Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0777

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971

COM/2025/777 final

Brussel, 18.12.2025

COM(2025) 777 final

2025/0415(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

1.1. Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit betreffende het namens de Europese Unie (EU) op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen (CND) van de Verenigde Naties (VN) in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. De negenenzestigste zitting van de CND zal volgens plan plaatsvinden van 9 tot en met 13 maart 2026.

1.2. Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971

Bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972 (hierna het “Verdrag inzake verdovende middelen” genoemd) 11), is een internationaal controlesysteem voor verdovende middelen ingesteld om drugsmisbruik te bestrijden met gecoördineerde internationale maatregelen, door het bezit en het gebruik van, de handel in, en de distributie, de invoer, de uitvoer, de vervaardiging en de productie van verdovende middelen te beperken tot uitsluitend medische en wetenschappelijke doeleinden.

Bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971 (hierna het “Verdrag inzake psychotrope stoffen” genoemd) 22) is een internationaal controlesysteem voor psychotrope stoffen ingesteld. Dit verdrag is tot stand gekomen naar aanleiding van de toegenomen omvang en diversiteit van het drugsmisbruik. Bij het verdrag zijn controles ingevoerd op een aantal synthetische drugs op basis van enerzijds hun misbruikpotentieel en anderzijds hun therapeutische waarde.

Alle EU-lidstaten zijn partij bij deze verdragen, maar de Unie is dat niet.

1.3. Commissie Verdovende Middelen (CND)

De Commissie voor verdovende middelen (CND) is een commissie van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (Ecosoc). De taken en bevoegdheden van de CND zijn onder meer in de beide verdragen vastgelegd. De CND wordt gevormd door 53 lidstaten van de VN die door de Ecosoc zijn gekozen. 14 EU-lidstaten zullen in maart 2026 stemgerechtigd lid zijn van de CND. 33) De Unie heeft de status van waarnemer in de CND.

1.4. Voorgenomen besluit van de Commissie Verdovende Middelen

Op basis van aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die wordt geadviseerd door haar deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid (hierna “het deskundigencomité” genoemd), wijzigt de CND regelmatig de lijsten van stoffen die aan de VN-verdragen zijn gehecht.

Het deskundigencomité heeft op 27 november 2025 aan de secretaris-generaal van de VN aanbevolen 44) om drie stoffen die kritisch zijn beoordeeld door het deskundigencomité, aan de lijsten bij de VN-verdragen toe te voegen.

De CND wordt verzocht om tijdens haar negenenzestigste zitting, die gepland staat van 9 tot en met 13 maart 2026 in Wenen, besluiten vast te stellen over de toevoeging van deze stoffen aan de lijsten bij de VN-verdragen.

1.5. Namens de Unie in te nemen standpunt

Wijzigingen van de aan de VN-verdragen gehechte lijsten hebben voor alle lidstaten rechtstreekse gevolgen wat betreft het toepassingsgebied van het Unierecht op het gebied van drugscontrole. In artikel 1, punt 1), van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (hierna “het kaderbesluit” genoemd) 55) is bepaald dat voor de toepassing van het kaderbesluit onder “drug” een stof wordt verstaan die onder het Verdrag inzake verdovende middelen of het Verdrag inzake psychotrope stoffen valt, alsook elke in de bijlage bij het kaderbesluit opgenomen stof. Het kaderbesluit is bijgevolg van toepassing op de stoffen die zijn opgenomen in de lijsten bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Iedere wijziging van de aan deze verdragen gehechte lijsten heeft dus rechtstreeks gevolgen voor de gemeenschappelijke regels van de EU en wijzigt de strekking daarvan, in de zin van artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit geldt ongeacht of de betrokken stof in de Unie aan controle is onderworpen. 66)

Het deskundigencomité heeft tijdens zijn achtenveertigste bijeenkomst vier stoffen kritisch beoordeeld, namelijk het cocablad en drie nieuwe psychoactieve stoffen: één synthetisch cannabinoïde – MDMB-FUBINACA – en twee nieuwe synthetische opioïden – N-pyrrolidino isotonitazeen (Isotonitazepyne) en N-desethyl etonitazeen.

Het cocablad is aan controle onderworpen uit hoofde van lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 en is het voorwerp geweest van een kennisgeving van een partij bij het verdrag van 1961 of het verdrag van 1971 betreffende het toevoegen van een stof aan de lijsten. Het deskundigencomité heeft aanbevolen om het cocablad te laten staan op lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961.

Alle drie de nieuwe psychoactieve stoffen staan onder intensief toezicht van het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA). 77) Het deskundigencomité heeft aanbevolen al deze stoffen aan de lijsten toe te voegen.

In het voorstel van de Commissie voor een standpunt van de Unie worden de aanbevelingen van de WHO overgenomen, d.w.z. dat de drie hierboven genoemde stoffen aan controle worden onderworpen, aangezien deze aanbevelingen stroken met de huidige stand van de wetenschappelijke kennis. De toevoeging van deze nieuwe psychoactieve stoffen aan de lijsten bij de VN-verdragen wordt ook ondersteund door informatie uit de Europese databank inzake nieuwe drugs van het EUDA.

Het is noodzakelijk dat de Raad het standpunt van de Unie vaststelt voor de zitting van de CND, waar een besluit zal moeten worden genomen over de toevoeging van stoffen aan de lijsten bij de VN-verdragen. Een dergelijk standpunt zou, gezien de beperkingen die inherent zijn aan de waarnemersstatus van de Unie, moeten worden ingenomen door de lidstaten die in maart 2026 lid van de CND zullen zijn, die daar gezamenlijk in het belang van de Unie zullen optreden. De Unie is geen partij bij deze verdragen, maar heeft op dit gebied exclusieve bevoegdheid.

Met het oog hierop dient de Commissie een voorstel in voor een standpunt van de Unie dat op de negenenzestigste zitting van de CND namens de Europese Unie moet worden ingenomen door de lidstaten die in maart 2026 lid zullen zijn van de CND, betreffende het opnemen van stoffen aan de lijsten bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen. In het verleden stelde de Raad deze standpunten van de Unie vast, waardoor de EU op de vorige vergaderingen van de CND met één stem kon spreken over het toevoegen van stoffen aan de internationale lijsten. De lidstaten die in de CND zitting hebben, stemden namelijk overeenkomstig het vastgestelde standpunt van de Unie in met de toevoeging van de betrokken stoffen aan de lijsten 88).

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Niet van toepassing

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Niet van toepassing

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

2.1. Procedurele rechtsgrondslag

2.1.1. Beginselen

Artikel 218, lid 9, VWEU voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Artikel 218, lid 9, VWEU is van toepassing ongeacht of de Unie lid is van het lichaam dan wel partij is bij de overeenkomst 99).

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 1010).

De besluiten van de Commissie Verdovende Middelen over het toevoegen van stoffen aan de lijsten zijn “handelingen met rechtsgevolgen” in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU. Volgens het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen zijn besluiten van de CND bindend. Als een partij een besluit van de CND binnen de voorgeschreven termijn ter beoordeling aan de Ecosoc voorlegt, zijn de besluiten van de Ecosoc erover definitief. De besluiten van de CND over het toevoegen van stoffen aan de lijsten hebben ook rechtsgevolgen voor de rechtsorde van de EU uit hoofde van de Uniewetgeving, aangezien zij beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van de EU-wetgeving, te weten Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad. Wijzigingen van de lijsten bij de VN-verdragen hebben rechtstreekse gevolgen voor het toepassingsgebied van dit rechtsinstrument van de EU.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

2.2. Materiële rechtsgrondslag 

2.2.1. Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling waarover namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. 

2.2.2. Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op illegale drugshandel.

De materiële rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is derhalve artikel 83, lid 1, VWEU, waarin illegale drugshandel vermeld wordt als een van de strafbare feiten met een grensoverschrijdende dimensie waarvoor het Europees Parlement en de Raad minimumvoorschriften kunnen vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties.

2.3. Variabele geometrie

Denemarken is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad zoals van toepassing tot 21 november 2018, waarvan artikel 1 bepaalt dat onder “drugs” alle stoffen worden verstaan die onder het Verdrag inzake verdovende middelen of het Verdrag inzake psychotrope stoffen vallen. Aangezien besluiten van de CND over het toevoegen van stoffen aan de lijsten gevolgen hebben voor de gemeenschappelijke regels op het gebied van illegale drugshandel waardoor Denemarken is gebonden, neemt deze lidstaat deel aan de aanneming van een besluit van de Raad tot bepaling van het namens de Unie bij het aannemen van die besluiten in te nemen standpunt.

Ierland is gebonden door het kaderbesluit en neemt bijgevolg deel aan de aanneming van een besluit van de Raad tot bepaling van het namens de Unie bij het aannemen van die besluiten over het toevoegen van stoffen aan de lijsten in te nemen standpunt.

2.4. Conclusie

De rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is artikel 83, lid 1, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Niet van toepassing

Evenredigheid

Niet van toepassing

Keuze van het instrument

Niet van toepassing

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing

Raadpleging van belanghebbenden

Niet van toepassing

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Niet van toepassing

Effectbeoordeling

Niet van toepassing

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing

Grondrechten

Niet van toepassing

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Er zijn geen gevolgen voor de begroting. 

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Niet van toepassing

Artikelsgewijze toelichting

Niet van toepassing

2025/0415 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972 (hierna het “verdrag inzake verdovende middelen” genoemd) 11 1), is op 8 augustus 1975 in werking getreden. 

(2)Overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag inzake verdovende middelen kan de Commissie Verdovende Middelen (Commission on Narcotic Drugs — CND) besluiten bepaalde stoffen toe te voegen aan de aan dat Verdrag gehechte lijsten. Zij kan de lijsten alleen wijzigen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), maar zij kan ook besluiten de door de WHO aanbevolen wijzigingen niet aan te brengen.

(3)Het VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971 (hierna het “Verdrag inzake psychotrope stoffen” genoemd) 12 2) is op 16 augustus 1976 in werking getreden.

(4)Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag inzake psychotrope stoffen kan de CND op grond van aanbevelingen van de WHO besluiten bepaalde stoffen aan de aan dat Verdrag gehechte lijsten toe te voegen of daarvan af te voeren. Zij beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid om rekening te houden met economische, sociale, juridische, administratieve en andere factoren, maar mag niet willekeurig handelen.

(5)Wijzigingen van de aan het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen gehechte lijsten hebben rechtstreekse gevolgen voor het toepassingsgebied van het Unierecht op het gebied van drugscontrole. Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad 13 3) is van toepassing op de stoffen die zijn opgenomen in de lijsten bij deze VN-verdragen. Iedere wijziging van de aan deze VN-verdragen gehechte lijsten heeft derhalve rechtstreeks gevolgen voor de gemeenschappelijke regels van de Unie en wijzigt de strekking ervan, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, VWEU. De Raad moet de lidstaten machtigen om het standpunt van de Unie over het toevoegen van stoffen aan de lijsten van deze VN-verdragen te vertolken, aangezien besluiten over het toevoegen van stoffen aan de lijsten daarvan onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen.

(6)De CND zal op haar negenenzestigste zitting, die gepland staat van 9 tot en met 13 maart 2026 in Wenen, besluiten over de toevoeging van [drie] nieuwe stoffen aan de lijsten bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen.

(7)De WHO heeft aanbevolen om twee nieuwe stoffen toe te voegen aan lijst I bij het verdrag inzake verdovende middelen en één nieuwe stof aan lijst II bij het verdrag inzake psychotrope stoffen. 14 5) 

(8)Alle stoffen die door het WHO-deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid (hierna “het deskundigencomité” genoemd) zijn beoordeeld en door de WHO worden aanbevolen voor toevoeging aan de lijsten, worden door het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) als nieuwe psychoactieve stoffen gemonitord op grond van Verordening (EU) 2023/1322 van het Europees Parlement en de Raad. 15 6) Alle drie de stoffen staan onder intensief toezicht. 

(9)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is N-pyrrolidino isotonitazeen (Isotonitazepyne) (IUPAC-benaming: 5-nitro-2-({4-[(propaan-2-yl)oxy]phenyl}methyl)-1-[2-(pyrrolidin-1-yl)ethyl]-1H-1,3-benzimidazool) een synthetisch opioïde dat tot de klasse van benzimidazolen of nitazenen behoort. N-pyrrolidino isotonitazeen is niet eerder formeel door de WHO beoordeeld. N-pyrrolidino isotonitazeen heeft geen bekende therapeutische toepassingen of vergunningen voor het in de handel brengen. Er is voldoende bewijs voorhanden dat N-pyrrolidino isotonitazeen wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat N-pyrrolidino isotonitazeen wordt toegevoegd aan lijst I bij het verdrag inzake verdovende middelen.

(10)N-pyrrolidino isotonitazeen is in negen lidstaten aangetroffen en in ten minste twee lidstaten aan controle onderworpen. N-pyrrolidino isotonitazeen staat onder intensief toezicht van het EUDA. Twee lidstaten hebben ten minste drie sterfgevallen met bevestigde blootstelling aan N-pyrrolidino isotonitazeen gemeld. Eén lidstaat heeft ten minste één acute vergiftiging met vermoedelijke blootstelling aan N-pyrrolidino isotonitazeen gemeld.

(11)Daarom moet het standpunt van de Unie inhouden dat de toevoeging van N-pyrrolidino isotonitazeen aan lijst I bij het verdrag inzake verdovende middelen wordt gesteund.

(12)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is N-desethyl etonitazeen (IUPAC-benaming: 2-[2-[(4-ethoxyfenyl)methyl]-5-nitro-benzimidazool-1-yl]-N-ethyl-ethaanamine) een nieuw synthetisch opioïde dat behoort tot de klasse van benzimidazolen of nitazenen. Het is een metaboliet van etonitazeen, een ander benzimidazolopioïde dat onder lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen valt. N-desethyl etonitazeen is niet formeel door de WHO beoordeeld. N-desethyl etonitazeen heeft geen bekende therapeutische toepassingen of vergunningen voor het in de handel brengen. Er is voldoende bewijs voorhanden dat N-desethyl etonitazeen wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat N-desethyl etonitazeen wordt toegevoegd aan lijst I bij het verdrag inzake verdovende middelen.

(13)N-desethyl etonitazeen is in vier lidstaten aangetroffen en in ten minste zes lidstaten aan controle onderworpen. N-desethyl etonitazeen staat onder intensief toezicht van het EUDA.

(14)Daarom moet het standpunt van de Unie inhouden dat de toevoeging van N-desethyl etonitazeen aan lijst I bij het verdrag inzake verdovende middelen wordt gesteund.

(15)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is MDMB-FUBINACA (IUPAC-benaming: methyl 2-[[1-[(4-fluorfenyl)methyl]indazool-3-carbonyl]amino]-3,3-dimethyl-butanoaat) een krachtig synthetisch cannabinoïde. MDMB-FUBINACA is niet eerder door de WHO beoordeeld. MDMB-FUBINACA heeft geen bekende therapeutische toepassingen of vergunningen voor het in de handel brengen. Er is voldoende bewijs voorhanden dat MDMB-FUBINACA wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat MDMB-FUBINACA wordt toegevoegd aan lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen.

(16)MDMB-FUBINACA is in 14 lidstaten aangetroffen en in ten minste 8 lidstaten aan controle onderworpen. MDMB-FUBINACA staat onder intensief toezicht van het EUDA. Eén lidstaat heeft ten minste één acute vergiftiging met waarschijnlijke blootstelling aan MDMB-FUBINACA gemeld.

(17)Daarom moet het standpunt van de Unie inhouden dat de toevoeging van MDMB-FUBINACA aan lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen wordt gesteund. 

(18)Het is wenselijk het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de CND, aangezien de besluiten over de toevoeging van de drie stoffen aan de lijsten een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het Unierecht, te weten Kaderbesluit 2004/757/JBZ.

(19)De Unie is geen partij bij het Verdrag inzake verdovende middelen noch bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Zij heeft de status van waarnemer zonder stemrecht in de Commissie Verdovende Middelen, waarin in maart 2026 14 lidstaten stemgerechtigd lid zullen zijn 16 . Het standpunt van de Unie zal worden uitgedragen door de lidstaten die in maart 2026 lid zullen zijn van de Commissie Verdovende Middelen, die gezamenlijk in het belang van de Unie zullen optreden.

(20)Denemarken is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.

(21)Ierland is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in de van 9 tot en met 13 maart 2026 te houden negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen, waarop dat orgaan besluiten dient te nemen over de toevoeging van stoffen aan de lijsten bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, wordt in de bijlage bij dit besluit uiteengezet.

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde standpunt wordt vertolkt door de lidstaten die lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen, die gezamenlijk in het belang van de Unie optreden.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

   [...]

(1) 1)    United Nations Treaty Series, vol. 978, nr. 14152.
(2) 2)    United Nations Treaty Series, vol. 1019, nr. 14956.
(3) 3)    België, Duitsland, Frankrijk, Finland, Hongarije, Italië, Litouwen, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië en Spanje.
(4) 4)    https://www.who.int/groups/ecdd/48th-expert-committee-on-drug-dependence-documents
(5) 5)    Richtlijn (EU) 2017/2103 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van “drug” op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad (PB L 305 van 21.11.2017, blz. 12).
(6) 6)    Zie de bijlage bij het kaderbesluit.
(7) 7)    Verordening (EU) 2023/1322 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2023 betreffende het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1920/2006 (PB L 166 van 30.6.2023, blz. 6).
(8) 8)    Met één enkele uitzondering die aan het Hof is voorgelegd.
(9) 9)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punt 64.
(10) 10)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, zaak C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(11) 1)    United Nations Treaty Series, vol. 978, nr. 14152.
(12) 2)    United Nations Treaty Series, vol. 1019, nr. 14956.
(13) 3)    Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8).
(14) 5)    https://www.who.int/groups/ecdd/48th-expert-committee-on-drug-dependence-documents
(15) 6)    Verordening (EU) 2023/1322 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2023 betreffende het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1920/2006 (PB L 166 van 30.6.2023, blz. 6).
(16) 4)    België, Duitsland, Frankrijk, Finland, Hongarije, Italië, Litouwen, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië en Spanje.
Top

Brussel, 18.12.2025

COM(2025) 777 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971


Bijlage

1.Standpunt dat op de negenenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen, die gepland staat van 9 tot en met 13 maart 2026, over de wijzigingen in de reikwijdte van de controle van stoffen moet worden ingenomen door de lidstaten die lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen, die gezamenlijk in het belang van de Unie optreden:

1.1.N-pyrrolidino isotonitazeen (Isotonitazepyne) moet worden toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen (IUPAC-benaming: 5-nitro-2-({4-[(propaan-2-yl)oxy]phenyl}methyl)-1-[2-(pyrrolidin-1-yl)ethyl]-1H-1,3-benzimidazool).

1.2. N-desethyl etonitazeen moet worden toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen (IUPAC-benaming: 2-[2-[(4-ethoxyfenyl)methyl]-5-nitro-benzimidazool-1-yl]-N-ethyl-ethaanamine).

1.3.MDMB-FUBINACA moet worden toegevoegd aan lijst II bij het Verdrag inzake verdovende middelen (IUPAC-benaming: methyl 2-[[1-[(4-fluorfenyl)methyl]indazool-3-carbonyl]amino]-3,3-dimethyl-butanoaat).

Top