Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61981CC0250

Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 15 juli 1982.
Greek Canners Association en anderen tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Nietigverklaring van een verordening van de Commissie.
Zaak 250/81.

Jurisprudentie 1982 -03535

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1982:278

CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL

SIR GORDON SLYNN

VAN 15 JULI 1982 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Verzoeksters in de onderhavige zaak zijn een vereniging van Griekse conservenfabrikanten en twee Griekse producenten van tomatenconcentraat. Zij vorderen nietigverklaring van verordening nr. 1962/81 van de Commissie van 10 juli 1981 (PB L 192 van 1981, blz. 13), voor zover daarbij voor het verkoopseizoen 1981-1982 de coëfficiënten zijn vastgesteld die in Griekenland moeten worden toegepast op het bedrag van de steun bij de produktie voor tomatenconcentraat. De Commissie heeft vooraf een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het is enkel exceptie waarmee wij ons thans hebben bezig te houden.

De artikelen 2bis, 3bis, 3ter en 3quater van verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 (PB L 73 van 1977, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1152/78 van de Raad van 30 mei 1978 (PB L 144 van 1978, blz. 1), voorzien in een stelsel van steun bij de produktie voor, onder meer, tomatenconcentraat. Dit stelsel is van toepassing bij contracten tussen een verwerkend bedrijf en de teler inzake de aankoop in een bepaalde periode van een bepaalde hoeveelheid tomaten tegen een overeengekomen prijs. Voor leveranties krachtens deze contracten moet het verwerkend bedrijf de teler een minimumprijs betalen, die overeenkomstig artikel 3bis, lid 3, wordt berekend en voor het begin van elk verkoopseizoen wordt vastgesteld. Het verwerkend bedrijf ontvangt dan een steun bij de produktie, ter overbrugging van het prijsverschil tussen de communautaire produkten en produkten uit derde landen. Bij de vaststelling van de prijzen van de communautaire produkten wordt rekening gehouden met de minimumprijs en de verwerkingskosten, waarbij de bedrijven met de hoogste kosten buiten beschouwing blijven.

Voor het verkoopseizoen 1981-1982 werd de aan de telers te betalen minimumprijs voor tomaten, bestemd voor de vervaardiging van tomatenconcentraat, alsook de aan de verwerkende bedrijven te betalen steun bij de produktie vastgesteld bij artikel 1 van de verordening nr. 1963/81 van de Commissie van 10 juli 1981 (PB L 192 van 1981, blz. 16). Voor Griekenland werd een lagere prijs vastgesteld dan voor de andere Lid-Staten. Genoemd artikel bepaalde tevens, dat de in artikel 3bis van verordening nr. 516/77 bedoelde steun bij de produktie zou gelden voor tomatenconcentraat van een bepaalde kwaliteit (dat wil zeggen met een bepaald drogestofgehalte) en in een bepaalde verpakking (namelijk in onmiddellijke verpakking van tenminste 1,5 kg).

In de considerans van verordening nr. 1962/81 van de Commissie van 10 juli 1981 (PB L 192 van 1981, blz. 13) wordt overwogen, dat voor tomatenconcentraat bij de toepassing van de coëfficiënten waarmee het steunbedrag voor een produkt waarvan de handelskenmerken zijn omschreven, moet worden vermenigvuldigd, is gebleken „dat voor de laagste en voor de noogste concentraties coëfficiënten moeten worden vastgesteld die in sterkere mate zijn gekoppeld aan het drogestofgehalte van de betrokken produkten”, en „dat voor de toepassing van [de] coëfficiënten ... naar gelang van de verpakking een maximumverhouding moet worden vastgesteld tussen het nettogewicht en het gewicht inclusief onmiddellijke verpakking.”

Het bedrag van de steun bij de produktie voor andere kwaliteiten en verpakking moest worden bepaald aan de hand van een in bijlage I bij verordening nr. 1962/81 opgenomen coëfficiënt. Beide verordeningen waren verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

In hun beroep op het Hof stellen verzoeksters, dat verordening nr. 1962/81 onwettig of gebrekkig is, in zoverre zij de produktiekosten voor de kleine verpakkingen van minder dan 1,5 kg niet in aanmerking neemt. Ook wordt niet voldoende aandacht besteed aan het verschil in de produktiekosten voor kleine verpakkingen in Griekenland en in andere Lid-Staten. Dit, zo zeggen zij, vormt een inbreuk op artikel 103 Toetredingsakte Griekenland (PB L 291 van 1979, blz. 17). Dit artikel bepaalt, dat gedurende de eerste zes verkoopseizoenen na de toetreding bijzondere bepalingen gelden voor de berekening van de maatstaven voor steun bij de produktie voor op basis van fruit en groenten verwerkte Griekse produkten. Het bedrag van de steun moet zodanig worden vastgesteld, dat het verschil tussen het prijsniveau van produkten uit derde landen en het prijsniveau van de Griekse produkten wordt gecompenseerd, en bij de bepaling ervan moet rekening worden gehouden met de vastgestelde minimumprijs en de in Griekenland geldende verwerkingskosten, waarbij de bedrijven met de hoogste kosten buiten beschouwing blijven.

Het betoog van verzoekster komt erop neer, dat de Commissie niet ermee kon volstaan, de Griekse verwerkingskosten slechts één keer in aanmerking te nemen, namelijk bij het bepalen van de prijs van tomatenconcentraat van standaardkwaliteit en in standaardverpakking, zij had dat ook moeten doen bij het opstellen van de coëfficiëntentabel, inzonderheid voor wat de kosten van kleinere verpakkingen dan het standaardformaat betreft. De tweede en de derde verzoekster betogen dat zij als verwerkende bedrijven het slachtoffer zijn van dit verzuim van de Commissie, terwijl de eerste verzoekster verklaart dat zij, als ondernemersvereniging de belangen van de gehele Griekse conservenindustrie behartigt.

Het beroep strekt niet tot de nietigverklaring van verordening nr. 1963/81. Ter terechtzitting wekten verzoeksters nu en dan de indruk ook op nietigverklaring van deze verordening uit te zijn. Mijns inziens konden zij dit in dat stadium niet meer doen. Subsidiair stellen zij dat, zo verordening nr. 1962/81 wordt nietigverklaard, verordening nr. 1963/81, die daarmee onverbrekelijk is verbonden, als gevolg daarvan ook moet vervallen. Hun aanval is dus niet zozeer gericht tegen de hoofdverordening, als wel tegen de verordening die daarvan een uitvloeisel is.

Wil het beroep ontvankelijk zijn, dan dient verordening nr. 1962/81 gekwalificeerd te kunnen worden als een beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt.

Op het eerste gezicht hebben wij hier te doen met een algemene normatieve maatregel tot vaststelling van de coëfficiënten voor alle in de^ Gemeenschap geproduceerde tomatenconcentraat. Zo gezien, lijkt het duidelijk een verordening te zijn en niet een „beschikking” in de eigenlijke zin van het woord. Maar wanneer men ervan uitgaat, dat een beschikking als een verordening kan worden „verpakt”, kan dan hier worden gezegd dat verzoeksters rechtstreeks en individueel door het bepaalde worden geraakt?

Wat de twee conservenfabrikanten betreft, deze worden duidelijk rechtstreeks geraakt door de „verordening”, aangezien deze gevolgen heeft voor de activiteiten en de rechten van deze twee bedrijven.

Kan men stellen dat de verordening deze twee bedrijven „individueel raakt”? Deze uitdrukking is in tal van zaken voor het Hof aan de orde geweest. Ik interpreteer deze zaken zo, dat het antwoord op de vraag moet worden gevonden door na te gaan of de „beschikking” werkelijk een bepaalde bestaande en identificeerbare persoon of groep van personen betreft en of, ingeval het om een groep gaat, deze op het moment van inwerkingtreding van de verordening, duidelijk valt af te bakenen. Zo'n groep moet werkelijk een specifieke groep zijn, onderscheiden van de algemeenheid van personen of zelfs van de op een bepaald gebied actieve handelaars. Hoe ruimer de groep waartoe de handeling is gericht, des te waarschijnlijker dat het een „verordening” en geen „individuele” beschikking is, ook al wordt de groep als geheel er „rechtstreeks” door geraakt. Wanneer daarentegen de maatregel de rechtspositie van de persoon of de groep beïnvloedt „uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert”, is het een beschikking (zie zaak 100/74, C.A.M., Jurispr. 1975, blz. 1393, 1403 en 1411; gevoegde zaken 103-109/78, Société des Usines de Beauport e. a., Jurispr. 1979, blz. 17, 30). De toets komt overeen met die welke wordt aangelegd bij een tot één persoon gerichte beschikking, waarvan wordt gesteld dat zij een andere persoon rechtstreeks en individueel raakt (zie bijvoorbeeld zaak 62/70, Bock, Jurispr. 1971, blz. 897, 908; zaak 88/76, Suiker Export, Jurispr. 1977, blz. 709, 725; zaak 40/64, Sgarlala, Jurispr. 1965, blz. 267, 282-283).

Een verordening die voor alle handelaars geldt, of voor alle handelaars in een bepaalde sector in de gehele Gemeenschap zal, mijns inziens, gewoonlijk geen beschikking zijn die hen individueel raakt in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag (zaak 30/67, Molitoria, Jurispr. 1968, blz. 163, 173).

In het onderhavige geval ondervinden alle in de betrokken sector actieve handelaars de gevolgen van de vastgestelde coëfficiënten, ook al zijn bij verordening nr. 1963/81 voor Griekenland andere prijzen vastgesteld dan voor de andere Lid-Staten. Bovendien geldt de verordening niet slechts voor een specifieke groep ondernemingen, namelijk alleen die welke bestonden op het moment van vaststelling van de verordening. Zij geldt evenzeer voor ieder ander die, na de inwerkingtreding ervan, gedurende het betrokken verkoopseizoen onder de beschreven omstandigheden tomaten zou gaan telen of verwerken. Dat geldt zowel voor de Gemeenschap in haar geheel, als voor de Griekse handelaars als afzonderlijke groep. Zelfs het feit dat het wellicht mogelijk is het aantal en de identiteit van de producenten op elk willekeurig moment vast te stellen, maakt mijns inziens van deze algemene maatregel geen individuele beschikking in de zin van artikel 172.

Ik meen dan ook dat het beroep van de twee conservenfabrikanten niet ontvankelijk is.

De eerste verzoekster geeft niet nauwkeurig aan, hoe zij door de bestreden verordening wordt geraakt, afgezien dan van haar verklaring, dat zij de belangen van de Griekse conservenfabrikanten behartigt. Aan het Hof is niet meegedeeld, hoeveel Griekse conservenfabrikanten zij vertegenwoordigt. In een eerder arrest heeft het Hof evenwel het beginsel verworpen, dat een vereniging, als vertegenwoordiger van een groep handelaars, individueel kan worden geraakt door een maatregel die de algemene belangen van die groep betreft. Gelijk overwogen in de gevoegde zaken 16 en 17/62 (Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e. a., Jurispr. 1962, blz. 941, 960), zou „dit beginsel, dat tot gevolg zou hebben dat de belangen van de leden van een groep, die als zodanig door verordeningen in eigenlijke zin worden getroffen, bij één enkel rechtssubject worden geconcentreerd, inbreuk maken op het systeem van het Verdrag, dat het beroep tot nietigverklaring van particulieren alleen toelaat tegen individuele beschikkingen die tot hen zijn gericht, of tegen handelingen die hen op soortgelijke wijze raken” (zie ook zaak 72/74, Union Syndicale, Jurispr. 1975, blz. 401, 410). In elk geval heeft de eerste verzoekster niet gesteld, dat de bestreden verordening haar leden op andere wijze raakt dan het geval is met de tweede en derde verzoekster. Aangezien de bestreden verordening om de genoemde redenen de tweede en de derde verzoekster niet individueel raakt, kan de eerste verzoekster niet stellen dat zij, omdat zij de belanghebbende handelaars vertegenwoordigt, door dezelfde verordening individueel wordt geraakt.

Zou verordening nr. 1962/81 worden nietigverklaard, dan is toepassing van een coefficient op de in verordening nr. 1963/81 vastgestelde steun niet meer mogelijk. Hieruit volgt evenwel niet, dat verordening nr. 1963/81 zelf daardoor haar gelding zou verliezen. Op dit punt behoeft echter niet nader te worden ingegaan, indien — gelijk ik meen — de vordering met betrekking tot verordening nr. 1962/81 niet-ontvankelijk is.

Op deze gronden concludeer ik tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en tot verwijzing van verzoeksters in de kosten.


( 1 ) Vermid uit het Engels.

Top