Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52026PC0143

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst (Toezicht op bepaalde benchmarkbeheerders door de ESMA)

COM/2026/143 final

Brussel, 31.3.2026

COM(2026) 143 final

2026/0079(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

(Toezicht op bepaalde benchmarkbeheerders door de ESMA)

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt in verband met de beoogde vaststelling van het besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

2.Achtergrond van het voorstel

1.1.De EER-overeenkomst

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) waarborgt gelijke rechten en verplichtingen binnen de interne markt voor burgers en marktdeelnemers in de EER. De EER-overeenkomst voorziet in de opname van EU-wetgeving met betrekking tot de vier vrijheden in de 30 EER-staten, bestaande uit de EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Daarnaast heeft de EER-overeenkomst betrekking op samenwerking op andere belangrijke gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, onderwijs, sociaal beleid, milieu, consumentenbescherming, toerisme en cultuur, gezamenlijk aangeduid als “flankerend en horizontaal” beleid. De EER-overeenkomst is op 1 januari 1994 in werking getreden. De Europese Unie is samen met haar lidstaten partij bij de EER-overeenkomst.

1.2.Het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER is verantwoordelijk voor het beheer van de EER-overeenkomst. Het is een forum voor het uitwisselen van standpunten in verband met de werking van de EER-overeenkomst. Zijn besluiten worden bij consensus genomen en zijn bindend voor de partijen. Het Secretariaat-generaal van de Europese Commissie is verantwoordelijk voor de coördinatie van EER-aangelegenheden aan EU-zijde. 

1.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER zal naar verwachting het besluit van het Gemengd Comité van de EER vaststellen tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst (hierna “de beoogde handeling” genoemd).

Het doel van de beoogde handeling is Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van procedureregels voor maatregelen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders 1 , alsmede twee daarmee verband houdende rechtshandelingen, in de EER-overeenkomst op te nemen.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

De Commissie legt het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER voor aan de Raad met het oog op vaststelling van het standpunt van de Unie. Dit standpunt moet na vaststelling zo spoedig mogelijk in het Gemengd Comité van de EER worden uiteengezet.

Het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER omvat aanzienlijke institutionele aanpassingen waarbij in wezen de bestaande benadering inzake financiële diensten wordt overgenomen op het gebied van de rol van de financiële toezichthoudende autoriteiten van de EU en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA inzake benchmarkbeheerders, hetgeen verder gaat dan wat als louter technische aanpassingen in de zin van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad kan worden beschouwd 2 . Het standpunt van de Unie wordt derhalve door de Raad vastgesteld.

4.Rechtsgrondslag

1.4.Procedurele rechtsgrondslag

1.4.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van de “standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 3 .

1.4.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité van de EER is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk de EER-overeenkomst. De door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst volkenrechtelijk bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

1.5.Materiële rechtsgrondslag

1.5.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad, vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de materiële rechtsgrondslag van de in de EER-overeenkomst op te nemen EU-rechtshandelingen.

Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

1.5.2.Toepassing op het onderhavige geval

Aangezien bij het besluit van het Gemengd Comité Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 alsook twee daarmee verband houdende rechtshandelingen in de EER-overeenkomst worden opgenomen, is het passend dit besluit van de Raad op dezelfde materiële rechtsgrondslag te baseren als de opgenomen handelingen. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 114 VWEU.

1.6.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit moet artikel 114, VWEU zijn, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van het Gemengd Comité van de EER strekt tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst, is het passend die handeling na de vaststelling ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.

2026/0079 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

(Toezicht op bepaalde benchmarkbeheerders door de ESMA)


(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 4 , en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 5 (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 6 alsook twee daarmee verband houdende rechtshandelingen moeten in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)Bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient daarom te worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)     Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van procedureregels voor maatregelen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders (PB L 145 van 24.5.2022, blz. 7).
(2)     Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6).
(3)     Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(4)     PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(5)     PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(6)     Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van procedureregels voor maatregelen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders (PB L 145 van 24.5.2022, blz. 7).
Top

Brussel, 31.3.2026

COM(2026) 143 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst















(Toezicht op bepaalde benchmarkbeheerders door de ESMA)


BIJLAGE

ONTWERPBESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. […]

van […]

tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van procedureregels voor maatregelen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders 1 moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/805 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van vergoedingen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders 2 moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(3)Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1705 van de Commissie van 11 maart 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/805 wat betreft de harmonisatie van bepaalde aspecten van door de Europese Autoriteit voor effecten en markten aan bepaalde benchmarkbeheerders aangerekende vergoedingen 3 moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)Bijlage IX bij de EER-overeenkomst moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1.In punt 31lzb (Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1848 van de Commissie) wordt het volgende ingevoegd:

“31lzc. 32022 R 0804: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van procedureregels voor maatregelen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders (PB L 145 van 24.5.2022, blz. 7).

De bepalingen van de Gedelegeerde Verordening worden voor de toepassing van deze overeenkomst met de volgende aanpassingen gelezen:

a)in artikel 2, lid 1, wordt “en, wat betreft de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

b)in artikel 3:

i)wordt in de leden 1 en 6 “en, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “De ESMA”;

ii) wordt in lid 2 de volgende alinea ingevoegd:

“Wat betreft de EVA-staten stelt de ESMA de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ervan in kennis wanneer een dossier onvolledig is. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA stuurt een met redenen omkleed verzoek om aanvullende documenten aan de onderzoeksfunctionaris.”;

iii)wordt in lid 3 “of, wat betreft de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

iv)wordt in lid 4 wordt de volgende alinea ingevoegd:

“Wat betreft de EVA-staten, stelt de ESMA de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ervan in kennis wanneer zij niet instemt met de bevindingen van de onderzoeksfunctionaris. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA legt aan de aan het onderzoek onderworpen persoon een nieuwe mededeling van bevindingen voor. In die mededeling van bevindingen wordt een termijn van ten minste vier weken vastgesteld waarbinnen de aan het onderzoek onderworpen persoon schriftelijke opmerkingen kan indienen. Wanneer de ESMA, vóór het opstellen van een concept voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, of de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een besluit neemt over het bestaan van een inbreuk en over het instellen van toezichtmaatregelen of het opleggen van een geldboete overeenkomstig de artikelen 48 sexies en 48 septies van Verordening (EU) 2016/1011, is zij niet verplicht rekening te houden met schriftelijke opmerkingen die na het verstrijken van deze termijn zijn ontvangen.”;

v)wordt in lid 5 wordt de volgende alinea ingevoegd:

“Wat betreft de EVA-staten, stelt de ESMA de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ervan in kennis wanneer zij geheel of gedeeltelijk instemt met de bevindingen van de onderzoeksfunctionaris. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA stelt de aan het onderzoek onderworpen persoon daarvan in kennis. Een dergelijke kennisgeving bevat een termijn van ten minste twee weken indien de ESMA instemt met alle bevindingen, en van ten minste vier weken indien de ESMA niet instemt met alle bevindingen, waarbinnen de aan het onderzoek onderworpen persoon schriftelijke opmerkingen kan indienen. Wanneer de ESMA, vóór het opstellen van een concept voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, of de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een besluit neemt over het bestaan van een inbreuk en over het instellen van toezichtmaatregelen of het opleggen van een geldboete overeenkomstig de artikelen 48 sexies en 48 septies van Verordening (EU) 2016/1011, is zij niet verplicht rekening te houden met schriftelijke opmerkingen die na het verstrijken van deze termijn zijn ontvangen.”;

vi)wordt in lid 7 “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

c)in artikel 4:

i)wordt in lid 1 “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

ii)wordt in lid 4 “en, wat betreft de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “De ESMA”;

d)in artikel 5:

i)wordt in lid 1, in lid 2, eerste en tweede alinea, in lid 3, eerste alinea, en in lid 4 “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

ii)wordt in lid 2, derde en vierde alinea, “en, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

iii)wordt in lid 3 na de tweede alinea de volgende alinea ingevoegd:

“Wat betreft de EVA-staten, als de ESMA, nadat zij de aan het voorlopige besluit onderworpen persoon heeft gehoord, van oordeel is dat deze een inbreuk op de voorschriften van artikel 38 octies, lid 1, van Verordening (EU) 600/2014 heeft gepleegd, stelt zij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA daarvan in kennis. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA neemt een definitief besluit tot oplegging van een of meer toezichtsmaatregelen als bedoeld in artikel 48 sexies van Verordening (EU) 2016/1011. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA stelt de aan het voorlopige besluit onderworpen persoon onmiddellijk in kennis van dat besluit.”;

e)in artikel 6:

i)wordt “en, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na de eerste keer dat “de ESMA” voorkomt;

ii)wordt “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na de tweede keer dat “de ESMA” voorkomt;

f)in artikel 7:

i)wordt in lid 3 “en, wat betreft de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na de eerste keer dat “de ESMA” voorkomt;

ii)wordt in lid 3 “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na de tweede keer dat “de ESMA” voorkomt;

iii)wordt in lid 5 wordt de volgende alinea ingevoegd:

“De verjaring voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang het besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA het voorwerp vormt van een procedure bij het EVA-Hof, overeenkomstig artikel 36 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie.”

g)wordt in artikel 8, wat betreft de EVA-staten:

i)in de leden 1 en 3 “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

ii)in lid 5 “of wat betreft de EVA-staten, toetsing door het EVA-Hof overeenkomstig artikel 35 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie” ingevoegd na “Verordening (EU) 2016/1011”.”

2.In punt 31lzc (Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/804 van de Commissie) wordt het volgende ingevoegd:

“31lzd. 32022 R 0805: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/805 van de Commissie van 16 februari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad door specificatie van vergoedingen die van toepassing zijn op het toezicht door de Europese Autoriteit voor effecten en markten op bepaalde benchmarkbeheerders (PB L 145 van 24.5.2022, blz. 14), gewijzigd bij:

-32024 R 1705: Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1705 van de Commissie van 11 maart 2024 (PB L, 2024/1705, 18.6.2024).

De bepalingen van de Gedelegeerde Verordening worden voor de toepassing van deze overeenkomst met de volgende aanpassingen gelezen:

a)in artikel 1, artikel 2 bis, punt b), artikel 4, lid 3, artikel 5, artikel 8, lid 2, artikel 9 en artikel 10, wordt “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de ESMA”;

b)in artikel 3, lid 3, wordt “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de debetnota van de ESMA”;

c)in artikel 5 wordt “of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “ de desbetreffende debetnota van de ESMA”;

d)in artikel 7:

i)wordt in lid 2 “of, wat betreft de EVA-staten, de in de leden 3 tot en met 6 van dit artikel beschreven achterstandsrente” ingevoegd na “verschuldigd”;

ii)worden na lid 2 de volgende leden ingevoegd:

“3. Onverminderd de specifieke bepalingen die voortvloeien uit de toepassing van specifieke regelingen, is elke schuldvordering die op de vervaldag niet is voldaan, rentedragend overeenkomstig de leden 4 en 5 van dit artikel.

4. De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met:

a)acht procentpunten wanneer de schuldvordering voortvloeit uit een overeenkomst voor leveringen of een overeenkomst voor diensten;

b)drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen.

5. De rente wordt berekend vanaf de kalenderdag die volgt op de vervaldag tot en met de kalenderdag waarop de schuld volledig is betaald.

De invorderingsopdracht voor de achterstandsrente wordt gedateerd op de dag waarop die rente daadwerkelijk is ontvangen.

6. In gevallen waarin de totale rente negatief zou zijn, wordt deze op nul procent vastgesteld.”;

e)wordt in lid 8 “of, wat betreft de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA” ingevoegd na “de factuur van de ESMA”;

f)In artikel 10, lid 2, wordt de volgende alinea ingevoegd:

“Wanneer wat betreft in de EVA-staten gevestigde beheerders van kritieke benchmarks, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA-staten een bedrag moet terugbetalen aan een nationale bevoegde instantie, stelt de ESMA hiertoe onverwijld de terug te betalen bedragen ter beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.”.”

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van de Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2022/804, (EU) 2022/805 en (EU) 2024/1705 zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op […], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden 4*, of op de dag van de inwerkingtreding van Besluit nr. …/… van of op de dag van de inwerkingtreding van Besluit nr. …/… van [...] van het Gemengd Comité van de EER 5 [waarbij {Verordening (EU) 2019/2175} in de EER-overeenkomst wordt opgenomen], als dat later is.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

   Voor het Gemengd Comité van de EER

   De voorzitter

   

   De secretarissen

   van het Gemengd Comité van de EER

(1)    PB L 145 van 24.5.2022, blz. 7.
(2)     PB L 145 van 24.5.2022, blz. 14.
(3)    PB L, 2024/1705, 18.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2024/1705/oj .
(4) *    [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]
(5)    PB L
Top