek kan staven. Het moet dus worden verworpen.
28 In die omstandigheden dient de rechter in kort geding na te gaan of, zoals vereist in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in casu is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de gevraagde voorlopige maatregel, te weten het ontslag van de verplichting een waarborg te stellen die het totaalbedrag van de geldboete dekt.
29 Ter zake heeft de heer Van Miert naar aanleiding van de opmerkingen van verzoeksters raadslieden over de aansprakelijkheidsregeling voor vennootschappen naar Spaans recht in zijn brief van 22 juni 1994 meegedeeld, dat hij zou "proponer a la Comisión la modificación de la decisión para dirigirla a ambas sociedades, Siderúrgica Aristrain Madrid SL y Siderúrgica Aristrain Olaberría SL, imponiéndoles una multa a cada una de ellas. Cada una de las multas estará en relación con el volumen de negocios para las vigas de cada una de las dos sociedades en el año 1990 de modo que la suma de las dos multas sea igual a la multa impuesta en la actualidad a Siderúrgica Aristrain Madrid SL." (aan de Commissie voorstellen de beschikking te wijzigen, in dier voege dat zij zal worden gericht tot de beide vennootschappen, Siderúrgica Aristrain Madrid, SL, en Siderúrgica Olaberría, SL, waarbij aan elk van die vennootschappen een geldboete wordt opgelegd. Elke geldboete zal evenredig zijn aan de door elke vennootschap in de loop van 1990 behaalde omzet voor balken, zodat de som van de twee geldboetes gelijk zal zijn aan het bedrag van de thans aan Siderúrgica Aristrain Madrid, SL, opgelegde boete).
30 In die omstandigheden lijkt het op het eerste gezicht niet meer gerechtvaardigd, dat de Commissie, ter voorkoming van de invordering van de betrokken geldboete, van verzoekster een zekerheid blijft eisen die het volledige bedrag ervan dekt.
31 Tot staving van haar beroep voert verzoekster verder een aantal argumenten aan, ontleend aan verkeerde toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag, of aan schending van bepaalde algemene rechtsbeginselen, welke op het eerste gezicht niet als kennelijk ongegrond zijn te beschouwen.
32 Gelet op al deze elementen dient bijgevolg een gedeeltelijke opschorting te worden gelast van de verplichting een waarborg te stellen, voor zover de opgelegde geldboete het belang van verzoeksters positie in de groep Aristrain te boven gaat, in afwachting dat de juridische situatie betreffende de omslag van de geldboete is opgehelderd.
33 Verzoekster heeft geen bewijselementen in het dossier doen opnemen, die de gestelde ernstige en onherstelbare schade overtuigend kunnen staven. Dienaangaande zij opgemerkt, dat SAM, SL tot een ijzer- en staalgroep behoort die de eerste Spaanse en de derde Europese producent van balken is, dat deze groep de laatste jaren veel heeft geïnvesteerd, waardoor zijn concurrentievermogen aanzienlijk is versterkt, en dat het voor het jaar 1994 voorziene overschot aan liquide middelen van de groep hoger lijkt dan de geraamde kosten van de betrokken bankgarantie. Toch kan niet worden uitgesloten, dat de betrokken financiële last verzoekster aanzienlijke schade kan berokkenen, in het bijzonder ingeval de kosten van het stellen en de handhaving van de zekerheid niet door de Commissie worden terugbetaald.
34 Hoewel het dossier onvoldoende gegevens bevat om het bedrag van de geldboetes te berekenen die aan elk van de twee vennootschappen van de groep Aristrain op basis van hun omzet van 1990 zullen kunnen worden opgelegd, lijkt het passend te gelasten, dat verzoekster, gelet op de voor de jaren 1992 en 1993 aangegeven omzet, niet een hogere bankgarantie behoeft te stellen dan 50 % van het bedrag van de litigieuze geldboete, totdat de Commissie de beschikking wijzigt, zoals zij heeft aangekondigd, dan wel in elk geval en uiterlijk tot de datum van uitspraak van het arrest van het Gerecht waardoor het geding in de hoofdzaak wordt beslecht.
35 Zo gezien, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het verzoek om de Commissie te gelasten geen maatregelen tot invordering van de betrokken geldboete te nemen vóórdat de rechter in kort geding uitspraak heeft gedaan.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Verzoeksters verplichting een bankgarantie te stellen ten gunste van de Commissie wordt opgeschort, voor zover het te garanderen bedrag hoger is dan 50 % van het bedrag van de aan verzoekster bij de beschikking opgelegde geldboete en rente, totdat de Commissie de beschikking wijzigt wat de omslag van deze geldboete betreft, dan wel in elk geval en uiterlijk tot de uitspraak van het arrest van het Gerecht waardoor het geding in de hoofdzaak wordt beslecht.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 25 augustus 1994.