Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52026PC0015

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met betrekking tot een voorstel om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten

COM/2026/15 final

Brussel, 22.1.2026

COM(2026) 15 final

2026/0007(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met betrekking tot een voorstel om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) en in de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE, met betrekking tot de beoogde vaststelling van wijzigingen in de AETR om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg

De AETR heeft tot doel het wetgevingskader van de partijen bij de overeenkomst te harmoniseren met betrekking tot de rij- en rusttijden van beroepschauffeurs en de overeenkomstige technische eisen voor de constructie en installatie van het controleapparaat dat wordt gebruikt in voertuigen (tachograaf). De AETR is op 5 januari 1976 in werking getreden en daarna herhaaldelijk gewijzigd.

Alle lidstaten zijn partij bij de AETR 1 .

2.2.De deskundigengroep inzake de AETR en de Werkgroep voor Wegvervoer

De deskundigengroep inzake de AETR is een technische groep die is opgericht door de Transportcommissie van de VN/ECE, met als doel voorstellen tot wijziging van de AETR te ontwikkelen. In het besluit tot oprichting van de deskundigengroep inzake de AETR is bepaald dat de Europese Unie aan die groep kan deelnemen 2 . Daarom wordt de Unie in deze deskundigengroep vertegenwoordigd door de Commissie.

De Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) is een groep die door de Transportcommissie is opgericht om de ontwikkeling van het internationaal wegvervoer te bevorderen en dat vervoer te faciliteren. Het gaat onder meer om de harmonisatie en vereenvoudiging van de regels en eisen met betrekking tot het wegvervoer. Alleen partijen bij de AETR nemen als leden aan de Werkgroep voor Wegvervoer deel. De Europese Unie wordt in de werkgroep uitgenodigd als waarnemer en wordt dus vertegenwoordigd door de Commissie of de delegatie van de Europese Unie bij de VN en andere internationale organisaties in Genève.

Voorstellen tot wijziging van de AETR worden gewoonlijk eerst ingediend bij en onderzocht en goedgekeurd door de deskundigengroep, en vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE. Als in beide groepen consensus wordt bereikt over bepaalde wijzigingen in de AETR, dient een partij bij de AETR de voorgestelde wijziging formeel in bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 21 van de AETR. Zodra de secretaris-generaal van de Verenigde Naties de overeenkomstsluitende partijen ervan in kennis heeft gesteld dat een voorstel tot wijziging van de AETR is ingediend, hebben zij zes maanden de tijd om bezwaar te maken tegen het voorstel. De wijziging wordt geacht te zijn aangenomen als geen enkele overeenkomstsluitende partij binnen die termijn bezwaar maakt tegen de wijziging.

De in het kader van de VN/ECE opgerichte organen (de deskundigengroep inzake de AETR en de Werkgroep voor Wegvervoer) bieden een forum waar wijzigingen in de AETR worden besproken, onderzocht en goedgekeurd, met het doel de formele indiening van een wijziging overeenkomstig de AETR voor te bereiden en te vermijden dat nog bezwaar wordt gemaakt nadat een wijzigingsvoorstel formeel is ingediend bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Het is daarom passend standpunten van de Unie vast te stellen met betrekking tot besluiten die moeten worden genomen in de deskundigengroep en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de VN/ECE.

2.3.De beoogde handeling die ter bespreking wordt voorgelegd aan de deskundigengroep inzake de AETR en de Werkgroep voor Wegvervoer

In februari 2026 zal de deskundigengroep inzake de AETR tijdens zijn 40e zitting of tijdens latere zittingen, op basis van het bij dit voorstel gevoegde voorstel van de Unie, voorstellen bespreken en ontwikkelen tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR om toetreding van Mongolië tot die overeenkomst toe te laten.

In september 2023 diende Duitsland als eerste een soortgelijk voorstel in bij de werkgroepen van de VN/ECE.

In artikel 14, lid 1, van de AETR 3 is bepaald dat de overeenkomst openstaat voor toetreding door lidstaten van de Economische Commissie voor Europa (ECE) en door staten die overeenkomstig paragraaf 8 of 11 van het mandaat van deze commissie met adviserende bevoegdheid tot haar werkzaamheden zijn toegelaten. Er is ook bepaald dat toetredingen overeenkomstig paragraaf 11 van het mandaat van de ECE beperkt zijn tot Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Marokko en Tunesië.

Met uitzondering van niet-Europese staten die al lid zijn van de ECE, mogen daardoor volgens artikel 14, lid 1, van de AETR momenteel alleen niet-Europese staten die zijn opgenomen in een gesloten lijst tot de AETR toetreden. Daarom moet elke niet-Europese staat die geen lid is van de ECE en niet is opgenomen in de lijst in artikel 14, lid 1, van de AETR en die tot die overeenkomst wil toetreden, een overeenkomstsluitende partij vinden die bereid is een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR in te dienen met het doel de desbetreffende staat in die lijst op te nemen.

Omdat het onderwerp van de AETR onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt, heeft Mongolië contact opgenomen met de Commissie en gevraagd of de Unie een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR kan indienen met het doel Mongolië uitdrukkelijk op te nemen in de lijst van niet-Europese staten die tot die overeenkomst kunnen toetreden.

De beoogde handeling heeft dus tot doel toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten. De deskundigengroep zal de opdracht krijgen het voorstel te onderzoeken, met als doel de voorgestelde wijziging goed te keuren en ze bij de Werkgroep voor Wegvervoer aan te bevelen voor goedkeuring. Indien nodig zou de Werkgroep voor Wegvervoer ook richtsnoeren en instructies kunnen verstrekken aan de deskundigengroep. Zodra de Werkgroep voor Wegvervoer het voorstel informeel heeft goedgekeurd, moet een overeenkomstsluitende partij de wijziging indienen bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Als de beoogde handeling wordt goedgekeurd, wordt ze voor de partijen bindend overeenkomstig artikel 21, lid 6, van de overeenkomst, waarin het volgende is bepaald: “Elke wijziging die wordt geacht te zijn aanvaard treedt in werking drie maanden na de dag waarop zij geacht wordt te zijn aanvaard”. Mongolië zou dan tot de AETR kunnen toetreden overeenkomstig de procedure in artikel 14 van die overeenkomst.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Mongolië heeft de Commissie in januari 2024 voor het eerst meegedeeld dat het tot de AETR wil toetreden omdat het zijn handelsroutes over de weg verder wil ontwikkelen. Het gaat onder meer om de ontwikkeling van de wegvervoersector en het internationale wegvervoer buiten de directe buurlanden (China en de Russische Federatie).

In dat verband heeft Mongolië de Commissie meegedeeld dat het momenteel bilaterale overeenkomsten voor internationaal wegvervoer heeft met verschillende EU-landen en niet-AETR-landen (zie tabel 1 hieronder).

Tabel 1: Status van de bilaterale overeenkomsten inzake internationaal wegvervoer van Mongolië

(Bron: overheid van Mongolië, februari 2025)

EU-lidstaten

Niet-EU-partijen bij de AETR

Bestaande bilaterale overeenkomsten of vergunningen voor internationaal wegvervoer met Mongolië

Letland, Hongarije, Litouwen, Slovenië, Polen, Duitsland, Slowakije, Tsjechië

Kazachstan, Oekraïne, Russische Federatie, Belarus, Kirgizië, Oezbekistan, Turkmenistan, Turkije, Moldavië, Georgië

Voorts is Mongolië partij bij verschillende internationale overeenkomsten op het gebied van wegvervoer en verkeersveiligheid 4 en bij de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst).

Hoewel het goederenvervoer over de weg van en naar Mongolië logischerwijs vooral met de buurlanden verloopt 5 , blijkt het dus nog altijd in het belang van de Unie en haar lidstaten te zijn om Mongolië tot de AETR te laten toetreden. Die toetreding kan de weg effenen voor verschillende voordelen, waaronder de harmonisatie van rij- en rusttijden en het gebruik van de tachograaf voor internationaal wegvervoer tussen de EU en Mongolië, gezien de tendens van bestaande bilaterale overeenkomsten en mogelijke toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen Mongolië en de lidstaten. De toepassing van de AETR in Mongolië kan ook de weg banen voor de opleiding van beroepschauffeurs in Mongolië. In de periode 2022-2023 hebben de lidstaten geen tijdelijke bestuurderskaarten afgegeven aan bestuurders die hun gewone verblijfplaats in Mongolië hebben 6 . De nationale wegvervoersorganisatie van Mongolië (NARTAM) is sinds 2000 ook lid van de Internationale Wegvervoersorganisatie (IRU) 7 .

Het standpunt van de Unie moet er dus in bestaan de mogelijkheid dat Mongolië tot de AETR toetreedt, te steunen.

In zijn arrest van 31 maart 1971 in zaak 22/70, AETR 8 , heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie erkend dat de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg een exclusieve externe bevoegdheid van de Unie is. Sindsdien is die bevoegdheid uitgeoefend in tal van wetgevingshandelingen die door de medewetgevers van de Unie zijn vastgesteld, onder meer Verordeningen (EG) nr. 561/2006 9 en (EU) nr. 165/2014 10 . Aangezien het onderwerp van de AETR onder het toepassingsgebied van die verordeningen valt, berust de bevoegdheid tot het onderhandelen over en het sluiten van de AETR en wijzigingen daarvan, op grond van artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uitsluitend bij de Unie.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Artikel 218, lid 9, VWEU is van toepassing ongeacht of de Unie lid is van het lichaam dan wel partij is bij de overeenkomst 11 .

Als een rechtsgebied onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt, belet het feit dat de Europese Unie niet aan de betrokken internationale overeenkomst heeft deelgenomen, haar niet om die bevoegdheid uit te oefenen door via haar instellingen een standpunt vast te stellen dat namens haar moet worden ingenomen in het bij die overeenkomst opgerichte orgaan, met name via de lidstaten die partij zijn bij die overeenkomst en die gezamenlijk in haar belang handelen 12 .

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 13 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

De deskundigengroep inzake de AETR en de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) zijn organen die zijn opgericht door de Transportcommissie van de VN/ECE.

De voorgestelde wijziging is een handeling met rechtsgevolgen. Als de beoogde handeling wordt goedgekeurd, wordt ze uit hoofde van het volkenrecht bindend overeenkomstig artikel 21, lid 6, van de AETR.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is daarom artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De hoofddoelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben betrekking op het vervoersbeleid.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is daarom artikel 91 VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 91 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

2026/0007 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met betrekking tot een voorstel om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) 14 is op 5 januari 1976 in werking getreden. De Unie is exclusief bevoegd voor de kwesties waarop de AETR betrekking heeft 15 .

(2)Met uitzondering van niet-Europese staten die al lid zijn van de ECE, staat de AETR overeenkomstig artikel 14, lid 1, alleen open voor toetreding van niet-Europese staten die zijn opgenomen in een gesloten lijst 16 . Als een niet-Europese staat die geen lid is van de ECE en niet is opgenomen in de lijst in artikel 14, lid 1, van de AETR tot de AETR wil toetreden, moet hij een overeenkomstsluitende partij vinden die bereid is een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR in te dienen met het doel de betrokken staat in de lijst op te nemen.

(3)Mongolië wil toetreden tot de AETR. Mongolië heeft momenteel bilaterale overeenkomsten met verschillende lidstaten van de Unie en met verschillende andere niet-EU-partijen bij de AETR. De toetreding van Mongolië zou de weg kunnen effenen voor verschillende voordelen, waaronder meer geharmoniseerde regels voor internationaal wegvervoer van en naar Mongolië. De toetreding van Mongolië is daarom in het belang van de Unie, en het is daarom passend dat de Unie een voorstel indient om de AETR met dit doel te wijzigen.

(4)Overeenkomstig artikel 21 van de AETR kunnen voorstellen tot wijziging van de AETR door elke overeenkomstsluitende partij worden ingediend bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Voordat de voorstellen bij de secretaris-generaal van de VN worden ingediend, worden ze gewoonlijk eerst ingediend bij en onderzocht en goedgekeurd door de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de Economische Commissie voor Europa van de VN (VN/ECE). In het kader van de AETR heeft de VN/ECE een deskundigengroep inzake de AETR opgericht. Die groep is een orgaan dat bevoegd is om voorstellen tot wijziging van de AETR op te stellen en in te dienen bij SC.1. De Unie zal op basis van dit besluit voorstellen dat de deskundigengroep inzake de AETR, tijdens zijn geplande 40e zitting in februari 2026 en tijdens latere zittingen, en SC.1, tijdens zijn geplande 121e zitting in oktober 2026 en tijdens latere zittingen, een wijziging van de AETR bespreken om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten.

(5)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de AETR en in de Werkgroep voor Wegvervoer, omdat het voorstel tot wijziging dat ze worden verzocht op te stellen en goed te keuren, krachtens het internationaal recht bindend zou zijn overeenkomstig artikel 21, lid 6, van de AETR.

(6)De lidstaten mogen er geen bezwaar tegen maken dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, krachtens artikel 21, lid 1, van de AETR, kennisgeving doet van de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen. Als een kennisgeving van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties niet beperkt blijft tot de wijziging die in de bijlage bij dit besluit wordt voorgesteld, mogen de lidstaten geen bezwaar maken tegen de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen.

(7)Het standpunt van de Unie in de deskundigengroep inzake de AETR moet tot uitdrukking worden gebracht door de Commissie, en het standpunt van de Unie in de Werkgroep voor Wegvervoer moet tot uitdrukking worden gebracht door de lidstaten, die gezamenlijk in het belang van de Unie optreden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de volgende zittingen van de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en van de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) met betrekking tot een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR om toetreding van Mongolië tot deze overeenkomst toe te laten, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Over formele en kleine wijzigingen van het in de eerste alinea bedoelde standpunt kan overeenstemming worden bereikt zonder nader besluit van de Raad.

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde standpunt wordt in de deskundigengroep inzake de AETR tot uitdrukking gebracht door de Commissie en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de VN/ECE door de lidstaten, die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.

Artikel 3

Als een in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorgestelde wijziging door de Werkgroep voor Wegvervoer van de VN/ECE is goedgekeurd, dienen de lidstaten, die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie, deze in bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de AETR.

De lidstaten maken er geen bezwaar tegen dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, krachtens artikel 21, lid 1, van de AETR, kennisgeving doet van de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Commissie en tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Oostenrijk (geratificeerd op 11.6.1975), België (geratificeerd op 30.12.1977), Bulgarije (geratificeerd op 12.5.1995), Kroatië (geratificeerd op 3.8.1992), Cyprus (geratificeerd op 5.9.2003), Tsjechië (geratificeerd op 22.6.1993), Denemarken (geratificeerd op 30.12.1977), Estland (geratificeerd op 3.5.1993), Finland (geratificeerd op 16.2.1999), Frankrijk (geratificeerd op 9.1.1978), Duitsland (geratificeerd op 9.7.1975), Griekenland (geratificeerd op 11.1.1974), Hongarije (geratificeerd op 22.10.1999), Ierland (geratificeerd op 28.8.1979), Italië (geratificeerd op 28.12.1978), Letland (geratificeerd op 14.1.1994), Litouwen (geratificeerd op 3.6.1998), Luxemburg (geratificeerd op 30.12.1977), Malta (geratificeerd op 24.9.2004), Nederland (geratificeerd op 30.12.1977), Polen (geratificeerd op 14.7.1992), Portugal (geratificeerd op 20.9.1973), Roemenië (geratificeerd op 8.12.1994), Slowakije (geratificeerd op 28.5.1993), Slovenië (geratificeerd op 6.8.1993), Spanje (geratificeerd op 3.1.1993) en Zweden (geratificeerd op 24.8.1973).
(2)    Besluit over aangelegenheden in verband met de Transportcommissie: Oprichting van een deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR), ECE/EX/2011/L.16, punt 3: “Overeenkomstig de richtsnoeren staat deelname aan de deskundigengroep open voor alle ECE-lidstaten, alle partijen bij de AETR en de Europese Unie (...)”.
(3)    In de versie die door de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) is aangenomen tijdens de 114e zitting van 16 tot en met 18 oktober 2019 in Genève (ECE/TRANS/SC.1/412, punt 16) en die op 23 april 2022 in werking is getreden.
(4)    Onder meer het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer (datum van toetreding: 19.12.1997 ), het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (datum van toetreding: 19.12.1997 ) en het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR, datum van toetreding: 18.9.2003 ).
(5)    In 2022 was de handel met China en de Russische Federatie goed voor respectievelijk 64 % en 13 % van de totale buitenlandse handel van Mongolië (bron: overheid van Mongolië).
(6)    Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de afgifte van tijdelijke bestuurderskaarten door de lidstaten overeenkomstig artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014 (COM(2024) 309 final).
(7)    Website van de IRU: NARTAM | IRU | World Road Transport Organisation .
(8)    Arrest van het Hof van Justitie van 31 maart 1971, Commissie/Raad, C-22/70, ECLI:EU:C:1971:32, punten 30 en 31.
(9)    Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2006/561/oj ).
(10)    Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2014/165/oj ).
(11)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punt 64.
(12)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punt 52.
(13)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(14)    PB L 95 van 8.4.1978, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1977/2829/oj .
(15)    Arrest van het Hof van Justitie van 31 maart 1971, Commissie/Raad, C-22/70, ECLI:EU:C:1971:32, punten 30 en 31.
(16)    Momenteel beperkt tot Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Marokko en Tunesië.
Top

Brussel, 22.1.2026

COM(2026) 15 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een Besluit van de Raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met betrekking tot een voorstel om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten


BIJLAGE

Artikel 14, lid 1, van de AETR wordt vervangen door:

“1. Deze overeenkomst staat tot 31 maart 1971 open voor ondertekening en, na deze datum, voor toetreding door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa (ECE), alsmede door staten die overeenkomstig paragraaf 8 of 11 van het mandaat van deze commissie met adviserende bevoegdheid tot haar werkzaamheden zijn toegelaten. Toetredingen overeenkomstig paragraaf 11 van het mandaat van deze commissie zijn beperkt tot de volgende staten: Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Mongolië, Marokko en Tunesië.”.

Top