This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61994CJ0099
Judgment of the Court (Third Chamber) of 28 March 1996.#Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG v Hauptzollamt Koblenz.#Reference for a preliminary ruling: Finanzgericht Rheinland-Pfalz - Germany.#Anti-dumping duties on imports of electric motors.#Case C-99/94.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 28 maart 1996.
Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG tegen Hauptzollamt Koblenz.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Rheinland-Pfalz - Duitsland.
Anti-dumpingrechten op invoer van elektromotoren.
Zaak C-99/94.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 28 maart 1996.
Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG tegen Hauptzollamt Koblenz.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Rheinland-Pfalz - Duitsland.
Anti-dumpingrechten op invoer van elektromotoren.
Zaak C-99/94.
Jurisprudentie 1996 I-01791
ECLI identifier: ECLI:EU:C:1996:141
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 28 maart 1996. - Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG tegen Hauptzollamt Koblenz. - Verzoek om een prejudiciele beslissing: Finanzgericht Rheinland-Pfalz - Duitsland. - Anti-dumpingrechten op invoer van elektromotoren. - Zaak C-99/94.
Jurisprudentie 1996 bladzijde I-01791
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Verdediging tegen dumpingpraktijken ° Uitlegging van gemeenschapsregeling ° Verordeningen houdende instelling van variabel anti-dumpingrecht op invoer van bepaalde gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren ° Materiële werkingssfeer ° Delen of onderdelen van motoren ° Daarvan uitgesloten
(Verordening nr. 864/87 van de Raad; verordening nr. 3019/86 van de Commissie)
Verordening nr. 3019/86 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren, en verordening nr. 864/87 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op dezelfde invoer, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij enkel betrekking hebben op de invoer van complete of afgewerkte motoren.
Deze uitlegging is noodzakelijk, onder meer omdat de gemeenschapsautoriteiten met het oog op een maximum aan doorzichtigheid en doeltreffendheid en ter aansporing van de exporteurs om hun prijzen te verhogen hebben besloten een variabel recht in te stellen, dat gelijk is aan het verschil tussen een minimumprijs per type en de aan de eerste onafhankelijke afnemer berekende prijs, welk recht, anders dan een ad-valoremrecht, niet goed op niet-complete motoren of op motoronderdelen kan worden toegepast. Het is namelijk niet denkbaar om het voor een niet-complete motor verschuldigde recht te berekenen aan de hand van het verschil tussen de prijs ervan en de voor een complete motor vastgestelde minimumprijs, want daardoor zou een niet-complete motor zwaarder worden belast dan een complete motor; en evenmin is het mogelijk om een specifieke methode ter berekening van het recht voor de niet-complete motor te gebruiken, want de verordening voorziet niet in een minimumprijs voor een dergelijke motor.
In zaak C-99/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Koblenz,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie (PB 1986, L 280, blz. 68), en van verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopig recht zijn gesteld (PB 1987, L 83, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door D. Ehle en T. Knaak, advocaten te Keulen,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en N. Eybalin, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt en E. White, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG en de Commissie ter terechtzitting van 7 december 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 1996,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 9 maart 1994, ingekomen bij het Hof op 22 maart daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie (PB 1986, L 280, blz. 68; hierna: "voorlopige verordening"), en van verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopig recht zijn gesteld (PB 1987, L 83, blz. 1; hierna: "definitieve verordening").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG (hierna: "Birkenbeul") en het Hauptzollamt Koblenz (hierna: "Hauptzollamt") over de betaling van anti-dumpingrechten op de invoer van onderdelen van elektromotoren uit Tsjecho-Slowakije.
3 Bij artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening en artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening is een ° aanvankelijk voorlopig en later definitief ° anti-dumpingrecht ingesteld "op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 tot en met 75 kW, vallende onder post ex 85.01 B I b) van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de Nimexe-codes ex 85.01-33, ex 85.01-34 en ex 85.01-36 van oorsprong uit (...) Tsjecho-Slowakije (...)". Volgens artikel 1, lid 2, van de definitieve verordening zijn onder "gestandaardiseerde meerfasige motoren" te verstaan "alle typen standaard-motoren waarvoor een internationale normalisatie, met name die van de Commission électrotechnique internationale (CIE) geldt".
4 Volgens artikel 2, lid 2, van de voorlopige verordening en artikel 1, lid 3, van de definitieve verordening "komt het bedrag van dit recht voor elk type motor overeen met het verschil tussen de nettoprijs per stuk, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en de in de bijlage genoemde prijs". Deze bijlage bevat de minimumprijzen bij invoer in de Gemeenschap van bepaalde gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren.
5 Volgens punt 2, sub a, van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, opgenomen in verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende tot het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, blz. 1), heeft "de vermelding van een goed in een post (...) eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat."
6 In 1987 en 1988 voerde Birkenbeul uit Tsjecho-Slowakije enkele partijen motoronderdelen in (stators met wikkeling van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren en rotoren met as van die motoren), die volgens het Hauptzollamt te zamen de essentiële kenmerken van een complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotor vertoonden in de zin van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. Derhalve verlangde het Hauptzollamt van de betrokken onderneming niet slechts betaling van invoerrechten, maar ook van anti-dumpingrechten over de motoren bedoeld in de voorlopige en in de definitieve verordening.
7 Na afwijzing van haar bezwaarschrift door het Hauptzollamt, stelde Birkenbeul beroep in bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, waar zij primair aanvoerde, dat aan de ingevoerde motoronderdelen bepaalde delen zonder welke een motor niet kan functioneren, ontbraken (onder meer lagerschilden voor de aandrijvende en tegenoverliggende kant), en dat die onderdelen dus niet de essentiële kenmerken van een complete of afgewerkte motor vertoonden.
8 Van oordeel dat de beslissing in het geding afhangt van de uitlegging van genoemde verordeningen, heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz besloten het Hof de volgende vragen voor te leggen:
"1) Moeten de verordeningen (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 en nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 aldus worden uitgelegd, dat anti-dumpingrechten enkel kunnen worden geheven op de invoer van complete/afgewerkte ° zij het ook gedemonteerde of nog niet gemonteerde ° gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren als bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3019/86 respectievelijk artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 864/87,
of
hebben deze verordeningen eveneens betrekking op niet-complete/niet-afgewerkte goederen, die ingevolge punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur als complete/afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren moeten worden ingedeeld?
2) Indien het tweede onderdeel van de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke onderdelen van een gestandaardiseerde meerfasige elektromotor vertonen afzonderlijk of te zamen de essentiële kenmerken van een complete/afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotor,
en in het bijzonder,
moeten op een stator met wikkeling te zamen met een rotor met as reeds anti-dumpingrechten worden geheven?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:
Aan welk percentage anti-dumpingrechten zijn de ingevoerde onderdelen van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren onderworpen en op grond van welke bepalingen kan eventueel worden bereikt, dat over de ingevoerde motoronderdelen een juist en billijk recht wordt geheven?"
De eerste vraag
9 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de genoemde verordeningen enkel betrekking hebben op complete of afgewerkte motoren of tevens op niet-complete of niet-afgewerkte goederen die in de zin van punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed vertonen.
10 Birkenbeul en de Commissie betogen, dat de genoemde verordeningen, hoewel zij naar de geldende bepalingen op het gebied van douanerechten verwijzen, een bijzondere regeling vormen, die enkel voorziet in de inning van een anti-dumpingrecht op complete of afgewerkte elektromotoren.
11 De Franse regering daarentegen acht het alleszins legitiem, dat waar de verdediging tegen dumping de instelling van met douanerechten verwante rechten meebrengt, de autoriteiten die in elke Lid-Staat voor anti-dumpingrechten vatbare goederen in het douanetarief moeten indelen, te rade gaan met de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur.
12 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met haar context en het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie onder meer arrest van 1 april 1993, zaak C-136/91, Findling Waelzlager, Jurispr. 1993, blz. I-1793, r.o. 11).
13 Wat de bewoordingen van de betrokken regeling betreft, blijkt allereerst uit artikel 2, lid 5, van de voorlopige verordening en uit artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening, dat de voor de heffing van douanerechten geldende bepalingen van toepassing zijn, onverminderd het bepaalde in deze verordeningen. De douanebepalingen kunnen dus enkel worden toegepast, voor zover de bijzondere bepalingen van die verordeningen daar niet aan in de weg staan.
14 Vervolgens, zoals de president van het Hof reeds heeft vastgesteld (zie beschikking van 16 januari 1987, zaak 304/86 R, Enital, Jurispr. 1987, blz. 267, r.o. 15), betreft de verwijzing in deze verordeningen naar post ex 85.01 B I b) van het gemeenschappelijk douanetarief niet de delen en de onderdelen, die in post 85.01 C zijn omschreven.
15 Verder is punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, volgens welke de vermelding van een goed in een post eveneens betrekking heeft op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont, niet noodzakelijkerwijs van toepassing op anti-dumpinggebied, wanneer in de betrokken regeling naar een dergelijke post wordt verwezen. Immers, zoals het Hof heeft opgemerkt naar aanleiding van een andere verordening waarbij een anti-dumpingrecht was ingesteld (zie arrest van 24 juni 1993, zaak C-90/92, Dr. Tretter, Jurispr. 1993, blz. I-3569, r.o. 13), kan reeds op grond van de bewoordingen van artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening en van artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening, en met name van de uitdrukking "vallende onder post ex 85.01 B I b) van het gemeenschappelijk douanetarief", worden geconcludeerd, dat de eventuele indeling van een goed onder deze tariefpost niet automatisch meebrengt, dat dat goed uit hoofde van die bepalingen aan het anti-dumpingrecht is onderworpen.
16 Ten slotte, zoals de verwijzende rechter opmerkt, geldt het bij de genoemde verordeningen ingestelde anti-dumpingrecht voor een bepaald type motoren en niet voor motordelen of -onderdelen, en is voor elk type motor het bedrag van het recht vastgesteld. Geen enkele bepaling van deze verordeningen en van hun bijlagen heeft overigens betrekking op motordelen of -onderdelen; deze worden enkel genoemd in een van de overwegingen van de considerans in verband met bepaalde resultaten van het in het kader van de anti-dumpingprocedure ingestelde onderzoek.
17 Wat de context en het doel van de betrokken regeling betreft, blijkt uit punt 35 van de considerans van de voorlopige verordening en uit punt 38 van de considerans van de definitieve verordening, dat de gemeenschapsautoriteiten met het oog op een maximum aan doorzichtigheid en doeltreffendheid en ter aansporing van de exporteurs om hun prijzen te verhogen, hebben besloten een variabel recht in te stellen, dat gelijk is aan het verschil tussen een minimumprijs per type en de aan de eerste onafhankelijke afnemer berekende prijs. Het Hof heeft overigens geoordeeld, dat die autoriteiten, door zo te handelen, de grenzen van hun beoordelingsvrijheid niet hadden overschreden, daar een variabel recht in de regel gunstiger is voor de betrokken marktdeelnemers dan een ad-valoremrecht, omdat zij de heffing van anti-dumpingrechten geheel kunnen vermijden door te importeren tegen prijzen die hoger zijn dan de vastgestelde minimumprijs (arrest van 11 juli 1990, gevoegde zaken C-305/86 en C-160/87, Neotype Techmashexport, Jurispr. 1990, blz. I-2945, r.o. 60).
18 Zoals Birkenbeul en de Commissie betogen, kan een dergelijk soort variabel recht, anders dan een ad-valoremrecht, evenwel niet goed op niet-complete motoren of op motoronderdelen worden toegepast.
19 Wanneer immers het recht, zoals in het onderhavige geval, overeenkwam met het verschil tussen de minimumprijs van een afgewerkte motor en de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs van de delen en onderdelen, zou een dergelijke berekeningsmethode ertoe leiden, dat voor niet-afgewerkte motoren, die minder waard zijn dan afgewerkte motoren, hogere rechten verschuldigd zijn dan voor afgewerkte motoren. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, zou het in bepaalde gevallen zelfs mogelijk zijn, dat een niet-complete motor aan een anti-dumpingrecht wordt onderworpen, maar de complete motor, wegens de nettoprijs bij invoer ervan, niet.
20 Bovendien is het niet mogelijk het verschil te bepalen tussen de overeengekomen verkoopprijs van een niet-afgewerkte motor of van een motordeel en de minimumprijs van een dergelijke motor of motordeel, want in de bijlagen bij de verordeningen zijn enkel de minimumprijzen vastgesteld voor complete of afgewerkte motoren. De nationale douaneautoriteiten mogen daarvoor geen referentie-elementen gebruiken waarin niet is voorzien door de gemeenschapsautoriteiten, die op het gebied van anti-dumpingrechten als enigen bevoegd zijn.
21 Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat de verordeningen nrs. 3019/86 en 864/87 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij enkel betrekking hebben op de invoer van complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren.
De tweede en de derde vraag
22 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
23 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz bij beschikking van 9 maart 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie, en verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopig recht zijn gesteld, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij enkel betrekking hebben op complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren.