This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61978CC0145
Joined opinion of Mr Advocate General Mayras delivered on 15 February 1979. # A.P. Augustijn v Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. # Reference for a preliminary ruling: Raad van State - Netherlands. # Road transport of goods. # Case 145/78. # A.J. Wattenberg v Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. # Reference for a preliminary ruling: Raad van State - Netherlands. # Road transport of goods. # Case 146/78.
Gevoegde conclusies van advocaat-generaal Mayras van 15 februari 1979.
A.P. Augustijn tegen Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Raad van State - Nederland.
Goederenvervoer over de weg.
Zaak 145/78.
A.J. Wattenberg tegen Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Raad van State - Nederland.
Goederenvervoer over de weg.
Zaak 146/78.
Gevoegde conclusies van advocaat-generaal Mayras van 15 februari 1979.
A.P. Augustijn tegen Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Raad van State - Nederland.
Goederenvervoer over de weg.
Zaak 145/78.
A.J. Wattenberg tegen Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Raad van State - Nederland.
Goederenvervoer over de weg.
Zaak 146/78.
Jurisprudentie 1979 -01025
ECLI identifier: ECLI:EU:C:1979:41
CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 15 FEBRUARI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
In de door de rechtbank te Kopenhagen naar U verwezen zaak nr. 21/78, Delkvist, hebt U bij arrest van 29 november 1978 uitspraak gedaan inzake de uitlegging van sommig bepalingen van 's Raads richtlijn nr. 74/562 van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg. Het ging in die zaak om de bepalingen betreffende het ten aanzien van vervoerondernemers gestelde betrouwbaarheidsvereiste.
In de beide door de Nederlandse Raad van State gedane uitleggingsverzoeken gaat het om de uitlegging van 's Raads richtlijn nr. 74/561 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg.
Evenals in de richtlijn voor het personenvervoer, worden er voor toelating tot het beroep drie voorwaarden gesteld (artikel 3):
|
a) |
betrouwbaarheid; |
|
b) |
voldoende financiële draagkracht; |
|
c) |
vakbekwaamheid. |
Van U wordt uitlegging dier vakbekwaamheidseisen gevraagd.
Er zij om te beginnen aan herinnerd, dat volgens artikel 3, lid 4, van richtlijn 74/561 onder vakbekwaamheid is te verstaan het bezit van kennis omtrent de in een bijlage aangegeven onderwerpen, welke kennis wordt vastgesteld door de daartoe per Lid-Staat aangewezen autoriteit of instantie. De nodige kennis kan door het volgen van cursussen of door praktische ervaring in een vervoeronderneming dan wel door een combinatie van beide worden verworven.
Deze beginselen moeten door de Lid-Staten worden toegepast.
De richtlijn geeft echter ook overgangsvoorschriften, die de nationale autoriteiten in staat moeten stellen hun nationale wetgeving aan de communautaire regeling aan te passen.
Die voorschriften, die nader ter sprake komen, zijn vervat in de artikelen 4 en 5.
Wij zullen nu elk van beide zaken behandelen en beginnen met een kort overzicht van de feiten die tot de bodemgeschillen hebben geleid.
|
I — |
De eerste zaak is aanhangig gemaakt door de heer Arianus Petrus Augustijn, geboren in 1927. Onbetwist staat vast dat hij sedert meer dan 30 jaren goederen over de weg heeft vervoerd, eerst in het door zijn vader opgerichte familiebedrijf en nadien — sedert 1948 — in de vennootschap onder de firma Gebroeders Augustijn, die aanvankelijk vier vennoten kende, te weten appellant en zijn drie broers en in 1956 een vergunning voor ongeregeld goederenvervoer kreeg; het laadvermogen werd laatstelijk op 52 ton bepaald. Nadat twee der vennoten zich in 1969 respectievelijk 1975 hadden teruggetrokken, bleven verzoeker en zijn broer Martinus de enige vennoten; deze laatste was in het bezit van een voor hem persoonlijk geldende ontheffing van de eis van vakbekwaamheid, in artikel 56 van de Wet Autovervoer Goederen gesteld. Volgens appellant zouden beide vennoten over een eigen wagenpark beschikken en een eigen klantenkring hebben. Wegens financiële moeilijkheden besloten de broers in 1976 uiteen te gaan en dus de vennootschap te ontbinden, om voortaan beide op eigen gelegenheid hun vervoersactiviteiten voort te zetten. Pas op dat ogenblik vroeg Arianus Petrus Augustijn — in een op 22 december 1976 aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat gezonden brief — een ontheffing aan. Bij besluit van 4 juli 1977 heeft deze afwijzend op het verzoek beslist, en wel zulks zowel op grond van artikel 56 van de Wet Autovervoer Goederen als krachtens artikel 4, lid 2, van 's Raads richtlijn nr. 74/561, volgens hetwelk de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten bij wijze van uitzondering in bijzondere gevallen kunnen toestaan dat de exploitatie van een vervoeronderneming definitief wordt voortgezet door een persoon die niet voldoet aan de in artikel 3, lid 1, sub c, bedoelde voorwaarde van vakbekwaamheid, wanneer hij over een praktische ervaring van tenminste drie jaar in het beheer van die onderneming beschikt. Appellant wendde zich toen met een verzoek om nietigverklaring van genoemd besluit tot de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State, die U bij tussenuitspraak van 7 juni 1978, de navolgende prejudiciële vraag heeft gesteld : „Kan de ontheffing van de voorwaarde van vakbekwaamheid ten behoeve van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn nr. 74/561/EEG, alleen worden verleend indien de praktische ervaring is opgedaan in een onderneming die in haar geheel, onder dezelfde juridische structuur wordt voortgezet of is het mogelijk onder voortzetting van de onderneming in de zin van genoemde bepaling mede te verstaan Voortzetting van één of meer afgeronde onderdelen van die onderneming?” Appellant meent dat de richtlijn in zijn geval toepassing mist om de enkele reden dat hij zijn ontheffingsaanvraag heeft ingediend op 22 december 1976, ofwel vóór de inwerkingtreding van de richtlijn, die dus door de Staatssecretaris, geroepen uitsluitend op grond van het destijds geldende recht te beslissen, buiten beschouwing had moeten worden gelaten. Dit eerste argument faalt mijns inziens. Een besluit tot ontheffing van de vakbekwaamheidseis gebaseerd op het begrip voortzetting van de exploitatie ener onderneming — in de zin van artikel 4, lid 2, van de na 1 januari 1977 vastgestelde richtlijn — , kon slechts rechtsgeldig met inaanmerkingneming van de bepalingen der richtlijn worden vastgesteld, ook al ging het om een vóór de inwerkingtreding der richtlijn ingediende ontheffingsaanvraag. Tot een zelfde slotsom kwam de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen en de afdeling Rechtspraak van de Raad van State plaatste zich rechtens op dezelfde grondslag, toen zij meende U de prejudiciële vraag te moeten stellen welke haars inziens met het oog op de beslissing van het geschil tot oplossing moet worden gebracht. Volgens de Nederlandse regering ligt in bedoelde bepaling van de richtlijn besloten dat de ontheffing slechts de onderneming waar aan de vakbekwaamheidseis niet langer is voldaan — en de juist in die onderneming opgedane ervaring — kan betreffen. Men zou, wat de term voortzetting van de exploitatie van een vervoeronderneming betreft, moeten onderscheiden. Bij feitelijke voortzetting zou alleen de juridische structuur der onderneming een wijziging ondergaan: wanneer bij voorbeeld een vennootschap onder firma in een besloten vennootschap wordt omgezet, is het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder de nieuwe structuur als een voortzetting van de exploitatie der oude onderneming te beschouwen. Houdt de onderneming evenwel op te bestaan — om door twee nieuwe bedrijven te worden vervangen — , dan is van voortzetting van de exploitatie der oude, in twee afzonderlijke bedrijven („afgeronde onderdelen”) gesplitste onderneming geen sprake. De Commissie bepleit een hieraan tegengestelde opvatting. Waar artikel 4, lid 2, van de richtlijn een exceptionele, maar blijvende afwijking van de vakbekwaamheidseis inhoudt, is het haars inziens niet doorslaggevend dat de werkzaamheden van de oorspronkelijke onderneming na haar uitbreiding ten dele door twee verschillende ondernemingen wordt voortgezet. Essentieel is haars inziens dat de voor de nieuwe onderneming aansprakelijke personen in de oude onderneming de in bedoelde bepaling van de richtlijn verlangde praktische ervaring hebben opgedaan. Wij kunnen met die extensieve uitlegging niet meegaan. Allereerst zij eraan herinnerd, dat een onderneming in artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn met name wordt omschreven als „elke vereniging of groepering van personen, met of zonder rechtspersoonlijkheid en met of zonder winstoogmerk”. In de tweede plaats houdt artikel 4 als geheel twee uitzonderingen in op het beginsel dat natuurlijke personen die een onderneming voor goederenvervoer over de weg leiden, moeten voldoen aan de vakbekwaamheidseis, in diezelfde richtlijn gesteld. De eerste uitzondering (lid 1) betreft de voorlopige voortzetting van de exploitatie ener onderneming gedurende ten hoogste één jaar, welke periode in naar behoren gemotiveerde speciale gevallen met maximaal zes maanden kan worden verlengd, in geval van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid van de natuurlijke persoon die voldoet aan de in artikel 3, lid 1, sub c, in beginsel gestelde vakbekwaamheidseis. Aan deze eerste uitzondering voegt lid 2 een tweede toe; zij draagt een speciaal karakter en betreft slechts bijzondere gevallen, waarin de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen toestaan dat de exploitatie van de betrokken deondernemingfinitief wordt voortgezet door een persoon die niet voldoet aan de vakbekwaamheidseis, maar in het dagelijks beheer van die onderneming over een praktische ervaring beschikt van tenminste drie jaar. Deze tweede uitzondering moet uiterst restrictief worden uitgelegd, gezien de voorwaarden waaraan de Raad haar toepasselijkheid heeft gebonden:
Ook al mocht de exploitatie onder een nieuwe rechtsvorm worden voortgezet, dan nog kan de uitzondering onzes inziens niet gelden ingeval van ontbinding van de betrokken onderneming met gedeeltelijke voortzetting der werkzaamheden door twee individuele vervoerders, waaraan niet afdoet dat zij in de als zodanig verdwenen onderneming voldoende praktische ervaring hebben opgedaan. Wij menen de vraag dan ook in die zin te moeten beantwoorden, dat het verlenen van vrijstelling van de vakbekwaamheidseisen in een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn nr. 74/561, niet mogelijk is in geval van ontbinding van de onderneming en gedeeltelijke voortzetting der exploitatie door individuele ondernemers. |
|
II — |
Ten aanzien van de zaak 146/78 (Wattenberg) zij allereerst opgemerkt, dat beroepsvervoerders volgens de Wet Autovervoer Goederen en het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen in het bezit moeten zijn van een vakdiploma, afgegeven door een te Rijswijk gevestigde Stichting en bovendien van de Rijksverkeersinspectie een verklaring moeten hebben verkregen dat zij twee jaar tegen vergoeding in een onderneming tot vervoer van goederen praktisch werkzaam zijn geweest. De heer Wattenberg, die niet aan de vakbekwaamheidseis voldoet, is niettemin voor eigen rekening als goederenvervoerder over de weg werkzaam. Voor het eerst in 1967 vroeg hij om een ontheffing van de in artikel 56 van genoemde wet gestelde vakbekwaamheidseis. Nadat op dat verzoek afwijzend was beschikt, diende hij een bezwaarschrift in, dat bij Besluit van 11 juni 1969 ongegrond verklaard werd. Stellig in verband met de inwerkingtreding — per 1 januari 1977 — van 's Raads richtlijn nr. 74/561 diende de heer Wattenberg op 1 februari 1977 opnieuw — bij de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat — een verzoek om ontheffing als voormeld in. Op 4 mei 1977 werd de gevraagde ontheffing verleend, evenwel slechts tot 1 januari 1980. Die beperking werd door de Staatssecretaris onder meer gemotiveerd met een beroep op artikel 5, lid 2, van de richtlijn der Gemeenschap, volgens hetwelk natuurlijke personen die na 31 december 1974 en vóór 1 januari 1978 gemachtigd zijn het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uit te oefenen, zonder dat zij krachtens een nationale regeling hebben bewezen vakbekwaam te zijn, vóór 1 januari 1980 aan de in artikel 3, lid 4, van de richtlijn bedoelde voorwaarde van vakbekwaamheid moeten voldoen. De Staatssecretaris heeft evenwel gemeend ook te moeten wijzen op artikel 4, lid 2, der richtlijn, volgens hetwelk bij wijze van uitzondering in sommige bijzondere gevallen kan worden toegestaan dat de exploitatie van een vervoeronderneming definitief wordt voortgezet door een persoon die niet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid voldoet, maar over een praktische ervaring van tenminste drie jaar in het beheer van de onderneming beschikt. In beroep bij de afdeling rechtspraak van de Raad van State maakte de heer Wattenberg bezwaar tegen het feit dat de ontheffing slechts tot 1 januari 1980 gold met verzoek om een ontheffing voor onbepaalde tijd. De afdeling rechtspraak achtte het voor haar uitspraak van doorslaggevend belang of het nationale gezagsorgaan (verweerder) aan artikel 4, lid 2, van de richtlijn een juiste uitlegging heeft gegeven, toen hij de geldigheidsduur der volgens artikel 5, lid 2, mogelijke ontheffing als voormeld beperkte. Voorts stelde zij vast dat aan artikel 4 niet duidelijk kan worden afgelezen in hoeverre er, buiten de gevallen in artikel 4, lid 1, genoemd, een uitzondering in de zin van lid 2 (dus een definitieve „uitzondering”) kan worden gemaakt. De afdeling rechtspraak stelt U ten slotte vier vragen.
|
Wij concluderen dat U de gestelde vragen in de door ons bedoelde zin zult beantwoorden.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.