EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.2.2026
COM(2026) 63 final
2026/0041(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
waarbij de lidstaten worden gemachtigd, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna "het Verdrag van 1980" genoemd), dat tot op heden is geratificeerd door 103 landen, waaronder alle EU-lidstaten, heeft tot doel om de status quo te herstellen door via een systeem van samenwerking tussen door de overeenkomstsluitende partijen aangewezen centrale autoriteiten tot onmiddellijke terugkeer te komen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of ongeoorloofd wordt vastgehouden.
Aangezien de preventie van kinderontvoering een essentieel onderdeel van het EU-beleid ter bevordering van de rechten van het kind vormt, is de Europese Unie op internationaal niveau actief om de toepassing van het verdrag van 1980 te verbeteren en moedigt zij derde landen aan om tot het verdrag toe te treden.
Kaapverdië heeft op 4 oktober 2022 het instrument voor toetreding tot het verdrag neergelegd. Het verdrag is op 1 januari 2023 in werking getreden in Kaapverdië.
Volgens artikel 38, vierde alinea, is het verdrag van 1980 van toepassing tussen de toetredende staat en de verdragsluitende staten die verklaard hebben deze toetreding te aanvaarden.
In advies 1/13 verklaarde het Hof van Justitie van de Europese Unie: “De aanvaarding van de toetreding van een derde land tot het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie”.
Het Hof benadrukte dat uniformiteit op EU-niveau geboden was, teneinde variabele geometrie tussen de lidstaten te voorkomen.
Omdat internationale kinderontvoering tot de exclusieve externe bevoegdheden van de Europese Unie behoort, moet voor de beslissing over de aanvaarding van de toetreding van Kaapverdië op EU-niveau een besluit van de Raad worden vastgesteld. De lidstaten zouden daarom zelf in het belang van de Europese Unie een verklaring van aanvaarding van de toetreding van Kaapverdië moeten neerleggen.
Als gevolg van de aanvaarding door de lidstaten van de Europese Unie zou het Haags verdrag van 1980 van toepassing worden tussen Kaapverdië en de EU-lidstaten, met uitzondering van Denemarken.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Wat betreft de ontvoering van kinderen door een ouder is het Haags verdrag van 1980 de internationale tegenhanger van Verordening (EG) 2019/1111 van de Raad (“de verordening Brussel II ter”), die de hoeksteen is van de justitiële samenwerking in de EU in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.
Een van de voornaamste doelstellingen van de verordening is ontvoering van kinderen van de ene naar de andere lidstaat te ontmoedigen door procedures vast te stellen die waarborgen dat het kind onmiddellijk terugkeert naar de lidstaat waar het zijn gewone verblijfplaats had. De verordening Brussel II ter neemt in hoofdstuk III de procedure van het Haags verdrag van 1980 over en vult deze aan door een aantal aspecten ervan te verduidelijken, met name met betrekking tot het horen van het kind, de termijn waarbinnen een beslissing dient te worden gegeven nadat een verzoek om terugkeer is ingediend, en de gronden voor het niet-terugkeren van het kind.
Op internationaal niveau steunt de Europese Unie de toetreding van derde landen tot het verdrag van 1980, zodat de EU-lidstaten erop kunnen vertrouwen dat internationale kinderontvoeringen onder een gemeenschappelijk wettelijk kader vallen.
Tussen juni 2015 en december 2022 zijn reeds 22 besluiten van de Raad vastgesteld om de toetreding van 30 derde landen tot het Haags verdrag van 1980 te aanvaarden (Marokko, Singapore, Rusland, Albanië, Andorra, de Seychellen, Armenië, de Republiek Korea, Kazachstan, Peru, Georgië, Zuid-Afrika, Chili, IJsland, de Bahama’s, Panama, Uruguay, Colombia, El Salvador, San Marino, de Dominicaanse Republiek, Belarus, Oezbekistan, Honduras, Ecuador, Oekraïne, Jamaica, Bolivia, de Filipijnen en Tunesië).
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het onderhavige voorstel is duidelijk gekoppeld aan de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde algemene doelstelling de rechten van het kind te beschermen. Het systeem van het Haags verdrag van 1980 is ontworpen om kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ontvoering door een van de ouders en te waarborgen dat zij contact kunnen onderhouden met beide ouders, bijvoorbeeld door de effectieve uitoefening van het omgangsrecht te garanderen. Eveneens vermeldenswaard is het verband met de bevordering van het gebruik van bemiddeling bij grensoverschrijdende geschillen in het gezin.
De richtlijn betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken is ook van toepassing op het familierecht binnen de gemeenschappelijke Europese justitiële ruimte. Het Haags verdrag van 1980 moedigt de minnelijke schikking van geschillen in het gezin aan. Een door de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht gepubliceerde “Gids voor goede praktijken onder het Haags verdrag van 1980” betreft het gebruik van bemiddeling voor het beslechten van internationale gezinsconflicten waarop het verdrag van toepassing is. Op initiatief van de Europese Commissie is deze gids vertaald in alle EU-talen anders dan Engels en Frans, alsmede in het Arabisch, teneinde de dialoog te ondersteunen met landen die het verdrag nog niet hebben geratificeerd of er nog niet toe zijn toegetreden, en te helpen zoeken naar concrete manieren om de problemen op te lossen in verband met internationale kinderontvoeringen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Overeenkomstig artikel 38 van het Haags verdrag van 1980 is de verklaring van aanvaarding van toetreding een bestanddeel van een met de toetredende staat gesloten internationale overeenkomst.
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU te nemen besluit hangt in de eerste plaats af van de doelstelling en de inhoud van de te sluiten internationale overeenkomst. Aangezien het hoofddoel en de inhoud van het Haags verdrag van 1980 erin bestaan ontvoering van kinderen door ouders tegen te gaan, en het onderwerp derhalve het familierecht is, is de materiële rechtsgrondslag artikel 81, lid 3, VWEU. Artikel 81, lid 3, VWEU bepaalt dat maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen worden vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Aangezien artikel 81 VWEU de materiële rechtsgrondslag is, moet de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt b), VWEU, na raadpleging van het Europees Parlement, het besluit vaststellen waarbij de lidstaten worden gemachtigd om, in het belang van de Unie, de toetreding van een derde land tot het verdrag van 1980 te aanvaarden.
Overeenkomstig artikel 218, lid 8, tweede alinea, VWEU besluit de Raad met eenparigheid van stemmen wanneer de overeenkomst een gebied betreft waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgenomen besluit is derhalve artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt b), VWEU, en artikel 218, lid 8, tweede alinea, VWEU.
Ierland is gebonden door de Verordening (EU) 2019/1111 en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Niet van toepassing
•Evenredigheid
Dit voorstel ligt in de lijn van de reeds vastgestelde besluiten van de Raad over hetzelfde onderwerp en gaat niet verder dan hetgeen nodig is voor de verwezenlijking van een samenhangend EU-optreden inzake internationale kinderontvoering te komen, door te waarborgen dat de lidstaten van de Europese Unie aanvaarden dat Kaapverdië binnen een bepaalde termijn toetreedt tot het Haags verdrag van 1980.
•Keuze van het instrument
Dit voorstel voor een besluit van de Raad wordt ingediend overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU, uit hoofde waarvan de Raad een besluit houdende sluiting van de internationale overeenkomst vaststelt. Er bestaat geen ander rechtsinstrument dat kan worden gebruikt om de met dit voorstel nagestreefde doelstelling te bereiken.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Niet van toepassing
•Raadpleging van belanghebbenden
Alle lidstaten van de Europese Unie, die door de Commissie in het kader van de Groep burgerlijk recht van de Raad zijn geraadpleegd over hun bereidheid om de toetreding van Kaapverdië tot het Haags verdrag van 1980 te aanvaarden, hebben een gunstig advies uitgebracht.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
De Commissie heeft relevante informatie over de uitvoering van het verdrag verzameld bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, de EU-delegatie in Kaapverdië en het parket-generaal, centraal departement voor samenwerking en vergelijkend recht, dat krachtens het Haags verdrag van 1980 als centrale autoriteit is aangewezen.
•Effectbeoordeling
Net als bij de 22 tussen 2015 en 2022 vastgestelde besluiten van de Raad inzake de aanvaarding van de toetreding van derde landen tot het Haags verdrag van 1980 is er geen specifieke effectbeoordeling verricht.
Het niveau van uitvoering van het verdrag is wel onderzocht aan de hand van de antwoorden van Kaapverdië op de EU-vragenlijst en de ingevulde vragenlijst voor nieuwe toetredende landen die is opgesteld door de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
Tijdens de besprekingen in de Groep burgerlijk recht is gebleken dat de ervaringen van sommige lidstaten (bijvoorbeeld Portugal) met het rechtsstelsel van Kaapverdië positief zijn. De Kaapverdische autoriteiten vinden het namelijk zeer belangrijk om te vertrouwen op de verdragsbetrekkingen met de EU-lidstaten. Een gemeenschappelijk rechtskader met alle EU-lidstaten, in de vorm van het Haags verdrag van 1980, zou de behandeling en afwikkeling van grensoverschrijdende ontvoeringszaken vergemakkelijken.
Er zijn opleidingsacties gepland in samenwerking met Portugeestalige landen die partij zijn bij het verdrag (Portugal en Brazilië). Unicef zal ook worden betrokken bij de uitvoering van de Haagse kinderverdragen.
Kaapverdië is onlangs ook toegetreden tot het Verdrag van 1996 inzake kinderbescherming en het Verdrag van 2007 inzake levensonderhoud ten behoeve van kinderen, en zijn rechtsstelsel en de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten zijn onderzocht in het kader van de geen-bezwaarprocedures bij de toetreding tot deze verdragen. De conclusie van de beoordeling luidde dat er geen bezwaar moest worden gemaakt tegen de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van 1996 inzake kinderbescherming en het Verdrag van 2007 inzake levensonderhoud ten behoeve van kinderen.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Niet van toepassing
•Grondrechten
Ontvoering door ouders is rechtstreeks in strijd met de rechten van het kind, met name het recht om te worden beschermd en het recht om contact te onderhouden met beide ouders. Door een rechtskader vast te stellen dat tot doel heeft ontvoering van kinderen door ouders tegen te gaan en het kind de mogelijkheid te bieden te worden gehoord, heeft het verdrag van 1980 de rechten van het kind gehandhaafd, die fundamentele mensenrechten zijn die worden erkend door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (VRK). Dit voorstel heeft tot doel dit rechtskader tussen Kaapverdië en de EU-lidstaten tot stand te brengen.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorgestelde besluit van de Raad heeft geen gevolgen voor de begroting.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Niet van toepassing
•Artikelsgewijze toelichting
Niet van toepassing
2026/0041 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
waarbij de lidstaten worden gemachtigd, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt b), en artikel 218, lid 8, tweede alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de Unie zich als een van haar doelen gesteld de bescherming van de rechten van het kind te bevorderen. Maatregelen om kinderen te beschermen tegen het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van kinderen zijn een essentieel onderdeel van dit beleid.
(2)Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad heeft als doel kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren, procedures vast te stellen om hun onmiddellijke terugkeer naar de gewone verblijfplaats te verkrijgen en het omgangs- en gezagsrecht te waarborgen.
(3) Verordening (EU) 2019/1111 vormt een aanvulling op en versterking van het Verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (“het Haags verdrag van 1980”), waarbij een internationaal systeem van verplichtingen en samenwerking tussen de verdragsluitende staten en tussen centrale autoriteiten wordt ingesteld en dat tot doel heeft de onmiddellijke terugkeer van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of ongeoorloofd wordt vastgehouden te waarborgen.
(4)Alle lidstaten zijn partij bij het Haags verdrag van 1980.
(5)De Unie moedigt derde landen aan toe te treden tot het Haags verdrag van 1980 en ondersteunt de correcte tenuitvoerlegging van het Haags verdrag van 1980, onder andere door samen met de lidstaten deel te nemen aan de bijzondere commissies die regelmatig worden georganiseerd door de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht.
(6)Een gemeenschappelijk wettelijk kader tussen de lidstaten en derde landen zou de beste oplossing kunnen zijn voor gevoelige gevallen van internationale kinderontvoering.
(7)Het Haags verdrag van 1980 bepaalt dat het van toepassing is tussen de toetredende staat en de verdragsluitende staten die verklaard hebben de toetreding te aanvaarden.
(8)Het Haags verdrag van 1980 staat niet toe dat regionale organisaties voor economische integratie, zoals de Unie, partij bij het verdrag worden. De Unie kan derhalve niet tot het Haags verdrag van 1980 toetreden en ook geen verklaring van aanvaarding van de toetreding van een toetredende staat neerleggen.
(9)Overeenkomstig Advies 1/13 van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoren verklaringen van aanvaarding in het kader van het Haags verdrag van 1980 tot de exclusieve externe bevoegdheid van de Unie.
(10)Kaapverdië heeft op 4 oktober 2022 zijn akte van toetreding tot het verdrag van 1980 neergelegd. Het Haags verdrag van 1980 is op 1 januari 2023 in werking getreden in Kaapverdië.
(11)Een beoordeling van de situatie in Kaapverdië heeft geleid tot de conclusie dat de lidstaten in staat zijn om in het belang van de Unie de toetreding van Kaapverdië, overeenkomstig de bepalingen van het Haags verdrag van 1980, te aanvaarden.
(12)De lidstaten moeten daarom worden gemachtigd hun verklaring van aanvaarding van de toetreding van Kaapverdië neer te leggen overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit.
(13)Ierland is gebonden door Verordening (EU) 2019/1111 en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.
(14)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1.De lidstaten worden gemachtigd, in het belang van de Unie, de toetreding van Kaapverdië tot het Haags verdrag van 1980 te aanvaarden.
2. De lidstaten leggen uiterlijk ... [twaalf maanden na de datum van vaststelling van dit besluit], in het belang van de Unie, een verklaring van aanvaarding van de toetreding van Kaapverdië tot het Haags verdrag van 1980 neer, die als volgt luidt: “[Volledige naam van de LIDSTAAT] verklaart de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden, overeenkomstig Besluit (EU) ... van de Raad.”.
3.De lidstaten stellen de Raad en de Commissie in kennis van de neerlegging van hun verklaring van aanvaarding van de toetreding van Kaapverdië tot het Haags verdrag van 1980, en delen aan de Commissie binnen twee maanden na de neerlegging ervan de tekst van die verklaring mee.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
(1)KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden
Betrokken beleidsterreinen
Justitie
Doelstellingen
Algemene doelstellingen
Dit voorstel heeft tot doel de lidstaten te machtigen, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden, overeenkomstig Advies 1/13 van het HvJ-EU, teneinde de rechtszekerheid en voorspelbaarheid op internationaal en Europees niveau te waarborgen.
Specifieke doelstellingen
EU-lidstaten machtigen de toetreding van Kaapverdië tot het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden.
Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Het Verdrag van Den Haag van 1980 betreffende internationale ontvoering van kinderen zal van toepassing zijn tussen alle lidstaten (met uitzondering van Denemarken) en Kaapverdië.
Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
n.v.t.
Het voorstel/initiatief betreft:
☑
een nieuwe actie
☐
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie
☐
de verlenging van een bestaande actie
☐
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
Motivering van het voorstel/initiatief
Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
n.v.t.
Meerwaarde van het optreden van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante)
De machtiging van EU-lidstaten is in overeenstemming met soortgelijke eerdere initiatieven naar aanleiding van Advies 1/13 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ze valt onder de exclusieve externe bevoegdheid van de EU uit hoofde van artikel 3, lid 2, VWEU. De machtiging kan alleen door de Raad worden verleend op voorstel van de Commissie en is derhalve per definitie een exclusieve bevoegdheid, die niet onderworpen is aan het subsidiariteitsbeginsel.
Verwachte meerwaarde EU (ex-post)
De eerbiediging van de EU-Verdragen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is gewaarborgd.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Het gaat om het 23ste soortgelijke voorstel.
Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.
Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.
Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
☐
beperkte geldigheidsduur
☐
van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ.
☐
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.
☐
onbeperkte geldigheidsduur
Uitvoering met een opstartperiode vanaf YYYY tot en met YYYY,
gevolgd door een volledige uitvoering.
Wijzen van uitvoering van de begroting
☐
Direct beheer door de Commissie
☐
door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie
☐
door de uitvoerende agentschappen
☐
Gedeeld beheer met de lidstaten
☐
Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:
☐
derde landen of de door hen aangewezen organen;
☐
internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
☐
de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;
☐
de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
☐
publiekrechtelijke organen;
☐
privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
☐
privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
☐
organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling;
☐
in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
Opmerkingen
[...]
BEHEERSMAATREGELEN
Regels inzake het toezicht en de verslagen
n.v.t.
Beheers- en controlesystemen
Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
n.v.t.
Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
n.v.t.
Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
[...]