Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52026PC0369

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij de Republiek Litouwen en de Republiek Polen worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie partij te worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade, zoals gewijzigd, en om een verklaring af te leggen over de toepassing van de desbetreffende interne regels van het Unierecht

COM/2026/369 final

Brussel, 16.7.2026

COM(2026) 369 final

2026/0199(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

waarbij de Republiek Litouwen en de Republiek Polen worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie partij te worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade, zoals gewijzigd, en om een verklaring af te leggen over de toepassing van de desbetreffende interne regels van het Unierecht


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

In de Europese Unie worden de aansprakelijkheidsregelingen voor kernschade van de lidstaten beheerst door het nationale recht. In 23 van de 27 lidstaten zijn de belangrijkste beginselen van deze regelingen echter ontleend aan twee internationale verdragen, aangenomen onder auspiciën van twee verschillende internationale organisaties, die ervoor hebben gezorgd dat de nationale wetgeving op het gebied van wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade is geharmoniseerd: de Verdragen van Parijs en Wenen.

Deze internationale verdragen, die aan het begin van de jaren zestig van de 20e eeuw tot stand kwamen, werden bijna 25 jaar zonder ingrijpende wijzigingen toegepast.

Het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (hierna “Verdrag van Parijs” genoemd) werd in 1960 in Parijs aangenomen onder auspiciën van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en staat open voor leden van die organisatie en voor andere staten indien de partijen bij het verdrag daarmee instemmen. Het is in de loop der jaren gewijzigd bij verschillende protocollen en aangevuld bij het Verdrag van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 (hierna het “Aanvullend Verdrag van Brussel” genoemd). Het doel van het Aanvullend Verdrag van Brussel was extra middelen ter beschikking te stellen om schade als gevolg van een kernongeval te vergoeden indien de middelen van het Verdrag van Parijs ontoereikend zouden blijken. Het staat alleen open voor de verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Parijs.

Het Verdrag van Parijs en het Aanvullende Verdrag van Brussel zijn laatstelijk gewijzigd bij protocollen van 2004, die op 1 januari 2022 in werking zijn getreden.

Het Verdrag van Wenen inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 1963 (hierna “Verdrag van Wenen” genoemd), dat onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) werd aangenomen, heeft tot doel het nationale recht van de verdragsluitende partijen te harmoniseren door minimumnormen vast te stellen voor de financiële bescherming tegen schade als gevolg van bepaalde vormen van vreedzaam gebruik van kernenergie. Het verdrag is bedoeld om ervoor te zorgen dat alle verdragsluitende partijen beschikken over wet- en regelgeving die in overeenstemming is met de wettelijke regeling inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade waarin het verdrag voorziet. Met het Protocol van 1997 tot wijziging van het Verdrag van Wenen werd beoogd de vergoeding aan slachtoffers voor door kernongevallen veroorzaakte schade te verbeteren. Het protocol is op 4 oktober 2003 in werking getreden.

De verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Parijs zijn geen partij bij het Verdrag van Wenen en omgekeerd. Ondanks hun overeenkomsten voorzagen de Verdragen van Parijs en Wenen niet in één uniforme wettelijke-aansprakelijkheidsregeling voor alle landen die partij zijn bij een van de twee verdragen. De twee verdragen werden onafhankelijk van elkaar toegepast, zodat elk verdrag alleen ten goede kwam aan slachtoffers op het grondgebied van de eigen verdragsluitende partijen.

Daarom werd in 1988 het Gezamenlijk Protocol betreffende de toepassing van de Verdragen van Parijs en Wenen aangenomen om verdragsbetrekkingen tot stand te brengen tussen de verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Wenen en de verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Parijs, alsook om conflicten te voorkomen die konden ontstaan door de gelijktijdige toepassing van beide verdragen op hetzelfde kernongeval. Bijgevolg staat het Gezamenlijk Protocol alleen open voor staten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen of bij het Verdrag van Parijs.

Sinds de inwerkingtreding ervan op 27 april 1992 genieten de staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs of het Verdrag van Wenen, alsmede bij het Gezamenlijk Protocol, de voordelen van beide verdragen. Wanneer zich een kernongeval voordoet waarvoor een exploitant in een staat die partij is bij het Verdrag van Parijs/het Gezamenlijk Protocol aansprakelijk is en schade wordt geleden door slachtoffers in een staat die partij is bij het Verdrag van Wenen/het Gezamenlijk Protocol, zullen die slachtoffers dus in wezen op dezelfde wijze en in dezelfde mate vergoeding van hun schade kunnen vorderen van de aansprakelijke exploitant als wanneer zij slachtoffer waren in een staat die partij is bij het Verdrag van Parijs; het omgekeerde geldt ook.

Het Gezamenlijk Protocol waarborgt dat slechts één van de twee verdragen van toepassing is op een bepaald kernongeval en dat zowel de aansprakelijke exploitant als de hoogte van de aansprakelijkheid worden bepaald door het verdrag waarbij de staat op wiens grondgebied de installatie van de aansprakelijke exploitant zich bevindt, partij is. Het Gezamenlijk Protocol is niet alleen van toepassing op de oorspronkelijke verdragen van Parijs en Wenen, maar ook op alle wijzigingen van beide verdragen die van kracht zijn voor een partij bij het Gezamenlijk Protocol.

Sommige lidstaten van de Europese Unie zijn tot het Verdrag van Parijs toegetreden (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland, Portugal, Slovenië, Spanje, Zweden); Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië zijn partij bij het Verdrag van Wenen.

Vijf lidstaten (Cyprus, Ierland, Luxemburg, Malta en Oostenrijk) zijn bij geen enkel verdrag inzake aansprakelijkheid voor kernschade partij.

Het ongeval in 1986 in de kerncentrale van Tsjernobyl in de voormalige Sovjet-Unie maakte duidelijk dat een kernongeval schade van uitzonderlijke omvang kan veroorzaken en dat de schadelijke gevolgen van een dergelijk ongeval niet ophouden bij de staatsgrenzen. De internationale wetgeving inzake nucleaire aansprakelijkheid werd hierna verbeterd door de wijziging van bestaande verdragen en de goedkeuring van nieuwe verdragen, waarmee mechanismen werden gecreëerd die een snelle en doeltreffende vergoeding van schade door een kernongeval waarborgen.

In dit vrij versnipperde en complexe rechtskader inzake de aansprakelijkheid voor kernschade werd in 1997 nog een verdrag aangenomen: het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade (Convention on Supplementary Compensation for Nuclear Damage, CSC), dat tot doel heeft een wereldwijd stelsel van wettelijke aansprakelijkheid tot stand te brengen en voorziet in een nationaal minimumbedrag voor schadevergoeding en in een verdere verhoging van het bedrag voor schadevergoeding uit overheidsmiddelen dat door de verdragsluitende partijen beschikbaar moet worden gesteld indien het nationale bedrag ontoereikend is om de door een kernongeval veroorzaakte schade te vergoeden. Deze regeling vergroot dus de rechtszekerheid en verbetert de bescherming van burgers, exploitanten, leveranciers, kredietverstrekkers, investeerders en verzekeraars.

In 2011, na het ongeval in de kerncentrale van Fukushima Daiichi in Japan, erkende de internationale gemeenschap dat een plaatselijk kernongeval wereldwijde gevolgen kan hebben en bevestigde zij het belang en de voordelen van een wereldwijde regeling voor nucleaire aansprakelijkheid.

Het CSC staat niet alleen open voor staten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen of het Verdrag van Parijs (inclusief de gewijzigde versies daarvan), maar ook voor andere staten, mits hun nationale wetgeving in overeenstemming is met de uniforme regels inzake wettelijke aansprakelijkheid vastgelegd in de bijlage bij het verdrag.

Het verdrag is van toepassing op kernschade ten gevolge van kernongevallen die zich voordoen in kerninstallaties alsook tijdens het vervoer van kernmateriaal van en naar die installaties. De definitie van te vergoeden kernschade omvat, naast overlijden en lichamelijk letsel en verlies van of schade aan eigendommen, kosten in verband met het herstel van het milieu, inkomstenderving als gevolg van een economisch belang bij het gebruik of het genot van het milieu en kosten van preventieve maatregelen ter voorkoming of beperking van schade. Het CSC is op 15 april 2015 in werking getreden en telt momenteel 11 verdragsluitende partijen.

Van de EU-lidstaten hebben Tsjechië, Litouwen en Roemenië het CSC ondertekend; Roemenië heeft het ook geratificeerd, vóór toetreding tot de Unie. Italië heeft het in 1998 ondertekend.

Op 13 januari 2026, tijdens de Conferentie van de partijen bij het CSC in Wenen, is de wijziging van het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade (het CSC) bij consensus aangenomen. Bij deze wijziging wordt de verplichting voor staten zonder kernreactoren om met overheidsmiddelen bij te dragen aan het verdrag geschrapt; de wijziging heeft geen gevolgen voor de regels van het CSC betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. De wijziging treedt in werking op de datum waarop alle verdragsluitende partijen hun respectieve akten van bekrachtiging hebben neergelegd. Vanaf de inwerkingtreding van de wijziging zal het niet langer mogelijk zijn toe te treden tot het oorspronkelijke CSC.

Net als de andere verdragen inzake aansprakelijkheid voor kernschade, bevat ook het CSC in hoofdstukµ V (rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht) bepalingen die onder de exclusieve externe bevoegdheid van de EU vallen, aangezien zij betrekking hebben op rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, en het toepasselijk recht.

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, VWEU kan artikel XIII van het CSC dan ook gevolgen hebben voor de secundaire wetgeving van de Unie betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) 1 .

Het risico van aantasting wordt bevestigd door de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name Advies 1/03 (“Lugano-advies”) over de bevoegdheid van de Gemeenschap om het nieuwe Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te sluiten. Het Hof deed daarin uitspraak over de vraag of de Europese Gemeenschap bevoegdheid had om het nieuwe Verdrag van Lugano te sluiten en stelde vast dat de Europese Gemeenschap een impliciete exclusieve bevoegdheid had om het nieuwe verdrag te sluiten als gevolg van de vaststelling van interne EU-wetgeving over dezelfde materie (Verordening nr. 44/2001 van de Raad) 2 .

Daarentegen sluit Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een kernongeval uitdrukkelijk van haar toepassingsgebied uit (artikel 1, lid 2, punt f)).

Aangezien de bepalingen van het CSC onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen en Polen en Litouwen de wens kenbaar hebben gemaakt om partij te worden bij het CSC, moeten zij worden gemachtigd om tot het verdrag toe te treden door middel van een besluit van de Raad. Aangezien de datum waarop alle huidige verdragsluitende partijen bij het CSC de wijziging zullen ratificeren onvoorspelbaar is, zal het besluit van de Raad Polen en Litouwen omwille van de efficiëntie machtigen om zowel toe te treden tot het CSC dat momenteel van kracht is als tot de gewijzigde versie ervan.

Zoals het geval was bij Besluit 2013/434/EU van de Raad betreffende het Verdrag van Wenen, zullen Polen en Litouwen een verklaring moeten afleggen om ervoor te zorgen dat de regels betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen zoals voorzien in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van toepassing blijven tussen de lidstaten die partij zijn bij het CSC (momenteel alleen Roemenië).

Dit zorgt voor eenheid in de justitiële ruimte van de Unie en waarborgt het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen binnen de EU, zonder dat dit gevolgen heeft voor de doeltreffende uitvoering van het verdrag.

Polen is reeds partij bij het Verdrag van Wenen, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, en bij het Gezamenlijk Protocol van 1988 betreffende de toepassing van de Verdragen van Parijs en Wenen.

Door ook partij te worden bij het CSC wordt de uitvoering van het Poolse kernenergieprogramma (PNPP) van 2020 ondersteund, dat vanaf april 2027 voorziet in de bouw van verschillende kerncentrales in Polen, mede in lijn met de doelstelling om het Poolse elektriciteitssysteem geleidelijk koolstofvrij te maken. Door de oprichting van een internationaal fonds ter aanvulling van de nationale schadevergoedingen zal de rechtszekerheid voor investeerders en leveranciers worden vergroot en zullen potentiële slachtoffers van kernongevallen beter worden beschermd. Aangezien het contract voor de bouw van de eerste kerncentrale in Polen is gegund aan een Amerikaans consortium en de VS reeds partij is bij het CSC, zal de ratificatie van het CSC door Polen bovendien een gemeenschappelijk rechtskader tussen Polen en de VS op het gebied van wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade tot stand brengen. Dit is ook relevant voor andere mogelijke investeringen op het gebied van kernenergie die in Polen zijn gepland en die zich momenteel in verschillende uitvoeringsstadia bevinden.

Litouwen heeft het CSC op 30 september 1997 ondertekend, vóór zijn toetreding tot de EU. Litouwen heeft belangstelling getoond om toe te treden tot het CSC en heeft verzocht om daartoe te worden gemachtigd, naar aanleiding van de bespreking in de Groep burgerlijk recht (algemene vraagstukken) op 13 november 2025.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het initiatief is in overeenstemming met eerdere besluiten van de Raad die reeds zijn vastgesteld op het gebied van wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade en die tot doel hebben de lidstaten te machtigen het Verdrag van Parijs en het Verdrag van Wenen te bekrachtigen of daartoe toe te treden, vanwege de exclusieve externe bevoegdheid van de EU met betrekking tot sommige bepalingen van deze internationale overeenkomsten.

Bij Beschikking 2004/294/EG van de Raad van 8 maart 2004 3 werden de lidstaten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs gemachtigd het Protocol tot wijziging van dat verdrag te bekrachtigen of daartoe toe te treden. De beschikking liet de standpunten van Oostenrijk, Luxemburg en Ierland, die geen partij waren bij het Verdrag van Parijs, onverlet.

Bij Beschikking 2007/727/EG van de Raad van 8 november 2007 werd Slovenië gemachtigd het Protocol tot wijziging van het Verdrag van Parijs te bekrachtigen, omdat Slovenië ten tijde van de vaststelling van de beschikking van de Raad van 2004 nog geen lidstaat van de Europese Gemeenschap was 4 .

Bij Besluit 2013/434/EU van de Raad van 15 juli 2013 werden bepaalde lidstaten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen gemachtigd om het Protocol van 1997 tot wijziging van het Verdrag van Wenen te bekrachtigen of daartoe toe te treden 5 .

Dit besluit van de Raad was uitsluitend gericht tot de lidstaten die ten tijde van de vaststelling van het besluit reeds partij waren bij het Verdrag van Wenen. Het besluit liet de standpunten van Cyprus, Luxemburg, Ierland, Malta en Oostenrijk onverlet.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit voorstel voor een besluit van de Raad strookt met het algemene beleid van de EU om actie te ondernemen om te waarborgen dat de exclusieve externe bevoegdheid van de EU in het internationale kader wordt geëerbiedigd. Met dit initiatief wordt gevolg gegeven aan verscheidene andere besluiten van de Raad op andere beleidsterreinen dan de aansprakelijkheid voor kernschade, waar het nodig was de lidstaten te machtigen om verdragen met bepalingen die onder de exclusieve externe bevoegdheid van de EU vallen, te bekrachtigen of daartoe toe te treden.

Deze verdragen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op aansprakelijkheid voor verontreiniging van de zee, zoals het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie van 2001 (het Bunkerolieverdrag) of het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen van 1996 (het HNS-Verdrag). De lidstaten werden bij besluiten van de Raad betreffende het Bunkerolieverdrag 6 of het HNS-Verdrag 7 gemachtigd deze verdragen te bekrachtigen of ertoe toe te treden, omdat de bepalingen betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van deze verdragen raakten aan de regels van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Verordening Brussel I).

In 2017 werd nog een besluit van de Raad vastgesteld om de lidstaten te machtigen het Protocol van 2010 bij het HNS-verdrag te bekrachtigen of ertoe toe te treden, met betrekking tot aspecten in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken 8 . In dit geval hadden de bepalingen van het protocol van 2010 gevolgen voor de regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Verordening Brussel I bis).

Dit zijn slechts enkele voorbeelden die specifiek verband houden met verdragen inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding, maar er zijn ook machtigingen aan de lidstaten verleend met betrekking tot andere sectoren, zoals het goederenvervoer, bijvoorbeeld voor het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI). In dit geval werden Oostenrijk, België en Polen gemachtigd om het Verdrag van Boedapest te ratificeren of ertoe toe te treden, omdat een bepaling inzake de rechtskeuze door de partijen bij een vervoersovereenkomst die onder het verdrag viel, van invloed was op de regels van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) 9 .

Concluderend kan worden gesteld dat in gevallen waarin bepalingen in internationale verdragen van invloed waren op regels die waren vastgesteld in de secundaire EU-wetgeving op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, consequent passende maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat de interne en externe kaders naar behoren op elkaar werden afgestemd en geen afbreuk werd gedaan aan het EU-acquis, in overeenstemming met de Verdragen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De materiële rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 81, lid 2, VWEU, op grond waarvan onder meer maatregelen kunnen worden vastgesteld ter waarborging van de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen.

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU te nemen besluit hangt in de eerste plaats af van de doelstelling en de inhoud van de desbetreffende internationale overeenkomst. Het doel en de inhoud van dit voorstel voor een besluit van de Raad zijn echter beperkt tot de bepalingen van de internationale overeenkomst die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, in dit geval artikel XIII van het CSC, dat betrekking heeft op de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging en dat gevolgen heeft voor de secundaire wetgeving van de Unie betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012.

De rechtsgrondslag van dit voorstel is derhalve artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), VWEU, in samenhang met artikel 81, lid 2, VWEU. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

De in artikel XIII van het CSC vastgestelde regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen mogen geen voorrang krijgen op de desbetreffende regels van Verordening (EU) nr. 1215/2012, zoals uitgebreid tot Denemarken bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken 10 . Daarom moeten de betrokken lidstaten, net als bij het genoemde besluit van de Raad van 15 juli 2013 betreffende het Protocol tot wijziging van het Verdrag van Wenen, een verklaring afleggen over de toepassing van het EU-recht.

Ierland is gebonden door Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Niet van toepassing

Evenredigheid

Dit voorstel is opgesteld in overeenstemming met de reeds vastgestelde besluiten van de Raad over hetzelfde onderwerp en gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstelling te verwezenlijken, namelijk waarborgen dat de exclusieve externe bevoegdheid van de EU met betrekking tot sommige bepalingen van het CSC wordt geëerbiedigd en het machtigen van Polen en Litouwen om toe te treden tot het CSC, zoals gewijzigd.

Keuze van het instrument

Aangezien het een internationaal verdrag betreft, bestaat er geen andere optie dan de vaststelling van een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), VWEU, waarbij Polen en Litouwen worden gemachtigd partij te worden bij het CSC. Er is geen ander rechtsinstrument waarmee de doelstelling van dit voorstel zou kunnen worden verwezenlijkt.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

Er is intensief overleg geweest met het Poolse ministerie van Energie om ervoor te zorgen dat bij de toestemming om toe te treden tot het CSC rekening wordt gehouden met de termijnen voorzien in het Poolse kernenergieprogramma van 2020.

Ook het ministerie van Energie in Litouwen is geraadpleegd.

De IAEA-workshop over wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade, die van 21 tot en met 24 oktober 2025 in Vilnius (Litouwen) plaatsvond, bood bovendien de gelegenheid om te onderzoeken wat de voordelen van het CSC zijn bij het opzetten van een wereldwijde regeling voor nucleaire aansprakelijkheid. De Commissie nam actief deel aan deze workshop, mede om dit initiatief uit te leggen aan staten die reeds partij zijn bij het CSC, alsook aan kandidaten voor toetreding.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De Commissie heeft zich gebaseerd op de uitgebreide werkzaamheden van de IAEA, met name haar actieplan voor de vaststelling van een wereldwijde regeling voor nucleaire aansprakelijkheid waarmee tegemoet wordt gekomen aan de zorgen van alle staten die door een kernongeval kunnen worden getroffen. Van bijzonder belang in dit verband zijn de werkzaamheden van de internationale deskundigengroep inzake nucleaire aansprakelijkheid (INLEX), die heeft benadrukt dat het CSC een mechanisme biedt om verdragsbetrekkingen tot stand te brengen met zoveel mogelijk staten als praktisch haalbaar is, met als doel universele deelname aan de wereldwijde regeling inzake nucleaire aansprakelijkheid te bewerkstelligen.

Effectbeoordeling

Wat de besluiten van de Raad met betrekking tot andere verdragen inzake nucleaire aansprakelijkheid betreft, is er geen effectbeoordeling van de toetreding van Polen en Litouwen tot het CSC uitgevoerd.

Uit de raadpleging van belanghebbenden en de verzamelde expertise is echter duidelijk gebleken dat het CSC als rechtskader betere waarborgen biedt dan de bestaande internationale overeenkomsten inzake aansprakelijkheid voor kernschade.

De ramp in Fukushima in 2011 bracht namelijk aanzienlijke lacunes in de financiële paraatheid aan het licht, aangezien de kosten van compensatie veel hoger waren dan de middelen die beschikbaar waren op grond van de binnenlandse aansprakelijkheidsregeling van Japan. Dit ongeval maakte duidelijk dat internationale verdragen moeten voorzien in robuustere financiële vereisten en mechanismen om catastrofale ongelukken aan te pakken.

Het CSC tracht deze uitdaging het hoofd te bieden door te streven naar een hogere schadevergoeding, met inbegrip van een internationaal fonds ter aanvulling van de bedragen die voor vergoeding van kernschade beschikbaar zijn. Het is ontwikkeld als een paraplu voor de andere internationale aansprakelijkheidsverdragen en moet de basis vormen voor een wereldwijde regeling voor nucleaire aansprakelijkheid die aantrekkelijk is voor een groot aantal landen, zowel met als zonder kerncentrales. Uitgebreide documentatie over de voordelen van de CSC-regeling is te vinden op de speciale webpagina van de IAEA 11 .

Door de toetreding van Polen en de ratificatie door Litouwen zal het aantal partijen bij het CSC verder toenemen, waarmee wordt bijgedragen tot de doelstelling om tot een wereldwijde nucleaire aansprakelijkheidsregeling te komen.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Niet van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

Niet van toepassing.

2026/0199 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

waarbij de Republiek Litouwen en de Republiek Polen worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie partij te worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade, zoals gewijzigd, en om een verklaring af te leggen over de toepassing van de desbetreffende interne regels van het Unierecht

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement 12 ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade (CSC) werd op 12 september 1997 aangenomen en is op 15 april 2015 in werking getreden.

(2)Het CSC heeft tot doel een nationaal minimumbedrag voor schadevergoeding vast te stellen en streeft naar verdere verhoging van het bedrag voor schadevergoeding uit overheidsmiddelen dat door de verdragsluitende partijen beschikbaar moet worden gesteld indien het nationale bedrag ontoereikend is om de door een kernongeval veroorzaakte schade te vergoeden. Hierdoor wordt de rechtszekerheid voor investeerders en leveranciers, alsook voor potentiële slachtoffers van kernongevallen vergroot.

(3)Op 13 januari 2026 hebben de verdragsluitende partijen bij het CSC bij consensus een wijziging aangenomen waarbij de verplichting voor staten zonder kernreactoren om met overheidsmiddelen bij te dragen aan het CSC wordt geschrapt. Die wijziging treedt in werking wanneer alle verdragsluitende partijen bij het CSC hun akten van bekrachtiging hebben neergelegd.

(4)Het CSC staat niet alleen open voor staten die partij zijn bij andere verdragen inzake nucleaire aansprakelijkheid, zoals het Verdrag van Wenen inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 21 mei 1963 of het Verdrag van Parijs inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie van 29 juli 1960 (inclusief de gewijzigde versies daarvan), maar ook voor andere staten, mits hun nationale wetgeving in overeenstemming is met de uniforme regels inzake wettelijke aansprakelijkheid vastgelegd in de bijlage bij het verdrag.

(5)De Unie heeft exclusieve bevoegdheid met betrekking tot artikel XIII van het CSC, voor zover de bepalingen ervan gevolgen hebben voor de secundaire wetgeving van de Unie betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad 13 . De lidstaten blijven bevoegd voor onder het protocol vallende aangelegenheden die niet aan het Unierecht raken.

(6)Daarom moeten lidstaten die partij bij het CSC wensen te worden, in het belang van de Unie worden gemachtigd om het te ondertekenen, te bekrachtigen of ertoe toe te treden.

(7)Tsjechië, Litouwen en Roemenië hebben het CSC ondertekend; Roemenië heeft het ook geratificeerd, vóór toetreding tot de Unie. Italië heeft het in 1998 ondertekend.

(8)Polen en Litouwen hebben kenbaar gemaakt partij te willen worden bij het CSC, met inbegrip van de wijziging daarvan.

(9)De in artikel XIII van het CSC vastgestelde regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen mogen geen voorrang krijgen op de regels inzake de procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1215/2012.

(10)Daarom moeten de lidstaten die gemachtigd worden om partij te worden bij het CSC, de in dit besluit bedoelde verklaring afleggen om te waarborgen dat de desbetreffende regels van de Unie worden toegepast.

(11)Ierland is gebonden door Verordening (EU) 1215/2012 en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.

(12)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Republiek Litouwen en de Republiek Polen worden gemachtigd om in het belang van de Unie partij te worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade, zoals gewijzigd, onder de in artikel 2 van dit besluit gestelde voorwaarde.

Artikel 2

Wanneer zij partij worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade, leggen de Republiek Litouwen en de Republiek Polen de volgende verklaring af: “Beslissingen van een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Europese Unie over aangelegenheden die onder het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade van 12 september 1997 vallen, worden in [naam van de lidstaat die de verklaring aflegt] erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de desbetreffende regels van de Europese Unie.”

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Litouwen en de Republiek Polen.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

   [...]

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij de Republiek Litouwen en de Republiek Polen worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie partij te worden bij het Verdrag inzake aanvullende vergoeding voor kernschade (CSC), zoals gewijzigd, en om een verklaring af te leggen over de toepassing van de desbetreffende interne regels van het Unierecht.

1.2.Betrokken beleidsterreinen

Justitie (justitiële samenwerking in burgerlijke zaken).

1.3.Doelstellingen

1.3.1.Algemene doelstellingen

Dit voorstel heeft tot doel Polen en Litouwen te machtigen tot het CSC toe te treden, met inachtneming van de exclusieve externe bevoegdheid van de EU ten aanzien van sommige bepalingen van dat verdrag.

1.3.2.Specifieke doelstellingen

Polen en Litouwen zullen partij kunnen worden bij het CSC zonder het EU-recht te schenden.

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

Polen en Litouwen zullen hun recht kunnen uitoefenen om partij te worden bij het CSC.

1.3.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

N.v.t.

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:

een nieuwe actie

een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 14 (1)

de verlenging van een bestaande actie

de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

N.v.t.

1.5.2.Meerwaarde van het optreden van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante)

De machtiging van EU-lidstaten is in overeenstemming met soortgelijke eerdere initiatieven naar aanleiding van het “advies van Lugano” (Advies 1/03 van het Hof van Justitie van de Europese Unie). Ze valt onder de exclusieve externe bevoegdheid van de EU uit hoofde van artikel 3, lid 2, VWEU. De machtiging kan alleen door de Raad worden verleend op voorstel van de Commissie en is derhalve per definitie een exclusieve bevoegdheid, die niet onderworpen is aan het subsidiariteitsbeginsel.

Verwachte toegevoegde waarde EU (ex post)

De eerbiediging van de EU-Verdragen, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en precedenten met betrekking tot hetzelfde onderwerp wordt hierdoor gewaarborgd.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Er bestaan verschillende precedenten van dit soort machtigingen op het gebied van aansprakelijkheid voor kernschade. Dit voorstel volgt hetzelfde patroon.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

N.v.t.

1.6.Duur en van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan

beperkte geldigheidsduur

van kracht vanaf [DD.MM]YYYY tot en met [DD.MM]YYYY

financiële gevolgen vanaf YYYY tot en met YYYY voor vastleggingskredieten en vanaf YYYY tot en met YYYY voor betalingskredieten

onbeperkte geldigheidsduur

Uitvoering met een opstartperiode vanaf YYYY tot en met YYYY,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting 15 (2)

Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie

door de uitvoerende agentschappen

Gedeeld beheer met de lidstaten

Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

publiekrechtelijke organen

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.

Opmerkingen

N.v.t.

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

N.v.t.

2.2.Beheers- en controlesystemen

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

[...]

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken

[...]

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)

[...]

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

[...]

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven

Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK 16(3)

Van EVA-landen 17(4)

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 18(5)

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig.

Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

In miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 19(6)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 20(7)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK <…> 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig 
financieel kader

Nummer

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 21(8)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b +3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 22(9)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b +3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK <…> 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder de rubrieken 1 tot en met 6 
van het meerjarig financieel kader

(referentiebedrag)

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 23(10)

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

In miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten

In miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 24(11)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 25(12)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK <…> 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 26(13)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 27(14)

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten 
voor DG <….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b + 3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK <…> 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6 
van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag)

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 28(15)

In miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <.......>

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

In miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld 
doelstellingen en 
outputs 

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om
de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 29(16)

Gemiddelde
kosten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Aantal

Kos¬ten

Totaal
Aantal

Totaal
Kos¬ten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 30(17): [...]

- Output

- Output

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

TOTAAL

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.

Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.

3.2.3.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.3.3.Totaal kredieten

TOTAAL 
GOEDGEKEURDE KREDIETEN 
+ 
EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften

Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting

Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 31(18)

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften

TOTAAL 
GOEDGEKEURDE KREDIETEN 
+ 
EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):

Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie

Uitzonderlijk aanvullend personeel*

Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek

Te financieren uit BA-onderdeel

Te financieren uit vergoedingen

Personeelsformatieposten

n.v.t.

Extern personeel (AC, END, INT)

Beschrijving van de uit te voeren taken door:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Extern personeel

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op investeringen die met digitale technologie samenhangen

Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.

De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.

De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL MFK 
2021-2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader

Het voorstel/initiatief:

kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

vereist een herziening van het MFK

3.2.7.Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

voorziet niet in medefinanciering door derden

voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Totaal

Medefinancieringsbron

TOTAAL medegefinancierde kredieten

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

voor de eigen middelen

voor overige ontvangsten

geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 32(19)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Artikel ….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.

[...]

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

[...]

4.DIGITALE DIMENSIES

4.1.Voorschriften met digitale relevantie

Indien wordt geoordeeld dat het beleidsinitiatief geen voorschriften met digitale relevantie omvat: geef een toelichting waarom geen digitale middelen worden gebruikt.

Het voorstel heeft geen digitale dimensie: het is een eenvoudige machtiging aan bepaalde lidstaten om tot een verdrag toe te treden.

Zo niet, vermeld in de onderstaande tabel de voorschriften met digitale relevantie.

Verwijzing naar voorschrift

Beschrijving van voorschrift

Betrokken actor(en)

Processen op hoog niveau

Categorieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.2.Data

Korte beschrijving van de betrokken data en daarmee verband houdende normen/specificaties

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)

Soort data 1

 

 

Soort data 2

 

 

Afstemming op Europese datastrategie

Toelichting hoe het voorschrift of de voorschriften zijn afgestemd op de Europese datastrategie

[...]

Afstemming op eenmaligheidsbeginsel

Licht toe hoe het eenmaligheidsbeginsel in aanmerking is genomen en hoe is nagegaan of bestaande data kunnen worden hergebruikt.

[...]

Licht toe hoe nieuw gecreëerde gegevens vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn en aan hoge standaarden voldoen.

[...]

Datastromen

Vul voor elke gegevensstroom de onderstaande tabel in.

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Actor die de gegevens verstrekt

Actor die gegevens ontvangt

Aanleiding voor uitwisseling van data

Frequentie (indien van toepassing)

Soort data 1

 

 

 

 

 

Soort data 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.3.Digitale oplossingen

Geef voor elke digitale oplossing de verwijzing naar voorschriften(en) met digitale relevantie met betrekking tot die oplossing, een beschrijving van de vereiste functies van de digitale oplossing, de instantie die daarvoor verantwoordelijk zal zijn, en andere relevante aspecten zoals herbruikbaarheid en toegankelijkheid. Vermeld tot slot of het de bedoeling is dat de digitale oplossing gebruikmaakt van AI-technologieën.

Digitale oplossing

Verwijzing naar voorschrift(en)

Belangrijkste vereiste functies

Bevoegde instantie

Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?

Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?

Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)

Digitale oplossing 1

 

 

 

 

 

 

Digitale oplossing #2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leg voor elke digitale oplossing uit hoe ze voldoet aan de vereisten en verplichtingen van het cyberbeveiligingskader van de EU en ander toepasselijk digitaal beleid en de toepasselijke wetgevingshandelingen (zoals eIDAS, één digitale toegangspoort enz.).

Digitale oplossing 1

Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)

Zo is gezorgd voor afstemming

AI-verordening

 

EU-kader voor cyberbeveiliging

 

eIDAS

 

Eén digitale toegangspoort en IMI

 

Andere beleidsmaatregelen

 

Digitale oplossing 2

Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)

Zo is gezorgd voor afstemming

AI-verordening

 

EU-kader voor cyberbeveiliging

 

eIDAS

 

Eén digitale toegangspoort en IMI

 

Andere beleidsmaatregelen

 

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling

Beschrijf de digitale overheidsdienst(en) waarop de voorschriften betrekking hebben.

Digitale overheidsdienst of categorie digitale overheidsdiensten

Beschrijving

Verwijzing naar voorschrift(en)

Interoperabel Europa-oplossing(en) (NIET VAN TOEPASSING)

Andere interoperabiliteitsoplossing(en)

Digitale overheidsdienst 1

 

 

 

 

Categorie digitale overheidsdiensten volgens Cofog 33(20) 1

 

 

 

 

Beoordeel het effect van het voorschrift/de voorschriften op grensoverschrijdende interoperabiliteit.

Digitale overheidsdienst 1

Beoordeling

Maatregel(en)

Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)

Afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid. Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld.

Digitale/sectorale maatregel 1
Digitale/sectorale maatregel 2

Digitale/sectorale maatregel 3

Belemmering 1
Belemmering 2

Belemmering 3

Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten. Vermeld de geplande governancemaatregelen.

Governancemaatregel 1
Governancemaatregel 2

Governancemaatregel 3

Belemmering 1
Belemmering 2

Belemmering 3

Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de data. Geef een lijst met dergelijke maatregelen.

Maatregel 1
Maatregel 2

Maatregel 3

Belemmering 1
Belemmering 2

Belemmering 3

Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en standaarden. Geef een lijst met dergelijke maatregelen.

Maatregel 1
Maatregel 2

Maatregel 3

Belemmering 1
Belemmering 2

Belemmering 3

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Vul onderstaande tabel in voor elke maatregel ter ondersteuning van de digitale uitvoering.

Beschrijving van de maatregel

Verwijzing naar voorschrift(en)

Rol van de Commissie (indien van toepassing)

Actoren die erbij zullen worden betrokken (indien van toepassing)

Verwacht tijdschema (indien van toepassing)

Maatregel 1

 

 

 

 

Maatregel 2

 

 

 

 

Maatregel 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)    Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj .
(2)    Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
(3)    Beschikking 2004/294/EG van de Raad van 8 maart 2004 waarbij de lidstaten die verdragsluitende partij zijn bij het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie worden gemachtigd het Protocol tot wijziging van dat Verdrag te bekrachtigen of daartoe toe te treden, in het belang van de Europese Gemeenschap, PB L 97 van 1.4.2004, blz. 53.
(4)    Beschikking 2007/727/EG van de Raad van 8 november 2007 waarbij de Republiek Slovenië wordt gemachtigd om in het belang van de Europese Gemeenschap het Protocol van 12 februari 2004 tot wijziging van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie te bekrachtigen, PB L 294 van 11.2007, blz. 23.
(5)    Besluit 2013/434/EU van de Raad van 15 juli 2013 waarbij bepaalde lidstaten worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie het Protocol tot wijziging van het Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 21 mei 1963 te bekrachtigen of daartoe toe te treden, en om een verklaring af te leggen over de toepassing van de desbetreffende interne regels van het Unierecht.
(6)    Beschikking 2002/762/EG van de Raad van 19 september 2002 waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Gemeenschap het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie van 2001 te ondertekenen, te bekrachtigen of toe te treden tot het Verdrag, PB L 256 van 25.9.2002, blz. 7.
(7)    Besluit 2002/971/EG van de Raad van 18 november 2002 waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese Gemeenschap het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS-verdrag) te bekrachtigen of tot dit verdrag toe te treden, PB L 337 van 13.12.2002, blz. 55.
(8)    Besluit (EU) 2017/770 van de Raad van 25 april 2017 betreffende de bekrachtiging door de lidstaten, in het belang van de Europese Unie, van het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, en betreffende de toetreding tot dat protocol, met betrekking tot aspecten in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, PB L 115 van 4.5.2017, blz. 18.
(9)    Besluit (EU) 2015/1878 van de Raad van 8 oktober 2015 tot machtiging van het Koninkrijk België en de Republiek Polen om het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) te ratificeren en tot machtiging van de Republiek Oostenrijk om ertoe toe te treden, PB L 276 van 21.10.2015, blz. 1.
(10)    PB L 299 van 16.11.2005, blz. 62. Verordening (EU) nr. 1215/2012 is in Denemarken van toepassing krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De noodzakelijke wetswijzigingen in Denemarken zijn op 1 juni 2013 in werking getreden.
(11)     https://www.iaea.org/topics/nuclear-liability-conventions/convention-supplementary-compensation-nuclear-damage .
(12)    Goedkeuring bekendgemaakt in PB L [...] van [...], ELI: [...].
(13)    Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj ).
(14) (1)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(15) (2)    Nadere gegevens over de wijzen van uitvoering van de begroting en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BUDGpedia: https://myintracomm.ec.europa.eu/corp/budget/financial-rules/budget-implementation/Pages/implementation-methods.aspx.
(16) (3)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(17) (4)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(18) (5)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(19) (6)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(20) (7)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(21) (8)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(22) (9)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(23) (10)    De benodigde kredieten moeten worden bepaald aan de hand van de gemiddelde jaarlijkse kostencijfers die beschikbaar zijn op de desbetreffende BUDGpedia-webpagina.
(24) (11)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(25) (12)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(26) (13)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(27) (14)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(28) (15)    De benodigde kredieten moeten worden bepaald aan de hand van de gemiddelde jaarlijkse kostencijfers die beschikbaar zijn op de desbetreffende BUDGpedia-webpagina.
(29) (16)    Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(30) (17)    Zoals beschreven in punt 1.4.2. “Specifieke doelstellingen...”
(31) (18)    Geef onder de tabel aan hoeveel vte’s binnen het aangegeven aantal reeds aan het beheer van de actie zijn toegewezen en/of binnen uw DG kunnen worden herverdeeld en wat uw nettobehoeften zijn.
(32) (19)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
(33) (20)    https://op.europa.eu/en/web/eu-vocabularies/concept-scheme/-/resource?uri=http://data.europa.eu/7yx/cofog.
Top