EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.7.2025
COM(2025) 548 final
2025/0223(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Uniemechanisme voor civiele bescherming en steun van de Unie voor de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied en tot intrekking van Besluit nr. 1313/2013/EU (Uniemechanisme voor civiele bescherming)
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2025) 545 final} - {SWD(2025) 545 final} - {SWD(2025) 546 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Met de voorgestelde verordening wordt voortgebouwd op het rechtskader dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (hierna het “Uniemechanisme”) alsook op Verordening (EU) 2021/522 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027. De nieuwe verordening voorziet in een kader voor civiele bescherming en in de financiering van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied met de bedoeling om synergieën te benutten en een betere coördinatie tussen de sectoren te ondersteunen. Daarmee wordt gestreefd naar een grotere algehele doeltreffendheid bij het ondersteunen van de preventie, de paraatheid en de respons ten aanzien van door de natuur en door de mens veroorzaakte gevaren, met inbegrip van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, rekening houdend met de almaar complexere en meer onderling verweven aard van de risico’s en bedreigingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd, zoals wordt benadrukt in de conclusies van de Europese Raad van 2023 en 2024.
De afgelopen jaren is Europa zwaar op de proef gesteld als gevolg van de verslechtering van het risico- en dreigingslandschap, dat wordt gekenmerkt door een steeds instabielere mix van uitdagingen op het gebied van veiligheid, gezondheid, klimaatverandering en milieu. Omdat het aantal activeringen van het Uniemechanisme sterk is toegenomen, valt te verwachten dat de nationale stelsels om meer steun op het gebied van respons op rampen en crises zullen blijven verzoeken. Derhalve moet het coördinatiemechanisme op Unieniveau adequaat worden toegerust voor een efficiënter en doeltreffender optreden bij het verlenen van dergelijke steun, onder meer ook door de preventie en de paraatheid te verbeteren.
Bovendien vereist het veelzijdige karakter van sectoroverschrijdende crises, zoals de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, een meer omvattende en geïntegreerde aanpak inzake crisisbeheersing, zodat de Unie en de lidstaten nauw en efficiënt met elkaar moeten samenwerken om de daarmee gepaard gaande uitdagingen doeltreffend het hoofd te kunnen bieden. De huidige geopolitieke context vereist een versterking van de civiele en militaire paraatheid en gereedheid in Europa, waartoe is opgeroepen in de strategie voor een paraatheidsunieen het gezamenlijke witboek over de gereedheid van Europese defensie 2030.
Een doeltreffende crisisbeheersing vereist een nauwe samenwerking tussen civiele en militaire actoren om ervoor te zorgen dat civiele en militaire maatregelen soepel en op efficiënte wijze worden uitgevoerd. Deze samenwerking is met name van belang in het geval van kwesties met een sterke dimensie van tweeërlei gebruik, waarbij civiele en militaire actoren afhankelijk zijn van gedeelde infrastructuur, zoals vervoersnetwerken en logistieke hubs. Door met elkaar samen te werken, kunnen civiele en militaire actoren ervoor zorgen dat hun respectieve inspanningen goed worden gecoördineerd en elkaar aanvullen, waardoor de algehele respons op de desbetreffende crisis wordt verbeterd. Een belangrijke doelstelling van het voorstel is daarom om ervoor te zorgen dat de verordening efficiëntere en doeltreffendere steun kan bieden in het geval van complexe crises met vergaande gevolgen en dat bij de aanpak daarvan, die gericht is op alle risico’s, alle overheidsdiensten alsook de gehele samenleving, sterkere banden worden gesmeed tussen civiele bescherming, gezondheid, milieu en veiligheid. Dat kan worden verwezenlijkt door vereenvoudigde en flexibelere regelingen beschikbaar te stellen, zodat complexe, sectoroverschrijdende en langdurige crises efficiënt en doeltreffend kunnen worden aangepakt.
De in dit voorstel opgenomen maatregelen betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied bieden de EU-burgers een bijkomende beschermingslaag, waardoor uiteindelijk hun veerkracht wordt vergroot en de bevolking wordt beschermd tegen ernstige gezondheidsbedreigingen. Noodsituaties op gezondheidsgebied kunnen verstrekkende gevolgen hebben die verder reiken dan de gezondheidssector en die van invloed zijn op de sociale stabiliteit, het ecologische evenwicht of kritieke infrastructuur. De maatregelen voor de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied zullen worden gecoördineerd binnen de huidige structuren, waaronder het Comité voor de beveiliging van de gezondheid (HSC) en de raad van bestuur van de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA), zoals reeds het geval was.
Bovendien ondersteunt en bevordert dit voorstel maatregelen met de bedoeling om te anticiperen op rampen en deze te voorkomen, samen met aanverwante horizontale eisen en andere programma’s. Door deze omvattende aanpak worden voor de Unie de economische lasten verminderd en worden de nadelige sociale, economische en milieugevolgen beperkt tot een minimum voor de meest kwetsbare regio’s en bevolkingsgroepen, waaronder vrouwen, kinderen, ouderen, vluchtelingen, mensen die behoren tot een raciale of etnische minderheid en personen met een handicap. Dit zal bijdragen aan een duurzamere en inclusievere groei en de intergenerationele rechtvaardigheid. Met het voorstel wordt tevens een belangrijke bijdrage geleverd aan de vereenvoudiging, namelijk doordat de bepalingen inzake de werking van het Uniemechanisme en die betreffende de financiering van de activiteiten ervan worden samengevoegd in één tekst, zodat de bestaande procedures worden vereenvoudigd. Door ervoor te zorgen dat investeringen in het kader van het Uniemechanisme er tevens toe bijdragen dat het concurrentievermogen en de veerkracht van de industrie in de Unie worden versterkt, wordt bovendien de basis gelegd voor meer strategische, betrouwbare en autonome reacties, onder meer door overeenkomstig het Unierecht en internationale verbintenissen het gebruik van in de Unie ontwikkelde of geproduceerde oplossingen te bevorderen.
In het voorstel wordt erkend dat particulieren te maken kunnen krijgen met meerdere, elkaar overlappende vormen van kwetsbaarheid en wordt derhalve een intersectionele benadering van de rampenrisicobeheersing bevorderd om ervoor te zorgen dat niemand achterblijft.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Met het voorstel wordt voortgebouwd op de positieve resultaten die tot dusver zijn geboekt met het bestaande kader en wordt beoogd om de tekortkomingen daarvan weg te werken met behulp van versterkte bepalingen voor verdere steun, coördinatie en aanvulling van de activiteiten van de lidstaten op dit gebied. Tevens bouwt het voort op het onderdeel crisisparaatheid en -respons dat is opgenomen in het EU4Health-programma ter ondersteuning van de uitvoering van Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en Verordening (EU) 2022/2372 van de Raad betreffende een kader van maatregelen ter waarborging van de levering van in een crisissituatie relevante medische tegenmaatregelen in geval van een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid op Unieniveau, alsook op overige initiatieven ter verbetering van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied. Het voorstel moet ervoor zorgen dat synergieën ontstaan met de crisisgerelateerde mandaten van het Europese Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en het Europese Geneesmiddelenbureau, alsook met relevante nationale en internationale organisaties. Naast de maatregelen op het gebied van de civiele bescherming wordt daardoor ook de paraatheid en respons van de Unie inzake noodsituaties op gezondheidsgebied versterkt. De voorgestelde verordening blijft in overeenstemming met het bestaande beleid, meer bepaald doordat de paraatheid, de preventie en de responscapaciteit van de lidstaten wordt versterkt. Met het voorstel wordt nog altijd gestreefd naar een grotere Europese solidariteit en meer gecoördineerde inspanningen, voortbouwend op de krachtige basis van eerdere samenwerking en initiatieven.
Het Uniemechanisme is niet alleen nauw afgestemd op de strategie voor een paraatheidsunie, de EU-strategie voor het aanleggen van voorraden en een strategie voor medische tegenmaatregelen om de Unie voor te bereiden op de volgende gezondheidscrisis, maar werkt ook in overeenstemming met de Europese strategie voor interne veiligheid, die tot doel heeft om een hoog niveau van veiligheid voor de EU-burgers te waarborgen, alsook met het gezamenlijke witboek over de gereedheid van Europese defensie 2030 en met het ReArm Europe-plan/Readiness 2030, ter ondersteuning van een sterkere Europese defensiepositie voor een betere verdediging tegen externe dreigingen. Het mechanisme is tevens in overeenstemming met de strategieën voor het aanleggen van voorraden en het treffen van medische tegenmaatregelen, en ondersteunt de verplichtingen van de Unie uit hoofde van de Europese klimaatwet. Daardoor kan voortdurend vooruitgang worden geboekt bij het vergroten van het aanpassingsvermogen, het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid ten aanzien van de klimaatverandering.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
In het kader van de aanpak inzake ingebouwde paraatheid, die wordt uiteengezet in de strategie voor een paraatheidsunie, is dit voorstel bedoeld om synergieën met andere interne en externe beleidsterreinen tot stand te brengen via een geïntegreerde aanpak van de rampenrisicobeheersing in alle relevante sectoren en bij alle belanghebbenden, met inbegrip van de agentschappen van de Unie, de lidstaten en internationale organisaties, alsook om bij te dragen aan de uitvoering van het Uniebeleid inzake rampenrisicovermindering en -beheersing en om uitvoering te geven aan het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering.
Wat betreft het externe beleid, zijn de paraatheid en de veerkracht van de Unie en die van haar lidstaten in toenemende mate verweven met die van onze partners in de wereld, die worden geconfronteerd met soortgelijke wereldwijde crises en uitdagingen. Samenwerking met onze externe partners om te anticiperen op crises, erop voorbereid te zijn, crises te voorkomen en erop te reageren, levert voor beide partijen voordelen op en is van wezenlijk belang om het risico van cascade- of overloopeffecten van crises in andere landen voor de Unie te beperken. In een almaar volatielere geopolitieke context, en met de bedoeling om wereldwijde uitdagingen aan te pakken, vormt dit voorstel een aanvulling op de acties die zullen worden ondernomen in het kader van het instrument “Europa in de wereld”. Daarbij zullen de Unie en haar lidstaten op maat gemaakte en wederzijds voordelige bilaterale en plurilaterale partnerschappen blijven ontwikkelen en verdiepen.
Met het voorstel wordt met name de nadruk gelegd op het versterken van de synergie tussen het Uniemechanisme en de maatregelen betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied en de verlening van humanitaire hulp. In het voorstel worden gebieden benadrukt zoals noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid; justitiële en binnenlandse zaken, met inbegrip van consulaire bijstand en de bescherming van kritieke infrastructuur; milieubeheer, met bijzondere aandacht voor overstromingsbeheersing en het voorkomen van ernstige industriële ongevallen; weerbaarheid tegen en paraatheid ten aanzien van de klimaatverandering; beperking van de zeeverontreiniging; externe betrekkingen en ontwikkelingssamenwerking, veiligheid, defensie en ruimtevaart. Om de samenhang en complementariteit met overige financieringsinstrumenten van de Unie te waarborgen, bevat het voorstel duidelijke bepalingen waarin het toepassingsgebied van het mechanisme wordt omschreven, zodat overlapping en dubbele financiering worden voorkomen.
Wat betreft de gezondheidsbeveiliging, vormt dit voorstel een aanvulling op de maatregelen op het gebied van de paraatheid inzake gezondheidsbeveiliging die worden gefinancierd met andere financieringsinstrumenten van de Unie. Ook die zijn erop gericht om de strategische autonomie van de Unie en de toegang tot gezondheidsinnovatie te versterken, zoals voorgeschreven in het kader van het voorgestelde onderdeel “Gezondheid, biotechnologie, landbouw en bio-economie” van het Europees Fonds voor concurrentievermogen en het soortgelijke onderdeel van het voorgestelde kaderprogramma voor onderzoek en innovatie Horizon Europa.
Het voorstel heeft betrekking op de ruimtevaartsystemen van de Unie die van fundamenteel belang zijn om de paraatheid van de Unie en haar responscapaciteit ten aanzien van crises te versterken. In de strategie voor een paraatheidsunie wordt benadrukt dat Copernicus, Galileo en de toekomstige IRIS²-diensten realtime informatie over de situatie bieden, vroegtijdige waarschuwingen ondersteunen en zorgen voor betrouwbare communicatie wanneer de netwerken op aarde uitvallen. Deze capaciteit is onmisbaar bij het coördineren van noodoperaties, bij het ondersteunen van de civiele bescherming, onder meer door ervoor te zorgen dat tijdig toegang kan worden verkregen tot uit de ruimtevaart afkomstige informatie voor vroegtijdige waarschuwing, zodat waarschuwingsberichten rechtstreeks naar de bevolking kunnen worden verzonden, en bij het beperken van de gevolgen van door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslagen voor dit voorstel worden gevormd door artikel 168, lid 5, artikel 196 en artikel 322, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Artikel 168, lid 5, VWEU biedt een rechtsgrondslag voor stimuleringsmaatregelen ter bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid en met name ter bestrijding van grote grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, alsook maatregelen betreffende de controle van, de alarmering bij en bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid.
Artikel 196 VWEU biedt een rechtsgrondslag voor initiatieven van de Unie ter verbetering van de samenwerking en de collectieve paraatheid van de lidstaten bij het beheer inzake preventie, paraatheid en respons in het geval van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen.
Om te voorzien in financiële flexibiliteit door het bieden van de mogelijkheid om kredieten over te dragen, moeten deze rechtsgrondslagen worden gelezen in samenhang met artikel 322, lid 1, VWEU.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
De Commissie heeft een ondersteunende bevoegdheid op het gebied van civiele bescherming. De lidstaten hebben nog steeds de primaire verantwoordelijkheid bij de preventie, paraatheid en respons ten aanzien van rampen. Het Uniemechanisme is ingesteld omdat grote rampen de responscapaciteit van alleen optredende lidstaten te boven kunnen gaan, terwijl maatregelen betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied ervoor zorgen dat initiatieven beter worden gecoördineerd en dat een betere samenwerking tot stand komt, met name wat betreft de beschikbaarheid van en de toegang tot medische tegenmaatregelen op het gebied van bestaande en nieuwe gezondheidsbedreigingen. Centraal staat een goed gecoördineerde en snelle wederzijdse bijstand onder de lidstaten.
De doelstellingen van dit voorstel kunnen niet in voldoende mate door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt. Het optreden van de Unie op dit gebied omvat onder meer het beheersen van situaties met sterke sector- en grensoverschrijdende componenten, waarvoor een algemene coördinatie en gecoördineerde actie vereist zijn die het nationale niveau overschrijden.
In het geval van complexe grensoverschrijdende noodsituaties en crises die de Unie in haar geheel treffen — zoals de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne — is een goed gecoördineerde collectieve aanpak vereist om versnippering en dubbel werk te voorkomen. De Unie kan de lidstaten op efficiënte wijze ondersteunen bij hun inspanningen om crises te voorkomen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren, en kan een cultuur van preventie en veerkracht in de gehele Unie blijven bevorderen. Het voorstel komt tegemoet aan een behoefte waarin de lidstaten niet alleen kunnen voorzien en biedt een duidelijke meerwaarde van de Unie.
De voordelen van acties op Unieniveau bestaan onder meer in het beperken van het verlies aan mensenlevens, milieuschade en economische en materiële schade, het mogelijk maken dat de lidstaten doeltreffender kunnen bijdragen aan de bijstand van de Unie in het kader van het Uniemechanisme en baat hebben bij een betere coördinatie en samenwerking, alsook een grotere paraatheid voor grootschalige rampen, een coherenter beleid inzake rampenrisicobeheersing en schaalvoordelen, zoals een kosteneffectieve logistiek en vervoer, een coherente en doeltreffende respons via de vrijwillige capaciteitspool, en een beter gebruik van schaarse middelen door de door de Unie gefinancierde capaciteit te delen. Tevens wordt de bescherming van de financiële belangen van de Unie ondersteund, namelijk door maatregelen te bevorderen die de structurele paraatheid en veerkracht vergroten en die aldus verliezen van door de Unie gefinancierde activa in het geval van rampen beperken. Soortgelijke voordelen kunnen worden verwezenlijkt door het verbeteren van de samenwerking en coördinatie op het gebied van de paraatheid en respons ten aanzien van gezondheidsbedreigingen. Virussen kennen geen grenzen, en zoals is gebleken tijdens de COVID-19-pandemie kon er alleen door een gecoördineerde actie op Unieniveau voor worden gezorgd dat vaccins en andere toepasselijke medische tegenmaatregelen werden ontwikkeld, gefabriceerd en eerlijk onder alle lidstaten verdeeld.
•Evenredigheid
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaat dit voorstel niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. Voor de voorgestelde verordening heeft de Commissie zich laten leiden door het evenredigheidsbeginsel. De verordening is erop gericht om synergieën met andere programma’s vast te stellen, dergelijke synergieën mogelijk te maken en de samenwerking met de lidstaten bij de vaststelling van de prioriteiten te versterken.
Het voorstel is evenredig en beoogt de deelname van de lidstaten aan de voorgestelde acties te vergroten door de belemmeringen inzake deelname zoveel mogelijk weg te nemen. Het is erop gericht om de administratieve lasten voor de Unie en de nationale overheden te beperken tot wat voor de Commissie noodzakelijk is om haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting van de Unie te kunnen uitoefenen. Het voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om de vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken.
•Keuze van het instrument
Om algemene toepassing en financiële flexibiliteit te waarborgen, wordt voorgesteld om een verordening van het Europees Parlement en de Raad vast te stellen. De vorm van een dergelijke rechtshandeling is verenigbaar met de voorschriften inzake de overdracht van kredieten die zijn vastgesteld in de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie. Met het verordeningsvoorstel wordt beoogd om Besluit nr. 1313/2013/EU te vervangen en in te trekken.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Met de verordening wordt uitvoering gegeven aan de bevindingen en aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie van de uitvoering van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming voor de periode 2017-2022 en de evaluatie van de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA) ten aanzien van de inventarisatie ter versterking van de gezondheidsbeveiliging in de Unie (2024), alsook aan de voorlopige bevindingen van de evaluatie van het EU4Health-programma en de evaluatie van de uitvoering van Verordening (EU) 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen.
•Raadpleging van belanghebbenden
De Commissie heeft een specifieke openbare raadpleging betreffende EU-financiering voor civiele bescherming, paraatheid en crisisrespons gehouden. De enquête stond open voor alle burgers, bedrijven, verenigingen en overheidsinstanties van de Unie, en er werden 1 187 reacties ontvangen, waarvan 139 vergezeld gingen van standpuntnota’s.
•Bijeenbrengen en gebruik van deskundigheid
De Commissie heeft de afgelopen jaren verschillende bijeenkomsten georganiseerd met externe belanghebbenden en deskundigen op het gebied van de civiele bescherming die de lidstaten vertegenwoordigen, namelijk met hoofden van civielebeschermingsdiensten en hoge ambtenaren op het gebied van civiele bescherming alsmede met thematische deskundigen. Deze bijeenkomsten waren bedoeld om onderwerpen te bespreken die verband houden met de herziening van het rechtskader.
•Effectbeoordeling
Ter voorbereiding van het voorstel heeft de Commissie een effectbeoordeling verricht om problemen in kaart te brengen, de doelstellingen van het voorstel te definiëren, mogelijke verbeteringen vast te stellen en de effecten daarvan te beoordelen. Het advies van de Raad voor regelgevingstoetsing en het samenvattende verslag kunnen worden geraadpleegd onder het kenmerk 2025/MFF/05 in het
register van documenten van de Commissie
.
In het kader van de effectbeoordeling zijn drie beleidsopties geanalyseerd:
Als optie 1 is een versterkt sectoraal Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM) voorgesteld, met inbegrip van een gerichte versterking van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC). De activiteiten op Unieniveau moeten worden aangevuld met aanzienlijke inspanningen op nationaal niveau, onder meer ter ondersteuning van de responscapaciteit, die op Unieniveau beperkt is tot de “traditionele” sector van de civiele bescherming (medische voorraden, voorraden van chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen, bosbrandbestrijding vanuit de lucht enz.). Hoewel verhoogde nationale inspanningen het mogelijk maken om alle doelstellingen met succes te verwezenlijken, wordt de meerwaarde van acties op Unieniveau niet ten volle benut. Bijgevolg werd deze optie geacht tekort te schieten in vergelijking met optie 2 wat betreft doeltreffendheid, efficiëntie, externe samenhang en vereenvoudiging.
In het geval van optie 2 worden het UCPM en de desbetreffende activiteiten inzake paraatheid op het gebied van de volksgezondheid samengebracht in een sectoroverschrijdend mechanisme. In vergelijking met optie 1 worden via één enkel instrument synergieën en complementariteit tussen de activiteiten op het gebied van civiele bescherming en paraatheid inzake noodsituaties op gezondheidsgebied tot stand gebracht. De geïntegreerde begrotingsstructuur zorgt ervoor dat het instrument flexibel en wendbaar kan worden beheerd. Optie 2 voorziet in de oprichting van een EU-crisiscoördinatiehub, die daardoor de centrale capaciteit inzake sectoroverschrijdende risicoparaatheid wordt, ook wat betreft de aanleg van voorraden en de coördinatie van crisisbeheersing. De responscapaciteit op Unieniveau wordt aangepast aan het nieuwe risico- en dreigingslandschap. Bij een risicobeoordeling door de Unie wordt gebruikgemaakt van synergieën en een complementariteit tussen sectorale beoordelingen en deskundigheid. Overige relevante activiteiten op het gebied van gezondheidscrises worden in deze optie opgenomen om ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen te bestrijden in overeenstemming met het algemene sectoroverschrijdende karakter van het initiatief.
Het voornaamste aspect van beleidsoptie 3 is de instelling op Unieniveau van één financieringsinstrument (paraatheidsfonds) dat alle voor paraatheid relevante mechanismen en activiteiten voor het gehele MFK omvat. Dit fonds zou alle mechanismen en financieringselementen op het gebied van paraatheid van het huidige MFK omvatten, met inbegrip van maar niet beperkt tot, het UCPM, het onderdeel crisisparaatheid van EU4Health en de voor paraatheid relevante aspecten van de nationale budgetten, het Europees Fonds voor concurrentievermogen en Erasmus+. Dat betekent dat binnen dit ene fonds verschillende wijzen van beheer van de programma’s worden gebruikt: direct (door de Commissie), gedeeld (bv. structuurfondsen) en indirect (bv. verschillende organisaties van het VN-stelsel, zoals de WHO, de UNHCR en Unicef). Deze optie zou inherente fundamentele uitdagingen met zich brengen, onder meer op het gebied van het beheer van de begrotingstoewijzingen voor alle financieringsprogramma’s en -instrumenten. Beleidsoptie 3 werd geacht niet haalbaar te zijn en is derhalve in een vroeg stadium afgewezen.
De voorkeursbeleidsoptie en de voornaamste effecten daarvan
De voorkeursoptie is optie 2, aangezien deze optimaal van de meerwaarde van maatregelen op Unieniveau gebruikmaakt en de vastgestelde doelstellingen ten volle verwezenlijkt. In een crisislandschap dat almaar multidimensionaler en grensoverschrijdender wordt, levert de keuze voor beleidsoptie 2 belangrijke voordelen op. Deze voordelen zijn sociaal (bv. een hogere gemeenschappelijke noemer wat betreft de paraatheid van de bevolking), ecologisch (bv. een succesvollere instandhouding van natuurgebieden en biodiversiteit) en economisch (bv. de kosten in verband met een uitgebreide preventie en paraatheid zijn aanzienlijk lager dan die in verband met respons) van aard.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Met het voorstel worden belangrijke verbeteringen aangebracht om het algemene rechtskader te stroomlijnen en te vereenvoudigen, met name door een grotere mate van operationele duidelijkheid en efficiëntie te bieden. De procedures voor risicorapportage zijn bijvoorbeeld gecentraliseerd in een speciale structuur, waardoor de gezamenlijk door de lidstaten en de Commissie te behalen en behaalde resultaten worden verduidelijkt en een gemeenschappelijk begrip van het risicobewustzijn wordt bevorderd.
Bovendien wordt de steun van de Unie inzake respons gebundeld in één artikel, waardoor mogelijke operationele scenario’s gemakkelijker kunnen worden vastgesteld, wat de gereedheid en de doeltreffendheid van de respons ten goede komt. De coördinatie-inspanningen worden versterkt en worden in hogere mate verduidelijkt door de capaciteit van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) verder te vergroten en een gespecialiseerde crisiscoördinatiehub op te richten om de lidstaten in alle sectoren te ondersteunen bij het anticiperen op en het beheersen van de gevolgen van crises. De responslaag wordt aangevuld door het bieden van duidelijkheid ten aanzien van de toepasselijke medefinancieringspercentages, namelijk door deze op coherente wijze te integreren in één uitgebreid referentiepunt, waardoor het niet meer nodig is meerdere artikelen te raadplegen. In de verordening wordt de nadruk gelegd op de flexibiliteit van het vervoer, en de verordening maakt financieringsmaatregelen mogelijk voor het geval dat er geen haalbare commerciële vervoersopties maar wel alternatieven van de zijde van de lidstaten zijn. Dat is een werkwijze die innovatieve oplossingen van de overheid beloont en flexibele strategieën onderstreept.
Deze verbeteringen geven blijk van de grote inspanning om de structurele en operationele kaders van het Uniemechanisme te verfijnen, zodat deze kaders zowel flexibel als robuust zijn en het hoofd kunnen bieden aan de complexiteit van zowel voorziene als onvoorziene noodsituaties. Deze samenhangende aanpak sluit aan bij de overkoepelende doelstelling om te voorzien in een doeltreffender en transparanter kader inzake civiele bescherming. Verdere dialoog en feedback worden aangemoedigd om ervoor te zorgen dat deze strategieën worden afgestemd op de praktische operationele behoeften.
•Grondrechten
De wettelijke herzieningen van het Uniemechanisme en de voorgestelde ondersteunende maatregelen voor paraatheid en respons op gezondheidsgebied zijn ontworpen om de grondrechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te kunnen eerbiedigen en handhaven. In deze toelichting wordt uitgelegd hoe de grondrechten zijn opgenomen in deze herzieningen.
Het recht op leven (artikel 2) neemt een centrale plaats in, aangezien het voorstel tot doel heeft om mensenlevens tijdens rampen en noodsituaties te beschermen en te redden. Door de procedures te stroomlijnen, wordt met de wijzigingen beoogd de responscapaciteit van het Uniemechanisme te verbeteren en aldus de bescherming van het leven rechtstreeks te ondersteunen door middel van een efficiënte rampenbeheersing.
Het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 6) staat eveneens centraal in het voorstel. De verbeteringen zorgen ervoor dat dreigingen tijdig worden aangepakt, waardoor zowel de individuele als de collectieve veiligheid in de gehele Unie wordt versterkt. Deze verbeteringen dragen bij tot de bescherming van de burgers door ervoor te zorgen dat middelen tijdens crises snel worden ingezet en gecoördineerd.
De aandacht voor het recht op gezondheidszorg (artikel 35) houdt in dat de rol van het Uniemechanisme bij de waarborging van krachtige volksgezondheidsmaatregelen wordt verduidelijkt. Met name voor het geval van noodsituaties op gezondheidsgebied strekken deze herzieningen ertoe om de grensoverschrijdende samenwerking en de toewijzing van middelen te versterken ter ondersteuning van gezondheid als een grondrecht.
Het grondrecht op milieubescherming van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie speelt een belangrijke rol in het kader van het Uniemechanisme. Dit mechanisme, dat is ontworpen om een gecoördineerde respons op door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen in de Unie alsook daarbuiten te ondersteunen, heeft tevens betrekking op de bescherming van het milieu, dat als een kernonderdeel van de activiteiten ervan moet worden opgevat. Milieubescherming is met name relevant in alle drie de fasen van het rampenbeheersing, ook wat betreft ernstige gezondheidsbedreigingen: preventie, namelijk om de kans op en de gevolgen van milieugevaren te verminderen; paraatheid, namelijk om ervoor te zorgen dat er systemen voorhanden zijn om schade aan ecosystemen en de biodiversiteit te beperken; en respons, namelijk om snel op te treden tegen milieuschade als gevolg van rampen, zoals bosbranden, lekken van chemische stoffen of overstromingen. Door milieubescherming te erkennen als een grondrecht, wordt de verplichting voor de instellingen van de Unie en de lidstaten om ecologische overwegingen op te nemen in het beleid en de maatregelen op het gebied van civiele bescherming kracht bijgezet.
De herzieningen van het Uniemechanisme, waarmee een maatschappijbrede aanpak wordt voorgestaan, versterken het fundamentele recht op gelijkheid (hoofdstuk III) en zorgen ervoor dat in alle fasen van de preventie, paraatheid en respons rekening wordt gehouden met de behoeften van vrouwen en groepen die kwetsbaar zijn en/of te maken hebben met discriminatie en sociale uitsluiting, zoals kinderen, ouderen, personen met een handicap en mensen die behoren tot een raciale of etnische minderheid.
Daarnaast komt in de nadruk op procedurele duidelijkheid en vereenvoudiging het recht op behoorlijk bestuur (artikel 41) tot uiting. Deze wijzigingen zorgen ervoor dat het mechanisme op transparante en efficiënte wijze functioneert en voorziet in een betrouwbaar kader voor respons in noodsituaties.
Deze herzieningen weerspiegelen een op grondrechten gebaseerde aanpak ter versterking van het Uniemechanisme, waardoor wordt gewaarborgd dat het ondersteuning biedt voor de beschermende capaciteit en de waarden die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Feedback en discussie worden aangemoedigd om deze strategieën te verfijnen, zodat de grondrechten van alle personen zo goed mogelijk worden geëerbiedigd en gewaarborgd.
In dit voorstel wordt rekening gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij zowel de Unie als alle lidstaten partij zijn. Met name in artikel 11 van het Verdrag inzake risicosituaties en humanitaire noodsituaties is bepaald dat de staten die partij zijn bij het verdrag, in overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, met inbegrip het internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten, alle vereiste maatregelen treffen om de bescherming en veiligheid van personen met een handicap in risicosituaties te waarborgen.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De indicatieve financiële middelen voor deze verordening belopen 10 675 000 000 EUR (huidige prijzen).
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage
Op basis van hoofdstuk II van de verordening inzake risicobeoordeling en -anticipatie omvat het beleidsontwikkelingsproces in het kader van dit herziene verordeningsvoorstel verschillende belangrijke elementen en verslagen, die zijn afgestemd op de rapportagecycli en die in een bepaalde volgorde zijn geplaatst om te zorgen voor een cyclische en doeltreffende aanpak van rampenrisicobeheersing.
Dit proces begint op nationaal niveau, waarbij de lidstaten ervoor verantwoordelijk zijn om risicobeoordelingen op te stellen en openbaar te maken op nationaal of subnationaal niveau. De risicobeoordelingen vormen de basis voor de ontwikkeling van planning inzake rampenrisicobeheersing, ook ten aanzien van veiligheidsrisico’s en hybride dreigingen, waarbij rekening wordt gehouden met grensoverschrijdende samenwerking alsook met risico’s die grensoverschrijdende gevolgen hebben. Dergelijke beoordelingen en plannen moeten consistent zijn en worden gecoördineerd met andere relevante nationale processen. Bovendien wordt van de lidstaten verwacht dat zij er ten behoeve van een goed onderbouwde risicobeoordeling voor zorgen dat gegevens over verliezen bij rampen beter worden verzameld.
Ten minste eenmaal per vijf jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een samenvatting in van hun risicobeoordelingen, responscapaciteit en activiteiten ter ondersteuning van de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid. De Commissie werkt de richtsnoeren voor de indiening van dergelijke samenvattingen verder uit en zorgt ervoor dat het proces wordt gestandaardiseerd en doeltreffend is.
Op Unieniveau stelt de overdracht van de gevraagde informatie en van overige beschikbare gegevens de Commissie in staat om op zowel Unieniveau, nationaal niveau als subnationaal niveau het risicobeheersingsvermogen in kaart te brengen. Zo wordt het makkelijker om goede praktijken uit te wisselen en capaciteit op te bouwen. Op grond van de vastgestelde risicobeoordeling evalueert de Commissie voor de gehele Unie regelmatig de rampscenario’s om de rampenpreventie, -paraatheid en -respons te verbeteren. Die scenario’s worden vervolgens meegenomen in de verdere ontwikkeling van de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid, namelijk in de vorm van overeengekomen planningsuitgangspunten voor het te ontwikkelen vermogen inzake rampenrisicobeheersing. Aan de hand van deze vastgestelde indicatoren stelt de Commissie regelmatig verslagen op over door de natuur en door de mens veroorzaakte gevaren in de Unie, over de voortgang die bij de uitvoering van de risicobeheersingsmaatregelen en de doelstellingen inzake rampbestendigheid wordt geboekt en over de responscapaciteit en responsmiddelen die op Unieniveau vereist zijn om de nationale maatregelen ten aanzien van het veranderende risico- en dreigingslandschap te ondersteunen. Deze verslaglegging moet consistent zijn en moet worden gecoördineerd met andere relevante processen op Unieniveau.
Deze gefaseerde aanpak zorgt ervoor dat nationale risicobeoordelingen en planning worden meegenomen in een beoordelings- en doelstellingsproces op Unieniveau, dat op zijn beurt kan dienen als input voor de nationale maatregelen en de nationale capaciteitsopbouw. Deze wordt regelmatig geëvalueerd en bijgewerkt om ervoor te zorgen dat het beleid doeltreffend en relevant blijft.
De Commissie kan de lidstaten verzoeken om aanvullende informatie over specifieke preventie- en paraatheidsmaatregelen. De Commissie kan ook voorstellen doen betreffende de inzet van deskundigen of aanbevelingen doen om het niveau van de preventie en paraatheid te versterken.
•Artikelsgewijze toelichting
De voornaamste nieuwigheid van de voorgestelde verordening is de invoering van een sectoroverschrijdende paraatheidslaag en de opname van financiering ten behoeve van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied.
De nieuwe paraatheidslaag heeft tot doel om de kwantitatieve en kwalitatieve leemten in het huidige rechtskader op te vullen. Hierbij wordt voortgebouwd op de ervaring die is opgedaan tijdens de COVID-19-pandemie, de recente opflakkering van mpox en recente UCPM-operaties, met name wat betreft complexe grensoverschrijdende crises en de respons op de behoeften in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. De nieuwe paraatheidslaag houdt rekening met onderzoek en prognoses over het veranderende risico- en dreigingslandschap in Europa, waarbij de nadruk wordt gelegd op het steeds systematischer karakter van risico’s en de toenemende impact van cascade-effecten in verschillende sectoren. Ook houdt de laag rekening met toekomstgerichte discussies met de lidstaten over de noodzaak om de voortdurende werking van de bestaande civiele beschermingssystemen in Europa te waarborgen, gelet op de steeds complexere nood- en crisisscenario’s.
Wat betreft de kwantitatieve tekortkomingen, moet deze nieuwe laag het mogelijk maken om sectoroverschrijdende crises met een grote impact op een bredere en meer geïntegreerde wijze aan te pakken, zodat de paraatheids- en responsregelingen in de getroffen sectoren doeltreffender kunnen worden gecoördineerd. Wat betreft de kwalitatieve tekortkomingen, maakt deze nieuwe laag het mogelijk om risico’s en dreigingen aan te pakken waarvoor nog geen instrumenten beschikbaar zijn. Dit zal de versnippering van de crisisbeheersingsstructuren op Unieniveau verminderen, de procedures vereenvoudigen en ervoor zorgen dat middelen efficiënter worden ingezet bij de aanpak van met name opkomende veiligheidsrisico’s in verband met hybride dreigingen en verstoringen van kritieke infrastructuur die sectoroverschrijdende gevolgen hebben.
Het onderdeel van de voorgestelde verordening dat betrekking heeft op de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied, zal de financiering voor de bewaking en opsporing van en het inzicht in opkomende en dreigende gezondheidsbedreigingen verbeteren, en koppelt de verworven inzichten aan medische tegenmaatregelen. In nauwe samenwerking met de lidstaten zal het de toegang tot productiecapaciteit tijdens crises verbeteren en de aankoop, opslag en inzet van medische tegenmaatregelen ondersteunen, als onderdeel van de inspanningen inzake paraatheid en respons. Het zal ook de kennisontwikkeling ondersteunen, evenals het vermogen van de EU-lidstaten om ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid te voorkomen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren.
Het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) zal naar verwachting een sleutelrol spelen als centrale EU-crisiscoördinatiehub en zal in dat verband een uitgebreide nieuwe capaciteit bieden. Het voornaamste werkterrein van het ERCC is erop gericht om een beter inzicht in crises tot stand te brengen, waardoor wordt voorzien in meer proactieve paraatheids- en responsregelingen, in een sectoroverschrijdende coördinatie, zonder dat sectorale deskundigheid wordt overgenomen of gedupliceerd, en in een betere monitoring, waarbij de lidstaten en de besluitvormers op de hoogte worden gehouden met inachtneming van hun respectieve bevoegdheid en verantwoordelijkheid.
Gelet op de ondersteunende bevoegdheden op dit beleidsterrein en de daarmee samenhangende nationale gevoeligheden ten aanzien van de uitbreiding van de crisisbeheersingscapaciteit van de Unie, moet het operationele gebruik van de responsregelingen in het kader van deze aanvullende paraatheidslaag worden gekoppeld aan een door de Raad te activeren reactiemechanisme alsook aan bestaande procedures, met inbegrip van de activering van de IPCR-regelingen of de solidariteitsclausule (krachtens artikel 222 VWEU).
Op grond van de opgedane ervaring worden de medefinancieringspercentages en de operationele regels die in Besluit nr. 1313/2013 en in het kader van het EU4Health-programma zijn vastgesteld, vereenvoudigd ten behoeve van een doeltreffendere en flexibelere uitvoering in het geval van snel evoluerende crises. De voorgestelde verordening heeft derhalve tot doel om de regels voor de operationalisering van talrijke responsmaatregelen te verduidelijken, zoals de oprichting van logistieke hubs en hubs voor medische evacuatie, de medische evacuaties zelf, het vooraf stationeren van responscapaciteit en interventieteams. Daarnaast zullen schenkingen uit de particuliere sector, die met succes zijn ingezet tijdens operaties in respons op de behoeften in Oekraïne, duidelijker in het UCPM worden opgenomen.
Voorts zal door de voorgestelde verordening de steun van het UCPM aan de lidstaten in het kader van hun nationale paraatheidscycli beter worden gedefinieerd. Dit omvat specifieke regels ter bevordering van collegiale toetsing (peerreview) en vrijwillige beoordelingen van nationale paraatheidsregelingen. De rol van het Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming als pijler van capaciteitsopbouw zal verder worden versterkt. Het zal dienen als platform voor de uitwisseling van deskundigheid, ervaring en innovatieve praktijken op het gebied van rampenrisicobeheersing. Ook zullen regels inzake de paraatheid van de bevolking en de samenwerking met belangrijke belanghebbenden (uit de militaire en de particuliere sector) in het kader van opleidingen en oefeningen worden toegevoegd.
De voorgestelde verordening beoogt een flexibelere en beter geïntegreerde begrotingsstructuur tot stand te brengen op basis van de bredere doelstelling en het bredere toepassingsgebied van de paraatheid. De grotere flexibiliteit van de verordening en de betere responscapaciteit in het geval van crises met vergaande gevolgen en bij nieuw opkomende dreigingen moeten gepaard gaan met passende activiteiten op het gebied van preventie en paraatheid, zoals anticipatie, prognoses en de ontwikkeling van capaciteit.
2025/0223 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Uniemechanisme voor civiele bescherming en steun van de Unie voor de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied en tot intrekking van Besluit nr. 1313/2013/EU (Uniemechanisme voor civiele bescherming)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 168, lid 5, artikel 196, en artikel 322, lid 1, punt a),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Rekenkamer,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Aangezien het aantal en de ernst van door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen de afgelopen jaren aanzienlijk zijn toegenomen, moet de samenwerking op het gebied van civiele bescherming op Unieniveau worden versterkt om te komen tot een veerkrachtige Unie die beschikt over de vereiste capaciteit om op deze risico’s en bedreigingen, ongeacht hun aard of oorsprong, te kunnen anticiperen en deze te beheersen en om ervoor te zorgen dat de EU-burgers een adequate bescherming genieten. Het Uniemechanisme voor civiele bescherming (het “Uniemechanisme”) moet deze rol vervullen door de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten te versterken voor een betere algehele capaciteit om rampen en crises te voorkomen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren.
(2)Bij deze verordening worden de indicatieve financiële toewijzing voor het Uniemechanisme en de financiering van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied vastgesteld. Voor deze verordening worden de lopende prijzen berekend door een vaste deflator van 2 % toe te passen. Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (het “Financieel Reglement”) is van toepassing op deze verordening. Daarin zijn de regels vastgelegd voor de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Unie, met inbegrip van de regels voor subsidies, prijzen, niet-financiële schenkingen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingswaarborgen.
(3)Preventie- en paraatheidsmaatregelen zijn van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat de Unie steviger in haar schoenen staat bij het aanpakken van door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen, maar of en wanneer rampen zich zullen voordoen en wat de omvang ervan zal zijn, is per definitie onvoorspelbaar. Financiële middelen die nodig zijn om een adequate respons te waarborgen, kunnen van jaar tot jaar aanzienlijk verschillen en moeten onmiddellijk beschikbaar kunnen worden gesteld. Om het begrotingsbeginsel van voorspelbaarheid samen te laten gaan met de noodzaak om snel te reageren op nieuwe behoeften, moet de financiële uitvoering van de werkprogramma’s derhalve worden aangepast. Bijgevolg is het passend om toe te staan dat onbenutte kredieten worden overgedragen, maar enkel tot het volgende jaar en uitsluitend voor responsacties, in aanvulling op de overdracht van kredieten die worden toegestaan uit hoofde van artikel 12, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
(4)In een snel veranderende economische, sociale en geopolitieke omgeving heeft recente ervaring aangetoond dat er behoefte is aan een flexibeler meerjarig financieel kader en aan flexibelere meerjarige uitgavenprogramma’s van de Unie. Daartoe moet bij de financiering naar behoren rekening worden gehouden met de veranderende beleidsbehoeften en met de prioriteiten van de Unie, zoals vastgesteld in relevante door de Commissie gepubliceerde stukken, in conclusies van de Raad en in resoluties van het Europees Parlement, en er tevens voor worden gezorgd dat de uitvoering van de begroting voldoende voorspelbaar is.
(5)Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95, (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU) 2017/1939 van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door het treffen van evenredige maatregelen, met inbegrip van voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, fraude daaronder begrepen, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of sprake is van fraude, corruptie of andere onrechtmatige handelingen waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en overige strafbare feiten die schadelijk zijn voor de financiële belangen van de Unie in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 moeten personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen.
(6)De bescherming die in het kader van het Uniemechanisme moet worden geboden, moet ertoe strekken om mensen, het milieu en eigendommen, met inbegrip van woningen, kritieke infrastructuur, zoals energie- en vervoers- of ruimte-infrastructuur en cultureel erfgoed, te beschermen tegen alle soorten door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen. Onder door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen moet worden verstaan de gevolgen van alle door de natuur en door de mens veroorzaakte gevaren. Dit omvat onder meer terroristische daden, technologische rampen, radiologische rampen of milieurampen, klimaatverandering, verontreiniging van de zee en van de binnenwateren, verstoring van de watervoorziening en de waterweerbaarheid, hydrogeologische instabiliteit, noodsituaties op gezondheidsgebied en overige niet nader omschreven hybride rampen of noodsituaties in of buiten de Unie. Deze rampen vereisen een sectoroverschrijdende coördinatie in situaties waarin ook andere crisisbeheersingsmechanismen van de Unie worden toegepast.
(7)Het Uniemechanisme moet solidariteit tussen de lidstaten bevorderen door middel van een praktische samenwerking en coördinatie, zonder afbreuk te doen aan de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten om mensen, het milieu en eigendommen, waaronder cultureel erfgoed, op hun grondgebied te beschermen tegen alle rampen en om hun systemen voor rampenbeheersing toe te rusten met voldoende capaciteit om adequaat en consistent te kunnen reageren op rampen die naar hun aard en omvang redelijkerwijs te verwachten zijn en waarop men zich redelijkerwijs kan voorbereiden, en om dergelijke rampen te voorkomen.
(8)Om de samenhang van haar internationale optreden op het gebied van civiele bescherming te bevorderen, moet de Unie de sleutelrol van intergouvernementele organisaties erkennen door de beleidsdialoog en de uitwisseling van kennis en goede praktijken te versterken, in aanmerking nemend dat rampen en crises wereldwijd in zowel omvang als reikwijdte toenemen en dat de hele Unie te maken heeft met de risico’s en bedreigingen daarvan.
(9)Om een geïntegreerde en uitgebreide aanpak van rampenrisicobeheersing te bevorderen, moet het optreden van de Unie alle prioriteiten omvatten die zijn opgenomen in het kader van Sendai. Terwijl de structurele veerkracht en de paraatheidsmaatregelen in de desbetreffende programma’s van de Unie horizontaal worden aangepakt, moet het Uniemechanisme deze aanpakken in de verschillende fasen van de rampenbeheersingscyclus, namelijk preventie, paraatheid en respons, met gecoördineerde plannen en maatregelen die anticiperen op risico’s en deze beperken, die de paraatheid verbeteren en die een doeltreffende respons mogelijk maken, terwijl herstel en wederopbouw aangepakt moeten blijven worden via andere instrumenten van de Unie. De Unie moet het belang van rampenpreventie en de integratie van preventieve maatregelen in het bestuur en het sectorale beleid bevorderen teneinde risico’s te verminderen, de veerkracht van de bevolking, de infrastructuur en de essentiële diensten te versterken en de gevolgen van rampen tot een minimum te beperken, en zij moet ernaar streven om haar doelstellingen inzake rampbestendigheid, die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2021/836 van het Europees Parlement en de Raad, verder te ontwikkelen. Een krachtigere collectieve operationele respons op Unieniveau, gecombineerd met ondersteuning van de individuele capaciteit van de lidstaten op grond van maatregelen inzake capaciteitsopbouw, is van wezenlijk belang om te voorzien in de vaardigheden, middelen en kennis die nodig zijn om risico’s te beheersen, kwetsbaarheden te verminderen en de weerbaarheid tegen toekomstige risico’s en dreigingen te vergroten.
(10)Om een volledig en actueel overzicht en begrip te krijgen van het risicolandschap op nationaal en passend subnationaal niveau, moeten de lidstaten regelmatig risicobeoordelingen verrichten en deze openbaar maken en de informatie daarover minstens om de vijf jaar met de Commissie delen of dat doen wanneer een aanzienlijke verandering in het risicolandschap het noodzakelijk maakt om dergelijke beoordelingen bij te werken. Die risicobeoordelingen of de samenvattingen daarvan worden door de Commissie benut voor het opstellen en ontwikkelen van rampscenario’s, plannen, risicobeoordelingen en verslagen betreffende risicobeheersingsmaatregelen op Unieniveau, voor zover dat vereist is om een uitgebreid inzicht te verwerven in de risico’s voor de Unie en om te voorzien in het vermogen om deze aan te pakken. Dergelijke beoordelingen en plannen moeten consistent zijn en worden gecoördineerd met andere relevante processen op nationaal en Unieniveau.
(11)Hoewel de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen gezondheidsbeleid, moeten zij zich voorbereiden op en beschermen tegen ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen in een geest van Europese solidariteit, samenwerking en coördinatie. Om het vermogen van de Unie op dit gebied te versterken, moet bij deze verordening steun worden verleend aan specifieke maatregelen die worden getroffen uit hoofde van Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen alsmede uit hoofde van Verordening (EU) 2022/2372 van de Raad van 24 oktober 2022 betreffende een kader van maatregelen ter waarborging van de levering van in een crisissituatie relevante medische tegenmaatregelen in geval van een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid op Unieniveau. Bij deze verordening moet tevens worden voorzien in synergieën met de crisisgerelateerde mandaten van het Europese Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en het Europese Geneesmiddelenbureau, alsook met betrokken nationale en internationale organisaties.
(12)De situatie op het gebied van medische tegenmaatregelen in de Unie maakt duidelijk dat de Unie nog steeds afhankelijk is van derde landen bij de aanvoer van grondstoffen, werkzame farmaceutische bestanddelen, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen die tijdens gezondheidscrises, met name tijdens een pandemie, in de Unie nodig zijn. Bij de verordening moet derhalve steun worden verleend ten aanzien van maatregelen die de aankoop, het beheer, de opslag en de inzet van in een crisissituatie relevante goederen binnen de Unie bevorderen teneinde haar strategische autonomie te versterken en te voorzien in een betere continuïteit van de voorziening van medische tegenmaatregelen.
(13)Tijdens een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid op Unieniveau, zoals bedoeld in Verordening (EU, Euratom) 2022/2371, kan de vraag naar in een crisissituatie relevante medische tegenmaatregelen groter zijn dan het aanbod. In een dergelijke situatie is het van wezenlijk belang om de productie en vervaardiging van medische tegenmaatregelen op te schalen. Bijgevolg moet steun worden verleend voor maatregelen om productiecapaciteit te reserveren op het gebied van in een crisissituatie relevante medische tegenmaatregelen, met inbegrip van de benodigde grondstoffen en aanverwante benodigdheden en onderdelen.
(14)In tegenstelling tot gebruikelijke aanbestedingsactiviteiten vereisen aanbestedingsactiviteiten een zekere mate van flexibiliteit en responscapaciteit wanneer zij bedoeld zijn om te voorkomen dat mogelijke crisissituaties escaleren tot daadwerkelijke crisissituaties. Om een ernstige gezondheidscrisis te voorkomen, moet de verordening het derhalve mogelijk maken om nieuwe aanbestedende diensten toe te voegen zonder dat de drempelwaarde van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 wordt bereikt.
(15)Programma’s inzake capaciteitsopbouw en de toepassing en uitwisseling van onderzoek en innovatie zijn wezenlijke aspecten van de samenwerking op het gebied van de civiele bescherming. Ter versterking van het collectieve vermogen om rampen te voorkomen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren, alsook ter ondersteuning van de kennisuitwisseling binnen de civiele beschermingsgemeenschap en de toepassing van onderzoek in alle fasen van rampenrisicobeheersing, en ter verbetering van de samenwerking en kennisuitwisseling tussen actoren op het gebied van civiele bescherming en rampenrisicobeheersing, maatschappelijke organisaties, onderzoeksinstellingen en de onderzoeksgemeenschap moet het Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming (“kennisnetwerk”), dat is opgericht bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1956 van de Commissie, in stand worden gehouden en verder worden versterkt. In het kader van het kennisnetwerk moet worden voortgebouwd op het werk van en moet worden samengewerkt met bestaande structuren, waaronder civielebeschermingsdeskundigen, kenniscentra, universiteiten, onderzoekers en andere deskundigen, jonge professionals en ervaren vrijwilligers op het gebied van rampenbeheersing, alsook met alle actoren die betrokken zijn bij de rampenrisicobeheersing. Het kennisnetwerk moet tevens worden versterkt overeenkomstig de strategie voor een paraatheidsunie, namelijk door specifieke maatregelen te treffen op het gebied van de paraatheid van de bevolking en de publiek-private samenwerking. Het netwerk moet kennisuitwisseling en samenwerking met internationale organisaties en, overeenkomstig het institutionele en wettelijke kader van de lidstaten, samenwerking met regionale en lokale autoriteiten kunnen vergemakkelijken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de rol, de behoeften en de capaciteit ervan naar behoren in aanmerking worden genomen.
(16)Ter versterking van de capaciteit van de Unie om gezondheidscrises te voorkomen, zich erop voor te bereiden, erop te reageren en ze te beheersen, moet bij deze verordening steun worden verleend voor maatregelen in het kader van de aanvullende mechanismen en structuren die zijn ingesteld op grond van de desbetreffende crisisbeheersingsinstrumenten van de Unie, waarbij met name rekening wordt gehouden met de Europese toeleveringsketen. Die steun moet bestaan in capaciteitsopbouw op het gebied van de respons op gezondheidscrises, met inbegrip van noodplanning en paraatheid, onder meer ten aanzien van de impact van klimaatverandering op de gezondheid, preventieve maatregelen zoals die in verband met vaccinatie en immunisatie, versterkte bewakingsprogramma’s, en een betere coördinatie en samenwerking.
(17)Er moeten bepalingen worden vastgesteld om te voorzien in een kader voor de voortdurende evolutie van de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid. Deze doelstellingen moeten gebaseerd zijn op actuele en toekomstscenario’s, met inbegrip van de gevolgen van de klimaatverandering voor rampenrisico’s, gegevens over gebeurtenissen in het verleden en sectoroverschrijdende effectrapporten, waarbij tevens bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare groepen en gemeenschappen in kustgebieden, op eilanden of in andere regio’s die bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering, zoals stijging van de zeespiegel en overstromingen.
(18)In antwoord op de toenemende frequentie en ernst van door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen is het van wezenlijk belang en een zaak van collectieve verantwoordelijkheid om de intergenerationele veerkracht van de samenleving te versterken. Hiervoor moeten de collectieve middelen van jongeren- en maatschappelijke organisaties, media, onderwijs-, opleidings- en culturele instellingen, wetenschappelijke instellingen en de academische wereld, overheidsinstanties, sociale partners, de particuliere sector, lokale netwerken en gemeenschappen alsook burgers worden aangewend om te anticiperen op rampen en crises en deze te voorkomen, te beheersen en te boven te komen. Een doeltreffende paraatheid van de gehele bevolking, met inbegrip van vrouwen en groepen in kwetsbare situaties, kinderen, ouderen, vluchtelingen, mensen die behoren tot een raciale of etnische minderheid, zoals Roma, en personen met een handicap, alsook toeristen en personen die tijdelijk op het grondgebied van een lidstaat verblijven en die kunnen worden blootgesteld aan grensoverschrijdende risico’s, versterkt de veerkracht van de samenleving doordat ervoor wordt gezorgd dat iedereen, ongeacht zijn capaciteit, beschikt over de kennis, vaardigheden en middelen die nodig zijn om zich te beschermen tegen mogelijke risico’s en bedreigingen en om anderen daarbij te ondersteunen.
(19)Zoals uiteengezet in de strategie voor een paraatheidsunie heeft ingebouwde paraatheid betrekking op preventieve maatregelen, risicobeoordeling, adaptieve planning, betrokkenheid van belanghebbenden en veiligheidsoverwegingen in alle wetgeving, beleidsmaatregelen en programma’s van de Unie, met inbegrip van het economische en sociale beleid dat wordt gecoördineerd in het kader van het Europese Semester. Deze aanpak biedt een proactief kader dat alle desbetreffende belanghebbenden, zoals organisaties, gemeenschappen en autoriteiten, in staat stelt om te anticiperen op crises, ongeacht de oorsprong ervan, en om deze te voorkomen, te beheersen en te boven te komen. Door middel van de samenwerking tussen de publieke en private sector en door het bevorderen van de wetenschappelijke gemeenschap en de toepassing van onderzoeks- en innovatieresultaten, versterkt ingebouwde paraatheid het vermogen om verstoringen te voorkomen en te beheersen, worden levens, activa en het milieu beschermd en wordt de integriteit van kritieke infrastructuur gewaarborgd.
(20)Overwegingen inzake rampenrisicopreventie en -paraatheid moeten op systematische wijze worden opgenomen in de desbetreffende beleidsmaatregelen, programma’s en bestuursprocessen. Het Uniemechanisme moet er derhalve toe bijdragen om het beginsel van ingebouwde paraatheid te bevorderen, zoals uiteengezet in voornoemde strategie, onder meer door bij te dragen aan de ontwikkeling en verspreiding van risicokennis en operationele ervaring ter ondersteuning van een risicobewuste planning en besluitvorming die de paraatheid in alle sectoren verbetert.
(21)De COVID-19-pandemie heeft aangetoond dat gezondheidscrises multisectoraal van aard zijn, wat onderstreept hoe belangrijk het is gezondheidsoverwegingen op te nemen in een kader voor crisisbeheersing dat ook de onderhavige verordening omvat. Door maatregelen betreffende civiele bescherming in het kader van die bescherming te combineren met maatregelen betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied wordt gezorgd voor een uitgebreide, gecoördineerde aanpak van rampenbeheersing, waardoor uiteindelijk de veerkracht wordt vergroot en de bevolking wordt beschermd tegen een breed scala aan mogelijke risico’s en bedreigingen. Noodsituaties op gezondheidsgebied, zoals pandemieën, chemische, biologische, radiologische en nucleaire bedreigingen, resistentie tegen antimicrobiële middelen of de gezondheidseffecten van klimaatgerelateerde gebeurtenissen in verband met de toename van vectorziekten in Europa, kunnen verstrekkende gevolgen hebben, die verder reiken dan de gezondheidssector en die van invloed zijn op de sociale stabiliteit, het ecologische evenwicht of essentiële diensten die afhankelijk zijn van kritieke infrastructuur. De beoogde transversale aanpak kan de gevolgen van noodsituaties op gezondheidsgebied voorkomen of beperken alvorens zij escaleren tot crises. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan bevolkingsgroepen die in instellingen leven, zoals personen met een handicap of ouderen die langdurige zorg nodig hebben, die uiterst kwetsbaar zijn voor en in sterke mate worden getroffen door noodsituaties op gezondheidsgebied, zoals is gebleken uit de COVID-19-crisis.
(22)Hoewel de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen gezondheidsbeleid, moeten zij de volksgezondheid beschermen in een geest van Europese solidariteit, samenwerking en coördinatie. Die samenwerking moet de paraatheid voor en de preventie en beheersing van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen verbeteren. Paraatheid is van wezenlijk belang voor het vergroten van de veerkracht bij toekomstige bedreigingen. De ervaring met de COVID-19-pandemie heeft geleerd dat meer actie op het niveau van de Unie nodig is ter ondersteuning van de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten. Die samenwerking moet de paraatheid voor en de preventie en beheersing van grensoverschrijdende verspreiding van ernstige infecties en ziekten bij de mens verbeteren teneinde andere ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen te bestrijden en de gezondheid en het welzijn van alle inwoners van de Unie te verbeteren.
(23)In een context van snel toenemende risico’s en onzekerheid zet de Unie zich in om de veerkracht op verschillende gebieden te versterken, om zo doeltreffend te anticiperen op diverse uitdagingen en crises, deze te doorstaan en te boven te komen. In dat verband gaat de politieke verbintenis om te werken aan het Europees mechanisme voor civiele verdediging gepaard met een vastberaden politiek streven om adequate en flexibele regelingen beschikbaar te stellen voor een doeltreffende en efficiënte aanpak van sectoroverschrijdende, complexe en langdurige crises. Deze specifieke regelingen moeten worden toegepast op sectoroverschrijdende crises en tevens, maar niet uitsluitend, op situaties waarin een geïntegreerde politieke crisisrespons of een solidariteitsclausule is geactiveerd of die door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn uitgeroepen tot noodsituatie van internationaal belang op het gebied van de volksgezondheid, alsmede op noodsituaties die vallen onder andere instrumenten van de Unie die betrekking hebben op sectorale noodsituaties, bijvoorbeeld op het gebied van de interne markt, consulaire zaken, veiligheid, gezondheid en klimaat, waarbij de capaciteit die wordt geboden door het Uniemechanisme, kan helpen om de gevolgen van dergelijke crises te beheersen.
(24)De Unie moet voorbereid zijn op grootschalige, sectoroverschrijdende incidenten en crises, waaronder mogelijke militaire agressie ten aanzien van een of meerdere lidstaten. In de meeste crisissituaties dragen de nationale autoriteiten voor civiele bescherming de primaire verantwoordelijkheid. In steeds meer gevallen, zoals in het geval van noodsituaties op gezondheidsgebied, extreme weersomstandigheden en hybride aanvallen of cyberaanvallen, hebben de civiele autoriteiten evenwel militaire ondersteuning nodig. In het geval van gewapende agressie hebben strijdkrachten civiele bijstand nodig om ervoor te zorgen dat de staat en de samenleving kunnen blijven functioneren. Derhalve moet de interactie tussen civiele en militaire actoren worden verbeterd, zonder hun respectieve bevoegdheden te ondermijnen en in volledige samenwerking met de lidstaten. In aansluiting op de strategie voor een paraatheidsunie moeten de Commissie en de hoge vertegenwoordiger regelingen inzake de civiel-militaire paraatheid ontwikkelen. Deze regelingen moeten duidelijkheid verschaffen ten aanzien van de rollen, verantwoordelijkheden en prioriteiten van de instellingen, organen en agentschappen van de Unie en die van de lidstaten bij de voorbereiding van en de respons op incidenten en crises.
(25)Het gebruik van militaire middelen onder civiele leiding als laatste redmiddel kan een belangrijk aspect van de respons op rampen vormen. Wanneer bij civiele beschermingsoperaties wordt overwogen om gebruik te maken van militaire middelen, moeten bij de samenwerking met de krijgsmacht de specifieke voorwaarden, procedures en criteria van toepassing zijn die de Raad of zijn bevoegde organen hebben vastgesteld voor de beschikbaarstelling van militaire middelen voor de bescherming van de burgerbevolking aan het Uniemechanisme en moet de samenwerking in overeenstemming met de desbetreffende internationale richtsnoeren verlopen.
(26)Crises hebben vaak een sectoroverschrijdend karakter en gevolgen voor meerdere aspecten van de samenleving, en vereisen in een dergelijk geval een gecoördineerde en een geïntegreerde respons van diverse sectoren. Deze crises, of ze nu het gevolg zijn van natuurrampen of van noodsituaties op het gebied van de veiligheid of de volksgezondheid, overschrijden niet zelden de traditionele grenzen en hebben in dat geval gevolgen voor meerdere sectoren tegelijkertijd. Er moeten regels worden vastgesteld om het Uniemechanisme in staat te stellen om de sectoroverschrijdende crisisbeheersing doeltreffend te ondersteunen, in aanvulling op de maatregelen en procedures die bestaan in het kader van overige instrumenten van de Unie.
(27)De veelzijdige aard van sectoroverschrijdende crises vereist een uitgebreide en geïntegreerde aanpak van crisisbeheer, waarbij een nauwe en efficiënte samenwerking noodzakelijk is om de uitdagingen van dergelijke crises doeltreffend het hoofd te kunnen bieden. De nationale civiele beschermingsautoriteiten moeten bij de ondersteuning van het Uniemechanisme de primair bevoegde autoriteiten blijven. Tegelijkertijd moet er ter ondersteuning van de nationale inspanningen voor worden gezorgd dat de sectoroverschrijdende operaties op Unieniveau worden gecoördineerd, gemonitord en ondersteund. Derhalve moet een crisiscoördinatiehub (de “hub”) worden opgericht. De hub werkt samen met het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) en vult de functie ervan aan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande structuren en deskundigheid van het ERCC. Het ERCC zal zijn mandaat ter ondersteuning van het Uniemechanisme voortzetten en zal fungeren als centraal punt voor de operationele coördinatie met de autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de door de lidstaten gemachtigde entiteiten en de instellingen en organen van de Unie, alsmede de diensten van de Commissie. Om deze inspanningen ten volle te benutten, moeten regels worden vastgesteld die het mogelijk maken om de steun van de Unie voor de maatregelen van de lidstaten op te schalen, zodat de steun nauwkeurig aansluit bij de vraag en de urgentie van de behoeften. Om het externe optreden beter te koppelen aan de interne crisisrespons en om dubbel werk te voorkomen, moet de hub samen werken met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en met name ook met het crisisresponscentrum, met inachtneming van de rol en bevoegdheden van de hoge vertegenwoordiger.
(28)Om de samenhang met desbetreffende bestaande structuren te waarborgen, zal de crisiscoördinatiehub ook nauw samenwerken met de interne veiligheidsstructuur van de Commissie, onder meer door in de toekomst een centrum voor geïntegreerde beveiligingsoperaties (Integrated Security Operations Centre — ISOC) op te richten, zoals aangekondigd in de mededeling van de Commissie “ProtectEU: een Europese strategie voor interne veiligheid”. Indien nodig zullen de activiteiten van de hub worden afgestemd op de operationele standaardprocedures, communicatiemiddelen en beveiligingsprocedures van de Commissie, waardoor voor een maximale interoperabiliteit wordt gezorgd, de uitwisseling van informatie wordt vergemakkelijkt en de beveiliging van de activa van de Commissie wordt ondersteund.
(29)Bepalingen van deze verordening die gericht zijn tot de lidstaten, moeten worden beschouwd als bepalingen die tevens gericht zijn tot de geassocieerde landen. Hoewel deze verordening de uitvoering van andere risicobeheersingsinstrumenten van de Unie voor sectoroverschrijdende crises kan aanvullen, mogen landen die bij het Uniemechanisme zijn geassocieerd, niet bij de uitvoering van deze instrumenten worden betrokken, tenzij zij binnen het toepassingsgebied van het ondersteunde instrument vallen.
(30)In de regels moet worden vastgesteld dat verzoeken om bijstand in het kader van het Uniemechanisme kunnen worden ingediend door het getroffen land, ongeacht of het een lidstaat of een derde land betreft, alsook door de Verenigde Naties en de agentschappen ervan of door een internationale organisatie die daar specifiek voor is aangewezen. In dergelijke verzoeken om bijstand moet kunnen worden aangegeven welk soort civiele bescherming of welke hulp vereist is om de betreffende noodsituatie aan te pakken, ook wanneer het ingediende verzoek betrekking heeft op activa voor tweeërlei gebruik.
(31)Met steun van de Commissie en, in voorkomend geval, de delegaties van de Unie in derde landen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle passende maatregelen worden getroffen om de door hen aangeboden bijstandsmiddelen tijdig te vervoeren, ook wat betreft de voorbereiding van het vervoer en de beschikbaarheid en inzetbaarheid van dergelijke bijstandsmiddelen.
(32)Tijdelijke toewijzing van responscapaciteit in het kader van het Uniemechanisme moet mogelijk zijn in situaties waarin het risico op rampen in een lidstaat of in een derde land is toegenomen. Dat houdt in dat de middelen en responsteams tijdelijk worden ingezet om te anticiperen op gevaren die worden veroorzaakt door de natuur of de mens.
(33)Om de operationele gereedheid te waarborgen, met name in gebieden met een risico op bosbranden tijdens de zomer en in andere gebieden met terugkerende seizoensgebonden risico’s, moet het Uniemechanisme het mogelijk maken om responscapaciteit vooraf te stationeren in de lidstaten om dergelijke risico’s te kunnen aanpakken. Deze proactieve maatregel moet bijdragen tot een hogere gereedheid van de Unie bij het bestrijden van terugkerende rampen en moet de verwoestende gevolgen ervan voor levens, woningen en het milieu beperken. Tegelijkertijd moet er in het kader van deze maatregel voor worden gezorgd dat technische en operationele kennis wordt uitgewisseld in verschillende scenario’s en brandsituaties, dat de interoperabiliteit wordt versterkt en dat het concept van gastlandondersteuning wordt verbeterd ten behoeve van de responscapaciteit. Wanneer deze capaciteit en interventieteams tijdens de voorlopige stationering moeten worden ingezet om te reageren op een ramp, moeten de regels inzake respons van toepassing zijn, met name die welke betrekking hebben op de kosten van de exploitatie van de capaciteit.
(34)Door de stijgende temperaturen en langdurige droogteperiodes neemt ook in de Unie het risico op bosbranden toe, komen dergelijke branden steeds vaker voor en worden deze steeds heviger; tegelijkertijd blijft de beperkte beschikbaarheid van gespecialiseerde responscapaciteit, waaronder middelen voor de amfibische bosbrandbestrijding vanuit de lucht, een belangrijk punt van zorg en vormt dit de voornaamste operationele uitdaging voor de Unie wanneer zich meerdere bosbranden tegelijkertijd voordoen. Om te zorgen voor een soepele overgang naar de volledige uitvoering van rescEU, de reservecapaciteit op het niveau van de Unie die is ingesteld bij Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad, is het van wezenlijk belang dat de overgangsperiode van Besluit (EU) 2023/2671 van het Europees Parlement en de Raad wordt verlengd tot 2034. Daardoor kan de Unie nationale middelen voor blusvluchten blijven financieren en deze beschikbaar blijven stellen voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme terwijl de permanente rescEU-vloot voor bosbrandbestrijding vanuit de lucht geleidelijk aan wordt uitgebouwd. Die nieuwe middelen voor de brandbestrijding vanuit de lucht die worden gefinancierd in het kader van rescEU, worden thans ontwikkeld en zullen vanaf 2028 naar verwachting geleidelijk aan beschikbaar worden.
(35)Het Uniemechanisme kan worden ingezet om civiele bescherming te bieden ter ondersteuning van de consulaire bijstand aan EU-burgers die zijn getroffen door rampen in derde landen indien om dergelijke bijstand wordt verzocht door de lidstaten waarvan de door de ramp getroffen personen onderdaan zijn. Zo mogelijk moeten de betrokken lidstaten zich beijveren om dergelijke verzoeken onderling alsook met alle andere betrokken spelers te coördineren teneinde het Uniemechanisme optimaal te benutten en praktische moeilijkheden ter plaatse te voorkomen. Civiele bescherming ter ondersteuning van consulaire bijstand kan onder meer bestaan in repatriëring, begeleiding bij vertrek en evacuatie, onverminderd overige mogelijke maatregelen. Om dergelijke ondersteuning kan worden verzocht wanneer lidstaten niet in staat zijn om met commerciële middelen een snelle en doeltreffende evacuatie van EU-burgers te garanderen, gelet op het plotselinge karakter van de noodsituatie of de politieke of veiligheidssituatie, waardoor commerciële vluchten mogelijk ontoereikend, onbetrouwbaar of niet toegankelijk zijn. Voorts kan om steun worden verzocht in situaties waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn of in het kader van grootschalige repatriëringen, begeleide vertrekken en evacuaties, waarbij het gezamenlijke gebruik van vervoermiddelen (pooling) een efficiëntere en kosteneffectievere oplossing biedt. De lidstaat van de getroffen burgers of de lidstaat die de bijstand voor alle betrokken EU-burgers coördineert, kan ter ondersteuning van de consulaire bijstand financiële bijstand ontvangen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming. Om het in deze verordening verankerde beginsel van Europese solidariteit te bevorderen, moet financiële bijstand op progressieve basis worden verleend, rekening houdend met de verscheidene nationaliteiten van de EU-burgers die aan boord zijn van het betreffende vervoersmiddel. De lidstaat die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad consulaire bijstand verleent aan niet-vertegenwoordigde EU-burgers, kan passagiers of de lidstaten waarvan de burgers onder deze maatregel vallen, verzoeken om tegen marktconforme tarieven bij te dragen in de kosten van de betreffende actie. Wanneer lidstaten die dergelijke consulaire bijstand verlenen, financiële bijstand in het kader van het Uniemechanisme ontvangen, moet bij de vaststelling van de bijdrage van het Uniemechanisme rekening worden gehouden met de vergoedingen die op grond van die richtlijn worden gevraagd. Als aanvullende laag van civielebeschermingsbijstand kan de rescEU-capaciteit op het gebied van vervoer en logistiek ook worden benut voor civielebeschermingssteun aan consulaire bijstand.
(36)Om de leesbaarheid te vergroten en de rechtszekerheid te verhogen, moet de financiering van aanpassingskosten voor de doeleinden van responscapaciteit die is toegezegd aan de Europese pool voor civiele bescherming (ECPP), worden vereenvoudigd. Bovendien moet worden voorzien in meer financiering voor operationele kosten die worden gemaakt bij de inzet van de ECPP-capaciteit die bij responsacties in het kader van het Uniemechanisme is geregistreerd overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/704 van de Commissie.
(37)rescEU heeft zijn meerwaarde consequent bewezen in het kader van door de Unie gecoördineerde responsacties. Om de samenhang met de strategie te waarborgen, moet de Commissie, afhankelijk van de beschikbare financiële middelen, het rescEU-initiatief blijven versterken door de instandhouding van de bestaande capaciteit ervan te financieren en deze zo nodig uit te breiden, en door extra capaciteit tot stand te brengen. De ontwikkeling van rescEU-capaciteit moet alle vormen van aankoop omvatten, zoals aanbesteding, contractering, huur of leasing, ook ter zake van medische tegenmaatregelen. In dit verband en overeenkomstig het Unierecht en internationale verbintenissen moet het gebruik van in de Unie ontwikkelde of geproduceerde oplossingen worden bevorderd teneinde de strategische autonomie van de Unie en de veerkracht van kritieke toeleveringsketens te versterken. In uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de vereiste medische tegenmaatregelen niet zijn gedefinieerd in het kader van rescEU, zoals in het geval van actieve farmaceutische ingrediënten of onderzoeksproducten, kunnen ook voorraden buiten het Uniemechanisme worden aangelegd. De ervaring die is opgedaan tijdens de inzet van middelen in het kader van de COVID-19-pandemie, de respons van de Unie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de terugkerende bosbrandseizoenen, laat zien dat de regels voor het beheer en de snelle inzet van rescEU-capaciteit verder moeten worden gestroomlijnd om een snelle respons te kunnen garanderen.
(38)rescEU-capaciteit kan ook buiten de Unie worden ingezet wanneer een door de natuur of door de mens veroorzaakte ramp een aanzienlijke omvang bereikt en een internationaal punt van zorg vormt. Een dergelijke inzet moet worden overwogen wanneer de Unie er belang bij heeft om op de noodsituatie te reageren of wanneer een crisis gevolgen voor haar kan hebben, onder meer wanneer deze crisis een bedreiging vormt voor de EU-burgers, dringende maatregelen vereist en is gemeld in het kader van overige instrumenten van de Unie of internationale responsmechanismen.
(39)De samenwerking met de particuliere sector moet worden versterkt door schenkingen van goederen voor rampenbestrijding toe te wijzen aan de bestaande rescEU-capaciteit die door lidstaten wordt ondergebracht. Dergelijke schenkingen moeten worden toegewezen via de lidstaten die de rescEU-capaciteit onderbrengen en de kwaliteit ervan moet worden gegarandeerd alvorens de capaciteit beschikbaar te stellen. Er moeten regels worden vastgesteld voor het opzetten van logistieke hubs waar bijstandsmiddelen worden samengebracht of opslagplaatsen voor rescEU-voorraad die mogelijkerwijs wordt ontvangen van de particuliere sector.
(40)Door te zorgen voor de verdere ontwikkeling en de betere integratie van transnationale systemen voor opsporing, vroegtijdige waarschuwing en alarmering die van belang zijn voor de Unie, moet de Unie de lidstaten helpen bij het verkorten van de responstijd in het geval van rampen en het tijdig waarschuwen van de EU-burgers. Deze systemen moeten gebruikmaken van zowel bestaande als nieuwe informatiebronnen en infrastructuren en moeten ook de invoering van innovatieve technologieën actief bevorderen. Aangezien de lidstaten de primaire verantwoordelijkheid dragen voor het waarschuwen van hun bevolking, is het van wezenlijk belang dat de capaciteit van de lidstaten wordt versterkt, om er aldus voor te zorgen dat waarschuwingen doeltreffend worden verspreid en dat de bevolking in het geval van rampen in staat van paraat wordt gebracht.
(41)Ter verbetering van de paraatheid voor sector- en grensoverschrijdende en Uniebrede rampen moet de Unie de lidstaten in het kader van het Uniemechanisme alsook via bestaande instrumenten van de Unie ondersteunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van systemen voor openbare waarschuwing. Zo nodig moet in het kader van het Uniemechanisme gebruik worden gemaakt van de diensten die worden verleend door de ruimtesystemen van de Unie, zoals Galileo, Egnos, Copernicus en de overheidsdienst voor aardobservatie, IRIS2 en GOVSATCOM, alsook de diensten voor omgevingsbewustzijn in de ruimte. De vroegtijdigewaarschuwingscomponent van de dienst van Copernicus voor het beheer van noodsituaties, die bestaat uit het Europese waarschuwingssysteem voor overstromingen, het Europese bosbrandinformatiesysteem en de Europese waarnemingspost voor droogte, moet ertoe bijdragen dat de responstijd in het geval van rampen tot een minimum wordt beperkt. Deze middelen zijn belangrijke instrumenten op Unieniveau om ons doeltreffend te kunnen voorbereiden op rampen en crises in de Unie en daarbuiten en om er doeltreffend op te reageren.
(42)Het Uniemechanisme moet de analytische en wetenschappelijke capaciteit die vereist is om te voorzien in operationele paraatheid in het kader van een door de Unie gecoördineerde respons, consolideren en bundelen binnen een wetenschappelijke en technische adviesfaciliteit (STAF). Een dergelijke faciliteit fungeert als ondersteunende pijler voor het ERCC, de hub en de lidstaten. De wetenschappelijke en technische adviesfaciliteit verstrekt deskundige analyses en wetenschappelijke en technische inzichten en draagt ertoe bij dat de operationele paraatheid, de analyse en het situationele bewustzijn worden verbeterd. Ter aanvulling van het onderzoek en de ontwikkeling van de interne wetenschaps- en kennisdienst van de Commissie (Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek) moet in het kader van dit initiatief een dienstgerichte, op alle risico’s anticiperende en sectoroverschrijdende aanpak worden gehanteerd om te kunnen anticiperen op rampen en crises, erop voorbereid te zijn en deze aan te pakken.
(43)De afgelopen jaren is het Uniemechanisme herhaaldelijk geactiveerd om medische evacuaties te verrichten vanuit derde landen die zijn getroffen door rampen en waarvan de gezondheidszorgstelsels overbelast waren, met name in het geval van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de humanitaire crisis in Gaza en na de brand in een nachtclub in Noord-Macedonië, om ervoor te zorgen dat patiënten veilig worden overgebracht en behandeld in lidstaten en andere landen die bij het Uniemechanisme zijn aangesloten en die vrijwillig dergelijke steun hebben aangeboden. Derhalve moet de Unie bij grootschalige operaties een reeks maatregelen ondersteunen om de overbrenging van patiënten vanaf het verzoekende land naar de behandelende lidstaat te coördineren. Dergelijke maatregelen kunnen gepaard gaan met de inzet van een beoordelingsteam alsook met een kort verblijf in een lokale medische instelling of in een speciaal opgezette hub voor medische evacuatie. Derhalve moet in gemeenschappelijke regels worden vastgelegd welke activiteiten als onderdeel van een medische evacuatieoperatie worden gezien en welke voorwaarden en procedures moeten gelden voor het opzetten en exploiteren van hubs die bedoeld zijn om medische evacuaties te vergemakkelijken.
(44)Gelet op het belang van het bevorderen van internationale samenwerking op het gebied van civiele bescherming, en zonder afbreuk te doen aan de regels inzake de associatie van derde landen bij het Uniemechanisme, is het van wezenlijk belang dat de Commissie gecoördineerde inspanningen levert in samenspraak met derde landen die soortgelijke doelstellingen hebben op het gebied van rampenrisicobeheersing en civiele bescherming. Dit moet de Commissie in staat stellen om haar beleidsprioriteiten af te stemmen en haar operaties te coördineren met de nationale autoriteiten van derde landen die zijn aangewezen als strategische partnerlanden.
(45)Teneinde eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de beveiligingsvoorschriften van deze verordening op grond van de desbetreffende uitvoeringshandelingen te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(46)Voor de vaststelling van de betreffende uitvoeringshandelingen moet de onderzoeksprocedure worden gevolgd, aangezien die handelingen uitvoering geven aan rechtshandelingen van algemene strekking.
(47)Op grond van artikel 85, lid 1, van Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de regels en doelstellingen van de verordening en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het betreffende land of gebied overzee banden heeft.
(48)Het Uniemechanisme moet worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) [XXX]* van het Europees Parlement en de Raad [prestatieverordening], waarin de regels voor het traceren van uitgaven en het prestatiekader voor de begroting zijn vastgesteld, met inbegrip van regels voor het waarborgen van een uniforme toepassing van de beginselen van “geen ernstige afbreuk doen” en gendergelijkheid als bedoeld in respectievelijk artikel 33, lid 2, punten d) en f), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, regels voor het monitoren en rapporteren van de prestaties van programma’s en activiteiten van de Unie, regels voor de oprichting van een financieringsportaal van de Unie, regels voor de evaluatie van de programma’s, alsook overige horizontale bepalingen die van toepassing zijn op alle programma’s van de Unie, zoals die inzake informatie, communicatie en zichtbaarheid.
(49)Indien bijstand die wordt geboden in het kader van het Uniemechanisme, bijdraagt aan het humanitaire optreden van de Unie, in het bijzonder in complexe noodsituaties, moeten acties waarvoor financiële bijstand uit hoofde van deze verordening wordt ontvangen, in overeenstemming zijn met de humanitaire beginselen en met de beginselen inzake het inzetten van middelen voor civiele bescherming en militaire middelen in de zin van de Europese consensus over humanitaire hulp. Bij deze acties moet tevens rekening worden gehouden met overige door de Unie gefinancierde humanitaire noodhulp, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de acties worden afgestemd op de vastgestelde richtsnoeren en doelstellingen. Het Uniemechanisme komt in de plaats van het Uniemechanisme voor civiele bescherming dat is ingesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad.
(50)Besluit 1313/2013/EU moet derhalve worden ingetrokken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Hoofdstuk 1
Onderwerp, toepassingsgebied en definities
Artikel 1
Onderwerp
1.In deze verordening worden het Uniemechanisme voor civiele bescherming (het “Uniemechanisme”) en de steun van de Unie voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied vastgesteld. In deze verordening worden doelstellingen, de begroting voor de periode 2028-2034, de vormen van Uniefinanciering en de regels voor het verstrekken van dergelijke financiering vastgesteld.
2.Deze verordening voorziet in het bijzonder in:
a)regels voor de werking van het Uniemechanisme, met inbegrip van specifieke maatregelen inzake preventie, paraatheid en respons;
b)regels voor de werking van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) als het coördinerend orgaan van het Uniemechanisme;
c)regels voor de oprichting van de crisiscoördinatiehub (de “hub”) als algemene structuur ter bevordering van het situationele bewustzijn en de operationele sectoroverschrijdende paraatheid en coördinatie;
d)ondersteunende maatregelen voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied.
Artikel 2
Toepassingsgebied
1.Deze verordening heeft tot doel de bescherming van personen, het milieu en eigendommen alsmede cultureel erfgoed te waarborgen tegen alle door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen, met inbegrip van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen.
2.Deze verordening maakt een sectoroverschrijdende coördinatie mogelijk in situaties waarin andere crisisrespons- of risicobeheersingsmechanismen van de Unie worden toegepast. De bepalingen van de verordening doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de hoge vertegenwoordiger op het gebied van de externe dimensie van crises, met inbegrip van missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.
3.De verordening laat de verplichtingen uit hoofde van bestaande rechtshandelingen van de Unie of bestaande internationale overeenkomsten en de bevoegdheden van de Commissie inzake de veiligheid van het personeel, de activa en de informatie van de Commissie onverlet. Zij wordt uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan en in aanvulling op overige rechtshandelingen van de Unie waarbij specifieke regels zijn vastgesteld voor de respons op of de risicobeheersing van crises, met inbegrip van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied.
4.Titel II van deze verordening bevat de regels inzake:
a)preventie- en paraatheidsmaatregelen van de lidstaten;
b)acties in derde landen die betrekking hebben op de mobilisatie en uitzending van deskundigen en civielebeschermingsteams van de Europese Unie (“EUCP-teams”) die advies verstrekken inzake preventie- en paraatheidsmaatregelen en die hun medewerking verlenen op het gebied van opleiding en de uitwisseling van kennis en ervaring in het kader van het kennisnetwerk; en
c)maatregelen om naar aanleiding van een verzoek om bijstand overeenkomstig artikel 28 bijstand te verlenen bij de respons op een dreigende ramp of de onmiddellijke nadelige gevolgen van een ramp in de lidstaten of derde landen.
5.Titel III van deze verordening omvat voorschriften voor steun van de Unie voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied, met name op het gebied van de uitvoering van Verordening (EU) 2022/2371 en Verordening (EU) 2022/2372.
6.De in titel III bedoelde voorraden worden aangelegd overeenkomstig artikel 21, met uitzondering van medische tegenmaatregelen die niet zijn gedefinieerd als onderdeel van rescEU.
7.Bij de toepassing van de preventie-, paraatheids- en responsmaatregelen uit hoofde van deze verordening wordt rekening gehouden met de bijzondere behoeften van geïsoleerde, ultraperifere en andere regio’s of eilanden van de Unie op het gebied van preventie, paraatheid en respons.
8.Bij de respons in het kader van deze verordening wordt rekening gehouden met de bijzondere behoeften van de landen en gebieden overzee op het gebied van respons.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)“ramp”: elke situatie die, ongeacht de oorzaak ervan, ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor mensen, de volksgezondheid, het milieu, kritieke infrastructuur of eigendommen, waaronder cultureel erfgoed;
2)“crisis”: elke bestaande of dreigende ramp die gevolgen heeft of kan hebben voor meerdere sectoren tegelijk, onverminderd de betekenis van een “crisis” in de zin van artikel 2, punt 22, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, die van toepassing is op aanbestedingsprocedures;
3)“sector”: een specifiek gebied van onderling verbonden maatschappelijke activiteiten, regeringshandelingen en economische activiteiten, met name op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer, energie, veiligheid en overige activiteitengebieden die kwetsbaar zijn voor rampen;
4)“bijstand”: deskundigen, modules, andere responscapaciteit of teams voor technische bijstand en ondersteuning, alsook hun toerusting en bijstand in natura, met inbegrip van hulpgoederen of -voorraden, alsmede aanbiedingen van instellingen, agentschappen en organen van de Unie en overige capaciteit die vereist is om de onmiddellijke gevolgen van een ramp of crisis te verzachten;
5)“paraatheid”: een door een vooraf ondernomen actie bewerkstelligde staat van gereedheid en capaciteit op het gebied van menselijke en materiële middelen, structuren, stelsels, gemeenschappen en organisaties waardoor snel en doeltreffend kan worden gereageerd;
6)“preventie”: elke actie die gericht is op het verminderen van risico’s of het verzachten van de mogelijke nadelige gevolgen van een ramp voor mensen, de volksgezondheid, het milieu en eigendommen, waaronder cultureel erfgoed;
7)“Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid”: doelstellingen die in samenspraak met de lidstaten door de Commissie zijn vastgesteld op het gebied van de civiele bescherming en die zijn vastgesteld ter ondersteuning van preventie- en paraatheidsacties om de Unie en de lidstaten beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan de gevolgen van een ramp die in meerdere landen grensoverschrijdende gevolgen veroorzaakt of kan veroorzaken;
8)“Gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem” (Cecis): een door de Commissie ontwikkeld en onderhouden webplatform dat het mogelijk maakt om in real time informatie tussen de lidstaten en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) uit te wisselen;
9)“vroegtijdige waarschuwing”: de tijdige en doeltreffende verstrekking van informatie, waardoor maatregelen kunnen worden getroffen om risico’s en nadelige gevolgen van een ramp te voorkomen of deze te verminderen en om de paraatheid te bevorderen voor een doeltreffende respons;
10)“module”: een zelfvoorzienende en autonome, vooraf omschreven en taak- en behoeftegerichte samenstelling van capaciteit van de lidstaten of een mobiel operationeel team van de lidstaten waarvoor minimale technische vereisten zijn vastgesteld, bestaande uit een combinatie van menselijke en materiële middelen waarvan de interventie- en uitvoeringscapaciteit of de taak of taken die het kan uitvoeren, kunnen worden omschreven;
11)“team voor technische bijstand en ondersteuning” (TAST): de personele en materiële middelen die door een of meer lidstaten zijn toegewezen voor logistieke en ondersteunende taken;
12)“interventieteam”: een gespecialiseerde groep opgeleid personeel die is toegerust met de nodige middelen om snel en doeltreffend te kunnen reageren op de gevolgen van rampen, en die niet vooraf is toegewezen aan de Europese pool voor civiele bescherming of is opgericht in het kader van rescEU;
13)“civielebeschermingsteam van de Europese Unie” (EUCP-team): een team bestaande uit deskundigen en, indien nodig, een team voor technische bijstand en ondersteuning, dat door het ERCC op grond van een mandaat wordt geselecteerd en ingezet naar aanleiding van een verzoek om deskundigheid op het gebied van preventie of paraatheid dan wel een noodrespons in het kader van een lopend verzoek om bijstand;
14)“tweeërlei gebruik”: activa en capaciteit die in zowel een civiele als een militaire context kunnen worden ingezet;
15)“risicobeoordeling”: het algemene sectoroverschrijdende proces van het in kaart brengen, analyseren en beoordelen van risico’s op nationaal of passend subnationaal niveau;
16)“risicobeheersingsvermogen”: het vermogen van een lidstaat of van de regio’s ervan om de in zijn risicobeoordelingen vastgestelde risico’s te beperken, zich eraan aan te passen of, met name wat betreft de gevolgen en de waarschijnlijkheid ervan, deze te verzachten tot een voor die lidstaat aanvaardbaar niveau. Het risicobeheersingsvermogen wordt beoordeeld aan de hand van de technische, financiële en bestuurlijke capaciteit om adequate risicobeoordelingen te verrichten, risicobeheersingsplanning voor preventie en paraatheid op te stellen, en maatregelen inzake risicopreventie en paraatheid te treffen;
17)“gastlandondersteuning”: elke actie die in het kader van de paraatheids- en responsfase wordt ondernomen door het land dat bijstand ontvangt of zendt, of door de Commissie om voorzienbare belemmeringen voor de via het Uniemechanisme verstrekte internationale bijstand weg te nemen. Dergelijke steun omvat ondersteuning van de lidstaten om de doorvoer van de bijstand over hun grondgebied te vergemakkelijken;
18)“logistieke ondersteuning”: de essentiële uitrusting of diensten waarover de responscapaciteit moet beschikken om haar taken uit te kunnen voeren, met inbegrip van de oprichting van logistieke hubs;
19)“medische evacuatie”: een reeks gecoördineerde acties die het mogelijk maken om personen die medische zorg nodig hebben op een georganiseerde wijze vanuit rampgebieden te vervoeren naar de geschikte medische voorzieningen in een lidstaat of in het geval van EU-burgers ook in derde landen;
20)“hub voor medische evacuatie”: een transitfaciliteit die is opgezet in het kader van het Uniemechanisme en waar geëvacueerde patiënten en hun begeleiders tijdelijk worden opgevangen, een medische triage wordt verricht, patiënten worden gestabiliseerd en 24 uur per dag en 7 dagen per week zorg ontvangen en waar, indien nodig, onder de coördinatie van het ERCC het vervoer van die patiënten naar de betreffende zorginstellingen van een lidstaat wordt georganiseerd; de hub voor medische evacuatie omvat de fysieke locatie, het medisch en logistiek personeel, de apparatuur en de ondersteunende diensten die vereist zijn om ervoor te zorgen dat patiënten veilig worden overgedragen van de verzoekende staat naar het land dat medische behandeling aanbiedt;
21)“operationele kosten”: alle kosten voor de inzet van capaciteit of een deskundige of EUCP-team in het kader van een operatie. Dergelijke kosten kunnen onder meer betrekking hebben op personeelskosten, internationaal en lokaal vervoer, logistiek, veiligheid, verbruiksgoederen en benodigdheden, onderhoud en andere kosten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de capaciteit doeltreffend wordt benut;
22)“vervoerskosten”: kosten in verband met de verplaatsing van vervoersmiddelen en logistieke middelen naar de plaats die is aangegeven door de verzoekende lidstaat, het verzoekende derde land of de verzoekende organisatie, met inbegrip van kosten voor diensten, honoraria, logistieke en afhandelingskosten en overige vervoersbehoeften in verband met een respons, brandstof en mogelijke verblijfskosten, alsmede andere indirecte kosten zoals belastingen, heffingen in het algemeen en doorvoerkosten;
23)“geassocieerd land”: een derde land dat met de Unie een overeenkomst heeft gesloten om onder dezelfde voorwaarden als de lidstaten deel te nemen aan acties in het kader van deze verordening. Verwijzingen naar lidstaten worden geacht ook van toepassing te zijn op geassocieerde landen, tenzij anders is bepaald;
24)“medische tegenmaatregelen”: medische tegenmaatregelen in de zin van artikel 3, punt 10, van Verordening (EU) 2022/2371;
25)“ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen”: bedreigingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2022/2371, alsmede radiologische en nucleaire bedreigingen.
Hoofdstuk 2
Doelstellingen en financiële bepalingen
Artikel 4
Doelstellingen
1.De algemene doelstelling van deze verordening is om de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten te versterken voor het voorkomen van, de voorbereiding op en de respons op alle door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen, voor de beheersing van de gevolgen ervan, alsook op ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen die zich zowel in als buiten de Unie kunnen voordoen, evenals situaties waarin deze tegelijkertijd gevolgen hebben voor meerdere sectoren.
2.De in lid 1 bedoelde algemene doelstelling wordt nagestreefd aan de hand van de hiernavolgende specifieke doelstellingen:
a)versterken van het begrip van en de anticipatie op rampenrisico’s en -dreigingen, met inbegrip van die welke verband houden met de klimaatverandering en de volksgezondheid, en proactief bijdragen aan het voorkomen of beperken van de mogelijke gevolgen ervan; stimuleren van de preventie en de paraatheid; en verbeteren van de samenwerking tussen autoriteiten voor civiele bescherming, gezondheidsinstanties en andere relevante autoriteiten;
b)vergemakkelijken van capaciteitsopbouw op Unieniveau en in de lidstaten, met name via het kennisnetwerk, meer bepaald door het begrip en gebruik van onderzoeks- en innovatieresultaten op het gebied van rampen en crises te bevorderen en deze te vergroten, door capaciteitsopbouwprogramma’s aan te bieden en uit te voeren, met inbegrip van opleiding en oefeningen, collegiale toetsingen (peerreviews), de inzet van deskundigen en EUCP-teams die advies geven over preventie- en paraatheidsmaatregelen, alsook andere deskundigheid, en door technische en financiële bijstand te verlenen ter ondersteuning van strategieën, plannen en investeringen, en door de preventie, paraatheid en veerkracht te bevorderen;
c)versterken van de paraatheid in de lidstaten en op Unieniveau, met inbegrip van alle niveaus van de samenleving, om te kunnen reageren op rampen, met name i) met de steun van het ERCC en de hub, en van de door deze organisaties opgezette communicatie- en informatiestructuren voor coördinatie tussen de autoriteiten van de lidstaten en de bestaande crisisbeheersingsstructuren van de Unie en het daaruit voortvloeiende situationele bewustzijn, ii) door het ondersteunen van de ontwikkeling en instandhouding van doeltreffende vroegtijdigewaarschuwingssystemen om dreigende rampen te herkennen en te melden, zodat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om de gevolgen ervan te voorkomen of te beperken, iii) door het ontwikkelen en in stand houden van responscapaciteit, door de interoperabiliteit daarvan te versterken en door het potentieel voor tweeërlei gebruik in crisissituaties te onderzoeken, iv) door ervoor te zorgen dat overwegingen inzake rampenrisicopreventie en -paraatheid worden opgenomen in het beleid en in de financiële kaders op nationaal niveau en Unieniveau, zodat de veerkracht op de lange termijn wordt versterkt, v) door het bevorderen van de paraatheid en de veerkracht van alle actoren en belanghebbenden, met inbegrip van alle overheidsniveaus, civiele en militaire autoriteiten, het maatschappelijke middenveld en de particuliere sector, alsook de verlening van essentiële maatschappelijke diensten om algemene paraatheid van de bevolking en de veerkracht van de samenleving te versterken;
d)vergemakkelijken van snelle en efficiënte responsmaatregelen in de Unie, ook in de in artikel 9, lid 1, bedoelde landen, en buiten de Unie, naar aanleiding van een verzoek om bijstand overeenkomstig artikel 28;
e)ondersteunen van de lidstaten en de Unie bij het organiseren van hun paraatheid en respons op sectoroverschrijdende crises, met name door de bijstand op te schalen teneinde de intensiteit en de gevolgen van crises aan te pakken en door, waar nodig, de crisisrespons die is gestart in het kader van andere crisisrespons- of risicobeheersingsinstrumenten van de Unie, te ondersteunen, onder meer via de hub, en door de samenwerking en coördinatie tussen de relevante civiele en militaire actoren te ondersteunen, met name door ervoor te zorgen dat uitgebreide civiel-militaire paraatheidsregelingen tot stand worden gebracht;
f)versterken van de inspanningen van de lidstaten en de Unie op het gebied van paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied door:
i) het vermogen inzake preventie van, paraatheid voor en snelle respons op ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen te versterken, met name door het beleid inzake gezondheidsbeveiliging en daarmee verband houdende oplossingen te ondersteunen en de gegevensverzameling en systemen voor vroegtijdige waarschuwing en bewaking te verbeteren;
ii) de levering van medische tegenmaatregelen te verbeteren door de beschikbaarheid en toegankelijkheid ervan te vergroten, met name door middel van het aanleggen van reservecapaciteit, aankoop, opslag en inzet; en
iii) coördinatieacties en het versterken van de capaciteitsopbouw.
Artikel 5
Civiel-militaire paraatheid en samenwerking van de Unie
De Commissie werkt samen met de hoge vertegenwoordiger om:
a)in overleg met de lidstaten bij te dragen aan de ontwikkeling van maatregelen ter verbetering van de civiel-militaire paraatheid en de coördinatie van responsmaatregelen binnen de Unie;
b)regelingen te ontwikkelen om de rollen en verantwoordelijkheden te verduidelijken en prioriteiten vast te stellen voor de voorbereiding en respons op rampen en crises in de Unie, alsmede voor de gehele Unie geldende scenario’s uit te werken die kunnen dienen als basis voor opleidingen en oefeningen op Unieniveau, goede praktijken, met inbegrip van operationele standaardprocedures, en mechanismen voor een doeltreffende samenwerking en communicatie in crisissituaties.
Artikel 6
Begroting
1.De indicatieve financiële middelen voor de uitvoering van de verordening voor de periode 2028-2034 belopen, in huidige prijzen, 10 675 000 000 EUR.
2.Vastleggingen in de begroting voor activiteiten waarvan de uitvoering zich uitstrekt over meer dan één begrotingsjaar, mogen worden verdeeld in jaartranches.
3.Ook na 2034 kunnen nog kredieten in de begroting van de Unie worden opgenomen ter dekking van de nodige uitgaven en voor het beheer van acties die in 2034 nog niet zijn voltooid.
4.De financiële middelen van lid 1 van dit artikel en de bedragen van de in artikel 7 bedoelde aanvullende middelen kunnen ook worden benut voor technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van de verordening, zoals activiteiten op het gebied van de voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, institutionele informatietechnologiesystemen en -platforms, informatie- en communicatieactiviteiten, met inbegrip van institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, en alle andere uitgaven gerelateerd aan technische en administratieve bijstand of personeel die de Commissie uit hoofde van deze verordening doet voor het beheer.
5.In aanvulling op artikel 12, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 worden de vastleggings- en betalingskredieten die nog niet zijn benut aan het eind van het begrotingsjaar waarvoor zij zijn opgenomen, in de jaarlijkse begroting automatisch overgedragen en kunnen zij respectievelijk tot en met 31 december van het volgende jaar worden vastgelegd en betaald. De overgedragen kredieten worden uitsluitend benut voor responsacties. De overgedragen kredieten zijn de eerste kredieten die worden gebruikt in het volgende begrotingsjaar.
Artikel 7
Aanvullende middelen
6.Lidstaten, instellingen, organen en agentschappen van de Unie, derde landen, internationale organisaties, internationale financiële instellingen of andere derde partijen kunnen in het kader van deze verordening aanvullende financiële of niet-financiële bijdragen leveren. Aanvullende financiële bijdragen zijn externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2, punt a), d) of e), of artikel 21, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
7.Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen ter beschikking worden gesteld in het kader van deze verordening. De Commissie geeft op directe of indirecte wijze uitvoering aan die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, punten a) of c), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. Deze middelen vormen een aanvulling op het in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde bedrag. Deze middelen worden benut ten voordele van de betrokken lidstaat. Indien de Commissie geen juridische verbintenis in direct of indirect beheer is aangegaan voor aldus uit hoofde van de verordening ter beschikking gestelde aanvullende bedragen, kunnen de betreffende niet-vastgelegde bedragen op verzoek van de betrokken lidstaat weer worden overgedragen naar een of meer respectieve bronprogramma’s of aan de opvolgers ervan.
Artikel 8
Alternatieve, gecombineerde en cumulatieve financiering
1.Deze verordening wordt uitgevoerd in synergie met programma’s van de Unie. Aan een actie waaraan een bijdrage van de Unie uit een ander programma is toegekend, kan tevens een bijdrage uit hoofde van de onderhavige verordening worden toegekend. De regels van het desbetreffende programma van de Unie zijn van toepassing op de betreffende bijdrage of er kan één reeks regels worden toegepast op alle bijdragen en één juridische verbintenis worden aangegaan. Indien alle bijdragen van de Unie op basis van subsidiabele kosten worden verstrekt, mag de cumulatieve steun uit de begroting van de Unie niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en kan deze op pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.
2.Toekenningsprocedures in het kader van deze verordening moeten gezamenlijk worden uitgevoerd in direct of indirect beheer met lidstaten, instellingen, organen en instanties van de Unie, derde landen, internationale organisaties, internationale financiële instellingen, of andere derde partijen (“partners bij de gezamenlijke toekenningsprocedure”), op voorwaarde dat de bescherming van de financiële belangen van de Unie wordt gewaarborgd. Dergelijke procedures zijn onderworpen aan één reeks regels en leiden tot de sluiting van één juridische verbintenis. Daartoe kunnen de partners bij de gezamenlijke toekenningsprocedure middelen ter beschikking stellen van het Unieprogramma overeenkomstig artikel 7 van deze verordening, of kunnen de partners worden belast met de uitvoering van de toekenningsprocedure, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 62, lid 1, punt c), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. Vertegenwoordigers van de partners bij de gezamenlijke toekenningsprocedure kunnen ook lid zijn van het evaluatiecomité als bedoeld in artikel 153, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
Artikel 9
Geassocieerde derde landen
1.De associatie uit hoofde van deze verordening kan volledig of gedeeltelijk van aard zijn en kan worden opengesteld voor de volgende derde landen, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 4 en de desbetreffende internationale overeenkomsten of besluiten die in het kader van die overeenkomsten zijn vastgesteld en van toepassing zijn op:
a)leden van de Europese Vrijhandelsassociatie die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, alsook Europese microstaten;
b)toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten;
c)landen van het Europese nabuurschapsbeleid;
d)overige derde landen.
2.De associatieovereenkomsten inzake deelname in het kader van deze verordening:
a)waarborgen een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het in het kader van deze verordening geassocieerde derde land;
b)bepalen de voorwaarden voor deelname in het kader van deze verordening, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen, bestaande uit een operationele bijdrage en een deelnamevergoeding en de algemene administratiekosten;
c)worden zo opgesteld dat uit hoofde van deze verordening geen besluitvormingsbevoegdheid wordt toegekend;
d)waarborgen de rechten van de Unie om voor een goed financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen;
e)waarborgen, in voorkomend geval, de bescherming van de belangen van de Unie op het gebied van veiligheid en openbare orde.
Voor de toepassing van punt d) verleent het derde land de rechten en toegang die vereist zijn uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, en waarborgt het dat executoriale besluiten die een geldelijke verplichting inhouden op grond van artikel 299 VWEU, alsook arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie, executoriale titel vormen.
Artikel 10
Uitvoering en vormen van Uniefinanciering
1.Deze verordening wordt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 uitgevoerd, in direct beheer of in indirect beheer met entiteiten als bedoeld in artikel 62, lid 1, punt c), van die verordening.
2.Financiering door de Unie kan worden verstrekt in elke vorm die in overeenstemming is met Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en niet-financiële schenkingen.
3.De Commissie kan in het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 rechtstreekse subsidies aan lidstaten toekennen zonder oproep tot het indienen van voorstellen voor acties.
4.Subsidies die worden toegekend in het kader van de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 4, lid 2, kunnen worden benut in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, banken in de Unie of geassocieerde landen, of van andere ontwikkelingsbanken of openbare financiële instellingen, alsook in combinatie met financiering van particuliere financiële instellingen en van investeerders uit de overheidssector of de particuliere sector, al dan niet via publiek-publieke of publiek-private partnerschappen.
5.Indien Uniefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een subsidie, wordt de financiering verstrekt als niet aan kosten gekoppelde financiering of, indien nodig, als vereenvoudigde kostenopties, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. Financiering mag alleen in de vorm van een terugbetaling van daadwerkelijke subsidiabele kosten worden verstrekt wanneer de doelstellingen van een actie niet anderszins kunnen worden verwezenlijkt.
6.Voor de toepassing van artikel 153, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 kan het evaluatiecomité geheel of gedeeltelijk uit onafhankelijke externe deskundigen bestaan.
Artikel 11
Subsidiabiliteit
1.Er worden subsidiabiliteitscriteria vastgesteld ter ondersteuning van de verwezenlijking van de overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 in artikel 4, lid 2, vastgestelde doelstellingen, die op alle toekenningsprocedures in het kader van deze verordening van toepassing zijn.
2.Bij toekenningsprocedures in direct en indirect beheer kunnen een of meer van de volgende juridische entiteiten in aanmerking komen voor financiering van de Unie:
a)entiteiten die zijn gevestigd in een lidstaat;
b)entiteiten die zijn gevestigd in een geassocieerd derde land;
c)internationale organisaties;
d)andere in niet-geassocieerde derde landen gevestigde entiteiten, indien de financiering van dergelijke entiteiten van wezenlijk belang is voor de uitvoering van de actie en bijdraagt tot de in artikel 4, lid 2, vastgestelde doelstellingen.
3.In aanvulling op artikel 168, leden 2 en 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 kunnen geassocieerde derde landen als bedoeld in artikel 9, lid 1, van de onderhavige verordening ook deelnemen aan en profiteren van alle aanbestedingsmechanismen als bedoeld in artikel 168, leden 2 en 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. Niet-geassocieerde derde landen kunnen aan de in artikel 168, leden 2 en 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde aanbestedingsprocedures deelnemen indien dat vereist is om de in artikel 4 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken en indien alle deelnemende landen daarmee instemmen.
4.Toekenningsprocedures die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde, met name met betrekking tot strategische activa en belangen van de Unie of haar lidstaten, worden beperkt overeenkomstig artikel 136 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
5.Bij toekenningsprocedures voor subsidies komen acties niet voor financiering in aanmerking wanneer deze acties of delen daarvan reeds volledig uit andere publieke of particuliere bronnen worden gefinancierd, met uitzondering van bijdragen van de Unie in het kader van de in artikel 8 bedoelde synergieacties.
6.In het in artikel 110 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde werkprogramma of de documenten met betrekking tot de toekenningsprocedure kunnen de in de onderhavige verordening vastgestelde subsidiabiliteitscriteria nader worden gespecificeerd of aanvullende criteria voor specifieke acties worden vastgesteld.
Artikel 12
Werkprogramma
De verordening wordt uitgevoerd door middel van in artikel 110 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde werkprogramma’s.
TITEL II
CIVIELE BESCHERMING
Hoofdstuk 1
Risicobeoordeling en risicobeheersingsplanning
Artikel 13
Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid
De Commissie zorgt in samenwerking met de lidstaten voor de verdere ontwikkeling van Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid op het gebied van civiele bescherming en stelt aanbevelingen vast om de doelstellingen vast te leggen als gemeenschappelijke basis ter ondersteuning van preventie- en paraatheidsacties. Die doelstellingen zijn gebaseerd op huidige en toekomstscenario’s, ook op basis van ruimtegegevens van Copernicus, en scenario’s met betrekking tot de gevolgen van de klimaatverandering voor rampenrisico’s, gegevens over gebeurtenissen in het verleden en sectoroverschrijdende impactstudies, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen. Bij het formuleren van Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid houdt de Commissie rekening met terugkerende rampen die lidstaten treffen en stelt zij voor dat de lidstaten specifieke maatregelen nemen, waaronder maatregelen die moeten worden uitgevoerd met gebruikmaking van Uniemiddelen, om de bestendigheid tegen dergelijke rampen te vergroten.
Artikel 14
Nationale risicobeoordeling en risicobeheersingsplanning
Om een doeltreffende en samenhangende aanpak van preventie en paraatheid in het kader van het Uniemechanisme te bevorderen, moeten de lidstaten:
a)rampenrisicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau verder ontwikkelen en ervoor zorgen dat deze worden gecoördineerd met en worden afgestemd op andere relevante risicobeoordelingsprocessen en dat de niet-gevoelige resultaten van die beoordelingen openbaar beschikbaar zijn om het bewustzijn en de paraatheid van de bevolking te vergroten;
b)de beoordeling van het vermogen inzake rampenrisicobeheersing op nationaal of passend subnationaal niveau verder ontwikkelen;
c)de planning inzake rampenrisicobeheersing op nationaal of passend subnationaal niveau verder ontwikkelen en verfijnen, onder meer ten aanzien van grensoverschrijdende samenwerking en risico’s met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen, rekening houdend met de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid, en ervoor zorgen dat deze planning wordt gecoördineerd met en wordt afgestemd op andere relevante planningsprocessen;
d)ervoor zorgen dat gegevens over verliezen bij rampen op nationaal of passend subnationaal niveau beter worden verzameld en worden verspreid in overeenstemming met internationale verbintenissen, onder meer door beter gebruik te maken van ruimtegegevens.
Artikel 15
Uitwisseling van nationale informatie inzake risicobeheersing
Om een gemeenschappelijk inzicht in rampenrisico’s en -dreigingen op Unieniveau te bevorderen en gemeenschappelijke behoeften op het gebied van capaciteitsopbouw voor rampenrisicobeheersing in kaart te brengen, de uitvoering van de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid te ondersteunen en ervoor te zorgen dat goede praktijken worden uitgewisseld, doen de lidstaten, onverminderd de nationale regels en procedures, de Commissie uiterlijk op 31 december 2028 een samenvatting toekomen overeenkomstig de richtsnoeren als bedoeld in artikel 16, lid 2, en vervolgens minstens om de vijf jaar:
a)risicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau, met inbegrip van een beoordeling van risico’s of rampen die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben;
b)een beoordeling van het vermogen inzake rampenrisicobeheersing en de responscapaciteit op nationaal of passend subnationaal niveau;
c)activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van de Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid;
d)investeringsbehoeften op het gebied van rampenrisicobeheersing die steun vereisen in het kader van de desbetreffende instrumenten van de Unie of die baat bij kunnen hebben bij dergelijke steun.
Artikel 16
Op Unieniveau ondernomen acties inzake risicobeoordeling en risicobeheersingsplanning
1.Ter vergroting van het inzicht in de rampenrisico’s waarmee de Unie wordt geconfronteerd en ter bevordering van de gecoördineerde paraatheid, en op basis van de in artikel 15 bedoelde samenvattingen en rekening houdend met alle overige beschikbare sectoroverschrijdende gegevens, met inbegrip van ruimtegegevens, die betrekking hebben op de identificatie van risico’s, waaronder op Unieniveau, alsook met de werkzaamheden van het kennisnetwerk, heeft de Commissie tot taak:
a)minstens om de vijf jaar een verslag op te stellen met een sectoroverschrijdend overzicht van de risico’s inzake door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen waarmee de Unie wordt geconfronteerd, alsook van de voortgang die is geboekt bij de uitvoering van artikel 14 en de in artikel 13 bedoelde Uniedoelstellingen inzake rampbestendigheid;
b)op Unieniveau rampscenario’s inzake preventie, paraatheid en respons uit te werken en deze regelmatig te herzien;
c)minstens om de vijf jaar een verslag op te stellen over de responscapaciteit en het relevante vermogen op Unieniveau, en over de resterende leemten in de responscapaciteit op nationaal of passend subnationaal niveau als bedoeld in artikel 15, punt b), rekening houdend met de desbetreffende capaciteits- en prestatiedoelstellingen. Het verslag biedt ook een overzicht van de budgettaire en kostenontwikkelingen in verband met responscapaciteit, en een beoordeling van de noodzaak om deze capaciteit verder te ontwikkelen.
2.De Commissie zorgt er samen met de lidstaten voor dat richtsnoeren inzake de indiening van de in artikel 15 bedoelde samenvatting worden uitgewerkt en bijgewerkt.
3.De Commissie kan de lidstaten verzoeken om aanvullende informatie betreffende specifieke preventie- en paraatheidsmaatregelen in verband met risico’s die kunnen leiden tot vaak voorkomende of bijzonder ingrijpende rampen, en kan indien nodig:
a)voorstellen deskundigen in te zetten om advies inzake preventie- en paraatheidsmaatregelen te verlenen; of
b)aanbevelingen formuleren om het preventie- en paraatheidsniveau in de betrokken lidstaat te verbeteren. De Commissie en die lidstaat houden elkaar op de hoogte van eventueel naar aanleiding van dergelijke aanbevelingen getroffen maatregelen.
Hoofdstuk 2
Capaciteitsopbouw en paraatheid
Artikel 17
Instrumenten voor capaciteitsopbouw
De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het versterken van hun capaciteit om risico’s aan te pakken en doet dat door toegang te verlenen tot instrumenten zoals opleidings- en oefenprogramma’s, technische en financiële bijstand, collegiale toetsingen (peerreviews), de inzet van deskundigen en EUCP-teams die advies verlenen over preventie- en paraatheidsmaatregelen, en overige vormen van deskundigheid, leren en kennisuitwisseling alsook ondersteuning bij de toepassing van de onderzoeks- en innovatieresultaten op het gebied van rampenrisicobeheersing.
Artikel 18
Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming
1.Het kennisnetwerk verzamelt, verwerkt en verspreidt kennis en informatie die relevant is voor het Uniemechanisme en ondersteunt samenwerkingsinitiatieven van actoren op het gebied van civiele bescherming en rampenrisicobeheersing in de Unie, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, lokale en regionale overheden, de particuliere sector en de onderzoeksgemeenschap, en dit op basis van een multirisicobenadering.
2.De Commissie houdt via het kennisnetwerk naar behoren rekening met de deskundigheid die beschikbaar is in de lidstaten, met inbegrip van de deskundigheid op alle bestuursniveaus, op Unieniveau, op het niveau van andere internationale organisaties en entiteiten, op het niveau van derde landen en op het niveau van organisaties die ter plaatse actief zijn.
3.De Commissie en de lidstaten bevorderen een genderevenwichtige en inclusieve deelname aan de oprichting en werking van het kennisnetwerk.
4.De Commissie ondersteunt via het kennisnetwerk de coherentie van plannings- en besluitvormingsprocessen door de voortdurende uitwisseling van kennis en informatie tussen alle activiteitsgebieden in het kader van het Uniemechanisme te faciliteren.
5.De Commissie ondersteunt de lidstaten via het kennisnetwerk bij het vergroten van het bewustzijn van de bevolking ten aanzien van rampenrisico’s.
6.Via het netwerk zal de Commissie met name:
a)bijdragen aan het collectieve vermogen om rampen te voorkomen, zich erop voor te bereiden en er doeltreffend op te reageren, en zal zij de kennisuitwisseling en -verwerving ondersteunen en investeringen in rampenrisicobeheersing bevorderen. Dat betreft onder meer:
i)het opzetten en beheren van programma’s voor financiële bijstand ter verbetering van de risicobeheersing en de kennisuitwisseling en ter bevordering van investeringen en plannen inzake preventie en paraatheid;
ii) het opzetten en beheren van een opleidings- en oefenprogramma en een programma voor de uitwisseling van deskundigen op het gebied van civiele bescherming en rampen- en crisisbeheersing dat betrekking heeft op preventie, paraatheid en respons. De programma’s zijn gericht op en bevorderen de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van civiele bescherming en rampen- en crisisbeheersing en omvatten gezamenlijke cursussen. De uitwisseling van deskundigheid op het gebied van rampen- en crisisbeheersing omvat de uitwisseling van beroepsbeoefenaren en ervaren vrijwilligers. De opleidings- en oefenprogramma’s en de programma’s voor de uitwisseling van deskundigen hebben tot doel om de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en de Commissie op het gebied van civiele bescherming en rampen- en crisisbeheersing te versterken, de coördinatie van en de verenigbaarheid en complementariteit met de in de artikelen 20 en 21 bedoelde capaciteit te verbeteren en de in artikel 33 bedoelde bekwaamheid van deskundigen te vergroten;
iii)het opzetten en beheren van programma’s voor het verstrekken en uitwisselen van deskundigheid;
b)zorg dragen voor een betere verspreiding en toepassing van onderzoeks- en innovatieresultaten in alle fasen van civiele bescherming en rampenrisicobeheersing, en stimuleren van de interactie tussen onderzoeks- en innovatieresultaten, de particuliere sector en de autoriteiten van de lidstaten;
c)ervoor zorgen dat ervaring die in het kader van het Uniemechanisme is opgedaan bij civielebeschermingsacties, wordt verzameld en beheerd, waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten uit de gehele rampenbeheersingscyclus teneinde een brede basis te leggen voor de leerprocessen en de kennisontwikkeling. Dit omvat:
i)het monitoren, analyseren en evalueren van alle relevante acties op het gebied van civiele bescherming binnen het Uniemechanisme;
ii)het bevorderen van de toepassing van de geleerde lessen om een op ervaring gebaseerd fundament te leggen voor het ontwikkelen van activiteiten in het kader van de rampenbeheersingscyclus; en
iii)het ontwikkelen van methoden en hulpmiddelen voor het verzamelen, analyseren, bevorderen en toepassen van geleerde lessen.
Deze actie omvat, indien van toepassing, uit interventies buiten de Unie geleerde lessen met betrekking tot het benutten van verbanden en synergieën tussen in het kader van het Uniemechanisme verstrekte bijstand en humanitaire respons;
d)het onderhouden van een ten dienste van het kennisnetwerk staand onlineplatform, met als doel de uitvoering van de verschillende in de punten a), b) en c) bedoelde taken te ondersteunen en te vergemakkelijken.
7.Bij de uitvoering van de in lid 1 genoemde taken houdt de Commissie in het bijzonder rekening met de behoeften en belangen van lidstaten die met soortgelijke rampenrisico’s worden geconfronteerd, alsook met de noodzaak om de bescherming van de biodiversiteit en het cultureel erfgoed te versterken.
8.De Commissie versterkt de samenwerking inzake capaciteitsopbouw en de toepassing van onderzoeks- en innovatieresultaten en bevordert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen het netwerk en internationale organisaties en derde landen, met name om bij te dragen tot het nakomen van internationale afspraken, in het bijzonder de afspraken van het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030.
9.Daarnaast bevordert het netwerk de operationele toepassing van door de Unie gefinancierde innovatieve oplossingen en ondersteunt het de lidstaten bij het vaststellen en toepassen van geavanceerde technologieën en benaderingen, onder meer via innovatiegerichte aanbestedingen en publiek-private partnerschappen.
10.De organisatie van het Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming wordt vastgesteld in een uitvoeringshandeling, die wordt vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 19
Algemene paraatheidsacties
1.De lidstaten ontwikkelen op vrijwillige basis responscapaciteit overeenkomstig artikelen 20 en 21.
2.De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het vergroten van het bewustzijn van de bevolking ten aanzien van rampenrisico’s.
3.Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie de toewijzing van responscapaciteit en interventieteams op stand-by-basis ondersteunen en coördineren, onder meer ten aanzien van opleiding, oefeningen, kennisuitwisseling en de verbetering van de interoperabiliteit van beschikbare capaciteit en interventieteams.
4.De lidstaten kunnen, met inachtneming van passende veiligheidswaarborgen, informatie verstrekken over relevante militaire responscapaciteit die kan worden gebruikt als onderdeel van de bijstand in het kader van het Uniemechanisme, zoals vervoer en logistieke of medische ondersteuning.
5.De lidstaten verstrekken de Commissie relevante informatie over de deskundigen, modules en andere responscapaciteiten die zij beschikbaar stellen voor bijstand via het Uniemechanisme, en actualiseren deze informatie wanneer dat nodig is.
6.De lidstaten ondernemen passende paraatheidsacties om in voorkomend geval de gastlandondersteuning te faciliteren.
7.De Commissie reikt medailles uit om langdurige inzet voor en buitengewone bijdragen aan het Uniemechanisme te erkennen en te eren. Medailles worden uitgereikt in overeenstemming met de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.Onverminderd artikel 9 kan de Commissie beleidsprioriteiten coördineren en, indien nodig, operationele activiteiten coördineren, met de nationale autoriteiten van een derde land dat is aangewezen als een strategisch partnerland en dat dezelfde doelstellingen op het gebied van civiele bescherming nastreeft of waarmee de Unie een veiligheids- en defensieovereenkomst heeft gesloten.
Artikel 20
Europese pool voor civiele bescherming
1.De Europese pool voor civiele bescherming (ECPP) is een pool van vrijwillig beschikbaar gestelde responscapaciteit van de lidstaten en omvat modules, andere responscapaciteit, categorieën deskundigen en teams voor technische bijstand en ondersteuning (TAST). De Commissie stelt regels voor de aanwijzing van deskundigen, modules en andere responscapaciteit van de lidstaten vast, alsook operationele voorschriften voor de werking en interoperabiliteit van modules en de inzet ervan, in een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2.De door een lidstaat via de ECPP verleende bijstand vormt een aanvulling op de bestaande capaciteit in de verzoekende lidstaat, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten voor rampenpreventie en -respons op hun grondgebied.
3.Op basis van de vastgestelde risico’s en eventuele bestaande scenario’s als bedoeld in artikel 16, lid 1, punt b), bepaalt en preciseert de Commissie bij uitvoeringshandelingen de soorten en de hoeveelheid cruciale responscapaciteit die nodig is voor de ECPP (“responscapaciteitsdoelen”). Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4.De Commissie monitort in samenwerking met de lidstaten de vorderingen bij de verwezenlijking van de responscapaciteitsdoelen die zijn uiteengezet in de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen, en brengt potentieel belangrijke responscapaciteitstekorten in de ECPP in kaart. Indien dergelijke tekorten zijn vastgesteld, gaat de Commissie na of de lidstaten de noodzakelijke capaciteit elders dan in de ECPP kunnen vinden. De Commissie moedigt de lidstaten aan om aanzienlijke tekorten in de responscapaciteit van de ECPP aan te vullen overeenkomstig het in artikel 16, lid 1, punt c), bedoelde verslag.
5.Door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, stelt de Commissie een procedure vast ten aanzien van de certificering en registratie van de responscapaciteit die door de lidstaten aan de ECPP beschikbaar wordt gesteld, beheert zij die procedure en stelt zij passende kwaliteits- en interoperabiliteitseisen vast.
6.De lidstaten stellen de responscapaciteit vast die zij op vrijwillige basis aan de ECPP beschikbaar stellen, wijzen deze capaciteit toe en registreren de capaciteit, met inbegrip van relevante militaire capaciteit die in het kader van verleende bijstand kan worden ingezet. Multinationale modules die worden geleverd door twee of meer lidstaten, worden door de betrokken lidstaten gezamenlijk geregistreerd.
7.De responscapaciteit die de lidstaten aan de ECPP beschikbaar stellen, blijft te allen tijde beschikbaar voor nationale doeleinden.
8.De responscapaciteit die de lidstaten aan de ECPP beschikbaar stellen, wordt beschikbaar gesteld voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC. De definitieve beslissing over de inzet ervan wordt genomen door de lidstaten die de betrokken responscapaciteit hebben geregistreerd. Een lidstaat die wegens een binnenlandse noodsituatie, overmacht of, in uitzonderlijke gevallen, om ernstige redenen niet in staat is deze responscapaciteit voor een specifieke ramp beschikbaar te stellen, stelt de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk onder verwijzing naar dit artikel in kennis.
9.Wanneer de responscapaciteit van de lidstaten wordt ingezet, blijft deze onder hun leiding en controle staan en kan zij in overleg met de Commissie worden teruggetrokken wanneer een lidstaat wegens een binnenlandse noodsituatie, overmacht of, in uitzonderlijke gevallen, om ernstige redenen niet in staat is deze responscapaciteit beschikbaar te houden. Waar nodig faciliteert de Commissie de coördinatie van de verschillende responscapaciteiten via het ERCC overeenkomstig artikel 25.
Artikel 21
rescEU
1.rescEU verleent bijstand in aanvulling op de algehele bestaande responscapaciteit op nationaal niveau en de responscapaciteit die door de lidstaten is toegezegd aan de ECPP, of voorziet in operationele behoeften ter waarborging van een doeltreffende en snelle respons op verzoeken om bijstand overeenkomstig artikel 28.
2.De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de responscapaciteit vast waaruit rescEU wordt samengesteld, onder meer op basis van de risicobeoordelingen van de Unie overeenkomstig artikel 16, lid 1, rekening houdend met de vastgestelde en nieuwe risico’s en de totale capaciteit en tekorten op Unieniveau. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3.De rescEU-capaciteit wordt aangeschaft, gehuurd, geleaset of anderszins gecontracteerd door of gedoneerd aan de lidstaten.
4.rescEU-capaciteit, zoals gedefinieerd door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, kan door de Commissie worden gehuurd, geleaset of anderszins gecontracteerd voor zover dit nodig is om de tekorten op het gebied van vervoer en logistiek aan te vullen.
5.In naar behoren gemotiveerde dringende gevallen kan de Commissie capaciteit aankopen, huren, leasen of anderszins contracteren door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde spoedprocedure. Die uitvoeringshandelingen:
a)leggen het noodzakelijke soort en de noodzakelijke hoeveelheid materiële middelen vast, evenals, indien nodig, de ondersteunende diensten die reeds als rescEU-capaciteit zijn gedefinieerd, en/of
b)definiëren aanvullende materiële middelen en, indien nodig, ondersteunende diensten als rescEU-capaciteit en stellen het noodzakelijke soort en de noodzakelijke hoeveelheid van die capaciteit vast.
6.rescEU-capaciteit wordt ondergebracht bij de lidstaten of bij de Commissie. De Commissie en de lidstaten zorgen waar passend voor een adequate geografische spreiding van rescEU-capaciteit.
7.De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen in overleg met de lidstaten kwaliteitseisen vast voor de responscapaciteit die deel uitmaakt van rescEU. De kwaliteitseisen zijn gebaseerd op erkende internationale standaarden voor zover dergelijke standaarden reeds bestaan. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.De rescEU-capaciteit, met inbegrip van capaciteit voor tweeërlei gebruik, mag alleen voor nationale doeleinden worden gebruikt wanneer deze niet gebruikt wordt of vereist is voor responsmaatregelen.
9.rescEU-capaciteit wordt gebruikt, onder meer voor inzet, nationaal gebruik, lening of schenkingen, inclusief voor het beheer van strategische rescEU-reserves, overeenkomstig de uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 35, lid 2.
10.De rescEU-capaciteit is voor respons beschikbaar wanneer via het ERCC een passend verzoek om bijstand is ingediend overeenkomstig artikel 28. Het besluit over de inzet en de demobilisatie ervan en besluiten in het geval van strijdige verzoeken worden door de Commissie genomen via het ERCC, in nauwe samenwerking met de verzoekende lidstaat en met de lidstaat die de responscapaciteit beschikbaar stelt.
11.Wanneer de rescEU-capaciteit bestaat uit uitrusting of verbruiksgoederen, kan de Commissie via het ERCC besluiten om de aangeboden rescEU-capaciteit te schenken of uit te lenen.
12.De lidstaat op het grondgebied waarvan rescEU-capaciteit wordt ingezet, is verantwoordelijk voor het sturen van de responsoperaties. In geval van inzet buiten de Unie zijn de lidstaten waarbij rescEU-capaciteit is ondergebracht, ervoor verantwoordelijk dat rescEU-capaciteit volledig in de algehele respons wordt geïntegreerd.
13.In geval van inzet van rescEU-capaciteit komt de Commissie via het ERCC de operationele aspecten ervan overeen met de verzoekende lidstaat. De verzoekende lidstaat faciliteert de operationele coördinatie van zijn eigen capaciteit met de rescEU-activiteiten tijdens de operaties.
14.Waar nodig faciliteert de Commissie de coördinatie van de verschillende aspecten van de responscapaciteit via het ERCC.
15.De lidstaten worden via het Cecis op de hoogte gesteld van de operationele status van rescEU-capaciteit.
16.Afhankelijk van de operationele behoeften in de lidstaten kan rescEU-capaciteit ook worden ingezet in het geval van rampen en crises buiten de Unie die aanzienlijke gevolgen hebben voor de Unie of haar lidstaten of die van internationaal belang zijn.
17.Wanneer rescEU-capaciteit wordt ingezet in derde landen, kunnen lidstaten in specifieke gevallen, in overeenstemming met de uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, weigeren om hun eigen personeel in te zetten.
Artikel 22
rescEU-overgangsregelingen
1.Tot 2034 kan steun van de Unie worden verstrekt om 75 % te dekken van de kosten die moeten worden gemaakt om snelle toegang te garanderen tot nationale capaciteit die overeenkomt met de in artikel 21, lid 2, beschreven capaciteit.
2.De in lid 1 bedoelde capaciteit wordt tot het einde van de daarin bedoelde datum aangemerkt als rescEU-capaciteit.
3.In afwijking van artikel 21 wordt het besluit over de inzet van de in lid 1 bedoelde capaciteit genomen door de lidstaat die deze als rescEU-capaciteit beschikbaar heeft gesteld. De lidstaat die wegens een binnenlandse noodsituatie, overmacht of, in uitzonderlijke gevallen, om ernstige redenen niet in staat is deze capaciteit voor een specifieke ramp beschikbaar te stellen, stelt de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk onder verwijzing naar dit artikel in kennis.
Artikel 23
Anticiperen en vroegtijdig waarschuwen
1.In samenwerking met de lidstaten onderneemt de Commissie de volgende acties om de capaciteit inzake anticipatie en vroegtijdige waarschuwing te verbeteren, daarbij voortbouwend op de ruimtevaartcapaciteit van de Unie die wordt geboden door Copernicus, Galileo en, zo nodig, door andere ruimtevaartdiensten:
a)verder verbeteren van grensoverschrijdende opsporings- en vroegtijdigewaarschuwingssystemen die van belang zijn voor de Unie om de onmiddellijke gevolgen van rampen te verzachten;
b)integreren en verbeteren van bestaande grensoverschrijdende detectie- en vroegtijdigewaarschuwingssystemen aan de hand van een multirisicobenadering, met als doel de responstijd tot een minimum te beperken;
c)het vermogen voor situationeel bewustzijn en analyse onderhouden en verder ontwikkelen;
d)monitoren van rampen en, zo nodig, beoordelen van de gevolgen van klimaatverandering, advies verstrekken op basis van wetenschappelijke kennis;
e)wetenschappelijke gegevens omzetten in bruikbare operationele informatie;
f)tot stand brengen, in stand houden en bevorderen van Europese wetenschappelijke partnerschappen die betrekking hebben op alle gevaren, waardoor de onderlinge koppeling van nationale systemen voor vroegtijdige waarschuwing en alarmering wordt bevorderd en deze systemen mogelijkerwijs worden gekoppeld aan het ERCC en aan de desbetreffende IT-systemen;
g)ondersteunen van de inspanningen van de lidstaten en gemandateerde internationale organisaties door wetenschappelijke kennis, innovatieve technologieën en deskundigheid beschikbaar te stellen ten behoeve van de ontwikkeling van hun vroegtijdigewaarschuwingssystemen, onder meer via het kennisnetwerk.
2.Een wetenschappelijke en technische faciliteit bundelt bestaande initiatieven, programma’s, instrumenten en diensten, zoals de Copernicus-diensten, om met wetenschappelijke en technische deskundigheid bij te dragen aan de operationele paraatheid, de analyse en het situationele bewustzijn van de hub, het ERCC en de lidstaten, teneinde te kunnen anticiperen op rampen en crises, zich erop voor te bereiden en erop te reageren volgens een dienstgerichte, alle risico’s omvattende en sectoroverschrijdende aanpak.
3.Wanneer diensten in noodsituaties worden verleend door Galileo en Egnos, Copernicus, IRIS2 en GOVSATCOM, of het systeem voor omgevingsbewustzijn in de ruimte, kan elke lidstaat besluiten om daar gebruik van te maken.
Artikel 24
Systemen voor openbare waarschuwing
1.De Commissie werkt samen met de lidstaten om ervoor te zorgen dat de Galileo-satellietdienst voor noodwaarschuwing wordt geïntegreerd in de nationale systemen voor openbare waarschuwing.
2.De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het verbeteren van de paraatheid en het bewustzijn van de bevolking ten aanzien van lopende waarschuwingen in de gehele Unie.
3.In het geval van een grensoverschrijdende ramp kunnen de hub en het ERCC ervoor zorgen dat informatie over het gebruik van de Galileo-satellietdienst voor noodwaarschuwing wordt uitgewisseld tussen de betrokken landen. Op verzoek van een lidstaat kunnen de hub en het ERCC namens die lidstaat publiekswaarschuwingsberichten in die lidstaat verspreiden via de Galileo-satellietdienst voor noodwaarschuwing.
4.De Commissie stelt procedures vast voor het gebruik van de Galileo-satellietdienst voor noodwaarschuwing om derde landen bij te staan wanneer zij daarom verzoeken.
5.Bij de in lid 3 bedoelde publiekswaarschuwingsberichten kan rekening worden gehouden met de diensten van de Unie voor omgevingsbewustzijn in de ruimte, met name met de diensten voor ruimtebewaking en -monitoring.
Artikel 25
Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC)
1.Het ERCC verbetert het gemeenschappelijke situationele bewustzijn van risico’s die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, alsook de 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbare operationele capaciteit, en staat ten dienste van de lidstaten en de Commissie voor de verwezenlijking van de doelstellingen in deze verordening.
2.Het ERCC werkt nauw samen met de nationale civiele beschermingsautoriteiten en de relevante instellingen en organen van de Unie.
3.Het ERCC coördineert, monitort en ondersteunt in real time de respons op het niveau van de Unie.
4.Het ERCC heeft toegang tot operationele en analytische capaciteit en capaciteit op het gebied van monitoring, informatiebeheer en communicatie en is toegerust om door de Unie gerubriceerde informatie te ontvangen en deze te verwerken, teneinde een breed scala van rampen binnen en buiten de Unie aan te pakken.
5.De lidstaten wijzen contactpunten aan voor de werking van het ERCC en stellen de Commissie daarvan in kennis. De interactie tussen het ERCC en de contactpunten van de lidstaten wordt bepaald in een uitvoeringshandeling, die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 26
Crisiscoördinatiehub
1.Onverminderd artikel 25 wordt hierbij een crisiscoördinatiehub (de “hub”) opgericht. De hub bouwt voort op de structuur en de capaciteit van het ERCC, met inbegrip van zijn analytische en wetenschappelijke capaciteit, situationele bewustzijn en 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbare operationele capaciteit ten aanzien van sectoroverschrijdende crises.
2.De hub werkt op het gebied van de externe dimensie van sectoroverschrijdende crises nauw samen met het crisisresponscentrum van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en neemt daarbij zijn taken en bevoegdheden in acht.
3.De hub anticipeert op en monitort risico’s in verband met sectoroverschrijdende crises, onder meer door regelmatig operationele vooruitzichten inzake sectoroverschrijdende risico’s op alle mogelijke gevaren op te stellen.
4.De hub zorgt voor coördinatie met de nationale autoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig lid 5, de diensten van de Commissie en de instellingen en organen van de Unie, en verleent ondersteuning in de in artikel 29, lid 1, bedoelde situaties.
5.De lidstaten wijzen de contactpunten voor de werking van de hub aan en stellen de Commissie daarvan in kennis.
Hoofdstuk 3
Respons
Artikel 27
Kennisgeving van rampen
1.Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden met grensoverschrijdende of mogelijk grensoverschrijdende effecten, stelt de lidstaat waar de ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, de lidstaten die mogelijk door de ramp worden getroffen, evenals de Commissie, daarvan onverwijld in kennis. Kennisgeving aan de Commissie is niet vereist indien aan de verplichting tot kennisgeving reeds is voldaan op grond van andere Uniewetgeving, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of van bestaande internationale overeenkomsten.
2.Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden die waarschijnlijk zal leiden tot een verzoek om bijstand van een of meer lidstaten, brengt de lidstaat waar de ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, de Commissie er onverwijld van op de hoogte wanneer een mogelijk verzoek om bijstand via het ERCC kan worden verwacht, zodat de Commissie zo nodig de overige lidstaten kan inlichten en haar bevoegde diensten in staat van paraatheid kan brengen.
3.De in de leden 1 en 2 bedoelde kennisgevingen gebeuren zo nodig via het Cecis. De Commissie stelt de componenten van het Cecis en de organisatie van de informatie-uitwisseling via het Cecis vast door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4.De hub voorziet in een passend kader voor de ontvangst van de kennisgevingen inzake crises die door de Commissie worden ontvangen in het kader van andere instrumenten van de Unie.
Artikel 28
Verzoek om bijstand
1.Wanneer een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, kan de getroffen lidstaat of het getroffen derde land via het ERCC om bijstand verzoeken. Dit verzoek is zo concreet mogelijk. Een dergelijk verzoek kan met name betrekking hebben op modules, interventieteams, goederen en uitrusting voor rampenbestrijding, logistieke middelen, vervoermiddelen en overige middelen. De Commissie stelt de operationele procedures inzake respons bij rampen vast door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2.In uitzonderlijke omstandigheden en wanneer geen verzoek om bijstand van een getroffen derde land wordt ingediend, kan een lidstaat om humanitaire redenen verzoeken om het Uniemechanisme te activeren. De activering van het Uniemechanisme geschiedt in overeenstemming met het toepasselijke internationale recht en derhalve met de (expliciete of impliciete) toestemming van het getroffen land. De algemene respons wordt gecoördineerd met de Verenigde Naties en met de agentschappen ervan, en houdt in dat aangeboden bijstand daadwerkelijk wordt aanvaard en geleverd.
3.Wanneer het getroffen land een derde land is, kunnen ook de Verenigde Naties en de agentschappen ervan of een bevoegde internationale organisatie namens en met instemming van het getroffen land om bijstand verzoeken. De Commissie wijst de bevoegde internationale organisaties aan door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4.Een verzoek om bijstand komt te vervallen na een maximum van 90 dagen, tenzij nieuwe elementen bij het ERCC worden ingediend die de noodzaak van voortgezette of aanvullende bijstand rechtvaardigen.
5.De wetenschappelijke en technische adviesfaciliteit (STAF) bundelt de bestaande analytische en wetenschappelijke capaciteit, waaronder die van het ERCC, die nodig is voor de respons. Een getroffen land kan het ERCC verzoeken om de wetenschappelijke en technische adviesfaciliteit in te schakelen, inclusief de diensten van de ruimtevaartcapaciteit van de Unie, alsook om toegang te krijgen tot ruimtegegevens.
6.Na ontvangst van een verzoek om bijstand gaat de Commissie via het ERCC onverwijld over tot, voor zover van toepassing:
a)het doorzenden van het verzoek naar de contactpunten van lidstaten;
b)het verzamelen en analyseren van informatie over de situatie om gemeenschappelijke kennis omtrent de situatie en de respons op de situatie te genereren, en het rechtstreeks doorgeven van die informatie aan de lidstaten;
c)het vergemakkelijken van de coördinatie en verlening van bijstand, indien nodig door de aanwezigheid ter plaatse van een deskundige of een EUCP-team, en door aanvullende noodzakelijke ondersteunende en aanvullende actie;
d)het verstrekken van advies over het soort bijstand dat vereist is om de gevolgen van een ramp te verzachten;
e)het in overleg met de getroffen lidstaat of het getroffen derde land doen van aanbevelingen om de bijstand via het Uniemechanisme te kunnen verlenen, en het verzoeken van de lidstaten om capaciteit in te zetten en de coördinatie van de vereiste bijstand te vergemakkelijken. Wanneer het verzoekende land een lidstaat is, onderneemt het de vereiste acties om gastlandondersteuning voor de binnenkomende bijstand te vergemakkelijken in overeenstemming met de aanbeveling inzake gastlandondersteuning.
7.Wanneer het getroffen land een derde land is, is het de taak van de Commissie om:
a)met het getroffen land contacten te onderhouden over technische details, zoals de precieze behoefte aan bijstand, de aanvaarding van aangeboden bijstand en de praktische regeling van de lokale ontvangst en de distributie van de bijstand;
b)contacten te onderhouden met of steun te verlenen aan de Verenigde Naties en de agentschappen ervan en samen te werken met andere betrokken actoren die bijdragen tot de algehele noodhulpinspanning, om te komen tot maximale synergie en complementariteit en om overlappingen en leemten te voorkomen;
c)contacten te onderhouden met alle betrokken actoren, met name in de eindfase van de bijstand, om een probleemloze overdracht te bevorderen.
8.Een lidstaat die via het Uniemechanisme om bijstand wordt verzocht, bepaalt onverwijld of het de vereiste bijstand kan verlenen en stelt het ERCC via het Cecis in kennis van zijn besluit om bijstand te verlenen, met vermelding van de omvang en de voorwaarden ervan. Het ERCC houdt de lidstaten op de hoogte.
9.Interventies buiten de Unie als bedoeld in dit artikel, kunnen hetzij als autonome bijstandsinterventie, hetzij als bijdrage tot een door een internationale organisatie geleide interventie worden uitgevoerd. De coördinatie door de Unie wordt volledig geïntegreerd in de algemene coördinatie door de Verenigde Naties en de agentschappen ervan, waarbij de leidende rol van deze organisaties in acht wordt genomen. In geval van door de mens veroorzaakte rampen of complexe noodsituaties ziet de Commissie toe op de conformiteit met de Europese consensus over humanitaire hulp en op de eerbiediging van de humanitaire beginselen.
10.De Commissie en de lidstaten bepalen en bevorderen de synergie tussen de bijstand op het gebied van civiele bescherming en financiële middelen voor humanitaire hulp die door de Unie en de lidstaten worden verstrekt bij het plannen van responsoperaties in geval van humanitaire crises buiten de Unie.
11.De coördinatie van bijstand aan derde landen via het Uniemechanisme doet geen afbreuk aan bilaterale contacten en bijstand tussen lidstaten en het getroffen land, noch aan de samenwerking tussen lidstaten en de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties. Dergelijke bilaterale contacten en bijstand kunnen ook worden benut om bij te dragen aan de coördinatie via het Uniemechanisme en aan de doorgifte aan het ERCC van informatie over bilaterale contacten en over de bijstand die aan het getroffen land is verleend.
12.Bijstand kan worden aangeboden door andere instellingen, agentschappen en organen van de Unie en kan worden gecoördineerd als onderdeel van de respons op grond van dit artikel.
Artikel 29
Ondersteuning bij sectoroverschrijdende crises
1.Van de hub kan gebruik worden gemaakt om ondersteuning te bieden bij sectoroverschrijdende crises wanneer:
a) de respons in gang wordt gezet in het kader van andere risicobeheersingsinstrumenten van de Unie;
b)sprake is van in artikel 2, lid 1, punt b), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1993 van de Raad bedoelde gevallen;
c)sprake is van in artikel 4 van Besluit 2014/415/EU van de Raad bedoelde gevallen;
d)om steun wordt verzocht door de Raad;
e)sprake is van een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid op Unieniveau overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2022/2371 of een verklaring van de WHO waarin een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang wordt afgekondigd.
2.In de in lid 1 bedoelde gevallen kan de Uniesteun op het gebied van respons tot 100 % van de kosten dekken, afhankelijk van de omvang en de gevolgen van de crisis.
3.In de in lid 1 bedoelde gevallen kan de Commissie materiële middelen en alle noodzakelijke ondersteunende diensten aankopen die nodig zijn om de bijstand in het kader van het Uniemechanisme aan te vullen of subsidies aan de lidstaten verlenen voor dergelijke aankopen.
4.Wanneer in het kader van het Uniemechanisme steun wordt verleend voor respons of wanneer de hub helpt bij respons die is ingezet in het kader van andere risicobeheersingsinstrumenten van de Unie, wordt het toepassingsgebied van die instrumenten in aanmerking genomen bij het bepalen of geassocieerde landen kunnen deelnemen aan acties uit hoofde van dit hoofdstuk.
Artikel 30
Consulaire bijstand
1.In uitzonderlijke omstandigheden, en indien de betrokken lidstaat een daartoe strekkend verzoek indient, kan het Uniemechanisme ook worden gebruikt voor het verlenen van steun in het kader van civiele bescherming voor consulaire bijstand aan EU-burgers die in een derde land in een rampsituatie verkeren.
2.De civielebeschermingssteun voor consulaire bijstand moet blijk geven van de solidariteit tussen de lidstaten en moet met name repatriëring, evacuatie en begeleiding bij vertrek, alsmede overige hulpmaatregelen behelzen.
3.De omvang van de steun van de Unie kan worden aangepast afhankelijk van het aantal verschillende nationaliteiten onder de EU-burgers die onder de betrokken maatregel vallen.
4.De lidstaat die de consulaire bijstand verleent, kan de passagiers of de lidstaten waarvan de burgers onder de betrokken maatregel vallen, verzoeken om bij te dragen in de kosten van de betreffende maatregel. Wanneer bijstand wordt verleend aan EU-burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat die niet vertegenwoordigd is in een derde land in de zin van artikel 6 van Richtlijn (EU) 2015/637, zijn de artikelen 14 en 15 van die richtlijn van toepassing.
Hoofdstuk 4
Uniesteun op het gebied van respons
Artikel 31
Uniesteun op het gebied van respons
1.De Commissie ondersteunt de respons als bedoeld in artikel 32 door:
a)het verstrekken en uitwisselen van informatie over uitrusting en over vervoer- en logistieke middelen die de lidstaten besluiten beschikbaar te stellen, om het bundelen van deze uitrusting en deze vervoer- en logistieke middelen te vergemakkelijken;
b)het bijstaan van de lidstaten bij het bepalen welke uitrusting en welke vervoer- en logistieke middelen kunnen worden verkregen uit andere bronnen, waaronder de commerciële markt, en het bevorderen van de toegang tot deze middelen;
c)het financieren van vervoer- en logistieke middelen, met inbegrip van financiering voor militaire middelen alsook operationele kosten die vereist zijn om te voorzien in een snelle respons, ook wanneer door het getroffen land om die vervoer- en logistieke middelen wordt verzocht.
2.De in artikel 32 bedoelde acties komen alleen in aanmerking voor Uniesteun op het gebied van respons als aan de volgende criteria is voldaan:
a)overeenkomstig artikel 28 is een verzoek om bijstand ingediend;
b)de aanvullende vervoer- en logistieke middelen zijn nodig voor een doeltreffende rampenrespons;
c)de bijstand is in overeenstemming met de door het ERCC vastgestelde behoeften en wordt geleverd overeenkomstig de aanbevelingen van het ERCC betreffende technische specificaties, kwaliteit, tijdstip en voorwaarden voor levering;
d)de bijstand is door het verzoekende land rechtstreeks of via de Verenigde Naties, een VN-organisatie of een andere bevoegde internationale organisatie aanvaard in het kader van het Uniemechanisme; en
e)de bijstand vormt een aanvulling, in het geval van rampen in derde landen, op alle humanitaire hulpverlening van de Unie.
3.Wanneer een lidstaat de Commissie verzoekt een contract te sluiten voor de levering van vervoersdiensten, verzoekt de Commissie om gedeeltelijke vergoeding van de kosten overeenkomstig de in bijlage I vermelde financieringspercentages.
Artikel 32
Respons
1.Om een doeltreffende respons te bevorderen, ondersteunt de Commissie de lidstaten die bijstand bieden door:
a)uitrusting, vervoer- en logistieke middelen en diensten in kaart te brengen en er toegang toe te krijgen op de commerciële markt of via andere door de Commissie beschikbaar gestelde bronnen, zoals vervoersdiensten die worden betrokken bij particuliere of andere entiteiten, en door ervoor te zorgen dat ook de lidstaten makkelijker toegang tot dergelijke middelen hebben;
b)informatie te verstrekken en te delen over uitrusting, vervoer- en logistieke middelen en diensten door middel van pooling met andere lidstaten, en de oprichting en instandhouding van logistieke hubs te vergemakkelijken die in een dergelijke pooling voorzien;
c)ondersteuning te bieden bij het vervoer van spontaan aangeboden bijstand die niet vooraf is toegezegd aan de ECPP;
d)maatregelen te vergemakkelijken waardoor hubs voor medische evacuatie kunnen worden opgericht en medische evacuaties kunnen worden verricht;
e)de mobilisatie en inzet van deskundigen en EUCP-teams voor te bereiden;
f)de mobilisatie en inzet van interventieteams voor te bereiden;
g)een buffercapaciteit te ontwikkelen en deze in stand te houden via een netwerk van opgeleide deskundigen van de lidstaten;
h)op verzoek van een lidstaat of een derde land, en rekening houdend met de beoordeling van de Commissie, responscapaciteit tijdelijk vooraf te stationeren en deze in situaties van verhoogd risico te coördineren;
i)op verzoek van een lidstaat op stand-by-basis responscapaciteit toe te wijzen in perioden en gebieden met verhoogde of terugkerende seizoensgebonden risico’s;
j)bijstand te vervoeren wanneer die vereist is bij milieurampen waarop het beginsel “de vervuiler betaalt” van toepassing is, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
i)de financiële steun van de Unie voor het vervoer van de bijstand wordt aangevraagd door de getroffen of bijstandverlenende lidstaat op basis van een naar behoren gemotiveerde behoefteanalyse;
ii)de getroffen lidstaat of de bijstandverlenende lidstaat, afhankelijk van wat van toepassing is, onderneemt alle nodige stappen voor het aanvragen en verkrijgen van compensatie overeenkomstig alle toepasselijke internationale, uniale en nationale wetsbepalingen;
iii)nadat de getroffen lidstaat of de bijstandverlenende lidstaat, afhankelijk van wat van toepassing is, compensatie heeft verkregen van de vervuiler, vergoedt hij de Unie onmiddellijk;
k)extra ondersteunende en aanvullende actie te ondernemen die vereist is om de respons op de meest doeltreffende wijze te kunnen coördineren.
2.In het geval van vervoersoperaties van lidstaten vanaf het poolingpunt naar de eindbestemming neemt een lidstaat het voortouw bij het aanvragen van Uniesteun in de vorm van subsidies of toegang tot de voor de gehele operatie vereiste middelen en diensten.
3.Kosten in verband met lid 1, punten h) en i), komen niet in aanmerking voor steun wanneer zij worden gedekt in het kader van gastlandondersteuning.
4.In het geval van een milieuramp als bedoeld in lid 1, punt j), die geen gevolgen heeft voor een lidstaat, worden de in de punt j) bedoelde acties uitgevoerd door de bijstandverlenende lidstaat.
5.De Commissie kan de door de lidstaten verstrekte vervoer- en logistieke middelen aanvullen door aanvullende middelen ter beschikking te stellen die nodig zijn voor een snelle respons.
6.De Commissie kan de responsmaatregelen vergemakkelijken door cartografisch materiaal voor de snelle inzet en mobilisatie van middelen te ontwikkelen, daarbij met name rekening houdend met de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende regio’s die relevant zijn voor dergelijke over meerdere landen verspreide risico’s.
7.De Commissie stelt de regels vast ten aanzien van de inzet van deskundigen en EUCP-teams door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.Wanneer een lidstaat de Commissie verzoekt een contract te sluiten voor de levering van vervoersdiensten, verzoekt de Commissie om gedeeltelijke vergoeding van de kosten overeenkomstig de in bijlage I vermelde financieringspercentages.
Artikel 33
Inzet van deskundigen en EUCP-teams
1.Op verzoek van een lidstaat, een derde land, de Verenigde Naties of de agentschappen ervan, of een bevoegde internationale organisatie die is aangewezen overeenkomstig artikel 28, lid 3, kan de Commissie individuele deskundigen of EUCP-teams, bestaande uit door de lidstaten voorgedragen deskundigen, selecteren en aanwijzen en deze ondersteunen wanneer zij worden ingezet om advies te verlenen betreffende preventie- of paraatheidsmaatregelen, of om een gemeenschappelijke beoordeling van de situatie en de behoeften te ondersteunen, de bijstand beter te coördineren of technisch advies te verstrekken.
2.Het Uniemechanisme en de capaciteit van de hub kunnen worden benut om ondersteuning te bieden bij de inzet van deskundigen of EUCP-teams wanneer ondersteuning door het Uniemechanisme wordt geboden in de in artikel 29 bedoelde gevallen. Deskundigen van de Commissie en van andere instellingen, organen en agentschappen van de Unie, met inbegrip van de EU-taskforce voor gezondheid die is opgericht overeenkomstig artikel 11, punt a), van Verordening (EG) nr. 851/2004, kunnen in het team worden geïntegreerd om het EUCP-team te ondersteunen en de contacten met de hub te vergemakkelijken. Deskundigen van VN-agentschappen of andere internationale organisaties kunnen aan het team worden toegevoegd om de samenwerking te versterken en gezamenlijke beoordelingen te faciliteren.
3.Waar dit nodig is voor operationele doeltreffendheid kan de Commissie in nauw overleg met de lidstaten de betrokkenheid van extra deskundigen, door hun inzet en technische en wetenschappelijke ondersteuning, faciliteren en een beroep doen op gespecialiseerde wetenschappelijke en sectorale expertise en expertise op het gebied van medische noodsituaties.
4.De procedure voor de selectie en benoeming van deskundigen verloopt als volgt:
a)de lidstaten wijzen deskundigen aan die onder hun verantwoordelijkheid vallen en die kunnen worden ingezet als lid van EUCP-teams;
b)de Commissie selecteert de deskundigen voor deze teams en de teamleiders op basis van hun kwalificaties en ervaring, waaronder de opleiding die zij in het kader van het Uniemechanisme hebben gevolgd en ervaring met eerdere missies in het kader van het Uniemechanisme en ander internationaal hulpverleningswerk; de selectie wordt tevens gebaseerd op andere criteria, zoals talenkennis, om ervoor te zorgen dat de teams als geheel beschikken over de vaardigheden die nodig zijn voor een specifieke situatie;
c)de Commissie wijst de deskundigen en teamleiders voor de missie aan in overeenstemming met de lidstaat waardoor zij zijn voorgedragen;
d)de Commissie stelt de lidstaten in kennis van aanvullende gespecialiseerde steun die overeenkomstig lid 3 wordt verleend.
5.Wanneer deskundigen of EUCP-teams worden uitgezonden, bevorderen zij de coördinatie van de responscapaciteit tussen de verschillende lidstaten en onderhouden zij contacten met de bevoegde autoriteiten van het verzoekende land. Het ERCC onderhoudt nauwe contacten met de deskundigenteams, geeft sturing en biedt logistieke ondersteuning.
6.De Commissie ondersteunt via het ERCC de deskundigen en de EUCP-teams die op grond van dit artikel zijn geselecteerd, aangewezen of ingezet bij de voorbereiding van een veiligheids- en beveiligingsplan, door het kenbaar maken van haar eigen veiligheidsbeoordeling en het verstrekken van een veiligheidsbriefing als onderdeel van de missiebriefing. De Commissie ondersteunt de deskundigen en EUCP-teams bij de voorbereiding van extra risicobeperkende maatregelen en overige noodzakelijke maatregelen alvorens of terwijl zij worden ingezet.
TITEL III
PARAATHEID EN RESPONS INZAKE NOODSITUATIES OP GEZONDHEIDSGEBIED
Artikel 34
Paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied
De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het versterken van hun capaciteit inzake de preventie van, de paraatheid voor en de respons op ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, met name door:
a)het ondersteunen van systemen voor gegevensverzameling, informatie-uitwisseling, vroegtijdige waarschuwing en bewaking;
b)het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van medische tegenmaatregelen, onder meer via aanbestedingen, capaciteitsreserveringen, en de aanleg van voorraden en inzet daarvan;
c)capaciteitsopbouw;
d)het ondersteunen van acties op het gebied van de ontwikkeling, uitvoering en monitoring, onder meer via samenwerking tussen nationale autoriteiten en met belanghebbenden, alsook op het gebied van de ontwikkeling en inzet van de nodige instrumenten en infrastructuur, waaronder IT-infrastructuur.
TITEL IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 35
Comitéprocedure
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3.Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.
4.Overeenkomstig door de Unie gesloten internationale overeenkomsten mogen vertegenwoordigers van derde landen en internationale organisaties worden uitgenodigd als waarnemer bij de vergaderingen van het comité onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in zijn reglement van orde, rekening houdend met de beveiliging en openbare orde van de Unie of haar lidstaten. Vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties nemen geen deel aan de beraadslagingen over de vraag of entiteiten uit derde landen of internationale organisaties in aanmerking komen.
Artikel 36
Intrekking
Besluit nr. 1313/2013/EU wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2028.
Artikel 37
Overgangsbepalingen
1.Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van acties op grond van Besluit nr. 1313/2013/EU of Verordening (EU) 2021/522, die op de betrokken acties van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten.
2.De financiële middelen in het kader van deze verordening kunnen ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het Uniemechanisme en de maatregelen op grond van Besluit nr. 1313/2013/EU of Verordening (EU) 2021/522 te bewerkstelligen.
Artikel 38
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2028.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3
1.2.Betrokken beleidsterreinen3
1.3.Doelstelling(en)3
1.3.1.Algemene doelstelling(en)3
1.3.2.Specifieke doelstelling(en)3
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3
1.3.4.Prestatie-indicatoren3
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere effectiviteit of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven de waarde die wordt gecreëerd door het geïsoleerde optreden van de lidstaten.5
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan5
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking6
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief6
1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting6
2.BEHEERSMAATREGELEN8
2.1.Regels inzake de monitoring en verslaglegging8
2.2.Beheersings- en controlesyste(e)m(en)8
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijze(n) van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)9
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten11
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten11
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting11
3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten12
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten15
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten17
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting17
3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17
3.2.3.3.Totaal kredieten17
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften17
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting18
3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten18
3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften18
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen20
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader21
3.2.7.Bijdragen van derden21
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten21
4.Digitale dimensies22
4.1.Voorschriften met digitale relevantie22
4.2.Gegevens27
4.3.Digitale oplossingen29
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling31
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering31
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Uniemechanisme voor civiele bescherming en de financiering van de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied en tot intrekking van Besluit nr. 1313/2013/EU (Uniemechanisme voor civiele bescherming)
1.2.Betrokken beleidsterreinen
Civiele bescherming en paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied.
1.3.Doelstelling(en)
1.3.1.Algemene doelstelling(en)
Deze verordening is bedoeld om de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten te versterken teneinde alle soorten door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen te voorkomen, erop voorbereid te zijn en erop te reageren, met inbegrip van paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied die zich zowel in als buiten de Unie kunnen voordoen, met inbegrip van situaties waarin deze tegelijkertijd gevolgen hebben voor meerdere sectoren. Daarnaast wordt financiering geboden inzake paraatheid en respons op gezondheidsgebied.
1.3.2.Specifieke doelstelling(en)
De verordening heeft tot doel om personen, het milieu en eigendommen alsmede cultureel erfgoed te beschermen tegen alle soorten door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen, met inbegrip van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Deze verordening moet voorzien in coördinatie in situaties waarin overige crisisbeheersingsmechanismen van de Unie worden toegepast.
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Als gevolg van dit voorstel wordt verwacht dat de Unie beter kan optreden in de verschillende fasen van de rampenbeheersingscyclus, namelijk preventie, paraatheid en respons, door gecoördineerde planning en actie die anticiperen op risico’s en deze beperken, de paraatheid vergroten en een doeltreffende respons mogelijk maken, ook in geval van noodsituaties op gezondheidsgebied.
Het voorstel moet leiden tot een vermindering van de risico’s, een versterking van de veerkracht van de bevolking, infrastructuur en essentiële diensten en moet ertoe bijdragen om de impact van rampen, met inbegrip van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, tot een minimum te beperken.
Het voorstel zal naar verwachting de collectieve operationele respons op Unieniveau versterken, de capaciteitsopbouwmaatregelen op nationaal niveau ondersteunen en aldus de nodige vaardigheden, middelen en kennis bevorderen om risico’s te beheersen, kwetsbaarheden te verminderen en de veerkracht bij toekomstige bedreigingen te vergroten.
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten.
De verordening zal worden geëvalueerd en gemonitord overeenkomstig de bepalingen van de prestatieverordening. De evaluatie zal worden uitgevoerd overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor een betere regelgeving en zal worden gebaseerd op indicatoren die relevant zijn voor de doelstellingen van de verordening.
In de prestatieverordening zullen de horizontale beginselen die moeten worden geïntegreerd in alle begrotingsprogramma’s, met inbegrip van het UCPM, nader worden omschreven in overeenstemming met het Financiële Reglement en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen.
Ten slotte zal een gegevensplan worden opgesteld om ervoor te zorgen dat operationele gegevens beschikbaar zijn. De daartoe strekkende werkzaamheden zijn reeds aangevat: Begin 2025 heeft het directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp (DG ECHO) naar aanleiding van de evaluatie van het UCPM het gegevensarchief voor civiele bescherming opgezet, waarin operationele gegevens zoals de inzet van capaciteit of opslaglocaties worden verzameld.
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
De Europese civiele bescherming is zwaar op de proef gesteld als gevolg van de verslechtering van het risico- en dreigingslandschap, dat wordt gekenmerkt door een almaar volatielere mix van uitdagingen op het gebied van veiligheid, gezondheid, klimaatverandering en milieu. Het voorstel bevat maatregelen waarmee de Unie en haar lidstaten zich kunnen aanpassen aan een breed scala aan gevaren en dreigingen, aangezien het aantal activeringen van het Uniemechanisme de afgelopen jaren sterk is toegenomen, wat duidelijk aangeeft dat de nationale systemen voor rampen- en crisisbeheersing ook in de toekomst onder druk zullen blijven staan en dat het coördinatiemechanisme op Unieniveau derhalve adequaat moet worden toegerust om efficiënter en doeltreffender te kunnen optreden. Tegelijkertijd moet er in overeenstemming met de strategie voor een paraatheidsunie voor worden gezorgd dat sectoroverschrijdende operaties op Unieniveau worden gecoördineerd, gemonitord en ondersteund om aldus de nationale inspanningen te ondersteunen. Derhalve moet een EU-crisiscoördinatiehub worden opgericht, voortbouwend op de structuren en de deskundigheid van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, dat zijn mandaat ter ondersteuning van het Uniemechanisme zal voortzetten en dat zal fungeren als centraal punt voor de operationele coördinatie met de autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de door de lidstaten gemachtigde entiteiten, alsook de diensten van de Commissie. De in dit voorstel opgenomen maatregelen betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied bieden de EU-burgers een bijkomende beschermingslaag, waardoor uiteindelijk hun veerkracht wordt vergroot en de bevolking wordt beschermd tegen een breed scala aan gezondheidsbedreigingen.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere effectiviteit of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven de waarde die wordt gecreëerd door het geïsoleerde optreden van de lidstaten.
Naarmate crises multidimensionaler en grensoverschrijdender worden, moeten de capaciteitstekorten worden aangepakt op Unieniveau, hetzij met eigen capaciteit van de Unie, hetzij door gecoördineerde inspanningen van de lidstaten. Daardoor kunnen de crisisresponsmechanismen op Unieniveau en nationaal niveau niet alleen beter worden gecoördineerd, maar wordt er tevens voor gezorgd dat de door de Unie geboden bijstand alle in nood verkerende EU-burgers bereikt, wat op de langere termijn een positief effect heeft op de samenlevingen en economieën van de Unie. Kritieke capaciteit, zoals die welke wordt geboden door de programma’s Galileo en Copernicus, kan alleen duurzaam zijn als er collectieve actie wordt ondernomen in het kader van een strategische infrastructuur die geen enkele lidstaat alleen kan verwezenlijken.
Bovendien is actie van de Unie nodig om capaciteit inzake crisisrespons op te bouwen door middel van strategische prognoses, geïntegreerd risicobeheer, verbetering van de capaciteit inzake grensoverschrijdende noodhulp, sectoroverschrijdende integratie en het opvullen van leemten in de kennis.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Zoals vastgesteld in de evaluatie van het UCPM (waaraan het programma inzake opgedane ervaring van het UCPM heeft bijgedragen), die is opgesteld in het verslag van Niniistö en die verder is geanalyseerd in de effectbeoordeling, vereisen de complexiteit en veelzijdige aard van sectoroverschrijdende crises zoals de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne een omvattende en geïntegreerde aanpak van crisisbeheersing, waarbij een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Unie en haar lidstaten nodig is om de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, doeltreffend het hoofd te kunnen bieden. Destijds werd dit bereikt door het React-EU-pakket in het kader van het cohesiebeleid. De huidige geopolitieke situatie maakt het noodzakelijk om de civiele en militaire paraatheid en gereedheid van Europa te versterken, rekening houdend met eerdere succesvolle coördinatieoefeningen.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Met de maatregelen in het kader van het UCPM zal worden voortgebouwd op synergieën met overige instrumenten van de Unie. Met name zal de paraatheid worden ondersteund door middel van hervormingen en investeringen in plannen voor nationaal en regionaal partnerschap, die een niet-toegewezen thematische reserve voor crisisrespons zullen omvatten. De veerkracht van grensoverschrijdende infrastructuur zal verder worden gestimuleerd door de Connecting Europe Facility, door nationale en regionale investeringen en door hervormingen in het kader van de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap, Interreg en een strategische connectiviteit in het kader van Europa in de wereld. Het Europees Fonds voor concurrentievermogen zal de paraatheid en strategische autonomie van de Unie in belangrijke sectoren en technologieën (bv. gezondheidsinnovatie en productie) versterken. In derde landen zullen de crisisparaatheid en -respons blijvend baat hebben bij humanitaire hulp en overige instrumenten (bv. macrofinanciële bijstand). De samenhang tussen het nieuwe UCPM en de voor paraatheid relevante werkzaamheden van overige fondsen zal worden gewaarborgd door de strategie voor een paraatheidsunie breder uit te voeren. Voortgebouwd wordt tevens op het EU4Health-programma en op andere initiatieven om de paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied te verbeteren, zodat de paraatheid en respons van de Unie in het geval van dergelijke noodsituaties kunnen worden gewaarborgd.
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
1.6.Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan
beperkte geldigheidsduur
–
van kracht van 1.1.2018 tot en met 31.12.2034
–
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.
onbeperkte geldigheidsduur
–uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting
Direct beheer door de Commissie
– door haar diensten, met inbegrip van het personeel in de delegaties van de Unie;
–
door de uitvoerende agentschappen
Gedeeld beheer met de lidstaten
Indirect beheer door de begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:
– derde landen of de door deze landen aangewezen organen
– internationale organisaties en de agentschappen ervan (geef aan welke)
– de Europese Investeringsbank en het Europese Investeringsfonds
– de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen
– publiekrechtelijke organen
– privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties
– privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voorzien van voldoende financiële garanties
– organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling
–in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om in overeenstemming met sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de geboden Uniesteun.
Opmerkingen
In beginsel wordt de uit hoofde van de verordening beschikbaar gestelde begroting uitgevoerd door middel van direct beheer.
Door de mogelijkheid toe te voegen om de begroting uit te voeren via indirect beheer, wordt een extra instrument beschikbaar gesteld om de uitvoering van de begroting te optimaliseren. Gelet op de context van het beleid inzake civiele bescherming, dat vaak te maken heeft met onvoorspelbare gebeurtenissen (door de mens of de natuur veroorzaakte rampen), is het van wezenlijk belang om te zorgen voor een inclusief (wat betreft de betrokken actoren) en flexibel MFK-kader.
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake de monitoring en verslaglegging
Acties en maatregelen die financiële bijstand ontvangen op grond van deze besluiten, worden geëvalueerd en gemonitord overeenkomstig de bepalingen van de prestatieverordening.
2.2.Beheersings- en controlesyste(e)m(en)
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijze(n) van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De financiële bijstand voor preventie en paraatheid in het kader van het Uniemechanisme wordt besteed in overeenstemming met een jaarlijks werkprogramma dat door het Comité voor civiele bescherming wordt goedgekeurd. De Commissie brengt het comité regelmatig op de hoogte van de uitvoering van het werkprogramma. Voor aangelegenheden betreffende paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied komt het comité bijeen in een andere samenstelling.
De verordening wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van artikel 32 van deze verordening, met betalingsmodaliteiten die berusten op de ervaring die in het verleden is opgedaan.
Op basis van de ervaring die bij de uitvoering van het Uniemechanisme wordt opgedaan en om een doeltreffende verwezenlijking van de doelstellingen van het Uniemechanisme te waarborgen, is de Commissie van plan om de acties in direct en indirect beheer uit te voeren en om daarbij ten volle rekening te houden met de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en kosteneffectiviteit.
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
Het bestaande interne controlesysteem van de Europese Commissie is van toepassing om ervoor te zorgen dat de in het kader van het Uniemechanisme beschikbare middelen correct en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving worden gebruikt.
Het huidige systeem bestaat uit de volgende componenten:
1. Het team voor interne controle binnen de leidende dienst (directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp/DG ECHO) richt zich op de nakoming van de administratieve procedures en de wetgeving die van kracht zijn op het gebied van civiele bescherming en ziet toe op de uitvoering van de controlestrategie van het DG ECHO. Voor dit doel wordt tevens gebruikgemaakt van het internecontrolekader van de Commissie.
2. De regelmatige controle door externe controleurs van subsidies en contracten die worden toegekend in het kader van de begroting voor civiele bescherming, wordt volledig geïntegreerd in het jaarlijkse auditplan van het DG ECHO.
3. Evaluatie van de algemene activiteiten door externe beoordelaars.
De uitgevoerde acties kunnen worden gecontroleerd door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer.
Op het gebied van toezicht en monitoring zal voor de uitvoering van het Uniemechanisme door middel van indirect beheer de uitgebreide ervaring worden toegepast die is opgedaan bij de uitvoering van het instrument voor humanitaire hulp, met de nodige aanpassingen.
Een soortgelijk systeem zal worden opgezet voor het onderdeel gezondheidsvoorbereiding en -respons onder leiding van het DG HERA.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
De geraamde kosten van de controlestrategie van DG ECHO vertegenwoordigen 0,32 % van het indirect beheer van de begroting 2024 en 0,35 % van het direct beheer van de begroting 2024. De belangrijkste onderdelen van deze indicator zijn:
— de totale personeelskosten van de financiële en operationele eenheden van DG ECHO, vermenigvuldigd met het geraamde deel van de tijd dat wordt besteed aan kwaliteitsborging, controle en monitoring;
— de totale middelen die in de sector externe audit van DG ECHO worden besteed aan audits en controles.
Gezien de geringe kosten van dergelijke controles en de daaraan verbonden kwantificeerbare (correcties en terugvorderingen) en niet-kwantificeerbare voordelen (afschrikkingseffect en kwaliteitsborgingseffect), concludeert de Commissie dat de kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare baten van de controles ruimschoots opwegen tegen de kosten ervan.
Met betrekking tot de entiteiten die belast zijn met de besteding van de Uniemiddelen door middel van indirect beheer draagt de Commissie tot 7 % van hun directe subsidiabele kosten bij om het toezicht op en het beheer van de Uniefinanciering te garanderen.
Dit wordt bevestigd door het meerjarige resterende foutpercentage van 0,53 % waarvan de Commissie in 2024 melding maakte voor haar beleidsterrein humanitaire hulp en civiele bescherming.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
De fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie en de fraudebestrijdingsstrategieën van de betrokken diensten zorgen ervoor dat de aanpak van de Commissie op het gebied van frauderisicobeheersing gericht is op het identificeren van frauderisicogebieden en het treffen van adequate responsmaatregelen.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten
|
van andere derde landen
|
overige bestemmingsontvangsten
|
|
|
06 01 03 — Uitgaven ter ondersteuning van het Uniemechanisme voor civiele bescherming en paraatheid op gezondheidsgebied (UCPM)
|
NGK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
06 04 01 EU-civiele bescherming — rescEU en paraatheid op gezondheidsgebied
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Nummer
|
2
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
06 04 01 EU-civiele bescherming — rescEU en paraatheid op gezondheidsgebied (UCPM)
|
Vastleggingen
|
(1a)
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
xx
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
xx
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
06 01 03 — Uitgaven ter ondersteuning van het Uniemechanisme voor civiele bescherming en paraatheid op gezondheidsgebied (UCPM)
|
Vastleggingen = betalingen
|
(3)
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
xx
|
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
1.316
|
1.437
|
1.477
|
1.535
|
1.569
|
1.644
|
1.697
|
10.675
|
|
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
pm
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
4
|
“Administratieve uitgaven”
|
|
UCPM
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Personele middelen
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
TOTAAL UCPM
|
Kredieten
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4
|
Vastleggingen
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Nummer
|
2
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
UCPM 06 04 01
|
Vastleggingen
|
(1a)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
Administratieve kredieten die worden gefinancierd uit het budget van specifieke programma’s
|
|
UCPM 06 01 03 Uitgaven ter ondersteuning van het Uniemechanisme voor civiele bescherming en paraatheid op gezondheidsgebied (UCPM)
|
Vastleggingen = betalingen
|
(3)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
voor UCPM onder RUBRIEK 2 van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
|
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)
|
Vastleggingen
|
(4)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)
|
(6)
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 3
|
Vastleggingen
|
=4+6
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag)
|
Betalingen
|
=5+6
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
4
|
“Administratieve uitgaven”
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
UCPM
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Personele middelen
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
UCPM
|
Kredieten
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
xx
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4
|
Vastleggingen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet in te vullen door gedecentraliseerde agentschappen)
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
|
|
|
Jaar
2028
|
Jaar
2029
|
Jaar
2030
|
Jaar
2031
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
348.803
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
21.210
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
370,01
|
3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten
n.v.t.
3.2.3.3.Totaal kredieten
|
TOTAAL
GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
48.829
|
348,80
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
3.030
|
21.210
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
nog te bepalen
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
52.859
|
370.013
|
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
|
• Extern personeel (in vte’s)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
|
Admin. ondersteuning (xx)
|
- centrale diensten
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
|
TOTAAL
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten
n.v.t.
3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften
|
TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
213
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
85
|
|
Admin. ondersteuning (xx)
|
- centrale diensten
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
30
|
|
TOTAAL
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
328
|
Het aantal personeelsleden dat uitvoering geeft aan het Uniemechanisme voor civiele bescherming en de paraatheids- en responscomponent op het gebied van gezondheid van EU4Health bedraagt thans 285 vte (205 binnen DG ECHO en 80 binnen DG HERA).
De huidige personeelsbezetting is als volgt samengesteld:
170 ambtenaren en tijdelijke functionarissen onder rubriek 4 (20 01 02 01 — Centrale diensten en vertegenwoordigingen)
85 externe medewerkers onder rubriek 4 (20 02 01 en 20 02 02 — Extern personeel – Centrale diensten en vertegenwoordigingen)
30 personeelsleden onder de externe bestemmingsontvangsten die moeten worden begroot onder het BA-onderdeel in het nieuwe MFK
Om deze ambitieuze agenda te kunnen uitvoeren, zal dit personeelsbestand evenwel moeten worden afgestemd op de algehele ambitie en het budget dat is toegewezen aan het UCPM+-instrument en op de nieuwe acties die voortvloeien uit de strategie voor een paraatheidsunie.
Naar schatting zal het personeelsbestand met 15 % moeten worden uitgebreid tot 328 posten om uitvoering te kunnen geven aan de nieuwe activiteiten en taken in het kader van het nieuwe instrument, zoals:
meer activiteiten als gevolg van het toegenomen aantal en de grotere intensiteit van rampen;
de uitvoering van ingebouwde paraatheid, met inbegrip van het monitoren van de verankering van paraatheid in de desbetreffende beleidsdomeinen;
de implementatie van de tweede laag, die verder gaat dan het huidige UCPM en betrekking heeft op de laag voor sectoroverschrijdende paraatheid en respons.
Twee belangrijke initiatieven die door DG ECHO moeten worden uitgevoerd, vereisen aanzienlijke personele middelen:
1. De EU-crisiscoördinatiehub
De oprichting van de crisiscoördinatiehub, voortbouwend op de structuren en deskundigheid van het ERCC, is een belangrijke verwezenlijking. De hub heeft tot doel om door te gaan met het steunen van de lidstaten bij het beheersen van de sectoroverschrijdende gevolgen van crises en deze steun op te schalen aan de hand van een betere planning, uitgebreidere analyses en een groter situationeel bewustzijn. Met volledige inachtneming van de subsidiariteit, de nationale bevoegdheden en de specifieke kenmerken van de lidstaten zal de hub:
toewerken naar een gemeenschappelijk begrip van alle soorten crises en de gevolgen ervan voor verschillende sectoren en de gehele bevolking;
activiteiten in alle sectoren vergemakkelijken door steun bij crisisbeheersing te verlenen aan de leidende diensten, zonder sectorale verantwoordelijkheden over te nemen; en
de algehele respons op crises monitoren, waarbij voortdurend feedback wordt gegeven aan de Raad, onder meer via de geïntegreerde EU-regeling politieke crisisrespons (IPCR).
De oprichting van de hub zal gepaard gaan met inspanningen ter verbetering van de civiel-militaire samenwerking tijdens en bij de voorbereiding op grootschalige, sectoroverschrijdende incidenten en crises, met inbegrip van gewapende agressie. De hub zal ook de werkzaamheden ter ondersteuning van een Europees mechanisme voor civiele verdediging ondersteunen.
De hub zorgt voor sectoroverschrijdende coördinatie op het gebied van paraatheid en respons tussen verschillende belanghebbenden, met inbegrip van de diensten van de Commissie, de lidstaten, de Raad, de EDEO/het crisisresponscentrum, voor zover het haar bevoegdheden betreft, en internationale partners, met name de NAVO.
2. Ingebouwde paraatheid
In het kader van de strategie voor een paraatheidsunie wordt een nieuw leidend beginsel voor het ontwerp van Uniebeleid geïntroduceerd: ingebouwde paraatheid. Dit betekent dat van meet af aan wordt beoordeeld hoe initiatieven van invloed zijn op de paraatheid. Het belang van deze aanpak wordt onderstreept door de dubbele rol die deze in de strategie vervult, namelijk als kernbeginsel en als specifieke kernactie. Dit vereist proactieve en aanhoudende inspanningen op het gebied van de uitvoering.
Om daadwerkelijk effect te sorteren moet ingebouwde paraatheid worden geïntegreerd door paraatheidsfactoren bewust en in een vroeg stadium mee te nemen in de planning en de besluitvorming, in plaats van uitsluitend te vertrouwen op beoordelingen achteraf. Een doeltreffende uitvoering hangt ook af van een gedegen monitoring van de ontwikkeling van het initiatief en actieve ondersteuning ten aanzien van de verspreiding ervan op nationaal en regionaal niveau.
Het integreren van paraatheid in ons beleidskader is niet alleen een manier om toekomstige risico’s te verminderen, maar ook een slimme investering. Uit een recent onderzoek naar meer dan 70 paraatheidsinitiatieven in de Unie volgt dat elke geïnvesteerde euro een rendement van twee tot tien euro oplevert. Door nu te investeren in paraatheid, zal sprake zijn van minder verstoringen, lagere herstelkosten en een grotere veerkracht en concurrentiepositie op lange termijn. Door vandaag voldoende middelen en budgetten toe te wijzen, kunnen morgen levens worden gered en geld worden bespaard.
Naast deze twee initiatieven zijn extra personele middelen nodig om uitvoering te geven aan de overige nieuwe maatregelen van de strategie voor een paraatheidsunie, waaronder:
Verbetering van de prognoses en anticipatie: opzetten van het “crisisdashboard” voor besluitvormers; versterken van de analytische capaciteit en de vroegtijdigewaarschuwingssystemen van het ERCC, en opstellen van regelmatige operationele vooruitzichten over sectoroverschrijdende risico’s voor alle soorten rampen en analyse van de cascade-effecten daarvan (kernactie).
Paraatheid van de bevolking: vergroten van het bewustzijn van de bevolking over risico’s, met inbegrip van ouderen, jongeren en personen met een handicap.
Crisisrespons: een boost geven aan rescEU — de EU-reserve van responscapaciteit; uitvoeren van de strategie voor het aanleggen van voorraden en het vaststellen van richtsnoeren voor het “stresstesten” van noodhulp- en crisiscentra in de gehele EU.
De aanzienlijke toename van de operationele activiteiten zal bijgevolg ook een versterking van de ondersteunende functies (juridische ondersteuning, uitvoering van financierings- en controleactiviteiten, IT enz.) vereisen.
Het DG HERA zal belast worden met de uitvoering van het onderdeel “paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied”. Met een uitgebreid mandaat zoals beschreven in de MCM-strategie COM(2025) xxx van 16 juli 2025, zal meer personeel nodig zijn.
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen.
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
IT-uitgaven (algemeen)
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
18,83
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
2,69
|
18,83
|
|
Buiten RUBRIEK 47
|
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
84,00
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
12,00
|
84,00
|
|
|
|
TOTAAL
|
14,69
|
14,69
|
14,69
|
14,69
|
14,69
|
14,69
|
14,69
|
102,83
|
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
Het initiatief is in overeenstemming met het voorstel voor het MFK 2028-2034.
3.2.7.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–
voorziet niet in medefinanciering door derden
–
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Totaal
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft de volgende financiële gevolgen:
–
voor de eigen middelen
–
voor overige ontvangsten
–
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Artikel ………….
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4.Digitale dimensies
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
|
Verwijzing naar voorschrift
|
Beschrijving van voorschrift
|
Betrokken actoren
|
Processen op hoog niveau
|
Categorie
|
|
Artikelen 23 + 29
|
14. De lidstaten worden via het Cecis op de hoogte gesteld van de operationele status van rescEU-capaciteit.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
rescEU-contactpunten;
ERCC
|
Informatiebeheer; kennisgeving; situationeel bewustzijn
|
Situationeel bewustzijn
|
|
Artikel 29
|
1. Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden met meerlandige grensoverschrijdende of mogelijk grensoverschrijdende effecten of met gevolgen of mogelijke gevolgen voor andere lidstaten, stelt de lidstaat waar de ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden de lidstaten die mogelijk door de ramp worden getroffen, evenals de Commissie, daarvan onverwijld in kennis.
Kennisgeving aan de Commissie is niet vereist indien aan de verplichting tot kennisgeving reeds is voldaan op grond van andere Uniewetgeving, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of van bestaande internationale overeenkomsten.
2. Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden die waarschijnlijk zal leiden tot een verzoek om bijstand van een of meer lidstaten, brengt de lidstaat waar de ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, de Commissie er onverwijld van op de hoogte wanneer een mogelijk verzoek om bijstand via het ERCC kan worden verwacht, zodat de Commissie zo nodig de overige lidstaten kan inlichten en haar bevoegde diensten in staat van paraatheid kan brengen.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennisgevingen gebeuren zo nodig via het Cecis.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
ERCC
|
Respons op noodsituaties; kennisgeving; informatiebeheer;
|
Crisisbeheersing
|
|
Artikel 30
|
8. Een lidstaat die via het Uniemechanisme om bijstand wordt verzocht, bepaalt onverwijld of het de vereiste bijstand kan verlenen en stelt het ERCC via het Cecis in kennis van zijn besluit om bijstand te verlenen, met vermelding van de omvang en de voorwaarden ervan. Het ERCC houdt de lidstaten op de hoogte.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
ERCC
|
Beheersingsverzoeken; respons op noodsituaties; kennisgeving; informatiebeheer
|
Noodhulp, coördinatie van hulpverlening
|
|
Artikel 26
|
1. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende:
b) de componenten van Cecis en de organisatie van de informatie-uitwisseling via Cecis.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
ERCC
|
Systeemontwikkeling; gegevensbeheer
|
Systeemontwikkeling
|
|
Artikelen 22 en 23
|
1. b) vooruitgang in het vergroten van de gereedheid voor rampen, die wordt afgemeten aan de omvang van de responscapaciteit die is geregistreerd in de Europese pool voor civiele bescherming met betrekking tot de in artikel 7, lid 1, punt f), bedoelde capaciteitsdoelen, de omvang van de responscapaciteit die is geregistreerd in het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (Cecis) en de omvang van de rescEU-capaciteit die is vastgesteld voor het verlenen van bijstand in overweldigende situaties.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
rescEU-contactpunten;
ERCC
|
Beoordeling van de gereedheid; capaciteitsbeheer; crisisbeheersing
|
Respons op noodsituaties
|
|
BIJLAGE I
Afdeling IV
|
b) beheren van Cecis, dat het ERCC en de contactpunten van de lidstaten in staat stelt om met elkaar te communiceren en onderling informatie uit te wisselen;
w) de lidstaten op hun verzoek ondersteunen bij rampen die zich op hun grondgebied voordoen, door te voorzien in de mogelijkheid om Europese wetenschappelijke partnerschappen in te schakelen voor gerichte wetenschappelijke analyses. De daaruit resulterende analyses kunnen via het Cecis worden gedeeld, met instemming van de getroffen lidstaten;
x) bijdragen tot de ontwikkeling van transnationale systemen van Europees belang voor opsporing, vroegtijdige waarschuwing en alarmering om snel te kunnen reageren, alsmede de bevordering van de onderlinge koppeling tussen de nationale systemen voor vroegtijdige waarschuwing en alarmering en de koppeling ervan aan het ERCC en het Cecis komen in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie. Hierbij moet rekening worden gehouden met en voortgebouwd worden op bestaande en toekomstige bronnen en systemen voor informatievergaring, monitoring en opsporing.
|
Lidstaten en staten die deelnemen aan het UCPM;
ERCC
|
Systeembeheer; informatiebeheer; crisisbeheersing
|
Respons op noodsituaties
|
|
Artikel 35
|
Het platform voor geavanceerde technologie voor gezondheidsinformatie en actie (Advanced Technology for Health Intelligence and Action —ATHINA) is bedoeld om gebruik te kunnen maken van bestaande epidemie-informatiebronnen en om deze aan te vullen door informatie over gezondheidsbedreigingen te combineren met informatie over medische tegenmaatregelen. Het platform is bedoeld om bij de producenten en de lidstaten informatie in te winnen over de productie en aanleg van voorraden van in een crisissituatie relevante grondstoffen alsook over uitrusting en infrastructuur. Het platform zal voldoen aan strenge beveiligingseisen om met behoud van de integriteit van de gehele ICT-structuur te zorgen voor informatie-uitwisseling met andere beveiligde platforms, zal bestand zijn tegen cyberdreigingen en zal handelsgegevens beschermen.
|
Commissie, lidstaten, belanghebbenden (met inbegrip van de industrie)
|
Gegevensbeheer
|
Paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied
|
4.2.Gegevens
|
Soort gegevens
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)
|
|
Gebruikersbeheer:
gebruikersrollen en -rechten, gegevens over rollen en bijbehorende rechten die bepalend zijn voor de toegang tot en de operationele controle van het systeem.
|
Artikel 36, lid 1
|
|
|
Persoonsgegevens van deskundigen:
contactgegevens, deskundigheid/opleidingen, talen, vaccinaties, categorie/vaardigheden/rollen EUCP-team
|
Artikel 20, lid 8; artikel 38, lid 1, punt b)
|
S-TESTA-verbinding)
|
|
Operationele gegevens voor middelen/modules/capaciteit (met inbegrip van rescEU en ECPP)
Samenstellingsgegevens, beschikbaarheid, voorraden, inzetgeschiedenis
|
Artikel 14, lid 14; artikel 38, lid 1, punt b)
|
S-TESTA-verbinding)
|
|
Gegevens voor noodsituaties:
Getroffen regio’s, soorten gevaren, samenvatting, activeringsniveau, details over gevraagde hulp, details over aangeboden hulp, logboekberichten en meldingen, operationele kaarten, documenten…
|
Artikel 19; artikel 20.8, Bijlage I, deel IV
|
S-TESTA-verbinding / alleen-lezen toegankelijk via het reguliere internet voor geautoriseerde gebruikers
|
Gegevensstromen
|
Soort gegevens
|
Verwijzing(en) naar voorschrift(en)
|
Actor die de gegevens verstrekt
|
Actor die de gegevens ontvangt
|
Aanleiding voor uitwisseling van gegevens
|
Frequentie (indien van toepassing)
|
|
Kennisgeving van rampen
|
Artikel 29
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Ramp of dreigende ramp
|
n.v.t.
|
|
Verzoek om bijstand
|
Artikel 30
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Verzoek om bijstand via UCPM
|
n.v.t.
|
|
Aanbod van bijstand
|
Artikel 30
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Beschikbaarheid voor het leveren van bijstand
|
n.v.t.
|
|
Acceptatie- en inzetfase
|
Artikel 30
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
De aangeboden bijstand komt overeen met de gevraagde bijstand
|
n.v.t.
|
|
Beëindiging en verslaglegging
|
Artikel 30
|
ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Op verzoek of na een periode van ten hoogste 90 dagen
|
n.v.t.
|
|
Registratie van hulpmiddelen
|
Artikel 22
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Verplichte stap om aangeboden te kunnen worden als onderdeel van de geleverde bijstand
|
n.v.t.
|
|
Bijwerken van hulpmiddelen
|
Artikel 22; Artikel 23; Artikel 27
|
Lidstaten/ERCC
|
UCPM-gebruikers
|
Wanneer er wijzigingen zijn in de kenmerken van een hulpmiddel, zoals de beschikbaarheid, mogelijkheden, capaciteit of contactgegevens ervan
|
n.v.t.
|
|
Organisatie/toegangsverzoek van een gebruiker
|
Artikel 36, lid 1
|
Lidstaten/ERCC
|
Bevoorrechte UCPM-gebruikers
|
Op verzoek om de gebruikersstructuur op te zetten in het Cecis
|
n.v.t.
|
4.3.Digitale oplossingen
|
Digitale oplossing
|
Verwijzing(en) naar voorschrift(en)
|
Belangrijkste vereiste functies
|
Bevoegde instantie
|
Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?
|
Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?
|
Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)
|
|
Cecis
|
Artikel 3;
Artikel 23;
Artikel 29;
Artikel 30;
BIJLAGE I, afdeling IV
|
Registratie en beheer van hulpbronnen: registratie, beheer en actualisering van informatie over hulpbronnen die door de lidstaten beschikbaar zijn.
Beheersing van noodsituaties: ondersteuning van activiteiten op het gebied van rampenbeheersing, waaronder:
1.Melding van incidenten
2.Situationeel bewustzijn
3.Planning van noodmaatregelen
Beheer van verzoeken en aanbiedingen: het beheren van verzoeken om bijstand en aanbiedingen van hulpmiddelen, met inbegrip van het vermogen om verzoeken en aanbiedingen aan te maken, bij te werken en te annuleren.
Inzet en tracking: het opvolgen van de inzet van hulpmiddelen, met inbegrip van de locatie, status en beschikbaarheid ervan.
Communicatie en samenwerking: het vergemakkelijken van de communicatie en de samenwerking tussen lidstaten, het ERCC en andere belanghebbenden, het delen van informatie en het coördineren van responsmaatregelen.
Gegevensanalyse en verslaglegging: het bieden van mogelijkheden voor gegevensanalyse en verslaglegging, waaronder de mogelijkheid om verslagen te genereren.
Beveiliging en toegangscontrole: het waarborgen van de veiligheid en integriteit van het platform, waaronder de mogelijkheid om de toegang tot gevoelige informatie en middelen te controleren.
Integratie met andere systemen: integratie met andere systemen en platforms, waaronder bestaande rampenbeheersingssystemen en vroegtijdigewaarschuwingssystemen.
|
DG ECHO A.1
|
Het Cecis is uitsluitend ontworpen voor gebruik op de TESTA. Op het reguliere internet is een beperkte versie beschikbaar om aan de gebruikers van het Cecis in het veld realtime informatie in leesmodus te verstrekken. Het ERCC zal optreden namens aan het UCPM deelnemende landen die niet beschikken over TESTA, en zal de gegevens coderen.
|
Potentiële herbruikbaarheid voor toekomstige interoperabiliteit met overige platforms (EWRS, Uniemechanisme voor civiele bescherming…).
|
n.v.t.
|
Leg voor elke digitale oplossing uit op welke wijze de digitale oplossing voldoet aan de vereisten en verplichtingen van het cyberbeveiligingskader van de EU en de andere toepasselijke digitale beleidsmaatregelen en wetgevingshandelingen (zoals eIDAS, één digitale toegangspoort enz.).
Digitale oplossing nr. 1
|
Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)
|
Zo is gezorgd voor afstemming
|
|
AI-verordening
|
n.v.t.
|
|
EU-kader voor cyberbeveiliging
|
Onverminderd Verordening (EU) 2016/679 dragen de lidstaten zorg voor de beveiliging, integriteit, authenticiteit en vertrouwelijkheid van de voor de toepassing van deze verordening verzamelde en opgeslagen gegevens.
|
|
eIDAS
|
EU Login
|
|
Eén digitale toegangspoort en IMI
|
n.v.t.
|
|
Andere
|
|
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
Omschrijving van de maatregel
|
Verwijzing(en) naar voorschrift(en)
|
Rol van de Commissie
(indien van toepassing)
|
Te betrekken actoren
(indien van toepassing)
|
Verwacht tijdschema
(indien van toepassing)
|
|
Oprichting van een Cecis-gebruikerswerkgroep (WG) om lidstaten en deelnemende staten te betrekken bij het nieuwe Cecis, om updates over de toepassing te verstrekken en om de gezamenlijke besluitvorming te vergemakkelijken.
|
Artikel 36, lid 1, punt b)
|
Organisatie en vergemakkelijking van vergaderingen, waarbij indien nodig technische deskundigheid en begeleiding wordt geboden.
|
UCPM lidstaten/deelnemende staten
|
n.v.t.
|