EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.1.2026
COM(2026) 44 final
2026/0027(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling, krachtens artikel 540, lid 2, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van de datum met ingang waarvan de in artikel 537 van die overeenkomst bedoelde persoonsgegevens door de lidstaten aan het Verenigd Koninkrijk mogen worden verstrekt
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt over een verklaring van de Unie waarbij wordt aangegeven met ingang van welke datum de lidstaten persoonsgegevens betreffende de geautomatiseerde bevraging van gegevens uit kentekenregisters aan het Verenigd Koninkrijk mogen verstrekken, overeenkomstig artikel 540, lid 2, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna “het Verenigd Koninkrijk”), anderzijds.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.De Handels- en samenwerkingsovereenkomst
De handels- en samenwerkingsovereenkomst (hierna “de overeenkomst”) legt de grondslag voor uitgebreide betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk, binnen een ruimte van welvaart en goed nabuurschap die wordt gekenmerkt door nauwe en vreedzame betrekkingen op basis van samenwerking, met eerbiediging van de autonomie en soevereiniteit van de partijen. De overeenkomst is op 1 januari 2021 in werking getreden.
Zij voorziet in samenwerking tussen de partijen op het gebied van de geautomatiseerde vergelijking van DNA-profielen, dactyloscopische gegevens en gegevens uit kentekenregisters. Deze samenwerking kan echter pas beginnen nadat de Unie is nagegaan of het Verenigd Koninkrijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 539 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en bijlage 39 daarbij.
2.2.De beoogde handeling van de Unie
In artikel 540, lid 2, van de overeenkomst is bepaald dat de Unie besluit met ingang van welke datum de lidstaten persoonsgegevens betreffende de geautomatiseerde bevraging van gegevens uit kentekenregisters aan het Verenigd Koninkrijk mogen verstrekken op grond van deel drie, titel II (“Uitwisseling van DNA, vingerafdrukken en gegevens uit kentekenregisters”), van de overeenkomst.
Overeenkomstig bijlage 39 bij de overeenkomst moet de Raad op basis van een evaluatie besluiten of het Verenigd Koninkrijk aan de vereiste voorwaarden voor geautomatiseerde bevraging van gegevens uit kentekenregisters voldoet. Het besluit moet gebaseerd zijn op een algemeen evaluatieverslag waarin de resultaten van een vragenlijst, een evaluatiebezoek en, in voorkomend geval, een proefrun worden gepresenteerd.
Het besluit wordt uit hoofde van het internationaal recht bindend voor het Verenigd Koninkrijk door een unilaterale verklaring van de Unie, overeenkomstig artikel 540, lid 2, van de overeenkomst. Het Verenigd Koninkrijk moet in kennis worden gesteld van de unilaterale verklaring van de Unie.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Na een evaluatiebezoek aan het Verenigd Koninkrijk van 17 tot 20 juni 2025 is het evaluatieteam in zijn verslag tot de conclusie gekomen dat de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk op het gebied van gegevens uit kentekenregisters aan de desbetreffende vereisten voldoet. Het verslag is op 17 oktober 2025 aan de Raad voorgelegd en heeft de weg vrijgemaakt voor de Raad om het mogelijk te maken dat de Unie verklaart dat de lidstaten persoonsgegevens over gegevens uit kentekenregisters aan het Verenigd Koninkrijk mogen verstrekken, zoals bedoeld in artikel 540, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.
Gelet op het bovenstaande stelt de Commissie voor 1 maart 2026 vast te stellen als de datum met ingang waarvan de lidstaten het Verenigd Koninkrijk persoonsgegevens over gegevens uit kentekenregisters, zoals bedoeld in de artikelen 537 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, mogen verstrekken.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
In artikel 540, leden 1 en 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat wanneer het Verenigd Koninkrijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 539 van en bijlage 39 bij die overeenkomst, de Unie vaststelt vanaf welke datum de lidstaten het Verenigd Koninkrijk persoonsgegevens over gegevens uit kentekenregisters mogen verstrekken. Die vaststelling is weliswaar een unilaterale handeling van de Unie en geen handeling die door een van de bij de overeenkomst opgerichte organen moet worden vastgesteld, maar heeft niettemin rechtsgevolgen. Daarom moet het standpunt van de Unie dat aan die vaststelling ten grondslag ligt, worden bepaald overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, dat naar analogie wordt toegepast.
De rechtsgevolgen van de verklaring zijn bindend uit hoofde van het internationaal recht en zijn volledig voor de Unie, als partij bij de overeenkomst. Daarom heeft de Unie overeenkomstig artikel 3, lid 2, VWEU exclusieve bevoegdheid in deze aangelegenheid.
De vaststelling van de datum als bedoeld in artikel 540, lid 2, van de overeenkomst leidt er niet toe dat het kader van die overeenkomst wordt aangevuld of gewijzigd.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
Als een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De beoogde handeling heeft doelstellingen en componenten op het gebied van gegevensbescherming en politiële samenwerking. Deze elementen van de beoogde handeling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder dat het ene ondergeschikt is aan het andere.
Het voorgestelde besluit heeft daarom de volgende artikelen als materiële rechtsgrondslag: artikel 16, lid 2, artikel 87, lid 2, punt a), VWEU.
De overeenkomst is bindend voor alle lidstaten op grond van Besluit (EU) 2021/689, dat artikel 217 VWEU als materiële rechtsgrond heeft.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 16, lid 2, en artikel 87, lid 2, punt a), VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2026/0027 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling, krachtens artikel 540, lid 2, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van de datum met ingang waarvan de in artikel 537 van die overeenkomst bedoelde persoonsgegevens door de lidstaten aan het Verenigd Koninkrijk mogen worden verstrekt
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, lid 2, en artikel 87, lid 2, punt a), in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna “het Verenigd Koninkrijk”), anderzijds (“handels- en samenwerkingsovereenkomst”), is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2021/689 van de Raad van 29 april 2021 en op 1 januari 2021 in werking getreden.
(2)Overeenkomstig artikel 540, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst besluit de Unie met ingang van welke datum de lidstaten persoonsgegevens betreffende de geautomatiseerde bevraging van gegevens uit kentekenregisters aan het Verenigd Koninkrijk mogen verstrekken, op basis van een algemeen evaluatieverslag waarin de resultaten van een vragenlijst, een evaluatiebezoek en, in voorkomend geval, een proefrun worden gepresenteerd.
(3)Bij brief van 20 mei 2024 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie via het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst ingestelde Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie meegedeeld dat het de verplichtingen uit hoofde van deel drie, titel II, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot gegevens uit kentekenregisters is nagekomen. Het Verenigd Koninkrijk heeft ook kennisgeving gedaan van verklaringen en aanwijzingen overeenkomstig artikel 22 van hoofdstuk 0 van bijlage 39 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst en verklaard bereid te zijn te worden geëvalueerd wat betreft de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van gegevens uit kentekenregisters.
(4)Op 25 oktober 2024 heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk de vragenlijst toegezonden met betrekking tot de automatische uitwisseling van gegevens uit kentekenregisters. Op 11 november 2024 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie zijn antwoorden op die vragenlijst verstrekt. Deze antwoorden zijn aan het evaluatieteam verstrekt en op 13 november 2024 voorgelegd aan de Groep informatie-uitwisseling JBZ van de Raad en de Groep Verenigd Koninkrijk van de Raad.
(5)Overeenkomstig artikel 2 van hoofdstuk 4 van bijlage 39 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst moest het VK kort voor of kort na het evaluatiebezoek een proefrun (proefproject) uitvoeren in samenwerking met een of meer andere lidstaten die reeds gegevens uit de kentekenregisters uitwisselen in het kader van Besluiten 2008/615/JBZ en 2008/616/JBZ van de Raad. De proefrun werd kort voor het evaluatiebezoek met succes afgerond.
(6)Overeenkomstig artikel 3 van hoofdstuk 4 van bijlage 39 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst heeft het Verenigd Koninkrijk van 17 tot en met 20 juni 2025 een evaluatie ondergaan met betrekking tot de geautomatiseerde bevraging van gegevens uit kentekenregisters. In het evaluatieverslag werd geconcludeerd dat de aspecten die de geautomatiseerde uitwisseling van gegevens uit kentekenregisters met de lidstaten op grond van deel drie, titel II, van en bijlage 39 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst mogelijk maken, in het Verenigd Koninkrijk met succes zijn uitgevoerd op juridisch, operationeel en technisch niveau.
(7)Overeenkomstig artikel 5 van hoofdstuk 4 van bijlage 39 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst is het evaluatieverslag, waarin de resultaten van de vragenlijst, het evaluatiebezoek en de proefrun zijn gepresenteerd, op 17 oktober 2025 aan de Raad voorgelegd.
(8)Aangezien het Verenigd Koninkrijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 539 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en bijlage 39 daarbij, moet de Unie op grond van artikel 540, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst de datum vaststellen met ingang waarvan de lidstaten persoonsgegevens met betrekking gegevens uit kentekenregisters als bedoeld in artikel 537 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst aan het Verenigd Koninkrijk mogen verstrekken. Deze gegevens mogen vanaf 1 maart 2026 worden verstrekt. De Unie moet het Verenigd Koninkrijk in het Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie in kennis stellen van dit standpunt. In die omstandigheden is het daarom passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk ingenomen moet worden over de vaststelling van die datum.
(9)De handels- en samenwerkingsovereenkomst is verbindend voor alle lidstaten op grond van Besluit (EU) 2021/689 van de Raad, dat artikel 217 VWEU als materiële rechtsgrondslag heeft.
(10)Denemarken en Ierland zijn krachtens Besluit (EU) 2021/689 van de Raad gebonden door artikel 540 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en nemen derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit ter uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in te nemen standpunt met betrekking tot de datum met ingang waarvan persoonsgegevens met betrekking tot gegevens uit kentekenregisters als bedoeld in artikel 537 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst door de lidstaten aan het Verenigd Koninkrijk mogen worden verstrekt, is opgenomen in de aan dit besluit gehechte unilaterale verklaring van de Unie.
Artikel 2
Het Verenigd Koninkrijk wordt in het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst ingestelde Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie in kennis gesteld van het in artikel 1 bedoelde standpunt van de Unie.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter