This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61981CC0196
Opinion of Mr Advocate General Reischl delivered on 1 April 1982. # Provveditorie Marittime S. Giacomo SpA v Amministrazione delle Finanze dello Stato - Dogana di Genova. # Reference for a preliminary ruling: Tribunale civile e penale di Genova - Italy. # Export levies on sugar - Date on which they become payable. # Case 196/81.
Conclusie van advocaat-generaal Reischl van 1 april 1982.
Provveditorie Marittime S. Giacomo SpA tegen Administratie van de Staatsfinanciën - Douanekantoor Genua.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunale te Genua - Italië.
Uitvoerheffing voor suiker - Tijdstip van opeisbaarheid.
Zaak 196/81.
Conclusie van advocaat-generaal Reischl van 1 april 1982.
Provveditorie Marittime S. Giacomo SpA tegen Administratie van de Staatsfinanciën - Douanekantoor Genua.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunale te Genua - Italië.
Uitvoerheffing voor suiker - Tijdstip van opeisbaarheid.
Zaak 196/81.
Jurisprudentie 1982 -01973
ECLI identifier: ECLI:EU:C:1982:123
CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 1 APRIL 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Artikel 16 van verordening nr. 1009/67 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB nr. 308 van 1967, blz. 1) bepaalde in de versie van verordening nr. 607/72 (PB L 75 van 1972, blz. 4), dat indien de cifprijs voor witte suiker of ruwe suiker — die door de Commissie overeenkomstig verordening nr. 784/68 (PB L 145 van 1968, blz. 10) wordt vastgesteld — hoger is dan de drempelprijs — dat wil zeggen de overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1009/67 vastgestelde prijs — bij uitvoer van het betrokken produkt een heffing wordt toegepast, gelijk aan het verschil tussen deze prijzen. Ook bepaalde het, dat wanneer het gevaar bestaat dat de suikervoorziening van de Gemeenschap, of van een van de gebieden van de Gemeenschap, niet meer kan geschieden tegen een prijspeil dat wordt begrensd door de drempelprijs, bij uitvoer van het betrokken produkt een speciale heffing kan worden toegepast; in dat geval vervalt eerstgenoemde heffing. Verder was volgens deze bepaling de eventueel toe te passen heffing of speciale heffing, „behoudens door de Raad ... vastgestelde andersluidende bepalingen, ... die welke op de dag van uitvoer geldt.”
Ingevolge artikel 1 van verordening nr. 608/72 tot vaststelling van de in de sector suiker bij een aanmerkelijke stijging van de wereldmarktprijzen toe te passen regels (PB L 75 van 1972, blz. 5), wordt de speciale heffing vastgesteld volgens de procedure van artikel 40 van verordening nr. 1009/67, dat wil zeggen de procedure van het beheerscomité. Artikel 1 bepaalt ook dat de heffing bij wege van openbare inschrijving kan worden vastgesteld en in uiterst dringende gevallen door de Commissie wordt bepaald.
Bij verordening nr. 3150/73 van de Commissie (PB L 321 van 1973, blz. 16) werd een speciale uitvoerheffing vastgesteld. Bepalingen omtrent de toepassing daarvan zijn neergelegd in verordening nr. 1076/72 van de Commissie (PB L 121 van 1972, blz. 22), die in artikel 3 — dat volgens artikel 1 ook voor de speciale heffingen bij uitvoer geldt — bepaalt:
|
„1. |
Behalve in de gevallen waarin de speciale heffing bij uitvoer wordt bepaald in het kader van een openbare inschrijving, zijn de in artikel 1 bedoelde heffingen die, welke gelden op de dag waarop de in artikel 8, lid 2, tweede alinea, sub b, van verordening (EEG) nr. 1373/70 bedoelde douaneformaliteiten worden vervuld. |
|
2. |
De heffingen worden geïnd door de Lid-Staat op wiens grondgebied de in lid 1 bedoelde formaliteiten worden vervuld. Zijn zijn uiterlijk op het ogenblik waarop voornoemde formaliteiten worden vervuld, eisbaar.” |
Genoemde verordening nr. 1373/70 (PB L 158 van 1970, blz. 1) beschouwt als de dag waarop de in artikel 8, lid 2, tweede alinea, sub b, bedoelde douaneformaliteiten zijn vervuld, de dag waarop door de douane de verklaring wordt aanvaard waarbij de aangever zijn wil kenbaar maakt om de betrokken produkten uit te voeren (artikel 15, lid'5, sub b).
Verzoekster in het hoofdgeding, een leverancier van scheepsbenodigdheden te Genua, exporteerde in de tweede helft van 1974 enkele partijen suiker naar Zwitserland. Er zou hierbij sprake zijn geweest van oorspronkelijk voor de bevoorrading van schepen bestemde produkten van uiteenlopende herkomst, die in een particulier entrepot van verzoekster in Genua waren opgeslagen. Verzoekster beweert dat zowel zij als de bij de export ingeschakelde transportonderneming bij de douane hebben geïnformeerd, of bij levering aan kopers in een derde land gemeenschapsheffingen verschuldigd waren; dit zou zijn ontkend. Ook bij de vervulling van de douaneformaliteiten zou officieel zijn bevestigd dat geen heffingen verschuldigd waren; bij die gelegenheid werden althans geen uitvoerheffingen opgelegd. Begin 1975 deelde de douane verzoekster echter mee, dat bij vergissing geen heffingen waren opgelegd en dat zij de suiker weer in de Gemeenschap moest binnenbrengen of de heffingen moest betalen. Omdat verzoekster dit weigerde, werden dwangbevelen tegen haar uitgevaardigd en executiemaatregelen genomen.
Naar aanleiding hiervan wendde verzoekster zich tot het Tribunale te Genua, waar zij zich voor haar stelling dat de heffingsbeschikkingen onrechtmatig waren, beriep op artikel 3, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1076/72, volgens hetwelk de heffingen uiterlijk eisbaar worden op het ogenblik waarop de douaneformaliteiten worden vervuld. Verder beriep zij zich op artikel 15 van verordening nr. 1373/70, dat in lid 5, sub b, als dag waarop de douaneformaliteiten zijn vervuld, de dag aanmerkt waarop door de douane de verklaring wordt aanvaard waarbij de aangever zijn wil kenbaar maakt om bepaalde produkten uit te voeren of onder douanecontrole te plaatsen. Hieruit zou volgen dat de heffing had moeten worden opgelegd toen zij om toestemming voor de uitvoer vroeg. Volgens genoemde gemeenschapsbepalingen zou de niet-uitoefening van dit recht door de douane leiden tot verval van de aanspraak op de heffingen.
Volgens verweerster kan men uit deze bepalingen echter enkel afleiden, dat op de dag waarop het douanekantoor de uitvoerverklaring in ontvangst neemt, de voorwaarden voor de verplichting tot afdracht worden vervuld; hierdoor worden de heffingen dus opeisbaar, doch betaling en inning kunnen — zoals gewoonlijk — ook later plaatsvinden. Het ware ondenkbaar — want vreemd aan de rechtsorde van alle Lid-Staten — dat op het moment dat de heffing bepaalbaar wordt — voor de omvang van de heffing is volgens artikel 3 van verordening nr. 1076/72 eveneens de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bepalend —, het recht bij niet-uitoefening zou vervallen. Er moet volgens haar hoe dan ook van worden uitgegaan, dat bij heffingen geen verval van rechten optreedt omdat, althans naar Italiaans recht, hier alleen verjaring in aanmerking komt.
Bij beschikking van 25 mei 1981 schorste het Tribunale de procedure, om opheldering te krijgen over de vraag, hoe in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1076/72 in de zin „zij zijn uiterlijk op het ogenblik waarop voornoemde formaliteiten worden vervuld, eisbaar” het woord „uiterlijk” moet worden uitgelegd, en met name of dit woord betrekking heeft op het moment van de vaststelling van het bedrag van de heffing of op het aanvangs- dan wel eindtijdstip van de opeisbaarheid in eigenlijke zin.
Ik zou hierover het volgende willen opmerken:
|
1. |
De Italiaanse regering en de Commissie menen, dat de in de verwijzingsbeschikking genoemde zin uit artikel 3 van verordening nr. 1076/72 niet tot uitdrukking wil brengen dat, wanneer op het moment van de vervulling van de douaneformaliteiten geen heffingen worden opgelegd, verval van recht intreedt en naheffing dus uitgesloten is. Hierbij sluit ik mij aan, en wel om de volgende redenen:
|
|
2. |
Thans blijven nog enkele nadere vragen van verzoekster over, die geen betrekking hebben op de uitvoer als zodanig, maar op de kwalificatie van de geëxporteerde produkten. Verzoekster heeft er ten eerste op gewezen, dat de geëxporteerde suiker uit haar particulier entrepot kwam. Verder heeft zij aangevoerd dat de suiker bestemd was voor de bevoorrading van schepen, en gesteld dat voor een deel van de suiker de vallei van Aosta, waarvoor een bijzonder regiem geldt, als gebied van herkomst moest worden aangemerkt. Hiermee wil zij kennelijk aangeven, dat zij betwijfelt of de door haar uitgevoerde suiker als gemeenschapssuiker had mogen worden beschouwd, en wil zij duidelijk maken dat de gestelde vraag voor haar geval helemaal niet van belang is, omdat er in het geheel geen heffingsplicht bestond. De vertegenwoordiger van de Italiaanse regering heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bestreden. Hij heeft omstandig uiteengezet, dat de door verzoekster uitgevoerde suiker in ieder geval als gemeenschapssuiker moest worden aangemerkt en dat derhalve de regeling betreffende heffingen bij uitvoer in beginsel terecht daarop is toegepast. De suiker was namelijk aantoonbaar ten dele uit Frankrijk en ten dele uit Denemarken afkomstig. De hoedanigheid van gemeenschapssuiker was ook niet verloren gegaan doordat de suiker oorspronkelijk bestemd was voor de bevoorrading van schepen en in een particulier entrepot was opgeslagen; dit leidde enkel tot vrijstelling van de Italiaanse BTW en de Italiaanse produktiebelasting. Evenmin kon van belang zijn dat een deel van de export via de vallei van Aosta heeft plaatsgevonden, waarvoor een bijzonder belastingregiem geldt; want hiermee zou de suiker geen andere herkomst in de zin van het gemeenschapsrecht hebben gekregen. Wij hoeven nu niet dieper op deze problematiek in te gaan. Niet duidelijk is namelijk, of zij in de nationale procedure al ter sprake is gekomen en of de verwijzende rechter ze wellicht als irrelevant heeft laten rusten. In elk geval gaat het hier om zuiver feitelijke vragen over herkomst en opslag, waarvoor in een prejudiciële procedure zeker geen plaats is. Als verzoekster van de relevantie van genoemde punten overtuigd is, kan zij ze in de nationale procedure opwerpen, en de aangezochte Italiaanse rechter kan dan eventueel, als zij daarvoor een dwingende reden ziet, het Hof uitleggingsvragen terzake voorleggen. |
|
3. |
Ik geef daarom in overweging, de vraag van het Tribunale te Genua te beantwoorden als volgt: De zin „zij zijn uiterlijk op het ogenblik waarop voornoemde formaliteiten worden vervuld, eisbaar” in artikel 3 van verordening nr. 1076/72 moet niet aldus worden begrepen, dat bij niet-oplegging van een heffing op dat „ogenblik” een verval van rechten intreedt, dat naheffing nadien uitsluit. |
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest van 27 maart 1980 (gevoegde zaken 66, 127 en128/79, Salumi, Jurispr. 1980, blz. 1237, op blz. 1263).