EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 4.12.2025
COM(2025) 941 final
2025/0381(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling en tot intrekking van Richtlijn 98/26/EG en tot wijziging van Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2025) 943 final} - {SWD(2025) 943 final} - {SWD(2025) 944 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Het centrale thema van dit mandaat van de Europese Commissie is het creëren van een concurrerende Europese economie. Het kompas voor concurrentievermogen geeft ons de visie van een Europa als economische grootmacht, een aantrekkelijke plek om te investeren en een centrum van productieactiviteiten. De spaar- en investeringsunie is een van de vijf horizontale hulpmiddelen van het kompas.
Europa heeft grote investeringsbehoeften in strategische sectoren zoals defensie, ruimtevaart, biotechnologie, schone technologie en artificiële intelligentie (AI). Al te vaak zijn innovatoren door het ontbreken van voldoende risicokapitaal afhankelijk van buitenlandse investeerders of worden zij gedwongen naar het buitenland te verhuizen. Wanneer dit gebeurt, verliest Europa niet alleen bedrijven, maar ook indirect banen, innovatiecapaciteit en het vermogen om een concurrentievoordeel op te bouwen en in stand te houden in de economische sectoren van de toekomst.
De noodzaak om snel actie te ondernemen wordt op het hoogste politieke niveau algemeen erkend. In 2024 hebben Enrico Letta en Mario Draghi op verzoek van respectievelijk de Europese Raad en de voorzitter van de Europese Commissie baanbrekende verslagen geschreven, waarin zij allebei aanbevelingen doen voor maatregelen om de integratie van de kapitaalmarkt en het efficiënte toezicht te verbeteren teneinde het concurrentievermogen van de EU-economie te herstellen en de geopolitieke uitdagingen waarmee zij wordt geconfronteerd, het hoofd te bieden. Daarnaast hebben de Eurogroep en de Europese Raad ook aangedrongen op vooruitgang bij de totstandbrenging van werkelijk geïntegreerde Europese kapitaalmarkten die toegankelijk zijn voor alle burgers en bedrijven in de hele Unie. Dit is een doelstelling die alle Europese instellingen delen en die door alle Europese hoofdsteden breed wordt gesteund.
Tijdens de Eurotop van maart 2025 werd de nadruk gelegd op de urgentie en gedeelde verantwoordelijkheid voor snelle vooruitgang bij de oprichting van de spaar- en investeringsunie. Het Europees Parlement heeft betoogd dat de integratie van de kapitaalmarkten een noodzakelijke pijler van de beleggingsstrategie van de Unie is en steunt het voornemen van de Commissie om maatregelen voor te stellen om de instrumenten voor convergentie van het toezicht te versterken en tot een meer eenvormig direct toezicht op de kapitaalmarkten te komen. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft ook haar steun uitgesproken voor het project.
Buiten Europa hebben internationale organisaties zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgeroepen tot actie om de resterende belemmeringen voor de integratie van de financiële markten in de EU aan te pakken. De onderlinge koppeling van de nationale financiële markten in de hele EU levert duidelijke en concrete voordelen op. Dit ontsluit grensoverschrijdende kapitaalstromen, maakt investeringen efficiënter, verdiept de liquiditeit en verlaagt de kosten voor bedrijven en investeerders. Dat versterkt de financiële veerkracht door risico’s te spreiden over een bredere pool van instrumenten en markten, en stimuleert innovatie en concurrentie, wat leidt tot betere producten en diensten voor burgers.
Om de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie te ondersteunen, wordt in dit voorstel gepleit voor de omzetting van Richtlijn 98/26/EG (de finaliteitsrichtlijn) in een verordening. De finaliteitsrichtlijn, die in 1998 is vastgesteld, heeft tot doel het systeemrisico in betalings- en effectenafwikkelingssystemen binnen de EU te verminderen door ervoor te zorgen dat overboekingsopdrachten die eenmaal in een aangewezen systeem zijn ingevoerd, definitief en onherroepelijk zijn, zelfs in geval van insolventie van een deelnemer. De richtlijn biedt rechtszekerheid over het tijdstip en de afdwingbaarheid van afwikkelings-, verrekenings- en zekerheidsovereenkomsten, waardoor de goede werking van de financiële markten wordt gewaarborgd. De finaliteitsrichtlijn stelt ook gemeenschappelijke regels vast voor de aanwijzing van systemen en de bescherming van zekerheden die zijn gesteld in verband met deelname aan dergelijke systemen en verduidelijkt welk recht van toepassing is op bepaalde grensoverschrijdende transacties. Hoewel het toepassingsgebied van de finaliteitsrichtlijn beperkt is tot systemen die onder het recht van een lidstaat vallen, kunnen de lidstaten een bescherming in de trant van de finaliteitsrichtlijn uitbreiden tot binnenlandse entiteiten die deelnemen aan systemen uit een derde land.
Sinds de vaststelling ervan in 1998 is de finaliteitsrichtlijn zes keer gewijzigd om rekening te houden met de veranderende structuur van de financiële markten in de EU. Bij de eerste wijziging, in 2009, werd de bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling uitgebreid tot kredietvorderingen en tot koppelingen tussen betalings- en effectenafwikkelingssystemen. Bij de tweede wijziging, die in 2010 werd ingevoerd, werd de richtlijn afgestemd op de oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s), waarbij de rol van de Europese en nationale toezichthouders werd verduidelijkt. Bij de derde wijziging in 2012 werden actualiseringen doorgevoerd om te zorgen voor samenhang met het nieuwe EU-kader voor centrale tegenpartijen en transactieregisters. Bij de vierde wijziging in 2014 werden de definities en verwijzingen aangepast om de richtlijn in overeenstemming te brengen met de geharmoniseerde regeling voor effectenafwikkeling van de EU. Bij de vijfde wijziging in 2019 werden bepalingen met betrekking tot deelnemers uit derde landen en systeeminteroperabiliteit gepreciseerd om de continuïteit in geval van afwikkeling van banken te waarborgen. Meest recentelijk, in 2024, is bij de zesde wijziging het toepassingsgebied van in aanmerking komende deelnemers uitgebreid tot niet-bancaire betalingsdienstaanbieders, waarbij het kader werd gemoderniseerd om rekening te houden met veranderingen in de infrastructuur voor retailbetalingen in de EU.
In 2023 heeft de Commissie een verslag gepubliceerd over de herziening van de finaliteitsrichtlijn. Op dat moment werd in het verslag geconcludeerd dat de finaliteitsrichtlijn goed werkt en dat een grondige herziening van de richtlijn niet nodig is. Desalniettemin wees de Commissie op het effect van nieuwe technologieën, het gebrek aan rechtszekerheid dat extra kosten voor marktdeelnemers met zich meebrengt en verschillen in de omzetting van bepalingen van de finaliteitsrichtlijn door de lidstaten die problemen en kosten met zich meebrengen in grensoverschrijdende situaties.
Niettemin heeft de finaliteitsrichtlijn een centrale rol gespeeld bij het waarborgen van stabiliteit en rechtszekerheid voor betalings- en effectenafwikkelingssystemen in de EU door overboekingsopdrachten en verrekeningsregelingen te beschermen tegen de gevolgen van insolventie. De nationale omzetting ervan heeft echter geleid tot aanzienlijke verschillen die de doeltreffendheid bij het bevorderen van een samenhangend en geïntegreerd Europees transactieverwerkingslandschap ondermijnen. De lidstaten hebben verschillende benaderingen gekozen voor de aanwijzing van systemen, waardoor inconsistenties zijn ontstaan in de mate van bescherming die de deelnemers genieten. Evenzo lopen de definities en behandeling van deelnemers en indirecte deelnemers sterk uiteen, wat leidt tot onzekerheid over wie baat heeft bij bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling. Er zijn ook verschillen in de soorten effecten die in aanmerking komen voor bescherming, waarbij sommige rechtsgebieden enge interpretaties toepassen die de lat heel hoog leggen zodat maar weinig eronder valt, terwijl andere juiste bredere criteria hanteren.
Andere inconsistenties hebben betrekking op het moment waarop de afwikkeling definitief is, waarbij de lidstaten het precieze tijdstip waarop overboekingsopdrachten onherroepelijk worden en tegen insolventieprocedures worden beschermd, op verschillende manieren vaststellen — een kwestie die met name problemen oplevert voor grensoverschrijdende afwikkelingen waarbij meerdere systemen betrokken zijn. Uiteenlopende conflictregels en de behandeling van EU-entiteiten die deelnemen aan systemen uit een derde land bemoeilijken de zaken verder, waardoor onzekerheid ontstaat over welke wettelijke regeling van toepassing is op het definitieve karakter van transacties waarbij meerdere rechtsgebieden betrokken zijn. Bovendien verschillen de aanwijzingspraktijken en transparantieniveaus per lidstaat, waarbij sommige lidstaten beperkte openbare informatie verstrekken over aangewezen systemen en hun deelnemers, wat een belemmering vormt voor juridische duidelijkheid en marktvertrouwen. Al deze verschillen samen verzwakken de harmoniserende bedoeling van de finaliteitsrichtlijn, brengen juridische en operationele risico’s met zich mee voor grensoverschrijdende afwikkeling en belemmeren de efficiëntie en integratie van de financiële markten van de EU. Bovendien zijn zowel de finaliteitsrichtlijn als de daarmee verband houdende bepalingen in Richtlijn 2002/47/EG (de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten) niet volledig technologisch neutraal, aangezien de bepalingen ervan zijn opgesteld met het oog op traditionele, op rekeningen gebaseerde systemen. Dit leidt tot rechtsonzekerheid voor het gebruik van distributed ledger-technologie (“DLT”) en getokeniseerde vormen van contant geld of effecten, waarbij het mogelijk niet duidelijk is of zij onder de bestaande definities van “overboekingsopdrachten”, “effecten” of “afwikkelingssystemen” vallen, waardoor innovatie en consistentie bij de toepassing ervan worden beperkt.
De omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening en de actualisering van de definities van sleutelbegrippen zouden de rechtszekerheid, de consistentie en de marktintegratie in de hele EU ten goede komen. De verordening heeft ook tot doel te zorgen voor voldoende technologische neutraliteit om de uitvoering van nieuwe technologieën, zoals DLT, te helpen ondersteunen, zodat er efficiënte oplossingen op de markt worden gebracht, waarbij er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de risico’s op passende wijze worden beperkt. Verdere harmonisatie zou bovendien in overeenstemming zijn met bredere EU-initiatieven zoals de kapitaalmarktenunie en de spaar- en investeringsunie, wat het vertrouwen van beleggers bevordert en de veerkracht en het concurrentievermogen van het transactieverwerkende ecosysteem verbetert.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Het voorstel zet de finaliteitsrichtlijn om in een verordening (de finaliteitsverordening). Om dit doel te bereiken, worden kwesties in verband met de door de finaliteitsrichtlijn verleende bescherming in het voorstel nauwkeuriger uiteengezet om tot een geharmoniseerde EU-brede aanpak te komen. Dit betreft met name: i) rechtszekerheid voor digitale innovatie; ii) collisieregels; iii) deelname van EU-entiteiten aan systemen uit een derde land; iv) de reikwijdte van de deelnemers; v) de reikwijdte van de beleenbare effecten; vi) aanwijzingspraktijken voor EU-systemen; vii) transparantie; en viii) momenten waarop de afwikkeling definitief wordt.
Aangezien de betaling en afwikkeling van effectentransacties de kern van de kapitaalmarkten vormen, zouden de voorgestelde wetswijzigingen bijdragen tot de ontwikkeling van een veiliger en efficiënter posttransactioneel landschap in de EU, in overeenstemming met de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie. Bovendien zou de finaliteitsverordening, door de definities en het toepassingsgebied met betrekking tot de daarin vervatte bepalingen te verduidelijken, innovatie en de invoering van nieuwe technologieën ondersteunen. Over het geheel genomen zou de finaliteitsverordening het systeemrisico in verband met deelname aan betalings- en effectenafwikkelingssystemen verminderen, en met name het risico in verband met insolventie van een deelnemer aan dergelijke systemen. Goed functionerende betalingssystemen en effectenafwikkelingssystemen zoals die van centrale effectenbewaarinstellingen zorgen ervoor dat betalingen en effectentransacties veilig en met zekerheid kunnen worden verricht. Dit is een belangrijke basis voor de financiële sector – en daarmee voor de spaar- en investeringsunie. Op deze manier vormt de finaliteitsverordening een aanvulling op andere regelgeving die de posttransactionele omgeving vormt, d.w.z. de verordening betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (CSDR), de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten (FCD) en de verordening Europese marktinfrastructuur (EMIR).
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit initiatief is bedoeld als aanvulling op de bredere agenda van de Commissie om EU-kapitaalmarkten concurrerender en veerkrachtiger te maken. Een concurrerende en efficiënte posttransactionele omgeving, met afwikkelings- en betalingssystemen als cruciale kenmerk, is essentieel om de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie te verwezenlijken. Met een volledig functionerende en geïntegreerde kapitaalmarkt kan de EU-economie duurzaam groeien en concurrerender worden, in overeenstemming met de strategische prioriteiten van de Commissie, met een focus op het creëren van de juiste voorwaarden voor het scheppen van banen, groei en investeringen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verleent het Europees Parlement en de Raad de bevoegdheid maatregelen vast te stellen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Op grond van artikel 114 VWEU kan de EU ook maatregelen nemen om niet alleen bestaande hinderpalen voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden op te ruimen maar ook om te voorkomen dat er dergelijke hinderpalen ontstaan, die het voor marktdeelnemers — zoals beleggers — onder meer moeilijk maken om de voordelen van de interne markt ten volle te benutten.
Momenteel ontbreken doeltreffende oplossingen om de grensoverschrijdende verlening van diensten in deze sectoren te waarborgen of worden zij gehinderd door uiteenlopende nationale regels ter uitvoering van rechtshandelingen van de EU. Bovendien moeten de EU-regels worden geactualiseerd om de verlening van financiële diensten met behulp van nieuwe technologieën, met name DLT, die de efficiëntie van de kapitaalmarkt kunnen verbeteren, verder te vergemakkelijken. Verschillen in de omzetting van de finaliteitsrichtlijn door de lidstaten versterken deze problemen.
Dit voorstel ondersteunt de correcte en veilige werking van de eengemaakte markt, beschermt de concurrentie en behoudt stimulansen voor innovatie. Bijgevolg is de passende rechtsgrondslag artikel 114 VWEU.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, VWEU, bepaalde subsidiariteitsbeginsel mag slechts op het niveau van de Unie worden opgetreden wanneer de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de EU kunnen worden bereikt.
De finaliteitsrichtlijn heeft tot doel het systeemrisico als gevolg van insolventie van deelnemers aan betalings- en effectenafwikkelingssystemen te verminderen. Dit gebeurt door bescherming te bieden voor de onherroepelijkheid en het definitieve karakter van overboekingsopdrachten die in een betalings- of afwikkelingssysteem worden ingevoerd. De omzetting van de finaliteitsrichtlijn werd overgelaten aan de lidstaten, wat heeft geleid tot verschillen wat betreft toepassing en uitlegging tussen in de EU aangewezen afwikkelings- en betalingssystemen. Dit zorgt voor frictie bij grensoverschrijdende transacties en ondermijnt de integratie van de EU-kapitaalmarkt.
De omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening maakt een consistentere en homogenere aanpak in de hele EU mogelijk.
•Evenredigheid
De voorgestelde omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening — samen met de gerichte wijzigingen van de materiële bepalingen ervan — moet als evenredig en noodzakelijk worden beschouwd om de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie te helpen verwezenlijken. Versnippering en verschillen in de toepassing van de regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling in de lidstaten vormen al lang een belemmering voor grensoverschrijdende financiële activiteiten. Verschillen in de omzetting van belangrijke definities en begrippen, inconsistente nationale praktijken bij de aanwijzing van systemen en het vaststellen van het moment waarop het definitieve karakter wordt bepaald, leiden tot rechtsonzekerheid en extra operationele en juridische risico’s bij grensoverschrijdende activiteiten. Een verordening zou deze regels meteen harmoniseren, zorgen voor een consistente toepassing in de hele Unie en vlottere, meer voorspelbare financiële transacties vergemakkelijken. Op deze manier ondersteunt het voorstel een van de kerndoelstellingen van de spaar- en investeringsunie, namelijk een meer geïntegreerde en efficiënte eengemaakte markt voor sparen en investeren.
Als verordening zouden bepalingen inzake het definitieve karakter van de afwikkeling geen onevenredige lasten voor marktdeelnemers of autoriteiten met zich meebrengen. In plaats daarvan zou een verordening een einde maken aan dubbel werk op het gebied van wetgeving en naleving dat momenteel het gevolg is van 27 uiteenlopende omzettingen en uitleggingen van de finaliteitsrichtlijn. De via een finaliteitsverordening bereikte juridische uniformiteit zou de deelname aan meerdere systemen vereenvoudigen, de kosten in verband met juridische passende zorgvuldigheid verminderen en de rechtszekerheid vergroten, met name in grensoverschrijdende situaties en in het geval van deelname aan systemen uit een derde land. Ten slotte zouden wijzigingen in verband met het waarborgen van technologische neutraliteit meer rechtszekerheid bieden in het geval dat systemen en activa worden ondersteund door nieuwe technologieën, waardoor er minder dure juridische werkzaamheden nodig zijn om de naleving van de regelgeving te waarborgen.
•Keuze van het instrument
De finaliteitsrichtlijn maakt nationale omzetting mogelijk, wat heeft geleid tot uiteenlopende uitleggingen en toepassingen tussen de lidstaten — met name wat betreft de aanwijzing van systemen, de reikwijdte van de bescherming van zekerheden en de behandeling van grensoverschrijdende deelnemers. De uiteenlopende nationale benaderingen leiden tot rechtsonzekerheid, verhinderen marktintegratie en belemmeren grensoverschrijdende transacties. Een verordening zou rechtstreeks toepasselijk zijn, deze discrepanties wegnemen en ervoor zorgen dat dezelfde regels in de hele Unie op uniforme wijze van toepassing zijn. Dit zou het juridische risico en de complexiteit verminderen voor marktdeelnemers die in meerdere rechtsgebieden actief zijn, en zou een efficiëntere grensoverschrijdende afwikkeling en interoperabiliteit tussen systemen ondersteunen. Het is derhalve passend en noodzakelijk de finaliteitsrichtlijn in te trekken en te vervangen door een verordening.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
In 2023 publiceerde de Commissie een evaluatie van het definitieve karakter van de afwikkeling in betalings- en effectenafwikkelingssystemen, met inbegrip van de toepassing ervan op binnenlandse instellingen die deelnemen aan systemen uit een derde land. Hoewel in de evaluatie werd geconcludeerd dat de finaliteitsrichtlijn goed werkte en geen ingrijpende herziening gerechtvaardigd leek, werd er ook op gewezen dat de effecten van nieuwe technologie en het gebrek aan rechtszekerheid op bepaalde gebieden leidden tot potentiële extra kosten voor financiëlemarktdeelnemers. Ook werd opgemerkt dat een lager niveau van harmonisatie de lidstaten een aanzienlijke beoordelingsmarge laat bij de omzetting en uitvoering en problemen kan opleveren in grensoverschrijdende situaties.
•Raadpleging van belanghebbenden
De Commissie heeft belanghebbenden geraadpleegd gedurende het hele voorbereidingsproces van dit voorstel, met name op de volgende wijzen:
·van 12 februari 2021 tot en met 7 mei 2021 liep er een openbare raadpleging over het functioneren van de finaliteitsrichtlijn. Van 72 belanghebbenden werden reacties ontvangen op de gerichte raadpleging. Veel respondenten wezen op het gebrek aan harmonisatie en rechtszekerheid met betrekking tot de wijze waarop de insolventieregels van de lidstaten van toepassing zijn op EU-deelnemers aan systemen uit een derde land. De respondenten waren het er ook algemeen over eens dat centrale effectenbewaarinstellingen moesten worden toegevoegd aan de lijst van in aanmerking komende (directe) deelnemers aan systemen die onder het recht van een lidstaat vallen;
·op 26 september 2024 vond een workshop van belanghebbenden plaats over het in kaart brengen en aanpakken van belemmeringen voor de integratie van marktinfrastructuur en de opschaling van beleggingsfondsen in de EU. Het evenement omvatte een panel over posttransactionele transacties, waarbij de potentiële voordelen en uitdagingen van posttransactionele consolidatie en het regelgevingslandschap werden onderzocht;
·tussen 15 april 2025 en 10 juni 2025 werd een gerichte raadpleging gehouden over de integratie van EU-kapitaalmarkten georganiseerd. Wat de finaliteitsrichtlijn betreft, waren sommige respondenten van mening dat de richtlijn goed werkte en dat er geen wijzigingen nodig waren, met uitzondering van enkele verduidelijkingen met betrekking tot de toepassing ervan op op DLT gebaseerde systemen. Andere respondenten waren echter voorstander van de omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening om de inconsistente uitvoering van de finaliteitsrichtlijn in de hele EU aan te pakken. De respondenten benadrukten ook dat er behoefte is aan duidelijkere richtsnoeren over de collisieregels, en dat de onzekerheid over de bescherming van indirecte deelnemers en de uitbreiding van de bescherming tot deelnemers aan systemen uit een derde land en tot op DLT gebaseerde systemen aandacht behoeft. Verscheidene respondenten merkten op dat het huidige kader van de finaliteitsrichtlijn te beperkt is en dat een meer omvattende aanpak nuttig zou zijn (bv. uitbreiding van de reikwijdte van in aanmerking komende deelnemers). Sommige respondenten stelden voor de bescherming van de finaliteitsrichtlijn uit te breiden tot activiteiten met betrekking tot alle activa, niet alleen contanten en effecten, en de definitie van “systeem” uit te breiden tot meer soorten systemen. Daarnaast gaven sommige respondenten aan dat de informatie over elk aangewezen systeem moet worden gepubliceerd, zodat de momenten waarop de afwikkeling definitief wordt binnen de finaliteitsrichtlijn worden geharmoniseerd, en duidelijkere definities van “zakelijke zekerheden” en “financiële zekerheden” in de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten moeten worden opgenomen. De discrepantie van deze definities werd door meer dan de helft van de respondenten genoemd als reden voor het creëren van complexiteit bij efficiënt zekerhedenbeheer.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Bij de voorbereiding van het voorstel heeft de Commissie gebruikgemaakt van externe expertise en data uit de volgende bronnen:
·de Adviesgroep marktinfrastructuren voor effecten en zekerheden (AMI-SeCo) heeft in september 2025 een verslag gepubliceerd over de resterende belemmeringen voor de integratie van posttransactionele effectendiensten. In het verslag wordt opgemerkt dat de regelgevingsmaatregelen van de EU weliswaar belemmeringen (waaronder finaliteitskwesties) hebben weggenomen, maar dat er nog steeds wrijvingen zijn als gevolg van uiteenlopende nationale uitvoeringen of uitleggingen;
·een studie naar het verminderen van de versnippering van posttransactionele infrastructuur in Europa in september 2024, in opdracht van de Europese Commissie. De studie was gebaseerd op openbaar beschikbare informatie en data, maar omvatte ook 98 gestructureerde interviews met 76 instellingen uit 21 Europese landen, waaronder financiëlemarktinfrastructuren, marktdeelnemers en toezichts- en beleidsorganen. In de studie wordt opgemerkt dat het definitieve karakter van de afwikkeling een van de gebieden is waarop verschillen tussen de lidstaten in de uitlegging en uitvoering een belemmering vormen voor de integratie van de kapitaalmarkt. Voorts wordt in de studie aanbevolen de finaliteitsrichtlijn om te zetten in een verordening, aangezien dit zou zorgen voor een uniforme toepassing van de regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling, het juridische risico zou verminderen en de basis van interoperabele, geconsolideerde marktinfrastructuren zou versterken.
•Effectbeoordeling
Het voorstel wordt ondersteund door een effectbeoordeling, met name de sectorale bijlage over posttransactionele transacties (bijlage 8) bij de effectbeoordeling bij het initiatief inzake marktintegratie en toezicht op de kapitaalmarkten van de EU.
Wat mogelijke wijzigingen van de finaliteitsrichtlijn betreft, werden in de effectbeoordeling drie opties overwogen:
·optie 1 — niets doen;
·optie 2 — een uitgebreide herziening van de finaliteitsrichtlijn om de werking van de marktinfrastructuur te verbeteren;
·optie 3 — een uitgebreide herziening van de finaliteitsrichtlijn om een geïntegreerde markt op te leggen.
Bij optie 2 en optie 3 wordt ervan uitgegaan dat de finaliteitsrichtlijn in een verordening wordt omgezet. De opties verschillen echter wat betreft de reikwijdte van de bescherming die door de finaliteitsverordening zou worden verleend. De modaliteiten waaruit optie 2 en optie 3 bestaan, worden hieronder toegelicht:
|
|
|
|
Rechtszekerheid voor digitale innovatie
|
Wijzigingen van definities en begrippen, d.w.z. “systeem”, “deelnemer” en “instelling”, om ze DLT-compatibel te maken en zo bepaalde op DLT gebaseerde systemen in aanmerking te laten komen voor bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling.
|
Alle bepalingen van optie 2, plus de uitbreiding van de rechtszekerheid tot andere aspecten van het aanhouden van effecten, en verdere harmonisatie van de aanwijzing van systemen waar zij worden geëxploiteerd met behulp van DLT.
|
Toepasselijke collisieregels
|
Verduidelijking van de collisieregels in de finaliteitsrichtlijn, zodat deze rechtstreeks kunnen worden toegepast, ook in het kader van op DLT gebaseerde systemen en getokeniseerde effecten.
|
De toepasselijke collisieregel zou worden geregeld door het Verdrag van ’s-Gravenhage inzake het recht dat van toepassing is op bepaalde rechten met betrekking tot effecten die bij een tussenpersoon worden aangehouden.
|
Deelname van EU-entiteiten aan systemen uit een derde land
|
Geharmoniseerde vereisten voor de registratie van systemen uit een derde land en de invoering van een centraal toegangspunt (ESMA en EBA). EU-kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, overheidsinstanties of door de overheid gewaarborgde ondernemingen die deelnemen aan in de EU geregistreerde systemen uit een derde land, genieten bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling. De registratie zou door de lidstaten voor hun respectieve lidstaat worden uitgevoerd. Geen EU-brede registratie.
|
Geharmoniseerde voorschriften voor de registratie van systemen uit een derde land en een centraal toegangspunt. De verantwoordelijkheid voor de registratie van systemen uit een derde land zou worden gegeven aan de ESMA (voor effectenafwikkelingssystemen) en de ECB/het ESCB (voor betalingssystemen), wat zou leiden tot een EU-brede registratie.
|
Reikwijdte van de deelnemers
|
De lijst van deelnemers aan een systeem uitbreiden tot alle juridische entiteiten die voldoen aan bepaalde voorwaarden in de regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling en in het rulebook van het systeem.
|
Elke entiteit die door een systeemexploitant wordt toegelaten om aan het systeem deel te nemen, wordt als deelnemer beschouwd. Dit vereist wijzigingen van andere wetgeving, waaronder de CSDR, om de afstemming te waarborgen.
|
Reikwijdte van de beleenbare effecten
|
Een gemeenschappelijke definitie van beleenbare effecten.
|
Exploitanten van aangewezen systemen kunnen de instrumenten kiezen die in de geboden bescherming worden opgenomen.
|
Aanwijzingspraktijken voor EU-systemen
|
Geharmoniseerde eisen voor de EU-aanwijzing van systemen en stroomlijning van aanwijzingspraktijken, met name met betrekking tot het soort informatie dat in een kennisgeving moet worden opgenomen, beoordelingscriteria of toepasselijke termijnen.
|
De ESMA (voor effectenafwikkelingssystemen) en de ECB/het ESCB (voor betalingssystemen) zouden verantwoordelijk zijn voor de beoordeling en aanwijzing van EU-systemen op EU-brede basis.
|
|
|
De lidstaten moeten de ESMA actuele informatie verstrekken over aangewezen EU-systemen, die openbaar zal worden gemaakt. De omvang van de in het kader van optie 2 te verstrekken informatie zou ook worden uitgebreid.
|
Informatie over door de finaliteitsverordening aangewezen systemen moet in gecentraliseerde vorm openbaar worden gemaakt. Er zou geharmoniseerde rapportage aan de ESMA plaatsvinden, onder meer over aangewezen systemen, regels en deelnemers, alsook over systemen uit een derde land die binnenlandse deelnemersbescherming genieten. De ESMA zou onbeperkte toegang krijgen tot informatie over insolventieprocedures tegen deelnemers aan een aangewezen EU-systeem.
|
Momenten waarop de afwikkeling definitief wordt
|
De finaliteitsverordening zou de momenten van invoering en onherroepelijkheid van overboekingsopdrachten in een systeem bepalen, en mogelijk het moment waarop de uitvoering van overboekingsopdrachten definitief wordt.
|
Alle drie de definitieve momenten waarop de afwikkeling definitief wordt, zouden op EU-niveau worden geharmoniseerd, op uniforme wijze voor alle soorten systemen.
|
In de effectbeoordeling werd geconcludeerd dat optie 2 de optie is die de vastgestelde belemmeringen het best aanpakt en tegelijkertijd de evenredigheid, doeltreffendheid en samenhang van de voorgestelde oplossingen waarborgt. De optie om niets te doen (optie 1) zou geen van de vastgestelde problemen oplossen, maar ze overlaten aan bottom-upinitiatieven vanuit de sector of de lidstaten. Dit zou de bestaande belemmeringen voor marktintegratie niet wegnemen, aangezien aanhoudend uiteenlopende nationale omzettingen extra kosten met zich meebrengen voor marktdeelnemers die grensoverschrijdend actief zijn. Tegelijkertijd werd in de effectbeoordeling geoordeeld dat de flexibiliteit waarin de finaliteitsrichtlijn bij optie 1 voorziet, weliswaar kan bijdragen tot het beperken van het gebrek aan harmonisatie/verschillen tussen de lidstaten op het gebied van het insolventie-, vennootschaps- of effectenrecht, maar geen compensatie zou bieden voor de kosten in verband met bestaande belemmeringen voor marktintegratie.
|
|
|
|
Rechtszekerheid voor digitale innovatie
|
Uniforme bescherming onder de finaliteitsverordening van het systeem tegen insolventie van EU-deelnemers, ongeacht de technologie, mits aan alle vereisten van de finaliteitsverordening is voldaan. Lagere toezichtskosten. Vergemakkelijken van innovatie door middel van duidelijkheid over de toepassing van de finaliteitsverordening.
|
De aanvullende maatregelen, d.w.z. de expliciete erkenning van digitale tokens of ledger-posten met dezelfde (of vergelijkbare) wettelijke rechten als traditionele effecten, mogelijk door de ontwikkeling van een facultatief rechtskader op EU-niveau voor digitale effecten (d.w.z. een “28e regeling”), gaan verder dan het toepassingsgebied van de finaliteitsverordening en zouden in overweging moeten worden genomen als onderdeel van de overwegingen van de spaar- en investeringsunie over een “28e regeling”, in overeenstemming met wat door belanghebbenden is gesuggereerd.
|
Toepasselijke collisieregels
|
Meer rechtszekerheid bij grensoverschrijdende effectentransacties. Besparingen voor marktdeelnemers op juridische adviezen en nalevingskosten. Deze voordelen zouden zich ook uitstrekken tot op DLT gebaseerde systemen.
|
Meer rechtszekerheid en lagere nalevingskosten. De versnippering van de markt zou blijven bestaan en negatieve gevolgen hebben voor de algemene bescherming van het systeem. Dit zou de marktintegratie en -efficiëntie niet ondersteunen.
|
Deelname van EU-entiteiten aan systemen uit een derde land
|
Gelijk speelveld. Lagere kosten voor EU-deelnemers voor zekerheidsvereisten die vereist zijn door systemen uit een derde land waaraan zij deelnemen.
|
Maximale harmonisatie, gemakkelijke naleving dankzij bevoegdheden van de ESMA/de EBA/het ESCB. Dit zou een aanzienlijke toename van de middelen voor deze entiteiten vergen. Vandaar mogelijke vertragingen en kosten.
|
Reikwijdte van de deelnemers
|
Geharmoniseerde reikwijdte van de bescherming in de lidstaten. Kosten beperkt tot lidstaten die hun wetgeving eventueel moeten wijzigen (lidstaat moet de bescherming uitbreiden tot buiten het toepassingsgebied van de verordening).
|
Ondersteuning voor innovatie, maar minder zekerheid over deelname aan een systeem. Marktfragmentatie. Ongelijk speelveld tussen exploitanten van op DLT gebaseerde systemen en systemen die geen gebruik maken van DLT.
|
Reikwijdte van de beleenbare effecten
|
Minder versnippering van de markt en lagere kosten van grensoverschrijdende transacties. Kosten beperkt tot lidstaten die hun wetgeving eventueel moeten wijzigen (lidstaat moet de bescherming uitbreiden tot buiten het toepassingsgebied van de verordening).
|
Ondersteuning voor innovatie, maar minder zekerheid over deelname aan een systeem. Marktfragmentatie. Ongelijk speelveld tussen exploitanten van op DLT gebaseerde systemen en systemen die geen gebruik maken van DLT.
|
Aanwijzingspraktijken voor EU-systemen
|
Gelijk speelveld, gemakkelijkere grensoverschrijdende afwikkeling en minder versnippering. Door de uitbreiding naar DLT-gebaseerde systemen ook ondersteuning voor innovatie. Kosten voor de lidstaten, aangezien zij hun aanwijzingsprocedures zouden moeten aanpassen.
|
Een zo groot mogelijke harmonisatie. Marktintegratie. Kosten en vertragingen voor de ESMA/de EBA/het ESCB om de nodige competenties en infrastructuur op te bouwen.
|
|
|
Minder versnippering van de markt, meer rechtszekerheid en eenvoudigere risicomonitoring. Meer vertrouwen in aangewezen systemen, waaronder op DLT gebaseerde systemen. Grensoverschrijdende activiteiten, verdere marktintegratie en schaaleffecten. De kosten voor de publicatie van de aanvullende informatie zijn beperkt voor systeemexploitanten, maar iets hoger voor de ESMA als gevolg van aanvullende kwaliteitscontroles.
|
Transparantie over aanvullende elementen zou waarschijnlijk geen extra voordelen opleveren op het gebied van concurrentie, vertrouwen of risicobeheer.
|
Momenten waarop de afwikkeling definitief wordt
|
Minder fragmentatie. Interoperabiliteit, eenvoudigere opzet van koppelingen met de centrale effectenbewaarinstelling en grotere grensoverschrijdende afwikkeling.
|
Volledige harmonisatie — zonder rekening te houden met systeemspecifieke kenmerken — is nadelig voor de efficiëntie van een systeem. Dure toepassing in een DLT-omgeving, die aanvullende waarborgen vereist.
|
Op basis van de voorgaande analyse werd geoordeeld dat optie 2 over het algemeen doeltreffender, efficiënter en samenhangender zou zijn dan optie 3, ook al zou optie 3, vanwege een nog grotere harmonisatie van de bepalingen inzake het definitieve karakter van de afwikkeling, beter zijn dan optie 2 wat betreft het verbeteren van het toezicht en het verminderen van afwijkingen. Concluderend is optie 2 de voorkeursoptie, aangezien deze in overeenstemming is met de doelstellingen van de spaar- en investeringsunie, maar ook evenrediger en kosteneffectiever is. Deze optie bevordert ook een meer geïntegreerde, efficiënte en innovatieve EU-kapitaalmarkt. Optie 2 helpt de versnippering verminderen en bevordert een meer geharmoniseerde markt, wat in overeenstemming is met de bredere doelstellingen van de spaar- en investeringsunie.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
De omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening beantwoordt tegelijkertijd aan de doelstellingen om de bestaande EU-wetgeving te vereenvoudigen, de bureaucratie te verminderen en de naleving ervan te vergemakkelijken.
De finaliteitsverordening zou de rechtszekerheid en consistentie voor marktdeelnemers vergroten. Bovendien zouden gebruikers van DLT, door technologieneutraliteit te waarborgen, zonder onnodige kosten nieuwe technologieën kunnen testen en op de markt kunnen brengen. De finaliteitsverordening zou ook de verschillen in de uitlegging als gevolg van de nationale uitvoering wegnemen. Dit zou het juridische risico en de complexiteit van de naleving verminderen voor marktdeelnemers die in meerdere rechtsgebieden actief zijn. Tot slot zou het bevorderen van het beleggersvertrouwen en het verbeteren van de weerbaarheid en het concurrentievermogen van het posttransactionele ecosysteem bijdragen tot de efficiëntie van de kapitaalmarkten van de EU en indirect tot het concurrentievermogen van de economie van de EU.
Kmo’s zouden niet rechtstreeks door dit voorstel worden getroffen, aangezien de grote meerderheid van de ondernemingen die actief zijn in de levering van infrastructuur (transactie- en posttransactionele diensten) grote, gevestigde ondernemingen zijn. Door efficiëntieverbeteringen en meer concurrentie in kapitaalmarktdiensten zouden niet-financiële kmo’s echter kunnen profiteren van gemakkelijkere en goedkopere toegang tot marktfinanciering, onder meer voor de financiering van innovatie en groei. Dit positieve effect moet ook gelden voor kmo’s die uitsluitend banken gebruiken als bron van financiering, aangezien dit financieringskanaal concurreert met kapitaalmarktfinanciering.
Wat de kosten betreft, zou duidelijkheid over de toepassing van de finaliteitsverordening de kosten voor systeemexploitanten verlagen, aangezien er minder (vaak) juridisch advies hoeft te worden ingewonnen over de uitlegging van regels en over hoe aan lokale eigenaardigheden kan worden voldaan. Ten slotte zou de regeling aantrekkelijker worden door de DLT-regeling te formaliseren en de reikwijdte van beleenbare activa en volumedrempels uit te breiden. Marktdeelnemers zouden zich kunnen bezighouden met langetermijnplanning en activiteiten kunnen uitbreiden tot buiten kleinschalige proefprojecten. Harmonisatie en gerichte wijzigingen van de finaliteitsrichtlijn zouden bovendien aanwijzing (en bescherming) mogelijk maken in het kader van het rulebook voor het definitieve karakter van afwikkeling voor op DLT gebaseerde systemen. Over het algemeen moeten de veranderingen innovatie bevorderen door het potentiële rendement van investeringen te verhogen en door meer rechtszekerheid te bieden voor op DLT gebaseerde innovaties.
•Grondrechten
De EU hecht aan hoge normen inzake de bescherming van grondrechten en is partij bij een ruim aantal mensenrechtenverdragen. In dit verband is het risico gering dat het voorstel een direct effect zal hebben op deze rechten, zoals die zijn opgesomd in de belangrijkste VN-mensenrechtenverdragen, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat integrerend deel uitmaakt van de EU-Verdragen, en het Europees Verdrag van de rechten van de mens.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft gevolgen voor de begroting overeenkomstig het financieel memorandum in bijlage 2.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage
Dit voorstel vergt geen uitvoeringsplan.
De monitoring van afwikkelings- en betalingssystemen is ook de taak van de ESMA, de EBA en het ESCB, die de opdracht hebben de Commissie binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de finaliteitsverordening een verslag over de werking van de regeling inzake het definitieve karakter van de afwikkeling te verstrekken.
In het voorstel voor de finaliteitsverordening krijgt de Commissie de opdracht een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op te stellen waarin de toepassing van de verordening wordt beoordeeld, samen met wijzigingen, indien gerechtvaardigd.
•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
•Artikelsgewijze toelichting
In artikel 1, lid 2, wordt gespecificeerd welke artikelen van deze verordening van toepassing zijn op in de Unie gevestigde deelnemers wanneer zij deelnemen aan geregistreerde systemen.
In artikel 2 worden verschillende termen en begrippen gedefinieerd die nodig zijn voor de uitlegging van de bepalingen van de verordening, waaronder “afwikkeling”, “clearing”, “clearingsysteem”, “centrale tegenpartij”, “clearinginstelling”, “deelnemer”, “indirecte deelnemer”, “cliënt”, “boeking”, “verrekening”, “rekening”, “zekerheid”, “beursdag” en “werkdag”.
In artikel 3 wordt verduidelijkt dat de exploitant van een onder het recht van een lidstaat vallend systeem, ongeacht de valuta waarin hij voorziet voor de afwikkeling, clearing of uitvoering van overboekingsopdrachten, om aanwijzing kan verzoeken. Voorts kan een bevoegde autoriteit om redenen van systeemrisico een bestaand systeem aanwijzen voor de afwikkeling, clearing en uitvoering van opdrachten met betrekking tot andere instrumenten dan die welke reeds onder het systeem vallen.
Met het oog op eenvormige aanwijzingsvoorwaarden en een geharmoniseerde procedure wordt in artikel 4 de procedure voor het verlenen en weigeren van de aanwijzing van een systeem toegelicht. In dit geval is de bevoegde autoriteit die van de lidstaat waarvan het recht op het systeem van toepassing is. In het artikel wordt met name de termijn gespecificeerd waarbinnen de bevoegde autoriteit een verzoek tot aanwijzing van een systeem moet aanvaarden of afwijzen en de beoordelingstermijn om de aanwijzing te verlenen of te weigeren. Evenzo worden in artikel 5 de voorwaarden voor de aanwijzing van een systeem gespecificeerd. De ESMA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen om deze voorwaarden nader te bepalen (voor afwikkelings- en clearingsystemen). Een soortgelijke bepaling geldt voor de EBA voor betalingssystemen.
In artikel 6 wordt uitgelegd dat een bevoegde autoriteit de ESMA ervan in kennis stelt dat zij een systeem heeft aangewezen. Om de openbaar te maken informatie te harmoniseren, bevat artikel 6 bovendien een lijst van de elementen die in deze kennisgeving moeten zijn opgenomen. De ESMA publiceert de systeemaanwijzing en eventuele actualiseringen van de informatie waaruit de kennisgeving bestaat zonder onnodige vertraging op haar website.
In artikel 7 wordt gespecificeerd wie als deelnemer aan een aangewezen systeem kan worden aangemerkt. Ook wordt uitgelegd onder welke voorwaarden (systeemrisico) de lidstaten een indirecte deelnemer als deelnemer kunnen beschouwen. In artikel 7 wordt de systeemexploitant verzocht niet-discriminerende, transparante en objectieve toelatingscriteria voor een aangewezen systeem vast te stellen.
In artikel 8 wordt de exploitant van een aangewezen systeem belast met de naleving, door hemzelf en door het systeem, van de bepalingen van deze verordening. De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle materiële wijzigingen die van invloed zijn op de naleving van deze verordening door de exploitant en het systeem.
In artikel 9 worden de voorwaarden gespecificeerd waaronder een bevoegde autoriteit, met betrokkenheid van de nationale bevoegde autoriteit, de aanwijzing van een systeem kan intrekken. Ook wordt de betrokkenheid van de ESMA, de EBA en het ESCB bij het proces van intrekking van een aanwijzing toegelicht. De bevoegde autoriteit stelt de systeemexploitant, de nationale bevoegde autoriteit, de ESMA, de EBA en het ESCB onverwijld in kennis van de intrekking van de aanwijzing.
In artikel 10 wordt voorgeschreven dat elke lidstaat een of meer bevoegde autoriteiten aanwijst, met name voor de aanwijzing van systemen en de registratie van systemen uit een derde land.
In artikel 11 worden de regels en verantwoordelijkheden uiteengezet die verband houden met de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, nationale bevoegde autoriteiten, de ESMA, de EBA en het ESCB bij de uitoefening van taken uit hoofde van de verordening.
Artikel 12 heeft betrekking op de registratie van systemen uit een derde land die in een of meer lidstaten willen worden geregistreerd. Een dergelijk verzoek wordt ingediend bij de ESMA en verspreid onder de registrerende autoriteiten. Indien een deelnemer aan een systeem uit een derde land in een lidstaat is gevestigd, kan de registrerende autoriteit van die lidstaat het systeem registreren.
In artikel 13 wordt de procedure voor het verlenen en weigeren van registratie gedefinieerd. Het registratieproces, de duur van de beoordeling en de methoden voor communicatie met de systeemexploitant van een systeem uit een derde land worden gespecificeerd. Ook wordt de ESMA (voor clearing- en afwikkelingssystemen) en de EBA (voor betalingssystemen) opdracht gegeven om, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van reguleringsnormen te ontwikkelen tot nadere bepaling van de informatie die moet worden verstrekt in het aanwijzingsverzoek en in het registratieverzoek, alsmede technische uitvoeringsnormen ter bepaling van de uniforme elektronische formaten voor het aanwijzingsverzoek en het registratieverzoek.
Artikel 14 bevat de voorwaarden voor de registratie van systemen uit een derde land.
In artikel 15 wordt de kennisgeving van geregistreerde systemen toegelicht en wordt de ESMA verzocht deze binnen twee werkdagen na de kennisgeving door de registrerende autoriteit van het besluit tot registratie van het systeem uit een derde land op haar website bekend te maken.
In artikel 16 worden de voorwaarden gedefinieerd waaronder een registrerende autoriteit de registratie van een systeem kan intrekken.
In artikel 17 wordt bepaald dat overboekingsopdrachten en verrekening, met inbegrip van een bepaling voor verrekening bij vroegtijdige afwikkeling, juridisch afdwingbaar zijn en aan derden kunnen worden tegengeworpen, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer, mits de overboekingsopdrachten in het systeem zijn ingevoerd vóór het moment waarop een insolventieprocedure is geopend.
In artikel 18 wordt bepaald hoe het moment van invoering van een overboekingsopdracht in aangewezen systemen, met inbegrip van interoperabele systemen, moet worden bepaald.
In artikel 19 wordt bepaald dat een tegen een deelnemer of systeemexploitant van een interoperabel systeem geopende insolventieprocedure niet belet dat middelen of financiële instrumenten die op de afwikkelingsrekening of op rekeningen met zekerheden van die deelnemer of systeemexploitant van een interoperabel systeem beschikbaar zijn, gebruikt worden om de verplichtingen van die deelnemer aan het aangewezen systeem, of het geregistreerde systeem, of in een interoperabiliteitsregeling na te komen, op de beursdag waarop de insolventieprocedure wordt geopend.
In artikel 20 wordt het moment van onherroepelijkheid van een overboekingsopdracht gedefinieerd om de toepassing van het insolventierecht op in een systeem ingevoerde overboekingsopdrachten te vergemakkelijken.
In artikel 21 wordt het moment gedefinieerd waarop de afwikkeling definitief wordt, d.w.z. het moment waarop de respectieve verplichtingen van de partijen bij een transactie onvoorwaardelijk en onherroepelijk worden nagekomen. Dit heeft tot doel een zo groot mogelijke mate van consistentie te waarborgen met betrekking tot de bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling in alle systemen en zo grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken. De regels van elk aangewezen systeem bepalen het specifieke moment waarop de afwikkeling binnen het systeem definitief is overeenkomstig het toepasselijke recht inzake de overdracht van eigendom en andere rechten. Interoperabele systemen zorgen er, voor zover mogelijk, voor dat de regels van de systemen in dit verband worden gecoördineerd. De ESMA en de EBA kunnen, indien van toepassing en zowel in nauwe samenwerking met het ESCB, via ontwerpen van technische reguleringsnormen de volgende momenten waarop de afwikkeling definitief wordt nader specificeren: i) het moment waarop een overboekingsopdracht in een systeem wordt ingevoerd; ii) het moment van onherroepelijkheid van een overboekingsopdracht die in een systeem is ingevoerd; en iii) het moment van definitieve afwikkeling, voor effectenafwikkelingssystemen die niet door een centrale effectenbewaarinstelling worden geëxploiteerd, clearing- en betalingssystemen, met inbegrip van op DLT gebaseerde systemen.
In artikel 22 wordt bepaald dat het moment waarop een insolventieprocedure wordt geopend, het moment is waarop de ter zake bevoegde rechterlijke of administratieve instantie haar beslissing heeft gegeven. Voorts wordt gespecificeerd welke autoriteiten in kennis moeten worden gesteld.
In artikel 23 wordt bepaald dat insolventieprocedures geen terugwerkende kracht hebben op de rechten en verplichtingen van een deelnemer uit hoofde van zijn deelname aan een aangewezen systeem of een systeem dat is geregistreerd in een lidstaat waar de deelnemer is gevestigd.
In artikel 24 wordt bepaald welk recht van toepassing is op de rechten en verplichtingen van deelnemers in geval van insolventieprocedures.
In artikel 25 wordt bepaald dat het recht van de lidstaat waar het financiële instrument wordt verstrekt van toepassing is op de rechten van houders van zakelijke zekerheden. In artikel 25, lid 2, wordt bepaald dat het recht van de lidstaat waar het register of de rekening waar de zakelijke zekerheid is geregistreerd, zich bevindt, van toepassing is op de rechten van de houders van een zakelijke zekerheid die in verband met deelname aan een systeem is gesteld. In artikel 25, lid 3, wordt voorzien in een afwijking wanneer het niet mogelijk is de locatie van een register te bepalen. In dat geval is het recht van de lidstaat dat op het systeem van toepassing is, ook van toepassing op de rechten met betrekking tot het financiële instrument dat als zekerheid wordt gesteld. In artikel 25, lid 4, wordt gespecificeerd wat wordt bedoeld met de verwijzing naar het recht van een lidstaat.
In artikel 26 wordt de rol van de centrale databank bepaald, die de uitwisseling van informatie en documenten vergemakkelijkt die relevant zijn voor de ontvangers uit hoofde van deze verordening. In het artikel wordt ook voorzien in toegang tot de centrale databank voor bevoegde autoriteiten, registrerende autoriteiten en nationale bevoegde autoriteiten.
In artikel 27 wordt de Commissie voor onbepaalde tijd de bevoegdheid verleend om uit hoofde van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen.
Artikel 28 bevat overgangsmaatregelen, waarbij met name wordt verduidelijkt dat een overboekingsopdracht die vóór de inwerkingtreding van deze verordening in het systeem is ingevoerd maar daarna wordt afgewikkeld, als een overboekingsopdracht uit hoofde van deze verordening wordt beschouwd.
Krachtens artikel 29 moet de Commissie een algemeen verslag opstellen en moet de ESMA, in nauwe samenwerking met het ESCB en de EBA, binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie een verslag indienen over de werking van de regeling inzake het definitieve karakter van de afwikkeling.
Bij artikel 30 wordt de finaliteitsrichtlijn ingetrokken.
In artikel 31 worden een aantal bepalingen van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten gewijzigd, met name door contanten, financiële instrumenten en kredietvorderingen die op DLT zijn uitgegeven of geregistreerd, in het toepassingsgebied ervan op te nemen. Ook worden de definities gegeven voor de termen en begrippen die nodig zijn om de bepalingen van de verordening uit te leggen, d.w.z. “rekening”, en worden bepaalde definities uitgebreid tot digitale registratie, met inbegrip van DLT. Tot slot wordt de omzettingstermijn voor die wijzigingen vastgesteld.
In artikel 32 wordt de datum van inwerkingtreding van deze verordening bepaald.
2025/0381 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling en tot intrekking van Richtlijn 98/26/EG en tot wijziging van Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Dit voorstel maakt deel uit van een pakket dat tot doel heeft een eengemaakte markt voor financiële diensten tot stand te brengen door marktinefficiënties als gevolg van versnippering aan te pakken en werkelijk geïntegreerde Europese kapitaalmarkten tot stand te brengen die toegankelijk zijn voor alle burgers en bedrijven in de hele Unie. Het pakket heeft tot doel het potentieel van de financiële markten van de Unie te ontsluiten door toegang te bieden tot efficiëntere kapitaalmarktgebaseerde financiering en grensoverschrijdende kapitaalstromen te vergemakkelijken, wat de economie van de Unie dan weer zou moeten ondersteunen, het scheppen van banen zou moeten stimuleren en het concurrentievermogen zou moeten versterken.
(2)Bij Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad worden beginselen en regels vastgesteld ter beperking van het systeemrisico dat voortvloeit uit de insolventie van deelnemers aan betalings- en effectenafwikkelingssystemen door bepaalde nationale insolventieregels buiten toepassing te laten wanneer een partij bij een transactie insolvent wordt, waardoor betalingen en effectentransacties veilig kunnen worden verricht en afgewikkeld. Richtlijn 98/26/EG beschermt ook zekerheden die door de insolvente partij zijn gesteld en verduidelijkt welk recht van toepassing is in bepaalde grensoverschrijdende situaties.
(3)Uit een in 2021 gehouden openbare raadpleging en het verslag van de Commissie van 2023 is gebleken dat de verplichtingen van Richtlijn 98/26/EG en de bescherming die wordt geboden aan binnenlandse instellingen die deelnemen aan systemen uit een derde land, door de lidstaten verschillend zijn omgezet, wat heeft geleid tot een ongelijk speelveld voor de systemen en deelnemers van de Unie en belemmeringen voor de goede werking van de eengemaakte markt heeft opgeworpen.
(4)Uiteenlopende nationale benaderingen hebben geleid tot versnippering van de eengemaakte markt. De systemen en deelnemers zijn in de verschillende lidstaten aan verschillende regels onderworpen. In dit verband kan een systeem in de ene lidstaat wel worden aangewezen en in een andere lidstaat niet, of geniet een overboekingsopdracht in de ene lidstaat bescherming en in een andere lidstaat niet, afhankelijk van het recht van de lidstaat dat op het systeem van toepassing is. De uiteenlopende nationale benaderingen leiden tot rechtsonzekerheid, verhinderen marktintegratie en belemmeren grensoverschrijdende transacties.
(5)Om ervoor te zorgen dat bepalingen waarin verplichtingen worden opgelegd aan systemen, hun exploitanten en hun deelnemers in de hele Unie op uniforme wijze worden toegepast, waardoor marktintegratie en grensoverschrijdende transacties worden vergemakkelijkt en meer rechtszekerheid wordt gewaarborgd, is het passend en noodzakelijk Richtlijn 98/26/EG in te trekken en te vervangen door een verordening.
(6)Om een breder scala van systemen in staat te stellen te profiteren van de bescherming die aan systemen en systeemexploitanten wordt geboden, moeten de gebruikte begrippen en de vastgestelde regels neutraal zijn wat betreft het gebruik van een bepaalde technologie, met inbegrip van distributed ledger-technologie (“DLT”). Verwijzingen naar registers of registraties moeten met name gevallen omvatten waarin dergelijke registers op DLT of anderszins op distributed ledgers zijn ingesteld en waarin registraties in dergelijke op ledgers gebaseerde registers worden gedaan en dus al dan niet portemonnees of andere digitale representaties van eigendom en rechten kunnen omvatten.
(7)Bij Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad is het marktinfrastructuren op basis van DLT toegestaan om de verlening van bepaalde diensten via DLT te testen en ermee te experimenteren, onder meer door systemen op te zetten die overboekingsopdrachten in op DLT gebaseerde financiële instrumenten afwikkelen. Dergelijke systemen moeten in het kader van deze verordening kunnen worden aangewezen, mits zij voldoen aan de voorwaarden van zowel Verordening (EU) 2022/858 als deze verordening. De Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankautoriteit (EBA) moeten de opdracht krijgen om de regels voor het beoordelen en bepalen van het definitieve karakter van de afwikkeling in systemen die gebruikmaken van DLT nader te specificeren.
(8)Aangezien de nationale insolventieregels van de lidstaat waarvan het recht van toepassing is op een systeem, van toepassing zijn op dat systeem, moeten de systemen worden aangewezen door de autoriteiten van de lidstaat waarvan het recht van toepassing is op het systeem, op basis van uniforme aanwijzingsvoorwaarden en een geharmoniseerde procedure.
(9)De lidstaten hebben verschillende benaderingen gevolgd met betrekking tot het soort informatie dat openbaar moet worden gemaakt op systemen van de Unie en systemen uit een derde land waartoe zij de bescherming van Richtlijn 98/26/EG willen uitbreiden. Om de bestaande informatieasymmetrie tussen de lidstaten aan te pakken en de openbaar te maken informatie te harmoniseren, moet het soort informatie dat moet worden verstrekt aan de autoriteiten die belast zijn met de aanwijzing of registratie van een systeem, worden geharmoniseerd. Voorts moet de ESMA de informatie op gecentraliseerde wijze publiceren om de toegang tot die informatie te vergemakkelijken. Om rechtszekerheid te waarborgen, moet de met het oog op publicatie aan de ESMA verstrekte informatie relevant, nauwkeurig en actueel zijn.
(10)De lijst van entiteiten die als deelnemers aan een systeem kunnen worden beschouwd, moet rekening houden met de verschillende deelnamemodellen die door de systemen worden gehanteerd, en er tegelijkertijd voor zorgen dat het doel om het financiële systeem tegen systeemrisico’s te beschermen, wordt verwezenlijkt. Daartoe moeten de als deelnemer toe te laten entiteiten aan bepaalde voorwaarden voldoen om te voorkomen dat er onnodige risico’s ontstaan voor het systeem waaraan zij deelnemen. Dergelijke voorwaarden mogen echter geen aanvullende vereisten opleggen wanneer de systeemexploitant reeds toelatingsvereisten tot het systeem krachtens het Unierecht toepast bij de toelating van nieuwe entiteiten als deelnemers aan zijn aangewezen systemen, zoals in het geval van centrale tegenpartijen en centrale effectenbewaarinstellingen. Het moet mogelijk zijn om als deelnemers deel te nemen aan systeementiteiten die validatie- of consensusfuncties uitvoeren die essentieel zijn voor het behoud van de afwikkelingsintegriteit.
(11)Om een doeltreffende toepassing van de bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling te waarborgen, moeten de lidstaten de autoriteit of autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk is of zijn voor de aanwijzing, de registratie en de mededeling van de opening van een insolventieprocedure. Aan deze autoriteiten moeten de nodige bevoegdheden voor de uitoefening van hun taken worden toegekend. Zij moeten zo nodig met elkaar en met de ESMA en de leden van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) samenwerken en informatie uitwisselen. Om hun taken te vergemakkelijken en de transparantie in de hele Unie te vergroten, moet de lijst van die autoriteiten openbaar worden gemaakt.
(12)De lidstaten moeten de bescherming die aan systemen van de Unie wordt geboden, kunnen toepassen op op hun grondgebied gevestigde entiteiten die rechtstreeks deelnemen aan systemen uit een derde land en op zakelijke zekerheden die worden gesteld in verband met deelname aan dergelijke systemen uit een derde land. Om een einde te maken aan het ongelijke speelveld met betrekking tot de deelname van entiteiten van de Unie aan systemen uit een derde land die voortvloeien uit de verschillende nationale regelingen die de lidstaten hebben ontwikkeld om de bescherming van Richtlijn 98/96/EG uit te breiden, moet een geharmoniseerde regeling voor de registratie door de lidstaten van systemen uit een derde land worden vastgesteld. Deze regeling moet gebaseerd zijn op een geformaliseerde en geharmoniseerde procedure die de toepassing van duidelijke normen waarborgt en de voorwaarden voor toegang stroomlijnt voor alle entiteiten van de Unie die deelnemen aan een bepaald systeem uit een derde land. De registratie van systemen uit een derde land door de lidstaten moet gebeuren door de lidstaat waar een entiteit die aan een dergelijk systeem deelneemt, is gevestigd. Dit kan er echter toe leiden dat meerdere lidstaten dezelfde regeling uit een derde land registreren indien de leden in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Om een ongelijk speelveld voor in verschillende lidstaten gevestigde entiteiten te voorkomen, moet de registratie van dergelijke systemen op gecoördineerde en convergerende wijze gebeuren en door de ESMA, de EBA en het ESCB worden gefaciliteerd.
(13)Het terugdringen van systeemrisico’s vereist met name het definitieve karakter van de afwikkeling en de afdwingbaarheid van zakelijke zekerheden. Overboekingsopdrachten en de verrekening (“netting”) daarvan moeten daarom in alle lidstaten juridisch afdwingbaar en aan derden tegen te werpen zijn. De regels inzake de afdwingbaarheid van verrekening moeten niet beletten dat systemen, voordat de verrekening plaatsvindt, nagaan of de opdrachten die in het systeem zijn ingevoerd, voldoen aan de regels van dat systeem en de afwikkeling van dat systeem mogelijk maken.
(14)De afwikkeling moet als definitief worden beschouwd wanneer de partijen bij het contract dat aan de afwikkeling ten grondslag ligt, hun verplichtingen jegens de andere partij op onvoorwaardelijke en onherroepelijke wijze volledig zijn nagekomen. Het moment waarop een overboekingsopdracht in een systeem wordt ingevoerd en het moment van onherroepelijkheid van een overboekingsopdracht zijn belangrijke momenten voor de toepassing van het insolventierecht op die overboekingsopdracht. Om te zorgen voor een zo groot mogelijke mate van consistentie met betrekking tot de bescherming van het definitieve karakter van de afwikkeling in alle systemen, en om grensoverschrijdende activiteiten op de eengemaakte markt te vergemakkelijken, moeten beginselen worden vastgesteld die moeten worden gebruikt voor de bepaling van die momenten voor alle soorten systemen. Tegelijkertijd moeten die beginselen de mogelijkheid bieden technische reguleringsnormen te ontwikkelen om die beginselen af te stemmen op de specifieke kenmerken van elk systeem, rekening houdend met het bestaan van verschillende soorten systemen, de verschillende gebruikte technologieën en de mechanismen van elk systeem. De systemen moeten, voor zover zij bestaan, die specifieke en gestructureerde momenten waarop de afwikkeling definitief is, op duidelijke wijze in hun regels opnemen.
(15)Een deelnemer of een derde mag niet worden belet uit de onderliggende transactie voortvloeiende rechten of aanspraken uit te oefenen die zij in rechte kunnen aanvoeren ter terugvordering of restitutie met betrekking tot een overboekingsopdracht die in een systeem ingevoerd is, bijvoorbeeld in geval van fraude of een technische fout, mits dit niet leidt tot het ongedaan maken van de verrekening of de herroeping van de overboekingsopdracht in het systeem.
(16)Lidstaten moet elkaar onmiddellijk inlichten wanneer er tegen een deelnemer aan een systeem een insolventieprocedure wordt geopend. Insolventieprocedures mogen geen terugwerkende kracht hebben ten aanzien van de rechten en verplichtingen die deelnemers aan een systeem hebben.
(17)In geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer aan het systeem, moet duidelijk zijn welk insolventierecht van toepassing is op de rechten en verplichtingen van die deelnemer in verband met diens deelname in een systeem.
(18)Zakelijke zekerheden moeten worden afgeschermd van de gevolgen van het insolventierecht dat op de insolvente deelnemer van toepassing is. Als zakelijke zekerheden moeten worden beschouwd alle middelen die een deelnemer aan andere deelnemers aan het afwikkelingssysteem verstrekt tot zekerstelling van rechten en verplichtingen in verband met dat systeem, waaronder retrocessie-overeenkomsten, wettelijke retentierechten en fiduciaire eigendomsoverdrachten.
(19)In het geval van gekoppelde systemen moet worden gezorgd voor adequate bescherming van de systeemexploitant die een ontvangende systeemexploitant zekerheid stelt in het geval van een insolventieprocedure tegen die ontvangende systeemexploitant.
(20)Er moet worden voorzien in een collisieregel met betrekking tot de rechten van houders van zakelijke zekerheden om ervoor te zorgen dat het recht van de lidstaat waar de zakelijke zekerheden rechtsgeldig zijn gecreëerd in een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot, ook de geldigheid en afdwingbaarheid van die zakelijke zekerheden bepaalt ten aanzien van het systeem, de systeemexploitant en ten aanzien van elke andere persoon die er direct of indirect aanspraak op maakt. Die regel is alleen van toepassing ten aanzien van een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot waaruit het bestaan blijkt van rechten betreffende de eigendom, de levering of de overboeking van de zakelijke zekerheden in kwestie.
(21)Er moet worden verduidelijkt welk recht van welke lidstaat moet worden toegepast om de rechten van de houders van die zakelijke zekerheid te bepalen. In sommige omstandigheden, met name met betrekking tot het gebruik van nieuwe technologieën, is het echter niet altijd mogelijk om vast te stellen in welke lidstaat het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot, waarin de zakelijke zekerheid wettelijk is vastgelegd, zich bevindt. In dergelijke gevallen moeten de rechten die de houders van die zekerheid kunnen uitoefenen, worden bepaald door het recht dat van toepassing is op het betrokken systeem in verband met die zekerheid.
(22)Er moet ook worden voorzien in een collisieregel met betrekking tot het recht dat van toepassing is in geval van insolventie van een deelnemer. Die regel mag geen afbreuk doen aan de werking en de rechtsgevolgen van het recht van de lidstaat waar de financiële instrumenten tot zekerheid zijn gesteld of waar zij zich anderszins bevinden (daaronder zonder enige beperking begrepen de wetgeving betreffende de creatie, eigendom of overdracht van die financiële instrumenten of van rechten ten aanzien van die financiële instrumenten) en aan die regel mag niet de uitleg worden gegeven dat een dergelijke zakelijke zekerheid in enige lidstaat rechtstreeks afdwingbaar zou zijn of erkend kan worden anders dan in overeenstemming met het recht van die lidstaat.
(23)Gezien de wijzigingen in deze verordening moet Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad worden gewijzigd om de samenhang te waarborgen. Afwijkingen in het toepassingsgebied van deze verordening en Richtlijn 2002/47/EG zouden leiden tot rechtsonzekerheid en tegenstrijdige toepassing, met name met betrekking tot op DLT uitgegeven instrumenten, aangezien dergelijke instrumenten op grond van deze verordening, maar niet noodzakelijkerwijs op grond van Richtlijn 2002/47/EG, als potentiële zekerheden zouden worden erkend.
(24)De ESMA, de EBA en het ESCB moeten een centrale rol spelen in de toepassing van deze verordening door consistente toepassing van de Unieregels door de bevoegde autoriteiten te waarborgen.
(25)De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om door de ESMA en de EBA ontwikkelde technische reguleringsnormen vast te stellen met betrekking tot de nadere bepaling van: de in een aanwijzingsverzoek te verstrekken informatie; de voorwaarden voor aanwijzing; de in een registratieverzoek te verstrekken informatie; het moment van invoering van een overboekingsopdracht in een systeem dat niet wordt geëxploiteerd door een centrale effectenbewaarinstelling, met inbegrip van op DLT gebaseerde systemen; het moment van onherroepelijkheid van een overboekingsopdracht die is ingevoerd in een systeem dat niet door een centrale effectenbewaarinstelling wordt geëxploiteerd, met inbegrip van op DLT gebaseerde systemen; en het moment van definitieve afwikkeling in systemen die niet door een centrale effectenbewaarinstelling worden geëxploiteerd, met inbegrip van op DLT gebaseerde systemen. De Commissie moet die technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad, en met artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad.
(26)De Commissie moet ook de bevoegdheid krijgen om door de ESMA of de EBA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen met betrekking tot de elektronische formaten voor het aanwijzingsverzoek en de elektronische formaten voor het registratieverzoek van een systeem uit een derde land. De Commissie moet die technische uitvoeringsnormen vaststellen door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU, artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad.
(27)Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van de definitie van overboekingsopdracht om afwikkelingsactiva toe te voegen of te verwijderen en met betrekking tot wijzigingen van de lijst van deelnemers. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
(28)Systemen die uit hoofde van Richtlijn 98/26/EG zijn aangewezen en systemen uit een derde land waartoe de lidstaten de bescherming van die richtlijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening hebben uitgebreid, moeten in aanmerking komen voor een aantal overgangsmaatregelen om de lidstaten voldoende tijd te geven om die systemen, naargelang het geval, aan te wijzen of te registreren overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden. De toepassing van de aanwijzings- en registratievereisten voor die systemen moet daarom worden uitgesteld.
(29)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak van de bescherming tegen systeemrisico’s die voortvloeien uit de werking van afwikkelingssystemen, in verband met de insolventie van een deelnemer, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(30)Bij deze verordening worden bindende eisen ingevoerd voor grensoverschrijdende digitale overheidsdiensten in de zin van Verordening (EU) 2024/903. Het daaruit voortvloeiende verslag wordt gevormd door het hoofdstuk over de digitale dimensie van het financieel en digitaal memorandum. Dit verslag zal na de vaststelling van de handeling ook worden gepubliceerd op het Interoperabel Europa-portaal.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
DOELSTELLING, TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
Doel en toepassingsgebied
1.Bij deze verordening worden vereisten vastgesteld voor de aanwijzing van systemen die kwalificeren voor de toepassing van de regels inzake het definitieve karakter (“finaliteit”) van de afwikkeling in de Unie, zoals uiteengezet in de artikelen 17 tot en met 25.
2.Bij deze verordening worden ook vereisten vastgesteld voor de registratie van systemen uit een derde land in één of meer lidstaten om in die lidstaten gevestigde instellingen die aan die systemen uit een derde land deelnemen, in staat te stellen gebruik te maken van de uitbreiding van de bescherming bij insolventie als bedoeld in de artikelen 17 en 19, artikel 22, lid 1, de artikelen 23 en 24 en artikel 25, lid 1, om in dergelijke systemen uit een derde land ingevoerde opdrachten over te boeken.
In geval van insolventie van een lid van een dergelijk systeem worden door dat lid ingevoerde overboekingsopdrachten beschermd indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
(a)het lid neemt deel aan een geregistreerd systeem zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 9);
(b)het lid is een instelling in de zin van artikel 2, lid 1, punt 10), a), i) tot en met iv), en artikel 2, lid 1, punt 10), b), en is gevestigd in de lidstaat die dat systeem overeenkomstig artikel 12 heeft geregistreerd.
3.Deze verordening is van toepassing op:
(a)elk systeem zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1);
(b)elke deelnemer zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 15);
(c)zakelijke zekerheden, als bedoeld in artikel 25, gesteld in verband met en met betrekking tot:
i) deelname aan een systeem;
ii) transacties van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank in het kader van hun functie van centrale bank.
Artikel 2
Definities
1.Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1)“systeem”: een formele regeling, anders dan een interoperabiliteitsregeling, met gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures, met inbegrip van een effectenafwikkelingssysteem, een clearingsysteem of een betalingssysteem, die voorzien in de afwikkeling, clearing of uitvoering van overboekingsopdrachten tussen deelnemers;
(2)“systeem uit een derde land”: een systeem dat niet door het recht van een lidstaat wordt beheerst;
(3)“afwikkeling”: de afwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 7, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad;
(4)“clearing”: clearing zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad;
(5)“effectenafwikkelingssysteem”: een systeem waarvan de activiteit bestaat in de afwikkeling van overboekingsopdrachten;
(6)“betalingssysteem”: een betalingssysteem zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 7), van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad;
(7)“clearingsysteem”: een systeem dat clearingdiensten aanbiedt en door een clearinginstelling wordt geëxploiteerd;
(8)“aangewezen systeem”: een systeem dat is aangewezen overeenkomstig artikel 3;
(9)“geregistreerd systeem”: een systeem dat is geregistreerd overeenkomstig artikel 12;
(10)“instelling”:
(a)een van de volgende entiteiten, die deelneemt aan een aangewezen systeem en verantwoordelijkheid draagt voor het nakomen van de financiële verplichtingen die ontstaan uit overboekingsopdrachten binnen dat systeem:
i)een kredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad, met inbegrip van de entiteiten vermeld in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad;
ii) een beleggingsonderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad, met uitsluiting van de instellingen bedoeld in artikel 2, lid 1, van die richtlijn;
iii)een overheidsinstantie;
iv)een door de overheid gewaarborgde onderneming;
v)een onderneming met hoofdkantoor buiten de Unie waarvan de werkzaamheden overeenstemmen met die van kredietinstellingen of beleggingsondernemingen in de Unie, zoals bedoeld in de punten i) en ii);
(b) een van de volgende entiteiten, die deelneemt aan een aangewezen systeem dat behelst dat overboekingsopdrachten worden uitgevoerd zoals gedefinieerd in punt 20), a), en die de verantwoordelijkheid draagt voor het nakomen van de financiële verplichtingen die voortvloeien uit dergelijke overboekingsopdrachten binnen dat systeem:
(a)een betalingsinstelling zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 4), van Richtlijn (EU) 2015/2366, met uitzondering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een vrijstelling geniet op grond van artikel 32 of 33 van die richtlijn;
(b)een instelling voor elektronisch geld zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad, met uitzondering van een rechtspersoon die een vrijstelling geniet uit hoofde van artikel 9 van die richtlijn;
(11)“centrale tegenpartij” of “CTP”: een CTP zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012;
(12)“centrale effectenbewaarinstelling” of “CSD”: een centrale effectenbewaarinstelling zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 909/2014;
(13)“afwikkelende instantie”: een onderneming die afwikkelingsrekeningen aanbiedt aan deelnemers aan een systeem;
(14)“clearinginstelling”: een lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de nettoposities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij (CTP) of een afwikkelende instantie;
(15)“deelnemer”: een van de volgende entiteiten die aan een systeem deelneemt:
(a)voor aangewezen systemen:
i)een instelling;
ii)een CSD;
iii)een afwikkelende instantie;
iv)een clearinginstelling;
v)een systeemexploitant;
vi)een clearinglid van een CTP waaraan overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 648/2012 een vergunning is verleend;
vii)een andere entiteit dan de in de punten i) tot en met vi) genoemde entiteiten;
(b)voor geregistreerde systemen: elk lid dat op grond van de regels van dat geregistreerde systeem is toegestaan;
(16)“systeemlid”: een entiteit zoals bedoeld in punt 15), a), vii);
(17)“indirecte deelnemer”: een van de in punt 15, a), i) tot en met v), genoemde entiteiten die een contractuele relatie heeft met een deelnemer aan een aangewezen systeem die overboekingsopdrachten uitvoert, wat de entiteit in staat stelt overboekingsopdrachten via het aangewezen systeem door te geven;
(18)“cliënt”: een onderneming die een contractuele relatie heeft met een deelnemer, met inbegrip van een indirecte deelnemer, wat die onderneming in staat stelt overboekingsopdrachten via het aangewezen systeem via die deelnemer af te wikkelen, te clearen en uit te voeren;
(19)“financieel instrument”: een financieel instrument zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15), van Richtlijn 2014/65/EU;
(20)“overboekingsopdracht”: een van de volgende opdrachten, met inbegrip van opdrachten die het gebruik van een cryptografische sleutel of een ander apparaat of een andere methode voor digitale ondertekening vereisen:
(a)een opdracht van een deelnemer om een bedrag aan middelen ter beschikking van een ontvanger of lid te stellen, wat resulteert in het aangaan of nakomen van een betalingsverplichting zoals vastgelegd in de regels van het systeem;
(b) een opdracht van een deelnemer om de eigendom van of het belang in financiële instrumenten en andere instrumenten over te dragen, indien het systeem daarvoor toestemming heeft verleend, onder meer met betrekking tot zekerheidsovereenkomsten en clearing, geregistreerd door middel van een boeking of elektronische registratie in een register met een soortgelijke functie of anderszins;
(21)“geldmiddelen”: geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 30), van de [Verordening betreffende betalingsdiensten in de interne markt (EU)];
(22)“boeking”: een elektronische record die een credit- of debet- of andere wijziging van een dergelijke elektronische record aantoont, waarbij de elektronische record en eventuele wijzigingen daarvan kunnen worden uitgevoerd door gebruik te maken van distributed ledger-technologie (DLT);
(23)“insolventieprocedure”: elke collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de sanering van een deelnemer aan een systeem indien een dergelijke maatregel gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen aan, overboekingen of betalingen;
(24)“verrekening (netting)”: het in één nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die een deelnemer of deelnemers geeft of geven aan of ontvangt of ontvangen van één of meer andere deelnemers, met als gevolg dat er alleen een nettovordering of een nettoverplichting ontstaat;
(25)“afwikkelingsrekening”: een rekening die wordt gebruikt voor de afwikkeling van overboekingsopdrachten of voor het aanhouden van afwikkelingsactiva, met inbegrip van contanten, geldmiddelen en financiële instrumenten, en die, indien gebruikt voor kredietverlening voor afwikkelingsdoeleinden, wordt beheerd door een centrale bank, een afwikkelende instantie of een clearinginstelling;
(26)“rekening”: een record, met inbegrip van een gecentraliseerde of gedecentraliseerde digitale of elektronische record, waarop contanten, financiële instrumenten of andere activa kunnen worden gecrediteerd of gedebiteerd of anderszins kunnen worden vastgelegd om een wijziging in de record vast te leggen;
(27)“zekerheid”: alle realiseerbare activa, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, die financiële instrumenten en geldmiddelen, met inbegrip van die welke zijn uitgegeven of geregistreerd met gebruikmaking van distributed ledger-technologie (DLT), ook in getokeniseerde vorm, en financiële zekerheden als bedoeld in artikel 1, lid 4, punt a), van Richtlijn 2002/47/EG, die zijn verstrekt in het kader van een pandgeving, een regeling voor eigendomsoverdracht, een retrocessie- of soortgelijke overeenkomst, of anderszins, met het oog op het veiligstellen van rechten en verplichtingen die mogelijk voortvloeien uit of verband houden met een systeem, of die zijn gesteld aan centrale banken van de lidstaten of aan de Europese Centrale Bank;
(28)“beursdag”: afwikkelingen overdag zowel als ’s nachts, met inbegrip van alle gebeurtenissen die tijdens de bedrijfscyclus van een systeem plaatsvinden;
(29)“werkdag”: alle andere dagen dan feestdagen, zondagen en zaterdagen, berekend overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71;
(30)“interoperabiliteitsregeling”: twee of meer aangewezen systemen waarvan de systeemexploitanten een onderlinge formele regeling hebben getroffen voor de uitvoering tussen de systemen van overboekingsopdrachten;
(31)“interoperabel systeem”: een systeem dat deel uitmaakt van een interoperabiliteitsregeling;
(32)“systeemexploitant”: de onderneming of ondernemingen die wettelijk verantwoordelijk is of zijn voor de exploitatie van een systeem en die ook kan of kunnen optreden als afwikkelende instantie, centrale tegenpartij, centrale effectenbewaarinstelling of clearinginstelling;
(33)“aanwijzende autoriteit”: de bevoegde autoriteit die overeenkomstig artikel 4, lid 1, verantwoordelijk is voor de aanwijzing van het systeem;
(34)“nationale bevoegde autoriteit”: de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de systeemexploitant is gevestigd;
(35)“registrerende autoriteit”: de bevoegde autoriteit die overeenkomstig artikel 12 verantwoordelijk is voor de registratie van het systeem;
(36)“centrale databank”: de overeenkomstig artikel 26 opgezette centrale databank;
(37)“distributed ledger-technologie” of “DLT”: distributed ledger-technologie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad.
2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 27 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van:
(a)de definitie van overboekingsopdracht in lid 1, punt 20), indien nodig om ervoor te zorgen dat nieuwe soorten activa die in aangewezen systemen worden afgewikkeld, gecleard of betaald, onder de bescherming van deze verordening vallen;
(b)de definitie van deelnemer in lid 1, punt 15), om natuurlijke personen of rechtspersonen toe te voegen, op basis van de ervaring met gevallen waarin dergelijke personen mogen deelnemen aan een DLT-afwikkelingssysteem dat onder Verordening (EU) 2022/858 valt.
TITEL II
SYSTEEMAANWIJZING
Artikel 3
Aangewezen systeem
1.Wanneer een onderneming een onder het recht van een lidstaat vallend systeem exploiteert of voornemens is te exploiteren, kan een dergelijke systeemexploitant verzoeken dat dat systeem volgens de procedure van artikel 4 wordt aangewezen als een systeem in de Unie waarop de in de artikelen 17 tot en met 25 vastgestelde regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling van toepassing zijn.
Een in lid 1 bedoelde systeemexploitant die in beperkte mate de afwikkeling, clearing of uitvoering van opdrachten met betrekking tot andere dan de in artikel 2, lid 1, punt 20), b), bedoelde instrumenten aanbiedt, kan verzoeken dat de in de artikelen 17 tot en met 25 vastgestelde regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling ook van toepassing zijn op dergelijke instrumenten. De aanwijzende autoriteit kan toestaan dat dergelijke opdrachten als overboekingsopdrachten worden beschouwd wanneer zij van oordeel is dat een dergelijke aanwijzing op grond van het systeemrisico gerechtvaardigd is.
2.De aanwijzende autoriteit van de lidstaat waarvan het recht op het systeem van toepassing is, kan het systeem aanwijzen indien ten minste één van de deelnemers aan het systeem zijn hoofdkantoor in die lidstaat heeft.
Artikel 4
Procedure voor verlening en weigering van een aanwijzing
1.Een systeemexploitant die een verzoek tot aanwijzing van een door hem geëxploiteerd systeem indient, dient het aanwijzingsverzoek in bij de aanwijzende autoriteit van de lidstaat waarvan het recht op het systeem van toepassing is.
2.Het verzoek wordt onmiddellijk gedeeld met alle volgende autoriteiten:
(a)de aanwijzende autoriteit;
(b) indien van toepassing, de nationale bevoegde autoriteit;
(c)de ESMA;
(d)de EBA, voor systemen die overboekingsopdrachten opereren als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 20), a);
(e)het ESCB.
3.De systeemexploitant neemt in het verzoek alle documenten en informatie op die nodig zijn om aan te tonen dat hij en het door hem geëxploiteerde systeem aan de eisen van deze verordening voldoen, met inbegrip van de in artikel 6, lid 2, punten a) en c) tot en met g), vermelde informatie.
4.Binnen twee werkdagen na ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek wordt aan de systeemexploitant een ontvangstbevestiging toegezonden. De aanwijzende autoriteit bepaalt binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek of het verzoek de krachtens lid 3 vereiste documenten en informatie bevat.
Indien de aanwijzende autoriteit binnen de in de eerste alinea bedoelde toepasselijke termijn concludeert dat niet alle op grond van lid 3 vereiste documenten en informatie zijn ingediend, verzoekt zij de systeemexploitant die aanvullende documenten of informatie in te dienen. Indien de systeemexploitant niet volledig aan een dergelijk verzoek heeft voldaan, kan de aanwijzende autoriteit het verzoek afwijzen.
5.Aan het einde van de in lid 4 bedoelde termijnen deelt de aanwijzende autoriteit de systeemexploitant en de in lid 2, punten b) tot en met e), genoemde autoriteiten, naargelang het geval, mee of het verzoek wordt aanvaard of afgewezen.
6.Na de systeemexploitant ervan in kennis te hebben gesteld dat het verzoek wordt aanvaard, beoordeelt de aanwijzende autoriteit binnen tachtig werkdagen na de datum van de in lid 5 bedoelde kennisgeving (“de beoordelingsperiode”) of de systeemexploitant en het systeem aan de eisen van deze verordening voldoen.
7.Tijdens de beoordelingsperiode kan de aanwijzende autoriteit vragen stellen aan of aanvullende informatie opvragen bij de systeemexploitant.
Indien de systeemexploitant binnen de door de aanwijzende autoriteit vastgestelde termijn de vragen niet heeft beantwoord of de gevraagde informatie niet heeft verstrekt, kan de aanwijzende autoriteit besluiten de beoordelingsperiode eenmaal met in totaal maximaal tien werkdagen te verlengen indien een van de vragen of gevraagde informatie volgens haar van belang is voor de beoordeling. De aanwijzende autoriteit stelt de systeemexploitant in kennis van deze verlenging. De aanwijzende autoriteit kan een besluit over het verzoek nemen indien de systeemexploitant niet reageert.
8.Binnen de beoordelingsperiode besluit de aanwijzende autoriteit of de aanwijzing van het in artikel 3 bedoelde systeem al dan niet wordt toegestaan. De aanwijzende autoriteit besluit slechts de aanwijzing te verlenen indien zij er ten volle van overtuigd is dat het systeem en de exploitant ervan voldoen aan de in deze verordening vastgestelde eisen.
9.Na het nemen van een in lid 8 bedoeld besluit stelt de aanwijzende autoriteit de systeemexploitant en de in lid 2, punten b) tot en met e), genoemde autoriteiten, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging in kennis van haar besluit, met inbegrip van een volledig met redenen omklede toelichting.
Artikel 5
Voorwaarden voor aanwijzing
1.Een aanwijzende autoriteit wijst een systeem overeenkomstig artikel 3 alleen aan indien de aanwijzende autoriteit ervan overtuigd is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)het systeem wordt beheerst door het recht van de lidstaat van de aanwijzende autoriteit;
b)ten minste een van de deelnemers aan het systeem is gevestigd in de lidstaat van de aanwijzende autoriteit;
c)het systeem heeft gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures voor de afwikkeling, clearing of uitvoering, naargelang het geval, van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers;
d)het systeem heeft in zijn gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures duidelijk aangegeven welke momenten van finaliteit voldoen aan de vereisten van de artikelen 18, 20 en 21;
e)de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van het systeem bevatten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 7, de vereisten voor deelname aan het systeem;
f)er zijn geen duidelijke conflicten tussen de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van het systeem en het recht dat op het systeem van toepassing is;
g)de systeemexploitant kan zorgen voor een adequate monitoring van de naleving door zijn systeem van de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van het systeem dat hij exploiteert;
h)de systeemexploitant is in staat het systeem te exploiteren, staat als voldoende betrouwbaar bekend en beschikt over voldoende ervaring om een gezond en prudent beheer van het systeem te waarborgen;
i)de systeemexploitant beschikt over voldoende financiële middelen om het systeem te exploiteren;
j)de systeemexploitant is wettelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor de werking van het systeem, met inbegrip van eventuele koppelingen met andere systemen en de relatie met derden en de autoriteiten;
k)de systeemexploitant heeft voldoende maatregelen getroffen om de risico’s in verband met de exploitatie van het systeem te beperken;
l)wanneer de systeemexploitant bestaat uit een netwerk van knooppunten (nodes) dat op grond van een gemeenschappelijk governance- en toezichtkader functioneert, zorgen de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van het systeem ervoor dat één onderneming wettelijk verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de werking van het systeem;
m)wanneer de systeemexploitant een consortium van entiteiten is, zijn alle entiteiten hoofdelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor de exploitatie van het systeem.
2.De ESMA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen om de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen nader te bepalen.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad.
3.De EBA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen om de in lid 1 bedoelde voorwaarden nader te bepalen voor betalingssystemen.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 6
Kennisgeving van een aangewezen systeem
4.Een aanwijzende autoriteit stelt de ESMA en de systeemexploitant gelijktijdig en zonder onnodige vertraging in kennis van haar overeenkomstig artikel 4 genomen besluit. De aanwijzing gaat in op de datum van kennisgeving.
5.De in lid 1 bedoelde kennisgeving bevat, vanaf de datum van de aanwijzing, ten minste alle volgende informatie:
a)de identificatie van het systeem, het op het systeem toepasselijke recht, de systeemexploitant en de aanwijzende autoriteit;
b)de datum waarop het systeem is aangewezen;
c)de lidstaat waar de systeemexploitant is gevestigd en de nationale bevoegde instantie, indien van toepassing;
d)het feit of het systeem een effectenafwikkelingssysteem, een clearingsysteem of een betalingssysteem is;
e)de finaliteitsmomenten van het systeem zoals gespecificeerd in de regels ervan overeenkomstig de artikelen 18, 20 en 21;
f)de deelnemers aan het systeem;
g)de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van het systeem;
h)de beoordeling door de aanwijzende autoriteit van de naleving van de vereisten van deze verordening door de systeemexploitant en het systeem, met inbegrip van de aanwijzingsvoorwaarden van artikel 5.
6.De aanwijzende autoriteit stelt de ESMA en de in artikel 4, lid 2, punten b), d) en e), genoemde autoriteiten, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging in kennis van:
(a)alle kennisgevingen van de systeemexploitant overeenkomstig artikel 8, lid 2;
(b)eventuele wijzigingen in de aanwijzing van het systeem;
(c)eventuele actualiseringen van de in lid 2 genoemde informatie.
7.De ESMA publiceert de in lid 2, punten a) tot en met g), bedoelde informatie en eventuele actualiseringen daarvan overeenkomstig lid 3, punt c), zonder onnodige vertraging en uiterlijk twee werkdagen na ontvangst van die informatie in een gestandaardiseerd formaat op haar website. De ESMA specificeert de datum waarop de informatie op haar website is geactualiseerd en welke informatie is bijgewerkt.
De ESMA verstrekt de EBA en het ESCB, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging geactualiseerde informatie.
Artikel 7
Deelnemers aan aangewezen systemen
1.Een systeemexploitant kan een of meer in artikel 2, lid 1, punt 15), a), i) tot en met vii), genoemde soorten deelnemers toelaten tot het aangewezen systeem dat hij exploiteert.
Een aangewezen systeem dat een deelnemer in staat stelt in verschillende van de in artikel 2, lid 1, punt 15), a), genoemde hoedanigheden op te treden of alle of een deel van de taken in verband met die hoedanigheden uit te voeren, zet dit nader uiteen in zijn gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures.
Een lidstaat kan, in uitzonderlijke omstandigheden en voor de toepassing van deze verordening, een indirecte deelnemer als deelnemer toelaten indien de indirecte deelnemer bekend is bij de systeemexploitant en de deelnemers aan het systeem, en indien dat gerechtvaardigd is op grond van het systeemrisico. Door deze mogelijkheid wordt de verantwoordelijkheid van de deelnemer via wie de indirecte deelnemer overboekingsopdrachten aan het aangewezen systeem doorgeeft echter niet beperkt.
2.Een systeemexploitant van een aangewezen systeem mag een systeemlid alleen tot het systeem toelaten indien dat lid aan alle volgende voorwaarden voldoet:
a)hij beschikt over de capaciteit en het vermogen om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit zijn deelname aan het systeem;
b)hij beschikt over de capaciteit en het vermogen om de risico’s die voortvloeien uit zijn deelname aan het systeem te beperken;
c)hij voldoet aan de regels van het systeem.
Een systeemexploitant van een aangewezen systeem stelt toelatingscriteria vast, waarbij in voorkomend geval per soort deelnemer wordt gedifferentieerd. Deze toelatingscriteria moeten niet-discriminerend, transparant en objectief zijn om eerlijke en open toegang tot het aangewezen systeem te waarborgen.
Een systeemexploitant van een aangewezen systeem zorgt ervoor dat de systeemleden doorlopend aan de voorwaarden van de eerste alinea voldoen en heeft tijdig toegang tot de voor een dergelijke beoordeling relevante informatie.
3.Een deelnemer die zijn cliënten toegang geeft tot een aangewezen systeem door opdrachten voor overboekingsopdrachten via dat systeem door te geven, stelt de systeemexploitant van dat systeem daarvan in kennis. Die deelnemer beschikt over de nodige aanvullende financiële middelen en operationele capaciteit om die activiteit uit te voeren en verstrekt de systeemexploitant de informatie die nodig is om relevante risicoconcentraties in verband met de verlening van diensten aan cliënten te identificeren, te monitoren en te beheersen.
Een deelnemer die zijn cliënten in staat stelt toegang te krijgen tot de diensten van het systeem, stelt de systeemexploitant op diens verzoek in kennis van de criteria en regelingen die hij vaststelt om zijn cliënten in staat te stellen toegang te krijgen tot die diensten. Ongeacht dergelijke informatie blijft die deelnemer ten aanzien van de systeemexploitant en andere deelnemers aan het systeem als enige verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat zijn cliënten hun verplichtingen nakomen.
Artikel 8
Taken van een systeemexploitant van een aangewezen systeem
1.De systeemexploitant van een aangewezen systeem is te allen tijde ervoor verantwoordelijk dat hijzelf en het systeem dat hij exploiteert, de bepalingen van deze verordening naleeft.
2.De systeemexploitant stelt de aanwijzende autoriteit zonder onnodige vertraging in kennis van:
(a)materiële wijzigingen die van invloed zijn of kunnen zijn op de naleving van de bepalingen van deze verordening door de systeemexploitant en het systeem dat hij exploiteert;
(b)eventuele wijzigingen in de in artikel 6, lid 2, punten a) tot en met g), bedoelde lijst van informatie.
Artikel 9
Intrekking van de aanwijzing
1.Een aanwijzende autoriteit trekt een door haar verleende aanwijzing in indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
(a) de systeemexploitant heeft de aanwijzing verkregen door het afleggen van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige of onwettige wijze;
(b)de systeemexploitant of het systeem dat hij exploiteert, naargelang het geval, voldoet niet langer aan de vereisten van deze verordening en de systeemexploitant heeft de door de aanwijzende autoriteit gevraagde corrigerende maatregelen niet binnen een vastgestelde termijn genomen;
(c)de systeemexploitant of het systeem dat hij exploiteert, naargelang het geval, heeft ernstig of systematisch inbreuk gemaakt op de in deze verordening vastgestelde vereisten.
2.Een aanwijzende autoriteit besluit de aanwijzing van een systeem pas in te trekken nadat zij de nationale bevoegde autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld en advies heeft gevraagd over de wenselijkheid van intrekking van de aanwijzing. Het advies wordt gevraagd aan de ESMA en het ESCB voor de intrekking van de aanwijzing van effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen, of aan de EBA en het ESCB voor de intrekking van de aanwijzing van betalingssystemen.
Indien de ESMA, de EBA of het ESCB van mening zijn dat de intrekking van de aanwijzing materiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de Unie of in een lidstaat kan opleveren, stellen zij de aanwijzende autoriteit binnen tien werkdagen nadat zij in kennis zijn gesteld van een mogelijke intrekking van een aanwijzing uit hoofde van de eerste alinea daarvan in kennis, en belegt de aanwijzende autoriteit, alvorens de aanwijzing van het systeem in te trekken, een ad-hocbijeenkomst met de nationale bevoegde autoriteit, het ESCB en, afhankelijk van de aard van het systeem, de ESMA of de EBA, om samen te werken over de vraag hoe de vastgestelde risico’s te beperken.
Indien het aangewezen systeem een centrale effectenbewaarinstelling (CSD) of een centrale tegenpartij (CTP) is, trekt de aanwijzende autoriteit de aanwijzing niet in zonder de toestemming van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op die CSD of CTP.
3.Op verzoek van de ESMA en het ESCB voor effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen, of de EBA en het ESCB voor betalingssystemen, onderzoekt een aanwijzende autoriteit of een systeem nog steeds voldoet aan de voorwaarden waaronder de aanwijzing is verleend.
4.Indien de aanwijzende autoriteit de aanwijzing intrekt, stelt zij tegelijkertijd de systeemexploitant, de nationale bevoegde autoriteit, de ESMA, de EBA en het ESCB in kennis van haar besluit om de aanwijzing van een systeem in te trekken en werkt de ESMA haar website dienovereenkomstig bij op de dag die de aanwijzende autoriteit in haar kennisgeving heeft aangegeven.
5.De intrekking van een aanwijzing wordt van kracht met ingang van de in lid 4 bedoelde datum van kennisgeving.
TITEL II
BEVOEGDHEDEN EN SAMENWERKING
Artikel 10
Bevoegde autoriteit
1.Elke lidstaat wijst alle bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de uit deze verordening voortvloeiende taken met betrekking tot systemen, met inbegrip van de aanwijzende autoriteiten, de registrerende autoriteiten en de in artikel 22, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteit.
Wanneer een lidstaat meer dan één bevoegde autoriteit aanwijst, bepaalt hij hun respectieve rollen.
Elke lidstaat wijst één bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, de ESMA, de EBA en het ESCB.
2.De lidstaten specificeren hun respectieve rollen uit hoofde van deze verordening en stellen de ESMA, de aanwijzende autoriteiten en de in lid 1, eerste alinea, bedoelde registrerende autoriteiten in kennis, en de in lid 1, derde alinea, bedoelde enige bevoegde autoriteit.
3.De ESMA publiceert zonder onnodige vertraging op haar website een lijst van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde aanwijzende autoriteiten en registrerende autoriteiten, en hun respectieve rol, en de in lid 1, derde alinea, bedoelde enige bevoegde autoriteit, en stelt de EBA en het ESCB in kennis van eventuele wijzigingen in die lijst.
Artikel 11
Uitwisseling van informatie
1.De aanwijzende autoriteiten, de registrerende autoriteiten, de nationale bevoegde autoriteiten, de in artikel 22, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteiten, de ESMA, de EBA en het ESCB delen met en verstrekken aan elkaar zonder onnodige vertraging informatie indien daarom wordt verzocht voor de uitvoering van hun respectieve taken uit hoofde van deze verordening.
2.Zowel het verzoek om informatie als de reactie op het verzoek worden ingediend via de centrale databank.
3.Vertrouwelijke informatie die uit hoofde van deze verordening wordt ontvangen, wordt alleen gebruikt voor de uitoefening van eventuele uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen.
TITEL III
SYSTEMEN UIT EEN DERDE LAND
Artikel 12
Registratie van systemen uit een derde land
Elk van de registrerende autoriteiten in een van de lidstaten waar een aan een systeem uit een derde land deelnemend lid is gevestigd, kan besluiten een dergelijk systeem uit een derde land te registreren overeenkomstig de procedure van artikel 13, mits het lid een instelling is zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 10), a), i) tot en met iv), of artikel 2, lid 1, punt 10), b). Elk van deze registrerende autoriteiten beoordeelt het verzoek tot registratie van het systeem van het derde land.
Artikel 13
Procedure voor verlening en weigering van een registratie
1.Wanneer de systeemexploitant van een systeem uit een derde land (“systeemexploitant uit een derde land”) dat systeem als geregistreerd systeem wil laten registreren, dient hij bij de ESMA een registratieverzoek in.
2.De ESMA deelt het verzoek onmiddellijk met alle volgende ontvangers:
(a)ten minste alle in artikel 12 bedoelde registrerende autoriteiten;
(b)de EBA, voor systemen die overboekingsopdrachten opereren als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 20), a);
(c)het ESCB.
3.De systeemexploitant uit een derde land neemt in het verzoek alle documenten en informatie op die nodig zijn om aan te tonen dat hij en het door hem geëxploiteerde systeem voldoen aan de registratievoorwaarden van artikel 14, met inbegrip van de informatie over de in de Unie gevestigde leden van dat systeem, uitgesplitst naar lidstaat.
4.Binnen twee werkdagen na ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek wordt aan de systeemexploitant uit een derde land een ontvangstbevestiging toegezonden. De registrerende autoriteiten bepalen binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek of het verzoek de krachtens lid 3 vereiste documenten en informatie bevat.
Indien een van de registrerende autoriteiten binnen de in de eerste alinea bedoelde toepasselijke termijn concludeert dat niet alle op grond van lid 3 vereiste documenten of informatie zijn ingediend, verzoekt die autoriteit de systeemexploitant uit een derde land die aanvullende documenten of informatie in te dienen. Indien de systeemexploitant uit een derde land niet volledig aan een dergelijk verzoek heeft voldaan, kan een van de registrerende autoriteiten het verzoek afwijzen.
5.Aan het einde van de in lid 4 bedoelde termijnen deelt elk van de registrerende autoriteiten de ESMA, de systeemexploitant uit een derde land en de in lid 2, punten a), b) en c), genoemde autoriteiten, naargelang het geval, mee of het verzoek wordt aanvaard of afgewezen.
6.Na de systeemexploitant uit een derde land ervan in kennis te hebben gesteld dat het verzoek wordt aanvaard, beoordeelt elke registrerende autoriteit binnen tachtig werkdagen na de datum van de in lid 5 bedoelde kennisgeving (“de beoordelingsperiode”) of de systeemexploitant uit een derde land en het systeem aan de in artikel 14 genoemde voorwaarden voor registratie voldoen.
7.Tijdens de beoordelingsperiode kan elke registrerende autoriteit vragen stellen aan of aanvullende informatie opvragen bij de systeemexploitant uit een derde land.
Indien de systeemexploitant uit een derde land binnen de door de registrerende autoriteit vastgestelde termijn de vragen niet heeft beantwoord of de gevraagde informatie niet heeft verstrekt, kan de ESMA, op verzoek van een van de registrerende autoriteiten die het verzoek hebben aanvaard, besluiten de beoordelingsperiode eenmaal met in totaal maximaal tien werkdagen te verlengen indien een van de vragen volgens hen van belang is voor de beoordeling. De ESMA stelt de systeemexploitant uit een derde land in kennis van de verstrekte verlenging. Een registrerende autoriteit kan een besluit over het verzoek nemen indien de systeemexploitant uit een derde land niet reageert.
8.Tijdens de beoordelingsperiode nemen de ESMA en het ESCB voor effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen, en de EBA en het ESCB voor betalingssystemen, alle passende maatregelen, waaronder het bijeenroepen van ad-hocbijeenkomsten, om te zorgen voor een convergente aanpak van de besluiten tot verlening of weigering van de registratie van een systeem uit een derde land door de registrerende autoriteiten in hun respectieve lidstaat.
9.Tijdens het beoordelingsproces bevorderen de ESMA, de EBA en het ESCB de regelmatige uitwisseling en bespreking tussen de registrerende autoriteiten, teneinde de samenwerking van de registrerende autoriteiten bij het registratieproces van een dergelijk systeem uit een derde land te waarborgen en input te leveren voor het beoordelingsproces van de registrerende autoriteiten.
10.Binnen de beoordelingsperiode besluit elke registrerende autoriteit of zij de registratie van het systeem uit een derde land goedkeurt of weigert. Elke registrerende autoriteit besluit slechts de registratie goed te keuren indien zij er ten volle van overtuigd is dat de systeemexploitant uit een derde land en het systeem uit een derde land aan de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden voldoen.
11.Na het nemen van een in lid 10 bedoeld besluit stelt elke registrerende autoriteit de systeemexploitant uit een derde land, de ESMA en de in lid 2, punten a), b) en c), genoemde autoriteiten, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging in kennis van haar besluit, met inbegrip van een volledig met redenen omklede toelichting.
12.De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, voor clearing- en effectenafwikkelingssystemen ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de informatie die moet worden verstrekt in:
a)een registratieverzoek zoals bedoeld in lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant uit een derde land en het systeem uit een derde land voldoen aan alle relevante vereisten van dit artikel, met inbegrip van de voorwaarden van artikel 14, en om nader te bepalen welke informatie het verzoek moet bevatten over de in de Unie gevestigde leden van het systeem uit een derde land;
b)een aanwijzingsverzoek zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant en het systeem aan alle relevante vereisten van deze verordening voldoen.
Bij de ontwikkeling van de technische reguleringsnormen houden de ESMA en het ESCB er rekening mee dat de gevraagde informatie evenredig en relevant moet zijn voor het soort systeem waarvoor registratie of aanwijzing wordt aangevraagd.
De ESMA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [OP insert date = 1 year after the date of entry into force of this Regulation] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
13.De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om het volgende te bepalen voor effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen:
a)de uniforme elektronische formaten voor het in lid 1 bedoelde registratieverzoek dat bij de centrale databank moet worden ingediend;
b)de uniforme elektronische formaten voor het in artikel 4, lid 1, bedoelde aanwijzingsverzoek, dat bij de centrale databank moet worden ingediend.
De ESMA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk [OP enter date = 1 year after the date of entry into force of this Regulation] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
14.De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, voor betalingssystemen ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de informatie die moet worden verstrekt in:
a)een registratieverzoek zoals bedoeld in lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant uit een derde land en het systeem uit een derde land voldoen aan alle relevante vereisten van dit artikel, met inbegrip van de voorwaarden van artikel 14, en om nader te bepalen welke informatie het verzoek moet bevatten over de in de Unie gevestigde leden van het systeem uit een derde land;
b)een aanwijzingsverzoek zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant en het systeem aan alle relevante vereisten van deze verordening voldoen.
Bij de ontwikkeling van de technische reguleringsnormen houden de EBA en het ESCB er rekening mee dat de gevraagde informatie evenredig en relevant moet zijn voor het soort systeem waarvoor registratie of aanwijzing wordt aangevraagd.
De EBA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [OP insert date = 1 year after the date of entry into force of this Regulation] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
15.De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om het volgende te bepalen voor betalingssystemen:
a)de uniforme elektronische formaten voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde registratieverzoek dat bij de centrale databank moet worden ingediend;
b)de uniforme elektronische formaten voor het in artikel 4, lid 1, bedoelde aanwijzingsverzoek, dat bij de centrale databank moet worden ingediend.
De EBA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk [OP insert date = one year after the date of entry into force of this Regulation] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 14
Voorwaarden voor registratie
Een registrerende autoriteit mag een systeem uit een derde land alleen in haar lidstaat registreren als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)het systeem heeft gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures voor de afwikkeling, clearing of uitvoering van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers;
b)het systeem heeft een vergunning of staat onder toezicht in het land van vestiging of in het land onder welks recht het systeem van het derde land valt;
c)het systeem wordt beheerst door een wet die de beginselen van het definitieve karakter van de afwikkeling eerbiedigt;
d)het systeem geeft in zijn gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures duidelijk alle volgende momenten aan:
i)het moment waarop een overboekingsopdracht in het in artikel 18, lid 1, bedoelde systeem wordt ingevoerd;
ii)het moment waarop een overboekingsopdracht die in het in artikel 20, lid 1, bedoelde systeem is ingevoerd, onherroepelijk wordt;
iii) het moment waarop de afwikkeling van een overboekingsopdracht die in het in artikel 21, lid 1, bedoelde systeem wordt ingevoerd, een definitief karakter krijgt;
e)de systeemexploitant van het systeem is naar behoren gestructureerd en gefinancierd;
f)het systeem voldoet in alle materiële opzichten aan de mondiale beginselen van financiëlemarktinfrastructuren.
Artikel 15
Kennisgeving van geregistreerde systemen
1.Na het nemen van een in artikel 13, lid 10, bedoeld besluit stelt elke registrerende autoriteit tegelijkertijd en zonder onnodige vertraging de verzoekende systeemexploitant uit een derde land, de ESMA, de EBA, het ESCB en de andere registrerende autoriteiten, naargelang het geval, in kennis van haar besluit. De registratie wordt van kracht vanaf de datum van kennisgeving.
2.De in lid 1 bedoelde kennisgeving bevat, vanaf de datum van de registratie, ten minste alle volgende informatie:
a)de identificatie van het geregistreerde systeem en de systeemexploitant ervan;
b)de datum van registratie van het geregistreerde systeem;
c)het land waar de systeemexploitant uit een derde land is gevestigd;
d)de lidstaten waar het geregistreerde systeem is geregistreerd en elk van de registrerende autoriteiten die de registratie hebben goedgekeurd;
e)het feit of het systeem een effectenafwikkelingssysteem, een clearingsysteem of een betalingssysteem is;
f)het recht dat van toepassing is op het geregistreerde systeem;
g)de momenten waarop de afwikkeling van het geregistreerde systeem definitief wordt;
h)de deelnemers aan het geregistreerde systeem in de Unie.
3.De registrerende autoriteit van een geregistreerd systeem stelt de ESMA en de in artikel 13, lid 2, punten a), b) en c), vermelde autoriteiten, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging in kennis van:
a)alle wezenlijke wijzigingen die van materiële invloed zijn of kunnen zijn op de naleving van de registratievoorwaarden van artikel 14;
b)eventuele actualiseringen van de in lid 2 genoemde informatie.
4.De ESMA publiceert de in lid 2 bedoelde informatie en eventuele actualiseringen daarvan overeenkomstig lid 3, punt b), zonder onnodige vertraging en uiterlijk twee werkdagen na ontvangst van die informatie in een gestandaardiseerd formaat op haar website. De ESMA specificeert de datum waarop de informatie op haar website is geactualiseerd en welke informatie is bijgewerkt.
De ESMA verstrekt de registrerende autoriteiten, de EBA en het ESCB, naargelang het geval, zonder onnodige vertraging geactualiseerde informatie.
Artikel 16
Intrekking van een registratie
1.Een registrerende autoriteit trekt de registratie van een geregistreerd systeem in indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)de systeemexploitant uit een derde land heeft de registratie verkregen door het afleggen van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige of onwettige wijze;
b)de systeemexploitant uit een derde land of het systeem dat hij exploiteert, naargelang het geval, voldoet niet langer aan de voorwaarden van artikel 14;
c)de systeemexploitant uit een derde land of het systeem dat hij exploiteert, naargelang het geval, heeft ernstig of systematisch inbreuk gemaakt op de registratievoorwaarden van artikel 14.
2.Een registrerende autoriteit besluit de registratie van een systeemexploitant uit een derde land pas in te trekken nadat zij de ESMA daarvan in kennis heeft gesteld en de ESMA alle relevante informatie heeft verstrekt zodat de ESMA haar lijst van in een lidstaat geregistreerde systemen kan bijwerken. De ESMA deelt deze informatie met de EBA, het ESCB en andere registrerende autoriteiten, naargelang het geval.
3.Indien één van de registrerende autoriteiten, de ESMA, de EBA of het ESCB, naargelang het geval, van mening is dat de intrekking van de registratie materiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de Unie of in een lidstaat kan opleveren, stellen zij de betrokken registrerende autoriteit binnen tien werkdagen nadat zij in kennis zijn gesteld van een mogelijke intrekking van een registratie uit hoofde van lid 2 daarvan in kennis, en belegt de betrokkende registrerende autoriteit, alvorens de registratie van het systeem in te trekken, een ad-hocbijeenkomst met de andere registrerende autoriteiten, de ESMA, de EBA en het ESCB, naar gelang het geval, om samen te werken over de vraag hoe de vastgestelde risico’s te beperken.
Indien het geregistreerde systeem een CTP is die door de ESMA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 als een tier 2-CTP is aangemerkt, trekt de registrerende autoriteit de registratie niet in zonder toestemming van de ESMA.
4.Indien de registrerende autoriteit de registratie intrekt, stelt zij tegelijkertijd de systeemexploitant, de ESMA, de EBA, het ESCB en de andere registrerende autoriteiten, naar gelang het geval, in kennis van haar besluit om de registratie van het systeem in te trekken en werkt de ESMA haar website dienovereenkomstig bij op de dag die de registrerende autoriteit in haar kennisgeving heeft aangegeven.
5.De intrekking van een registratie van een systeem wordt van kracht met ingang van de in lid 4 bedoelde datum van kennisgeving.
TITEL IV
DEFINITIEVE KARAKTER VAN VERREKENING EN AFWIKKELING
Artikel 17
Verrekening en overboekingsopdrachten
1.Overboekingsopdrachten en verrekening (netting), met inbegrip van verrekening bij vroegtijdige afwikkeling (close-out netting), zijn juridisch afdwingbaar en kunnen aan derden worden tegengeworpen, mits de overboekingsopdrachten in het aangewezen of registreerde systeem zijn ingevoerd vóór het moment waarop een insolventieprocedure is geopend, zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen:
a)een deelnemer aan het aangewezen of geregistreerde systeem;
b)een deelnemer aan een systeem dat interoperabel is met een aangewezen systeem;
c)de systeemexploitant van een met een aangewezen systeem interoperabel systeem, die geen deelnemer is.
Indien overboekingsopdrachten in een aangewezen of geregistreerd systeem worden ingevoerd nadat er een insolventieprocedure is geopend, en worden uitgevoerd binnen de beursdag, als omschreven in de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van dat systeem, gedurende welke een dergelijke procedure wordt geopend, zijn deze uitsluitend juridisch afdwingbaar en kunnen deze slechts aan derden worden tegengeworpen indien de systeemexploitant kan aantonen dat hij op het tijdstip waarop deze overboekingsopdrachten onherroepelijk werden, niet op de hoogte was noch had moeten zijn van de opening van een dergelijke procedure.
2.Geen enkele wet, regeling, regel of praktijk inzake de nietigverklaring van contracten en transacties die vóór het moment van opening van een insolventieprocedure zijn gesloten, zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, mag leiden tot het ongedaan maken van de verrekening of de niet-toepassing van bepalingen inzake verrekening bij vroegtijdige beëindiging zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, punt n), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 18
Moment waarop een overboekingsopdracht in een aangewezen systeem wordt ingevoerd
1.Het moment van invoering van een overboekingsopdracht in een aangewezen systeem wordt bepaald volgens de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van dat systeem. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met de ontvangst en registratie van de overboekingsopdracht door het systeem.
2.In het geval van interoperabele systemen bepaalt elk aangewezen systeem in zijn eigen gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures het moment waarop een overboekingsopdracht in zijn systeem wordt ingevoerd, waarbij zoveel mogelijk wordt gewaarborgd dat de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van alle betrokken interoperabele systemen worden gecoördineerd. Tenzij zulks in de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van alle systemen die partij zijn bij de interoperabiliteitsregeling uitdrukkelijk is bepaald, laten de regels van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel is, de in dat systeem gehanteerde regels over het moment van invoering van een overboekingsopdracht onverlet.
Artikel 19
Gebruik van geldmiddelen en financiële instrumenten
1.De opening van een insolventieprocedure tegen een deelnemer of een systeemexploitant van een interoperabel systeem belet niet dat geldmiddelen of financiële instrumenten die beschikbaar zijn op de afwikkelingsrekening of op rekeningen met zekerheden, met inbegrip van bijdragen aan wanbetalingsfondsen zoals bijdragen aan een voorgefinancierd wanbetalingsfonds dat door een CTP wordt aangehouden overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en marges als bedoeld in artikel 41 van diezelfde verordening, in voorkomend geval, van die deelnemer of systeemexploitant, worden gebruikt om te voldoen aan de verplichtingen van die deelnemer aan het aangewezen of geregistreerde systeem in de lidstaat waar de deelnemer is gevestigd, of in een interoperabiliteitsregeling op de beursdag waarop de insolventieprocedure wordt geopend.
2.De kredietfaciliteit van een dergelijke deelnemer die is aangesloten op het aangewezen of geregistreerde systeem, naargelang het geval, is bruikbaar tegen beschikbare, bestaande zekerheden om te voldoen aan de verplichtingen van die deelnemer aan het aangewezen of geregistreerde systeem in de lidstaat waar de deelnemer is gevestigd, of in het kader van een interoperabiliteitsregeling.
Artikel 20
Het moment van onherroepelijkheid van overboekingsopdrachten
1.In elk aangewezen systeem wordt het specifieke moment bepaald waarop een deelnemer of een derde in zijn systeem een overboekingsopdracht niet kan herroepen. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met het moment waarop een in het systeem ingevoerde overboekingsopdracht door het systeem werd bevestigd en de verwerking van de opdracht niet meer kon worden teruggedraaid.
2.In het geval van interoperabele systemen wordt in elk systeem in de eigen gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures het moment van onherroepelijkheid bepaald, waarbij er zoveel mogelijk voor wordt gezorgd dat de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van alle betrokken interoperabele systemen worden gecoördineerd. Tenzij zulks in de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van alle systemen die partij zijn bij een interoperabiliteitsregeling uitdrukkelijk is bepaald, laten de regels van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel is, de in dat systeem gehanteerde regels over het moment van onherroepelijkheid onverlet.
Artikel 21
Definitief karakter van de afwikkeling
1.De afwikkeling krijgt een definitief karakter wanneer de respectieve verplichtingen van de partijen bij een transactie onvoorwaardelijk en onherroepelijk zijn nagekomen, zoals bepaald door de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van elk aangewezen systeem, in overeenstemming met het toepasselijke recht inzake eigendomsoverdracht en andere rechten. Een op DLT gebaseerd aangewezen systeem voert mechanismen uit die deterministische en juridisch afdwingbare momenten garanderen waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt.
2.In het geval van interoperabele systemen wordt in elk systeem in de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures het moment bepaald waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt. Elke systeemexploitant ziet er, voor zover mogelijk, op toe dat de regels van alle betrokken interoperabele systemen worden gecoördineerd. Tenzij zulks in de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van alle systemen die partij zijn bij een interoperabiliteitsregeling uitdrukkelijk is bepaald, laten de gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel is, de in dat systeem gehanteerde gemeenschappelijke regels en gestandaardiseerde procedures over het moment waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt onverlet.
3.De ESMA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, voor clearing- en effectenafwikkelingssystemen die niet door een centrale effectenbewaarinstelling worden geëxploiteerd, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van verschillende soorten systemen en de mechanismen van die systemen, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen om de regels voor al het volgende nader te bepalen:
a)het moment waarop een overboekingsopdracht in het in artikel 18, lid 1, bedoelde aangewezen systeem is ingevoerd;
b)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: wanneer en hoe het moment waarop een overboekingsopdracht in het in artikel 18, lid 1, bedoelde systeem wordt ingevoerd, zich voordoet wanneer een transactie overeenkomstig de consensusregels van het systeem in de ledger wordt geregistreerd;
c)het in artikel 20, lid 1, bedoelde moment waarop een overdrachtsopdracht die in het aangewezen systeem is ingevoerd, onherroepelijk is;
d)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: hoe het in artikel 20, lid 1, bedoelde moment waarop een overdrachtsopdracht die in het aangewezen systeem is ingevoerd, onherroepelijk is voor een deelnemer of een derde, samenvalt met het moment waarop de consensus definitief is en de record niet meer ongedaan kan worden gemaakt volgens het technische protocol van dat systeem;
e)het in lid 1 bedoelde moment waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt;
f)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: hoe het in lid 1 bedoelde moment waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt, kan worden gedefinieerd voor probabilistische of gelaagde finaliteitsmodellen, die mogelijk niet aan de vereisten van absolute rechtszekerheid voldoen, maar nog steeds rechtszekerheid kunnen bieden, afhankelijk van de structuur en de regels van het systeem.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
4.De EBA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van verschillende soorten betalingssystemen en de mechanismen van die systemen, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen om de regels voor al het volgende nader te bepalen:
a)het moment waarop een overboekingsopdracht in het in artikel 18, lid 1, bedoelde aangewezen systeem is ingevoerd;
(b)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: wanneer en hoe het moment waarop een overboekingsopdracht in het in artikel 18, lid 1, bedoelde systeem wordt ingevoerd, zich voordoet wanneer een transactie overeenkomstig de consensusregels van het systeem in de ledger wordt geregistreerd;
c) het in artikel 20, lid 1, bedoelde moment waarop een overdrachtsopdracht die in het aangewezen systeem is ingevoerd, onherroepelijk is;
d)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: wanneer en hoe het specifieke moment waarop een overdrachtsopdracht die in het aangewezen systeem is ingevoerd, onherroepelijk is voor een deelnemer of een derde, samenvalt met het moment waarop de consensus definitief is en de record niet meer ongedaan kan worden gemaakt volgens het technische protocol van dat systeem;
e) het in lid 1 bedoelde moment waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt;
f)voor op DLT gebaseerde aangewezen systemen: hoe het in lid 1 bedoelde moment waarop de afwikkeling een definitief karakter krijgt, kan worden gedefinieerd voor probabilistische of gelaagde finaliteitsmodellen, die mogelijk niet aan de vereisten van absolute rechtszekerheid voldoen, maar nog steeds rechtszekerheid kunnen bieden, afhankelijk van de structuur en de regels van het systeem.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
TITEL V
BEPALINGEN INZAKE INSOLVENTIEPROCEDURES
Artikel 22
Het moment van de opening van een insolventieprocedure
1.Voor de toepassing van deze verordening is het moment waarop een insolventieprocedure wordt geopend, het moment waarop de betrokken rechterlijke of administratieve instantie haar beslissing heeft gegeven.
2.Wanneer overeenkomstig lid 1 een beslissing is gegeven, stelt de betrokken rechterlijke of administratieve instantie een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het verzamelen van deze informatie, en die is aangesteld overeenkomstig artikel 10, lid 1, onverwijld in kennis van die beslissing. Zij stelt de ESMA, de EBA, het ESCB, het Europees Comité voor systeemrisico’s en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis via de centrale databank.
Artikel 23
Geen terugwerkende kracht
Insolventieprocedures hebben geen terugwerkende kracht ten aanzien van de rechten en verplichtingen van een deelnemer die voortvloeien uit of verband houden met zijn deelname aan een aangewezen systeem, of aan een geregistreerd systeem voor zijn deelnemers die zijn gevestigd in lidstaten waar het systeem uit een derde land is geregistreerd, vóór de opening van een dergelijke procedure overeenkomstig artikel 22, lid 1. Een dergelijke procedure heeft geen terugwerkende kracht ten aanzien van de rechten en verplichtingen van een deelnemer aan een interoperabel systeem, of ten aanzien van een systeemexploitant van een interoperabel systeem die geen deelnemer is.
Artikel 24
Recht dat van toepassing is op de rechten en verplichtingen van deelnemers
Ingeval een insolventieprocedure wordt geopend tegen een deelnemer aan een systeem, worden de rechten en verplichtingen die uit of in verband met diens deelname aan dat systeem ontstaan, bepaald door het recht waardoor dat systeem beheerst wordt.
TITEL VI
BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN HOUDERS VAN ZAKELIJKE ZEKERHEDEN BIJ INSOLVENTIE VAN DE INSTELLING DIE DEZE ZEKERHEDEN HEEFT GESTELD
Artikel 25
Zakelijke zekerheden
1.De rechten van een systeemexploitant of van een deelnemer ten aanzien van zakelijke zekerheden die hun gesteld zijn in verband met een aangewezen systeem, een geregistreerd systeem voor zijn deelnemers die zijn gevestigd in de lidstaten waar het systeem uit een derde land is geregistreerd, of een interoperabiliteitsregeling, en de rechten van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank ten aanzien van zakelijke zekerheden die hun gesteld zijn, worden niet aangetast door een insolventieprocedure tegen:
a)de deelnemer aan het betrokken aangewezen of geregistreerde systeem of in een interoperabiliteitsregeling;
b)de systeemexploitant van een interoperabel systeem dat geen deelnemer is;
c)een tegenpartij bij de centrale bank van een lidstaat;
d)een tegenpartij bij de Europese Centrale Bank;
e)een derde partij die de zakelijke zekerheden heeft gesteld.
Ter voldoening van deze rechten mogen die zakelijke zekerheden worden uitgewonnen.
De rechten van een systeemexploitant ten aanzien van de zakelijke zekerheid die hij in het kader van een interoperabiliteitsregeling aan een andere systeemexploitant heeft gesteld, worden niet aangetast door insolventieprocedures tegen de ontvangende systeemexploitant.
2.De rechten van deelnemers, systeemexploitanten, een centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank en van een gevolmachtigde, agent of derde die namens hen optreedt met betrekking tot de financiële instrumenten, met inbegrip van rechten op die financiële instrumenten, die worden verstrekt als zekerheid die wettelijk is vastgelegd in een register, ook indien geregistreerd in een distributed ledger, rekening of gecentraliseerd effectendepot in een lidstaat, worden beheerst door het recht van die lidstaat.
Voor de toepassing van de eerste alinea is de locatie van een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot bij een juridische entiteit de lidstaat waar die entiteit haar statutaire zetel heeft.
3.Indien het niet mogelijk is de locatie van een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot overeenkomstig lid 2 te bepalen, wordt de bepaling van de rechten van deelnemers, systeemexploitanten, een centrale bank van een lidstaat of de Europese Centrale Bank, en de rechten van een gevolmachtigde, agent of derde die namens hen optreedt, met betrekking tot de financiële instrumenten die als zekerheid worden gesteld, beheerst door het recht dat van toepassing is op het systeem of de interoperabiliteitsregeling als bedoeld in lid 1.
4.Voor de toepassing van de leden 2 en 3, is een verwijzing naar het recht van het land een verwijzing naar het nationale recht, waarbij geen acht wordt geslagen op regels die voor de regeling van de desbetreffende kwestie naar het recht van een ander land zouden verwijzen.
TITEL VII
CENTRALE DATABANK EN UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE
Artikel 26
Centrale databank
1.De ESMA zet een centrale databank op en houdt deze bij overeenkomstig artikel 35 quater van Verordening (EU) nr. 1095/2010. Voor elk betrokken systeem hebben de aanwijzende autoriteiten, de registrerende autoriteiten, de nationale bevoegde autoriteiten en de in artikel 22, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteit, de ESMA, de EBA en het ESCB (“geregistreerde ontvangers”) afzonderlijk toegang tot alle in lid 3 bedoelde informatie en documenten die in de databank voor dat systeem zijn geregistreerd en die relevant of noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.
2.Een systeemexploitant heeft toegang tot de centrale databank wat betreft de informatie en documenten die hij bij die centrale databank heeft ingediend of de documenten die hem door een van de geregistreerde ontvangers via die centrale databank zijn toegezonden.
Andere ontvangers verstrekken en hebben ook toegang tot bepaalde specifieke documenten of informatie, indien deze uit hoofde van deze verordening zijn gespecificeerd, die in de centrale databank zijn vastgelegd. De ESMA zorgt ervoor dat de centrale databank de taken uit hoofde van dit artikel vervult.
3.De systeemexploitanten, met inbegrip van de aangewezen en geregistreerde systemen en de geregistreerde ontvangers, laden, in elektronische vorm, alle in deze verordening bedoelde informatie en documenten, met inbegrip van aanvragen, besluiten, aanbevelingen, verzoeken, informatie, vragen, antwoorden en kennisgevingen, op naar de centrale databank, tenzij anders vermeld.
Binnen twee werkdagen na de indiening van informatie of documenten wordt via de centrale databank een ontvangstbevestiging toegezonden.
4.De ESMA zorgt ervoor dat de databank DLT-geregistreerde data mogelijk maakt, met inbegrip van het lezen van on-chain data en toegang tot dergelijke data.
5.De ESMA zet de centrale databank zodanig op dat de geregistreerde ontvangers automatisch worden geïnformeerd wanneer de inhoud ervan is gewijzigd, met inbegrip van het uploaden, wissen of vervangen van documenten, het indienen van vragen en verzoeken om informatie.
6.De ESMA stelt de informatie die uit hoofde van deze verordening via de centrale databank wordt gedeeld, ter beschikking van de relevante autoriteiten voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 648/2012 en Verordening (EU) nr. 909/2014, indien dit relevant of noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.
Artikel 27
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 2, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [OP insert date = the date of entry into force of this Regulation].
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling streeft de Commissie ernaar de ESMA en de EBA te raadplegen en raadpleegt zij de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met drie maanden verlengd.
TITEL VII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 28
Overgangsbepalingen
1.In afwijking van artikel 3 blijft een krachtens Richtlijn 98/26/EG vóór [OP insert date = entry into force of this Regulation] aangewezen systeem voor de toepassing van deze verordening aangewezen totdat het overeenkomstig dat artikel opnieuw is aangewezen of tot [OP insert date= 5 years after the entry into force of this Regulation], indien dat eerder is. In de tussentijd blijft het recht van de lidstaat inzake de aanwijzing van een systeem van toepassing.
2.In afwijking van artikel 12 wordt een systeem uit een derde land waartoe een lidstaat de krachtens Richtlijn 98/26/EG verleende bescherming vóór [OP insert date= entry into force of this Regulation] heeft uitgebreid, voor de toepassing van deze verordening geacht in die lidstaat te zijn geregistreerd totdat het overeenkomstig dat artikel in diezelfde lidstaat is geregistreerd of tot [OP insert date = 5 years after the date of entry into force of this Regulation], indien dat eerder is.
3.Een overboekingsopdracht die in een systeem is ingevoerd vóór [OP insert date = date of entry into force of this Regulation], maar die na dat moment is afgewikkeld, wordt als overboekingsopdracht in de zin van deze verordening beschouwd.
4.Totdat de centrale databank overeenkomstig artikel 26 is opgezet, vindt de uitwisseling van informatie en documenten, met inbegrip van de indiening van aanvragen, besluiten, aanbevelingen, verzoeken, informatie, vragen, antwoorden en kennisgevingen, die via de centrale databank moeten worden verstrekt, plaats door middel van alternatieve regelingen.
Artikel 29
Herziening
1.Tegen [OP insert date = 6 years after the date of entry into force of this Regulation] beoordeelt de Commissie de toepassing van deze verordening en stelt zij er een algemeen verslag over op. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.
2.Uiterlijk [OP insert date = 5 years after the date of entry into force of this Regulation] dient de ESMA, in nauwe samenwerking met de EBA en het ESCB, bij de Commissie een verslag in over de werking van de in deze verordening vastgestelde regeling inzake het definitieve karakter van de afwikkeling.
Artikel 30
Intrekking
1.Richtlijn 98/26/EG wordt met ingang van [OP insert date = date of entry into force of this Regulation] ingetrokken.
2.Verwijzingen naar Richtlijn 98/26/EG worden gelezen als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage 1 bij deze verordening.
Artikel 31
Wijzigingen van Richtlijn 2002/47/EG
Richtlijn 2002/47/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1)aan artikel 1, lid 4, worden de volgende alinea’s toegevoegd na punt a):
“Voor de toepassing van deze richtlijn omvatten verwijzingen naar contanten, financiële instrumenten en kredietvorderingen ook de gevallen waarin zij zijn uitgegeven of geregistreerd met gebruikmaking van DLT.
De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van financiële instrumenten die onder deze richtlijn vallen, uitbreiden tot de instrumenten die in artikel 4, lid 1, punt 15, van Richtlijn 2014/65/EU als “financieel instrument” worden aangeduid, indien deze op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn.”;
(2)artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a)aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
“p) “rekening”: een rekening zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 26), van [Verordening (EU) .../... over het definitieve karakter van de afwikkeling]”;
b)het volgende lid wordt toegevoegd:
“4. Elke verwijzing naar “rekening”, “registratie” of “register” omvat elke vorm van elektronische record, ook op basis van DLT, die dezelfde functie vervult. Bovendien moeten opdrachten of kennisgevingen het gebruik van een cryptografische sleutel of een ander hulpmiddel of een andere methode voor de elektronische ondertekening van dergelijke opdrachten of kennisgevingen mogelijk maken.”;
(3)in artikel 11 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:
“In afwijking van de eerste alinea doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [OP insert date = 18 months after the date of entry into force of this Regulation] aan artikel 1, lid 4, punt a), eerste en tweede alinea, artikel 2, lid 1, punt p), en artikel 2, lid 4, te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.”.
Artikel 32
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3
1.2.Betrokken beleidsterreinen3
1.3.Doelstellingen3
1.3.1.Algemene doelstellingen3
1.3.2.Specifieke doelstellingen3
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3
1.3.4.Prestatie-indicatoren3
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief6
1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting6
2.BEHEERSMAATREGELEN8
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen8
2.2.Beheers- en controlesystemen8
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)8
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten12
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten12
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting12
3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten22
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten24
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting24
3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten24
3.2.3.3.Totaal kredieten24
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften25
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting25
3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten26
3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften26
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen28
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader28
3.2.7.Bijdragen van derden28
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten29
4.Digitale dimensies29
4.1.Voorschriften met digitale relevantie30
4.2.Gegevens30
4.3.Digitale oplossingen31
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling31
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering32
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een Verordening (EU) 2025/XXX van het Europees Parlement en de Raad betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling en tot intrekking van Richtlijn 98/26/EG en tot wijziging van Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten
1.2.Betrokken beleidsterreinen
Interne markt — Financiële diensten
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
Dit initiatief is onderdeel van de spaar- en investeringsunie die tot doel heeft een naadloos functionerende, geïntegreerde kapitaalmarkt in de EU te bevorderen door het versterken van het toezichtraamwerk, het tegengaan van gecompartimenteerde regelgeving en het beter integreren en verder verdiepen van kapitaalmarkten in de hele Unie, om zo het volledige potentieel waar te maken van de spaar- en investeringsunie. Het doel is om belemmeringen voor grensoverschrijdende activiteiten weg te nemen.
1.3.2.Specifieke doelstellingen
Specifieke doelstelling nr. 1 — harmonisatie van de bepalingen inzake het definitieve karakter van de afwikkeling
Om de bepalingen inzake het definitieve karakter van de afwikkeling te harmoniseren en de rechtsonzekerheid in verband met de uiteenlopende omzetting in de lidstaten te verminderen, wordt de huidige finaliteitsrichtlijn omgezet in een verordening.
Specifieke doelstelling nr. 2 — modernisering van de bepalingen inzake het definitieve karakter van de afwikkeling om rekening te houden met nieuwe technologieën en financiële ontwikkelingen
De voorgestelde wijzigingen hebben tot doel de technologische neutraliteit van de wetgeving inzake het definitieve karakter van de afwikkeling te handhaven door deze waar nodig te verduidelijken, om rekening te houden met het gebruik van nieuwe technologieën en financiële ontwikkelingen.
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Verbeterde harmonisatie
Meer rechtszekerheid, onder meer met betrekking tot het gebruik van nieuwe technologieën
Vermindering van grensoverschrijdende marktbelemmeringen
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
Kernindicator — specifieke doelstelling nr. 1
Verbeterde grensoverschrijdende deelname aan krachtens de finaliteitsverordening aangewezen systemen, gemeten naar het aantal EU-deelnemers aan een systeem dat niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat waar de deelnemer zijn hoofdkantoor heeft. Te vergelijken: het aantal EU-deelnemers met het hoofdkantoor in een andere lidstaat dan die welke op het systeem van toepassing is op het moment van inwerkingtreding van de finaliteitsverordening met het aantal vijf jaar na de inwerkingtreding van de verplichte aanwijzing krachtens de finaliteitsverordening.
Kernindicator — specifieke doelstelling nr. 2
Het aantal krachtens de finaliteitsverordening aangewezen systemen die gebruikmaken van nieuwe technologieën (zoals DLT) met het aantal vijf jaar na de inwerkingtreding van de verplichte aanwijzing krachtens de finaliteitsverordening.
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie;
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie;
de verlenging van een bestaande actie;
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie.
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Alle systemen die in het kader van de wetgeving inzake het definitieve karakter van de afwikkeling in de EU moeten of willen worden aangewezen, moeten voldoen aan de geharmoniseerde vereisten van de finaliteitsverordening. De nationale bevoegde autoriteiten van de EU en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), de Europese Bankautoriteit (EBA) en het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) zijn verplicht richtsnoeren uit te voeren en te verstrekken voor het onderzoeken van verschillende gebieden die verband houden met het aanwijzingsproces van systemen.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Redenen voor maatregelen op EU-niveau (vooraf) Er is een urgente EU-dimensie, aangezien nationale oplossingen de grensoverschrijdende en versnipperde aard en de verschillen in regelgeving van de kapitaalmarkten van de EU niet adequaat kunnen aanpakken. De EU heeft een systeem van een bepaalde schaal nodig om wereldwijd te kunnen concurreren en onze behoeften te financieren, en een dergelijke schaal kan alleen op EU-niveau worden bereikt. Maatregelen op EU-niveau bieden de beste mogelijkheden om grensoverschrijdende regelgevingsbelemmeringen weg te nemen, een gelijk speelveld in de hele EU te waarborgen, marktintegratie te katalyseren, de marktschaal, de efficiëntie en het concurrentievermogen te vergroten en een uniform regelgevingskader te bieden dat nationale maatregelen niet afzonderlijk kunnen verwezenlijken. Het initiatief is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze bepaling vormt de rechtsgrondslag van de rechtshandelingen die door dit voorstel moeten worden gewijzigd.
Verwachte toegevoegde waarde voor de EU (achteraf) Betere harmonisatie in de hele EU en dus minder marktversnippering en minder grensoverschrijdende marktbelemmeringen. Meer rechtszekerheid, onder meer met betrekking tot het gebruik van nieuwe technologieën.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Het gebruik in het verleden van een richtlijn als instrument om afwikkeling een definitief karakter te geven, heeft aangetoond dat verschillen bij de uitvoering in de lidstaten hebben geleid tot een versnipperde markt die grensoverschrijdende belemmeringen heeft opgeworpen. Daarom lijkt de omzetting van de finaliteitsrichtlijn in een verordening het juiste instrument om te zorgen voor meer harmonisatie, als gevolg waarvan grensoverschrijdende belemmeringen worden verminderd.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Het voorstel is verenigbaar met het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een meerjarig financieel kader voor de periode 2028-2034, met name wat de begroting van individuele agentschappen betreft. De cijfers zijn derhalve indicatief in afwachting van de definitieve vaststelling van het meerjarig financieel kader.
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
Er zijn extra middelen nodig voor de agentschappen om de bevoegdheden van de finaliteitsverordening uit te voeren en om te helpen zorgen voor een consistente toepassing van de vereisten van de finaliteitsverordening in alle lidstaten. Om te zorgen voor meer samenhang met betrekking tot de aanwijzing van EU-systemen en de registratie van systemen uit een derde land, worden de ESMA en de EBA met name geacht de lidstaten bij te staan bij hun beoordeling van i) systemen die een verzoek tot aanwijzing krachtens de finaliteitsverordening indienen; en ii) systemen uit een derde land die een registratieverzoek indienen, teneinde een convergente aanpak te waarborgen. Dit zijn terugkerende taken waarvoor expertise nodig is op het gebied van het insolventierecht en op het gebied van financiëlemarktinfrastructuren.
De vergoedingsoptie is praktisch onwerkbaar, aangezien systeemexploitanten geen vergoedingen kunnen worden aangerekend, omdat de aanwijzingswerkzaamheden door de lidstaten worden verricht, terwijl de rol van de ESMA en de EBA erin bestaat convergentie te waarborgen en waar nodig richtsnoeren te verstrekken. Een dergelijke aanpak zou bovendien moeilijk te verantwoorden zijn, aangezien de overwogen maatregelen niet rechtstreeks verband houden met toezichtbevoegdheden, maar deel uitmaken van de ontwikkeling van het regelgevingskader.
De mogelijkheden voor herschikking zijn beoordeeld. De beoogde aanvullende middelen zouden slechts gedeeltelijk voorzien in de behoefte van de ESMA en de EBA tijdens de initiële fase aan de werkzaamheden die op grond van de finaliteitsverordening vereist zijn om een reeks gedelegeerde handelingen te ontwikkelen, alsook in de behoefte van de ESMA om de centrale databank op te zetten en te beheren, zoals vereist op grond van artikel 26 van de finaliteitsverordening. Aangezien deze centrale databank is opgezet in het kader van een eerder mandaat, d.w.z. Verordening (EU) 2024/2987 (“EMIR 3”), weerspiegelen de kosten in verband met de opzet en het lopende onderhoud van de centrale databank in het kader van de finaliteitsverordening alleen de relatieve stijging van die kosten zodat de centrale databank kan worden uitgevoerd zoals vereist op krachtens de finaliteitsverordening. Deze kosten zijn verwerkt in de cijfers in het document met de master-verordening met betrekking tot de “ESMA Central Database and supervisory platform for CCPs, CSDs and TVs” (zie afdeling 4.3 van de master-verordening, alsook de delen D en E van de afdeling over specifieke aannamen in de bijlage bij die verordening) en worden hier dus niet afzonderlijk gepresenteerd. Zodra deze zijn uitgevoerd, zullen de daaruit voortvloeiende nieuwe terugkerende taken bij zowel de ESMA als de EBA één vte in elk agentschap vereisen, met name voor de werkzaamheden om de lidstaten bij te staan met betrekking tot nieuwe aanwijzingen en herhaalde aanwijzingen en ook registraties.
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
beperkte geldigheidsduur:
–
van kracht vanaf [DD/MM/]JJJJ tot en met [DD/MM/]JJJJ;
–
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten;
onbeperkte geldigheidsduur:
–Uitvoering met een opstartperiode in 2028,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting
Direct beheer door de Commissie:
– door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
– door de uitvoerende agentschappen;
Gedeeld beheer met de lidstaten;
Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
– derde landen of de door hen aangewezen organen;
– internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
– de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;
– de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
– overheidsinstanties;
– organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
– privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
– organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling;
–in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van overheidsinstanties of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
Opmerkingen
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Als gedecentraliseerde agentschappen voldoen de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) volledig aan de wettelijke en operationele vereisten van de wetgeving van de Unie op het gebied van monitoring- en rapportageregels.
In lijn met de reeds bestaande regelingen stellen de ETA’s regelmatig verslagen op over hun activiteiten (waaronder interne rapportage aan het senior management, rapportage aan de raden en het jaarverslag) en zijn zij, wat hun gebruik van middelen en prestaties betreft, onderworpen aan audits door de Rekenkamer en de dienst Interne Audit van de Commissie.
De monitoring van en rapportage over de acties in het voorstel zullen worden gedekt en in overeenstemming zijn met reeds bestaande vereisten en met nieuwe vereisten die uit onderhavig voorstel voortvloeien.
2.2.Beheers- en controlesystemen
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De Europese toezichthoudende instanties voor financiële diensten (EBA, Eiopa, ESMA) zijn decentrale reguleringsinstanties krachtens artikel 70 van het Financieel Reglement.
Beheers- en controlesystemen van de ESMA en de EBA zijn vastgelegd in hoofdstuk VI van Verordening (EU) nr. 1095/2010 en nr. 1093/2010 waarmee deze autoriteiten zijn opgericht, in combinatie met de toepasselijke financiële kaderregeling, Verordening (EU) 2019/715, zoals bekrachtigd door elke autoriteit.
Overeenkomstig artikel 30 van hun respectieve financiële reglementen moeten de autoriteiten ervoor zorgen dat op alle gebieden van het internecontrolekader aan de passende normen wordt voldaan, die gebaseerd moeten zijn op beste internationale praktijken en op het internecontrolekader dat de Commissie voor haar eigen diensten heeft vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 70, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (het Financieel Reglement) is de intern controleur van de Commissie ook de interne controleur van de ESMA en de EBA. Overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Financieel Reglement van beide agentschappen is de intern controleur van de Commissie (d.w.z. de dienst Interne Audit) met name verantwoordelijk voor:
a) het beoordelen van de toereikendheid en de doeltreffendheid van de interne beheersystemen alsmede van de prestaties van de diensten bij de uitvoering van de programma’s en acties in relatie met de ermee verbonden risico’s;
b) het beoordelen van de efficiëntie en de doeltreffendheid van de interne- en andere controlesystemen die worden toegepast op elke verrichting tot uitvoering van de begroting van het orgaan van de Unie.
Deze verantwoordelijkheden van de dienst Interne Audit zullen zich ook uitstrekken tot de nieuwe taken die de ESMA en de EBA overeenkomstig de voorgestelde wetgeving moeten uitvoeren.
Naast de werkzaamheden van de dienst Interne Audit worden de ESMA en de EBA beide onderworpen aan een externe controle, onder meer door de Europese Rekenkamer, die overeenkomstig artikel 104 van het financieel reglement van de ESMA elk jaar specifieke jaarverslagen over de ESMA opstelt overeenkomstig de vereisten van artikel 287, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
In verband met het rechtmatige, economische en efficiënte gebruik van de kredieten die uit door de ESMA en de EBA in het kader van dit voorstel uit te voeren acties voortvloeien, brengt dit initiatief geen andere significante risico’s mee dan die welke momenteel al niet door een bestaand interne-controleraamwerk worden bestreken.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
De beheers- en controlesystemen zijn opgenomen in de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010 en (EU) nr. 1093/2010, die de werking van respectievelijk de ESMA en de EBA regelen. Deze worden als kosteneffectief beschouwd. Uit dat oogpunt zal het initiatief geen significante effecten hebben op kosten die voor rekening van de lidstaten, de ESMA of de EBA komen. De effecten van risico’s van foutenpercentages zullen naar verwachting zeer laag zijn.
Op basis van ervaringen uit het verleden worden de kosten van DG FISMA voor het algehele toezicht op een autoriteit zoals de ESMA of de EBA geraamd op 0,5 % van de verschuldigde jaarlijkse bijdragen. Dergelijke kosten omvatten bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, de kosten in verband met de beoordeling van de jaarlijkse programmering en begroting, de deelname van vertegenwoordigers van DG FISMA aan raden van bestuur, raden van toezichthouders en daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zonder enige beperking van toepassing op de ETA’s. De ETA’s beschikken over een specifieke fraudebestrijdingsstrategie en een daaruit resulterend actieplan. De werkzaamheden van de ETA’s op het gebied van fraudebestrijding zullen in overeenstemming zijn met het financieel reglement, het fraudepreventiebeleid van OLAF, de bepalingen van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (COM(2019) 196) en de gemeenschappelijke aanpak van de gedecentraliseerde agentschappen van de EU (juli 2012) en de bijbehorende routekaart. Daarnaast bevatten de verordeningen tot oprichting van de ETA’s en de financiële verordeningen van de ETA’s bepalingen over de uitvoering en controle van de begroting van de ETA’s en de toepasselijke financiële regels, met inbegrip van die ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
·Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en aspirant-kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmingsontvangsten
|
|
2
|
03 10 02 00: Europese Bankautoriteit (EBA)
|
GK
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
2
|
03 10 04 00: Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
|
GK
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmingsontvangsten
|
|
|
N.v.t.
|
|
|
|
|
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig.
–
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Nummer
|
—
|
|
DG: FISMA
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1a)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1b)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
|
Betalingen
|
(2b)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
(3)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
voor DG FISMA
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Agentschap: Europese Bankautoriteit
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Begrotingsonderdeel: 03 10 02 002 / Bijdrage van de EU-begroting aan het agentschap
|
0,046
|
0,047
|
0,048
|
0,049
|
0,051
|
0,051
|
0,052
|
0,344
|
|
Agentschap: Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Begrotingsonderdeel: 03 10 04 00 / Bijdrage van de EU-begroting aan het agentschap
|
0,058
|
0,059
|
0,060
|
0,062
|
0,063
|
0,064
|
0,066
|
0,432
|
Beschrijving van aanvullende middelen:
Het initiatief omvat extra middelen om de door de medewetgevers toegewezen taken uit te voeren, met name wat betreft de nieuwe rol van de EBA en de ESMA bij de volgende taken: bijstand bij de convergente uitvoering door de lidstaten van de finaliteitsverordening betreffende de aanwijzing van EU-systemen en de communicatie met systeemexploitanten en coördinatie tussen de lidstaten betreffende de vergunningen voor systemen uit een derde land krachtens de finaliteitsverordening. Hiervoor zijn naar schatting twee gekwalificeerde en permanente vte’s nodig om deze taken uit te voeren, één bij de EBA en één bij de ESMA. Deze taken vereisen een goede kennis van het insolventierecht en van de wetgeving inzake financiëlemarktinfrastructuur. De vte’s moeten de redenering van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten over de verenigbaarheid van de regels van een systeem met de (nationale) insolventiewetgeving kunnen beoordelen en ervoor kunnen zorgen dat de lidstaten op consistente wijze EU-systemen hebben aangewezen, waarbij ook rekening wordt gehouden met sectorale wetgeving. Dit geldt zowel voor EU-systemen als voor systemen uit een derde land.
De ESMA moet overeenkomstig artikel 26 van de finaliteitsverordening een elektronische centrale databank opzetten en in de loop van de tijd beheren. De centrale databank vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie en documenten die relevant zijn voor de ontvangers krachtens deze verordening, met inbegrip van de aanwijzing en registratie van systemen van de EU en derde landen, en de publicatie van bepaalde informatie. In artikel 26 wordt ook voorzien in de toegang voor de bevoegde autoriteiten, registrerende autoriteiten en nationale bevoegde autoriteiten voor betalings-, afwikkelings- en clearingsystemen. Aangezien de EBA, in nauwe samenwerking met het ESCB, verantwoordelijk is voor betalingssystemen, zullen ook centrale banken en de EBA toegang nodig hebben.
De centrale databank vereist dat de ESMA passende IT-infrastructuur opzet om de veilige, efficiënte en doeltreffende overdracht en opslag van de informatie, documenten en communicatie tussen de betrokken belanghebbenden (bv. aangewezen systemen, bevoegde autoriteiten enz.) te waarborgen, zoals voorgeschreven in de finaliteitsverordening. De krachtens de finaliteitsverordening vereiste centrale databank moet hetzelfde systeem zijn als het systeem dat vereist is krachtens artikel 17 quater van de EMIR, artikel 21 bis van de CSDR, artikel 38 sexies bis van de MiFIR en artikel 35 quater van de ESMA-verordening. Aangezien deze centrale databank is opgezet in het kader van een eerder mandaat, d.w.z. Verordening (EU) 2024/2987 (“EMIR 3”), mogen de kosten in verband met de opzet en het doorlopende onderhoud van de centrale databank in het kader van de finaliteitsverordening alleen de relatieve stijging van die kosten weerspiegelen, zodat de centrale databank kan worden uitgevoerd zoals vereist krachtens de finaliteitsverordening. Dit omvat de extra kosten voor het vergemakkelijken van de toegang voor de extra belanghebbenden die krachtens de finaliteitsverordening toegang moeten hebben tot de centrale databank (ongeveer zestig entiteiten), alsook de kosten voor de opslag van de aanvullende informatie, documentatie en communicatie die in de databank zouden worden bewaard en/of via de databank zouden worden verzonden. Deze kosten zijn verwerkt in de cijfers in het hoofdverordeningsdocument met betrekking tot de “ESMA Central Database and supervisory platform for CCPs, CSDs and TVs” (zie afdeling 4.3 van de master-verordening, alsook de delen D en E van de afdeling over specifieke aannamen in de bijlage bij die verordening) en worden hier dus niet afzonderlijk gepresenteerd.
Kostenramingen:
De berekening van de kosten is gebaseerd op de richtsnoeren van DG BUDG voor de personeelscategorie: arbeidscontractanten, op basis van de gemiddelde kosten van een tijdelijk functionaris in 2025 (d.w.z. 0,084 miljoen EUR) en met:
een inflatiepercentage van 2 % vanaf 2027;
een salariscorrectiecoëfficiënt voor Parijs, waar zowel de ESMA als de EBA gevestigd zijn, van 114,2 %;
een bedrag van 30 000 EUR/jaar dat overeenkomt met operationele uitgaven, voornamelijk gebouw- en IT-gerelateerde kosten, is inbegrepen, volgens de standaardprijs van 2025, rekening houdend met een inflatie van 2 %.
Bovengenoemde uitgaven zullen worden gefinancierd: 1) voor de EBA, maximaal 40 % via een subsidie van de Commissie en maximaal 60 % door de nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s), overeenkomstig deze oprichtingsverordening van de ETA’s; 2) voor de ESMA, maximaal 50 % via een subsidie van de Commissie en maximaal 50 % door de nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s), strikt, aangezien het gaat om nieuwe aanvullende taken die vereist zijn in het kader van het pakket voor de spaar- en investeringsunie.
Op basis van een datum van inwerkingtreding in het jaar 2027 en rekening houdend met de termijn van twaalf maanden voor agentschappen om ontwerpen van initiële gedelegeerde handelingen in te dienen, wordt ervan uitgegaan dat vanaf het begin van het jaar 2028 extra vte’s nodig zullen zijn.
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen
|
(4)
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
(6)
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 2
|
Vastleggingen
|
=4+6
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
4
|
“Administratieve uitgaven”
|
|
DG: FISMA
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Personele middelen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL DG FISMA
|
Kredieten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4
|
Vastleggingen
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
0,104
|
0,106
|
0,108
|
0,111
|
0,114
|
0,115
|
0,118
|
0,776
|
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
|
|
|
Jaar
2028
|
Jaar
2029
|
Jaar
2030
|
Jaar
2031
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
– Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
–
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
–
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(Onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(Eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
• Extern personeel (in vte’s)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Admin. ondersteuning
|
— centrale diensten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
[XX.01.YY.YY]
|
— EU-delegaties
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(AC, END — onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(AC, END — eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — rubriek 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — buiten rubriek 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.
De kredieten onder rubriek 4 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.
De kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 3 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
IT-uitgaven (algemeen)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Buiten RUBRIEK 4
|
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
Het voorstel/initiatief:
–
kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK);
–
vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals vastgesteld in de MFK-verordening;
–
vereist een herziening van het MFK.
3.2.7.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–
voorziet niet in medefinanciering door derden;
–
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Totaal
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.Geraamde personeelsbehoeften en vereiste administratieve kredieten in een gedecentraliseerd agentschap
Personeelsbehoeften (voltijdequivalenten)
|
Agentschap: Europese Bankautoriteit
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AD-ambtenaren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AST-ambtenaren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Arbeidscontractanten
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
TOTAAL personeel
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
Agentschap: Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AD-ambtenaren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AST-ambtenaren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Arbeidscontractanten
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
TOTAAL personeel
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
Kredieten gedekt door bijdragen uit de EU-begroting in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Agentschap: Europese Bankautoriteit
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
0,034
|
0,034
|
0,035
|
0,036
|
0,037
|
0,037
|
0,038
|
0,251
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
0,012
|
0,013
|
0,013
|
0,013
|
0,014
|
0,014
|
0,014
|
0,093
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,046
|
0,047
|
0,048
|
0,049
|
0,051
|
0,051
|
0,052
|
0,344
|
|
Agentschap: Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
0,042
|
0,043
|
0,044
|
0,045
|
0,046
|
0,047
|
0,048
|
0,315
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
0,016
|
0,016
|
0,016
|
0,017
|
0,017
|
0,017
|
0,018
|
0,117
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,058
|
0,059
|
0,060
|
0,062
|
0,063
|
0,064
|
0,066
|
0,432
|
Kredieten gedekt door eventuele vergoedingen, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
N.v.t.
Kredieten gedekt door eventuele medefinanciering, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
Bijdrage van de nationale bevoegde autoriteiten aan de Europese Bankautoriteit
|
Agentschap: Europese Bankautoriteit
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
0,051
|
0,052
|
0,053
|
0,054
|
0,055
|
0,056
|
0,057
|
0,378
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
0,019
|
0,019
|
0,019
|
0,020
|
0,020
|
0,021
|
0,021
|
0,139
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
-
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door medefinanciering
|
0,070
|
0,071
|
0,072
|
0,074
|
0,075
|
0,077
|
0,078
|
0,517
|
Bijdrage van de nationale bevoegde autoriteiten aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Agentschap: Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
0,042
|
0,043
|
0,044
|
0,045
|
0,046
|
0,047
|
0,048
|
0,315
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
0,016
|
0,016
|
0,016
|
0,017
|
0,017
|
0,017
|
0,018
|
0,117
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door medefinanciering
|
0,058
|
0,059
|
0,060
|
0,062
|
0,063
|
0,064
|
0,066
|
0,432
|
Overzicht/samenvatting van personeel en kredieten (in miljoenen euro’s) die voor het voorstel/initiatief nodig zijn in een gedecentraliseerd agentschap
|
Agentschap: Europese Bankautoriteit
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Arbeidscontractanten
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Totaal personeel
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
Kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,046
|
0,047
|
0,048
|
0,049
|
0,051
|
0,051
|
0,052
|
0,344
|
|
Kredieten gedekt door vergoedingen
(indien van toepassing)
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Medegefinancierde kredieten
(indien van toepassing)
|
0,070
|
0,071
|
0,072
|
0,074
|
0,075
|
0,077
|
0,078
|
0,517
|
|
TOTAAL kredieten
|
0,116
|
0,118
|
0,120
|
0,123
|
0,126
|
0,128
|
0,130
|
0,861
|
|
Agentschap: Europese Autoriteit voor effecten en markten
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
—
|
|
Arbeidscontractanten
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Totaal personeel
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
1
|
—
|
|
Kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,058
|
0,059
|
0,060
|
0,062
|
0,063
|
0,064
|
0,066
|
0,432
|
|
Kredieten gedekt door vergoedingen
(indien van toepassing)
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Medegefinancierde kredieten
(indien van toepassing)
|
0,058
|
0,059
|
0,060
|
0,062
|
0,063
|
0,064
|
0,066
|
0,432
|
|
TOTAAL kredieten
|
0,116
|
0,118
|
0,120
|
0,124
|
0,126
|
0,128
|
0,132
|
0,864
|
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten;
–
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
–
voor de eigen middelen;
–
voor de overige inkomsten;
–
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven.
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Artikel ………….
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
4. DIGITALE DIMENSIES
4.1. Voorschriften met digitale relevantie
Indien wordt geoordeeld dat het beleidsinitiatief geen voorschriften met digitale relevantie omvat:
Toelichting waarom geen digitale middelen kunnen worden gebruikt om de uitvoering van het beleid te verbeteren en waarom het “digital by default”-beginsel niet van toepassing is
N.v.t.
Anders:
Korte beschrijving van de voorschriften met digitale relevantie en de categorieën ervan (data, procesdigitalisering en ‑automatisering, digitale oplossingen en/of digitale overheidsdiensten)
|
Verwijzing naar het voorschrift
|
Beschrijving van voorschrift
|
Betrokken actoren
|
Processen op hoog niveau
|
Categorieën
|
|
Artikel 26 — Centrale databank
|
De ESMA zet een centrale databank op en houdt deze bij, die toegang biedt aan de autoriteiten die betrokken zijn bij het proces van het aanwijzen van EU-systemen en het registeren van systemen uit een derde land, alsook aan de systeemexploitanten.
|
ESMA
|
Een centrale databank opzetten
|
Digitale oplossing
|
|
Artikel 4 — Procedure voor verlening en weigering van een vergunning
|
De systeemexploitant die een verzoek tot aanwijzing van een door hem geëxploiteerd systeem indient, dient in elektronische vorm een verzoek in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het recht op het systeem van toepassing is, via de centrale databank, waar dit verzoek nadien wordt verwerkt en waar aanvullende informatie kan worden gevraagd.
|
Systeemexploitant, bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
Indiening van gegevens/documenten
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 6 — Meldingen van systemen
|
Een bevoegde autoriteit stelt de ESMA in kennis wanneer zij via de centrale databank een systeem heeft aangewezen.
De bevoegde autoriteit stelt de ESMA en alle andere betrokken autoriteiten via de centrale databank in kennis van wijzigingen met betrekking tot de aanwijzing van het systeem.
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat), ESMA
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 8 — Verplichtingen van een systeemexploitant van een aangewezen systeem
|
De systeemexploitant stelt de bevoegde autoriteit via de centrale databank in kennis van relevante wijzigingen in de in het verzoek verstrekte informatie.
|
Systeemexploitant, bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 9 — Intrekking van de aanwijzing
|
Indien een bevoegde autoriteit besluit de aanwijzing van een systeem in te trekken, wordt het besluit in de hele Unie van kracht en stelt de bevoegde autoriteit de systeemexploitant, de nationale bevoegde autoriteit, de ESMA, de EBA en het ESCB daarvan via de centrale databank in kennis.
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat), systeemexploitant, ESMA, nationale bevoegde autoriteit, EBA, ESCB
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 10 — Bevoegde autoriteit
|
De lidstaten stellen de ESMA via de centrale databank in kennis van de bevoegde autoriteiten en de registrerende autoriteiten.
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat), ESMA
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 11 — Uitwisseling van informatie
|
De aanwijzende autoriteiten, de registrerende autoriteiten, de nationale bevoegde autoriteiten, de in artikel 22, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteiten, de ESMA, de EBA of het ESCB delen zonder onnodige vertraging alle informatie waarom wordt verzocht voor de uitvoering van hun respectieve taken krachtens deze verordening.
|
Aanwijzende autoriteiten, registrerende autoriteiten, nationale bevoegde autoriteiten, in artikel 22, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteiten, ESMA, EBA of het ESCB
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossing, procesautomatisering
|
|
Artikel 13 — Procedure voor verlening en weigering van een registratie
|
Verzoeken, informatie, verzoeken om informatie en beslissingen voor de registratie van systemen uit een derde land moeten via de centrale databank worden gedaan.
|
Systeemexploitant uit een derde land, ESMA, EBA, bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
Indiening van gegevens/documenten
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 15 — Kennisgeving van geregistreerde systemen
|
Na het nemen van een besluit over de registratie van een systeem stelt elke registrerende autoriteit de verzoekende systeemexploitant uit een derde land, de ESMA, de EBA, het ESCB en de andere registrerende autoriteiten, naargelang het geval, in kennis van haar besluit.
|
Registrerende autoriteit, systeemexploitant uit een derde land, ESMA, EBA, ESCB, andere registrerende autoriteiten (indien van toepassing)
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 16 — Intrekking van de registratie
|
Indien de registrerende autoriteit de registratie intrekt, stelt zij de systeemexploitant, alsook de ESMA, de EBA, het ESCB en andere registrerende autoriteiten, naargelang het geval, in kennis van het besluit.
|
Registrerende autoriteit, systeemexploitant uit een derde land, ESMA, EBA, ESCB, andere registrerende autoriteiten (indien van toepassing)
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
|
Artikel 22 — Insolventieprocedure
|
De bevoegde autoriteit stelt de ESMA, de ECB/ESCB, de EBA, het Europees Comité voor systeemrisico’s en andere lidstaten via de centrale databank onmiddellijk schriftelijk in kennis van insolventieprocedures.
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat), ESMA, ECB/ESCB, EBA, Europees Comité voor systeemrisico’s, andere lidstaten
|
Kennisgeving
|
Gegevens, digitale oplossingen
|
4.2. Gegevens
Korte beschrijving van de betrokken gegevens
|
Soort gegevens
|
Verwijzing naar de voorschrift(en)
|
Norm en/of specificatie (indien van toepassing)
|
|
Data die relevant zijn voor het verzoek om aanwijzing als EU-systeem
|
Artikel 5, lid 1
|
De ESMA kan, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen om de in artikel 5, lid 1, bedoelde voorwaarden nader te bepalen voor afwikkelings- en clearingsystemen.
De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen om de in artikel 5, lid 1, bedoelde voorwaarden nader te bepalen voor betalingssystemen.
|
|
Data die relevant zijn voor het verzoek om registratie en aanwijzing van effectenafwikkelings- en clearingsystemen
|
Artikel 13, lid 13
|
De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om het volgende te bepalen voor effectenafwikkelingssystemen en clearingsystemen:
a)
de uniforme elektronische formaten voor het in lid 1 bedoelde registratieverzoek dat bij de centrale databank moet worden ingediend;
b)
de uniforme elektronische formaten voor het in artikel 4, lid 1, bedoelde aanwijzingsverzoek, dat bij de centrale databank moet worden ingediend.
|
|
Data die relevant zijn voor de intrekking van de aanwijzing
|
Artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4
|
\\
|
|
Data die relevant zijn voor het verzoek om registratie en aanwijzing van betalingssystemen
|
Artikel 13, lid 15
|
De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESCB, voor betalingssystemen ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de informatie die moet worden verstrekt in:
a)
een registratieverzoek zoals bedoeld in lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant uit een derde land en het systeem uit een derde land voldoen aan alle relevante vereisten van dit artikel, met inbegrip van de voorwaarden van artikel 14, en om nader te bepalen welke informatie het verzoek moet bevatten over de in de Unie gevestigde leden van het systeem uit een derde land;
b)
een aanwijzingsverzoek zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, om aan te tonen dat de verzoekende systeemexploitant en het systeem aan alle relevante vereisten van deze verordening voldoen.
|
|
Data die relevant zijn voor de intrekking van de registratie
|
Artikel 16, lid 2, artikel 16, lid 4
|
\\
|
|
Data over insolventieprocedures
|
Artikel 22, lid 2
|
\\
|
Afstemming op Europese datastrategie
Toelichting hoe het voorschrift of de voorschriften zijn afgestemd op de Europese datastrategie
De vereiste informatie wordt ingediend in een elektronisch gestandaardiseerd formaat, opgeslagen en verwerkt in de centrale databank. De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de aanwijzing van EU-systemen en de registratie van systemen uit een derde land hebben toegang tot de relevante data in de centrale databank.
Afstemming op eenmaligheidsbeginsel
Toelichting hoe het eenmaligheidsbeginsel in aanmerking is genomen en hoe is nagegaan of bestaande data kunnen worden hergebruikt
De vereiste informatie wordt slechts eenmaal in een gestandaardiseerd formaat bij de centrale databank ingediend. De centrale databank biedt vervolgens toegang tot de relevante data voor de autoriteiten die betrokken zijn bij de aanwijzing van EU-systemen en de registratie van systemen uit een derde land, waardoor het proces wordt gestroomlijnd en dubbele indieningen bij meerdere bevoegde autoriteiten overbodig worden.
Toelichting hoe nieuw gecreëerde data vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn en aan hoge standaarden voldoen
De data worden verwerkt in de centrale databank en ingediend volgens gemeenschappelijke dataspecificaties zoals hierboven uiteengezet.
De centrale databank dient als platform voor het delen van de data tussen de autoriteiten die betrokken zijn bij het aanwijzings- en registratieproces.
Datastromen
Korte beschrijving van de datastromen
|
Soort gegevens
|
Verwijzing(en) naar de voorschrift(en)
|
Actoren die de gegevens verstrekken
|
Actoren die de gegevens ontvangen
|
Aanleiding voor uitwisseling van gegevens
|
Frequentie (indien van toepassing)
|
|
Data die relevant zijn voor het verzoek om aanwijzing als EU-systeem
|
Artikel 5, lid 1
|
Systeemexploitanten
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
Aanwijzingsverzoek
|
Voor aanwijzing en op ad-hocbasis indien de aanwijzingsdata worden gewijzigd
|
|
Data die relevant zijn voor de kennisgeving van systemen aan de ESMA
|
Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
ESMA
|
Kennisgeving
|
Ad hoc
|
|
Data die relevant zijn voor de intrekking van de aanwijzing
|
Artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
ESMA, systeemexploitant, andere relevante autoriteiten, EBA, ESCB
|
Niet-naleving van de aanwijzingscriteria
|
Ad hoc
|
|
Data die relevant zijn voor de registratie van systemen uit een derde land
|
Artikel 14, lid 1
|
Systeemexploitanten uit derde landen
|
ESMA, relevante autoriteiten (niveau van de lidstaat), EBA, ESCB
|
Registratieverzoek
|
Voor registratie en op ad-hocbasis indien de aanwijzingsdata worden gewijzigd
|
|
Data die relevant zijn voor de intrekking van de registratie
|
Artikel 16, lid 2
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
ESMA, systeemexploitant, andere relevante autoriteiten, EBA, ESCB
|
Niet-naleving van de registratiecriteria
|
Ad hoc
|
|
Data met betrekking tot aangewezen en geregistreerde systemen
|
Artikel 6, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 4
|
ESMA
|
Algemeen publiek
|
Actualisering van gegevens/beschikbaarheid van nieuwe data met betrekking tot de aanwijzing en registratie van systemen
|
Ad hoc
|
|
Data over insolventieprocedures
|
Artikel 12, lid 2
|
Bevoegde autoriteit (lidstaat)
|
ESMA; ECB/ESCB, EBA, het Europees Comité voor systeemrisico’s en andere lidstaten
|
Instellen van een insolventieprocedure
|
Ad hoc
|
4.3. Digitale oplossingen
Korte beschrijving van de digitale oplossingen
|
Digitale oplossing
|
Verwijzing(en) naar de voorschrift(en)
|
Belangrijkste vereiste functies
|
Bevoegde instantie
|
Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?
|
Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?
|
Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)
|
|
Centrale databank
|
Artikel 26
|
Gelijktijdige informatie-uitwisseling tussen autoriteiten die betrokken zijn bij het aanwijzings- en registratieproces
|
ESMA
|
De ESMA en de EBA zullen (in nauwe samenwerking met het ESCB) ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de uniforme elektronische formaten die bij de centrale databank moeten worden ingediend.
|
Data die krachtens deze verordening aan de centrale databank worden verstrekt, worden ter beschikking gesteld van de relevante bevoegde autoriteiten indien dit relevant of noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken krachtens de Verordeningen (EU) nr. 648/2012 en (EU) nr. 909/2014.
|
\\
|
Toelichting hoe elke digitale oplossing aan het toepasselijke digitale beleid en de toepasselijke wetgevingshandelingen voldoet
Centrale databank
|
Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)
|
Uitleg over afstemming
|
|
AI-verordening
|
\\
|
|
EU-kader voor cyberbeveiliging
|
De naleving van het EU-kader voor cyberbeveiliging zal worden gewaarborgd door de uitvoering van technische normen en specificaties, die door de ESMA en de EBA in nauwe samenwerking met het ESCB zullen worden vastgesteld.
|
|
eIDAS
|
\\
|
|
Eén digitale toegangspoort en IMI
|
\\
|
|
Andere
|
\\
|
4.4. Interoperabiliteitsbeoordeling
Korte beschrijving van de digitale overheidsdienst(en) waarop de voorschriften betrekking hebben
|
Digitale overheidsdienst of categorie digitale overheidsdiensten
|
Beschrijving
|
Verwijzing(en) naar de voorschrift(en)
|
Interoperabele Europa-oplossing(en)
(NIET VAN TOEPASSING)
|
Andere interoperabiliteitsoplossing(en)
|
|
Platform voor aanvragen tot aanwijzing van een systeem en registratie van systemen uit een derde land
|
Voorzien in een centraal toegangspunt voor verzoeken in een elektronisch formaat om de aanwijzing van een systeem
Voorzien in een centraal toegangspunt voor verzoeken om registratie van systemen uit een derde land
Platform voor de verwerking en uitwisseling van de data tussen de autoriteiten die betrokken zijn bij het aanwijzings- en registratieproces
|
Artikel 4 — Procedure voor verlening en weigering van een vergunning
Artikel 13 — Procedure voor de registratie van systemen uit een derde land
|
//
|
|
Effect van het voorschrift/de voorschriften op grensoverschrijdende interoperabiliteit per digitale overheidsdienst
Platform voor de aanwijzing en registratie van systemen uit een derde land
|
Beoordeling
|
Maatregelen
|
Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)
|
|
Afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid
Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld
|
-
|
-
|
|
Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten
Vermeld de geplande governancemaatregelen
|
-De ESMA en de EBA zullen (in nauwe samenwerking met het ESCB) ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de uniforme elektronische formaten die bij de centrale databank moeten worden ingediend.
|
-
|
|
Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de gegevens
Geef een lijst met dergelijke maatregelen
|
-De ESMA en de EBA zullen (in nauwe samenwerking met het ESCB) ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de uniforme elektronische formaten die bij de centrale databank moeten worden ingediend.
|
-
|
|
Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en normen
Geef een lijst met dergelijke maatregelen
|
-De ESMA en de EBA zullen (in nauwe samenwerking met het ESCB) ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de uniforme elektronische formaten voor de data die bij de centrale databank moeten worden ingediend.
|
-
|
4.5. Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
Korte beschrijving van maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
Beschrijving van de maatregel
|
Verwijzing(en) naar de voorschrift(en)
|
De rol van de Commissie
(indien van toepassing)
|
Te betrekken actoren
(indien van toepassing)
|
Verwacht tijdschema
(indien van toepassing)
|
|
De ESMA zal een centrale databank opzetten
|
Artikel 26
|
\\
|
ESMA
|
\\
|
|
De ESMA en de EBA zullen (in nauwe samenwerking met het ESCB) ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de uniforme elektronische formaten die bij de centrale databank moeten worden ingediend.
|
Artikel 13, lid 13, artikel 13, lid 15
|
\\
|
ESMA, EBA (in nauwe samenwerking met het ESCB)
|
Een jaar na inwerkingtreding
|