Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52026PC0124

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie

COM/2026/124 final

Brussel, 6.3.2026

COM(2026) 124 final

2023/0115(COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT

overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

over het

standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie

(Voor de EER relevante tekst)


2023/0115 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT

overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie


over het

standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie

(Voor de EER relevante tekst)

1.Achtergrond

Indiening voorstel bij het Europees Parlement en de Raad
(document COM(2023) 228 final – 2023/0115 COD):

19 april 2023.

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité:

13 juli 2023.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing:

24 april 2024.

Indiening gewijzigd voorstel:

n.v.t.

Vaststelling van het standpunt van de Raad:

5 maart 2026.

2.Doel van het voorstel van de Commissie

De Commissie heeft een pakket met vier wijzigingshandelingen voorgesteld dat het raamwerk voor crisisbeheer en depositoverzekering (“CMDI”) moet hervormen. De voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft bepaalde aspecten van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) (COM(2023) 229 final) zijn door de medewetgevers afzonderlijk vastgesteld als Richtlijn (EU) 2024/1174. De drie overige handelingen bevatten voorstellen tot wijziging van, respectievelijk, Richtlijn 2014/59/EU, Verordening (EU) 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU.

De overkoepelende doelstellingen van het CMDI-voorstel moeten de financiële stabiliteit en het geld van de belastingbetalers beter beschermen, de reële economie beschutten tegen de impact van falende banken en de bescherming van beleggers nog verder versterken. Het voorstel wil die doelstellingen verwezenlijken door het verbeteren van de instrumenten voor crisisbeheer die worden gebruikt om het falen van kleinere en middelgrote banken te beheren. Het belangrijkste instrument om die doelstelling te verwezenlijken, is de mogelijkheid die afwikkelingsautoriteiten krijgen om middelen van depositogarantiestelsels te gebruiken om de implementatie van een overdrachtsstrategie te financieren in gevallen waarin de interne verliesabsorptiecapaciteit van dit soort bank ontoereikend is om toegang te krijgen tot het afwikkelingsfonds.

3.Opmerkingen over het standpunt van de Raad

Het standpunt van de Raad ten aanzien van de voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2014/49/EU in eerste lezing weerspiegelt ten volle het politieke akkoord dat op 25 juni 2025 tussen het Europees Parlement en de Raad is bereikt. De Commissie steunt dat akkoord. De belangrijkste punten van dit akkoord met betrekking tot Richtlijn 2014/49/EU zijn:

·De wijzigingen waarover een akkoord is bereikt, bieden een beter raamwerk voor het gebruik van depositogarantiestelsels (“DGS”) buiten het kader van een afwikkeling. Het gebruik van DGS-middelen voor preventieve maatregelen blijft optioneel voor lidstaten, maar het gebruik ervan wordt afhankelijk gesteld van aanvullende voorwaarden en garantiemechanismen, met name de laagstekostentoets (“LCT”) die dezelfde is als voor het gebruik van DGS-middelen bij afwikkeling, d.w.z. de interventie wordt gemaximeerd op het brutobedrag van gedekte deposito’s.

·Evenzo gelden voor het gebruik van DGS-middelen voor alternatieve maatregelen bij insolventie voortaan dezelfde LCT- en andere regels die bepalen welk soorten overdrachten vanuit de falende bank door DGS in het kader van die maatregelen kunnen worden gefinancierd.

·Institutionele protectiestelsels (“IPS”) die als DGS zijn erkend, moeten een ex-ante streefniveau van 0,8 % van gedekte deposito’s aanhouden. Om liquiditeit en solvabiliteit van aangesloten instellingen te ondersteunen, mogen zij tijdelijk middelen overdragen – tot een bepaalde limiet en met bepaalde garanties. Die middelen moeten worden terugbetaald binnen zeven werkdagen in geval van een uitbetaling of bijdrage aan de afwikkeling van een kredietinstelling die aangesloten is bij dit soort als DGS erkend IPS.

4.Conclusie

De Commissie staat achter de resultaten van de interinstitutionele onderhandelingen en kan bijgevolg het standpunt van de Raad in eerste lezing aanvaarden.

Top