This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61993CJ0360
Judgment of the Court (Sixth Chamber) of 7 March 1996.#European Parliament v Council of the European Union.#Common commercial policy - Services - Government procurement.#Case C-360/93.
Arrest van het Hof (zesde kamer) van 7 maart 1996.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Dienstverrichting - Overheidsopdrachten.
Zaak C-360/93.
Arrest van het Hof (zesde kamer) van 7 maart 1996.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Dienstverrichting - Overheidsopdrachten.
Zaak C-360/93.
Jurisprudentie 1996 I-01195
ECLI identifier: ECLI:EU:C:1996:84
Arrest van het Hof (zesde kamer) van 7 maart 1996. - Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie. - Gemeenschappelijke handelspolitiek - Dienstverrichting - Overheidsopdrachten. - Zaak C-360/93.
Jurisprudentie 1996 bladzijde I-01195
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Recht van beroep van Parlement ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid ° Verdediging van zijn prerogatieven ° Deelneming aan wetgevingsprocedure ° Inbreuk door keuze, door Raad, van rechtsgrondslag voor handeling van afgeleid recht ° Ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Handelingen van de instellingen ° Keuze van rechtsgrondslag ° Criteria
3. Internationale overeenkomsten ° Overeenkomsten van Gemeenschap ° Sluiting ° Overeenkomst EEG-Verenigde Staten inzake overheidsopdrachten ° Overeenkomsten betreffende diensten die niet enkel grensoverschrijdende dienstverrichtingen omvatten ° Overeenkomst die buiten kader van gemeenschappelijke handelspolitiek treedt ° Sluiting en uitvoering op grond van artikel 113 van Verdrag als enige rechtsgrondslag ° Onwettigheid
(EEG-Verdrag, art. 113; beschikking 93/323 en besluit 93/324 van de Raad)
4. Beroep tot nietigverklaring ° Arrest houdende nietigverklaring ° Gevolgen ° Beperking door Hof ° Geval van besluit en beschikking houdende goedkeuring van internationale overeenkomst
(EEG-Verdrag, art. 174, tweede alinea)
1. Het Parlement kan bij het Hof beroep tot nietigverklaring van een handeling van de Raad of de Commissie instellen, mits dit beroep slechts strekt tot eerbiediging van zijn prerogatieven en slechts berust op middelen die aan schending van deze prerogatieven zijn ontleend. Een beroep gebaseerd op het middel dat ten onrechte als enige rechtsgrondslag voor de bestreden handelingen een artikel is genomen dat niet de procedure van samenwerking met het Parlement voorschrijft, en niet de artikelen die deze procedure voorschrijven, is derhalve ontvankelijk.
2. In het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap moet de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Daartoe behoren met name het doel en de inhoud van de handeling.
3. Besluit 93/323 vormt de goedkeuring van de overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten, die voorziet in een openstelling van de overheidsopdrachten van de twee overeenkomstsluitende partijen, die niet meer beperkt is tot de aankoop van goederen en eventuele bij de levering daarvan behorende diensten, zoals het geval was in de multilaterale overeenkomst van het GATT inzake overheidsopdrachten, en in hoofdzaak van toepassing is op opdrachten die met name de levering beogen van een of meer diensten, waartoe met name behoren de diensten betreffende onderhoud, herstel, vervoer, gegevensverwerking, reclame en boekhouding. Beschikking 93/324 heeft tot doel de toepassing van richtlijn 90/531, betreffende de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, uit te breiden tot de Verenigde Staten van Amerika.
Aangezien het besluit en de beschikking diensten betreffen die niet slechts betrekking hebben op grensoverschrijdende dienstverrichtingen die geen verplaatsing van personen meebrengen, maar ook op dienstverrichtingen die plaatsvinden dankzij het feit dat zich op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij een handelsonderneming of een natuurlijke persoon bevindt, hebben zij een doelstelling die ruimer is dan de werkingssfeer van artikel 113 van het Verdrag. Nu zij niettemin enkel op de grondslag van dit artikel zijn vastgesteld, moeten zij nietig worden verklaard.
4. Indien besluit 93/323 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten, en beschikking 93/324 betreffende de uitbreiding van de toepassing van richtlijn 90/531 tot de Verenigde Staten van Amerika, zonder meer nietig werden verklaard, zou zulks de uitoefening van de eruit voortvloeiende rechten nadelig beïnvloeden. Voorts is de in geding zijnde overeenkomst reeds geëindigd. In deze omstandigheden rechtvaardigen zwaarwegende overwegingen van rechtszekerheid, vergelijkbaar met die in geval van nietigverklaring van bepaalde verordeningen, dat het Hof gebruik maakt van de bevoegdheid die artikel 174, tweede alinea, van het Verdrag hem toekent in geval van nietigverklaring van een verordening, en dat het beslist, dat alle gevolgen van het nietig verklaarde besluit en de nietig verklaarde beschikking moeten worden gehandhaafd.
In zaak C-360/93,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Schoo en J. L. Rufas Quintana, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Torrent en A. Lopes Sabino, juridisch adviseurs, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, juridisch adviseur, en P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
en
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten,
betreffende een beroep, strekkende tot nietigverklaring van besluit 93/323/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten (PB 1993, L 125, blz. 1), en beschikking 93/324/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de uitbreiding van de toepassing van richtlijn 90/531/EEG tot de Verenigde Staten van Amerika (PB 1993, L 125 blz. 54),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 november 1995,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 juli 1993, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van besluit 93/323/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten (PB 1993, L 125, blz. 1; hierna: "besluit 93/323"), en beschikking 93/324/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de uitbreiding van de toepassing van richtlijn 90/531/EEG tot de Verenigde Staten van Amerika (PB 1993, L 125, blz. 54; hierna: "beschikking 93/324").
2 Richtlijn 90/531/EEG van de Raad van 17 september 1990 betreffende de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1990, L 297, blz. 1; hierna: "richtlijn 90/531"), is vastgesteld op grondslag van de artikelen 57, lid 2, laatste volzin, 66, 100 A en 113 EEG-Verdrag.
3 Artikel 29 van deze richtlijn luidt als volgt:
"1. Dit artikel is van toepassing op aanbiedingen die produkten bevatten van oorsprong uit derde landen waarmee de Gemeenschap niet in multilateraal of bilateraal kader een overeenkomst heeft gesloten die de communautaire ondernemingen op vergelijkbare wijze daadwerkelijk toegang verschaft tot de markten van deze derde landen, zulks onverminderd de verplichtingen van de Gemeenschap of van haar Lid-Staten ten aanzien van derde landen.
2. Iedere aanbieding die wordt ingediend met het oog op de gunning van een opdracht voor leveringen, kan worden afgewezen wanneer het aandeel van de uit derde landen afkomstige goederen, waarvan de oorsprong wordt vastgesteld overeenkomstig verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3860/87, meer dan 50 % uitmaakt van de totale waarde van de goederen waarop deze aanbieding betrekking heeft. Voor de toepassing van dit artikel wordt de programmatuur die in de apparatuur voor telecommunicatienetten wordt gebruikt, beschouwd als goederen.
3. Behoudens het in lid 4 bepaalde wordt, wanneer twee of meer aanbiedingen volgens de gunningscriteria van artikel 27 gelijkwaardig zijn, de voorkeur gegeven aan de aanbieding die niet krachtens lid 2 kan worden afgewezen. Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de aanbieding als gelijkwaardig beschouwd, indien het prijsverschil niet meer bedraagt dan 3 %.
4. Aan een aanbieding zal echter niet overeenkomstig lid 3 de voorkeur worden gegeven indien de aanbestedende dienst hierdoor genoodzaakt zou zijn apparatuur aan te schaffen met technische kenmerken die afwijken van de bestaande apparatuur, en dit tot onverenigbaarheid of tot technische moeilijkheden bij het gebruik of het onderhoud zou leiden of buitensporige kosten met zich zou brengen.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden voor de bepaling van het in lid 2 bedoelde aandeel van uit derde landen afkomstige goederen, de derde landen buiten beschouwing gelaten ten gunste waarvan de toepassing van deze richtlijn bij een besluit van de Raad overeenkomstig lid 1 is uitgebreid.
6. De Commissie brengt jaarlijks en voor de eerste keer tijdens de tweede helft van 1991 bij de Raad verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de multilaterale of bilaterale onderhandelingen over de toegang van de communautaire ondernemingen tot de markten van de derde landen op de onder deze richtlijn vallende gebieden, over alle ingevolge deze onderhandelingen bereikte resultaten, alsmede over de daadwerkelijke toepassing van alle gesloten overeenkomsten.
In het licht van deze ontwikkelingen kan de Raad, op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de bepalingen van dit artikel wijzigen."
4 Op 10 mei 1993 stelde de Raad besluit 93/323 en beschikking 93/324 vast op grondslag van artikel 113 van het Verdrag.
5 Bij besluit 93/323 ging de Raad namens de Gemeenschap over tot goedkeuring van de Overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten (hierna: "overeenkomst").
6 Ingevolge artikel 1 van de overeenkomst is deze van toepassing op opdrachten voor leveringen, werken en andere diensten, geplaatst door de aanbestedende instanties die, wat de Gemeenschap betreft, zijn genoemd in bijlage 1 bij de overeenkomst, en op opdrachten betrekking hebbend op leveringen en werken, geplaatst door de aanbestedende instanties die, wat de Gemeenschap betreft, in bijlage 3 bij de overeenkomst zijn genoemd.
7 Artikel 2, lid 1, van de overeenkomst bepaalt, dat de Gemeenschap voor het plaatsen van opdrachten tegen een hoger bedrag dan bepaalde drempelbedragen door in bijlage 1 genoemde diensten, op de leveranciers, inschrijvers en dienstverrichters uit de Verenigde Staten en op de goederen en diensten van oorsprong uit de Verenigde Staten, de procedures toepast die zijn neergelegd in de richtlijnen van de Raad 77/62/EEG van 21 december 1976 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1977, L 13, blz. 1), 92/50/EEG van 18 juni 1992 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, blz. 1), en 71/305/EEG van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1971, L 185, blz. 5).
8 Aangaande de leveringen en werken betreffende de sector van de produktie, het vervoer en de distributie van elektriciteit, verplicht artikel 3, lid 1, eerste zinsnede, van de overeenkomst de Gemeenschap, bij de plaatsing door de in bijlage 3 bij de overeenkomst genoemde diensten richtlijn 90/531 ook toe te passen op goederen, leveranciers en inschrijvers uit de Verenigde Staten; ingevolge artikel 3, lid 1, tweede zinsnede, dient zij deze goederen, leveranciers en inschrijvers onder de toepassing te brengen van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1992, L 76, blz. 14).
9 Overeenkomstig deze verplichtingen wordt in artikel 1 van beschikking 93/324 de toepassing van richtlijn 90/531 uitgebreid tot aanbiedingen die produkten bevatten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en die worden ingediend met het oog op de gunning van overheidsopdrachten voor leveringen door aanbestedende instanties die zijn opgenomen in bijlage 3 bij de overeenkomst.
10 Het Parlement baseert zijn beroep op schending van het Verdrag en de wezenlijke vormvoorschriften daarvan, op grond dat besluit 93/323 en beschikking 93/324 uitsluitend zijn gebaseerd op artikel 113 van het Verdrag, met miskenning van de bepalingen die de betrokken materies beheersen. Wat meer in het bijzonder beschikking 93/324 betreft, betoogt het Parlement dat deze wijziging brengt in de gevolgen van richtlijn 90/531, die in samenwerking met het Parlement is vastgesteld op grondslag van de artikelen 57, 66, 100 A, naast artikel 113, dat thans als enige rechtsgrondslag van deze beschikking fungeert.
11 Volgens de Raad is artikel 113 van het Verdrag de passende rechtsgrondslag voor de vaststelling van besluit 93/323 en beschikking 93/324, aangezien de in de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, laatste zinsnede, van de overeenkomst vervatte verplichtingen ondergeschikt zijn aan de verplichting neergelegd in de eerste zinsnede, die uitsluitend beoogt, de buitenlandse handel van de Gemeenschap in de zin van artikel 113 te regelen.
12 De vraag of besluit 93/323 en beschikking 93/324 een wijziging van richtlijn 90/531 betekenen, zoals het Parlement stelt, of een uitbreiding van de toepassing van deze richtlijn tot een derde land, waarop artikel 29, lid 5, van de richtlijn betrekking heeft, is volgens de Raad voor de geldigheid van dit besluit en deze beschikking niet van belang.
13 Aangezien hun voornaamste doelstelling immers enkel is, de communautaire voorkeursbehandeling bedoeld in artikel 29, lid 5, buiten werking te stellen ten aanzien van bepaalde aanbiedingen die goederen van oorsprong uit de Verenigde Staten bevatten, zou de procedure voor de vaststelling van dit besluit en deze beschikking dezelfde moeten zijn, of zij nu worden gezien als een wijziging van artikel 29 van de richtlijn of als een uitbreiding van de toepassing van de richtlijn.
14 De Raad merkt op, dat de rechtsgrondslag in het eerste geval artikel 29, lid 6, van de richtlijn zou zijn, en in het tweede geval artikel 113 van het Verdrag. In beide gevallen zou hij op voordracht van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten beslissen, zonder enige tussenkomst van het Parlement.
15 In deze omstandigheden zou de eventuele onwettigheid van de door hem gemaakte keus tussen deze twee rechtsgrondslagen slechts een zuiver formeel gebrek zijn, dat niet tot nietigheid van de beschikking en het besluit kan leiden. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest van 27 september 1988 (zaak 165/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5545, r.o. 19).
16 De Commissie ondersteunt de conclusies van de Raad en herinnert eraan, dat zij artikel 113 als rechtsgrondslag voor besluit 93/323 had voorgesteld, omdat naar haar oordeel de in deze bepaling beoogde handelspolitiek, om de in haar memorie in interventie uiteengezette redenen, zowel de handel in goederen als die in diensten omvat.
De ontvankelijkheid
17 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 28 juni 1994, zaak C-187/93, Parlement/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-2857, r.o. 14) het Parlement bij het Hof beroep tot nietigverklaring van een handeling van de Raad of de Commissie kan instellen, mits dit beroep slechts strekt tot eerbiediging van zijn prerogatieven en slechts berust op middelen die aan schending van deze prerogatieven zijn ontleend.
18 In casu stelt het Parlement, dat besluit 93/323 en beschikking 93/324 niet enkel hadden moeten worden vastgesteld op grondslag van artikel 113, maar tevens op basis van de artikelen 57, lid 2, 66 en 100 A van het Verdrag, die, vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, anders dan artikel 113, de samenwerkingsprocedure met het Parlement voorschreven. Door het besluit en de beschikking alleen op grondslag van artikel 113 vast te stellen, zou de Raad dit prerogatief hebben geschonden.
19 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het beroep van het Parlement ontvankelijk is.
20 Het Europees Parlement verzoekt overeenkomstig artikel 37, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat het verzoek tot interventie van de Commissie, dat bij beschikking van de president van het Hof van 8 november 1993 is ingewilligd, niet-ontvankelijk wordt verklaard, voor zover de Commissie een uitlegging van artikel 113 voorstaat die lijnrecht tegenover die van de Raad staat.
21 Deze exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
22 Immers, ofschoon de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd vóór de keuze van artikel 113 van het Verdrag als rechtsgrondslag van besluit 93/323, een strekking hebben die aanzienlijk verschilt van de argumenten van de Raad op dit punt, eerbiedigen de conclusies van het verzoekschrift in interventie de bewoordingen van artikel 37, derde alinea, van het Statuut, daar zij slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van de Raad.
De gegrondheid
23 Volgens vaste rechtspraak moet in het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Daartoe behoren met name het doel en de inhoud van de handeling (zie onder meer arrest Parlement/Raad, reeds aangehaald, r.o. 17).
24 Wat het doel betreft, blijkt in de eerste plaats uit de aanhef van de bij besluit 93/323 goedgekeurde overeenkomst, dat daarmee, overeenkomstig de door de partijen bij de multilaterale overeenkomst van het GATT inzake overheidsopdrachten reeds aangegane verbintenissen en ter vergemakkelijking van de totstandkoming van een nieuwe multilaterale overeenkomst over dit onderwerp, wordt beoogd, op bilateraal niveau en op basis van wederkerigheid bepaalde verplichtingen te aanvaarden om hun overheidsopdrachten open te stellen.
25 Daartoe voorziet de overeenkomst in een openstelling van de overheidsopdrachten van de twee overeenkomstsluitende partijen, die niet meer beperkt is tot de aankoop van goederen en eventuele bij de levering daarvan behorende diensten, zoals het geval was in de multilaterale overeenkomst van het GATT inzake overheidsopdrachten, op basis van artikel 113 van het Verdrag goedgekeurd bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt (PB 1980, L 71, blz. 1).
26 Integendeel, volgens artikel 1, lid 1, van de overeenkomst is deze van toepassing op opdrachten voor leveringen, werken en andere diensten, die zijn geplaatst door de instanties die in bijlagen 1 en 2 zijn genoemd, en op opdrachten betreffende goederen en werken wanneer deze zijn geplaatst door de instanties die in bijlagen 3 en 4 bij de overeenkomst zijn genoemd. Volgens artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de overeenkomst heeft de term "andere diensten" betrekking op opdrachten die met name de levering beogen van een of meer diensten bedoeld in de bijlagen 5 en 6 bij de overeenkomst, waartoe met name behoren de diensten betreffende onderhoud, herstel, vervoer, gegevensverwerking, reclame en boekhouding.
27 Mitsdien regelt de overeenkomst tevens op autonome wijze de verrichting van diensten.
28 Beschikking 93/324 heeft volgens de tweede en derde overweging van de considerans tot doel, de toepassing van richtlijn 90/531 uit te breiden tot de door de overeenkomst omvatte overheidsopdrachten.
29 Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak van het Hof, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht enkel grensoverschrijdende dienstverrichtingen binnen de werkingssfeer van artikel 113 van het Verdrag vallen (advies 1/94 van 15 november 1994, Jurispr. 1994, blz. I-5267, punt 53).
30 Aangezien zowel de dienstverrichtingen bedoeld in besluit 93/323, waarbij de overeenkomst is goedgekeurd, als die bedoeld in beschikking 93/324, waarbij de toepassing van richtlijn 90/531 is uitgebreid tot onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten, zich niet alleen voordoen in geval van een grensoverschrijdende dienstverrichting die geen verplaatsing van personen meebrengt, maar ook wanneer dienstverrichtingen plaatsvinden dankzij het feit dat zich op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij een handelsonderneming of een natuurlijke persoon bevindt, moet derhalve worden geconcludeerd, dat besluit 93/323 en beschikking 93/324 niet uitsluitend op artikel 113 van het Verdrag hadden mogen worden gebaseerd.
31 Mitsdien moeten besluit 93/323 en beschikking 93/324 nietig worden verklaard.
De beperking van de gevolgen van de nietigverklaring
32 De Raad heeft het Hof verzocht, de gevolgen van een eventuele nietigverklaring van het besluit en de beschikking te beperken, tegen welk verzoek het Parlement geen bezwaar heeft ingebracht.
33 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat indien besluit 93/323 en beschikking 93/324 zonder meer nietig werden verklaard, zulks de uitoefening van de eruit voortvloeiende rechten nadelig zou beïnvloeden.
34 Daarnaast moet in aanmerking worden genomen, dat de overeenkomst op 30 mei 1995 is geëindigd.
35 In deze omstandigheden rechtvaardigen zwaarwegende overwegingen van rechtszekerheid, vergelijkbaar met die in geval van nietigverklaring van bepaalde verordeningen, dat het Hof gebruik maakt van de bevoegdheid die artikel 174, lid 2, EEG-Verdrag hem toekent in geval van nietigverklaring van een verordening, en dat het aangeeft, welke gevolgen van het besluit en de beschikking moeten worden gehandhaafd.
36 In de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval moeten alle gevolgen van het nietig verklaarde besluit en de nietig verklaarde beschikking worden gehandhaafd.
Kosten
37 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, zullen de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk, die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer)
rechtdoende, verklaart:
1) Besluit 93/323/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten, en beschikking 93/324/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende de uitbreiding van de toepassing van richtlijn 90/531/EEG tot de Verenigde Staten van Amerika, worden nietig verklaard.
2) De gevolgen van het nietig verklaarde besluit en de nietig verklaarde beschikking worden gehandhaafd.
3) De Raad wordt in de kosten verwezen.
4) De Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk zullen hun eigen kosten dragen.