Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994TO0066

Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer - uitgebreid) van 6 februari 1995.
Auditel Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Interventie - Vertrouwelijkheid - Taalregime.
Zaak T-66/94.

Jurisprudentie 1995 II-00239

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1995:20

61994B0066

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER - UITGEBREID) VAN 6 FEBRUARI 1995. - AUDITEL SRL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - INTERVENTIE - VERTROUWELIJKHEID - TAALREGIME. - ZAAK T-66/94.

Jurisprudentie 1995 bladzijde II-00239


Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Procedure ° Interventie ° Belanghebbenden ° Geding betreffende geldigheid van beschikking tot toepassing van mededingingsregels ° Onderneming die klacht heeft ingediend

(' s Hofs Statuut-EEG, art. 37)

2. Procedure ° Interventie ° Toezending van processtukken aan interveniënten ° Afwijking ° Vertrouwelijke behandeling ° Voorwaarden

(' s Hofs Statuut-EEG, art. 37; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 116, lid 2)

3. Procedure ° Taalregime ° Afwijkingen ° Voorwaarden

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 35, lid 2)

Partijen


In zaak T-66/94,

Auditel Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Sena en P. Tarchini, advocaten te Milaan, M. Siragusa, advocaat te Rome, G. Scassellati Sforzolini en F. M. Moretti, advocaten te Bologna, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Prussen, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marenco, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van beschikking 93/668/EG van de Commissie van 24 november 1993 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/32.031 ° Auditel) (PB 1993, L 306, blz. 50),

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen, C. P. Briët, R. García-Valdecasas en C. W. Bellamy, rechters,

griffier: H. Jung

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 juni 1994, heeft D & B Marketing Information Services SpA (hierna: "D & B" of "verzoekster tot tussenkomst"), een vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Corsico (Italië), vertegenwoordigd door B. Hartnett, van de Ierse balie, en E. Rinaldi, advocaat te Milaan, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10, verzocht in zaak T-66/94 te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van verweerster. Verzoekster tot tussenkomst heeft eveneens verzocht om tijdens de schriftelijke en de mondelinge behandeling het Engels te mogen bezigen.

2 Het verzoek tot tussenkomst is gedaan krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en is ingediend overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

3 Bij brief van de griffier van 13 juni 1994 zijn de verzoeken overeenkomstig artikel 116 van het Reglement voor de procesvoering aan partijen betekend. Op 19 juli 1994 hebben partijen over die verzoeken opmerkingen ingediend, waarbij verzoekster tevens heeft verzocht om, indien de tussenkomst wordt toegestaan, bepaalde stukken van het dossier vertrouwelijk te behandelen. Bij brief van 5 september 1994 deelde verweerster mee, dat zij zich niet verzette tegen het verzoek om vertrouwelijke behandeling.

4 De president heeft het verzoek tot tussenkomst overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verwezen naar het Gerecht (Vierde kamer ° uitgebreid).

Achtergrond van het geding

5 Verzoekster, Auditel Srl (hierna: "Auditel"), is een vennootschap naar Italiaans recht, waarbij alle Italiaanse televisienetten ° het openbare en de particuliere ° en de organisaties van adverteerders en reclamebureaus zijn aangesloten en die tot doel heeft, het op objectieve en onpartijdige wijze verzamelen en systematisch verspreiden van gegevens over de kijkdichtheid van televisieprogramma' s.

6 Toen Auditel werd opgericht, sloten de aandeelhouders ook een overeenkomst, waarvan artikel 11 bepaalt, dat de Auditel-partners zich ertoe verbinden "voor al hetgeen van publicitair of commercieel belang kan zijn, uitsluitend van de diensten van Auditel gebruik te maken en de resultaten van het onderzoek van Auditel naar het kijkgedrag als de enige geldige te erkennen". Volgens Auditel had artikel 11 tot doel een kijkcijferoorlog tussen de televisienetten te voorkomen.

7 Ten slotte sloot Auditel met AGB Italia SpA (hierna: "AGB") een overeenkomst over de uitwerking en het beheer van het volledige systeem voor het verzamelen van kijkcijfers door AGB voor Auditel.

8 Auditel meldde deze drie overeenkomsten in september 1986 aan bij de Commissie.

9 Artikel 11 van de overeenkomst tussen de aandeelhouders van Auditel is tijdens de administratieve procedure twee maal gewijzigd om de werkingssfeer ervan te beperken, en is uiteindelijk op 24 juli 1993 geschrapt.

10 AC Nielsen Italia SpA (hierna: "Nielsen"), een in marktstudies en -onderzoek gespecialiseerde onderneming, diende in juni 1987 bij de Commissie een klacht in waarin zij met name stelde, dat de exclusieve rechten in de overeenkomst tussen AGB en Auditel en de bij artikel 11 van de overeenkomst aan de leden van Auditel opgelegde verplichting een inbreuk vormden op artikel 85 EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag; hierna: "Verdrag"). Tevens stelde zij, dat artikel 11 van de overeenkomst Auditel op de markt voor basisgegevens betreffende de kijkcijfers een machtspositie verleende waarvan zij misbruik maakte.

11 Op 24 november 1993 gaf de Commissie beschikking 93/688/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/32.031 ° Auditel) (PB 1993, L 306, blz. 50), waarin zij verklaarde

° dat artikel 11 van de overeenkomst tussen de leden van Auditel tot aan de formele schrapping ervan op 24 juli 1993 inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1 (artikel 1 van de beschikking);

° dat het verzoek om vrijstelling uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag betreffende artikel 11 van de overeenkomst werd afgewezen (artikel 2 van de beschikking);

° dat er geen aanleiding was om op grond van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op te treden ten aanzien van de oprichtingsakte en de statuten van Auditel, de overeenkomsten tussen Auditel en AGB, de nog geldende bepalingen in de overeenkomst en het gedrag van Auditel op de markt (artikel 3 van de beschikking).

12 Auditel heeft beroep ingesteld tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van de beschikking (zaak T-66/94).

Het verzoek tot tussenkomst

Argumenten van partijen

13 Verzoekster tot tussenkomst voert in wezen drie argumenten aan die volgens haar aantonen dat zij belang heeft bij de uitkomst van het geding.

14 In de eerste plaats stelt zij, dat zij de rechtsopvolger is van Nielsen, die in de procedure waarin uiteindelijk de bestreden beschikking is gegeven, een klacht had ingediend uit hoofde van artikel 3 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"). Zij was uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting bij de Commissie en heeft bewezen, dat door de overeenkomst tussen de leden van Auditel de mededinging wordt verstoord. Blijkens de rechtspraak van het Hof (arrest van 6 maart 1974, gevoegde zaken 6/73 en 7/73, Commercial Solvents, Jurispr. 1974, blz. 223) mag een klager haars inziens interveniëren in zaken waarin, zoals in casu, zijn klacht in de bestreden beschikking is aanvaard.

15 In de tweede plaats stelt D & B, dat de litigieuze overeenkomsten haar concurrentiepositie rechtstreeks beïnvloeden. Daar zij actief is op het gebied van marktstudies en -onderzoek en op dat van diensten betreffende promotie van produkten en reclame, is zij een rechtstreekse concurrent van AGB, die door Auditel is belast met de organisatie en het beheer van het Auditel-systeem voor het meten van de kijkdichtheid en met de analyse en behandeling van voor rekening van Auditel en haar leden verzamelde gegevens. Artikel 11 van de overeenkomst, dat bepaalt dat de Auditel-partners zich ertoe verbinden "voor al hetgeen van publicitair of commercieel belang kan zijn, uitsluitend van de diensten van Auditel gebruik te maken en de resultaten van het onderzoek van Auditel naar het kijkgedrag als de enige geldige te erkennen", heeft haar belet om de leden van Auditel, die ongeveer 95 % van de markt voor haar diensten vertegenwoordigen, een concurrerende dienst alsmede een reeks aanvullende en verwante diensten aan te bieden.

16 Ten slotte voert verzoekster tot tussenkomst als rechtvaardiging voor haar belang bij de uitkomst van het geding aan, dat de bestreden beschikking voor haar zeer nuttig is in de rechtsvordering die Auditel bij het Tribunale te Milaan tegen haar heeft ingesteld, alsmede een bewijsmiddel tot staving van haar vordering in reconventie (arrest Hof van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 449).

17 In haar opmerkingen betreffende het verzoek tot tussenkomst concludeert verweerster op grond van de door D & B aangevoerde argumenten, dat D & B als rechtsopvolger van Nielsen een rechtstreeks en daadwerkelijk belang heeft bij het lot dat de bestreden beschikking beschoren is, daar de nietigverklaring van die beschikking haar zou benadelen (beschikkingen Gerecht van 13 juni 1994, zaak T-542/93, Reti Televisive Italiane, en Hof van 26 oktober 1978, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck e.a., niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).

18 Verzoekster is daarentegen van mening, dat uit de argumenten van verzoekster tot tussenkomst niet blijkt, dat zij belang heeft bij de uitkomst van het geding.

19 Zij stelt in de eerste plaats, dat verzoekster tot tussenkomst zich niet aandient als een concurrent van Auditel ° zij is dat trouwens niet ° maar als een concurrent van AGB, die in geen enkel opzicht bij deze procedure betrokken is, daar de overeenkomst tussen Auditel en AGB in artikel 3 van de beschikking verenigbaar met de mededingingsregels is verklaard en dit artikel voor het Gerecht niet is aangevochten. Artikel 11 van de overeenkomst, dat als enige in deze zaak in geding is, betreft enkel de ° louter interne en zeer beperkte ° verplichting van Auditel om voor bepaalde doeleinden enkel de door Auditel geleverde "eenvoudige" gegevens te gebruiken. Zij stelt, dat D & B de verplichting van artikel 11 nooit heeft betwist, en ziet niet in hoe dit artikel, dat thans overigens niet meer bestaat, voor D & B van kapitaal belang zou kunnen zijn. Verzoekster veronderstelt dat D & B, die geen beroep heeft ingesteld tegen artikel 3 van de beschikking, in werkelijkheid poogt via de interventie een beroepsmogelijkheid te creëren om argumenten te kunnen aanvoeren die zij, wegens het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tegen artikel 3 van de beschikking, niet meer kan aanvoeren.

20 Voorts meent verzoekster, dat artikel 11 van de overeenkomst verzoekster tot tussenkomst niet kon beletten, de leden van Auditel een concurrerende dienst of verwante diensten aan te bieden. Artikel 11 zag slechts op het gebruik van "eenvoudige" gegevens op zeer beperkte gebieden, zodat D & B de leden van Auditel haar eigen "eenvoudige" gegevens voor alle niet onder artikel 11 vallende doeleinden en "complexe" gegevens in elke willekeurige vorm kon leveren. Daar de "eenvoudige" gegevens geen commerciële waarde hebben zolang zij niet zijn bewerkt en daar zij worden geleverd tegen zeer lage prijzen, moet volgens verzoekster worden geconcludeerd, dat artikel 11 de economische betrekkingen tussen de marktdeelnemers niet kon beïnvloeden.

21 Met betrekking tot het verband dat zou bestaan tussen onderhavig beroep en de voor de nationale rechter aanhangige procedure, stelt Auditel, dat deze nationale procedure, die zij zelf heeft ingeleid, niet specifiek artikel 11 van de overeenkomst betreft, maar alle door Auditel gesloten overeenkomsten, en dat het voorwerp van het onderhavige beroep derhalve niet samenvalt met de "grondslag van de vordering" die bij het Tribunale te Milaan aanhangig is. De Commissie zelf zegt van deze nationale procedure dat zij gescheiden en onafhankelijk is van de communautaire procedure en betrekking heeft op vragen die slechts ten dele met deze laatste samenvallen.

22 Ten slotte meent verzoekster, dat het feit dat D & B bij de Commissie een klacht heeft ingediend, niet volstaat om aan te tonen dat zij belang heeft bij de tussenkomst; zij preciseert in dat verband, dat niet de klacht tot de bestreden beschikking heeft geleid, doch de aanmelding van de overeenkomsten door Auditel zelf. D & B heeft volgens verzoekster trouwens nooit bezwaar gemaakt tegen de verplichting van de leden van Auditel om "eenvoudige" gegevens uit dezelfde bron te gebruiken, noch tegen de inhoud van artikel 11.

Oordeel van het Gerecht

23 Vooraf zij opgemerkt, dat vaststaat dat verzoekster tot tussenkomst, of althans de vennootschap Nielsen waarvan zij de rechtsopvolger is, niet enkel een verzoek in de zin van artikel 3 van verordening nr. 17 heeft ingediend, maar ook actief heeft deelgenomen aan de administratieve procedure voor de Commissie.

24 Voorts stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters verklaring dat verzoekster tot tussenkomst nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van artikel 11 van de overeenkomst, waarvan de verenigbaarheid met de mededingingsregels van het Verdrag in dit beroep in geding is, kennelijk onjuist is. Zoals in punt 9 van de beschikking wordt vermeld, heeft Nielsen in haar klacht onder meer gesteld, dat "de bij artikel 11 van de overeenkomst aan de leden van Auditel opgelegde verplichting" een inbreuk op artikel 85 vormde. Ook tijdens de hoorzitting voor de Commissie heeft de raadsman van verzoekster tot tussenkomst met nadruk verklaard: "Article 11, which is the object of the Statement of Objections, is clearly an unjustifiable restriction of competition and one which both Nielsen and MTVS have been contesting since 1986" ("Artikel 11, waarop de mededeling van de punten van bezwaar betrekking heeft, is kennelijk een onrechtmatige mededingingsbeperking die Nielsen en MTVS al sinds 1986 betwisten") (proces-verbaal van de hoorzitting, blz. 11).

25 Eveneens zij opgemerkt dat, zoals verzoekster in haar verzoekschrift zelf memoreert, Auditel bij het Tribunale te Milaan tegen Nielsen een procedure heeft ingeleid om de litigieuze overeenkomsten aan het communautaire mededingingsrecht te laten toetsen (verzoekschrift, blz. 7), en dat het Tribunale de procedure herhaaldelijk heeft geschorst in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Commissie (bijlage 12 bij het verzoekschrift).

26 Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat D & B het door artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG vereiste voldoende belang heeft om de conclusies van verweerster in dit geding te ondersteunen.

27 Het Gerecht merkt voorts op, dat de door verzoekster geuite vrees dat verzoekster tot tussenkomst de interventie gebruikt om te pogen de juistheid van de vaststelling in artikel 3 van de beschikking ° dat hier niet in geding is ° ter discussie te stellen, ongegrond is, daar de conclusies van de interveniënt slechts kunnen strekken tot ondersteuning of verwerping van de conclusies van één van de oorspronkelijke partijen in het geding, en de interveniënt het voorwerp van het beroep dus op geen enkele wijze kan veranderen.

28 Derhalve moet D & B worden toegestaan in deze zaak te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.

Het verzoek om vertrouwelijke behandeling

29 Bij brief van 19 juli 1994 heeft verzoekster verzocht, dat de bijlagen 1 (formulier A/B met bijlagen) en 20 (overeenkomst tussen Auditel en AGB) bij haar verzoekschrift niet ter inzage worden gegeven aan D & B, indien zij tot interventie zou worden toegelaten. Dienaangaande stelt zij, dat het overeenkomsten tussen particulieren betreft die tijdens de administratieve procedure niet integraal aan verzoekster tot tussenkomst ter kennis zijn gebracht en waarvan de mededeling, gelet op de tussen D & B en AGB bestaande rechtstreekse concurrentie, verzoekster schade zou kunnen toebrengen.

30 Bij brief van 5 september 1994 heeft verweerster bevestigd dat de door Auditel genoemde overeenkomsten haars inziens vertrouwelijk zijn, voor zover zij een zeer gedetailleerde beschrijving bevatten van het hele systeem van AGB voor het verzamelen van de kijkcijfers.

31 Het Gerecht merkt op, dat om te kunnen beoordelen onder welke voorwaarden bepaalde processtukken vertrouwelijk kunnen worden behandeld, het rechtmatig belang van de verzoeker bij bescherming van zijn commerciële belangen moet worden afgewogen tegen het even rechtmatig belang van de interveniënt om over alle informatie te beschikken die hij nodig heeft om zijn rechten ten volle te doen gelden en zijn standpunt voor de gemeenschapsrechter uiteen te zetten (zie beschikking Gerecht van 4 april 1990, zaak T-30/89, Hilti, Jurispr. 1990, blz. II-163, r.o. 11).

32 Na onderzoek van bijlage 20 bij het verzoekschrift in het licht van deze overwegingen is het Gerecht van oordeel dat dit document inderdaad moet worden beschouwd als een "geheim of vertrouwelijk stuk" in de zin van artikel 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.

33 Wat bijlage 1 bij het verzoekschrift betreft, moet om te beginnen worden herinnerd aan het feit, dat verzoekster voor haar verzoek om vertrouwelijke behandeling als argument aanvoert, dat het bij deze documenten om overeenkomsten tussen particulieren gaat. Het Gerecht stelt vervolgens vast, dat bijlage 1 bestaat uit de aanmelding zelf (formulier A/B met bijlage) en zes bijlagen bij deze aanmelding. Afgezien van enkele zeldzame cijfers die als zakengeheim kunnen worden beschouwd en die dus vertrouwelijk moeten worden behandeld, is het Gerecht van oordeel, dat de aanmelding zelf voor het overige slechts een algemene en vrij beknopte beschrijving van de overeenkomsten bevat, alsmede een beoordeling van die overeenkomsten in het licht van artikel 85, leden 1 en 3, waarvan de openbaarmaking aan interveniënte de commerciële belangen van verzoekster niet wezenlijk kan schaden, te meer nu die elementen grotendeels zijn overgenomen in de gepubliceerde tekst van de beschikking en in de memoriën van partijen. Wat de bijlagen bij de aanmelding betreft, is het Gerecht van oordeel, dat enkel de bijlagen 1 (notulen van een vergadering van de Raad van Bestuur van Auditel), 2 (overeenkomst tot oprichting van Auditel), 4 (overeenkomst tussen de aandeelhouders van Auditel) en 5 (overeenkomst tussen Auditel en AGB) als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd. De bijlagen 3 (statuten van Auditel) en 6 (persknipsels) zijn daarentegen stukken waarvan het openbare karakter per definitie de vertrouwelijke behandeling uitsluit.

Het verzoek om afwijking van het taalregime

34 D & B heeft eveneens verzocht om bij de schriftelijke en de mondelinge behandeling of althans tijdens de mondelinge behandeling het Engels te mogen bezigen. Zij verklaart in dat verband, dat zij als filiaal van een Amerikaanse onderneming in haar bedrijf het Engels gebruikt, dat haar klacht bij de Commissie in het Engels was gesteld en dat zij tijdens de hele procedure voor de Commissie, de hoorzitting inbegrepen, het Engels heeft gebezigd. Indien haar wordt geweigerd een andere dan de procestaal te bezigen, moet zij afzien van de diensten van een van haar raadslieden die haar in de hele procedure voor de Commissie heeft vertegenwoordigd.

35 Verzoekster heeft zich tegen dit verzoek verzet.

36 Artikel 35, lid 3, vierde alinea, van het Reglement voor de procesvoering ontslaat enkel interveniërende Lid-Staten van de verplichting dat interveniënten de door partijen gekozen procestaal bezigen. Krachtens artikel 35, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht evenwel verlof verlenen tot het geheel of gedeeltelijk bezigen van een andere van de in artikel 35, lid 1, vermelde talen dan de procestaal (beschikkingen Gerecht van 1 juli 1993, zaak T-3/93, Air France, en 15 juli 1993, zaak T-2/93, Air France, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).

37 Het Gerecht is van oordeel, dat op grond van de door verzoekster tot tussenkomst aangevoerde argumenten niet kan worden geconcludeerd, dat haar rechten zonder een dergelijke afwijking tijdens de schriftelijke behandeling zouden worden geschaad, daar zij zelf voor een Engelse vertaling van de memoriën en andere processtukken kan zorgen en zij haar memorie zelf in het Italiaans kan laten vertalen, te meer nu een van haar raadslieden Italiaan is. Voor de schriftelijke behandeling moet haar verzoek dus worden verworpen.

38 Wat de mondelinge behandeling betreft, is het Gerecht daarentegen van oordeel, dat het verzoek van verzoekster tot tussenkomst om het Engels te mogen bezigen, moet worden ingewilligd, gelet op het evidente belang dat zij erbij heeft om zich voortdurend te kunnen laten bijstaan door een raadsman van haar keuze en op het feit dat deze afwijking de procedurele rechten van de oorspronkelijke partijen in het geding niet schendt, en in het bijzonder geen vertraging in het procesverloop veroorzaakt.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid)

beschikt:

1) D & B Marketing Information Services SpA wordt toegestaan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.

2) Het verzoek tot vertrouwelijke behandeling ten aanzien van interveniënte wordt ingewilligd voor bijlage 20 bij het verzoekschrift in haar geheel en voor bijlage 1 bij het verzoekschrift in de volgende mate:

° de aanmelding (formulier A/B met bijlage) wordt ter kennis van interveniënte gebracht, met uitzondering van de vermeldingen die in de aan deze beschikking gehechte versie van dat document zijn doorgehaald;

° de bijlagen 1, 2, 4 en 5 bij de aanmelding worden niet aan interveniënte ter kennis gebracht;

° voor het overige ° bijlagen 3 en 6 bij de aanmelding ° wordt het verzoek om vertrouwelijke behandeling afgewezen.

3) Een niet-vertrouwelijke versie van de processtukken zal door de griffier aan interveniënte worden betekend.

4) Er zal een termijn worden bepaald, waarbinnen interveniënte schriftelijk de middelen tot staving van haar conclusies kan uiteenzetten.

5) Het verzoek van D & B tot afwijking van het taalregime wordt afgewezen, voor zover het de schriftelijke behandeling betreft.

6) Het verzoek van D & B om tijdens de mondelinge behandeling het Engels te mogen bezigen wordt ingewilligd.

7) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Luxemburg, 6 februari 1995.

Top