Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0309

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat

COM/2025/309 final

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

2025/0162(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•    Motivering en doel van het voorstel

De Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat (hierna ook “Zwitserland” genoemd) zijn nauw met elkaar verbonden vanuit economisch, historisch, cultureel, sociaal en politiek perspectief. De Unie is de grootste handelspartner van Zwitserland, terwijl Zwitserland de op drie na grootste handelspartner van de Unie is. In Zwitserland wonen meer dan 1,5 miljoen burgers van de Unie en iets minder dan 450 000 Zwitserse staatsburgers wonen in de Unie. Elke dag steken enkele honderdduizenden grenswerkers de grens tussen de EU en Zwitserland over in beide richtingen.

De Unie en Zwitserland zijn door ettelijke bilaterale overeenkomsten met elkaar verbonden. Door overeenkomsten op het gebied van het vrije verkeer van personen, vervoer over land, luchtvervoer, handel in landbouwproducten en de wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling neemt Zwitserland deel aan de interne markt van de Unie 1 . Via de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis , is Zwitserland ook een met de Schengenruimte geassocieerd land. Tijdens de COVID-19-pandemie is de samenwerking tussen de Unie en Zwitserland op het gebied van grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid geïntensiveerd. Zwitserland is vanouds een sterke partner op het gebied van onderzoek en innovatie. Het land heeft met de Unie meegewerkt aan tal van financieringsprogramma’s van de Unie die met name gericht waren op onderzoek, innovatie en onderwijs.

Hoewel de betrekkingen tussen de EU en Zwitserland hecht zijn, worden ze ook belemmerd door verschillende langdurige structurele problemen. Om deze problemen op te lossen, voerden de Unie en Zwitserland tussen 2014 en 2021 onderhandelingen over een institutionele kaderovereenkomst. De institutionele kaderovereenkomst zou ook hebben gezorgd voor het bestuurskader voor aanvullende overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, waaronder overeenkomsten waarvoor de Raad onderhandelingen had toegestaan, met name over voedselveiligheid (2003 en 2008) en elektriciteit (2006). Bovendien zou de overeenkomst het bestuurskader vormen voor de overeenkomst inzake gezondheid, waarvoor de Raad in 2008 machtiging tot het voeren van onderhandelingen had verleend.

De onderhandelaars bereikten in november 2018 op technisch niveau overeenstemming over een ontwerp voor een institutionele kaderovereenkomst. Door de weigering van de Bondsraad om de ontwerptekst goed te keuren, kwamen de onderhandelingen over de andere overeenkomsten tot stilstand, aangezien zowel de Raad, in zijn conclusies van 19 februari 2019, als het Europees Parlement, in zijn aanbeveling van 26 maart 2019, de sluiting van nieuwe overeenkomsten inzake toegang tot de interne markt of verbeterde voorwaarden in het kader van bestaande overeenkomsten afhankelijk stelde van de sluiting van de institutionele kaderovereenkomst. Op 26 mei 2021 besloot de Zwitserse Bondsraad, ondanks verdere pogingen om tot een oplossing te komen, de onderhandelingen over de institutionele kaderovereenkomst eenzijdig te beëindigen. Door het eenzijdige besluit van Zwitserland werd de bilaterale samenwerking op het gebied van onderzoek, innovatie en onderwijs tijdelijk stopgezet.

Na het mislukken van de onderhandelingen over de institutionele kaderovereenkomst zijn de Europese Commissie en Zwitserland in maart 2022 verkennende gesprekken begonnen om de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Zwitserland te bespreken. Deze gesprekken hebben geleid tot een gezamenlijk akkoord waarin de politieke overeenstemming van beide partijen over de te volgen weg voor toekomstige onderhandelingen tot uitdrukking is gebracht en waarin de onderdelen en parameters van een breed onderhandelingspakket zijn vastgelegd, evenals aandachtspunten en oplossingen voor belangrijke institutionele en sectorale kwesties.

In november 2023 werd het gezamenlijke akkoord bekrachtigd door de Zwitserse Bondsraad en de Europese Commissie. Beide partijen verbonden zich ertoe het gezamenlijke akkoord te gebruiken als basis voor hun onderhandelingsmandaten en bevestigden hun ambitie om de onderhandelingen in de loop van 2024 af te ronden.

Bijgevolg heeft de Commissie op 20 december 2023 een aanbeveling aangenomen voor een besluit van de Raad om machtiging te verlenen voor onderhandelingen over het brede pakket maatregelen dat tijdens de verkennende gesprekken is vastgesteld en gedefinieerd 2 . De algemene doelstelling van deze onderhandelingen was de bilaterale betrekkingen tussen de Unie en Zwitserland te moderniseren en te versterken, te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen bedrijven uit de Unie en Zwitserland die actief zijn op de interne markt, en de rechten van burgers van de Unie in Zwitserland te waarborgen, onder meer door discriminatie tussen burgers van verschillende lidstaten te voorkomen. Dit zou burgers, bedrijven en onderzoekers aan beide zijden in staat stellen ten volle te profiteren van de geografische nabijheid, gedeelde waarden en economische banden tussen de Unie en Zwitserland. Tegelijkertijd verrichtte de Bondsraad de overeenkomstige voorbereidende werkzaamheden aan Zwitserse zijde. Na de voltooiing van de desbetreffende processen in Zwitserland heeft de Raad op 12 maart 2024 een besluit vastgesteld waarbij de Commissie wordt gemachtigd onderhandelingen te starten over het brede pakket maatregelen, samen met gedetailleerde onderhandelingsrichtsnoeren 3 .

De onderhandelingen over het brede pakket zijn op 18 maart 2024 opgestart door de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, en de toenmalige voorzitter van de Zwitserse Bondsstaat, Viola Amherd. De Commissie heeft de onderhandelingen gevoerd in overleg met de Raad, met inbegrip van de Raad Algemene Zaken, en de Groep EVA die door de Raad als speciaal comité voor de onderhandelingen met Zwitserland is aangewezen. Er is terdege rekening gehouden met de resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2023 en de Commissie heeft het Europees Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ten volle geïnformeerd.

Na negen maanden van intensieve onderhandelingen kondigden de voorzitters Von der Leyen en Amherd aan dat de besprekingen over alle elementen van het brede pakket op 20 december 2024 met succes waren afgerond. Het brede pakket omvat de actualisering van vijf overeenkomsten die Zwitserland momenteel toegang geven tot de interne markt van de Unie; actualisering van het geschillenbeslechtingsmechanisme in de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, overeenkomstig de vastgestelde praktijk in de handelsovereenkomst van de Unie en Zwitserland met andere partners; een nieuw protocol over voedselveiligheid waarin een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid tot stand wordt gebracht, en dat alle dimensies van de voedselketen bestrijkt en de sanitaire en fytosanitaire bijlagen bij de Overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten vervangt; een nieuwe overeenkomst inzake elektriciteit die de deelname van Zwitserland aan de interne elektriciteitsmarkt van de Unie mogelijk maakt; een nieuwe overeenkomst inzake gezondheid die Zwitserland in staat zal stellen deel te nemen aan Uniemechanismen en -organen voor de aanpak van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, met name het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen; een nieuwe overeenkomst inzake de permanente en billijke financiële bijdrage van Zwitserland aan de economische en sociale cohesie binnen de Unie, waarin het niveau van partnerschap en samenwerking tussen de partijen tot uiting komt; en een nieuwe overeenkomst die Zwitserland in staat stelt om deel te nemen aan verschillende Unieprogramma’s die openstaan voor associatie van derde landen: Horizon Europa, het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding, ITER/F4E (Fusion for Energy), Digitaal Europa, Erasmus+ en EU4Health, een programma dat tot doel heeft de samenwerking aan te vullen die is vastgelegd in de gezondheidsovereenkomst waarover beide partners hebben onderhandeld als onderdeel van hetzelfde brede pakket. Naast de bovengenoemde elementen omvat het brede pakket ook een afzonderlijk protocol inzake parlementaire samenwerking.

Dit voorstel heeft betrekking op de sluiting van de volgende overeenkomsten en protocollen in het brede pakket:

(a)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

(b)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

(c)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

(d)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

(e)Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

(f)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

(g)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

(h)Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

(i)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

(j)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

(k)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

(l)Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid;

(m)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit;

(n)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid;

(o)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

(p)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

(q)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma;

(r)Protocol tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake parlementaire samenwerking.

Deze overeenkomsten en protocollen gaan vergezeld van een Gemeenschappelijke Verklaring van de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat over de invoering van een dialoog op hoog niveau over het brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en Zwitserland, die namens de Unie moet worden goedgekeurd.

De overeenkomst betreffende de deelname van Zwitserland aan het Europees Agentschap voor het ruimtevaartprogramma voorziet in de voorlopige toepassing ervan met ingang van 1 januari 2026 of 1 januari van het jaar na de ondertekening ervan, afhankelijk van het feit of deze ondertekening al dan niet plaatsvindt vóór 1 juli 2026.

Hoewel de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan Unieprogramma’s integraal deel uitmaakt van het brede pakket waarover in 2024 tussen beide partners werd onderhandeld, heeft de Commissie beslist om het voorstel betreffende de ondertekening ervan te versnellen teneinde de voorlopige toepassing ervan te starten vanaf 1 januari 2025. De Commissie heeft daartoe afzonderlijke voorstellen ingediend 4 .

De voorgestelde aanpak maakt het mogelijk uitvoering te geven aan de overgangsbepalingen die de Commissie tijdens de onderhandelingen over het brede pakket aan Zwitserland heeft toegekend. Tegelijkertijd doet deze geen afbreuk aan de brede pakketaanpak die in het gezamenlijke akkoord is vastgesteld en in het mandaat van de Raad is bevestigd.

De overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie bevat een horizonbepaling, die bepaalt dat de voorlopige toepassing van de overeenkomst wordt beëindigd indien Zwitserland zijn procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van het pakket niet tegen eind 2028 voltooit. In het voorstel van de Commissie betreffende de ondertekening van de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie is derhalve bepaald dat ze zal worden gesloten in het kader van het brede pakket overeenkomsten waarover in 2024 onderhandelingen werden gevoerd.

•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De invoering van institutionele bepalingen zorgt voor een consistentere en uniformere toepassing van het Unie-acquis in de delen van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt of op beleidsgebieden waar Zwitserland zich heeft verbonden tot dynamische afstemming, tot het beginsel inzake uniforme uitlegging en toepassing, en tot geschillenbeslechting met een rol voor het Hof van Justitie van de Europese Unie voor aangelegenheden betreffende het recht van de Unie. De beginselen inzake non-discriminatie van Unieburgers en een gelijk speelveld tussen ondernemingen in de Unie en in Zwitserland, staan centraal in de verschillende overeenkomsten.

•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het brede pakket overeenkomsten tussen de EU en Zwitserland, is volledig in overeenstemming met de Verdragen en beschermt de integriteit en de autonomie van de rechtsorde van de Unie. Zij bevordert de waarden, de doelstellingen en de belangen van de Unie, en zorgt voor de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van haar beleid en haar optreden.

De institutionele en materiële wijzigingen aan de bestaande overeenkomsten, evenals de invoering van nieuwe staatssteunregels indien van toepassing, en de nieuwe overeenkomsten zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie op de volgende beleidsgebieden:

–de interne markt,

–mededinging,

–werkgelegenheid en sociale zaken,

–vrij verkeer van personen,

–vervoer,

–landbouw,

–voedselveiligheid en -kwaliteit,

–dieren en dierlijke producten,

–planten en plantaardige producten,

–bescherming van de consument,

–energie,

–gezondheid,

–handel.

Daarnaast zullen de overeenkomst betreffende de associatie van Zwitserland met Unieprogramma’s en de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma helpen om de beleidsdoelstellingen van de Unie te bevorderen op de volgende gebieden:

–onderwijs en opleiding,

–onderzoek en innovatie,

–digitale economie en samenleving,

–gezondheid,

–ruimtevaart.

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie zal bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie op het gebied van economische en sociale cohesie.

Door ervoor te zorgen dat Zwitserland een passende financiële bijdrage levert aan het beheer en de werking van de agentschappen en instanties waaraan het deelneemt, en aan de informatiesystemen waartoe het toegang heeft, worden de financiële belangen van de Unie beschermd.

Het forum voor samenwerking en dialoog tussen de leden van het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering, dat werd opgericht bij een specifiek protocol, is in overeenstemming met de praktijk in de associatie- en strategische partnerschapsovereenkomsten die de Unie sluit met derde landen.

Hoewel verschillende overeenkomsten of protocollen die onder dit voorstel vallen afhankelijk zijn van technische en digitale systemen voor de uitvoering ervan, worden in het voorstel geen nieuwe vereisten ingevoerd die wijzigingen opleggen met betrekking tot het gebruik of de architectuur van die systemen. Dit voorstel laat het beginsel “standaard digitaal” onverlet.

2.RECHTSGRONDSLAG

De overeenkomsten en protocollen die onder het voorgestelde besluit vallen, zijn nauw verbonden en vormen een samenhangend geheel; hierin is de architectuur van een versterkt en alomvattend partnerschap vastgelegd in een brede waaier aan gebieden die onder de Verdragen vallen, op basis van een passend evenwicht van rechten en plichten. Bijgevolg is de passende materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit van de Raad betreffende de sluiting van de bovenbedoelde overeenkomsten en protocollen artikel 217 VWEU.

In het geval van associatieovereenkomsten kan de Raad het besluit betreffende de sluiting van de overeenkomst vaststellen nadat toestemming is verkregen van het Europees Parlement. Aangezien artikel 217 VWEU de materiële rechtsgrondslag vormt, is de toestemming van het Europees Parlement vereist. Bijgevolg is de procedurele rechtsgrondslag van het besluit betreffende de sluiting van de overeenkomsten en protocollen die onder dit voorstel vallen artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), i), VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 8, tweede alinea, VWEU. Bovendien moet artikel 218, lid 7, VWEU als rechtsgrondslag worden toegevoegd omdat het passend is dat de Raad de Commissie machtigt om namens de Unie bepaalde wijzigingen van de overeenkomsten goed te keuren die volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomsten opgericht orgaan moeten worden aangenomen.

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit van de Raad is derhalve artikel 217 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), i), artikel 218, lid 7, en artikel 218, lid 8, tweede alinea, VWEU.

De Commissie is van mening dat de Unie bevoegd is op alle gebieden die onder de overeenkomsten en protocollen in dit voorstel vallen, en dat de overeenkomsten en protocollen bijgevolg door de Unie alleen moeten worden gesloten.

3.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie zal gevolgen hebben voor de Uniebegroting via de associatie van Zwitserland met het Horizon Europa-programma, het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding, de activiteiten van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie, het programma Digitaal Europa, het Erasmus+-programma en het EU4Health-programma. De overeenkomst bevat billijke en evenwichtige voorwaarden voor de financiële bijdrage van Zwitserland aan de programma’s van de Unie waaraan Zwitserland zou deelnemen en voorziet in de administratieve kosten voor het beheer van die programma’s. De overeenkomst bevat een wederkerigheidsclausule, die ervoor zorgt dat in de Unie gevestigde juridische entiteiten, voor zover mogelijk, toegang hebben tot deelname aan gelijkwaardige onderzoeks- en innovatieprogramma’s van Zwitserland, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgelegd in de nationale wetgeving van Zwitserland.

In deel I van het financieel memorandum bij dit voorstel zijn de indicatieve gevolgen voor de begroting vermeld die de overeenkomst heeft voor de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie.

In de overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, de overeenkomst inzake gezondheid en de overeenkomst inzake het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, heeft Zwitserland ermee ingestemd om financiële bijdragen aan de begroting van de Unie te leveren voor het beheer en de werking van de agentschappen en instanties waaraan het deelneemt, en aan de informatiesystemen waartoe het toegang heeft, rekening houdend met het toepassingsgebied van elke overeenkomst.

In de meeste gevallen zijn de betalingsvoorwaarden vastgelegd in specifieke bijlagen, die hetzelfde model volgen. Krachtens een reeks standaardbepalingen die gemeenschappelijk zijn voor de betrokken overeenkomsten en protocollen is Zwitserland verplicht een jaarlijkse financiële bijdrage te betalen die verschuldigd is op de data die in de verzoeken tot storting van de Europese Commissie zijn gespecificeerd. Deze bijdrage bestaat uit de som van een operationele bijdrage en een deelnamevergoeding.

Wanneer er reeds andere financieringsregelingen lopen voor agentschappen of informatiesystemen, blijven deze gehandhaafd.

De specifieke financieringsregelingen voor de agentschappen en informatiesystemen zijn beschreven in het gedeelte waarin de bepalingen van de overeenkomsten nader zijn beschreven. In deel II van het financieel memorandum bij dit voorstel worden de toekomstige gevolgen voor de begroting van deze regelingen en hun betalingsvoorwaarden geïllustreerd.

4.OVERIGE ELEMENTEN

•Uitvoering door organen die in het kader van de overeenkomsten en protocollen zijn opgericht 

Het pakket overeenkomsten hangt samen door vergelijkbare institutionele bepalingen en/of andere verbanden. Alle overeenkomsten die onder het brede pakket vallen, omvatten gemengde comités bestaande uit vertegenwoordigers van de Unie en Zwitserland, die grotendeels hetzelfde model volgen. Alle overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt, de overeenkomsten inzake handel in landbouwproducten, de overeenkomst inzake gezondheid en de overeenkomst inzake de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland aan de economische en sociale cohesie binnen de Unie, bieden de mogelijkheid om werkgroepen op te richten. Verschillende overeenkomsten bevatten mechanismen voor geschillenbeslechting, gebaseerd op hetzelfde model, die ervoor zorgen dat inbreuken op de verplichtingen door een van de partijen bij de betrokken overeenkomst of in het pakket overeenkomsten kunnen worden aangepakt. Tot slot wordt in het protocol inzake parlementaire samenwerking een gemengd parlementair comité opgezet, bestaande uit vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering.

•Uitvoering en toepassing van de overeenkomsten en protocollen

Overeenkomstig artikel 216, lid 2, VWEU zijn door de Unie gesloten overeenkomsten bindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

Het is passend de Commissie overeenkomstig artikel 218, lid 7, VWEU te machtigen om het standpunt van de Unie met betrekking tot bepaalde technische besluiten vast te stellen, die moeten worden vastgesteld volgens een vereenvoudigde procedure of door een uit hoofde van de overeenkomsten die deel uitmaken van het pakket opgerichte instantie, om te waarborgen dat het beheer en de werking van de overeenkomsten en protocollen effectief en efficiënt verlopen. Dergelijke machtigingen betreffen bijvoorbeeld de volgende soorten besluiten:

–de vaststelling van instructies voor het behandelen van gevoelige niet-gerubriceerde informatie,

–de oprichting van nieuwe werkgroepen uit hoofde van de overeenkomsten,

–de integratie van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de overeenkomst inzake gezondheid, onder voorbehoud van de nodige technische aanpassingen,

–de wijziging van bepaalde bijlagen bij de Overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten,

–de wijziging van bepaalde andere bijlagen bij de overeenkomst inzake vervoer over land dan die waarop de dynamische afstemming van toepassing is,

–de toepassing van oplossingen voor rechtstreekse informatie-uitwisseling tussen de Europese Commissie en de Zwitserse bevoegde autoriteiten en betrokken instanties op gebieden waar snel informatie moet worden overgedragen.

De Commissie moet de Raad vooraf inlichten over eventuele komende besluiten van bovengenoemde aard. De Raad kan tegen die voorgestelde besluiten bezwaar maken door een blokkerende minderheid van de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, VEU. In dat geval moet de Commissie het voorgestelde besluit namens de Unie verwerpen, onverminderd de mogelijkheid om vervolgens overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU een voorstel bij de Raad in te dienen.

Om te garanderen dat de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten die deel uitmaken van het pakket worden nageleefd, voorzien de overeenkomsten en protocollen in krachtige handhavingsmechanismen in de vorm van geschillenbeslechtingsmechanismen in de overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, in de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, in de overeenkomst inzake gezondheid en in de overeenkomst inzake de financiële bijdrage van Zwitserland aan de cohesie van de Unie.

In de meeste overeenkomsten en protocollen die deel uitmaken van het pakket wordt de partijen de mogelijkheid geboden maatregelen te nemen om hun belangen te beschermen, zoals compenserende maatregelen voor de niet-naleving van een besluit van een scheidsgerecht, of vrijwarings-, evenwichtsherstellende, crisis- en andere maatregelen, in de omstandigheden die in de betrokken overeenkomsten en protocollen zijn vastgelegd. Het is belangrijk dat de Unie die maatregelen ten volle snel en doeltreffend kan toepassen. Daartoe moet elk besluit van de Unie om dergelijke maatregelen te nemen door de Commissie worden genomen in overeenstemming met de voorwaarden die in de overeenkomstige bepalingen van de betrokken overeenkomsten en protocollen zijn vastgelegd.

•Artikelsgewijze toelichting

Samenstelling van het brede pakket en aard van de overeenkomsten en protocollen

Het brede pakket bestaat uit verschillende overeenkomsten en protocollen met verschillende doelen en structuren, zelfs al hebben zij gemeenschappelijke elementen. Het pakket bevat met name overeenkomsten en een protocol op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, een overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, samenwerkingsovereenkomsten, en een protocol over parlementaire samenwerking. Verschillende van deze overeenkomsten en protocollen gaan vergezeld van gemeenschappelijke verklaringen. Het pakket wordt aangevuld door een gemeenschappelijke verklaring over de instelling van een dialoog op hoog niveau tussen de Unie en Zwitserland.

Overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt

Als gevolg van institutionele wijzigingen, worden vier van de vijf bestaande overeenkomsten beschouwd als overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, wat gevolgen heeft voor hun onderlinge verbanden. Een nieuwe overeenkomst en een nieuw protocol hebben eveneens deze status.

Bestaande overeenkomsten die worden beschouwd als overeenkomsten op gebieden van de interne markt

–Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (hierna de “overeenkomst over het vrije verkeer van personen” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (hierna de “overeenkomst inzake luchtvervoer” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg (hierna de “overeenkomst inzake vervoer over land” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling (hierna de “overeenkomst inzake wederzijdse erkenning” genoemd).

Nieuwe overeenkomst en nieuw protocol die worden beschouwd als overeenkomsten op gebieden van de interne markt

–Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit (hierna de “elektriciteitsovereenkomst” genoemd),

–Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid (hierna het “protocol inzake een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid” genoemd).

Overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten

–Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd). Deze overeenkomst wordt niet langer beschouwd als een overeenkomst op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

Samenwerkingsovereenkomsten

Verschillende overeenkomsten kunnen worden beschouwd als handelsovereenkomsten en derhalve vormen ze geen overeenkomst op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt. De structuur en inhoud verschillen afhankelijk van het doel ervan. Het betreft de volgende overeenkomsten:

–Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid (hierna de “gezondheidsovereenkomst” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsraad betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie (hierna de “overeenkomst inzake cohesie” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie (hierna de “overeenkomst inzake programma’s van de Unie” genoemd),

–Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (hierna de “overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma” genoemd).

Protocol inzake parlementaire samenwerking

Het Protocol tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake parlementaire samenwerking (hierna het “protocol inzake parlementaire samenwerking” genoemd) biedt een rechtsgrondslag en mechanismen voor politieke samenwerking tussen het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering.

Dialoog op hoog niveau

De “Gemeenschappelijke Verklaring van de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat over de invoering van een dialoog op hoog niveau over het brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en Zwitserland” biedt een kader voor politieke besprekingen tussen de Europese commissaris en het Zwitserse Bondsraadslid die belast zijn met de betrekkingen tussen de EU en Zwitserland. Dialogen op hoog niveau zijn een gebruikelijk instrument waarvan de Unie gebruikmaakt om impulsen te bieden aan samenwerking met derde landen op een specifiek gebied.

Overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt

Institutionele bepalingen

Er zijn identieke institutionele bepalingen opgenomen in alle overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, onder voorbehoud van technisch gerechtvaardigde aanpassingen, hetzij in het kader van nieuwe overeenkomsten, hetzij door middel van institutionele protocollen. In de gezondheidsovereenkomst worden dezelfde institutionele oplossingen naar analogie toegepast. De institutionele bepalingen omvatten de volgende elementen:

(1)uniforme uitlegging en toepassing: de verplichting om de betrokken overeenkomsten uniform uit te leggen en toe te passen binnen de interne markt en, voor zover zij begrippen van het recht van de Unie bevatten, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zowel vóór als na de ondertekening van de desbetreffende overeenkomst;

(2)dynamische afstemming: de verplichting, afgezien van een beperkt aantal uitzonderingen, voor de partijen om alle rechtshandelingen van de Unie die onder hun toepassingsgebied vallen in de betrokken overeenkomsten op te nemen; wegens het monistische karakter van de rechtsorde, worden deze handelingen door opname in de overeenkomsten onderdeel van de Zwitserse rechtsorde. In ruil wordt Zwitserland betrokken bij de opstelling van de handelingen die in de betrokken overeenkomsten moeten worden opgenomen; zo zal Zwitserland bijvoorbeeld zonder stemrecht deelnemen aan de overeenkomstige comités en deskundigengroepen. Om historische redenen is Zwitserland bij de overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning en inzake vervoer over land verplicht om bepalingen van nationaal recht vast te stellen ter verwezenlijking van de resultaten die door die handelingen moeten worden behaald;

(3)geschillenbeslechting: een doeltreffend mechanisme voor geschillenbeslechting op basis van arbitrage door een derde partij; het scheidsgerecht is verplicht om kwesties met betrekking tot bepalingen van de overeenkomsten waarin begrippen van het recht van de Unie zijn opgenomen, te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie, wiens adviezen juridisch bindend zijn voor het scheidsgerecht;

(4)onderling verband tussen de overeenkomsten: de mogelijkheid voor de partijen om evenredige en doeltreffende compenserende maatregelen te nemen in het kader van een procedure voor geschillenbeslechting indien een partij van mening is dat de andere partij een beslissing van het scheidsgerecht niet heeft nageleefd. Deze compenserende maatregelen kunnen worden genomen in de betrokken overeenkomst of in een andere overeenkomst met betrekking tot de interne markt, met inbegrip van de gedeeltelijke of volledige opschorting van een dergelijke overeenkomst of overeenkomsten.

Bepalingen inzake staatssteun

Daarnaast zijn materiële en procedurele regels, waaronder toezicht- en handhavingsmechanismen, opgenomen in deze overeenkomsten, die gelijkwaardig zijn aan die welke binnen de Unie worden toegepast, waarbij een gelijk speelveld voor mededinging op de interne markt moet worden gewaarborgd, namelijk in de overeenkomsten inzake luchtvervoer, vervoer over land en elektriciteit. Dergelijke staatssteunregels zijn beschreven in het hoofddeel van de overeenkomst, zoals bij de elektriciteitsovereenkomst, of in specifieke protocollen, zoals bij de overeenkomsten inzake luchtvervoer en vervoer over land. In beide gevallen zijn algemene en sectorale staatssteunregels die een aanvulling vormen op het bovengenoemde kader, opgenomen in specifieke bijlagen.

Deelname aan agentschappen en informatiesystemen

Zwitserland krijgt bijkomende toegang tot agentschappen en/of informatiesystemen in het kader van de volgende overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt: de overeenkomst over het vrije verkeer van personen, de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning, het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid en de elektriciteitsovereenkomst. Zwitserland zal ook bijkomende toegang verwerven tot een agentschap en informatiesystemen in het kader van de gezondheidsovereenkomst.

De bovengenoemde standaardbepalingen zijn van toepassing op de financieringsovereenkomsten die verband houden met de bijkomende toegang tot agentschappen en informatiesystemen die Zwitserland verwerft via het brede pakket. In beginsel moeten deze standaardbepalingen van toepassing zijn op de financieringsovereenkomsten die verband houden met eventuele verdere toegang tot agentschappen, instanties, informatiesystemen en andere activiteiten die Zwitserland mogelijk verwerft in de toekomst in het kader van overeenkomsten die deel uitmaken van het pakket of in het kader van verdere overeenkomsten die de Unie en Zwitserland mogelijk met elkaar sluiten.

De operationele bijdrage die onderdeel vormt van de jaarlijkse financiële bijdrage van Zwitserland, is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (bbp) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen 5 . De verdeelsleutel voor de bijdrage zal worden toegepast op de goedgekeurde jaarbegroting van de Unie, die wordt opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie voor dat betrokken jaar, zo nodig met aanpassingen waarbij rekening wordt gehouden met het toepassingsgebied van een overeenkomst. De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten voor de uitvoering van de begroting (zoals werkprogramma’s of contracten). De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de operationele bijdrage.

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

De overeenkomsten waarin Zwitserland toegang wordt geboden tot agentschappen, omvatten ook een aanhangsel over de rechten, voorrechten en immuniteiten van die agentschappen en hun personeelsleden, die een standaardmodel volgen en een afspiegeling zijn van de bepalingen in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

Overeenkomst over het vrije verkeer van personen

De bijgewerkte overeenkomst over het vrije verkeer van personen voorziet in de dynamische afstemming door Zwitserland op de huidige en toekomstige rechtshandelingen van de Unie op het gebied van het vrije verkeer van personen en de detachering van werknemers.

Het protocol van wijziging bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen leidt tot wijzigingen van de structuur ervan. In de huidige versie omvat de overeenkomst een aanzienlijk aantal materiële bepalingen in bijlage I. Die bijlage wordt vervangen door een lijst met rechtshandelingen van de Unie waarop Zwitserland zich dynamisch zal afstemmen en die de inhoud van die bepalingen in grote mate omvatten.

De vervanging van de materiële bepalingen van de overeenkomst door de integratie van het relevante Unie-acquis gaat gepaard met een aantal uitzonderingen op de dynamische afstemming voor de volgende gebieden: de termijn voor voorafgaande kennisgeving en controles, financiële garanties en sancties voor dienstverleners, bewijs van arbeid als zelfstandige, verwerving van een duurzaam verblijfsrecht, aankoop van onroerend goed, identiteitskaarten, uitzettingen en bepaalde aangelegenheden van kantonnaal recht met betrekking tot de coördinatie van socialezekerheidsregelingen. Een aantal van deze uitzonderingen zijn reeds opgenomen in de bestaande overeenkomst. De huidige bepaling over het de rechten van studenten wordt herzien, zodat partijen studenten van de andere partij niet langer kunnen discrimineren wat collegegeld betreft, alsook de bijbehorende openbare ondersteuningsmechanismen, die in universiteiten doorgaans worden gefinancierd met overheidsmiddelen. Het huidige niveau van toegang tot die universiteiten in Zwitserland wordt gewaarborgd voor studenten van de Unie.

Bovendien is in een non-regressieclausule bepaald dat Zwitserland niet verplicht is om nieuw acquis met betrekking tot de detachering van werknemers te integreren indien dit tot gevolg zou hebben dat het beschermingsniveau van gedetacheerde werknemers wat de arbeidsvoorwaarden betreft aanzienlijk wordt verminderd of ingeperkt.

Via een aan de bijgewerkte overeenkomst gehecht protocol verbinden de partijen zich ertoe de Unie- en Zwitserse regels over de toekenning van verblijfsvergunningen voor lange duur op niet-discriminerende wijze toe te passen, met name wat de minimumduur van vijf jaar voor eerder verblijf betreft.

De bestaande vrijwaringsclausule wordt aangepast aan en afgestemd op het protocol betreffende de instellingen. Het kan in werking worden gesteld bij ernstige economische of sociale problemen die voortvloeien uit de toepassing van de overeenkomst. Indien de partijen niet tot een passende, overeengekomen oplossing kunnen komen om de situatie te verhelpen, kan de partij die aanvoert dat er ernstige economische problemen zijn ontstaan de kwestie voor het scheidsgerecht brengen. Zij mag alleen vrijwaringsmaatregelen nemen indien het scheidsgerecht oordeelt dat dit gezien de situatie gerechtvaardigd is.

Verschillende gemeenschappelijke verklaringen bij de overeenkomst verduidelijken het gezamenlijke begrip dat de partijen hebben van de bepalingen met betrekking tot bv. preventie en bestrijding van misbruik van rechten in het kader van het acquis over het vrije verkeer van personen, kennisgevingsprocedures in het kader van de aanvaarding van een baan, of doeltreffende controlesystemen, waaronder het Zwitserse dubbele handhavingssysteem voor de verlening van diensten.

In het kader van de overeenkomst zal Zwitserland toegang hebben tot en financieel bijdragen volgens de financiële standaardvoorwaarden aan de volgende informatiesystemen:

–het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (Eures), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/589 6 ,

–het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI), zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 7 ,

–De modules van het informatiesysteem interne markt (IMI), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 1024/2012 8 met betrekking tot de detachering van werknemers, diensten, beroepskwalificaties, de Europese beroepskaart, gereglementeerde beroepen en één digitale toegangspoort.

Deelname aan het Eures-platform zal de arbeidsmobiliteit bevorderen, de uitwisseling van vacatures en profielen van werkzoekenden vergemakkelijken, en hoogwaardige matching over talen en nationale contexten heen te waarborgen, onder meer via het gebruik van de Europese classificatie van vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen (ESCO).

De bestaande financiële regelingen blijven van toepassing op de financiële bijdrage van Zwitserland aan het systeem voor wederzijdse informatie over sociale bescherming (Missoc), waartoe het reeds toegang heeft.

Overeenkomst inzake luchtvervoer

De bijgewerkte overeenkomst inzake luchtvervoer voorziet in de dynamische afstemming door Zwitserland op de huidige en toekomstige rechtshandelingen van de Unie op het gebied van luchtvervoer.

Het protocol van wijziging bij de overeenkomst inzake luchtvervoer wijzigt de doelstellingen van de overeenkomst niet en leidt tot beperkte wijzigingen aan de hoofdtekst van en de bijlagen bij de overeenkomst. Het meest opvallende is de wederzijdse uitwisseling van cabotagerechten (die de respectieve luchtvaartmaatschappijen in staat stellen om vluchten uit te voeren tussen twee punten op het grondgebied van een lidstaat of Zwitserland) tussen de partijen.

Er is niet voorzien in bijkomende toegang tot informatiesystemen. De bestaande financiële regelingen met betrekking tot de deelname van Zwitserland aan het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/1139 9 , blijft van toepassing. De bestaande regelingen met betrekking tot de rechten, voorrechten en immuniteiten van het EASA en zijn personeelsleden worden vervangen door het bovengenoemde model.

Er wordt een protocol inzake staatssteun bij de overeenkomst gevoegd, dat vergezeld gaat van een gemeenschappelijke verklaring.

Overeenkomst inzake vervoer over land

In het kader van de bijgewerkte overeenkomst inzake vervoer over land is Zwitserland, net als in de oorspronkelijke versie ervan, verplicht om bepalingen van nationaal recht vast te stellen ter verwezenlijking van de resultaten die door de in de bijlage bij de overeenkomst genoemde rechtshandelingen van de Unie moeten worden behaald.

In de bijgewerkte overeenkomst wordt verduidelijkt dat spoorwegondernemingen internationaal personenvervoer per spoor mogen uitvoeren tussen de Unie en Zwitserland, met inbegrip van cabotage, onder hun eigen verantwoordelijkheid. Het protocol van wijziging zorgt voor integratie van het relevante recht van de Unie in de overeenkomst, waarbij het recht om internationale diensten inzake goederenvervoer per spoor te exploiteren wordt gewaarborgd.

Zwitserland zal een beroep kunnen doen op een aantal uitzonderingen. Het zal bijvoorbeeld prioriteit kunnen geven aan spoorwegdiensten die deel uitmaken van de Zwitserse klokvaste dienstregeling. Omgekeerd kunnen de Unie of haar lidstaten op hun grondgebied voorrang geven aan ondernemingen in de Unie diensten inzake personenvervoer per spoor exploiteren boven een Zwitserse dienst voor internationaal personenvervoer per spoor die een deel van de internationale dienst in het kader van de Zwitserse klokvaste dienstregeling exploiteert. Zwitserland heeft ook het recht om capaciteitsbeheerinstrumenten toe te passen die voorzien in een minimumaantal treintrajecten per uur voor bepaalde soorten verkeer, waaronder goederenvervoer, regionaal vervoer en langeafstandsvervoer van personen die ook een internationaal doel dienen. Het heeft ook de mogelijkheid om ondernemingen voor personenvervoer te verplichten om deel te nemen aan het Zwitserse ticket- en prijsintegratiesysteem, en tegelijkertijd de vrijheid van prijszetting voor de ondernemingen te waarborgen. De Zwitserse bevoegde instanties kunnen ook rechtstreeks overheidsopdrachten voor diensten toekennen voor spoorwegvervoer, onder specifieke voorwaarden waarbij wordt gewaarborgd dat de interne markt van de Unie voor het grondgebied van de Unie geen negatieve gevolgen ondervindt.

Hoewel een uitzondering geldt voor de dynamische afstemming, wordt het bestaande Zwitserse systeem van heffingen voor vrachtwagens beter in overeenstemming gebracht met het heffingssysteem van de Unie.

Zwitserland zal samenwerken met het Spoorwegbureau van de Europese Unie, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/796 10 als een derde land. In overeenstemming met de toepasselijke Uniewetgeving, en na goedkeuring ervan door de raad van bestuur, zal het Bureau regelingen overeenkomen met de betrokken Zwitserse autoriteiten waarin de aard en de omvang van de deelname van deze laatste aan de werkzaamheden van het Bureau nader worden beschreven.

Er is niet voorzien in bijkomende toegang tot informatiesystemen. De bestaande financiële regelingen blijven gelden voor de toegang van Zwitserland tot TACHOnet, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 165/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/68 van de Commissie 11 .

Er wordt een protocol inzake staatssteun bij de overeenkomst gevoegd, dat vergezeld gaat van een gemeenschappelijke verklaring. Het protocol van wijziging gaat ook vergezeld van een gemeenschappelijke verklaring.

Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning

In het kader van de bijgewerkte overeenkomst inzake wederzijdse erkenning is Zwitserland verplicht om bepalingen van nationaal recht vast te stellen ter verwezenlijking van de resultaten die door de in de bijlage bij de overeenkomst genoemde rechtshandelingen van de Unie moeten worden behaald. Indien het toepassingsgebied van de overeenkomst in de toekomst wordt uitgebreid, geldt dit ook voor de bijkomende gebieden.

Het protocol van wijziging bij de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning leidt slechts tot beperkte wijzigingen aan de hoofdtekst en de bijlage bij de overeenkomst teneinde het doel en het toepassingsgebied van de overeenkomst, de toepasselijke procedures en de rol van autoriteiten van de partijen en marktdeelnemers, evenals de samenwerking tussen de partijen beter af te bakenen.

Voor alle gebieden die onder bijlage I bij de overeenkomst vallen, is Zwitserland verplicht om wetgeving vast te stellen teneinde hetzelfde resultaat te bekomen als het in die bijlage vermelde Unie-acquis. De relevante bepalingen in het Zwitserse recht zijn niet langer in de bijlage opgenomen. De enige uitzondering op deze regel heeft betrekking op hoofdstuk 11 van bijlage 1, waarin nog steeds bepalingen van het Zwitserse recht zijn opgenomen. Dit weerspiegelt een uitzondering die werd overeengekomen met betrekking tot Richtlijn 2007/45/EG 12 .

Voor bepaalde gebieden wordt de toegang van Zwitserland tot besluitvorming beperkt. In de regel heeft het geen toegang tot betrokken deskundigengroepen en comitologiecomités die zich bezighouden met geneesmiddelen. Het heeft evenmin toegang tot het Europees Geneesmiddelenbureau. Wat medische apparatuur betreft, is de rol van Zwitserland in de comités en deskundigengroepen beperkt tot die van waarnemer.

Uit hoofde van de bijgewerkte overeenkomst heeft Zwitserland toegang tot en draagt het financieel bij aan het EudraGMDP-informatiesysteem inzake het communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals opgericht bij Richtlijn 2004/27/EG 13 .

Elektriciteitsovereenkomst

De elektriciteitsovereenkomst voorziet in de dynamische afstemming door Zwitserland op de huidige en toekomstige rechtshandelingen van de Unie op het gebied van elektriciteit.

Het doel van de elektriciteitsovereenkomst is Zwitserland toegang te bieden tot de interne elektriciteitsmarkt van de Unie. Ze is er bijvoorbeeld op gericht de grensoverschrijdende elektriciteitshandel te bevorderen; de integriteit en transparantie van de elektriciteitsmarkt te waarborgen, evenals de gelijke behandeling van alle deelnemers aan die markt; de stabiliteit van de elektriciteitsnetwerken en de voorzieningszekerheid te garanderen; alsook de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. In de overeenkomst worden regels en begrippen vastgesteld die van toepassing zijn op de interne elektriciteitsmarkten, evenals de rollen en verantwoordelijkheden van actoren zoals transmissiesysteem- en distributiesysteembeheerders. Er wordt ook voorzien in een overgangsregeling voor reeds bestaande langlopende capaciteitsreserveringen voor interconnectoren aan de Zwitserse grens, die niet verenigbaar zijn met het acquis.

Wat milieubescherming in de elektriciteitssector betreft, is Zwitserland verplicht om bepalingen van Zwitsers recht vast te stellen of te handhaven waarin voorschriften worden vastgesteld die ten minste hetzelfde beschermingsniveau als in het betrokken acquis garanderen. Dergelijke bepalingen mogen geen belemmering vormen voor de vrije toegang van goederen en diensten uit de Unie die aan de in het betrokken acquis vastgestelde voorschriften voldoen tot de Zwitserse markt. Er is voorzien in een uitzondering op de verplichting tot dynamische afstemming, die Zwitserland toestaat om noodzakelijke, evenredige en niet-verstorende maatregelen te nemen om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te waarborgen, door te voorzien in en te beschikken over elektriciteitsreserves, voor zover ze verenigbaar zijn met de overeenkomst.

Uit hoofde van de overeenkomst kan Zwitserland deelnemen aan en bijdragen aan de financiering van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/942 14 . De overeenkomst bevat een standaardaanhangsel over de rechten, voorrechten en immuniteiten van ACER en zijn personeel. Zwitserland heeft ook toegang tot en zal financieel bijdragen, in overeenstemming met de financiële standaardregelingen, aan de Uniedatabank, zoals vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen 15 .

De overeenkomst bevat bepalingen over staatssteun en gaat vergezeld van een gemeenschappelijke verklaring.

Protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid

Het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid voorziet in dynamische afstemming en gelijktijdige toepassing door Zwitserland voor het gehele Unie-acquis dat verband houdt met de voedselketen.

De huidige SPS-gerelateerde bijlagen bij de bestaande overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten worden uit de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten geschrapt en het voorwerp ervan komt aan bod in het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid. Op grond van die bijlagen ontleent de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten in haar huidige vorm haar kwalificatie als overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

Het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid dat een aanvulling vormt op de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, blijft aan de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten gekoppeld, voor zover dat indien de overeenkomst of het protocol wordt beëindigd, het andere instrument automatisch ook wordt beëindigd.

Krachtens het protocol wordt een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid opgericht, die alle dimensies van de voedselketen omvat. De doelstellingen ervan zijn bijvoorbeeld om de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders te verbeteren, een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en planten te waarborgen, antimicrobiële resistentie te bestrijden en hoge normen inzake dierenwelzijn te bevorderen.

Naast dynamische afstemming met betrekking tot alle rechtshandelingen in het Unie-acquis die betrekking hebben op de gehele voedselketen, bevat het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid ook een verplichting voor Zwitserland om tijdelijk alle niet-wetgevingshandelingen toe te passen die zijn gebaseerd op de toepasselijke secundaire wetgeving, vanaf de datum waarop die niet-wetgevingshandeling van toepassing wordt in de Unie, en tot de datum waarop het gemengd comité een beslissing neemt over de integratie van de handeling, teneinde de gelijktijdige toepassing ervan in de gehele gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid te garanderen.

Uitzonderingen op de verplichting inzake dynamische afstemming laten toe dat Zwitserland onder bepaalde omstandigheden bepalingen van nationaal recht met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen en dierenwelzijn handhaaft. Bovendien kan Zwitserland ook zijn maatregelen met betrekking tot de invoer van rundvlees dat afkomstig is van runderen die met groeihormonen kunnen zijn behandeld handhaven, mits dat rundvlees niet naar de Unie wordt gebracht.

Het is mogelijk compenserende maatregelen te nemen indien een partij een besluit niet naleeft van een scheidsgerecht in het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid of elke andere overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, of de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten.

Om Zwitserland in staat te stellen zich voor te bereiden op de wijziging van het huidige op gelijkwaardigheid gebaseerde systeem naar een systeem op basis van het beginsel waarbij het Unie-acquis zelf van gelijktijdige toepassing is op zijn grondgebied, is in het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid bepaald dat de huidige SPS-gerelateerde bijlagen bij de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten rechtsgevolgen blijven hebben voor een overgangsperiode van maximaal 24 maanden. Na het verstrijken van die periode zijn alle bepalingen van het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid volledig van toepassing.

Het protocol voorziet in de toegang van Zwitserland tot de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 16 , en omvat het standaardaanhangsel over zijn rechten, voorrechten en immuniteiten, evenals die van zijn personeel. Het protocol voorziet ook in een financiële bijdrage van Zwitserland volgens de bovengenoemde financiële standaardregelingen, aan de financiering van het EFSA en van de volgende informatiesystemen:

–het Europhyt-portaal, zoals vastgesteld bij Richtlijn 94/3/EG 17 ,

–het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF), zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 18 ,

–het platform voor sanitaire en fytosanitaire certificering (Traces), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2017/625 19 , en

–het systeem voor kennisgeving van en rapportage over informatie betreffende dierziekten (ADIS), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/2002 20 .

Overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten

Zodra de bij het specifieke protocol van wijziging ingevoerde wijzigingen aan de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten in werking treden, wordt de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten niet langer beschouwd als een overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

Na de schrapping van de SPS-gerelateerde bijlagen bij de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten wordt het toepassingsgebied van de gewijzigde overeenkomst, met inbegrip van de resterende bijlagen daarbij, beperkt tot de handelsaspecten. Dienovereenkomstig zijn de begrippen “uniforme uitlegging en toepassing” van het Unie-acquis, de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de dynamische afstemming en de regels inzake staatssteun niet relevant. Het institutioneel kader waarin deze overeenkomst voorziet, verschilt derhalve van datgene in het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid.

In het protocol van wijziging wordt het geschillenbeslechtingsmechanisme bijgewerkt overeenkomstig de in de handelsovereenkomsten van de Unie en van Zwitserland vastgestelde praktijk. De toepasselijke geschillenbeslechtingsprocedure zal gebaseerd zijn op de procedure die is opgenomen in de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt. De overeenkomst heeft een aantal gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot het scheidsgerecht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie krijgt geen rol toebedeeld bij de geschillenbeslechting. Er kunnen compenserende maatregelen worden genomen in geval van niet-naleving van het besluit van een scheidsgerecht door een partij, op grond van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten of het protocol inzake de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid, maar niet op grond van andere overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

Samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van gezondheid, cohesie, programma’s van de Unie en ruimtevaart

Gezondheidsovereenkomst

De gezondheidsovereenkomst is erop gericht de samenwerking tussen de EU en Zwitserland betreffende ernstige grensoverschrijdende dreigingen te versterken door Zwitserland te integreren in de relevante mechanismen en instanties.

Ze vormt geen overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt. Hierin worden echter de bovengenoemde identieke institutionele bepalingen naar analogie toegepast, en er is een verplichting opgenomen tot dynamische afstemming met het relevante Unie-acquis.

De overeenkomst bevat een aantal dezelfde bepalingen als de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, met betrekking tot het scheidsgerecht, waaronder een rol voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij geschillen kunnen compenserende maatregelen worden genomen om een potentiële onevenwichtigheid te verhelpen, op grond van de gezondheidsovereenkomst of de gezondheidscomponent (EU4Health) van de overeenkomst inzake programma’s van de Unie.

De overeenkomst voorziet in de toegang van Zwitserland tot en de financiële bijdrage aan het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), in overeenstemming met de financiële standaardregelingen, zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 851/2004 21 . Ze bevat een standaardaanhangsel over de rechten, immuniteiten en voorrechten van ECDC en zijn personeel.

In het geval van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen (EWRS), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2022/2371 22 , zal de Zwitserse financiële bijdrage in het kader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) deel uitmaken van zijn bijdrage aan de financiering van het ECDC enerzijds en het EU4Health-programma anderzijds. Indien het EWRS in het kader van het volgende MFK uit verschillende bronnen zou worden gefinancierd, zijn de bovengenoemde regelingen van toepassing op de bijdrage van Zwitserland aan het EWRS.

Overeenkomst inzake cohesie

De overeenkomst inzake cohesie is geen overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

Ze legt de basis voor een regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland aan de vermindering van economische en sociale ongelijkheden in de Unie, als aanvulling op de maatregelen die de Unie en de lidstaten nemen op het gebied van cohesie.

In de overeenkomst worden de parameters en regels uiteengezet voor het bepalen van de financiële bijdrage van Zwitserland. De bijdrageperioden worden vastgesteld in functie van het toepasselijke meerjarig financieel kader van de Unie. De eerste bijdrageperiode zal lopen van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2036. Ze zal worden aangevuld met een eenmalige bijkomende financiële vastlegging voor de periode tussen eind 2024 en eind 2029.

Aan het begin van elke bijdrageperiode moeten de partijen een memorandum van overeenstemming sluiten waarin wordt beschreven voor welke thematische gebieden de Zwitserse financiële bijdrage mag worden gebruikt gedurende die periode, bv.: inclusieve menselijke en sociale ontwikkeling, duurzame en inclusieve economische ontwikkeling, groene transitie, democratie en participatie of migratie.

In het memorandum moet ook het bedrag van de financiële bijdrage worden vermeld, vastgesteld op basis van de regels in de overeenkomst. De financiële bijdrage van Zwitserland wordt niet overgedragen naar de begroting van de Unie.

Het memorandum van overeenstemming vormt de basis voor de landspecifieke uitvoeringsovereenkomsten tussen Zwitserland en de begunstigde lidstaten. In deze overeenkomsten wordt de landspecifieke toewijzing van middelen nader beschreven, evenals de verdeling ervan tussen thematische gebieden, ondersteuningsmaatregelen, de beheer- en controlestructuren en toepasselijke voorwaarden, en de bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaat.

Het geschillenbeslechtingsmechanisme in de overeenkomst vertoont gelijkenissen, maar ook verschillen met datgene dat is opgenomen in de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt. Ze bevat namelijk een aantal dezelfde bepalingen met betrekking tot het scheidsgerecht. Er is echter geen rol weggelegd voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij geschillen kunnen compenserende maatregelen worden genomen om een potentiële onevenwichtigheid te verhelpen, op grond van de overeenkomst inzake cohesie of van een van de overeenkomsten die in de overeenkomst inzake cohesie zijn opgenomen.

Overeenkomst inzake programma’s van de Unie

In de overeenkomst inzake programma’s van de Unie wordt het rechtskader voor de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie opgezet. Ze stelt de voorwaarden vast voor de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma’s en de administratieve kosten ervan, en waarborgt de rechten van de Unie om voor een goed financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen. De overeenkomst bevat voorwaarden met betrekking tot de mobiliteit van personen die deelnemen aan de uitvoering van die programma’s van de Unie. Ze bevat ook bepalingen over de opschorting van de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie en de opzegging van de overeenkomst.

De overeenkomst voorziet in de voorlopige toepassing ervan met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025, indien ze wordt ondertekend vóór 15 november 2025, met als doel de samenwerking op de onder de overeenkomst vallende gebieden op te starten op de voor elk programma vastgestelde datum. Wat de deelname van Zwitserland aan het EU4Health-programma betreft, is die datum gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de gezondheidsovereenkomst.

In protocol I worden de voorwaarden voor de associatie van Zwitserland aan de volgende programma’s vastgesteld:

–Horizon Europa in zijn geheel, per 1 januari 2025: Horizon Europa (2021-2027) 23 is het belangrijkste financieringsprogramma van de Unie voor onderzoek en innovatie.

–het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding, per 1 januari 2025: de programma’s die het programma van Horizon Europa aanvullen en die onder het Euratom-Verdrag vallen 24 ;

–Erasmus+, per 1 januari 2027: Erasmus+ is het programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport van de Unie 25 ;

–alle onderdelen van Digitaal Europa, behalve de onderdelen over cyberbeveiliging en halfgeleiders, per 1 januari 2025: Digitaal Europa is het programma van de Unie dat erop gericht is de kloof tussen onderzoek op het gebied van digitale technologie en marktintroductie te dichten.

Protocol II bestrijkt de deelname van Zwitserland aan Fusion for Energy (F4E), de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER, zoals vastgesteld bij Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad 26 .

Protocol III voorziet in de associatie van Zwitserland in specifieke delen van het EU4Health-programma 27 met betrekking tot crisisparaatheid, zoals opgenomen in de gezondheidsovereenkomst. Zwitserland neemt deel aan het EU4Health-programma vanaf 1 januari van het jaar na de inwerkingtreding van de gezondheidsovereenkomst, voor de resterende duur van het EU4Health-programma of tot het einde van het meerjarig financieel kader 2021-2027, indien dat korter is.

Overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma

De overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma is geen overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt. Hierin zijn de voorwaarden vermeld waaronder Zwitserland het recht heeft deel te nemen aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (Euspa), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696 28 . Ze is gebaseerd op de Overeenkomst tussen de EU en Zwitserland van 2014 inzake de Europese satellietnavigatieprogramma’s 29 . In de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma is bepaald dat de partijen deze, na de ondertekening ervan, voorlopig zullen toepassen.

In de overeenkomst wordt de Zwitserse bijdrage aan het Euspa vastgesteld, waarbij dezelfde verdeelsleutel wordt gebruikt voor het berekenen van de operationele en deelnamevergoedingen als die welke is vastgesteld in de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt vanaf 2028. Afhankelijk van de datum vanaf wanneer de overeenkomst voorlopig wordt toegepast, bedraagt het percentage van de operationele vergoeding op basis waarvan de deelnamevergoedingen worden berekend, 2 % en 3 % voor respectievelijk 2026 en 2027. Vanaf 2028 is het percentage hetzelfde als het percentage dat wordt gebruikt in andere overeenkomsten die voorzien in de deelname van Zwitserland aan agentschappen, namelijk 4 %.

De overeenkomst laat ook toe dat Zwitserland deelneemt aan andere onderdelen van het ruimtevaartprogramma, naast Galileo en de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos), zoals vastgesteld bij de overeenkomst van 2014, indien een protocol bij de overeenkomst inzake programma’s van de Unie daarin voorziet.

De overeenkomst bevat het standaardaanhangsel betreffende de rechten, immuniteiten en voorrechten van het Euspa en die van zijn personeel.

Protocol inzake parlementaire samenwerking

Krachtens het protocol inzake parlementaire samenwerking wordt een gemengd parlementair comité opgezet, als een forum voor dialoog en debat tussen leden van het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering. Dit heeft tot doel het wederzijdse begrip van en de reflectie over de uitgebreide betrekkingen tussen de EU en Zwitserland te bevorderen, met inbegrip van de mogelijke verdere ontwikkeling ervan. Het gemengd parlementair comité wordt op regelmatige basis in kennis gesteld van de beslissingen en aanbevelingen van de gemengde comités die zijn opgericht uit hoofde van een van de overeenkomsten die tot het brede pakket behoren. Het kan om relevante informatie verzoeken met betrekking tot de uitvoering van om het even welke overeenkomst in het brede pakket, en kan aanbevelingen formuleren aan de partijen.

Gemeenschappelijke verklaring over de instelling van een dialoog op hoog niveau tussen de Unie en Zwitserland

De doelstellingen van de in te stellen dialoog op hoog niveau zijn de volgende:

–het wederzijds begrip en de samenwerking over het via onderhandelingen tot stand gekomen brede bilaterale pakket bevorderen, alsook de verdere ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen;

–aangelegenheden van wederzijds belang bespreken, met name de deelname van Zwitserland aan de interne markt, evenals mogelijkheden om hun partnerschap te versterken; en

–de uitvoering van het brede bilaterale pakket, de werkzaamheden van de gemengde comités en de mogelijke verdere ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen evalueren.



Teksten van de overeenkomsten en kennisgevingen

De teksten van de overeenkomsten en protocollen worden samen met dit voorstel aan de Raad voorgelegd. De teksten van de gemeenschappelijke verklaringen bij de verschillende overeenkomsten en protocollen worden ingediend samen met dit voorstel, met een gemeenschappelijke verklaring over de instelling van een dialoog op hoog niveau tussen de Unie en Zwitserland, en met twee unilaterale verklaringen van Zwitserland over respectievelijk de overeenkomst inzake het vrije verkeer van personen en de gezondheidsovereenkomst.

Overeenkomstig de Verdragen is het aan de Commissie om namens de Unie over te gaan tot de in de overeenkomsten en protocollen bedoelde kennisgevingen, teneinde kenbaar te maken dat de Unie ermee instemt door die instrumenten gebonden te zijn.

Tabel 1: Overzicht van institutionele en andere bepalingen die de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de gezondheidsovereenkomst gemeen hebben.

Bepalingen van de overeenkomst

Identieke bepalingen over

Algemene bepalingen

–institutionele doelstellingen en/of doel van de overeenkomst

–aard van de overeenkomst en verhouding van protocollen ten opzichte van de overeenkomst (in het geval van een bestaande overeenkomst)

Afstemming van de overeenkomst op de rechtshandelingen van de EU

–verplichting voor het gemengd comité om nieuwe handelingen die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen in de overeenkomst te integreren

–deelname aan de opstelling van een rechtshandeling (“beleidsvorming”) en de integratie van rechtshandelingen in de overeenkomst

–vervulling van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

Uitlegging en toepassing van de overeenkomst

–uniforme uitlegging, doeltreffende en harmonieuze toepassing, en exclusiviteitsbeginselen

–procedure in geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing, compenserende maatregelen en samenwerking tussen rechtsgebieden

Overige bepalingen

–Gemengd Comité

–financiële bijdrage van Zwitserland aan de financiering van de agentschappen en informatiesystemen waartoe het toegang heeft

–behandeling van informatie

–verwijzingen in rechtshandelingen van de Unie naar: grondgebieden en onderdanen van de lidstaten, inwerkingtreding en uitvoering van rechtshandelingen, adressaten, rechten en plichten van de lidstaten

Slotbepalingen

–inwerkingtreding en uitvoering

–wijzigingen en beëindiging

Bijlage inzake de toepassing van de financiële bijdrage van Zwitserland

–lijst van activiteiten, instanties en informatiesystemen

–betalingsvoorwaarden

–overgangsregelingen (waar nodig)

Bijlage / aanhangsel over het scheidsgerecht

–register en secretariaatsdiensten van het scheidsgerecht

–inleiding van geschillenbeslechting

–samenstelling van het scheidsgerecht

–arbitrageprocedure

–besluiten van het scheidsgerecht

Aanhangsel inzake voorrechten en immuniteiten van agentschappen

–onschendbaarheid van de kantoren, gebouwen en archieven van het agentschap

–belastingvrijstelling voor activa, inkomsten en goederen en diensten voor officieel gebruik

–diplomatieke status van briefwisseling en communicatie

–voorrechten, immuniteiten, belasting en socialezekerheidsdekking van functionarissen die onder het statuut van de ambtenaren vallen

Tabel 2: Bepalingen inzake staatssteun die de elektriciteitsovereenkomst en de protocollen inzake staatssteun bij de overeenkomsten inzake luchtvervoer en inzake vervoer over land gemeen hebben

Deel / hoofdstuk van het protocol inzake staatssteun of de bijlagen

Identieke bepalingen over

Hoofdtekst

–doelstellingen met betrekking tot staatssteun

–verhouding van het protocol tot de bestaande overeenkomst (in het geval van een bestaande overeenkomst)

–staatssteun die onverenigbaar en verenigbaar is met de overeenkomst, en bestaande steun

–toezicht, transparantie, wijze van samenwerking en raadplegingen

–integratie van rechtshandelingen

–ratificatie en inwerkingtreding, wijzigingen en beëindiging

Bijlage inzake vrijstellingen en verduidelijkingen

–maatregelen die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt

Bijlage inzake algemene en sectorale handelingen die van toepassing zijn in de Unie

–algemene handelingen die van toepassing zij op alle sectoren, aangevuld met specifieke sectorale regels voor het gebied waarop de desbetreffende overeenkomst betrekking heeft

2025/0162 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), i), en artikel 218, lid 7, en artikel 218, lid 8, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement 30 ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)In overeenstemming met Besluit […] van de Raad van [datum] 31 , werd de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie ondertekend op [datum], onder voorbehoud van sluiting op een later tijdstip, en werd deze voorlopig toegepast vanaf [datum], in afwachting van haar inwerkingtreding.

(2)In overeenstemming met Besluit […] van de Raad van [datum] 32 , werd op [datum] een breed pakket overeenkomsten ondertekend, onder voorbehoud van sluiting op een later tijdstip. De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma werd met ingang van [datum] voorlopig toegepast, in afwachting van de inwerkingtreding ervan.

(3)Op 12 maart 2024 33 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met de Zwitserse Bondsstaat (hierna ook “Zwitserland” genoemd) over een breed pakket maatregelen in verband met de bilaterale betrekkingen met Zwitserland, bestaande uit institutionele bepalingen en bepalingen inzake staatssteun in en, waar nodig, specifieke aanpassingen van overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op gebieden die verband houden met de interne markt 34 , een overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie en een overeenkomst die de basis vormt voor de permanente bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen tussen regio’s. De Raad had de Commissie ook gemachtigd onderhandelingen te openen met Zwitserland over nieuwe overeenkomsten inzake elektriciteit, gezondheid, voedselveiligheid, de deelname van Zwitserland aan de agentschappen van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma van de Unie en voor de spoorwegen, en over de wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer teneinde cabotage toe te staan.

(4)De Commissie heeft namens de Unie onderhandeld over een breed pakket overeenkomsten, waaronder protocollen inzake institutionele, staatssteun- en wijzigingsbepalingen voor bestaande overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, een protocol bij de bestaande Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsraad betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, alsook een protocol tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake parlementaire samenwerking.

(5)In de protocollen betreffende de instellingen is een verplichting voor het gemengd comité opgenomen om alle handelingen van de Unie die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomsten vallen te integreren, evenals de bepalingen die ervoor moeten zorgen dat Zwitserland gebonden is door de desbetreffende regels. Zij waarborgen de uniforme uitlegging en toepassing van alle overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en dat, indien bij de toepassing van die overeenkomsten begrippen van Unierecht zijn betrokken, deze worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In de protocollen betreffende de instellingen is een doeltreffend mechanisme opgenomen voor het beslechten van geschillen op basis van arbitrage, met inbegrip van de verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie van alle kwesties met betrekking tot het recht van de Unie die uit de zaak voortvloeien. In geval van niet-naleving van het besluit van het scheidsgerecht, kunnen evenredige compenserende maatregelen worden genomen in de betrokken overeenkomst of in de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

(6)In de protocollen van wijziging bij de bestaande overeenkomsten worden de nodige materiële wijzigingen doorgevoerd, in overeenstemming met het nieuwe institutionele kader. Daarnaast voorziet het protocol van wijziging bij de luchtvervoersovereenkomst in de wederzijdse uitwisseling van cabotagerechten.

(7)De protocollen inzake staatssteun bij de bestaande luchtvervoersovereenkomst en de overeenkomst inzake vervoer over land waarborgen een gelijk speelveld voor de deelname van Zwitserland aan de interne markt op de gebieden waarop deze overeenkomsten betrekking hebben. Zwitserland zal materiële en procedurele regels toepassen, met inbegrip van toezichts- en handhavingsmechanismen, die gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

(8)Het protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten voorziet in een actualisering van het geschillenbeslechtingsmechanisme in de overeenkomst, in overeenstemming met de vaste praktijk in de handelsovereenkomsten van de Unie.

(9)In een afzonderlijk protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten wordt een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid vastgesteld die alle dimensies van de voedselketen omvat. Dit protocol bevat de institutionele bepalingen die alle overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt gemeen hebben.

(10)In de nieuwe Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit worden de regels en voorwaarden vastgelegd waaronder Zwitserland kan deelnemen aan de interne elektriciteitsmarkt. De overeenkomst bevat de institutionele bepalingen die alle overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt gemeen hebben, evenals regels inzake staatssteun die nagenoeg identiek zijn aan die welke van toepassing zijn op de gebieden luchtvervoer en vervoer over land.

(11)De nieuwe Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid is erop gericht de samenwerking tussen de Unie en Zwitserland betreffende ernstige grensoverschrijdende dreigingen te versterken en is naar analogie van toepassing op de institutionele bepalingen die de overeenkomsten op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt gemeen hebben. Deze overeenkomst houdt verband met de deelname van Zwitserland aan het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health- programma”).

(12)In de nieuwe Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie worden de rechtsgrondslag en de parameters vastgesteld voor de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, binnen het kader van het brede pakket, aan de vermindering van economische en sociale ongelijkheden in de Unie. De overeenkomst omvat een geschillenbeslechtingsmechanisme; in geval van niet-naleving van een arbitrale uitspraak kunnen compenserende maatregelen worden genomen in alle overeenkomsten waarop het pakket betrekking heeft.

(13)De nieuwe Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie staat Zwitserland toe deel te nemen aan verschillende programma’s van de Unie die openstaan voor associatie van derde landen: Horizon Europa, het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding, ITER/F4E (Fusion for Energy), Digitaal Europa, Erasmus+ en EU4Health.

(14)In de nieuwe Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma worden de voorwaarden vastgesteld waaronder Zwitserland kan deelnemen aan de werkzaamheden van het agentschap.

(15)Identieke bepalingen in de verschillende protocollen betreffende de instellingen en nieuwe overeenkomsten waarborgen de financiële bijdrage van Zwitserland aan de kosten van de informatiesystemen en agentschappen waaraan het deelneemt.

(16)Krachtens het protocol tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake parlementaire samenwerking, wordt een gemengd parlementair comité opgericht als een forum voor dialoog en debat tussen de leden van het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering, teneinde het wederzijdse begrip van en de reflectie over de uitgebreide betrekkingen tussen de EU en Zwitserland te bevorderen, met inbegrip van de mogelijke verdere ontwikkeling ervan.

(17)Wegens de materiële wijzigingen van de overeenkomsten die binnen het toepassingsgebied van Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad 35 vallen, moeten de artikelen 2 tot en met 6 van dat besluit en artikel 3 van Besluit 2011/51/EU van de Raad 36 en Besluit 2011/738/EU van de Raad 37 worden ingetrokken en vervangen door dit besluit, dat voorziet in een samenhangende en allesomvattende reeks regels over de toepassing en uitvoering van de desbetreffende overeenkomsten in de Unie.

(18)Het is passend om de regelingen vast te stellen voor de vertegenwoordiging van de Unie in de gemengde comités en andere instanties die zijn opgericht bij de overeenkomsten en protocollen waarop dit besluit betrekking heeft.

(19)Overeenkomstig artikel 218, lid 7, VWEU is het passend de Europese Commissie te machtigen om namens de Unie een reeks nauwkeurig vastgestelde wijzigingen goed te keuren van de overeenkomsten en protocollen waarop dit besluit betrekking heeft, die overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomsten of protocollen volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomsten of protocollen opgerichte instantie moeten worden aangenomen. Alle andere besluiten die moeten worden genomen door een instantie die bij de overeenkomsten of protocollen is opgericht, moeten worden goedgekeurd namens de Unie in overeenstemming met artikel 218, lid 9, VWEU.

(20)In dat verband moeten de regelingen worden vastgesteld voor het nemen van besluiten over de standpunten die namens de Unie moeten worden ingenomen in de gemengde comités die zijn opgericht bij de overeenkomsten en het protocol op gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, teneinde te waarborgen dat de rechtshandelingen van de Unie op de onder die overeenkomsten en dat protocol vallende gebieden zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan en de toezending ervan aan Zwitserland in die overeenkomsten en dat protocol worden geïntegreerd, om de gelijktijdige toepassing van de rechtshandelingen in de Unie en Zwitserland te waarborgen.

(21)Om de Unie in staat te stellen snel en doeltreffend op te treden om haar belangen te beschermen overeenkomstig de overeenkomsten en protocollen waarop dit besluit betrekking heeft, is het voorts passend om de Europese Commissie te machtigen besluiten te nemen tot opschorting van de toepassing van de overeenkomsten en protocollen door middel van vrijwarings-, evenwichtsherstellende, crisis- en andere maatregelen, in overeenstemming met de voorwaarden die in de overeenkomstige bepalingen van de overeenkomsten en protocollen zijn vastgesteld.

(22)Wat de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat inzake de handel in landbouwproducten betreft, moet de Europese Commissie bepaalde maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst blijven vaststellen.

(23)De overeenkomsten en protocollen die onder dit besluit vallen, vormen een samenhangend geheel; hierin is de architectuur van een versterkt en alomvattend partnerschap vastgelegd in een brede waaier aan gebieden die onder de Verdragen vallen, op basis van een passend evenwicht van rechten en plichten. Het besluit betreffende de sluiting van deze overeenkomsten en protocollen moet derhalve gebaseerd zijn op de materiële rechtsgrondslag waarin het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet voor de instelling van een associatie die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

(24)De sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie voor wat betreft aangelegenheden die onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het “Euratom-Verdrag”) vallen, is onderworpen aan een afzonderlijke procedure.

(25)De Gemeenschappelijke Verklaring van de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat over de invoering van een dialoog op hoog niveau over het brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en Zwitserland is namens de Unie ondertekend op [datum].

(26)De overeenkomsten en protocollen die onder dit besluit vallen en de gemeenschappelijke verklaringen bij deze overeenkomsten en protocollen moeten worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.De volgende overeenkomsten en protocollen worden hierbij goedgekeurd:

(a)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen 38 ;

(b)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen 39 ;

(c)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer 40 ;

(d)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer 41 ;

(e)Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer 42 ;

(f)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg 43 ;

(g)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

(h)Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg 44 ;

(i)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling 45 ;

(j)Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling 46 ;

(k)Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten 47 ;

(l)Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid 48 ;

(m)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit 49 ;

(n)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid 50 ;

(o)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie 51 ;

(p)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma 52 ;

(q)Protocol tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake parlementaire samenwerking 53 .

2.De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie wordt hierbij goedgekeurd wat betreft andere aangelegenheden dan die welke onder het Euratom-Verdrag vallen 54 .

Artikel 2

1.De Gemeenschappelijke Verklaring over de instelling van een dialoog op hoog niveau over het brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en Zwitserland wordt hierbij goedgekeurd 55 .

2.De volgende gemeenschappelijke verklaringen bij de overeenkomsten en protocollen als bedoeld in artikel 1 van dit besluit worden hierbij goedgekeurd:

(a)de volgende gemeenschappelijke verklaringen bij het protocol van wijziging als bedoeld in artikel 1, punt a), van dit besluit 56 :

–Gemeenschappelijke Verklaring over burgerschap van de Unie;

–Gemeenschappelijke Verklaring over de preventie en bestrijding van misbruik van rechten die bij Richtlijn 2004/38/EG zijn verleend;

–Gemeenschappelijk Verklaring over weigering van sociale bijstand en beëindiging van verblijf vóór de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht;

–Gemeenschappelijke Verklaring over de kennisgeving van de aanvaarding van een baan;

–Gemeenschappelijke Verklaring over het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties;

–Gemeenschappelijke Verklaring over vacatures;

–Gemeenschappelijke Verklaring over gemeenschappelijke doelstellingen betreffende de vrijheid van dienstverrichting tot maximaal 90 werkdagen en de waarborging van de rechten van gedetacheerde werknemers;

–Gemeenschappelijke Verklaring over doeltreffende controlesystemen, waaronder het Zwitserse dubbele handhavingssysteem;

–Gemeenschappelijke Verklaring over het beginsel “gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek” en over een evenredig en toereikend niveau van bescherming voor gedetacheerde werknemers;

–Gemeenschappelijke Verklaring over de deelname van Zwitserland aan de activiteiten van de Europese Arbeidsautoriteit;

–Gemeenschappelijke Verklaring over het declaratoir registratiesysteem voor grensarbeiders;

–Gemeenschappelijke Verklaring over de opname van twee rechtshandelingen van de EU in bijlage I bij de overeenkomst;

(b)de gemeenschappelijke verklaring bij het in artikel 1, punt e), van dit besluit bedoelde protocol inzake staatssteun 57 ;

(c)de gemeenschappelijke verklaring bij het in artikel 1, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol tot wijziging 58 ;

(d)de gemeenschappelijke verklaring bij het in artikel 1, punt h), van dit besluit bedoelde protocol inzake staatssteun 59 ;

(e)de gemeenschappelijke verklaring bij de in artikel 1, punt m), van dit besluit bedoelde overeenkomst 60 .

3.De Raad neemt nota van de volgende verklaringen door Zwitserland:

(a)Verklaring door Zwitserland over maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot zelfstandigen in het kader van de kennisgevingsprocedure voor werkgerelateerde korte verblijven bij het in artikel 1, punt a), van dit besluit bedoelde protocol van wijziging 61 ;

(b)Verklaring door de Zwitserse Bondsstaat met betrekking tot de opname naar analogie van de institutionele elementen in de gezondheidsovereenkomst bij de in artikel 1, punt n), van dit besluit bedoelde overeenkomst 62 .

Artikel 3

1.De Commissie vertegenwoordigt de Unie in de gemengde comités, evenals elke bijkomende gemengde instantie die wordt opgericht overeenkomstig de volgende overeenkomsten en het volgende protocol:

(a)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

(b)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het luchtvervoer;

(c)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

(d)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

(e)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

(f)Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid;

(g)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit;

(h)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid;

(i)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

(j)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

(k)Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

2.Wanneer de Commissie de Unie vertegenwoordigt in de organen die zijn opgericht bij de overeenkomsten en het protocol als bedoeld in lid 1, stelt zij de Raad tijdig in kennis van de besprekingen en het resultaat van de vergaderingen en van de tijdens die vergaderingen vastgestelde handelingen.

3.Elke lidstaat mag één vertegenwoordiger sturen om de vertegenwoordiger van de Commissie te vergezellen, als onderdeel van de delegatie van de Unie, bij vergaderingen van de gemengde comités die zijn opgericht bij de overeenkomsten en het protocol als bedoeld in lid 1.

Artikel 4

1.De Commissie is gemachtigd om het standpunt van de Unie in te nemen in de gemengde comités die zijn opgericht bij de overeenkomsten en het protocol als bedoeld in artikel 3, lid 1, met betrekking tot de volgende besluiten:

(a)besluiten tot vaststelling van instructies voor het behandelen van gevoelige niet-gerubriceerde informatie;

(b)besluiten tot oprichting van werkgroepen en deskundigengroepen overeenkomstig:

–artikel 14, lid 7, van de in artikel 3, lid 1, punt a), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 21, lid 8, van de in artikel 3, lid 1, punt b), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 51, lid 7, van de in artikel 3, lid 1, punt c), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 10, lid 7, van de in artikel 3, lid 1, punt d), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 6, lid 7, van de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 11, lid 8, van de in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 25, lid 8, van de in artikel 3, lid 1, punt g), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 19, lid 7, van de in artikel 3, lid 1, punt h), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

(c)besluiten waarbij rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomsten worden geïntegreerd, onder voorbehoud van de nodige technische aanpassingen, krachtens:

–het respectieve artikel 5, lid 4, van de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–artikel 13, lid 4, van het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

–artikel 27, lid 4, van de in artikel 3, lid 1, punt g), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 6, lid 4, van de in artikel 3, lid 1, punt h), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

(d)besluiten tot vaststelling van de lijst van bijkomende comités en andere instanties waarbij deskundigen van Zwitserland betrokken zullen zijn, indien dit vereist is om de goede werking van de overeenkomsten en protocollen te garanderen, overeenkomstig:

–het respectieve artikel 4, lid 4, van de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–artikel 12, lid 4, van de in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 26, lid 4, van de in artikel 3, lid 1, punt g), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 5, lid 4, van de in artikel 3, lid 1, punt h), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

(e)besluiten tot vaststelling van de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, beroepsgeheim en de legitieme belangen inzake vertrouwelijkheid die het Internationaal Bureau van het Permanente Hof van Arbitrage moet naleven wanneer het de besluiten van het scheidsgerecht bekendmaakt, overeenkomstig het respectieve artikel IV.2, punt 4), van de volgende overeenkomsten of protocollen:

–de respectieve aanhangsels bij de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–het aanhangsel over het scheidsgerecht bij het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

–de respectieve protocollen over het scheidsgerecht bij de in artikel 3, lid 1, punten e), g), h) en i), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

(f)besluiten tot vaststelling en actualisering van de lijst van dagelijkse compensaties en het maximum- en minimumaantal uren waarvoor arbiters vergoedingen kunnen ontvangen, overeenkomstig het respectieve artikel VI.6, punt 2), van de volgende overeenkomsten of protocollen:

–de respectieve aanhangsels over het scheidsgerecht bij de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–het aanhangsel over het scheidsgerecht bij het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

–de respectieve protocollen over het scheidsgerecht bij de in artikel 3, lid 1, punten e), g), h) en i), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

(g)de volgende besluiten in het kader van de in artikel 3, lid 1, punt c), van dit besluit bedoelde overeenkomst:

–besluiten tot differentiëring van de heffingen die van toepassing zijn op de categorieën van zware vrachtwagens en tot bepaling van het gewogen gemiddelde van de heffingen als bedoeld in artikel 40, leden 2 en 3, van de overeenkomst, krachtens artikel 40, leden 2 en 5;

–besluiten tot herziening en actualisering van de maximale hoogtes van de heffingen zoals vastgesteld in artikel 40, lid 3, van de overeenkomst; krachtens artikel 42, lid 2;

–besluiten tot bepaling van de bestuurlijke regeling voor de werking van de waarnemingspost voor het volgen van het weg-, spoorweg- en gecombineerd verkeer in het Alpengebied, evenals de bijdrage van de overeenkomstsluitende partij aan de financiering van de werking ervan, krachtens artikel 45, leden 2 en 3, van de overeenkomst;

–besluiten die worden genomen krachtens artikel 46, leden 2 en 4, van de overeenkomst;

–besluiten in het kader van maatregelen genomen in onderling overleg bij ernstige verstoringen van de verkeersstromen door het Alpengebied, die afbreuk doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 30 van de overeenkomst, krachtens artikel 47 van de overeenkomst;

–besluiten tot wijziging van de bijlagen 5, 6, 8 en 9 bij de overeenkomst, krachtens artikel 55, lid 3, van de overeenkomst;

–besluiten tot vaststelling van de procedure voor het uitwisselen van informatie tussen bevoegde autoriteiten over vervoerders die dergelijke ongeregelde internationale touringcardiensten verstrekken, krachtens artikel 1, punt 2.3, van bijlage 7 bij de overeenkomst;

–besluiten betreffende vergunningen om internationale vervoersdiensten met touringcars en autobussen te verstrekken in de in artikel 4 van bijlage 7 bij de overeenkomst omschreven situaties, krachtens artikel 4, leden 4 en 7, van de bijlage;

(h)de volgende besluiten in het kader van de in artikel 3, lid 1, punt d), van dit besluit bedoelde overeenkomst:

–besluiten tot vaststelling van de procedure voor de in de artikelen 7 en 8 van de overeenkomst bedoelde verificaties, krachtens artikel 10, lid 3, punt d), eerste en tweede streepje, van de overeenkomst;

–besluiten over de erkenning of intrekking van overeenstemmingsbeoordelingsorganen die op grond van artikel 8 van de overeenkomst worden betwist, krachtens artikel 10, lid 3, punt e), derde en vierde streepje, van de overeenkomst;

–besluiten tot vaststelling van de procedure voor gezamenlijke inspecties met betrekking tot naleving door aangewezen organen volgens de in artikel 2 van bijlage 4 bij de overeenkomst vastgestelde voorwaarden, krachtens artikel 4, lid 3, van de bijlage;

(i)besluiten in het kader van de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst, betreffende:

–aangelegenheden in verband met de bijlagen 7 tot en met 10 en bijlage 12 bij de overeenkomst en de aanhangsels daarbij;

–aangelegenheden in verband met de bijlagen 4 tot en met 6 en bijlage 11 bij de overeenkomst gedurende de overgangsperiode als bedoeld in artikel 32 van het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

(j)besluiten tot vaststelling van passende oplossingen voor rechtstreekse uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de Zwitserse bevoegde autoriteiten en betrokken instanties op gebieden waar snel informatie moet worden overgedragen, krachtens:

–artikel 2, lid 2, van bijlage 1 bij de in artikel 3, lid 1, punt d), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 40, lid 3, en artikel 41, lid 2, van de in artikel 3, lid 1, punt g), van dit besluit bedoelde overeenkomst.

2.Voor andere dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde besluiten met rechtsgevolgen die zijn vastgesteld door de gemengde comités die zijn opgericht bij de overeenkomsten of het protocol als bedoeld in artikel 3, lid 1, worden de namens de Unie in te nemen standpunten vastgesteld volgens de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU.

Artikel 5

1.Elk besluit van de Unie om de volgende maatregelen te nemen wordt door de Commissie vastgesteld:

(a)compenserende maatregelen voor de onjuiste toepassing van de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met i), van dit besluit genoemde instrumenten, teneinde onevenwichtigheden te verhelpen overeenkomstig:

–het respectieve artikel 11 van de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–artikel 21 van het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

–artikel 33, van de in artikel 3, lid 1, punt g), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

–artikel 16, van de in artikel 3, lid 1, punt h), van dit besluit bedoelde overeenkomst; of

–artikel 17 van de in artikel 3, lid 1, punt i), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

(b)maatregelen voor herverdeling of tussentijdse herverdeling indien vrijwaringsmaatregelen die door Zwitserland zijn genomen in het kader van de in artikel 3, lid 1, punt a), van dit besluit bedoelde overeenkomst, bedoeld om ernstige economische of sociale problemen die voortvloeien uit de toepassing van de overeenkomst te verhelpen, een onevenwichtigheid hebben gecreëerd tussen de respectieve rechten en verplichtingen in het kader van de overeenkomst, krachtens artikel 14 bis, leden 3 en 5, van de overeenkomst;

(c)de volgende maatregelen in het kader van de in artikel 3, lid 1, punt c), van dit besluit bedoelde overeenkomst:

–unilaterale vrijwaringsmaatregelen tot verhoging van de heffingen voor voertuigen in geval van moeilijkheden met de doorstroming van het Zwitsers wegverkeer door de Alpen en onderbenutting van de spoorwegcapaciteit van de Unie, teneinde vervoer per spoor en gecombineerd vervoer concurrerender te maken ten opzichte van vervoer over de weg, krachtens artikel 46 van de overeenkomst;

–maatregelen genomen in onderling overleg bij ernstige verstoringen van de verkeersstromen door het Alpengebied, die afbreuk doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 30 van de overeenkomst, krachtens artikel 47 van de overeenkomst;

–crisismaatregelen bestemd om de verkeersstromen door het Alpengebied blijvend mogelijk te maken indien deze ernstig zijn verstoord om redenen van overmacht, krachtens artikel 48 van de overeenkomst;

(d)vrijwaringsmaatregelen in het geval dat, in het kader van de toepassing van de bijlagen 1, 2 en 3 bij de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst, de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit Zwitserland een ernstige verstoring van de landbouwmarkten van de Unie veroorzaken of dreigen te veroorzaken, krachtens artikel 10 van de overeenkomst;

(e)tussentijdse vrijwaringsmaatregelen indien de niet-naleving door Zwitserland van een verplichting op grond van de bijlagen 7 tot en met 10 bij de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst, de gezondheid van de mens in gevaar zou kunnen brengen of afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid van de maatregelen om fraude te voorkomen, krachtens artikel 26 van bijlage 7, artikel 16 van bijlage 8, artikel 9 van bijlage 9 en artikel 5 van bijlage 10 bij de overeenkomst;

(f)de opschorting of beëindiging van de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie krachtens artikel 19 van de in artikel 3, lid 1, punt j), van dit besluit bedoelde overeenkomst;

(g)maatregelen die nodig zijn om de integriteit van de ruimte voor voedselveiligheid van de Unie te waarborgen, zoals vastgesteld in artikel 15, lid 3, van het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol;

(h)de opschorting van de deelname van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie, informatiesystemen en andere vermelde activiteiten waartoe Zwitserland toegang heeft krachtens:

–het respectieve artikel 13, lid 2, van de protocollen betreffende de instellingen bij de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met d), van dit besluit bedoelde overeenkomsten;

–het respectieve artikel 9, lid 2, artikel 49, lid 2 en artikel 25, lid 2, van de overeenkomsten en het protocol als bedoeld in artikel 3, lid 1, punten f), g) en h), van dit besluit.

2.In het geval van de in alinea 1, punten a) tot en met f), genoemde besluiten, pleegt de Commissie overleg met het Europees Parlement en de Raad voordat zij haar besluiten neemt. De Commissie kan, naar gelang van de urgentie van de aangelegenheid, een termijn vaststellen waarbinnen de Raad en het Europees Parlement hun advies kunnen verstrekken.

Artikel 6

1.De Commissie stelt de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst, betreffende:

–de toepassing van de in bijlage 2 en bijlage 3 bij de overeenkomst vermelde tariefconcessies, evenals wijzigingen en technische aanpassingen die noodzakelijk zijn als gevolg van wijzigingen aan de gecombineerde nomenclatuur en de Taric-codes;

–de uitvoering van titel III van bijlage 7, artikel 14 van bijlage 8, bijlage 9, bijlage 10 en de artikelen 3, 13 en 15 van bijlage 12 bij de overeenkomst.

2.Gedurende de overgangsperiode als bedoeld in artikel 32 van het in artikel 3, lid 1, punt f), van dit besluit bedoelde protocol, stelt de Commissie de maatregelen vast die nodig zijn voor de toepassing van de bijlagen 4 tot en met 6 en bijlage 11 bij de in artikel 3, lid 1, punt e), van dit besluit bedoelde overeenkomst.

Artikel 7

1.De artikelen 2 tot en met 6 van Besluit 2002/309/EG, Euratom worden ingetrokken.

2.Artikel 3 van Besluit 2011/51/EU en artikel 3 van Besluit 2011/738 worden ingetrokken.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

“ONTVANGSTEN” — VOOR VOORSTELLEN DIE GEVOLGEN HEBBEN AAN DE ONTVANGSTENZIJDE VAN DE BEGROTING

DEEL I: PROGRAMMA’S VAN DE UNIE

1.BENAMING VAN HET VOORSTEL:

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat.

2.BEGROTINGSONDERDELEN:

In deel I worden de financiële gevolgen toegelicht van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie (hierna de “overeenkomst inzake programma’s van de Unie” genoemd). In deel II worden de financiële gevolgen toegelicht van de overeenkomsten in het brede pakket die voorzien in een financiële bijdrage van Zwitserland aan verschillende agentschappen en informatiesystemen.

·Horizon Europa

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 0 1 0 — Horizon Europa — Bestemmingsontvangsten

Begroot bedrag voor het desbetreffende jaar:

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Geheel artikel 01 01 01 (01 01 01 01, 01 01 01 02, 01 01 01 03, 01 01 01 11, 01 01 01 12, 01 01 01 13, 01 01 01 71, 01 01 01 72, 01 01 01 73, 01 01 01 74, 01 01 01 76);

–Geheel artikel 01 02 01 (01 02 01 01, 01 02 01 02, 01 02 01 03);

–Geheel artikel 01 02 02 (01 02 02 10, 01 02 02 11, 01 02 02 12, 01 02 02 20, 01 02 02 30, 01 02 02 31, 01 02 02 40, 01 02 02 41, 01 02 02 42, 01 02 02 43, 01 02 02 50, 01 02 02 51, 01 02 02 52, 01 02 02 53, 01 02 02 54, 01 02 02 60, 01 02 02 61, 01 02 02 70);

–Geheel artikel 01 02 03 (01 02 03 01, 01 02 03 02, 01 02 03 03);

–Geheel artikel 01 02 04 (01 02 04 01, 01 02 04 02);

–Artikel 01 02 05;

–Begrotingsonderdeel 20 XX Administratieve uitgaven van de Europese Commissie.


·Erasmus+

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 0 1 0 — Erasmus+ — Bestemmingsontvangsten

Begroot bedrag voor het desbetreffende jaar:

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Geheel artikel Erasmus+ (rubriek 2: 07.030101, 07.030102, 07.0302, 07.0303, 07.010201.xx, 07.010275)

–Erasmus+ (rubriek 6: 15.020102, 14.020150, 14.010175, 15.010175).

–Begrotingsonderdeel 20 XX Administratieve uitgaven van de Europese Commissie

·EU4Health

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–Titel 6: Ontvangsten, bijdragen en restituties in verband met Uniebeleid, Hoofdstuk 6 1: Cohesie, veerkracht en waarden, Artikel 6 1 1: herstel en veerkracht, en post 6113 EU4Health-programma — Bestemmingsontvangsten

De ontvangsten worden toegewezen aan de volgende begrotingsonderdelen voor uitgaven:

Begrotingsonderdeel

Titel

06 01 05 73 – rubriek 2b

Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid — Bijdrage van het EU4Health-programma

06 01 05 01 – rubriek 2b

Ondersteunende uitgaven voor het EU4Health-programma

06 06 01 – rubriek 2b

EU4Health-programma

20 02 01 01 – rubriek 7

Arbeidscontractanten

20 04 01– rubriek 7

Informatiesystemen

·Digitaal Europa

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 0 2 2 — Programma Digitaal Europa — Bestemmingsontvangsten

Begroot bedrag voor het desbetreffende jaar: 19 296 000



De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

02 01 30 01

Uitgaven ter ondersteuning van het programma Digitaal Europa

02 01 30 73

Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid — Bijdrage van het programma Digitaal Europa

02 04 02 10

Programma Digitaal Europa — High-performance computing

02 04 03 00

Programma Digitaal Europa — Artificiële intelligentie

02 04 04 00

Programma Digitaal Europa — Vaardigheden

02 04 05 01

Programma Digitaal Europa — Uitrol

02 04 05 02

Programma Digitaal Europa — Uitrol / Interoperabiliteit

Begrotingsonderdeel 20.XX

Administratieve uitgaven van de Europese Commissie

3.FINANCIËLE GEVOLGEN 63

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de uitgaven maar wel voor de ontvangsten

   Het voorstel heeft financiële gevolgen voor de bestemmingsontvangsten,

namelijk:

·Horizon Europa

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten

Periode van XX maanden, met ingang van dd.mm.jjjj (indien van toepassing)

Jaar N (2025)

6 0 1 0

1 934,043

36 maanden met ingang van 1.1.2025

636,724

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

2025

2026

2027

6 0 1 0

636,724

640,836

656,483

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

2025

2026

2027

Artikelen 01 01 01; 01 02 01; 01 02 02; 01 02 03; 01 02 04; 01 02 05

621,194

622,171

631,234

20 XX

15,530

18,665

25,249

·Erasmus+

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten

Periode van XX maanden, met ingang van dd.mm.jjjj (indien van toepassing)

Jaar N (2027)

6 0 1 0

181,1

12 maanden met ingang van 1.1.2027

181,1

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

2027

6 0 1 0

181,1

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

2027

Artikelen:

07.030101, 07.030102, 07.0302, 07.0303, 07.010201, 07.010275

174,1

20 XX

7,0

·EU4Health

(in miljoen EUR, tot op 1 decimaal)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten 64

24 maanden met ingang van 1.1.2026

Jaar N

Artikel 6113

47,738 65

01/01/2026 66

31 december 2027

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

2026 67

2027

Artikel 6113

23,869

23,869

(in miljoen EUR, tot op 1 decimaal)

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Titel

Toewijzing voor 2026

06 01 05 73

Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid — Bijdrage van het EU4Health-programma

0,684

06 01 05 01

Ondersteunende uitgaven voor het EU4Health-programma

0,292

06 06 01

EU4HEALTH-programma

22,425

20 02 01 01

Arbeidscontractanten

0,234

20 04 01

Informatiesystemen

0,234

·Digitaal Europa

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten

Periode van XX maanden, met ingang van dd.mm.jjjj (indien van toepassing)

Jaar N (2025)

6 0 2 2

59,875

36 maanden met ingang van 1.1.2025

19,296

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

2025

2026

2027

6 0 2 2

19,296

18,793

21,786

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

2025

2026

2027

Artikelen

02 01 30

02 04 02

02 04 03

02 04 04

02 04 05

18,826

18,245

20,948

20 XX

0,470

0,548

0,838

4.FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Volgens artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Commissie fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden. De preventie en opsporing van fraude is bijgevolg een algemene verplichting voor alle diensten van de Commissie in het kader van hun dagelijkse activiteiten waarbij middelen worden aangewend.

Fraude of onregelmatigheden met middelen van de Unie heeft met name nadelige gevolgen voor de reputatie van de Commissie en de uitvoering van het beleid van de Unie. De huidige fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS) (COM(2019) 196) is op 29 april 2019 aangenomen, als vervanging van de strategie uit 2011. Het betreft een beleidsdocument waarin de prioriteiten van de Commissie in de strijd tegen fraude worden uiteengezet met het oog op het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027. De belangrijkste doelstellingen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn: 1) “de kennis van fraudepatronen, profielen van fraudeurs en systemische kwetsbare plekken waar het gaat om fraude ten nadele van de EU-begroting verder verbeteren” (verzameling en analyse van gegevens), en 2) “de coördinatie, samenwerking en workflows voor fraudebestrijding optimaliseren, met name tussen diensten van de Commissie en uitvoerende agentschappen” (coördinatie, samenwerking en processen). De strategie gaat vergezeld van een actieplan dat in juli 2023 is herzien en dat, net als zijn voorganger, tot doel heeft alle onderdelen van de fraudebestrijdingscyclus te versterken: preventie, opsporing, onderzoek en correctie.

De leidende beginselen en normen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn:

–nultolerantie voor fraude;

–fraudebestrijding als integraal onderdeel van de interne controle;

–kosteneffectiviteit van de controles;

–professionele integriteit en bekwaamheid van personeel van de Unie;

–transparantie over de besteding van middelen van de Unie;

–fraudepreventie, met name fraudebestendig maken van uitgavenprogramma’s;

–doeltreffende onderzoekscapaciteit en tijdige uitwisseling van informatie;

–snelle correctie (met inbegrip van terugvordering van onrechtmatig verkregen middelen en gerechtelijke/administratieve sancties);

–goede samenwerking tussen interne en externe spelers, in het bijzonder tussen de Unie en de bevoegde nationale autoriteiten, en tussen de diensten van alle betrokken instellingen en instanties van de Unie;

–doeltreffende interne en externe communicatie over fraudebestrijding.

De artikelen 11 tot en met 14 van de overeenkomst inzake programma’s van de Unie bevatten gedetailleerde bepalingen over gezond financieel beheer, dat ook fraudebestrijdingsmaatregelen omvat. De maatregelen moeten horizontaal toepasbaar zijn om de bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen in alle programma’s en activiteiten van de Unie die vallen onder de toekomstige protocollen die het gezamenlijk comité in het kader van de overeenkomst inzake programma’s van de Unie kan vaststellen om de Zwitserse Bondsstaat met een aantal programma’s of activiteiten van de Unie te associëren. Die maatregelen zijn ook van toepassing op protocollen, aangezien protocollen en bijlagen daarvan integrerend deel uitmaken.

Met name is in de artikelen 11 en 12 van de overeenkomst voorzien in de nodige details en processen, en in onbelemmerde uitvoering van taken door de instanties die de financiële belangen van de Unie waarborgen (de Europese Commissie, of andere personen die daartoe gemachtigd zijn door de Europese Commissie, met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), de Europese Rekenkamer en het Europees Openbaar Ministerie (EOM)). Gedurende de hele uitvoering van de programma’s of activiteiten die onder de protocollen bij de overeenkomst inzake programma’s van de Unie vallen, blijft hetzelfde beginsel intact: de financiële belangen van de Unie moeten worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en in voorkomend geval door het opleggen van de administratieve sancties.

Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF en de Rekenkamer, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 11, lid 4, van de overeenkomst kunnen de evaluaties en controles ook worden uitgevoerd na de opschorting van de toepassing van een protocol of na de beëindiging van de toepassing of de opzegging van de overeenkomst inzake programma’s van de Unie.

Overeenkomstig de overeenkomst inzake programma’s van de Unie kan OLAF administratieve onderzoeken uitvoeren, waaronder controles en inspecties ter plaatse, op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat, van een Zwitserse entiteit die partij is bij een relevante financieringsovereenkomst of een Zwitserse derde partij bij de financieringsovereenkomst in het kader van een contract, overeenkomstig en voor zover bepaald in de desbetreffende financieringsovereenkomst of een ander toepasselijk contract. De Europese Commissie en OLAF houden zich bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat aan de Zwitserse wetgeving.

De evaluaties en controles kunnen worden uitgevoerd door functionarissen van de Unie, met name functionarissen van de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer, of door andere personen die daartoe door de Europese Commissie zijn gemachtigd. De Europese Commissie of andere door haar gemachtigde personen houden zich bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat aan de Zwitserse wetgeving.

De Zwitserse autoriteiten verlenen, overeenkomstig de toepasselijke internationale samenwerkingsinstrumenten, hun medewerking aan de autoriteiten van de Unie of de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook wat betreft het voor de rechter brengen van vermeende daders van en medeplichtigen aan die strafbare feiten. Verzoeken aan de Zwitserse Bondsstaat op grond van toepasselijke internationale samenwerkingsinstrumenten kunnen bijvoorbeeld verzoeken zijn die worden gedaan in verband met onderzoeken van of vervolgingen door het Europees Openbaar Ministerie (EOM). Dit maakt samenwerking met het EOM mogelijk, zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

Voorts voorziet de overeenkomst inzake programma’s van de Unie in een doeltreffend mechanisme om de tenuitvoerlegging van besluiten van de Commissie op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat te waarborgen.

5.ANDERE OPMERKINGEN

De methode voor de berekening van de financiële bijdrage van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie is vastgesteld in artikel 7 betreffende de financiële voorwaarden, aangevuld door de artikelen 8 en 9 van de overeenkomst en bijlage I betreffende de financiële uitvoeringsbepalingen van de overeenkomst.

Wat EU4Health betreft, is de geraamde verdeling van de bijdrage van het geassocieerde land aan de verschillende begrotingsonderdelen van het programma gebaseerd op het relatieve aandeel van elk begrotingsonderdeel op de begroting van het programma in de begroting van de Unie (C1-kredieten, op basis van de financiële programmering 2021-2027, met inbegrip van geraamde aanvullende inkomsten uit boeten — artikel 5 van het meerjarig financieel kader). Een indicatief bedrag van de bijdrage van het geassocieerde land dient ook ter dekking van de gedecentraliseerde administratieve uitgaven (extern personeel/overige beheersuitgaven).



DEEL II:

AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR HET RUIMTEVAARTPROGRAMMA

1.BENAMING VAN HET VOORSTEL:

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat.

2.BEGROTINGSONDERDELEN:

In deel II worden de financiële gevolgen toegelicht van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (hierna de “overeenkomst” genoemd). In deel I worden de financiële gevolgen toegelicht van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie. In deel III worden de financiële gevolgen toegelicht van de andere overeenkomsten van het brede pakket die voorzien in een financiële bijdrage van Zwitserland aan verschillende agentschappen en informatiesystemen.

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 04 10 01 — Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (Euspa) — Externe bestemmingsontvangsten

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 04 10 01 — Agentschap voor het ruimtevaartprogramma van de Europese Unie (Euspa) — Goedgekeurde begroting

3.FINANCIËLE GEVOLGEN 68

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de uitgaven maar wel voor de ontvangsten

   Het voorstel heeft financiële gevolgen voor de bestemmingsontvangsten,



namelijk:

(in miljoen EUR tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten

Periode van XX maanden, met ingang van dd.mm.jjjj (indien van toepassing)

Jaar N (2026)

04 10 01

4 098 115

24 maanden met ingang van 1.1.2026

4 098 115

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

2026

2027

04 10 01

4 098 115

4 185 977

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

2026

2027

04 10 01

4 098 115

4 185 977

4.FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Volgens artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Commissie fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden. De preventie en opsporing van fraude is bijgevolg een algemene verplichting voor alle diensten van de Commissie in het kader van hun dagelijkse activiteiten waarbij middelen worden aangewend.

Fraude of onregelmatigheden met middelen van de Unie heeft met name nadelige gevolgen voor de reputatie van de Commissie en de uitvoering van het beleid van de Unie. De huidige fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS) (COM(2019) 196) is op 29 april 2019 aangenomen, als vervanging van de strategie uit 2011. Het betreft een beleidsdocument waarin de prioriteiten van de Commissie in de strijd tegen fraude worden uiteengezet met het oog op het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027. De belangrijkste doelstellingen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn: 1) “de kennis van fraudepatronen, profielen van fraudeurs en systemische kwetsbare plekken waar het gaat om fraude ten nadele van de EU-begroting verder verbeteren” (verzameling en analyse van gegevens), en 2) “de coördinatie, samenwerking en workflows voor fraudebestrijding optimaliseren, met name tussen diensten van de Commissie en uitvoerende agentschappen” (coördinatie, samenwerking en processen). De strategie gaat vergezeld van een actieplan dat in juli 2023 is herzien en dat, net als zijn voorganger, tot doel heeft alle onderdelen van de fraudebestrijdingscyclus te versterken: preventie, opsporing, onderzoek en correctie.

De leidende beginselen en normen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn:

–nultolerantie voor fraude;

–fraudebestrijding als integraal onderdeel van de interne controle;

–kosteneffectiviteit van de controles;

–professionele integriteit en bekwaamheid van personeel van de Unie;

–transparantie over de besteding van middelen van de Unie;

–fraudepreventie, met name fraudebestendig maken van uitgavenprogramma’s;

–doeltreffende onderzoekscapaciteit en tijdige uitwisseling van informatie;

–snelle correctie (met inbegrip van terugvordering van onrechtmatig verkregen middelen en gerechtelijke/administratieve sancties);

–goede samenwerking tussen interne en externe spelers, in het bijzonder tussen de Unie en de bevoegde nationale autoriteiten, en tussen de diensten van alle betrokken instellingen en instanties van de Unie;

–doeltreffende interne en externe communicatie over fraudebestrijding.

Artikel 11 van de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma en bijlage III bij de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan Euspa bevatten gedetailleerde financiële bepalingen voor Zwitserse deelnemers aan de activiteiten van het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma, waaronder ook fraudebestrijdingsmaatregelen. Bijlage III voorziet in de nodige details en processen, en in onbelemmerde uitvoering van taken door de instanties die de financiële belangen van de Unie waarborgen (de Europese Commissie, of andere personen die daartoe gemachtigd zijn door de Europese Commissie, met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer). De financiële belangen van de Unie moeten worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en in voorkomend geval door het opleggen van de administratieve sancties.

Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF en de Rekenkamer, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 11, lid 4, van de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma, kunnen de evaluaties en controles ook worden uitgevoerd na de opschorting van de toepassing van een protocol of na de beëindiging van de toepassing of de opzegging van de overeenkomst.

Overeenkomstig de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma kan OLAF administratieve onderzoeken uitvoeren, waaronder controles en inspecties ter plaatse, op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat van een Zwitserse entiteit die partij is bij een relevante financieringsovereenkomst of een Zwitserse derde partij bij de financieringsovereenkomst in het kader van een contract, overeenkomstig en voor zover bepaald in de desbetreffende financieringsovereenkomst of een ander toepasselijk contract. De Europese Commissie en OLAF houden zich bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat aan de Zwitserse wetgeving.

De evaluaties en controles kunnen worden uitgevoerd door functionarissen van de Unie, met name functionarissen van de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer, of door andere personen die daartoe door de Europese Commissie zijn gemachtigd. De Europese Commissie of andere door haar gemachtigde personen houden zich bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat aan de Zwitserse wetgeving.

De Zwitserse autoriteiten verlenen, overeenkomstig de toepasselijke internationale samenwerkingsinstrumenten, hun medewerking aan de autoriteiten van de Unie of de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook wat betreft het voor de rechter brengen van vermeende daders van en medeplichtigen aan die strafbare feiten. Verzoeken aan de Zwitserse Bondsstaat op grond van toepasselijke internationale samenwerkingsinstrumenten kunnen bijvoorbeeld verzoeken zijn die worden gedaan in verband met onderzoeken van of vervolgingen door het Europees Openbaar Ministerie (EOM). Dit maakt samenwerking met het EOM mogelijk, zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

Voorts voorziet de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma in een doeltreffend mechanisme om de tenuitvoerlegging van besluiten van de Commissie op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat te waarborgen.

5.ANDERE OPMERKINGEN

De jaarlijkse financiële bijdrage van Zwitserland aan de financiering van Euspa bestaat uit enerzijds een operationele bijdrage en anderzijds een deelnamevergoeding, zoals bepaald in artikel 4 van de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma en bijlage I bij die overeenkomst.

De operationele bijdrage zal gebaseerd zijn op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (bbp) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen. De bbp’s die moeten worden toegepast zijn de bbp’s die het meest recent beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst over samenwerking op het gebied van statistiek 69 . Indien deze overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De operationele bijdrage wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de jaarlijkse goedgekeurde begroting van de Unie die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderdelen voor subsidies voor het betrokken begrotingsjaar. Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

De jaarlijkse deelnamevergoeding is een percentage van de jaarlijkse operationele bijdrage. De jaarlijkse deelnamevergoeding heeft de volgende waarden:

–    in 2026: 2 %

–    in 2027: 3 %

–    in 2028 en de daaropvolgende jaren: 4 %.

Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, zullen in euro worden verricht.

De Europese Commissie zal verzoeken tot storting bezorgen aan Zwitserland die overeenstemmen met de bijdragen van Zwitserland. Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk 45 dagen nadat het verzoek tot storting is ontvangen.

Bij te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland achterstandsrente op het resterende bedrag vanaf de vervaldatum. De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.

DEEL III:

ANDERE AGENTSCHAPPEN EN INFORMATIESYSTEMEN 

1.BENAMING VAN HET VOORSTEL:

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat. 

2.BEGROTINGSONDERDELEN:

In deel III worden de financiële gevolgen toegelicht van de overeenkomsten van het brede pakket die voorzien in een financiële bijdrage van Zwitserland aan verschillende agentschappen en informatiesystemen, met uitzondering van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma. De financiële gevolgen van deze laatste overeenkomst en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie worden nader beschreven in de delen I en II van het financieel memorandum

.

Uit hoofde van de overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, de gezondheidsovereenkomst en de overeenkomst inzake het Agentschap voor het ruimtevaartprogramma zal Zwitserland bij de inwerkingtreding financieel bijdragen aan de begroting van de Unie voor het beheer en de werking van de agentschappen en instanties, de informatiesystemen en andere activiteiten waartoe het toegang heeft uit hoofde van die overeenkomsten. Er werd onderhandeld over een reeks financiële standaardregelingen, die in de specifieke overeenkomsten werden geïntegreerd. Deze hebben geen betrekking op de overeenkomsten inzake de deelname van Zwitserland aan respectievelijk het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en de programma’s van de Unie.

Er is een gedetailleerde beschrijving van de financiële regelingen opgenomen in afdeling 5 van dit document.

De informatiesystemen waartoe Zwitserland toegang krijgt en waarvoor het financieel moet bijdragen in overeenstemming met de overeengekomen financiële regelingen zijn de volgende: 

–het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (Eures), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/589;

–het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI), zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009; 

–de modules van het informatiesysteem interne markt (IMI), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 met betrekking tot de detachering van werknemers, diensten, beroepskwalificaties, de Europese beroepskaart, gereglementeerde beroepen en één digitale toegangspoort; 

–het EudraGMDP-informatiesysteem inzake het communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals vastgesteld bij Richtlijn 2004/27/EG; 

–het Europhyt-portaal, zoals vastgesteld bij Richtlijn 94/3/EG van de Commissie van 21 januari 1994; 

–het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF), zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002; 

–het platform voor sanitaire en fytosanitaire certificering (Traces), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2017/625;  

–het systeem voor kennisgeving van en rapportage over informatie betreffende dierziekten (ADIS), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/2002; 

–de Uniedatabank, zoals vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. 

De agentschappen waartoe Zwitserland toegang krijgt en waarvoor het financieel moet bijdragen in overeenstemming met de overeengekomen financiële regelingen zijn de volgende: 

–het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), opgericht bij Verordening (EG) nr. 851/2004; 

–de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002; 

–het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), opgericht bij Verordening (EU) 2019/942.

Indien op dit moment alternatieve financieringsbronnen aanwezig zijn, worden die behouden. Indien deze situatie wijzigt in de loop van de levenscyclus van de overeenkomsten, moeten de financiële standaardregelingen worden toegepast. Dit heeft betrekking op de volgende informatiesystemen en agentschappen: 

–TACHOnet, opgericht bij Verordening (EU) nr. 165/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/68 van de Commissie; 

–het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen (EWRS), opgericht bij Verordening (EU) 2022/2371; 

–het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), opgericht bij Verordening (EU) 2018/1139; 

–het systeem voor wederzijdse informatie over sociale bescherming (MISSOC).

Om rekening te houden met het feit dat Zwitserland geen toegang zal hebben tot de activiteiten van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), dat buiten het toepassingsgebied van de elektriciteitsovereenkomst valt, wordt de jaarlijkse operationele bijdrage aan ACER berekend op basis van het jaarlijkse referentiebedrag, dat overeenkomt met 85 % van het bedrag van de goedgekeurde jaarbegroting van de Unie, opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie.

In het kader van het huidige MFK (2021-2027) dient Zwitserland geen bijdrage te betalen voor de financiering van het EWRS overeenkomstig de bovengenoemde financiële regelingen. In plaats daarvan wordt de bijdrage gedekt door zijn bijdragen aan de financiering van het ECDC en het EU4Health-programma, aangezien dit de twee financieringsbronnen van het EWRS zijn in het kader van het huidige MFK.

De precieze gevolgen van de bijdragen van Zwitserland aan de begroting kunnen niet worden vastgesteld op het moment dat dit dossier wordt opgesteld, aangezien Zwitserland pas zal beginnen met bijdragen nadat de betrokken overeenkomsten in werking zijn getreden, en de inwerkingtreding ervan hangt af van de vervulling van een aantal grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland. Dit proces kan verschillende jaren in beslag nemen, wat kan betekenen dat de overeenkomsten niet in werking treden tijdens het huidige meerjarige financieel kader.

Aangezien de overeengekomen financieringsregelingen een periodieke inkomstenstroom voor de begroting van de Unie genereren en de standaardbepalingen als model zullen dienen voor de bijdragen van Zwitserland aan het beheer en de werking van eventuele bijkomende agentschappen of informatiesystemen waartoe Zwitserland in de toekomst toegang krijgt, is het niettemin nuttig om te schetsen op welke wijze de financiële regelingen van invloed kunnen zijn op de begroting. In de vermelde bedragen worden de financiële regelingen toegepast op de begroting van 2024, die als referentie werd gebruikt tijdens de onderhandelingen over de financieringsregelingen en betalingsvoorwaarden.

·Informatiesystemen

Eures

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–R6 1 2 0 — Europees Sociaal Fonds Plus — Bestemmingsontvangsten

De ontvangsten worden toegewezen aan de volgende begrotingsonderdelen voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

Artikel 07 02 04 — ESF+ — Onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), en

–Artikel 07 10 09 — Europese Arbeidsautoriteit (ELA): uitgaven in verband met het Eures-platform

Elektronische uitwisseling van gegevens betreffende de sociale zekerheid (EESSI)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 1 2 0 — Europees Sociaal Fonds Plus — Bestemmingsontvangsten

–R 6 6 3 0 — Proefprojecten, voorbereidende acties, prerogatieven en overige acties

De ontvangsten worden toegewezen aan de volgende begrotingsonderdelen voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 07 02 04 — ESF+ — Onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

–Post 07 20 03 01 — Vrij verkeer van werknemers, coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit niet-lidstaten

Informatiesysteem interne markt (IMI) 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 00 03 00 — Programma voor de interne markt — Bestemmingsontvangsten 

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Post 03 01 01 01 — Ondersteunende uitgaven voor het programma voor de interne markt (03 01 01 01 02) 



EudraGMDP 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 6 2 

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–6 10 03 01 — Bijdrage van de Unie aan het Europees Geneesmiddelenbureau

Europhyt, iRASFF, Traces, ADIS 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–60 30

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 03 02 06 — Bijdragen aan een hoog niveau van gezondheid en welzijn voor mensen, dieren en planten

Uniedatabank, zoals vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2018/2001 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 06 08 — Overige bijdragen en terugbetalingen — Bestemmingsontvangsten 

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–02 20 04 02 — Ondersteunende activiteiten in het kader van het Europese energiebeleid en de interne energiemarkt

·Agentschappen

Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC) en Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 6 2 

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 06 10 01 — Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding

–Artikel 06 10 02 — Europese Autoriteit voor voedselveiligheid 

Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post):

–6 06 08 — Gedecentraliseerde agentschappen — Bestemmingsontvangsten 

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

–Artikel 02 10 06 — Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) 

3.FINANCIËLE GEVOLGEN 

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de uitgaven maar wel voor de ontvangsten

   Het voorstel heeft financiële gevolgen voor de bestemmingsontvangsten,

namelijk:

·Informatiesystemen

Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (Eures)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

R 6 1 2 0

999 897

Situatie na de actie 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

R 6 1 2 0

999 897

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

07 02 04

07 10 09

999 897

Elektronische uitwisseling van gegevens betreffende de sociale zekerheid (EESSI)

Begrotingsonderdelen voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

R 6 1 2 0

R 6 6 3 0

227 136



Situatie na de actie 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

R 6 1 2 0

R 6 6 3 0

227 136

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

07 02 04

07 20 03 01

227 136

Informatiesysteem interne markt (IMI) 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

6 00 03 00

96 346

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 00 03 00

96 346

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

Post 03 01 01 01 (03 01 01 01 02)

96 346

EudraGMDP

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten 

(raming 2024) 

6 6 2

6 525



Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 6 2

6 525

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

6 10 03 01

6 525

Europhyt, iRASFF, Traces, ADIS

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

6 0 3 0

727 804

Situatie na de actie 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 0 3 0

727 804

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

Artikel 03 02 06

727 804

Uniedatabank, zoals vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2018/2001 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

6 06 08

875 000

Situatie na de actie 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 06 08

875 000

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

02 20 04 02

875 000

·Agentschappen

Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

6 6 2

3 670 862

Situatie na de actie 

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 6 2

3 670 862

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

Artikel 06 10 01

3 670 862

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

6 6 2

7 755 340

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 6 2

7 755 340

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

Artikel 06 10 02

7 755 340



Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) 70

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor jaarlijkse ontvangsten

(raming 2024)

06 06 08

981 805

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Geraamde jaarlijkse ontvangsten

6 06 08

981 805

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

Geraamde jaarlijkse uitgaven

02 10 06

981 805

4.FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN 

Volgens artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Commissie fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden. De preventie en opsporing van fraude is bijgevolg een algemene verplichting voor alle diensten van de Commissie in het kader van hun dagelijkse activiteiten waarbij middelen worden aangewend.

Fraude of onregelmatigheden met middelen van de Unie heeft met name nadelige gevolgen voor de reputatie van de Commissie en de uitvoering van het beleid van de Unie. De huidige fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS) (COM(2019) 196) is op 29 april 2019 aangenomen, als vervanging van de strategie uit 2011. Het betreft een beleidsdocument waarin de prioriteiten van de Commissie in de strijd tegen fraude worden uiteengezet met het oog op het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027. De belangrijkste doelstellingen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn: 1) “de kennis van fraudepatronen, profielen van fraudeurs en systemische kwetsbare plekken waar het gaat om fraude ten nadele van de EU-begroting verder verbeteren” (verzameling en analyse van gegevens), en 2) “de coördinatie, samenwerking en workflows voor fraudebestrijding optimaliseren, met name tussen diensten van de Commissie en uitvoerende agentschappen” (coördinatie, samenwerking en processen). De strategie gaat vergezeld van een actieplan dat in juli 2023 is herzien en dat, net als zijn voorganger, tot doel heeft alle onderdelen van de fraudebestrijdingscyclus te versterken: preventie, opsporing, onderzoek en correctie.

De leidende beginselen en normen van de fraudebestrijdingsstrategie van 2019 zijn:

–nultolerantie voor fraude;

–fraudebestrijding als integraal onderdeel van de interne controle;

–kosteneffectiviteit van de controles;

–professionele integriteit en bekwaamheid van personeel van de Unie;

–transparantie over de besteding van middelen van de Unie;

–fraudepreventie, met name fraudebestendig maken van uitgavenprogramma’s;

–doeltreffende onderzoekscapaciteit en tijdige uitwisseling van informatie;

–snelle correctie (met inbegrip van terugvordering van onrechtmatig verkregen middelen en gerechtelijke/administratieve sancties);

–goede samenwerking tussen interne en externe spelers, in het bijzonder tussen de Unie en de bevoegde nationale autoriteiten, en tussen de diensten van alle betrokken instellingen en instanties van de Unie;

–doeltreffende interne en externe communicatie over fraudebestrijding.

5.ANDERE OPMERKINGEN 

De jaarlijkse financiële bijdrage van Zwitserland aan de financiering van informatiesystemen en agentschappen zal plaatsvinden in de vorm van de som van een operationele bijdrage enerzijds en een deelnamevergoeding anderzijds.

De operationele bijdrage zal gebaseerd zijn op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (bbp) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen. De bbp’s die moeten worden toegepast zijn de bbp’s die het meest recent beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst over samenwerking op het gebied van statistiek 71 . Indien deze overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De operationele bijdrage voor agentschappen wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de goedgekeurde jaarbegroting van de Unie, die wordt opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie voor dat betrokken jaar. De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten voor de uitvoering van de begroting (zoals werkprogramma’s of contracten). Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage.

Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, zullen in euro worden verricht.

De Europese Commissie zal Zwitserland uiterlijk op 16 april van het begrotingsjaar de volgende informatie meedelen met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

–de bedragen in vastleggingskredieten van de jaarbegroting van de Unie, opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie voor dat betrokken jaar voor elk agentschap, en de bedragen in vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie voor het betrokken jaar voor de desbetreffende begroting van de informatiesystemen;

–het bedrag van de deelnamevergoeding;

–wat de agentschappen betreft, in jaar N+1 de vastleggingen in de begroting die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie in verhouding tot de jaarbegroting van de Unie, opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie voor jaar N.

Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Europese Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van de bovengenoemde informatie.

De Europese Commissie zal verzoeken tot storting bezorgen aan Zwitserland die overeenstemmen met de bijdragen van Zwitserland voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt. Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen nadat het verzoek tot bijdragen is gedaan. 

In elk verzoek tot storting mag Zwitserland afzonderlijke betalingen uitvoeren voor elk agentschap, elk informatiesysteem of elke andere activiteit. 

Bij te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland achterstandsrente op het resterende bedrag vanaf de vervaldatum.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.

(1)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat inzake luchtvervoer; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat inzake de handel in landbouwproducten, alle ondertekend op 21 juni 1999 (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1).
(2)    COM(2023) 798 final, 20.12.2023.
(3)    Besluit (EU, Euratom) 2024/995 van de Raad van 12 maart 2024 tot machtiging tot het openen van onderhandelingen met de Zwitserse Bondsstaat over institutionele bepalingen in overeenkomsten tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat met betrekking tot de interne markt, over een overeenkomst inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan Unieprogramma’s en over een overeenkomst die de basis vormt voor de permanente bijdrage van de Zwitserse Bondsstaat aan de cohesie van de Unie (PB L, 2024/995, 26.3.2024).
(4)    COM(2025) 159 final en COM(2025) 160 final, 9.4.2025.
(5)    De respectieve bbp’s die moeten worden toegepast zijn de bbp’s die het meest recent beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek (PB L 90 van 28.3.2006, blz. 2).
(6)    Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1).
(7)    Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1) en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).
(8)    Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1).
(9)    Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).
(10)    Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 1).
(11)    Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/68 van de Commissie van 21 januari 2016 betreffende gemeenschappelijke procedures en specificaties die nodig zijn voor de onderlinge verbinding van elektronische registers van bestuurderskaarten (PB L 15 van 22.1.2016, blz. 51), gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1503 van de Commissie van 25 augustus 2017 (PB L 221 van 26.8.2017, blz. 10).
(12)    Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, tot intrekking van de Richtlijnen 75/106/EEG en 80/232/EEG van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 76/211/EEG van de Raad (PB L 247 van 21.9.2007, blz. 17).
(13)    Richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34).
(14)    Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 22).
(15)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(16)    Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(17)    Richtlijn 94/3/EG van de Commissie van 21 januari 1994 tot vaststelling van een procedure voor melding van de onderschepping van uit derde landen herkomstige en uit fytosanitair oogpunt onmiddellijk gevaar opleverende zendingen of schadelijke organismen (PB L 32 van 5.2.1994, blz. 37).
(18)    Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(19)    Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
(20)    Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2002 van de Commissie van 7 december 2020 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de melding en de rapportage in de Unie van in de lijst opgenomen ziekten, de modellen en procedures voor de indiening en rapportage van bewakingsprogramma’s en uitroeiingsprogramma’s van de Unie en voor aanvragen voor erkenning van de ziektevrije status, en het geautomatiseerd informatiesysteem (PB L 412 van 8.12.2020, blz. 1).
(21)    Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004).
(22)    Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 26).
(23)    Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).
(24)    Verordening (Euratom) 2021/765 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de periode 2021-2025 ter aanvulling van Horizon Europa — Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) 2018/1563 (PB L 167I van 12.5.2021, blz. 81).
(25)    Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (PB L 189 van 28.5.2021, blz. 1).
(26)    2007/198/Euratom: Beschikking van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan (PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58).
(27)    Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 1).
(28)    Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69).
(29)    Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake de Europese satellietnavigatieprogramma’s (PB L 15 van 20.1.2014, blz. 3).
(30)    [Goedkeuring] bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(31)    Besluit (EU) …/… van de Raad betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie
(32)    Besluit (EU) …/… van de Raad [betreffende de ondertekening van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat, en betreffende de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.
(33)    Besluit (EU, Euratom) 2024/995 van de Raad van 12 maart 2024 tot machtiging tot het openen van onderhandelingen met de Zwitserse Bondsstaat over institutionele bepalingen in overeenkomsten tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat met betrekking tot de interne markt, over een overeenkomst inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan Unieprogramma’s en over een overeenkomst die de basis vormt voor de permanente bijdrage van de Zwitserse Bondsstaat aan de cohesie van de Unie (PB L, 2024/995, 26.3.2024).
(34)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat inzake luchtvervoer; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling; Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondstaat inzake de handel in landbouwproducten, alle ondertekend op 21 juni 1999 (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1).
(35)    Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake Wetenschappelijke en Technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1).
(36)    Besluit 2011/51/EU van de Raad van 18 januari 2011 betreffende de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (PB L 25 van 18.01.20211, blz. 3).
(37)    Besluit 2011/738/EU van de Raad van 20 oktober 2011 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (PB L 297 van 16.11.2011, blz. 1).
(38)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(39)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(40)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(41)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(42)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(43)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(44)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(45)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(46)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(47)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(48)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(49)    De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(50)    De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(51)    De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(52)    De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(53)    De tekst van het protocol is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(54)    De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(55)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(56)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(57)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(58)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(59)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(60)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(61)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(62)    De verklaring is bekendgemaakt in PB L, [XXX].
(63)    Alle in dit deel vermelde cijfers voor de jaren 2026 en 2027 zijn indicatief en komen overeen met de meest recente beschikbare ramingen.
(64)    Het bedrag is een raming op basis van de formule of methode als vastgesteld in deel 4.
(65)    Het totaalbedrag wijkt enigszins af van het totaalbedrag in de onderstaande tabel vanwege de afronding van de jaarlijkse bedragen tot op één decimaal.
(66)    Zwitserland neemt deel aan het EU4Health-programma vanaf 1 januari van het jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, voor de resterende duur van het EU4Health-programma of tot het einde van het meerjarig financieel kader 2021-2027, als dat korter is.
(67)    Het bedrag is gebaseerd op de middelen voor crisisparaatheid die zijn geprogrammeerd in het EU4Health-werkprogramma van 2024.
(68)    Alle in dit deel vermelde cijfers voor de jaren 2026 en 2027 zijn indicatief en komen overeen met de meest recente beschikbare ramingen.
(69)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek (PB L 90 van 28.3.2006, blz. 2).
(70)    Op basis van een jaarlijks referentiebedrag van 85 % van het bedrag van de goedgekeurde jaarbegroting van de Unie, opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie.
(71)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek (PB L 90 van 28.3.2006, blz. 2).
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


PROTOCOL VAN WIJZIGING
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN HAAR LIDSTATEN,

ENERZIJDS,

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, ANDERZIJDS,

OVER HET VRIJE VRIJ VERKEER VAN PERSONEN

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gedaan te Brussel op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd), die op 1 juni 2002 in werking is getreden;

GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, dat op 1 april 2006 in werking is getreden;

GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 27 mei 2008, dat op 1 juni 2009 in werking is getreden;


GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij na de toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 4 maart 2016, dat op 1 januari 2017 in werking is getreden;

OVERWEGENDE DAT door de Unie gesloten overeenkomsten bindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten; dit protocol is derhalve van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in de overeenkomst;

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

ARTIKEL 1

Wijzigingen van de overeenkomst

De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

(1)    in de preambule worden, na de tweede overweging, de volgende overwegingen ingevoegd:

“ERKENNENDE dat het vrije verkeer een belangrijk aspect van de interne markt is en dat het waarborgen van het recht van onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen en hun familieleden om het respectieve grondgebied binnen te komen en er te verblijven, vrij van ongerechtvaardigde beperkingen en met volledige eerbiediging van het recht op gelijke behandeling, bijdraagt tot een betere werking van de delen van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt;


ZICH ERVAN BEWUST dat de uniformiteit moet worden gewaarborgd in de delen van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, met dien verstande dat de overeenkomst moet worden uitgelegd overeenkomstig het beginsel van eenvormige uitlegging van artikel 7 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst. De bevoegdheid van het Zwitserse federale gerechtshof (Bundesgericht) en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede van de lidstaten, van de rechterlijke instanties van de Europese Unie en het Hof van Justitie van de Europese Unie om deze overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, blijft behouden;

ERAAN HERINNEREND dat het recht op vrij verkeer en het recht op gelijke behandeling ook gelden voor onderdanen van één overeenkomstsluitende partij die hun recht op vrij verkeer uitoefenen of wensen uit te oefenen zonder te zijn verhuisd of nog niet zijn verhuisd om op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij te verblijven. Evenzo kunnen bepaalde rechten in verband met de uitoefening van vrij verkeer in het verleden, waaronder het recht op gelijke behandeling, van toepassing blijven nadat de onderdaan van een overeenkomstsluitende partij niet langer op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij verblijft;

VOORTS ERAAN HERINNEREND dat het vrije verkeer van personen werknemers, zelfstandigen en economisch niet-actieve personen omvat, mits deze personen voldoen aan de in deze overeenkomst gestelde voorwaarden voor legaal verblijf, in voorkomend geval met inbegrip van het bezit van voldoende bestaansmiddelen en een verzekering die de ziektekosten volledig dekt, zodat zij geen onredelijke belasting vormen voor de socialebijstandsstelsels van de overeenkomstsluitende partijen;

WIJZEND OP de doelstelling om het alomvattende partnerschap van de Unie en Zwitserland optimaal te consolideren en te ontwikkelen,”;


(2)    artikel 4 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 4

Recht op verblijf en op toegang tot een economische activiteit

Het recht op verblijf en op toegang tot een economische activiteit wordt gewaarborgd overeenkomstig bijlage I.”;

(3)    de volgende artikelen worden ingevoegd:

“ARTIKEL 4 bis

Recht van vestiging

1.    Een onderdaan van een overeenkomstsluitende partij heeft het recht zich op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij te vestigen om daar een activiteit als zelfstandige uit te oefenen.

2.    In het kader van de bepalingen van deze overeenkomst zijn beperkingen op de vrijheid van vestiging van onderdanen van een overeenkomstsluitende partij op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen en filialen door de onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij zijn gevestigd.


ARTIKEL 4 ter

Gelijke behandeling van zelfstandigen

1.    Ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden als zelfstandige genieten zelfstandigen in het ontvangende land een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die de eigen onderdanen genieten.

2.    De bepalingen van de artikelen 7 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011 1 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze overeenkomst bedoelde zelfstandigen.”;

(4)    In artikel 5 wordt lid 4 vervangen door:

“4.    De in dit artikel bedoelde rechten worden gewaarborgd overeenkomstig de bijlagen I, II en III.”;

(5)    de volgende artikelen worden ingevoegd:

“ARTIKEL 5 bis

Verlening van diensten

Ten aanzien van het verlenen van diensten is overeenkomstig artikel 5 van deze overeenkomst het volgende verboden:

a)    alle beperkingen op grensoverschrijdende dienstverlening op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij waarvan de duur niet meer bedraagt dan 90 daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar;


b)    alle beperkingen op het recht van toegang en verblijf in de gevallen bedoeld in artikel 5, lid 2, van deze overeenkomst ten aanzien van werknemers, die niet de nationaliteit van een van de overeenkomstsluitende partijen hebben, van personen die diensten verlenen, die geïntegreerd zijn in de reguliere arbeidsmarkt van één overeenkomstsluitende partij en ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verlenen van een dienst op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, onverminderd het bepaalde in artikel 7 decies.

ARTIKEL 5 ter

Ondernemingen die diensten verlenen

Het bepaalde in artikel 5 bis is van toepassing op vennootschappen die opgericht zijn volgens het recht van de overeenkomstsluitende partijen, en waarvan het hoofdkantoor, de centrale administratie of de belangrijkste vestiging zich op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij bevindt.

ARTIKEL 5 quater

Gelijke behandeling van personen die diensten verlenen

Dienstverleners die het recht of de toestemming hebben om een dienst te verlenen, kunnen ten behoeve van het leveren van deze dienst tijdelijk hun werkzaamheden uitoefenen in het land waar de dienst wordt geleverd, onder dezelfde voorwaarden als die welke in dat land gelden voor de eigen onderdanen, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en de bijlagen I, II en III.


ARTIKEL 5 quinquies

Regels betreffende het verblijf van personen die diensten verlenen

1.    Personen die diensten verlenen en die onderdaan zijn van de lidstaten van de Unie of Zwitserland en gevestigd zijn op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij dan die van de ontvanger van de diensten, en werknemers, ongeacht hun nationaliteit, van personen die diensten verlenen, die zijn geïntegreerd in de reguliere arbeidsmarkt van één overeenkomstsluitende partij en ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verlenen van een dienst op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, en die het recht hebben of een vergunning hebben gekregen om een dienst te verlenen gedurende een periode van meer dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar, ontvangen, ter staving van dat recht, een verblijfsvergunning voor een periode die gelijk is aan die van het verlenen van diensten van meer dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.

2.    Voor de afgifte van dergelijke vergunningen mogen de overeenkomstsluitende partijen van de in lid 1 bedoelde personen geen andere documenten verlangen dan de hieronder genoemde:

a)    een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, onverminderd artikel 7 decies;

b)    een bewijsstuk dat zij een dienst verlenen of voornemens zijn die te verlenen.

ARTIKEL 5 sexies

Duur van de dienstverlening

1.    De totale duur van een dienstverlening als bedoeld in artikel 5 bis, punt a), ongeacht of het een ononderbroken periode of achtereenvolgende perioden betreft, mag niet meer bedragen dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.


2.    Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan de vervulling van de wettelijke verplichtingen van de verlener van diensten ten aanzien van de verplichte waarborg jegens de ontvanger van diensten, en is niet van toepassing in geval van overmacht.

ARTIKEL 5 septies

Regels die van toepassing zijn op de dienstverlening

1.    Het bepaalde in de artikelen 5 bis en 5 quater is niet van toepassing op werkzaamheden, ook indien deze van tijdelijke aard zijn, in verband met de uitoefening van het openbaar gezag op het grondgebied van de betrokken overeenkomstsluitende partij.

2.    Het bepaalde in de artikelen 5 bis en 5 quater, alsmede maatregelen die op grond daarvan zijn getroffen, doet geen afbreuk aan de toepassing van wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen op de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van werknemers die in het kader van een dienstverlening ter beschikking zijn gesteld, in overeenstemming met de relevante rechtshandelingen van de Unie inzake de terbeschikkingstelling van werknemers als bedoeld in bijlage I.

3.    Het bepaalde in artikel 5 bis, punt a), en artikel 5 quater doet geen afbreuk aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst op 1 juni 2002 in elke overeenkomstsluitende partij van kracht zijn inzake:

i)    de activiteiten van uitzendorganisaties en bureaus voor tijdelijke arbeid. Met name mag de dynamische afstemming van Zwitserland op Verordening (EU) 2016/589 2 er niet toe leiden dat Zwitserland zijn nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet langer op deze activiteiten kan toepassen;


ii)    financiële diensten voor de verstrekking waarvan op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij voorafgaande toestemming vereist is, en waarvan de verstrekker onderworpen is aan prudentieel toezicht van de overheid van deze overeenkomstsluitende partij.

ARTIKEL 5 octies

Periode van voorafgaande kennisgeving en controles

1.    Zwitserland kan in specifieke sectoren een periode van voorafgaande kennisgeving van maximaal vier werkdagen toepassen vóór de aanvang van de dienstverlening voor dienstverleners die zelfstandigen zijn en op zijn grondgebied diensten verlenen, alsook voorafgaand aan de terbeschikkingstelling voor dienstverleners die werknemers op zijn grondgebied ter beschikking stellen om controles ter plaatse uit te voeren.

2.    Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de kwantiteit en dichtheid van de controles, alsook de sectoren en gebieden die moeten worden gecontroleerd, met inbegrip van sectoren en gebieden die niet onder de periode van voorafgaande kennisgeving van maximaal vier werkdagen vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.

3.    De vaststelling van de sectoren wordt periodiek geëvalueerd en geactualiseerd.


ARTIKEL 5 nonies

Financiële garanties en sancties

In het geval van dienstverleners die hun financiële verplichtingen jegens handhavingsautoriteiten en -organen als bedoeld in de gezamenlijke verklaring over doeltreffende controlesystemen, met inbegrip van het Zwitserse stelsel van duale handhaving met betrekking tot een eerdere dienstverlening, niet zijn nagekomen, kan Zwitserland verlangen dat een evenredige financiële garantie wordt gesteld voordat zij opnieuw diensten mogen verlenen in sectoren die op basis van een autonome en objectieve risicoanalyse zijn vastgesteld.

In geval van niet-betaling van de financiële garantie kan Zwitserland evenredige sancties opleggen, waaronder het verbod op het verlenen van diensten, totdat de garantie is betaald.

ARTIKEL 5 decies

Bewijs van werk als zelfstandige

Om het verschijnsel van schijnzelfstandigheid tegen te gaan door middel van efficiënte en risicogebaseerde controles, moet Zwitserland van zelfstandige dienstverleners kunnen verlangen dat zij documenten verstrekken die doeltreffende controles in het kader van controles achteraf mogelijk maken (ten hoogste: bevestiging van registratie, indien van toepassing; bewijs van inschrijving bij de socialezekerheidsinstanties als zelfstandige in het land van verblijf; bewijs van de contractuele relatie).


ARTIKEL 5 undecies

Non-regressie

1.    Om het door Zwitserland en de Unie in deze overeenkomst overeengekomen niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers te handhaven ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol, worden wijzigingen van de Richtlijnen 96/71/EG 3 en 2014/67/EU 4 of nieuwe rechtshandelingen van de Unie op het gebied van de terbeschikkingstelling van werknemers, niettegenstaande artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, niet in deze overeenkomst opgenomen voor zover zij tot gevolg zouden hebben dat het niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met name salarissen en toelagen, aanzienlijk wordt verzwakt of verlaagd.

2.    Voor de toepassing van lid 1 wordt elke wijziging van het niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers in haar totaliteit beoordeeld, rekening houdend met alle relevante bepalingen van deze overeenkomst.

ARTIKEL 5 duodecies

Ontvangers van diensten

Onderdanen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland die het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij binnenkomen uitsluitend om diensten te ontvangen, kunnen worden verplicht zich te registreren overeenkomstig de in bijlage I genoemde handelingen.”;


(6)    de volgende artikelen worden ingevoegd:

“ARTIKEL 7 bis

Grensarbeider

Een grensarbeider is een onderdaan van een overeenkomstsluitende partij die werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht in een overeenkomstsluitende partij maar woont in de andere overeenkomstsluitende partij, waarnaar hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.

De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partij waar de grensarbeider gedurende meer dan drie maanden per kalenderjaar de werkzaamheden verricht, kunnen de grensarbeider registreren teneinde een verklaring te verkrijgen.

De bevoegde autoriteiten geven de grensarbeider kosteloos of tegen een vergoeding die niet hoger is dan die welke voor de afgifte van soortgelijke documenten aan de onderdanen wordt opgelegd, een declaratoire verklaring van registratie af.

De registratie op grond van dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de betrokken grensarbeiders die zijn vastgesteld in de in de bijlagen bij deze overeenkomst genoemde handelingen. Voor perioden van tewerkstelling van minder dan of maximaal drie maanden kunnen de overeenkomstsluitende partijen de kennisgevingsprocedure toepassen overeenkomstig de gemeenschappelijke verklaring betreffende de kennisgeving van indiensttreding.


ARTIKEL 7 ter

Studenten

Studenten die niet op grond van een andere bepaling van deze overeenkomst een verblijfsrecht hebben op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij, kunnen worden verplicht zich te registreren overeenkomstig de in bijlage I genoemde handelingen. De toegang tot beroepsopleidingen en de bijstand aan de in dit artikel bedoelde studenten om in hun onderhoud te kunnen voorzien, worden niet bij deze overeenkomst geregeld.

a)    Niettegenstaande de voorgaande zin, is artikel 2 van toepassing, ongeacht de verblijfplaats van de student, op inschrijvingsgeld en alle andere vergoedingen of kosten in verband met studies en alle daarmee verband houdende mechanismen voor overheidssteun, die van toepassing zijn op studenten;

i)    universiteiten, universitaire instituten, hogescholen, instituten van hogescholen en aangesloten hogeronderwijsinstellingen in Zwitserland, grotendeels gefinancierd met overheidsmiddelen, en

ii)    elke overeenkomstige instelling in de Unie;

b)    behoudens het behoud van de kwaliteit en de specifieke kenmerken van haar respectieve    bestaande onderwijsstelsels, met inbegrip van de toelatingssystemen en de organisatie van    bevoegdheden, mag elke overeenkomstsluitende partij niet het algemene niveau verlagen van de studenten in haar    onder punt a) genoemde instellingen die onderdanen zijn van de andere overeenkomstsluitende partijen, en die vóór de aanvang van hun studie geen verblijfsrecht op haar grondgebied hadden, vanaf    de datum van inwerkingtreding van deze bepaling. Omwille van de duidelijkheid mag de voorgaande zin voor de overeenkomstsluitende partijen geen verplichting inhouden om hun respectieve toelatingssystemen te wijzigen, noch om het bovengenoemde niveau van de studenten te verhogen of een minimumaantal plaatsen te reserveren voor studenten uit de andere overeenkomstsluitende partijen;


c)    de overeenkomstsluitende partijen discrimineren niet tussen onderdanen van de andere overeenkomstsluitende    partijen, overeenkomstig de punten a) en b).

ARTIKEL 7 quater

Uitoefening van overheidsgezag

1.    Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die werkzaamheden in loondienst verrichten, kunnen worden uitgesloten van overheidsambten die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de staat of van andere overheden te behartigen.

2.    Zelfstandigen kunnen worden uitgesloten van het recht om werkzaamheden te verrichten die, ook indien zulks slechts incidenteel het geval is, uitoefening van het openbaar gezag inhouden.

ARTIKEL 7 quinquies

Openbare orde

De krachtens de bepalingen van deze overeenkomst verleende rechten kunnen slechts worden beperkt door maatregelen ter bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.


ARTIKEL 7 sexies

Duurzaam verblijf

Zwitserland en de lidstaten kunnen besluiten het duurzame verblijfsrecht uit hoofde van artikel 16 van Richtlijn 2004/38/EG 5 uitsluitend toe te kennen aan respectievelijk burgers van de Unie en Zwitserse onderdanen die gedurende in totaal vijf jaar legaal in het gastland hebben verbleven als werknemer of zelfstandige, met inbegrip van degenen die die status overeenkomstig die richtlijn hebben behouden, alsmede aan de familieleden van deze personen. Voor zover zij deel uitmaken van één enkele periode van legaal verblijf in het gastland, hoeven de in aanmerking te nemen perioden niet ononderbroken te zijn, maar kunnen zij worden onderbroken door perioden van legaal verblijf als niet tot de beroepsbevolking behorend personen.

Voor de berekening van de perioden die nodig zijn voor het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig de eerste alinea, kunnen Zwitserland en de lidstaten besluiten geen rekening te houden met perioden van zes maanden of meer waarin de betrokkene volledig afhankelijk is van sociale bijstand.

Onder voorbehoud van de gemeenschappelijke verklaring betreffende de weigering van sociale bijstand en de beëindiging van het verblijf vóór het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht en overeenkomstig artikel 10, lid 6, van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, blijven de verblijfsregels van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG 6 van toepassing op personen die niet in aanmerking komen voor het duurzame verblijfsrecht.


ARTIKEL 7 septies

Verwerving van onroerend goed

1.    Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die een verblijfsrecht genieten en hun hoofdverblijfplaats kiezen in de ontvangende staat, genieten ten aanzien van de verwerving van onroerend goed dezelfde rechten als de onderdanen van de ontvangende staat. Zij kunnen, ongeacht de duur van hun dienstverband, te allen tijde in de ontvangende staat overeenkomstig de nationale regels hun hoofdverblijfplaats vestigen. Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in.

2.    Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die een verblijfsrecht genieten en niet hun hoofdverblijfplaats kiezen in de ontvangende staat, genieten ten aanzien van de verwerving van onroerend goed ten behoeve van de uitoefening van een economische activiteit dezelfde rechten als de onderdanen van de ontvangende staat; Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in. Deze personen kan tevens worden toegestaan een tweede woning of een vakantiewoning te verwerven. Voor deze categorie onderdanen doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de geldende voorschriften inzake zuivere kapitaalbeleggingen en de handel in onbebouwde grond en in woningen.

3.    Grensarbeiders, onderdanen van een overeenkomstsluitende partij, genieten dezelfde rechten als nationale onderdanen wat betreft de verwerving van onroerend goed voor hun economische activiteit en als tweede woning. Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in. Deze personen kan tevens worden toegestaan een vakantiewoning te verwerven. Voor deze categorie onderdanen doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de in de ontvangende staat geldende voorschriften inzake zuivere kapitaalbeleggingen en de handel in onbebouwde grond en in woningen.


ARTIKEL 7 octies

Identiteitskaarten

Zwitserland mag identiteitskaarten blijven afgeven die geen opslagmedium met vingerafdrukken van de houder bevatten. Deze identiteitskaarten moeten visueel te onderscheiden zijn van identiteitskaarten die voldoen aan de vereisten van de in bijlage I genoemde handelingen betreffende dergelijke documenten. Dergelijke identiteitskaarten die vanaf één jaar na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol zijn afgegeven, kunnen door Zwitserse onderdanen niet worden gebruikt voor uitoefening van het vrije verkeer.

ARTIKEL 7 nonies

Verwijdering

Met betrekking tot beperkingen van het recht van binnenkomst en het recht van verblijf op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid van elkaars onderdanen, blijven de verplichtingen van Zwitserland en van de lidstaten uit hoofde van de overeenkomst vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol gehandhaafd.

Derhalve zijn de volgende, bij hoofdstuk VI van Richtlijn 2004/38/EG 7 ingevoerde ontwikkelingen die verder gaan dan deze verplichtingen, namelijk een verhoogde bescherming tegen verwijdering als bedoeld in artikel 28, leden 2 en 3, alsook de rechtspraak van het Hof van Justitie in verband met deze bepalingen, niet van toepassing. Wat de in artikel 33, lid 2, van de richtlijn bedoelde verwijderingen betreft, kunnen Zwitserland en de lidstaten er bovendien voor zorgen dat de verwijderingen vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol volgens de vereisten uit hoofde van de overeenkomsten worden uitgevoerd, in plaats van dat zij de in die bepaling vastgestelde procedures toepassen.


ARTIKEL 7 decies

Binnenkomst van onderdanen van derde landen

De overeenkomstsluitende partijen mogen geen inreisvisum of gelijkwaardige vereisten verlangen van ter beschikking gestelde werknemers die niet de nationaliteit van een overeenkomstsluitende partij hebben en die zonder dergelijke vereisten een recht van binnenkomst genieten, overeenkomstig de in bijlage I opgenomen rechtshandelingen van de Unie of enig ander tussen de overeenkomstsluitende partijen van kracht zijnd instrument. De betrokken overeenkomstsluitende partij verleent de ter beschikking gestelde werknemers die een inreisvisum of een gelijkwaardig vereiste nodig hebben, alle faciliteiten voor het verkrijgen van de noodzakelijke visa.”;

(7)    artikel 10 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 10

Wijzigingen van het lidmaatschap van de Europese Unie

Elke uitbreiding van de overeenkomst naar nieuwe lidstaten is onderhevig aan overeenstemming tussen de partijen, in overeenstemming met hun interne procedures, door middel van een protocol. Tenzij anders overeengekomen, bevat een dergelijk protocol overgangsmaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke economische en sociale situatie in de Unie, met name in de nieuwe lidstaten, en Zwitserland, rekening houdend met de gevestigde praktijk van eerdere uitbreidingen van deze overeenkomst.”;


(8)    artikel 14 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 14

Gemengd Comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht.

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

2.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité handelt in dat geval als volgt:

a)    het zorgt voor de goede werking en het doeltreffende beheer en de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst;

b)    het biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 10 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;

c)    het doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;


d)    het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en

e)    het oefent alle andere bevoegdheden uit die hem bij deze overeenkomst zijn verleend.

4.    De Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.

Besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

5.    Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

6.    Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of deskundigengroepen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.”;


(9)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 14 bis

Vrijwaringclausule

1.    In geval van ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard als gevolg van de uitvoering van deze overeenkomst, komt het Gemengd Comité op verzoek van een der overeenkomstsluitende partijen bijeen teneinde te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om deze moeilijkheden op te lossen. Het Gemengd Comité kan een besluit nemen over de te nemen maatregelen binnen zestig dagen na de datum van het verzoek. Deze termijn kan door het Gemengd Comité worden verlengd.

2.    Indien het Gemengd Comité niet binnen de in lid 1 vastgestelde termijn een besluit neemt met betrekking tot passende maatregelen of verlenging van die termijn, kan de overeenkomstsluitende partij die het verzoek heeft ingediend de zaak voor een scheidsgerecht brengen in geval van ernstige economische moeilijkheden. Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na zijn instelling.

3.    Indien het scheidsgerecht beslist dat de vermeende moeilijkheden bewezen zijn en worden veroorzaakt door de toepassing van deze overeenkomst, kan de overeenkomstsluitende partij die het verzoek heeft ingediend passende maatregelen nemen om die moeilijkheden te verhelpen. Indien de door een overeenkomstsluitende partij overeenkomstig dit lid vastgestelde maatregelen leiden tot een onevenwichtigheid tussen de respectieve rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, kan de andere overeenkomstsluitende partij passende evenwichtsherstellende maatregelen nemen om die onevenwichtigheid binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst te verhelpen.


4.    In uitzonderlijke spoedeisende omstandigheden waarin een overeenkomstsluitende partij het risico loopt op zeer ernstige economische schade als gevolg van de toepassing van deze overeenkomst, kan die overeenkomstsluitende partij de zaak overeenkomstig het aanhangsel aanhangig maken bij een scheidsgerecht indien het Gemengd Comité niet binnen dertig dagen na het verzoek een besluit neemt. Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na zijn instelling.

5.    In de in lid 4 bedoelde omstandigheden kunnen de overeenkomstsluitende partijen, indien het scheidsgerecht besluit dat de vermeende moeilijkheden op het eerste gezicht zijn verholpen, voorlopige maatregelen en, in voorkomend geval, voorlopige evenwichtsherstellende maatregelen nemen. Artikel III.10 van het aanhangsel is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van lid 4, punt c).

6.    De in de leden 2 tot en met 5 bedoelde maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen worden vastgesteld binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst. De reikwijdte en de duur ervan mogen niet groter of langer zijn dan wat strikt noodzakelijk is om de moeilijkheden of de onevenwichtigheid te verhelpen die met de maatregelen worden aangepakt. Bij de keuze van maatregelen moet de voorkeur worden gegeven aan maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen die de werking van de overeenkomst het minst verstoren.

7.    Vanaf de datum van invoering wordt over de maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen om de drie maanden overleg gepleegd in het Gemengd Comité, met het oog op de intrekking ervan vóór de gestelde vervaldatum of op de beperking van het toepassingsgebied ervan tot wat strikt noodzakelijk is. Elke overeenkomstsluitende partij kan het Gemengd Comité te allen tijde om herziening van dergelijke maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen verzoeken.”;


(10)    artikel 18 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 18

Wijziging van de overeenkomst

Indien een der overeenkomstsluitende partijen de overeenkomst wenst te wijzigen, legt zij een voorstel daartoe aan het Gemengd Comité voor.

Wijzigingen van deze overeenkomst worden van kracht na voltooiing van de desbetreffende interne procedures van de overeenkomstsluitende partijen.”;

(11)    artikel 21 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 21

Verband met overeenkomsten betreffende belastingheffing

1.    Aan het bepaalde in bilaterale overeenkomsten tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie inzake dubbele belastingheffing wordt geen afbreuk gedaan door het bepaalde in de onderhavige overeenkomst. Het bepaalde in de onderhavige Overeenkomst heeft met name geen gevolgen voor de definitie van het begrip “grensarbeider” volgens overeenkomsten inzake dubbele belastingheffing.


2.    Geen van de bepalingen van deze overeenkomst kan worden geïnterpreteerd als een beletsel voor de overeenkomstsluitende partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die zich in verschillende situaties bevinden, met name wat hun woonplaats betreft. Dit vormt echter geen middel tot discriminatie of beperking van de rechten van personen als omschreven in deze overeenkomst.

3.    Geen enkele bepaling van deze overeenkomst belet de overeenkomstsluitende partijen maatregelen vast te stellen of toe te passen ter waarborging van de heffing, betaling en doeltreffende inning van belastingen of ter vermijding van belastingontwijking of -ontduiking in het kader van hun nationale belastingwetgeving of enige andere internationale of bilaterale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, waarbij Zwitserland, de Unie of een lidstaat partij zijn.”;

(12)    de volgende artikelen worden ingevoegd:

“ARTIKEL 23 bis

Geldigheid van verblijfsvergunningen en andere bijzondere vergunningen

Verblijfsvergunningen en andere bijzondere vergunningen die vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol door de overeenkomstsluitende partijen zijn afgegeven, blijven geldig en worden na het verstrijken ervan vervangen door de in deze overeenkomst bedoelde documenten, indien aan de voorwaarden voor de afgifte van die documenten is voldaan.


ARTIKEL 23 ter

Overgangsregelingen

1.    Op aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38/EG 8 vallen, zijn de in dit lid vastgestelde overgangsregelingen van toepassing.

a)    Er geldt een overgangsperiode, die ingaat op de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol en 24 maanden na de inwerkingtreding ervan eindigt.

b)    De artikelen 5 duodecies, 7 bis, 7 quinquies, 7 sexies, 7 nonies, 7 decies en, voor de toepassing van deze overeenkomst, Richtlijn 2004/38/EG 9 zijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode afloopt.

c)    De gevolgen van de volgende bepalingen van de overeenkomst in de versie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol worden tijdens de overgangsperiode gehandhaafd:

–    de artikelen 1 tot en met 7 en artikel 16, en

–    de artikelen 1 tot en met 9, 12 tot en met 15, 17, 19, 20 en 23 en artikel 24, met uitzondering van artikel 24, lid 4, laatste zin, van bijlage I.


Die bepalingen hebben geen gevolgen voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van andere in bijlage I genoemde handelingen vallen, met name Verordening (EU) nr. 492/2011 10 en Verordening (EU) 2016/589 11 als bedoeld in bijlage I, afdeling 2.

2.    Op aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 96/71/EG 12 en Richtlijn 2014/67/EU 13 vallen, zijn de in dit lid vastgestelde overgangsregelingen van toepassing.

a)    Er geldt een overgangsperiode, die ingaat op de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol en 36 maanden na de inwerkingtreding ervan eindigt.

b)    Artikel 5 septies, lid 2, de artikelen 5 octies, 5 nonies, 5 decies, en, voor de toepassing van deze overeenkomst, Richtlijn 96/71/EG 14 en Richtlijn 2014/67/EU 15 zijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode afloopt.

c)    De gevolgen van de volgende bepalingen van de overeenkomst in de versie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol worden tijdens de overgangsperiode gehandhaafd:

–    artikel 5, lid 4, en artikel 16, en

–    artikel 22, lid 2, van bijlage I.

Die bepalingen hebben geen gevolgen voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van andere in afdeling 2 van bijlage I genoemde handelingen vallen.”;


(13)    artikel 24 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 24

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”;

(14)    bijlage I bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij dit protocol;

(15)    bijlage II bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij dit protocol;

(16)    bijlage III bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage III bij dit protocol;

(17)    het protocol betreffende tweede woningen in Denemarken wordt vervangen door de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol betreffende tweede woningen in Denemarken;

(18)    bijlage I bij het Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, betreffende het vrij verkeer van personen ten aanzien van de deelneming als overeenkomstsluitende partijen van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek ingevolge hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, wordt geschrapt;


(19)    de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol betreffende de verwerving van onroerend goed in Malta wordt als aanhangsel bij de overeenkomst gevoegd;

(20)    de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol inzake verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen wordt als aanhangsel bij de overeenkomst gevoegd;

(21)    de gemeenschappelijke verklaringen en de unilaterale verklaring die aan dit protocol zijn gehecht, worden toegevoegd aan de verklaringen die aan de slotakte bij de overeenkomst zijn gehecht.

ARTIKEL 2

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de Unie en Zwitserland volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De Unie en Zwitserland stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;


c)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;


l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

WIJZIGINGEN VAN BIJLAGE I BIJ DE OVEREENKOMST

Bijlage I bij de overeenkomst wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, RECHT VAN VESTIGING
EN DIENSTVERLENING

AFDELING 1

Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van deze overeenkomst zijn de in afdeling 2 van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.

Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.


Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling 2 genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.

AFDELING 2

BEDOELDE HANDELINGEN:

1.    31977 L 0486: Richtlijn 77/486/EEG van de Raad van 25 juli 1977 inzake het onderwijs aan de kinderen van migrerende werknemers (PB L 199 van 6.8.1977, blz. 32).

2.    31996 L 0071: Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32018 L 0957: Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16).


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 1, lid -1 bis, wordt “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op Unieniveau zijn erkend” vervangen door “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op Unieniveau alsook in Zwitserland zijn erkend”;

b)    in artikel 1, lid 3:

i)    is punt c) niet van toepassing op Zwitserland;

ii)    zijn de tweede en derde alinea niet van toepassing op Zwitserland;

c)    in artikel 3:

i)    is lid 1 ter niet van toepassing op Zwitserland;

ii)    wordt in lid 10 “de Verdragen” vervangen door “de overeenkomst”;

d)    in artikel 4, lid 2:

i)    wordt in de eerste alinea, laatste zin, “wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld en neemt zij passende maatregelen” vervangen door “wordt het Gemengd Comité hiervan in kennis gesteld om een oplossing te vinden.”;


ii)    wordt de tweede alinea vervangen door:

“De Europese Unie en Zwitserland werken in het Gemengd Comité nauw samen om eventuele moeilijkheden tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de toepassing van artikel 3, lid 10, te onderzoeken”;

e)    voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 2, van de overeenkomst afloopt.

3.    32004 L 0038: Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77, gerectificeerd bij PB L 229 van 29.6.2004, blz. 35, PB L 30 van 3.2.2005, blz. 27 en PB L 197 van 28.7.2005, blz. 34).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    deze overeenkomst is van toepassing op onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen. De in de richtlijn bedoelde gezinsleden die onderdaan zijn van een derde land, genieten op grond van de richtlijn evenwel bepaalde rechten;


b)    de termen “burger van de Unie” en “burgers van de Unie” worden respectievelijk vervangen door “onderdaan van een lidstaat of Zwitserland” en “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;

c)    Artikel 16 wordt als volgt gelezen:

“1.    Onderdanen van de lidstaten en Zwitserland die op grond van artikel 7, lid 1, punt a), of lid 3, in totaal vijf jaar legaal op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij hebben verbleven, hebben daar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

2.    Voor zover zij deel uitmaken van één enkele periode van legaal verblijf in het gastland, hoeven de perioden die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig lid 1, niet ononderbroken te zijn, maar kunnen zij worden onderbroken door perioden van legaal verblijf, niet op grond van artikel 7, lid 1, punt a), of lid 3.

3.    Voor de berekening van de perioden die nodig zijn voor het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig lid 1, kunnen Zwitserland en de lidstaten besluiten geen rekening te houden met perioden van zes maanden of meer waarin de betrokkene volledig afhankelijk is van sociale bijstand.

4.    Het duurzame verblijfsrecht wordt ook verworven door familieleden die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal met een onderdaan van een lidstaat of van Zwitserland in het gastland hebben verbleven.


5.    Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door terbeschikkingstelling om werkzaamheden te verrichten in een land.

6.    Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland.

7.    In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten en Zwitserland besluiten dat het duurzame verblijfsrecht wordt verworven door onderdanen van de lidstaten en Zwitserland die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij hebben verbleven.”;

d)    in artikel 24:

i)    wordt in lid 1 “het Verdrag en het afgeleide recht” vervangen door “de overeenkomst”;

ii)    wordt lid 2 vervangen door:

“In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, punt b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.”;


e)    in artikel 28 zijn de leden 2 en 3 niet van toepassing;

f)    aan artikel 33 wordt het volgende lid toegevoegd:

“Zwitserland en de lidstaten kunnen, in plaats van de in lid 2 vastgestelde procedures toe te passen, ervoor zorgen dat de handhaving van besluiten tot verwijdering wordt uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van artikel 3 van Richtlijn 64/221/EEG*

_______________

*    Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 56, van 4.4.1964, blz. 850), zoals van toepassing ten tijde van de inwerkingtreding van de overeenkomst op 1 juni 2002”;

g)    voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 1, van deze overeenkomst afloopt.

4.    32006 R 0635: Verordening (EG) nr. 635/2006 van de Commissie van 25 april 2006 tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1251/70 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 112 van 26.4.2006, blz. 9).


5.    32011 R 0492: Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32016 R 0589: Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1),

–    32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Artikel 9, lid 1, komt als volgt te luiden: “Onverminderd artikel 7 septies van deze bijlage, komen werknemers die onderdaan zijn van een overeenkomstsluitende partij en werkzaam zijn op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, in aanmerking voor alle rechten en voordelen die worden toegekend aan nationale werknemers po het gebied van huisvesting, waaronder de mogelijkheid om de benodigde huisvesting in eigendom te verwerven.”;

b)    in artikel 36:

i)    is lid 1 niet van toepassing;

ii)    wordt in lid 2 de verwijzing naar “overeenkomstig artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde bepalingen” gelezen als een verwijzing naar de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Europese Unie op het gebied van de sociale zekerheid.


6.    32012 R 1024: Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32013 L 0055: Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),

–    32014 L 0060: Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 147 van 12.6.2015, blz. 24,

–    32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11),

–    32016 R 1191: Verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 (PB L 200 van 26.7.2016, blz. 1),

–    32016 R 1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53), gerectificeerd bij PB L 231 van 6.9.2019, blz. 29,

–    32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1),

–    32020 L 1057: Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 49),


–    32020 R 1055: Verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 17).

Zwitserland gebruikt het Informatiesysteem interne markt (IMI) als derde land voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, met IMI-actoren in de Unie om, in voorkomend geval, procedures voor administratieve samenwerking uit te voeren voor de toepassing van deze overeenkomst.

Voor de toepassing van deze overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 zolang Beschikking 2000/518/EG 16 van kracht blijft. Voor de toepassing van deze bijlage en zoals gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 96/71/EG en de artikelen 6 en 7, artikel 10, lid 3, en de artikelen 14 tot en met 18 van Richtlijn 2014/67/EU, maakt Zwitserland gebruik van het IMI overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde beginselen en praktische regelingen van uitwisselingen.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de Zwitserse Commissions Paritaires beschouwd als bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 5, tweede alinea, punt f), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 en artikel 2, punt a), van Richtlijn 2014/67/EU. Zij gebruiken het IMI voor de uitvoering van de samenwerking als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 96/71/EG en de artikelen 6, 7 en artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2014/67/EU wanneer zij, zoals hen door Zwitserland is toevertrouwd, de Zwitserse collectieve arbeidsovereenkomsten en de Zwitserse wetgeving inzake de terbeschikkingstelling van werknemers uitvoeren, overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU.


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1024/2012 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 5, eerste zin, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

b)    artikel 8, lid 1, punt e), is niet van toepassing op Zwitserland;

c)    in artikel 9, lid 5, wordt, wat betreft Zwitserland, “het recht van de Unie” vervangen door “het recht van de Unie zoals opgenomen in deze overeenkomst”;

d)    in artikel 10, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, “In overeenstemming met het nationaal recht of met de wetgeving van de Unie” vervangen door “In overeenstemming met de Zwitserse wetgeving”;

e)    in artikel 16, leden 1 en 2, worden, wat betreft Zwitserland, de verwijzingen naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

f)    in artikel 17, lid 4, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

g)    in artikel 18, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

h)    in artikel 20 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;


i)    in artikel 21:

i)    wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

ii)    is lid 3 niet van toepassing;

j)    artikel 25 is niet van toepassing;

k)    artikel 26, lid 1, wordt gelezen in overeenstemming met artikel 13 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;

l)    Zwitserland wordt in het IMI opgenomen op de eerste dag van de zevenendertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.

7.    32014 L 0054: Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    “werknemers in de Unie” wordt vervangen door “werknemers”;

b)    in de artikelen 1 en 3 wordt “artikel 45 VWEU” vervangen door “de overeenkomst”;


c)    in artikel 4 wordt “voorschriften van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers” vervangen door “de voorschriften inzake het vrije verkeer van werknemers overeenkomstig de overeenkomst” en is het woord “Solvit” niet van toepassing;

d)    in artikel 6 wordt “Uniewetgeving” vervangen door “de overeenkomst”;

e)    in artikel 7 wordt “artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG” vervangen door “de overeenkomst”;

f)    voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag van de vijfentwintigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.

8.    32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”) (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 1:

i)    wordt in lid 1, tweede alinea, “en bijdragen aan de werking van de interne markt, en tegelijkertijd de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting voor dienstverrichters vergemakkelijken en eerlijke concurrentie tussen dienstverrichters bevorderen” gelezen als “en, in een mate zoals voorzien in de overeenkomst, bijdragen aan de werking van de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, en tegelijkertijd, in een mate zoals voorzien in de overeenkomst, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting voor dienstverrichters vergemakkelijken en eerlijke concurrentie tussen dienstverrichters bevorderen”;

ii)    wordt in lid 2 “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op het niveau van de Unie zijn erkend” vervangen door “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op het niveau van de Unie alsook in Zwitserland zijn erkend”;

b)    in artikel 4, lid 3, punt c), wordt, wat betreft Zwitserland, “in de zin van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) en/of het Verdrag van Rome” vervangen door “overeenkomstig het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 30 oktober 2007”;


c)    in artikel 6:

i)    wordt in lid 5, tweede alinea, “wordt de Commissie hiervan op de hoogte gesteld, in voorkomend geval via het IMI, en neemt zij passende maatregelen” vervangen door “wordt het Gemengd Comité hiervan op de hoogte gesteld om een oplossing te vinden.”;

ii)    wordt in lid 10 “ de relevante nationale en Uniewetgeving” vervangen door “het relevante nationale recht en de overeenkomst”.

d)    in artikel 7, lid 6, wordt “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”.

e)    in artikel 9:

i)    in lid 1:

–    wordt in de eerste alinea “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”;

–    wordt in de tweede alinea, punt a), “uiterlijk bij aanvang van de dienstverrichting” voor Zwitserland gelezen als “uiterlijk bij aanvang van de dienstverrichting, ten hoogste vier werkdagen in specifieke sectoren vóór de terbeschikkingstelling voor dienstverrichters die werknemers op zijn grondgebied ter beschikking stellen om controles ter plaatse uit te voeren (Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de sectoren en gebieden die onder de periode van voorafgaande kennisgeving vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar)”:


ii)    wordt in lid 3 “de Uniewetgeving” vervangen door “de overeenkomst”;

iii)    zijn in lid 5 de tweede en derde alinea niet van toepassing op Zwitserland;

f)    aan artikel 10, lid 2, wordt de volgende zin toegevoegd:

“Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de kwantiteit en dichtheid van de controles, alsook de sectoren en gebieden die moeten worden gecontroleerd, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar”;

g)    in artikel 12:

i)    wordt in lid 4 “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”;

ii)    wordt in lid 6 “het recht van de Unie en het nationaal recht en/of de nationale praktijk” vervangen door “de overeenkomst en het nationaal recht en/of de nationale praktijk”;

iii)    is lid 8 niet van toepassing op Zwitserland;


h)    aan artikel 20 worden de volgende zinnen toegevoegd:

“In het geval van dienstverleners die hun financiële verplichtingen jegens handhavingsautoriteiten en -organen, met betrekking tot een eerdere dienstverlening, niet zijn nagekomen, kan Zwitserland verlangen dat een evenredige financiële garantie wordt gesteld voordat zij opnieuw diensten mogen verlenen in sectoren die op basis van een autonome en objectieve risicoanalyse zijn vastgesteld. In geval van niet-betaling van de financiële garantie kan Zwitserland evenredige sancties opleggen, waaronder het verbod op het verlenen van diensten, totdat de garantie is betaald.”;

i)    voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 2, van de overeenkomst afloopt.

9.    32016 R 0589: Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    voor de toepassing van de overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 2016/589 zolang Beschikking 2000/518/EG 17 van kracht blijft.

b)    “artikel 45 VWEU” wordt vervangen door “artikel 4 van de overeenkomst”;

c)    “burgers van de Unie” wordt vervangen door “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;

d)    in artikel 6:

i)    zijn verwijzingen naar artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en naar artikel 145 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing;

ii)    wordt in punt d) “in de Unie” vervangen door “in de Unie en Zwitserland” en wordt “in overeenstemming met het Unierecht, het nationale recht en de nationale praktijken” vervangen door “in overeenstemming met de overeenkomst en het nationale recht en de nationale praktijken”;

e)    in artikel 9, lid 4, punt c), wordt “de bestaande Unievoorschriften en -instrumenten” vervangen door “de bestaande overeenkomstig de overeenkomst toepasselijke voorschriften en instrumenten”;


f)    in artikel 34 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.

10.    32017 D 1255: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1255 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende een template voor de beschrijving van de nationale systemen en procedures om organisaties als lid of partner van Eures toe te laten (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 18).

11.    32017 D 1256: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1256 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende de templates en de procedures voor de uitwisseling van informatie op het niveau van de Unie over de nationale werkprogramma’s van het Eures-netwerk (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 24).

12.    32017 D 1257: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1257 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende de nodige technische normen en formats voor een uniform systeem om matching van vacatures, sollicitaties en cv’s op het Eures-portaal mogelijk te maken (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 32).

13.    32018 D 0170: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/170 van de Commissie van 2 februari 2018 betreffende de uniforme gedetailleerde specificaties voor de gegevensverzameling en -analyse ter monitoring en evaluatie van de werking van het Eures-netwerk (PB L 31 van 3.2.2018, blz. 104).

14.    32018 D 1020: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1020 van de Commissie van 18 juli 2018 betreffende het vaststellen en bijwerken van de lijst van vaardigheden, competenties en beroepen van de Europese classificatie voor de geautomatiseerde matching via het gemeenschappelijk IT-platform van Eures (PB L 183 van 19.7.2018, blz. 17).


15.    32018 D 1021: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1021 van de Commissie van 18 juli 2018 betreffende de vaststelling van technische normen en formats die nodig zijn voor de exploitatie van de geautomatiseerde matching via het gemeenschappelijk IT-platform met behulp van de Europese classificatie en de interoperabiliteit tussen nationale systemen en de Europese classificatie (PB L 183 van 19.7.2018, blz. 20).

16.    32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32022 R 0868: Verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 1),

–    32024 R 1252: Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 (PB L, 2024/1252, 3.5.2024),

–    32024 R 1735: Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 (PB L, 2024/1735, 28.6.2024).

Een aantal van de gebieden als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) 2018/1724 en een aantal van de procedures als bedoeld in bijlage II bij die verordening vallen buiten het toepassingsgebied van deze overeenkomst. De integratie van die verordening in deze overeenkomst laat het toepassingsgebied van de overeenkomst onverlet.


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 1, lid 1:

i)    wordt in punt a) “op de rechtsorde van de Unie gebaseerde rechten op het gebied van de in artikel 26, lid 2, VWEU, bedoelde interne markt” vervangen door “op de overeenkomst gebaseerde rechten”;

ii)    zijn in punt b) de verwijzingen naar de Richtlijnen 2006/123/EG, 2014/24/EU en 2014/25/EU niet van toepassing;

b)    in artikel 13, lid 2, punt c), wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) nr. 910/2014 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

c)    in artikel 14:

i)    zijn in lid 1 de verwijzingen naar de Richtlijnen 2006/123/EG, 2014/24/EU en 2014/25/EU niet van toepassing;

ii)    wordt in lid 5, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

d)    in artikel 30, lid 1, punt b), wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) nr. 910/2014 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.


17.    32019 R 1157: Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 67).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    de termen “burger van de Unie” en “burgers van de Unie” worden respectievelijk vervangen door “onderdaan van een lidstaat of Zwitserland” en “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;

b)    in artikel 3:

i)    is in lid 4, wat betreft Zwitserland, “negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek” niet van toepassing.

ii)    wordt in lid 5, wat betreft Zwitserland, de volgende alinea toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea worden identiteitskaarten die worden afgegeven zonder een opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en de twee vingerafdrukken van de houder bevat, niet aanvaard met het oog op binnenkomst en verblijf in andere overeenkomstsluitende partijen en moeten zij visueel te onderscheiden zijn van identiteitskaarten die voldoen aan de vereisten van de eerste alinea.”;


c)    in artikel 5:

i)    wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2031” gelezen als “elf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (“het wijzigingsprotocol”)”;

ii)    wordt in lid 2, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2026” gelezen als “zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;

d)    in artikel 6, punt h), is, wat betreft Zwitserland, “negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek” niet van toepassing;

e)    in artikel 7, lid 2, wordt, wat betreft de lidstaten, “Familielid EU” vervangen door “Familielid CH”;

f)    in artikel 8:

i)    wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2026” gelezen als “zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;

ii)    wordt in lid 2, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2023” gelezen als “drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;

g)    in artikel 10, lid 2, is, wat betreft Zwitserland, “het Handvest” niet van toepassing.


h)    in artikel 11:

i)    wordt de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679, wat betreft Zwitserland, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.

ii)    wordt in lid 4, wat betreft Zwitserland, “Unie” gelezen als “de overeenkomst”;

i)    in artikel 16 wordt, wat betreft Zwitserland, “2 augustus 2021” gelezen als “één jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;

18.    32020 R 1121: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1121 van de Commissie van 29 juli 2020 betreffende het verzamelen en uitwisselen van gebruikersstatistieken en gebruikersreacties over de diensten van de ene digitale toegangspoort overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 245 van 30.7.2020, blz. 3).”.

________________

BIJLAGE II

COÖRDINATIE VAN SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

Wijzigingen van bijlage II bij de overeenkomst

Bijlage II bij de overeenkomst wordt vervangen en komt als volgt te luiden:

“BIJLAGE II

COÖRDINATIE VAN SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

I.    INLEIDING

Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van de overeenkomst zijn de in afdeling II van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.

Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.


Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling II genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.

II.    SECTORALE AANPASSINGEN

1.    Met betrekking tot de in deze bijlage vermelde handelingen zijn de volgende uitzonderingen van toepassing op Zwitserland:

a)    kantonnale wetgeving betreffende de voorschotten op de onderhoudsverplichtingen is uitgesloten van de regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels;

b)    aanvullende uitkeringen en vergelijkbare uitkeringen waarin de kantonnale wetgeving voorziet, mogen niet worden geëxporteerd;

c)    niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen bij werkloosheid, waarin de kantonnale wetgeving voorziet, mogen niet worden geëxporteerd;

d)    personen op wie de overeenkomst van toepassing is en die buiten Zwitserland en de Unie verblijven, kunnen zich uiterlijk één jaar na de datum waarop zij niet langer gedekt worden door de ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering en na een ononderbroken verzekeringsperiode van ten minste vijf jaar, aansluiten bij het stelsel van vrijwillige verzekering;


e)    personen die buiten Zwitserland en de Unie voor een werkgever in Zwitserland werken en die na een ononderbroken verzekeringsperiode van ten minste vijf jaar niet langer verzekerd zijn uit hoofde van de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering, kunnen de verzekering met instemming van de werkgever voortzetten indien zij een aanvraag indienen binnen zes maanden na de datum waarop zij ophouden verzekerd te zijn;

f)    de uitkering voor hulpbehoevenden die wordt toegekend op grond van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959 en de federale wet inzake ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946, mag niet worden geëxporteerd.

2.    De voorwaarden voor de deelname van Zwitserland aan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en aan de Technische Commissie voor gegevensverwerking en de Rekencommissie bij genoemde Administratieve Commissie, luiden als volgt:

Zwitserland mag een vertegenwoordiger met een adviserende stem (waarnemer) afvaardigen naar de vergaderingen van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels bij de Europese Commissie en naar vergaderingen van de Technische Commissie voor gegevensverwerking en de Rekencommissie.

3.    Bijzondere bepalingen betreffende de overgangsregelingen voor de werkloosheidsverzekering voor onderdanen van bepaalde lidstaten die beschikken over een Zwitserse verblijfsvergunning van minder dan één jaar, betreffende de Zwitserse uitkeringen voor steunbehoevenden en betreffende de overgangsperiode voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 op de verruimde pensioenregeling in het kader van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel zijn opgenomen in protocol I, dat integraal deel uitmaakt van deze bijlage.


4.    De regelingen die als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie van toepassing zijn voor de bescherming van rechten die particulieren uit hoofde van deze overeenkomst hebben verworven, zijn opgenomen in protocol II, dat integraal deel uitmaakt van deze bijlage.

A.    ALGEMENE COÖRDINATIE VAN DE SOCIALE ZEKERHEID

A.1    BEDOELDE HANDELINGEN

1.    32004 R 0883: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1 en PB L 204 van 4.8.2007, blz. 30, gewijzigd bij:

–    32009 R 0988: Verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 43),

–    32010 R 1244: Verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010 (PB L 338 van 22.12.2010, blz. 35),

–    32012 R 0465: Verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB L 149 van 8.6.2012, blz. 4),

–    32012 R 1224: Verordening (EU) nr. 1224/2012 van de Commissie van 18 december 2012 (PB L 349 van 19.12.2012, blz. 45),

–    32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),


–    32013 R 1372: Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie van 19 december 2013 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 27), gewijzigd bij:

–    32014 R 1368: Verordening (EU) nr. 1368/2014 van de Commissie van 17 december 2014 (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 15), gerectificeerd bij PB L 288 van 22.10.2016, blz. 58,

–    32017 R 0492: Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PB L 76 van 22.3.2017, blz. 13),

–    32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 883/2004 als volgt aangepast:

a)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage I, afdeling I:

“Zwitserland

Kantonnale wetgeving betreffende de voorschotten op de onderhoudsverplichtingen gebaseerd op artikel 131 bis, lid 1, en artikel 293, lid 2, van de federale burgerlijke wetgeving van 10 december 1907.”;


b)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage I, afdeling II:

“Zwitserland

Geboortetoelagen en adoptietoelagen krachtens de relevante kantonnale wetgeving gebaseerd op artikel 3, lid 2, van de federale wet inzake familiale uitkeringen van 24 maart 2006.”;

c)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage II:

“Duitsland-Zwitserland

a)    Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 25 februari 1964, zoals gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomsten nr. 1 van 9 september 1975 en nr. 2 van 2 maart 1989:

i)    punt 9b, lid 1, nrs. 1-4, van het finale protocol (toepasselijke wetgeving en recht op verstrekkingen bij ziekte voor inwoners van de Duitse exclave Büsingen);

ii)    punt 9e, lid 1b), eerste, tweede en vierde zin, van het finale protocol (recht op vrijwillige ziekteverzekering in Duitsland bij vestiging in Duitsland).


b)    Overeenkomst inzake de werkloosheidsverzekering van 20 oktober 1982, als gewijzigd bij het aanvullende protocol van 22 december 1992:

Artikel 8, lid 5, voorziet in de betaling door Duitsland (gemeente Büsingen) van een bedrag gelijk aan de kantonnale bijdrage volgens Zwitsers recht als deel van de kosten van de arbeidsplaatsen die in het kader van werkgelegenheidsmaatregelen door onder deze bepaling vallende werknemers daadwerkelijk worden bezet.

Spanje-Zwitserland

Punt 17 van het finale protocol bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 13 oktober 1969, zoals gewijzigd bij de aanvullende overeenkomst van 11 juni 1982; personen die aangesloten zijn bij de Spaanse verzekering op grond van deze bepaling zijn vrijgesteld van de vereiste om toe te treden tot de Zwitserse ziekteverzekering.

Italië-Zwitserland

Artikel 9, lid 1, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 14 december 1962, gewijzigd bij Aanvullende Overeenkomst nr. 1 van 18 december 1963, de aanvullende overeenkomst van 4 juli 1969, het aanvullende protocol van 25 februari 1974 en Aanvullende Overeenkomst nr. 2 van 2 april 1980.”;

d)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage IV:

“Zwitserland”;


e)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VIII, deel 1:

“Zwitserland

Alle aanvragen om ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het basisstelsel (federale wet inzake ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 en federale wet inzake invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959), alsmede de ouderdomspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;

f)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VIII, deel 2:

“Zwitserland

Ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;

g)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage IX, deel II:

“Zwitserland

Nabestaanden- en invaliditeitspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;


h)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage X:

“Zwitserland

1.    Aanvullende uitkeringen (federale wet inzake aanvullende uitkeringen van 6 oktober 2006) en vergelijkbare uitkeringen waarin de kantonnale wetgeving voorziet.

2.    Pensioenen bij precaire sociale situaties in het kader van de invaliditeitsverzekering (artikel 28, alinea 1 bis, van de federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959, als gewijzigd op 7 oktober 1994).

3.    Niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen bij werkloosheid, waarin de kantonnale wetgeving voorziet.

4.    Niet op premie- of bijdragebetaling berustende buitengewone invaliditeitspensioenen voor gehandicapten (artikel 39 van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959) die vóór zij arbeidsongeschikt werden, niet onderworpen waren aan de Zwitserse arbeidswetgeving als werknemer of zelfstandige.”;


i)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage XI:

“Zwitserland

1.    Artikel 2 van de federale wet op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 alsmede artikel 1 ter van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959, die de vrijwillige verzekering in die takken regelen voor Zwitserse onderdanen die in een staat woonachtig zijn waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, zijn tevens van toepassing op personen die buiten Zwitserland woonachtig zijn en onderdaan zijn van de andere staten waarop deze overeenkomst van toepassing is, alsmede op vluchtelingen en staatlozen die op het grondgebied van die staten wonen, wanneer die personen ten laatste één jaar gerekend vanaf de dag waarop de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering is stopgezet na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, toetreden tot de vrijwillige verzekering.

2.    Wanneer iemand, na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, ophoudt verzekerd te zijn bij de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering, dan heeft die persoon het recht om met instemming van de werkgever die verzekering voort te zetten wanneer hij voor rekening van een werkgever in Zwitserland in een staat werkt waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, op voorwaarde dat het verzoek daartoe ingediend wordt binnen een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop de verzekering werd stopgezet.


3.    Verplichte verzekering bij de Zwitserse ziekteverzekering en vrijstellingsmogelijkheden

a)    De Zwitserse wettelijke bepalingen betreffende de verplichte ziekteverzekering zijn van toepassing op de volgende personen die niet in Zwitserland woonachtig zijn:

i)    personen die uit hoofde van titel II van de verordening aan de Zwitserse wettelijke bepalingen onderworpen zijn;

ii)    personen voor wie Zwitserland overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de verordening de kosten draagt;

iii)    personen die in het genot zijn van een werkloosheidsuitkering van de Zwitserse verzekering;

iv)    de gezinsleden van de in de punten i) en iii) genoemde personen of van een werknemer of zelfstandige die in Zwitserland woont en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij die gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Spanje, Hongarije, Portugal of Zweden;

v)    de gezinsleden van de in punt ii) genoemde personen of van een gepensioneerde die in Zwitserland woonachtig is en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij die gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Portugal of Zweden.


“Gezinsleden” zijn personen die als gezinsleden worden beschouwd door de wetgeving van de staat waar de woonplaats is gevestigd.

b)    De onder punt a) bedoelde personen kunnen op verzoek van de verplichte verzekering worden vrijgesteld indien en zolang zij in een van de volgende staten wonen en kunnen aantonen dat zij in aanmerking komen voor dekking bij ziekte: Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk en, met betrekking tot de onder punt a), iv) en v), bedoelde personen, Finland en, met betrekking tot de in punt a), ii), bedoelde personen, Portugal.

Het in punt b) bedoelde verzoek:

a)    moet worden ingediend binnen drie maanden na ingang van de verzekeringsplicht in Zwitserland; wanneer het verzoek in een gerechtvaardigd geval na deze termijn wordt ingediend, dan gaat de vrijstelling in vanaf het begin van de verzekeringsplicht;

b)    is van toepassing op alle gezinsleden die in dezelfde staat woonachtig zijn.


4.    Wanneer een persoon op wie uit hoofde van titel II van de verordening de Zwitserse wettelijke bepalingen van toepassing zijn, uit hoofde van punt 3, b), bij de ziekteverzekering aangesloten is van een andere staat waarvoor deze Overeenkomst geldt, dan worden de kosten van de verstrekkingen bij niet-arbeidsgebonden ongevallen gelijkelijk verdeeld tussen het orgaan van de Zwitserse verzekering voor arbeidsongevallen, niet-arbeidsgebonden ongevallen en beroepsziekten, en het bevoegd orgaan van de ziekteverzekering van de andere staat, als er aanspraak is op prestaties van beide organen. Wanneer er bij een arbeidsongeval, een ongeval op weg van of naar het werk, of bij een beroepsziekte, ook recht zou bestaan op prestaties van het orgaan van de ziekteverzekering van het woonland, dan worden deze kosten niettemin betaald door de Zwitserse verzekeraar tegen (arbeids)ongevallen en beroepsziekten.

5.    Op de personen die in Zwitserland werken, maar er niet woonachtig zijn en die op grond van punt 3, b), aangesloten zijn bij de wettelijke ziekteverzekering van hun woonland, alsmede op hun gezinsleden, zijn de bepalingen van artikel 19 van de verordening van toepassing tijdens een verblijf in Zwitserland.

6.    Voor de toepassing van de artikelen 18, 19, 20 en 27 van de verordening in Zwitserland draagt de bevoegde verzekeraar alle gefactureerde kosten.

7.    De verzekeringstijdvakken voor daguitkeringen die zijn vervuld bij een verzekering in een andere staat waarop deze Overeenkomst van toepassing is, worden meegeteld om een eventuele reserve in de daguitkeringsverzekering in geval van moederschap of ziekte te verkleinen of op te heffen wanneer de persoon zich binnen drie maanden na stopzetting van de buitenlandse verzekering bij een Zwitserse verzekeraar verzekert.


8.    Een werknemer of zelfstandige die niet langer valt onder de Zwitserse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering omdat hij zijn winstgevende bezigheid in Zwitserland, die hem de noodzakelijke bestaansmiddelen bezorgde, heeft moeten opgeven als gevolg van een ongeval of ziekte, wordt beschouwd als verzekerd krachtens deze verzekering voor wat de toekenning van revalidatiemaatregelen betreft, alsook tijdens de duur van deze revalidatiemaatregelen, tot aan de betaling van een invaliditeitspensioen, voor zover hij buiten Zwitserland geen nieuwe baan heeft.”.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 met de volgende aanpassing gelezen:

In artikel 77, lid 2, en artikel 78 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar de communautaire voorschriften op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, opgevat als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.

2.    32019 R 0500: Verordening (EU) 2019/500 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot vaststelling van noodmaatregelen op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 35).


3.    32009 R 0987: Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32010 R 1244: Verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010 (PB L 338 van 22.12.2010, blz. 35),

–    32012 R 0465: Verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB L 149 van 8.6.2012, blz. 4),

–    32012 R 1224: Verordening (EU) nr. 1224/2012 van de Commissie van 18 december 2012 (PB L 349 van 19.12.2012, blz. 45),

–    32013 R 1372: Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie van 19 december 2013 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 27),

–    32014 R 1368: Verordening (EU) nr. 1368/2014 van de Commissie van 17 december 2014 (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 15), gerectificeerd bij PB L 288 van 22.10.2016, blz. 58,

–    32017 R 0492: Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PB L 76 van 22.3.2017, blz. 13).


Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 987/2009 als volgt aangepast:

De volgende tekst wordt toegevoegd aan de bijlage 1:

“Overeenkomst tussen Zwitserland en Portugal van 25 mei 2016 betreffende de verrekening van schuldvorderingen

Overeenkomst tussen Zwitserland en Griekenland van 15 november 2017 betreffende de verrekening van schuldvorderingen in verband met verstrekkingen overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 en de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009

Overeenkomst tussen Zwitserland en Italië van 27 februari 2023 betreffende de verrekening van schuldvorderingen.

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 987/2009 met de volgende aanpassing gelezen:

In artikel 3, lid 3, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar de communautaire voorschriften op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, opgevat als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.


4.    31971 R 1408: Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 1), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité van 31 maart 2012 18 , en wanneer ernaar wordt verwezen in Verordening (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.

5.    31972 R 0574: Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie (PB L 39 van 10.2.2009, blz. 2), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité van 31 maart 2012 19 , en wanneer ernaar wordt verwezen in Verordening (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.


A.2    BESLUITEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN GOEDE NOTA NEMEN

1.    32010 D 0424(01): Besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 1).

2.    32010 D 0424(02): Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake de wetgeving die van toepassing is op gedetacheerde werknemers en zelfstandigen die tijdelijk buiten de bevoegde lidstaat werken (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 5).

3.    32010 D 0608(01): Besluit nr. A3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 17 december 2009 betreffende de samentelling van ononderbroken vervulde detacheringstijdvakken op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad en Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 149 van 8.6.2010, blz. 3).

4.    32014 D 0520(03): Besluit nr. E4 van 13 maart 2014 betreffende de overgangstermijn zoals bepaald in artikel 95 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 152 van 20.5.2014, blz. 21).


5.    32017 D 0719(01): Besluit nr. E5 van 16 maart 2017 betreffende de praktische regelingen voor de overgangsperiode voor de elektronische uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 233 van 19.7.2017, blz. 3).

6.    32018 D 1004 (02): Besluit nr. E6 van 19 oktober 2017 betreffende de bepaling van het tijdstip waarop een elektronisch bericht wordt geacht wettelijk te zijn afgeleverd in het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI) (PB C 355 van 4.10.2018, blz. 5).

7.    32020 D 0306 (01): Besluit nr. E7 van 27 juni 2019 betreffende praktische regelingen voor samenwerking en gegevensuitwisseling totdat het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI) volledig ten uitvoer wordt gelegd in de lidstaten (PB C 73 van 6.3.2020, blz. 5).

8.    32024 D 06842: Besluit nr. E8 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 14 maart 2024 betreffende het instellen van een procedure voor het beheren van wijzigingen die van toepassing is op de gegevens van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad gedefinieerde organen, welke zijn opgenomen in het elektronische repertorium dat deel uitmaakt van EESSI (PB C/2024/6842, 12.11.2024).

9.    32010 D 0424(04): Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot prioriteitsregels bij samenloop van gezinsuitkeringen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 11).


10.    32016 D 0211(05): Besluit nr. F2 van 23 juni 2015 betreffende de uitwisseling van gegevens tussen organen in verband met de toekenning van gezinsbijslagen (PB C 52 van 11.2.2016, blz. 11).

11.    32019 D 0626(01): Besluit nr. F3 van 19 december 2018 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot de methode voor de berekening van de aanvullende toeslag (PB C 215 van 26.6.2019, blz. 2).

12.    32010 D 0424(05): Besluit nr. H1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende het kader voor de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 van de Raad naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de toepassing van besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 13).

13.    32010 D 0608(02): Besluit nr. H5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 18 maart 2010 betreffende de samenwerking bij de bestrijding van fraude en onjuistheden in het kader van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van de Raad en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 149 van 8.6.2010, blz. 5).

14.    32011 D 0212(01): Besluit nr. H6 van 16 december 2010 betreffende de toepassing van bepaalde beginselen inzake de samentelling van tijdvakken ingevolge artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 45 van 12.2.2011, blz. 5).


15.    32021 D 0506 (01): Besluit nr. H11 van 9 december 2020 betreffende het uitstel van de in de artikelen 67 en 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 en in Besluit nr. S9 genoemde termijnen vanwege de COVID-19-pandemie (PB C 170 van 6.5.2021, blz. 4).

16.    32022 D 0228 (01): Besluit nr. H12 van 19 oktober 2021 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 93 van 28.2.2022, blz. 6).

17.    32022 D 0810(01): Besluit nr. H13 van 30 maart 2022 betreffende de samenstelling en de werkmethoden van de Rekencommissie van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Voor de EER en de Overeenkomst EG/Zwitserland relevante tekst) 2022/C 305/03 (PB C 305 van 10.8.2022, blz. 4).

18.    32024 D 00594: Besluit nr. H14 van 21 juni 2023 betreffende de publicatie van de richtsnoeren over de COVID-19-pandemie, de nota over de interpretatie van de toepassing van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de artikelen 67 en 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 tijdens de COVID-19-pandemie, de richtsnoeren voor telewerk voor de periode tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023 en de richtsnoeren voor telewerk vanaf 1 juli 2023 (PB C/2024/594, 11.1.2024).

19.    32024 D 06845: Besluit nr. H15 van 27 juni 2024 betreffende de werkmethoden en de samenstelling van de Technische Commissie voor gegevensverwerking van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C/2024/6845, 14.11.2024).


20.    32010 D 0424(07): Besluit nr. P1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 50, lid 4, artikel 58, en artikel 87, lid 5, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen en ouderdoms- en nabestaandenpensioenen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 21).

21.    32013 D 0927(01): Besluit nr. R1 van 20 juni 2013 betreffende de interpretatie van artikel 85 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB C 279 van 27.9.2013, blz. 11).

22.    32010 D 0424(08): Besluit nr. S1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de Europese ziekteverzekeringskaart (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 23).

23.    32010 D 0424(09): Besluit nr. S2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de technische specificaties voor de Europese ziekteverzekeringskaart (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 26).

24.    32010 D 0424(10): Besluit nr. S3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 tot vaststelling van de verstrekkingen die onder artikel 19, lid 1, en artikel 27, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 25, punt A) 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad vallen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 40).


25.    32010 D 0424(15): Besluit nr. S5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 2 oktober 2009 betreffende de interpretatie van het begrip “verstrekkingen” zoals gedefinieerd in artikel 1, onder va), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad, bij ziekte en moederschap, zoals bedoeld in de artikelen 17, 19, 20 en 22, artikel 24, lid 1, de artikelen 25 en 26, artikel 27, leden 1, 3, 4 en 5, de artikelen 28 en 34, en artikel 36, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de vaststelling van de ingevolge de artikelen 62, 63 en 64 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad te vergoeden bedragen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 54 ).

26.    32010 D 0427(02): Besluit nr. S6 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 22 december 2009 betreffende de inschrijving in de lidstaat van de woonplaats krachtens artikel 24 van Verordening (EG) nr. 987/2009 en de opstelling van de inventarissen, als bedoeld in artikel 64, lid 4, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB C 107 van 27.4.2010, blz. 6 ).

27.    32011 D 0906(01): Besluit nr. S8 van 15 juni 2011 betreffende de toekenning van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen zoals voorgeschreven in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 262 van 6.9.2011, blz. 6).

28.    32014 D 0520(02): Besluit nr. S10 van 19 december 2013 betreffende de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 en de toepassing van de vergoedingsprocedures (PB C 152 van 20.5.2014, blz. 16).


29.    32021 D 0618(01): Besluit nr. S11 van 9 december 2020 betreffende vergoedingsprocedures voor de toepassing van de artikelen 35 en 41 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (PB C 236 van 18.6.2021, blz. 4).

30.    32025 D 01598: Besluit nr. S12 van 16 oktober 2024 betreffende de vergoeding van gezondheidszorg in verband met de overbrenging van patiënten naar een andere lidstaat bij een noodsituatie met veel slachtoffers (PB C, C/2025/1598 van 13.3.2025 ).

31.    32010 D 0424(11): Besluit nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende artikel 54, lid 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot verhoging van werkloosheidsuitkeringen wegens gezinsleden ten laste (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 26).

32.    32010 D 0424(12): Besluit nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de werkingssfeer van artikel 65, lid 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht op werkloosheidsuitkeringen van volledig werklozen die geen grensarbeiders zijn en die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonden (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 43).

33.    32010 D 0424(13): Besluit nr. U3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de draagwijdte van het begrip gedeeltelijke werkloosheid zoals dat van toepassing is op de in artikel 65, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werklozen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 45).


34.    32012 D 0225(01): Besluit nr. U4 van 13 december 2011 betreffende de vergoedingsprocedures ingevolge artikel 65, leden 6 en 7, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB C 57 van 25.2.2012, blz. 4).

A.3    BESLUITEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN NOTA NEMEN

1.    32018 H 0529(01): Aanbeveling nr. A1 van 18 oktober 2017 inzake de afgifte van de in artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad genoemde verklaring (PB C 183 van 29.5.2018, blz. 5).

2.    32013 H 0927(01): Aanbeveling nr. H1 van 19 juni 2013 betreffende de toepassing van de uitspraak in de zaak-Gottardo, volgens welke de voordelen voor de nationale werknemers van een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen een lidstaat en een derde staat ook moeten worden toegekend aan de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten (PB C 279 van 27.9.2013, blz. 13).

3.    32019 H 0429(01): Aanbeveling H2 van 10 oktober 2018 betreffende het opnemen van authenticatiemaatregelen voor door het orgaan van een lidstaat afgegeven draagbare documenten inzake de positie van een persoon voor de toepassing van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 147 van 29.4.2019, blz. 6).

4.    32012H0810(01) Aanbeveling nr. S1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 15 maart 2012 betreffende financiële aspecten van grensoverschrijdende orgaandonaties bij leven (PB C 240 van 10.8.2012, blz. 3).


5.    32014 H 0218(01): Aanbeveling nr. S2 van 22 oktober 2013 betreffende het recht op verstrekkingen bij verblijf in een derde land van verzekerde personen en hun gezinsleden uit hoofde van een bilaterale overeenkomst tussen de bevoegde lidstaat en het derde land (PB C 46 van 18.2.2014, blz. 8).

6.    32010 H 0424(02): Aanbeveling nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de wetgeving welke van toepassing is op werklozen die in deeltijd beroeps- of handelsactiviteiten verrichten op het grondgebied van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan zij wonen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 49).

7.    32010 H 0424(03): Aanbeveling nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de toepassing van artikel 64, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad op werklozen die hun echtgeno(o)t(e) of partner vergezellen die een beroepswerkzaamheid uitoefent in een andere dan de bevoegde staat (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 51).

B.    BESCHERMING VAN DE RECHTEN OP AANVULLEND PENSIOEN

BEDOELDE HANDELINGEN

1.    31998 L 0049: Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46).


2.    32014 L 0050: Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 1).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassing gelezen:

Artikel 6, lid 5: de verwijzing naar artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG is niet van toepassing op Zwitserland.

Zwitserland neemt de in artikel 8 van Richtlijn 2014/50/EU bedoelde maatregelen uiterlijk op de eerste dag van de negenenveertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.

________________

PROTOCOL I

bij bijlage II bij de overeenkomst

I.    Werkloosheidsverzekering

De volgende regelingen gelden voor werknemers die onderdaan zijn van Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije tot en met 30 april 2011 en voor werknemers die onderdaan zijn van Bulgarije en Roemenië tot en met 31 mei 2016. De verzekering is van toepassing op werknemers die onderdaan zijn van de Republiek Kroatië tot het einde van het zevende jaar na de inwerkingtreding van het protocol betreffende de deelname van de Republiek Kroatië.

1.    Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering van werknemers in loondienst die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor minder dan een jaar, is de volgende regeling van toepassing:

1.1.    Alleen de werknemers die in Zwitserland premies hebben betaald gedurende de minimumperiode als voorgeschreven door de federale wet inzake de verplichte werkloosheidsverzekering en de vergoeding in geval van insolvabiliteit (loi fédérale sur l’assurance-chômage obligatoire et l’indemnité en cas d’insolvabilité – LACI) 20 en die voldoen aan de overige voorwaarden om aanspraak te maken op een werkloosheidsuitkering, hebben recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering onder de in de wet vastgestelde voorwaarden.


1.2.    Een gedeelte van het product van de ontvangen premies voor de werknemers die gedurende een te korte periode premies hebben betaald om in Zwitserland overeenkomstig punt 1.1 recht te hebben op een werkloosheidsuitkering, wordt overeenkomstig het bepaalde in punt 1.3 aan hun landen van herkomst terugbetaald als bijdrage in de kosten van de uitkeringen aan deze werknemers bij volledige werkloosheid; deze werknemers hebben bijgevolg geen recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering bij volledige werkloosheid in Zwitserland. Zij hebben echter recht op de vergoedingen bij weerverlet en insolvabiliteit van de werkgever. De uitkeringen bij volledige werkloosheid worden door het land van herkomst uitbetaald op voorwaarde dat de werknemers zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsvoorziening stellen. De in Zwitserland vervulde tijdvakken van verzekering worden in aanmerking genomen alsof zij in het land van herkomst waren vervuld.

1.3.    Het gedeelte van de voor de werknemers volgens punt 1.2 ontvangen premies wordt jaarlijks terugbetaald overeenkomstig de onderstaande bepalingen.

a)    Het product van de premies van deze werknemers wordt per land berekend op grond van het jaarlijkse aantal tewerkgestelde werknemers en het gemiddelde van de voor elke werknemer betaalde jaarlijkse premies (werkgevers- en werknemerspremies).

b)    Van het aldus berekende bedrag zal een met het percentage van de werkloosheidsuitkeringen ten opzichte van alle andere soorten uitkeringen, als vermeld in punt 1.2, overeenkomend gedeelte worden terugbetaald aan de landen van herkomst van de werknemers en voor Zwitserland zal een reserve voor latere uitkeringen worden aangelegd 21 .


c)    Zwitserland verstrekt elk jaar een afrekening van de terugbetaalde premies. Op verzoek van het land van herkomst worden de berekeningsbases en het bedrag van de terugbetalingen medegedeeld. De landen van herkomst delen jaarlijks aan Zwitserland het aantal personen mee die in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkeringen volgens punt 1.2.

2.    Mochten er zich voor een lidstaat moeilijkheden met het einde van het terugbetalingsstelsel of voor Zwitserland met het samentellingssysteem voordoen, dan kan een van de overeenkomstsluitende partijen het Gemengd Comité inschakelen.

II.    Uitkeringen voor steunbehoevenden

Uitkeringen voor steunbehoevenden die worden toegekend op grond van de Zwitserse federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959 en op grond van de federale wet op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 zoals gewijzigd op 8 oktober 1999, worden uitsluitend toegekend indien de betrokken persoon in Zwitserland woonachtig is.

III.    Toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 op de verlengde toegezegde vergoedingen

Zwitserland past Verordening (EG) nr. 883/2004 toe op de verlengde regeling van de federale wet inzake de vrije overgang in de beroepsverzekering voor ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsuitkeringen van 17 december 1993, uiterlijk op de eerste dag van de negenenveertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.

PROTOCOL II

bij bijlage II bij de overeenkomst

OVERWEGENDE dat in artikel 33 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “het Terugtrekkingsakkoord” genoemd) is bepaald dat titel III van deel twee van het Terugtrekkingsakkoord van toepassing is op onderdanen van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, mits deze landen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeenkomstige, op de burgers van de Unie toepasselijke akkoorden, alsook met de Europese Unie op de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke akkoorden hebben gesloten en deze toepassen,

OVERWEGENDE dat in artikel 26 ter van de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Zwitserse Bondsstaat over de rechten van burgers na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen is bepaald dat deel III van die overeenkomst van toepassing is op burgers van de Unie, mits de Unie met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeenkomstige, op de burgers van Zwitserland toepasselijke akkoorden heeft gesloten en deze toepast, en met Zwitserland overeenkomstige, op de burgers van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke akkoorden heeft gesloten en deze toepast,

ERKENNENDE dat het noodzakelijk is te zorgen voor wederzijdse bescherming van de socialezekerheidsrechten voor onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede hun familieleden en nabestaanden, die zich uiterlijk aan het eind van de overgangsperiode in een grensoverschrijdende situatie bevinden of bevonden waarbij tegelijkertijd zowel een of meer van de overeenkomstsluitende partijen bij de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen als het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betrokken is of was,


ARTIKEL 1

Definities en verwijzingen

1.    Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

a)    “Terugtrekkingsakkoord”: het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 22 ;

b)    “overeenkomst inzake de rechten van burgers”: de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Zwitserse Bondsstaat over de rechten van burgers na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen;

c)    “betrokken staten”: de lidstaten van de Unie en Zwitserland;

d)    “overgangsperiode”: de in artikel 126 van het Terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode;

e)    en gelden de definities van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad 23 en artikel 1 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad 24 .


2.    Voor de toepassing van dit protocol worden alle verwijzingen naar lidstaten en bevoegde autoriteiten van lidstaten in bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk en zijn bevoegde autoriteiten omvatten.

ARTIKEL 2

Personele werkingssfeer

1.    Dit protocol is van toepassing op de volgende personen:

a)    onderdanen van het Verenigd Koninkrijk op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van een van de betrokken staten van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

b)    onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die in een van de betrokken staten wonen en op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

c)    personen die niet onder de punten a) of b) vallen maar onderdanen van het Verenigd Koninkrijk zijn die aan het eind van de overgangsperiode in een of meer van de betrokken staten werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige verrichten en op wie krachtens titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;

d)    staatlozen en vluchtelingen die in een van de betrokken staten of in het Verenigd Koninkrijk wonen en die zich in een van de in de punten a) tot en met c) bedoelde situaties bevinden, alsmede hun familieleden en nabestaanden.


2.    De in lid 1 bedoelde personen vallen binnen de werkingssfeer zo lang zij zich ononderbroken blijven bevinden in een van de in dat lid genoemde situaties waarbij tegelijkertijd zowel een van de betrokken staten als het Verenigd Koninkrijk betrokken is.

3.    Dit protocol is eveneens van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die zich niet of niet langer in een van de in lid 1 van dit artikel bedoelde situaties bevinden, maar wel onder artikel 10 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 10 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers vallen, alsmede op hun gezinsleden en nabestaanden.

4.    De in lid 3 bedoelde personen vallen binnen de personele werkingssfeer zo lang zij een recht van verblijf in een van de betrokken staten hebben krachtens artikel 13 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 12 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers, of een recht om te werken in hun land van beroepsactiviteit krachtens artikel 24 of 25 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 20 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers.

5.    Wanneer dit artikel verwijst naar familieleden en nabestaanden, is dit protocol alleen op deze personen van toepassing voor zover zij in die hoedanigheid rechten en plichten ontlenen aan Verordening (EG) nr. 883/2004.

ARTIKEL 3

Regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels

1.    De regels en doelstellingen van artikel 8 van de overeenkomst en van deze bijlage, de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 zijn van toepassing op de personen die onder dit protocol vallen.


2.    De betrokken staten houden naar behoren rekening met de besluiten en aanbevelingen van de bij Verordening (EG) nr. 883/2004 bij de Europese Commissie ingestelde Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna “Administratieve Commissie” genoemd), die worden vermeld in afdeling A van deze bijlage.

ARTIKEL 4

Bijzondere situaties

1.    De volgende regels zijn van toepassing op de hierna genoemde situaties, in de mate die is vastgesteld in dit artikel, voor zover zij betrekking hebben op personen op wie artikel 2 niet of niet langer van toepassing is:

a)    onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en op wie de wetgeving van een van de betrokken staten van toepassing was vóór het einde van de overgangsperiode, alsmede hun gezinsleden en nabestaanden, vallen onder dit protocol waar het gaat om de aanspraak op en de samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, of van verblijf, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 uit dergelijke tijdvakken voortvloeien; voor de samentelling van tijdvakken wordt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 rekening gehouden met zowel de voor als na het eind van de overgangsperiode voltooide tijdvakken;


b)    de in de artikelen 20 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede op staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, die voor het eind van de overgangsperiode uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 om toestemming voor een geplande medische behandeling hadden verzocht, totdat die behandeling is beëindigd. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van de behandeling van toepassing. Deze personen en de personen die hen begeleiden, hebben het recht het land van behandeling binnen te komen en te verlaten in overeenstemming met artikel 14 van het Terugtrekkingsakkoord mutatis mutandis en met artikel 13 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers mutatis mutandis;

c)    de in de artikelen 19 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede op staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen en die aan het eind van de overgangsperiode verblijf houden in een van de betrokken staten of het Verenigd Koninkrijk, tot aan het eind van hun verblijf. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van het verblijf of de behandeling van toepassing;

d)    zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, blijven de in de artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels van toepassing op de toekenning van gezinsuitkeringen waarop onderdanen van het Verenigd Koninkrijk recht hebben alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen op wie de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is en die familieleden hebben die aan het eind van de overgangsperiode in een van de betrokken staten wonen;

e)    in de in punt d) van dit lid genoemde situaties blijven voor personen die aan het eind van de overgangsperiode als familielid rechten genieten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004, zoals afgeleide rechten op uitkeringen in geval van ziekte, voornoemde verordening en de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 987/2009 van toepassing zolang de daarin gestelde voorwaarden worden vervuld.


2.    De bepalingen van hoofdstuk 1 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot uitkeringen bij ziekte zijn van toepassing op personen die een uitkering ontvangen uit hoofde van lid 1, punt a), van dit artikel.

Dit lid is van overeenkomstige toepassing op gezinsuitkeringen op grond van de artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

ARTIKEL 5

Vergoeding, terug- en invordering en verrekening

De bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 inzake vergoeding, terug- en invordering en verrekening blijven van toepassing in verband met gebeurtenissen, voor zover deze betrekking hebben op personen op wie artikel 2 niet van toepassing is, die:

a)    plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode; of

b)    plaatsvinden na het eind van de overgangsperiode en betrekking hebben op personen op wie de artikelen 2 of 4 van toepassing waren toen de gebeurtenis plaatsvond.


ARTIKEL 6

Ontwikkeling van recht en aanpassingen

1.    Onverminderd lid 3 worden verwijzingen in dit protocol naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 of bepalingen daarvan begrepen als verwijzingen naar de in de overeenkomst geïntegreerde handelingen of bepalingen die op de laatste dag van de overgangsperiode van toepassing zijn.

2.    Wanneer de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 na het eind van de overgangsperiode worden gewijzigd of vervangen, worden verwijzingen naar deze verordeningen in dit protocol begrepen als verwijzingen naar deze verordeningen zoals gewijzigd of vervangen, in overeenstemming met de in deel II van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord, wat betreft de Unie, en in deel II van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers, wat betreft Zwitserland genoemde handelingen.

3.    Voor de toepassing van dit protocol worden de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 geacht de aanpassingen te bevatten die zijn vermeld in deel III van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord, wat betreft de Unie, en in deel III van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers, wat betreft Zwitserland.

4.    Voor de toepassing van dit protocol worden de in de leden 2 en 3 bedoelde wijzigingen en aanpassingen van kracht op de dag na de dag waarop de overeenkomstige wijzigingen en aanpassingen van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord of van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers van kracht worden, indien dat later is.”.

_______________

BIJLAGE III

WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES

Wijzigingen van bijlage III bij de overeenkomst

Bijlage III bij de overeenkomst wordt vervangen en komt als volgt te luiden:

“BIJLAGE III

WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES

(Diploma’s, certificaten en andere opleidingstitels)

AFDELING 1

INLEIDING

Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van de overeenkomst zijn de in afdeling 2 van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.


Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.

Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling 2 genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.

AFDELING 2

BEDOELDE HANDELINGEN

1.    32005 L 0036: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22),

gewijzigd bij:

–    Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),


–    Verordening (EU) nr. 213/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van de bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 59 van 4.3.2011, blz. 4),

–    Mededeling van de Commissie — Kennisgeving van de in bijlage I bij Richtlijn 2005/36/EG genoemde beroepsverenigingen of -organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2 (PB C 111 van 15.5.2009, blz. 1),

–    Mededeling van de Commissie — Kennisgeving van de in bijlage I bij Richtlijn 2005/36/EG genoemde beroepsverenigingen of -organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2 (PB C 182 van 23.6.2011, blz. 1),

–    Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 112 van 24.4.2012, blz. 10),

–    Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368),

–    Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),


–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2016/790 van de Commissie van 13 januari 2016 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 134 van 24.5.2016, blz. 135),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/2113 van de Commissie van 11 september 2017 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 317 van 1.12.2017, blz. 119),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/608 van de Commissie van 16 januari 2019 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 104 van 15.4.2019, blz. 1),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2020/548 van de Commissie van 23 januari 2020 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 131 van 24.4.2020, blz. 1),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2021/2183 van de Commissie van 25 augustus 2021 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 444 van 10.12.2021, blz. 16),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2023/2383 van de Commissie van 23 mei 2023 tot wijziging en rectificatie van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot opleidingstitels en benamingen van opleidingen (PB L 2383 van 9.10.2023, blz. 1),


–    Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/782 van de Commissie van 4 maart 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de minimumopleidingseisen voor de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde en apotheker (PB L, 2024/782, 31.5.2024),

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2024/1395 van de Commissie van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L, 2024/1395, 31.5.2024).

gerectificeerd bij:

–    Rectificatie van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 93 van 4.4.2008, blz. 28),

–    Rectificatie van Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (PB L 177 van 8.7.2015, blz. 60).


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.1 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Certificaat bij de opleidingstitel

Referentiedatum

Zwitserland

Eidgenössisches Arztdiplom

Diplôme fédéral de médecin

Diploma federale di medico

Eidgenössisches Departement des Innern

Département fédéral de l’intérieur

Dipartimento federale dell’interno

1 juni 2002”

b)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Referentiedatum

Zwitserland

Diplom als Facharzt

Diplôme de médecin spécialiste

Diploma di medico specialista

Eidgenössisches Departement des Innern und Verbindung der Schweizer Ärztinnen und Ärzte (FMH) / Schweizerische Institut für ärztliche Weiter- und Fortbildung (SIWF)

Département fédéral de l’intérieur et Fédération des médecins suisses (FMH) / Institut suisse pour la formation médicale postgraduée et continue (ISFM)

Dipartimento federale dell’interno e Federazione dei medici svizzeri (FMH) / Istituto svizzero per la formazione medica (ISFM)

1 juni 2002”



c)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.3 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Titel

Anesthesiologie

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Anästhesiologie

Anesthésiologie

Anestesiologia

Land

Titel

Algemene heelkunde

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Chirurgie

Chirurgie

Chirurgia

Land

Titel

Neurochirurgie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Neurochirurgie

Neurochirurgie

Neurochirurgia

Land

Titel

Verloskunde en gynaecologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Gynäkologie und Geburtshilfe

Gynécologie et obstétrique

Ginecologia e ostetricia

Land

Titel

Interne geneeskunde

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Allgemeine Innere Medizin

Médecine interne générale

Medicina interna generale

Land

Titel

Oogheelkunde

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Ophthalmologie

Ophtalmologie

Oftalmologia

Land

Titel

Keel-, neus- en oorheelkunde

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Oto-Rhino-Laryngologie

Oto-rhino-laryngologie

Otorinolaringoiatria

Land

Titel

Kindergeneeskunde

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Kinder- und Jugendmedizin

Pédiatrie

Pediatria

Land

Titel

Ziekten der luchtwegen

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Pneumologie

Pneumologie

Pneumologia

Land

Titel

Urologie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Urologie

Urologie

Urologia

Land

Titel

Orthopedie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Orthopädische Chirurgie und Traumatologie des Bewegungsapparates

Chirurgie orthopédique et traumatologie de l’appareil locomoteur

Chirurgia ortopedica e traumatologia dell’apparato locomotore

Land

Titel

Pathologische anatomie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Pathologie

Pathologie

Patologia

Land

Titel

Neurologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Neurologie

Neurologie

Neurologia

Land

Titel

Psychiatrie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Psychiatrie und Psychotherapie

Psychiatrie et psychothérapie

Psichiatria e psicoterapia

Land

Titel

Radiologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Radiologie

Radiologie

Radiologia

Land

Titel

Radiotherapie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Radio-Onkologie/Strahlentherapie

Radio-oncologie/radiothérapie

Radio-oncologia/radioterapia

Land

Titel

Plastische chirurgie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Plastische, Rekonstruktive und Ästhetische Chirurgie

Chirurgie plastique, reconstructive et esthétique

Chirurgia plastica, ricostruttiva ed estetica

Land

Titel

Cardio-thoracale chirurgie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Thoraxchirurgie 25

Chirurgie thoracique

Chirurgia toracica

Land

Titel

Cardiochirurgie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Herz- und thorakale Gefässchirurgie;

Chirurgie cardiaque et vasculaire thoracique

Chirurgia del cuore e dei vasi toracici

Land

Titel

Vasculaire chirurgie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Gefässchirurgie 26

Chirurgie vasculaire

Chirurgia vascolare

Land

Titel

Kinderheelkunde

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Kinderchirurgie

Chirurgie pédiatrique

Chirurgia pediatrica

Land

Titel

Cardiologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Kardiologie

Cardiologie

Cardiologia

Land

Titel

Maag- en darmziekten

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Gastroenterologie

Gastroentérologie

Gastroenterologia

Land

Titel

Reumatologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Rheumatologie

Rhumatologie

Reumatologia

Land

Titel

Algemene hematologie

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Hämatologie

Hématologie

Ematologia

Land

Titel

Endocrinologie

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Endokrinologie/Diabetologie

Endocrinologie/diabétologie

Endocrinologia/diabetologia

Land

Titel

Revalidatiegeneeskunde

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Physikalische Medizin und Rehabilitation

Médecine physique et réadaptation

Medicina fisica e riabilitazione

Land

Titel

Dermatologie en venerologie

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Dermatologie und Venerologie

Dermatologie et vénéréologie

Dermatologia e venerologia

Land

Titel

Tropische ziekten

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Tropen- und Reisemedizin

Médecine tropicale et médecine des voyages

Medicina tropicale e medicina di viaggio

Land

Titel

Kinderpsychiatrie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Kinder- und Jugendpsychiatrie und -psychotherapie

Psychiatrie et psychothérapie d’enfants et d’adolescents

Psichiatria e psicoterapia infantile e dell’adolescenza

Land

Titel

Nierziekten

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Nephrologie

Néphrologie

Nefrologia

Land

Titel

Besmettelijke ziekten

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Infektiologie

Infectiologie

Malattie infettive

Land

Titel

Maatschappij en gezondheid

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Prävention und Gesundheitswesen

Prévention et santé publique

Prevenzione e salute pubblica

Land

Titel

Farmacologie

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Klinische Pharmakologie und Toxikologie

Pharmacologie et toxicologie cliniques

Farmacologia e tossicologia clinica

Land

Titel

Arbeidsgeneeskunde

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Arbeitsmedizin

Médecine du travail

Medicina del lavoro

Land

Titel

Allergologie

Minimale opleidingsduur: 3 jaar

Zwitserland

Allergologie und klinische Immunologie

Allergologie et immunologie clinique

Allergologia e immunologia clinica

Land

Titel

Nucleaire geneeskunde

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Nuklearmedizin

Médecine nucléaire

Medicina nucleare

Land

Titel

Mond-, tand- en maxillo-faciale chirurgie

(basisopleiding voor arts en voor beoefenaar der tandheelkunde)

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Mund-, Kiefer- und Gesichtschirurgie

Chirurgie orale et maxillo-faciale

Chirurgia oro-maxillo-facciale

Land

Titel

Medische oncologie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Zwitserland

Medizinische Onkologie

Oncologie médicale

Oncologia medica

Land

Titel

Klinische genetica

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Zwitserland

Medizinische Genetik

Génétique médicale

Genetica medica”

d)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.4 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Beroepstitel

Referentiedatum

Zwitserland

Diplom als praktischer Arzt/praktische Ärztin

Diplôme de médecin praticien

Diploma di medico generico

Praktischer Arzt/Praktische Ärztin

Médecin praticien

Medico generico

1 juni 2002”

e)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.2.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Beroepstitel

Referentiedatum

Zwitserland

1. Diplomierte Pflegefachfrau, diplomierter Pflegefachmann

Infirmière diplômée et infirmier diplômé

Infermiera diplomata e infermiere diplomato

Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen

Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l’État

Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato

Pflegefachfrau, Pflegefachmann

Infirmière, infirmier

Infermiera, infermiere

1 juni 2002

2. Bachelor verpleegkunde

Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen

Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l’État

Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato

Pflegefachfrau, Pflegefachmann

Infirmière, infirmier

Infermiera, infermiere

30 september 2011

3. Diplomierte Pflegefachfrau HF, diplomierter Pflegefachmann HF

Infirmière diplômée ES, infirmier diplômé ES

Infermiera diplomata SSS, infermiere diplomato SSS

Höhere Fachschulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen

Écoles supérieures qui proposent des filières de formation reconnues par l’État

Scuole specializzate superiori che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato

Pflegefachfrau, Pflegefachmann

Infirmière, infirmier

Infermiera, infermiere

1 juni 2002”



f)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.3.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Certificaat bij de opleidingstitel

Beroepstitel

Referentiedatum

Zwitserland

Eidgenössisches Zahnarztdiplom

Diplôme fédéral de médecin-dentiste

Diploma federale di medico-dentista

Eidgenössisches Departement des Innern

Département fédéral de l’intérieur

Dipartimento federale dell’interno

Zahnarzt

Médecin-dentiste

Medico-dentista

1 juni 2002”

g)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.3.3 van bijlage V bij de richtlijn:

“Orthodontie

Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Referentiedatum

Zwitserland

Diplom für Kieferorthopädie

Diplôme fédéral d’orthodontiste

Diploma di ortodontista

Eidgenössisches Departement des Innern und Schweizerische Zahnärzte-Gesellschaft (SSO) / Büro für zahnmedizinische Weiterbildung (BZW)

Département fédéral de l’intérieur et Société suisse d’odonto-stomatologie (SSO) / Bureau pour la formation postgrade en médecine dentaire (BZW)

Dipartimento federale dell’interno e Società Svizzera di Odontologia e Stomatologia (SSO) / Ufficio per la formazione post-laurea in odontoiatria (BZW)

1 juni 2002

Mondchirurgie

Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Referentiedatum

Zwitserland

Diplom für Oralchirurgie

Diplôme fédéral de chirurgie orale

Diploma di chirurgia orale

Eidgenössisches Departement des Innern und Schweizerische Zahnärzte-Gesellschaft (SSO) / Büro für zahnmedizinische Weiterbildung (BZW)

Département fédéral de l’intérieur et Société suisse d’odonto-stomatologie (SSO) / Bureau pour la formation postgrade en médecine dentaire (BZW)

Dipartimento federale dell’interno e Società Svizzera di Odontologia e Stomatologia (SSO) / Ufficio per la formazione post-laurea in odontoiatria (BZW)

30 april 2004”

h)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.4.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Certificaat bij de opleidingstitel

Referentiedatum

Zwitserland

Eidgenössisches Tierarztdiplom

Diplôme fédéral de vétérinaire

Diploma federale di veterinario

Eidgenössisches Departement des Innern

Département fédéral de l’intérieur

Dipartimento federale dell’interno

1 juni 2002”



i)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.5.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Beroepstitel

Referentiedatum

Zwitserland

1. Diplomierte Hebamme

Sage-femme diplômée

Levatrice diplomata

Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen

Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l'État

Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato

Hebamme

Sage-femme

Levatrice

1 juni 2002

2. [Bachelor of Science [Name of the UAS] in Midwifery]

“Bachelor of Science HES-SO de Sage-femme” (Bachelor of Science HES-SO in Midwifery)

“Bachelor of Science BFH Hebamme” (Bachelor of Science BFH in Midwifery)

“Bachelor of Science ZFH Hebamme” (Bachelor of Science ZHAW in Midwifery)

Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen

Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l'État

Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato

Hebamme

Sage-femme

Levatrice

1 juni 2002”



j)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.6.2 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Certificaat bij de opleidingstitel

Referentiedatum

Zwitserland

Eidgenössisches Apothekerdiplom

Diplôme fédéral de pharmacien

Diploma federale di farmacista

Eidgenössisches Departement des Innern

Département fédéral de l’intérieur

Dipartimento federale dell’interno

1 juni 2002”

k)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.7.1 van bijlage V bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Uitreikende instelling

Certificaat bij de opleidingstitel

Referentie academiejaar

Zwitserland

Master of Science in Architecture – Diploma di architetto (Arch. Dipl. USI)

Accademia di Architettura dell’Università della Svizzera Italiana

2002-2003

Master of Arts BFH/HES-SO en architecture, Master BFH/HES-SO in architectuur

Haute école spécialisée de Suisse occidentale (HES-SO) tezamen met Berner Fachhochschule (BFH)

2007-2008

Master of Arts BFH/HES-SO in Architektur, Master BFH/HES-SO in architectuur

Haute école spécialisée de Suisse occidentale (HES-SO) tezamen met Berner Fachhochschule (BFH)

2007-2008

Master of Arts FHNW in Architektur

Fachhochschule Nordwestschweiz FHNW

2007-2008

Master of Arts FHZ in Architektur

Fachhochschule Zentralschweiz (FHZ)

2007-2008

Master of Arts ZFH in Architektur

Zürcher Fachhochschule (ZFH), Zürcher Hochschule für Angewandte Wissenschaften (ZHAW), Departement Architektur, Gestaltung und Bauingenieurwesen

2007-2008

Master of Science MSc in Architecture,

Architecte (arch. Dipl). EPF)

Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne

2007-2008

Master of Science ETH in Architektur, MSc ETH Arch

Eidgenössische Technische Hochschule Zurich

2007-2008”

l)    de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VI bij de richtlijn:

“Land

Opleidingstitel

Referentie academiejaar

Zwitserland

1. Diploma di Architetto

1996-1997

2. Master of Arts/Science in Architecture – Diploma di Architetto

2000-2001

3. Dipl. Arch. ETH,

arch. dipl. EPF,

arch. dipl. PF

2004-2005

4. Architecte diplômé EAUG

2004-2005

5. Architekt REG A

Architecte REG A

Architetto REG A

2004-2005”


2.    31977 L 0249: Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB L 78 van 26.3.1977, blz. 17),

gewijzigd bij:

–    1 1979 H: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen (PB L 291 van 19.11.1979, blz. 91),

–    1 1985 I: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB L 302 van 15.11.1985, blz. 23),

–    Besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1 van 1.1.1995, blz. 1),

–    1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

–    32006 L 0100: Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),


–    32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 77/249/EEG als volgt aangepast:

De volgende tekst wordt toegevoegd aan artikel 1, lid 2:

“Zwitserland:

Advokat, Rechtsanwalt, Anwalt, Fürsprecher, Fürsprech

Avocat

Avvocato”.

3.    31998 L 0005: Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77 van 14.3.1998, blz. 36), gewijzigd bij:

–    1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),


–    32006 L 0100: Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),

–    32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 98/5/EG als volgt aangepast:

De volgende tekst wordt toegevoegd aan artikel 1, lid 2, punt a):

“Zwitserland:

Advokat, Rechtsanwalt, Anwalt, Fürsprecher, Fürsprech

Avocat

Avvocato”.

4.    31974 L 0556: Richtlijn 74/556/EEG van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de werkzaamheden welke ressorteren onder de handel in en de distributie van giftige producten en de werkzaamheden die het beroepsmatig gebruik van die producten meebrengen met inbegrip van de werkzaamheden van tussenpersonen (PB L 307 van 18.11.1974, blz. 1).


5.    319s74 L 0557: Richtlijn 74/557/EEG van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden en voor de werkzaamheden van tussenpersonen welke onder de handel in en de distributie van giftige producten ressorteren (PB L 307 van 18.11.1974, blz. 5), gewijzigd bij:

–    Besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1 van 1.1.1995, blz. 1),

–    1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),

–    32006 L 0101: Richtlijn 2006/101/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van de Richtlijnen 73/239/EEG, 74/557/EEG en 2002/83/EG op het gebied van het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 238),

–    32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).


Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 74/557/EEG als volgt aangepast:

In Zwitserland:

Alle producten en giftige stoffen als bedoeld in de federale wet inzake bescherming tegen gevaarlijke stoffen en preparaten (geclassificeerde compilatie van federale wetgeving (CC 813.1), en met name de in de daarbij horende ordonnanties genoemde (CC 813) producten en giftige stoffen, alsook de giftige stoffen voor het milieu (CC 814.812.31, 814.812.32 en 814.812.33).

6.    31986 L 0653: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382 van 31.12.1986, blz. 17).

7.    32015 R 0983: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 27).

8.    32018 L 0958: Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25)

9.    32019 R 0907: Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/907 van de Commissie van 14 maart 2019 tot vaststelling van een gemeenschappelijke opleidingsproef voor skileraren overeenkomstig artikel 49 ter van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 145 van 4.6.2019, blz. 7).


10.    32023 D 0423: Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/423 van de Commissie van 24 februari 2023 betreffende een proefproject ter uitvoering van de bepalingen van Richtlijn 2005/36/EG en Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad inzake administratieve samenwerking met betrekking tot gereglementeerde beroepen via het Informatiesysteem interne markt en ter integratie van de databank van gereglementeerde beroepen in dat systeem (PB L 61 van 27.2.2023, blz. 62).

11.    32012 R 1024: Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), gewijzigd bij:

–    32013 L 0055: Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),

–    32014 L 0060: Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 147 van 12.6.2015, blz. 24,

–    32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11),

–    32016 R 1191: Verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 (PB L 200 van 26.7.2016, blz. 1),

–    32016 R 1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53), gerectificeerd bij PB L 231 van 6.9.2019, blz. 29,


–    32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1),

–    32020 L 1057: Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 49),

–    32020 R 1055: Verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 17).

Zwitserland gebruikt het Informatiesysteem interne markt (IMI) als derde land voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, met IMI-actoren in de Unie om, in voorkomend geval, procedures voor administratieve samenwerking uit te voeren voor de toepassing van deze overeenkomst.

Voor de toepassing van deze overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 zolang Beschikking 2000/518/EG 27 van kracht blijft.

Zwitserland gebruikt het IMI-systeem voor de uitvoering van procedures voor administratieve samenwerking als bedoeld in de artikelen 4 bis tot en met 4 sexies, artikel 8, artikel 21 bis, artikel 50, artikel 56 en artikel 56 bis van Richtlijn 2005/36/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU, overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde beginselen en praktische regelingen van uitwisselingen.


Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1024/2012 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 5, eerste zin, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

b)    artikel 8, lid 1, punt e), is niet van toepassing op Zwitserland;

c)    in artikel 9, lid 5, wordt, wat betreft Zwitserland, “het recht van de Unie” vervangen door “het recht van de Unie zoals opgenomen in deze overeenkomst”;

d)    in artikel 10, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, “In overeenstemming met het nationaal recht of met de wetgeving van de Unie” vervangen door “In overeenstemming met de Zwitserse wetgeving”;

e)    in artikel 16, leden 1 en 2, worden, wat betreft Zwitserland, de verwijzingen naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

f)    in artikel 17, lid 4, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

g)    in artikel 18, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

h)    in artikel 20 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;


i)    in artikel 21:

i)    in lid 1 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

ii)    lid 3 is niet van toepassing;

j)    artikel 25 is niet van toepassing;

k)    artikel 26, lid 1, wordt gelezen in overeenstemming met artikel 13 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.”.

_______________

PROTOCOL
BETREFFENDE TWEEDE WONINGEN IN DENEMARKEN

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat Protocol nr. 32 betreffende de verwerving van onroerende goederen in Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ook van toepassing is op deze overeenkomst betreffende de verwerving van tweede woningen door Zwitserse onderdanen in Denemarken.

PROTOCOL
BETREFFENDE DE VERWERVING VAN ONROEREND GOED IN MALTA

De verwerving van onroerend goed op de Maltese eilanden wordt geregeld bij de wet inzake eigendom van onroerend goed (verwerving door niet-ingezetenen) (hoofdstuk 246 van de wetten van Malta).

In die wet wordt het volgende bepaald:

a)    Een Zwitserse burger mag in Malta onroerend goed kopen:

(1)    Indien het onroerend goed als hoofdverblijf zal worden gebruikt of indien de aanvrager langer dan vijf jaar als ingezetene in Malta heeft gewoond of indien het onroerend goed voor zakelijke doeleinden zal worden gebruikt, gelden er geen beperkingen.

(2)    Indien het onroerend goed zal worden gebruikt voor secundaire verblijfsdoeleinden en de aanvrager niet gedurende een periode van vijf jaar in Malta heeft gewoond, is een vergunning voor de verwerving van onroerend goed vereist en gelden de voorwaarden als bepaald in de wet inzake eigendom van onroerend goed (verwerving door niet-ingezetenen), met inbegrip van een minimumprijs van 174 274 EUR voor appartementen en 300 619 EUR voor huizen (de minimumprijzen worden jaarlijks gecorrigeerd aan de hand van de onroerendgoedindex zoals uiteengezet in de mededeling betreffende de indexering van de prijzen van onroerend goed [Subsidiaire wetgeving 246.08 van de wetten van Malta]). Voor dergelijke aankopen is niet vereist dat de betrokkene een verblijfsrecht in Malta heeft.

b)    Een Zwitserse burger mag ook te allen tijde overeenkomstig de relevante nationale wetgeving zijn hoofdverblijfplaats in Malta vestigen. Het vertrek uit Malta houdt niet de verplichting in om het als eerste woning verworven onroerend goed te vervreemden.


c)    Zwitserse burgers die in specifieke in de wet genoemde gebieden (meestal gebieden die deel uitmaken van stadsvernieuwingsprojecten) onroerend goed verwerven hebben daarvoor geen vergunning nodig; dergelijke verwervingen zijn evenmin onderworpen aan beperkingen met betrekking tot het aantal, het gebruik of de waarde ervan.

PROTOCOL
BETREFFENDE VERBLIJFSVERGUNNINGEN VOOR LANGDURIG INGEZETENEN

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

zijn het volgende overeengekomen:

1.    De verlening van verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen valt respectievelijk onder het recht van de Unie in overeenstemming met de Verdragen en onder het recht van Zwitserland, en valt niet onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen (hierna “de overeenkomst” genoemd). Het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst is derhalve niet van toepassing op dit protocol.

2.    Indien Zwitserland en de lidstaten van de Unie elkaars onderdanen op grond van de in lid 1 bedoelde respectieve wetgeving verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen verlenen, worden die regels op niet-discriminerende wijze toegepast, met name wat betreft de vereiste minimumduur van het voorafgaande verblijf van vijf jaar.

3.    De toepasselijke regels van de Unie en Zwitserland blijven vergelijkbaar wat betreft andere voorwaarden en eisen, met dien verstande dat de voorwaarden en eisen onder de bevoegdheid van de Unie in overeenstemming met de Verdragen en van Zwitserland vallen.


4.    Het bovengenoemde doet geen afbreuk aan

a)    de regels inzake duurzaam verblijf van Richtlijn 2004/38/EG 28 en

b)    de bepalingen voor onderdanen van derde landen in reeds tussen een lidstaat van de Unie en Zwitserland gesloten bilaterale overeenkomsten die gunstiger zijn dan de toepasselijke regels van de Unie en Zwitserland.

5.    Niettegenstaande lid 1 is artikel 10, leden 1, 2 en 5, van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst van overeenkomstige toepassing op geschillen die voortvloeien uit de leden 2 en 3 van dit protocol. In die gevallen is artikel 11 van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat evenredige compenserende maatregelen alleen in het kader van de overeenkomst kunnen worden vastgesteld.

Het aanhangsel bij het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst betreffende het scheidsgerecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel I.4, lid 4, artikel III.4, lid 3, tweede zin, artikel III.5, lid 2, derde zin, artikel III.9 en artikel III.10, lid 5.

PROTOCOL BETREFFENDE DE INSTELLINGEN
BIJ DE OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN HAAR LIDSTATEN,

ENERZIJDS,

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, ANDERZIJDS,

OVER HET VRIJE VRIJ VERKEER VAN PERSONEN

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gedaan te Brussel op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd), die op 1 juni 2002 in werking is getreden;

GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, dat op 1 april 2006 in werking is getreden;

GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 27 mei 2008, dat op 1 juni 2009 in werking is getreden;


GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij na de toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 4 maart 2016, dat op 1 januari 2017 in werking is getreden;

OVERWEGENDE DAT door de Unie gesloten overeenkomsten bindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten; dit protocol is derhalve van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in de overeenkomst;

OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;

ERAAN HERINNEREND dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;


OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;

BESEFFENDE dat het waarborgen van uniformiteit op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt, van belang is,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen

1.    Dit protocol heeft tot doel de overeenkomstsluitende partijen en de marktdeelnemers en particulieren meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te bieden op het gebied van de interne markt dat onder het toepassingsgebied van de overeenkomst valt.


2.    Hiertoe voorziet dit protocol in nieuwe institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen mogelijk maken. Rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht bevat dit protocol met name institutionele oplossingen voor de overeenkomst die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied of de doelstellingen van de overeenkomst worden gewijzigd, met name:

a)    de procedure om de overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor de overeenkomst;

b)    de eenvormige uitlegging en toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van de overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van de overeenkomst.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

1.    Dit protocol, de bijlage daarbij, en het aanhangsel daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

2.    De bij dit protocol ingetrokken bepalingen van de overeenkomst worden hieronder opgesomd:

a)    artikel 16;


b)    artikel 17;

c)    artikel 19.

3.    Verwijzingen in de overeenkomst naar de “Europese Gemeenschap” of naar de “Gemeenschap” gelden als verwijzingen naar de Unie.

ARTIKEL 3

Bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel waarmee een evenwicht tussen rechten en plichten tussen de Unie en Zwitserland wordt gewaarborgd.

2.    De overeenkomst is een bilaterale overeenkomst op een gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.


HOOFDSTUK 2

AFSTEMMING VAN DE OVEREENKOMST OP DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 4

Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder de overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité op belangrijke momenten van de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland een zo ruim mogelijke deelname aan de voorbereiding van de ontwerpen heeft en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.


3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het recht van de Unie op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zoveel als mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van de overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 5, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.

ARTIKEL 5

Opneming van rechtshandelingen van de Unie

1.    Ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op het gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland op grond van de overeenkomst deelneemt, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder de overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de overeenkomst worden opgenomen.


2.    Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 4 in de overeenkomst zijn opgenomen, maken, door de opneming ervan in de overeenkomst, deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud, naargelang van het geval, van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft besloten.

3.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de overeenkomst vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

4.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de bijlagen I tot en met III bij de overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van de overeenkomst met de bijlage daarvan, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, voorstellen de overeenkomst te herzien, ter goedkeuring door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun interne procedures.

6.    Verwijzingen in de overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden als verwijzingen naar de rechtshandeling van de Unie die strekt tot intrekking, zoals opgenomen in de bijlage bij de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van de bijlage bij de overeenkomst overeenkomstig lid 4, tenzij in dat besluit anders is bepaald.

7.    De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Europese Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van een hierna vermelde uitzondering vallen:

–    artikel 5 octies [Periode van voorafgaande kennisgeving en controles];


–    artikel 5 nonies [Financiële garanties en sancties];

–    artikel 5 decies [Bewijs van werk als zelfstandige];

–    artikel 5 undecies [Non-regressie];

–    artikel 7 ter [Studenten];

–    artikel 7 sexies [Duurzaam verblijf];

–    artikel 7 septies [Verwerving van onroerend goed];

–    artikel 7 octies [Identiteitskaarten];

–    artikel 7 nonies [Verwijdering].

–    Bijlage II Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, deel II. Sectorale aanpassingen, punt 1, bis tot en met septies.

8.    Met inachtneming van artikel 6 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

9.    De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.


10.    De Unie en Zwitserland houden rekening met het beginsel van “gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek” en het stelsel van duale handhaving van Zwitserland.

ARTIKEL 6

Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Gedurende de in artikel 5, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 5, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.

2.    Wanneer het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.

3.    In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.

De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.


4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 7

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing daarvan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van de overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van de overeenkomst uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.


ARTIKEL 8

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over de activiteiten van het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van de overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité.

Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om tot een aanvaardbare oplossing te komen.

4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van de overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 10 bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet de overeenkomst daarin specifiek voorzien.


ARTIKEL 9

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van een door de Commissie op basis van de overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.

ARTIKEL 10

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Hiertoe wordt alle nuttige informatie aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité niet in staat is binnen drie maanden na de datum waarop het probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd, een oplossing voor het in lid 1 bedoelde probleem te vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels van het aanhangsel.


3.    Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 7, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die onder een uitzondering op de in artikel 5, lid 7, bedoelde verplichting tot dynamische aanpassing valt, en het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het recht van de Unie, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.    Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht.


6.    Bij de beslechting van de geschillen die aan het Gemengd Comité worden voorgelegd, wordt te goeder trouw rekening gehouden met de waarborgen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de weigering van sociale bijstand en de beëindiging van het verblijf vóór het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht en in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de kennisgeving van indiensttreding bij de overeenkomst.

De eerste alinea is van toepassing zolang en voor zover de waarborgen verenigbaar blijven met de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie zoals opgenomen in de overeenkomst. De waarborgen doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 5, lid 1, van dit protocol.

ARTIKEL 11

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het aanhangsel vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van mening is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of van enige andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.


2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het aanhangsel aan arbitrage onderwerpen.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het aanhangsel vastgestelde termijnen een besluit.

4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.

ARTIKEL 12

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Om de homogene uitlegging te bevorderen, komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt een prejudiciële beslissing te nemen over een vraag over de uitlegging van de overeenkomst of van een bepaling van een daarin vermelde rechtshandeling van de Unie.


HOOFDSTUK 4

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 13

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de in artikel 1 van de bijlage genoemde agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waartoe het toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en de bijlage.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van de bijlage vaststellen.

2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland niet binnen de betalingstermijn betaalt overeenkomstig de in artikel 2 van de bijlage vastgestelde betalingsvoorwaarden.

Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is gedaan, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.

3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en


b)    een deelnamevergoeding.

4.    De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van het Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Europese Unie tegen marktprijzen.

Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1 van de bijlage.

De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.


Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in EUR verricht.

10.    Wanneer de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 5 van de bijlage vastgestelde methode en betalingswijzen.

11.    De bijlage bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.

12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van de bijlage en past het deze zo nodig aan.


ARTIKEL 14

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de EU verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 24 van de overeenkomst.

ARTIKEL 15

Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden de verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.

ARTIKEL 16

Inwerkingtreding en uitvoering van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.


De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 5, lid 8, en artikel 6, lid 5, alsook uit bepalingen inzake overgangsregelingen.

ARTIKEL 17

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangegeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.

HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 18

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst en onthouden zich ervan maatregelen te nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar zouden kunnen brengen.


2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat te waarborgen van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van hun doelstellingen in gevaar zouden kunnen brengen.

ARTIKEL 19

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de Unie en Zwitserland volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De Unie en Zwitserland stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

c)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;


d)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;


l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 20

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de Unie en Zwitserland op elk moment worden gewijzigd.

2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 25, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 25, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.

3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De Unie en Zwitserland treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.


Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE

BIJLAGE INZAKE DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 13 van het protocol

ARTIKEL 1

Lijst van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten
van de Unie waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

geen.

b)    informatiesystemen:

Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), opgericht bij Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1), zoals van toepassing conform bijlage I bij de overeenkomst;


systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI), zoals ingesteld bij Verordening (EG) nr. 883/2004 (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1 en PB L 204 van 4.8.2007, blz. 30) en Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1), zoals van toepassing conform bijlage II bij de overeenkomst;

Informatiesysteem interne markt (IMI), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), zoals van toepassing conform de bijlagen I en III bij de overeenkomst.

c)    andere activiteiten:

geen.

ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 13 van het protocol verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het doen van het verzoek tot storting van het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en


b)    het bedrag van de deelnamevergoeding.

3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;

b)    het bedrag van de kosten van deelname als bedoeld in artikel 13, lid 7, van het protocol; en

c)    met betrekking tot agentschappen, in jaar N+1, de bedragen aan vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan op de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de Unie, opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.


5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van de overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.

6.    Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het agentschap, het informatiesysteem of andere desbetreffende activiteit;

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

b)     indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, informatiesysteem of andere activiteit.


7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.


ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie
in het licht van de uitvoering

De financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie wordt aangepast in het jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan in het kader van de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage zoals bedoeld in artikel 1.

ARTIKEL 4

Bestaande regelingen

Artikel 13 van het protocol en deze bijlage zijn niet van toepassing op specifieke regelingen tussen Zwitserland en de Unie die financiële bijdragen van Zwitserland omvatten. De agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten die onder dergelijke regelingen vallen, zijn:

–    Mutual Information System on Social Protection (MISSOC), overeenkomstig de respectieve contractuele regelingen van Zwitserland en van de Commissie met het secretariaat van het MISSOC.


ARTIKEL 5

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet 1 januari is, is dit artikel van toepassing in afwijking van artikel 2.

Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage voor het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de verschuldigde jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het protocol tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.



Aanhangsel

AANHANGSEL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “de partijen” genoemd) overeenkomstig artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol een geschil aan arbitrage onderwerpt of overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2 of 4, van de overeenkomst een zaak aan arbitrage onderwerpt, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.


ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.

ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.


4.    De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.

2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;


d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol) en:

i)    in de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol; en

ii)    in de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 10, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

iii)    in de in artikel 14 bis, leden 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de vermeende moeilijkheden overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, van de overeenkomst;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

4.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en 

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

2.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van, of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.



3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties opgesteld en indien nodig geactualiseerd, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.


ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.


ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.


2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.


2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol of artikel 14 bis, lid 2 of 4, van de overeenkomst.

2.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.


3.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    In de in artikel 14 bis, lid 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen heeft het scheidsgerecht een mandaat te onderzoeken of de vermeende moeilijkheden bewezen zijn en door de toepassing van de overeenkomst worden veroorzaakt.

5.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

6.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.


ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.

ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.


4.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 1, van het protocol kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.

5.    In de in artikel 14 bis, leden 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen geeft het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum van zijn instelling.

ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 7 en artikel 10, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.


4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van de overeenkomst; en

c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het protocol.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.


ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en


c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 11, lid 2, van het protocol wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.


2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.


2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.

ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.


2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.


HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.

ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.


4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.

6.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.


2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 7 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 11, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.

ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.


3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.

4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.


2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.

ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.


2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.


Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.

________________

(1)    Verordening (EU) nr. 492/2011 (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(2)    Verordening (EU) 2016/589 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(3)    Richtlijn 96/71/EG (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
(4)    Richtlijn 2014/67/EU (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
(5)    Richtlijn 2004/38/EG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(6)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(7)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(8)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(9)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(10)    Verordening zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(11)    Verordening zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(12)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(13)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(14)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(15)    Richtlijn zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I.
(16)    Gezien Beschikking 2000/518/EG van de Commissie van 26 juli 2000 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de passende bescherming van persoonsgegevens in Zwitserland (PB L 215 van 25.8.2000, blz. 1), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen.
(17)    Beschikking 2000/518/EG van de Commissie van 26 juli 2000 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de passende bescherming van persoonsgegevens in Zwitserland, met inbegrip van daarop volgende wijzigingen.
(18)    Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 tot vervanging van bijlage II bij die Overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 103 van 13.4.2012, blz. 51).
(19)    Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 tot vervanging van bijlage II bij die Overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 103 van 13.4.2012, blz. 51).
(20)    Momenteel twaalf maanden.
(21)    Terugbetaalde premies voor de werknemers die hun recht op een werkloosheidsuitkering in Zwitserland zullen uitoefenen na premies te hebben betaald gedurende ten minste twaalf maanden — tijdens verscheidene verblijven — over een periode van twee jaar.
(22)    PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.
(23)    Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1, zoals gewijzigd in PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1).
(24)    Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).
(25)    Het opleidingsprogramma van 1 januari 2015 werd op 31 augustus 2018 geaccrediteerd. Houders van een overeenkomstige specialisatie die vóór de accreditatiedatum is afgegeven, ontvangen een nieuwe opleidingstitel van specialist zonder verdere eisen met een huidige afgiftedatum.
(26)    Het opleidingsprogramma van 1 januari 2015 werd op 31 augustus 2018 geaccrediteerd. Houders van een overeenkomstige specialisatie die vóór de accreditatiedatum is afgegeven, ontvangen een nieuwe opleidingstitel van specialist zonder verdere eisen met een huidige afgiftedatum.
(27)    Beschikking van de Commissie van 26 juli 2000 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de passende bescherming van persoonsgegevens in Zwitserland, met inbegrip van daarop volgende wijzigingen.
(28)    Richtlijn 2004/38/EG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77), zoals van toepassing conform bijlage I bij de overeenkomst.
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


Protocol van wijziging
bij de overeenkomst tussen

de Europese Gemeenschap

en de Zwitserse Bondsstaat

inzake luchtvervoer

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd;

GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999, die op 1 juni 2002 in werking is getreden (hierna “de overeenkomst” genoemd);

MET ERKENNING VAN het cruciale belang van de burgerluchtvaart voor het tot stand brengen van verbindingen voor passagiers, vracht en luchtpost;

OVERWEGENDE dat tussen de overeenkomstsluitende partijen een breed bilateraal pakket, met inbegrip van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, is overeengekomen om de wederzijdse betrekkingen op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, te stabiliseren en te ontwikkelen;

WIJST, in het kader van het brede bilaterale pakket tussen de overeenkomstsluitende partijen, NOGMAALS op de gezamenlijke verbintenis van de overeenkomstsluitende partijen voor een veilige, beveiligde, concurrerende, duurzame en innovatieve burgerluchtvaart,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



ARTIKEL 1

Wijzigingen van de overeenkomst

1.    De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

a)    in artikel 2 wordt “en die in de bijlage bij deze overeenkomst zijn vermeld” geschrapt;

b)    in artikel 15 wordt lid 3 vervangen door:

“3.    Vervoersrechten tussen punten in Zwitserland en tussen punten in de lidstaten van de Unie worden toegekend vanaf de eerste dienstregelingsperiode na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer.”;

c)    in artikel 18 wordt lid 3 vervangen door:

“3.    Elke tenuitvoerleggingsmaatregel krachtens dit artikel wordt overeenkomstig artikel 19 uitgevoerd.”;

d)    artikel 21 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 21

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht.

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.



2.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité handelt in dat geval als volgt:

a)    het zorgt voor de goede werking en het doeltreffende beheer en de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst;

b)    het biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 10 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;

c)    het doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;

d)    het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en

e)    het oefent alle andere bevoegdheden uit die hem bij deze overeenkomst zijn verleend.

4.    In geval van een wijziging van de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 of 18 van Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “protocol (nr. 7)” genoemd), wijzigt het Gemengd Comité bijlage A bij de bijlage dienovereenkomstig.



5.    De Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.

Besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

6.    Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

7.    Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.

8.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of deskundigengroepen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.”;

e)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 28 bis

1.    Niets in deze overeenkomst mag worden uitgelegd als een verplichting voor een partij om gerubriceerde gegevens beschikbaar te stellen, tenzij daarin is voorzien in een rechtshandeling van de Unie die in de bijlage bij deze overeenkomst is opgenomen.

2.    Gerubriceerde gegevens die of gerubriceerd materiaal dat door de overeenkomstsluitende partijen in het kader van deze overeenkomst worden verstrekt of tussen hen worden uitgewisseld, worden behandeld en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en alle zekerheidsregelingen ter uitvoering daarvan.



3.    Het Gemengd Comité stelt bij besluit instructies inzake het behandelen vast ter bescherming van gevoelige niet-gerubriceerde gegevens die tussen de overeenkomstsluitende partijen worden uitgewisseld.”;

f)    artikel 34 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 34

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”.

2.    De bijlage bij de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

a)    de tekst onder de titel “BIJLAGE” en boven de onderverdeling “1. Liberalisering van de luchtvaart en andere regels betreffende de burgerluchtvaart” wordt vervangen door:

“AFDELING A

–    Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.



–    Onverminderd artikel 15 van deze overeenkomst wordt onder de term “communautaire luchtvaartmaatschappij” zoals gebruikt in de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie, tevens verstaan een luchtvaartmaatschappij die een exploitatievergunning heeft en die haar hoofdzetel en, in voorkomend geval, haar statutaire zetel in Zwitserland heeft overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1008/2008. Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad worden begrepen als een verwijzing naar Verordening (EG) nr. 1008/2008.

–    Elke verwijzing in de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie naar de artikelen 81 en 82 van het Verdrag of naar de artikelen 101 en 102 VWEU wordt gelezen als een verwijzing naar de artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst.

AFDELING B”;

b)    in punt 2 (Mededingingsregels) wordt in de tekst betreffende Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad de aanhef “Met betrekking tot artikel 4, lid 5, van de concentratieverordening is het volgende van toepassing tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland:” vervangen door “Met betrekking tot artikel 4, lid 5, van de concentratieverordening is het volgende van toepassing:”;

c)    in deel 3 (Veiligheid van de luchtvaart) wordt de tekst betreffende Verordening (EU) 2018/1139 als volgt gewijzigd:

i)    het volgende lid wordt geschrapt:

“Niettegenstaande de horizontale aanpassing in het tweede streepje van de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, zijn de verwijzingen naar de “lidstaten” in de bepalingen van Verordening (EU) nr. 182/2011 als vermeld in artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139, niet van toepassing op Zwitserland.”



ii)    punt c) wordt vervangen door:

“c)    Aan artikel 96 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Zwitserland verleent het Agentschap en zijn personeel, in het kader van hun officiële functies voor het Agentschap, de voorrechten en immuniteiten als bedoeld in bijlage A, die zijn gebaseerd op de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 en 18 van Protocol nr. 7. Ter informatie worden tussen haakjes verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van dat protocol vermeld.”;”

d)    in deel 3 (Veiligheid van de luchtvaart) worden in de tekst betreffende Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/945 van de Commissie in de eerste alinea de woorden “het tweede streepje van de bijlage” vervangen door “het eerste streepje van deel A van de bijlage”;

e)    in deel 3 (Veiligheid van de luchtvaart) worden in de tekst betreffende Uitvoeringsverordening (EU) 2019/947 van de Commissie in de eerste alinea de woorden “het tweede streepje van de bijlage” vervangen door “het eerste streepje van deel A van de bijlage”;

f)    in deel 5 (Luchtverkeersbeheer) wordt in de tekst betreffende Verordening (EG) nr. 549/2004 het volgende lid geschrapt:

“Niettegenstaande de horizontale aanpassing in het tweede streepje van de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, zijn de verwijzingen naar de “lidstaten” in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 549/2004 of in de in dat artikel vermelde bepalingen van Besluit 1999/468/EG, niet van toepassing op Zwitserland.”;



g)    in deel 9 (Bijlagen) wordt punt A vervangen door:

“A:    Voorrechten en immuniteiten”;

h)    bijlage A bij de bijlage en het aanhangsel bij bijlage A worden vervangen door de tekst in het aanhangsel bij dit protocol.

ARTIKEL 2

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;



d)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;



m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

Aanhangsel

“BIJLAGE A

Voorrechten en immuniteiten

ARTIKEL 1

(komt overeen met artikel 1 van Protocol nr. 7)

De gebouwen en terreinen van het Agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het Agentschap kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

ARTIKEL 2

(komt overeen met artikel 2 van Protocol nr. 7)

Het archief van het Agentschap is onschendbaar.



ARTIKEL 3

(komt overeen met de artikelen 3 en 4 van Protocol nr. 7)

1.    Het Agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.    Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Zwitserland naar het Agentschap worden geëxporteerd of die aan het Agentschap in Zwitserland beschikbaar worden gesteld, zijn geen indirecte heffingen en belastingen verschuldigd.

3.    Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en dienstverstrekkingen (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt. Het Agentschap is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik van de Unie; de aldus ingevoerde goederen mogen in Zwitserland niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van Zwitserland zijn goedgekeurd.

4.    Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

5.    Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.



ARTIKEL 4

(komt overeen met artikel 5 van Protocol nr. 7)

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Agentschap in Zwitserland de behandeling, welke door dat land aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Agentschap zijn niet aan censuur onderworpen.

ARTIKEL 5

(komt overeen met artikel 6 van Protocol nr. 7)

De aan de leden en personeelsleden van het Agentschap afgegeven laissez-passer van de Europese Unie wordt erkend als geldig reisdocument op het grondgebied van Zwitserland. Deze laissez-passer wordt aan ambtenaren en andere personeelsleden afgegeven onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen).



ARTIKEL 6

(komt overeen met artikel 10 van Protocol nr. 7)

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst in Zwitserland de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

ARTIKEL 7

(komt overeen met artikel 11 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van Zwitserland:

a)    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die enerzijds betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en anderzijds op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;



c)    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d)    gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in Zwitserland hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland, als noodzakelijk beschouwt;

e)    gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt.

ARTIKEL 8

(komt overeen met artikel 12 van Protocol nr. 7)

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke in het recht van de Unie zijn vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van Zwitserse federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.



ARTIKEL 9

(komt overeen met artikel 13 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van het Agentschap en op het ogenblik van hun indiensttreding bij het Agentschap vestigen op het grondgebied van Zwitserland, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in Zwitserland als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit een EU-lidstaat is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich in Zwitserland bevinden, worden in Zwitserland vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.



ARTIKEL 10

(komt overeen met artikel 14 van Protocol nr. 7)

Het stelsel van socialezekerheidsuitkeringen voor ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie is vastgesteld in het recht van de Unie.

Ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn derhalve niet verplicht zich aan te sluiten bij het Zwitserse socialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Unie van toepassing zijn. Gezinsleden van personeelsleden van het Agentschap worden gedekt door de regeling inzake de sociale voorzieningen voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een EU-lidstaat of van Zwitserland.

ARTIKEL 11

(komt overeen met artikel 15 van Protocol nr. 7)

Het recht van de Unie bepaalt op welke categorieën ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan Zwitserland medegedeeld.



ARTIKEL 12

(komt overeen met artikel 17 van Protocol nr. 7)

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap uitsluitend in het belang van het Agentschap verleend.

Het Agentschap is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar mening van het Agentschap niet strijdig is met de belangen van het Agentschap.

ARTIKEL 13

(komt overeen met artikel 18 van Protocol nr. 7)

Het Agentschap werkt, voor de toepassing van deze bijlage, samen met de verantwoordelijke autoriteiten van Zwitserland of de betrokken lidstaten van de Europese Unie.”.

________________

PROTOCOL BETREFFENDE DE INSTELLINGEN
BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN

DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE LUCHTVERVOER

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd;

OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;

ERAAN HERINNEREND dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;

OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;



BESEFFENDE dat het waarborgen van uniformiteit op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt, van belang is,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen

1.    Dit protocol heeft tot doel de overeenkomstsluitende partijen en de marktdeelnemers en particulieren meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te bieden op het gebied van de interne markt dat valt onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd).

2.    Hiertoe voorziet dit protocol in nieuwe institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen mogelijk maken. Rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht bevat dit protocol met name institutionele oplossingen voor de overeenkomst die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied of de doelstellingen van de overeenkomst worden gewijzigd, met name:

a)    de procedure om de overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor de overeenkomst;

b)    de eenvormige uitlegging en toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen;



c)    het toezicht op en de toepassing van de overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van de overeenkomst.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

1.    Dit protocol, de bijlage daarbij, en het aanhangsel daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

2.    De bij dit protocol ingetrokken bepalingen van de overeenkomst worden hieronder opgesomd:

a)    Artikel 1, lid 2;

b)    Artikel 17;

c)    Artikel 18, lid 1;

d)    Artikel 22;

e)    Artikel 23;

f)    Artikel 29;

g)    Artikel 30, lid 2;



h)    Artikel 31; en

i)    Artikel 35, lid 2.

3.    Verwijzingen in de overeenkomst naar de “Europese Gemeenschap” of naar de “Gemeenschap” gelden als verwijzingen naar de Unie.

ARTIKEL 3

Bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel dat een evenwicht tussen rechten en verplichtingen tussen de Unie en Zwitserland waarborgt.

2.    De overeenkomst is een bilaterale overeenkomst op een gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.



HOOFDSTUK 2

AFSTEMMING VAN DE OVEREENKOMST OP DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 4

Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder de overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité op belangrijke momenten van de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland een zo ruim mogelijke deelname aan de voorbereiding van de ontwerpen heeft en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.



3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het recht van de Unie op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zoveel als mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van de overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 5, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.

ARTIKEL 5

Opneming van rechtshandelingen van de Unie

1.    Ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op het gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland op grond van de overeenkomst deelneemt, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder de overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de overeenkomst worden opgenomen.

2.    Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 4 in de overeenkomst zijn opgenomen, maken, door de opneming ervan in de overeenkomst, deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud, naargelang van het geval, van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft besloten.



3.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de overeenkomst vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

4.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de bijlage bij de overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van de overeenkomst met de bijlage daarvan, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, voorstellen de overeenkomst te herzien, ter goedkeuring door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun interne procedures.

6.    Verwijzingen in de overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden als verwijzingen naar de rechtshandeling van de Unie die strekt tot intrekking, zoals opgenomen in de bijlage bij de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van de bijlage bij de overeenkomst overeenkomstig lid 4, tenzij in dat besluit anders is bepaald.

7.    De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Europese Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van een uitzondering vallen. De overeenkomst bevat geen uitzondering.

8.    Met inachtneming van artikel 6 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

9.    De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.



ARTIKEL 6

Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Gedurende de in artikel 5, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 5, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.

2.    Wanneer het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.

3.    In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.

De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.



HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 7

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing daarvan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van de overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van de overeenkomst uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.



ARTIKEL 8

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over de activiteiten van het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van de overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité.

Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om tot een aanvaardbare oplossing te komen.

4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van de overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 10 bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet de overeenkomst daarin specifiek voorzien.



ARTIKEL 9

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van een door de Commissie op basis van de overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.

ARTIKEL 10

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Hiertoe wordt alle nuttige informatie aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité niet in staat is binnen drie maanden na de datum waarop het probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd, een oplossing voor het in lid 1 bedoelde probleem te vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels van het aanhangsel.



3.    Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 7, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die onder een uitzondering op de in artikel 5, lid 7, bedoelde verplichting tot dynamische aanpassing valt, en het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het recht van de Unie, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.    Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht.



ARTIKEL 11

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het aanhangsel vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van mening is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of van enige andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het aanhangsel aan arbitrage onderwerpen.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het aanhangsel vastgestelde termijnen een besluit.

4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.



ARTIKEL 12

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Ter bevordering van de homogene uitlegging komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt een prejudiciële beslissing te nemen over een vraag over de uitlegging van de overeenkomst of van een bepaling van een daarin vermelde rechtshandeling van de Unie.

HOOFDSTUK 4

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 13

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de in artikel 1 van de bijlage genoemde agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waartoe het toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en de bijlage.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van de bijlage vaststellen.



2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland niet binnen de betalingstermijn betaalt overeenkomstig de in artikel 2 van de bijlage vastgestelde betalingsvoorwaarden.

Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is gedaan, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.

3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een deelnamevergoeding.

4.    De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van het Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Europese Unie tegen marktprijzen.



Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1 van de bijlage.

De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in EUR verricht.



10.    Wanneer de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 5 van de bijlage vastgestelde methode en betalingswijzen.

11.    De bijlage bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.

12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van de bijlage en past het deze zo nodig aan.

ARTIKEL 14

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de EU verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 34 van de overeenkomst.

ARTIKEL 15

Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden de verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.



ARTIKEL 16

Inwerkingtreding en uitvoering van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.

De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 5, lid 8, en artikel 6, lid 5, alsook uit bepalingen inzake overgangsregelingen.

ARTIKEL 17

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangegeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.



HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 18

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst en onthouden zich ervan maatregelen te nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar zouden kunnen brengen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat te waarborgen van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van hun doelstellingen in gevaar zouden kunnen brengen.

ARTIKEL 19

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.



2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;



i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 20

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen op elk moment worden gewijzigd.

2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 36, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 36, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.



3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE

BIJLAGE INZAKE DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 13 VAN HET PROTOCOL

ARTIKEL 1

Lijst van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen
en andere activiteiten van de Unie waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

geen.

b)    informatiesystemen:

geen.

c)    andere activiteiten:

geen.



ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 13 van het protocol verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het doen van het verzoek tot storting van het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding.

3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar, de volgende informatie in verband met de deelname van Zwitserland mee:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;

b)    het bedrag van de kosten van deelname als bedoeld in artikel 13, lid 7, van het protocol; en



c)    met betrekking tot agentschappen, in jaar N+1, de bedragen aan vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan op de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de Unie, opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van de overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.

6.    Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het agentschap, het informatiesysteem of andere desbetreffende activiteit;

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.



b)    indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, informatiesysteem of andere activiteit.

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.



ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland
aan de agentschappen van de Unie in het licht van de uitvoering

De financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie wordt aangepast in het jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan in het kader van de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage zoals bedoeld in artikel 1.



ARTIKEL 4

Bestaande regelingen

Artikel 13 van het protocol en deze bijlage zijn niet van toepassing op specifieke regelingen tussen Zwitserland en de Unie die financiële bijdragen van Zwitserland omvatten. De agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten die onder dergelijke regelingen vallen, zijn:

Agentschap van de Europese Unie voor de Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1), zoals van toepassing conform de bijlage bij de overeenkomst.

ARTIKEL 5

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet 1 januari is, is dit artikel van toepassing in afwijking van artikel 2.



Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage voor het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de verschuldigde jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het protocol tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.



Aanhangsel

AANHANGSEL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “de partijen” genoemd) overeenkomstig artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol een geschil aan arbitrage onderwerpt, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.



ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.



2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol) en:

i)    in de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol; en

ii)    in de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 10, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.



4.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.



2.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van, of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.



HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.



3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties opgesteld en indien nodig geactualiseerd, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.



6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.



ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.



ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.



HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.



ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.



2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.



2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol.

2.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.



3.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.



ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 1, van het protocol kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.



ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 7 en artikel 10, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van de overeenkomst; en

c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het protocol.



Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.

ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.



4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 11, lid 2, van het protocol wordt genomen.



8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.



6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.



ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.



ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.

HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.



ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.

4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.



6.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.

2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 7 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 11, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.



ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.

3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.



4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.

2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.



ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.

2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en



c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.

3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.



HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.

________________

PROTOCOL INZAKE STAATSSTEUN
BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN

DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE LUCHTVERVOER

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

   enerzijds, en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;

   anderzijds,

hierna afzonderlijk “overeenkomstsluitende partij” genoemd en gezamenlijk “de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GERICHT op het versterken en verdiepen van de deelname van Zwitserland en zijn ondernemingen aan de interne markt van de Unie, waaraan Zwitserland deelneemt op basis van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd);

ERKENNENDE dat de goede werking en homogeniteit op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, gelijke concurrentievoorwaarden tussen Zwitserse ondernemingen en ondernemingen in de Unie vereist op basis van materiële en procedurele regels die gelijkwaardig zijn aan die welke op de interne markt van toepassing zijn op het gebied van staatssteun;

OPNIEUW BEVESTIGEND de autonomie van de overeenkomstsluitende partijen en de rollen en bevoegdheden van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, de eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit zijn grondwettelijke orde, met inbegrip van directe democratie, de scheiding der machten en het federalisme,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



ARTIKEL 1

Doelstellingen

De doelstellingen van dit protocol zijn te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor ondernemingen in de Unie en Zwitserland op de onder de overeenkomst vallende gebieden van de interne markt en de goede werking van de interne markt te waarborgen door materiële en procedurele regels inzake staatssteun vast te stellen.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

1.    Het protocol en de bijlagen daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst. Zij wijzigen noch de werkingssfeer noch de doelstellingen van de overeenkomst.

2.    De artikelen 13 en 14 van de overeenkomst worden ingetrokken.

3.    Artikel 12, lid 2, van deze overeenkomst geldt niet voor de toepassing van dit protocol.



ARTIKEL 3

Staatssteun

1.    Behoudens de afwijkingen waarin de overeenkomst voorziet, is staatssteun die door Zwitserland of een EU-lidstaat wordt toegekend, of in welke vorm ook met staatsmiddelen wordt bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar met de juiste werking van de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst ongunstig beïnvloedt.

2.    Met de goede werking van de interne markt zijn verenigbaar:

a)    steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze worden toegepast zonder onderscheid naar de oorsprong van de desbetreffende producten;

b)    steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen;

c)    de maatregelen zoals uiteengezet in deel A van bijlage I.

3.    Als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen worden beschouwd:

a)    steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst;

b)    steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang of van gemeenschappelijk belang voor de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een EU-lidstaat of Zwitserland op te heffen;



c)    steunmaatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten of van bepaalde economische gebieden, waarbij die steun de handelsvoorwaarden niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;

d)    steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, waarbij die steun de handelsvoorwaarden en mededinging niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;

e)    de categorieën steun zoals uiteengezet in deel B van bijlage I.

4.    Steun die overeenkomstig deel C van bijlage I wordt verleend, wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de kennisgevingsverplichting van artikel 4.

5.    Steun aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, valt onder de regels van dit protocol, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

6.    Dit protocol is niet van toepassing op steun wanneer het bedrag dat aan één onderneming wordt toegekend voor activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen, de-minimissteun vormt in de zin van deel D van bijlage I.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten de delen A en B van bijlage I te actualiseren door maatregelen vast te stellen die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt of categorieën steun die als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen worden beschouwd.



ARTIKEL 4

Toezicht

1.    Voor de toepassing van artikel 1 houdt de Unie, overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en haar lidstaten, en Zwitserland, overeenkomstig zijn grondwettelijke volgorde van bevoegdheden, toezicht op de toepassing van de staatssteunregels op hun respectieve grondgebied overeenkomstig dit protocol.

2.    Met het oog op de uitvoering van dit protocol handhaaft de Unie een systeem voor toezicht op staatssteun overeenkomstig de artikelen 93, 106, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals aangevuld door rechtshandelingen van de Unie op het gebied van staatssteun en rechtshandelingen van de Unie betreffende staatssteun in de in bijlage II, deel A, punt 1, vermelde luchtvaartsector.

3.    Met het oog op de uitvoering van dit protocol zorgt Zwitserland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit protocol voor de instelling en instandhouding van een systeem voor toezicht op staatssteun waarmee te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving wordt gewaarborgd dat gelijkwaardig is aan het niveau dat in de Unie wordt toegepast, zoals bepaald in lid 2, met inbegrip van:

a)    een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit; en

b)    procedures om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteit nagaat of de steun verenigbaar is met de goede werking van de interne markt, waaronder:

i)    voorafgaande aanmelding van voorgenomen steun bij de toezichthoudende autoriteit;

ii)    beoordeling door de toezichthoudende autoriteit van aangemelde steun en haar bevoegdheid om niet-aangemelde steun te onderzoeken;

iii)    het voor de bevoegde rechterlijke instantie aanvechten, met opschortende werking vanaf het moment dat de handeling kan worden aangevochten, van steun die de toezichthoudende autoriteit onverenigbaar acht met de goede werking van de interne markt; en

iv)    terugvordering, inclusief rente, van de steun die is toegekend en die onverenigbaar met de goede werking van de interne markt is bevonden.

4.    Overeenkomstig de grondwettelijke volgorde van bevoegdheden van Zwitserland is lid 3, punt b), iii) en iv), niet van toepassing op handelingen van de Zwitserse Bondsvergadering of van de Zwitserse Bondsraad.

5.    Wanneer de Zwitserse toezichthoudende autoriteit de steun van de Zwitserse Bondsvergadering of van de Zwitserse Bondsraad niet voor een rechterlijke instantie kan aanvechten vanwege haar beperkte bevoegdheden op grond van de Zwitserse grondwettelijke volgorde, betwist zij de toepassing van die steun door andere autoriteiten in alle specifieke gevallen. Indien de rechterlijke instantie vaststelt dat die steun onverenigbaar is met de goede werking van de interne markt, houden de bevoegde Zwitserse rechterlijke en administratieve autoriteiten rekening met die vaststelling wanneer zij beoordelen of die steun moet worden toegepast in de bij hen aanhangige zaak.

ARTIKEL 5

Bestaande steun

1.    Artikel 4, lid 3, punt b), is niet van toepassing op bestaande steun, met inbegrip van steunregelingen en individuele steun.

2.    Voor de toepassing van dit protocol omvat bestaande steun die is verleend vóór de inwerkingtreding van dit protocol en binnen een periode van vijf jaar volgend daarop.



3.    Binnen twaalf maanden na de datum van instelling van het toezichtsysteem overeenkomstig artikel 4, lid 3, krijgt de toezichthoudende autoriteit een volledig beeld van bestaande steunregelingen die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen en die nog steeds van kracht zijn, en beoordeelt zij deze regelingen op het eerste gezicht aan de hand van de criteria van artikel 3.

4.    Alle bestaande steunregelingen in Zwitserland worden overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 voortdurend door de toezichthoudende autoriteit getoetst op hun verenigbaarheid met de goede werking van de interne markt.

5.    Indien de toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat een bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de goede werking van de interne markt, stelt zij de bevoegde autoriteiten in kennis van de verplichting om aan dit protocol te voldoen. Indien een dergelijke steunregeling wordt gewijzigd of beëindigd, stellen de bevoegde autoriteiten de toezichthoudende autoriteit daarvan in kennis.

6.    Indien de toezichthoudende autoriteit de door de bevoegde autoriteiten genomen maatregelen passend acht om de verenigbaarheid van de steunregeling met de goede werking van de interne markt te waarborgen, maakt zij die maatregelen bekend.

7.    Niettegenstaande lid 1 van dit artikel maakt de toezichthoudende autoriteit, indien zij van oordeel is dat de steunregeling onverenigbaar blijft met de goede werking van de interne markt, haar beoordeling bekend en betwist zij de toepassing van die steunregeling in alle specifieke gevallen, overeenkomstig artikel 4, lid 3, punt b), iii), en artikel 4, lid 5.

8.    Voor de toepassing van dit protocol geldt dat, indien een bestaande steunregeling zodanig wordt gewijzigd dat de verenigbaarheid van de steun met de goede werking van de interne markt wordt beïnvloed, de steun als nieuwe steun wordt beschouwd en derhalve onder artikel 4, lid 3, punt b), valt.



ARTIKEL 6

Transparantie

1.    Met betrekking tot de op hun grondgebied verleende steun zorgen de overeenkomstsluitende partijen voor transparantie. Voor de Unie is transparantie gebaseerd op de materiële en procedurele voorschriften die in de Unie van toepassing zijn op staatssteun die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt. Voor Zwitserland is transparantie gebaseerd op materiële en procedurele voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie van toepassing zijn op staatssteun die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt.

2.    Tenzij in dit protocol anders is bepaald, zorgt elke overeenkomstsluitende partij voor haar grondgebied voor de bekendmaking van:

a)    de toegekende steun;

b)    adviezen of besluiten van haar toezichthoudende autoriteiten;

c)    uitspraken van haar bevoegde rechterlijke instanties over de verenigbaarheid van steun met de goede werking van de interne markt; en

d)    richtsnoeren en mededelingen die door haar toezichthoudende autoriteiten worden toegepast.



ARTIKEL 7

Vormen van samenwerking

1.    De overeenkomstsluitende partijen werken samen en wisselen informatie uit over staatssteun, met inachtneming van hun respectieve wetgeving en beschikbare middelen.

2.    Met het oog op de eenvormige uitvoering, toepassing en uitlegging van de materiële voorschriften inzake staatssteun en van de harmonische ontwikkeling daarvan:

a)    werken de overeenkomstsluitende partijen samen en plegen zij overleg met betrekking tot de in deel B van bijlage II bedoelde relevante richtsnoeren en mededelingen; en

b)    treffen de toezichthoudende autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen regelingen voor een regelmatige uitwisseling van informatie, onder meer over de gevolgen voor de toepassing van de voorschriften inzake bestaande steunmaatregelen.

ARTIKEL 8

Overleg

1.    Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij plegen de overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité overleg over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit protocol.

2.    In geval van ontwikkelingen met betrekking tot gewichtige belangen van een overeenkomstsluitende partij die van invloed kunnen zijn op de werking van dit protocol, komt het Gemengd Comité op verzoek van een overeenkomstsluitende partij binnen dertig dagen na dat verzoek op een voldoende hoog niveau bijeen om de kwestie te bespreken.



ARTIKEL 9

Opneming van rechtshandelingen

1.    Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (hierna “het protocol betreffende de instellingen” genoemd) zorgen Zwitserland en de Unie er voor de toepassing van artikel 3, leden 4 en 6, en artikel 4, leden 2 en 3, en ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens de overeenkomst deelneemt, voor dat de rechtshandelingen van de Unie op de gebieden die onder de delen C en D van bijlage I en deel A van bijlage II vallen, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in die bijlagen worden opgenomen.

2.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de afdelingen C en D van bijlage I of afdeling A van bijlage II vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

3.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de delen C en D van bijlage I alsook van deel A van bijlage II, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

4.    Met inachtneming van artikel 6 van het protocol betreffende de instellingen treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 3 van dit artikel onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.



ARTIKEL 10

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;



f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.



ARTIKEL 11

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen op elk moment worden gewijzigd.

2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 36, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 36, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.

3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en ondernemingen reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

UITZONDERINGEN EN TOELICHTING

AFDELING A

MAATREGELEN DIE VERENIGBAAR ZIJN MET DE GOEDE WERKING
VAN DE INTERNE MARKT, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 2, PUNT c)

De volgende maatregelen zijn verenigbaar met de goede werking van de interne markt en vallen niet onder artikel 4, lid 3, punt b):

[…].

AFDELING B

CATEGORIEËN STEUN DIE KUNNEN WORDEN BESCHOUWD ALS VERENIGBAAR
MET DE GOEDE WERKING VAN DE INTERNE MARKT,

ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 3, PUNT e)

Als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen de volgende categorieën steun worden beschouwd:

[…].



AFDELING C

GROEPSVRIJSTELLINGEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 4

Steun wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de aanmeldingsvereisten van artikel 4 indien de steun wordt toegekend overeenkomstig de materiële voorwaarden die zijn vastgesteld in de volgende bepalingen:

(1)    hoofdstukken I en III van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1);

(2)    artikelen 1 tot en met 6 van Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).

AFDELING D

DE-MINIMISSTEUN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 6

“De-minimissteun” heeft de betekenis die deze heeft in Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023).



Voor steun die wordt verleend aan met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen heeft “de-minimissteun” de betekenis die deze heeft in Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 12 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L, 2023/2832, 15.12.2023).

________________

BIJLAGE II

ALGEMENE EN SECTORALE HANDELINGEN DIE IN DE EUROPESE UNIE VAN TOEPASSING ZIJN,
ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2

AFDELING A

ALGEMENE EN SECTORALE HANDELINGEN

(1)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 2, worden de volgende handelingen door de Unie toegepast:

a)    Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9);

b)    Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2105 van de Commissie van 1 december 2016 (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 19);

c)    Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1);



d)    Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3);

e)    Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023);

f)    Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L, 2023/2832, 15.12.2023);

g)    Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).

(2)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 3, zorgt Zwitserland voor de instelling en instandhouding van een systeem voor toezicht op staatssteun waarmee te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving wordt gewaarborgd dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de Unie wordt toegepast, zoals bepaald in artikel 4, lid 2, en punt 1, van dit deel.



AFDELING B

RICHTSNOEREN, MEDEDELINGEN EN BESLUITVORMINGSPRAKTIJK
VAN DE EUROPESE COMMISSIE

(1)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 3, houden de Zwitserse toezichthoudende autoriteit en de bevoegde rechterlijke autoriteiten in Zwitserland terdege rekening met en volgen zij zoveel mogelijk de relevante richtsnoeren en mededelingen die bindend zijn voor de Europese Commissie, alsook haar besluitvormingspraktijk, teneinde een niveau van toezicht en handhaving te waarborgen dat gelijkwaardig is aan dat van de Unie.

(2)    De Europese Commissie stelt het Gemengd Comité in kennis van de richtsnoeren en mededelingen die zij in het kader van de overeenkomst relevant acht, en publiceert deze.

________________

Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


PROTOCOL VAN WIJZIGING
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE HET GOEDEREN- EN PERSONENVERVOER

PER SPOOR EN OVER DE WEG

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

het belang BEVESTIGEND van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst” genoemd);

WENSEND het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst te bevorderen;

ERKENNEND dat de overeenkomstsluitende partijen beleidsmaatregelen hebben ingevoerd om goederenvervoer te verschuiven van de weg naar het spoor;

WENSEND met betrekking tot het vervoer per spoor een hoogwaardig vervoersysteem te handhaven op basis van prestaties, aantrekkelijkheid en betrouwbaarheid van diensten inzake goederen- en personenvervoer, dat essentieel is voor de bevolking en de economie;

ERKENNEND dat het noodzakelijk is het recht van spoorwegondernemingen om internationaal personenvervoer per spoor uit te voeren, te verduidelijken, met inbegrip van het recht om passagiers te laten instappen op om het even welk station dat aan een internationaal traject ligt en hen te laten uitstappen op een ander station, ook indien dergelijke stations gelegen zijn op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij;


ERKENNEND dat, met inachtneming van de toepasselijke mededingingsregels, het toepasselijke Unierecht niet uitsluit dat internationale samenwerkingsverbanden internationale diensten exploiteren, met inbegrip van diensten die gedeeltelijk bestaan uit diensten die deelnemen aan de klokvaste dienstregeling;

ONDERKENNEND dat het belangrijk is nieuwe internationale diensten voor personenvervoer per spoor mogelijk te maken en daarbij de internationale spoorwegverbindingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te verbeteren, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat passagiers die louter gebruikmaken van Zwitserse binnenlandse diensten daar geen negatieve gevolgen van ondervinden;

ONDERKENNEND dat het openstellen van de markt voor de verlening van internationale diensten voor personenvervoer per spoor voordelen kan opleveren voor passagiers, en dat het bijgevolg belangrijk is, rekening houdend met de door Zwitserland toegekende uitzonderingen, dat effectieve toegang wordt geboden tot infrastructuur en dat gezorgd wordt voor een gelijk speelveld voor de verlening van dergelijke diensten;

ONDERKENNENDE de Zwitserse heffing op het vrachtverkeer en het doel om te voldoen aan de beginselen inzake het belasten van wegvoertuigen in de Unie;

ERKENNENDE de voordelen van nauwe samenwerking tussen Zwitserland en het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) op basis van artikel 75 van Verordening (EU) 2016/796 (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 1);

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


ARTIKEL 1

Wijzigingen van de overeenkomst

De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

(1)    In artikel 2 wordt lid 2 vervangen door:

“2.    Deze overeenkomst is van toepassing op het internationale personen- en goederenvervoer per spoor, alsmede op het internationale gecombineerde vervoer.

Deze overeenkomst is niet van toepassing op louter binnenlands personenvervoer per spoor, namelijk nationaal langeafstands-, regionaal en lokaal vervoer, in Zwitserland.

De overeenkomst is niet van toepassing op spoorwegondernemingen die enkel stads-, voorstads- of regionale spoorvervoersdiensten exploiteren op lokale en regionale op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten op spoorweginfrastructuur of op netten die slechts voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten in de stad of de voorstad zijn bestemd.”;

(2)    In artikel 3 wordt aan het einde van lid 2 het volgende streepje toegevoegd:

“–    “internationaal personenvervoer per spoor”: een passagiersdienst waarbij de trein de grens tussen de overeenkomstsluitende partijen overschrijdt, met inbegrip van het recht om passagiers te laten instappen op om het even welk station dat aan een internationaal traject ligt en hen te laten uitstappen op een ander station, ook indien dergelijke stations gelegen zijn op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij, mits het hoofddoel van de dienst erin bestaat personen te vervoeren tussen stations die gelegen zijn op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij en stations die zijn gelegen op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij.”;


(3)    Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

“1.    Met inachtneming van de leden 2 en 3, stelt Zwitserland overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst (hierna het “protocol betreffende de instellingen” genoemd) regelingen vast en handhaaft deze, in overeenstemming met de Uniewetgeving inzake de technische voorwaarden voor het wegvervoer, zoals uiteengezet in deel 3 van bijlage 1.”;

b)    lid 2 wordt vervangen door:

“2.    Zwitserland stelt overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen wetgeving vast en handhaaft deze in overeenstemming met de Uniewetgeving inzake de technische controle van voertuigen, zoals vermeld in deel 3 van bijlage 1.”;

(4)    Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

“1.    Het internationale goederenvervoer over de weg voor rekening van derden alsmede de lege ritten tussen de grondgebieden van de overeenkomstsluitende partijen vinden plaats onder dekking van de vergunning van de Unie, waarvoor een model wordt verstrekt in bijlage 3, krachtens de in bijlage 1 genoemde Uniewetgeving, of onder dekking van een Zwitserse vergunning krachtens de overeenkomstige Zwitserse wetgeving die in overeenstemming met artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen wordt vastgesteld en gehandhaafd.”;


b)    lid 4 wordt vervangen door:

“4.    De procedures betreffende het verlenen, het gebruiken, het vernieuwen en het intrekken van vergunningen alsmede de procedures inzake wederzijdse bijstand vallen onder de in deel 1 van bijlage I genoemde Uniewetgeving of de overeenkomstige Zwitserse wetgeving die in overeenstemming met artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen wordt vastgesteld en gehandhaafd.”;

(5)    In artikel 17 wordt lid 3 vervangen door:

“3.    Het model voor dergelijke licenties en de procedures betreffende het verwerven, het gebruiken en het vernieuwen ervan zijn vastgelegd in de in deel 1 van bijlage 1 genoemde Uniewetgeving of de overeenkomstige Zwitserse wetgeving die in overeenstemming met artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen wordt vastgesteld en gehandhaafd.”;

(6)    Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

“1.    Op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij gevestigde spoorwegondernemingen hebben recht van doorvoer en recht van toegang tot de spoorweginfrastructuur van de andere overeenkomstsluitende partij, teneinde een internationale dienst te exploiteren, onder de voorwaarden die nader zijn beschreven in de in deel 4 van bijlage 1 genoemde Uniewetgeving.”;


b)    het volgende lid wordt ingevoegd:

“1 bis    In het kader van een internationale passagiersdienst hebben spoorwegondernemingen het recht om passagiers te laten instappen op om het even welk station dat aan een internationaal traject ligt en hen te laten uitstappen op een ander station, ook indien dergelijke stations gelegen zijn op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij, mits het hoofddoel van de betrokken dienst erin bestaat passagiers van het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij naar het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij te vervoeren. Na een verzoek van de betrokken bevoegde autoriteiten of belangstellende spoorwegondernemingen bepaalt of bepalen de betrokken toezichthoudende instantie of instanties of het het hoofddoel van de dienst is, passagiers van het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij naar het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij te vervoeren.”;

(7)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 24 bis

Uitzonderingen op de dynamische aanpassing met betrekking tot spoorwegvervoer

Wat volgt zijn uitzonderingen in de zin van artikel 5, lid 7, van het protocol betreffende de instellingen:

1.    De mogelijkheid om ondernemingen voor personenvervoer te verplichten om deel te nemen aan prijsintegratie van het openbaar vervoer, d.w.z. dat er één enkele vervoersovereenkomst wordt aangeboden aan een passagier die gebruikmaakt van het netwerk van verschillende openbaarvervoersmaatschappijen, op voorwaarde dat de bevoegdheid om prijzen vast te stellen bij de ondernemingen blijft berusten.


2.    De toepassing van Zwitserse instrumenten voor capaciteitsbeheer die voorzien in een minimaal aantal spoorwegtrajecten per uur voor bepaalde soorten verkeer, waaronder goederenverkeer, regionaal verkeer en langeafstandsverkeer van passagiers, die ook een internationaal doel dienen. Dergelijke instrumenten zijn onderworpen aan het in artikel 1, lid 3, van de overeenkomst genoemde beginsel van non-discriminatie.

Ondernemingen die internationale passagiersvervoersdiensten per spoor plannen en exploiteren in Zwitserland, worden beschouwd as belanghebbenden in de bestaande Zwitserse raadplegingsprocedures in het kader van de Zwitserse instrumenten voor capaciteitsbeheer.

3.    De mogelijkheid om prioriteit te geven aan passagiersverkeer overeenkomstig de klokvaste dienstregeling die geldt voor spoorwegdiensten op het gehele grondgebied in Zwitserland.

Het in de eerste alinea genoemde criterium wordt op niet-discriminerende wijze toegepast voor de toewijzing van spoorwegtrajecten aan ondernemingen die vergelijkbare aanvragen indienen wat de frequentie van de dienstregeling betreft.

De prioriteit waarnaar in de eerste alinea wordt verwezen, wordt verleend aan diensten die essentieel zijn voor de klokvaste dienstregeling.

Indien een onderneming vóór de uiterste termijn voor de jaarlijkse toewijzingsprocedure een aanvraag indient voor een spoorwegtraject voor internationaal passagiersvervoer in Zwitserland waaraan niet kan worden voldaan in de fase van wederzijdse coördinatie, heeft die aanvraag prioriteit voor het gebruik van de resterende niet-toegewezen capaciteit, waaronder de capaciteit die was gewaarborgd in de Zwitserse capaciteitsbeheerinstrumenten, maar waar niet om was verzocht bij de jaarlijkse toewijzingsprocedure.


De Unie of haar lidstaten kunnen op hun grondgebied voorrang geven aan ondernemingen die in de Unie zijn gevestigd en die passagiersdiensten per spoor exploiteren boven een Zwitserse onderneming voor internationale passagiersdiensten per spoor die een deel van de internationale diensten exploiteert in het kader van de Zwitserse klokvaste dienstregeling en de dienst niet uitvoert binnen een internationaal samenwerkingsverband.

4.    Het recht om bepalingen inzake non-discriminatie op te nemen in vergunningen en concessies die worden toegekend aan spoorwegvervoersondernemingen en internationale samenwerkingsverbanden met betrekking tot sociale normen, zoals lokale en sectorspecifieke salarisvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in Zwitserland.

5.    De verplichtingen inzake aanbestedingen voor openbaredienstverplichtingen met betrekking tot grensoverschrijdende regionale, stedelijke en voorstedelijke passagiersdiensten per spoor: Zwitserland kan rechtstreeks een openbaredienstcontract toekennen voor het gedeelte van een grensoverschrijdende regionale, stedelijke en voorstedelijke passagiersdienst per spoor die wordt geëxploiteerd op Zwitsers grondgebied. In dat geval gunt Zwitserland het openbaredienstcontract aan de exploitant aan wie het openbaredienstcontract op het grondgebied van de Unie werd gegund, of aan de exploitant die samenwerkt met de spoorwegonderneming waaraan het openbaredienstcontract werd gegund voor de exploitatie van de spoorlijn op het grondgebied van de Unie.

Onverminderd dit lid raadplegen de bevoegde autoriteiten elkaar vooraf over de nadere regels voor de openbare dienst die moet worden gegund, waaronder het tijdstip van de procedure.”;


(8)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 29 bis

Deelname aan het Spoorwegbureau van de Europese Unie

Zwitserland heeft overeenkomstig artikel 75 van Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 1) het recht om deel te nemen aan het Spoorwegbureau van de Europese Unie (hierna het “ERA” genoemd), met inbegrip van passende toegang tot databanken en registers.

Het ERA heeft geen uitvoerende bevoegdheden in Zwitserland. Derhalve worden de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) 2016/796 waarbij dergelijke uitvoerende bevoegdheden van het ERA in Zwitserland in het leven worden geroepen, niet opgenomen in bijlage 1 bij de overeenkomst.”;

(9)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 32 bis

Uitsluiting van uitbreidingen van de wegcapaciteit

Als uitzondering in de zin van artikel 5, lid 7, van het protocol betreffende de instellingen wordt nieuwe infrastructuur ten behoeve van de verkeersveiligheid, zoals het boren van een tweede wegtunnel aan Gotthard, niet beschouwd als een uitbreiding van de wegcapaciteit, en wordt het beperken van de wegcapaciteit tot het huidige niveau niet beschouwd als een eenzijdige kwantitatieve beperking.”;


(10)    Artikel 40 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 40

Zwitserse maatregelen

1.    Om de in artikel 37 omschreven doelstellingen te bereiken en met het oog op de verhogingen van het maximumgewicht zoals aangegeven in artikel 7, lid 3, voert Zwitserland een niet-discriminerend heffingsysteem in voor voertuigen. Dit heffingsysteem is onder meer gebaseerd op de in artikel 38, lid 1, vermelde principes en de bepalingen van bijlage 10.

2.    De heffingen worden gedifferentieerd volgens categorieën die gebaseerd zijn op de emissies van voertuigen. Op verzoek van Zwitserland beslist het Gemengd Comité over een differentiëring volgens categorieën die geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op verbruik.

3.    Het gewogen gemiddelde van de heffingen bedraagt niet meer dan 325 CHF voor voertuigen die volgens het kentekendocument van het voertuig een toelaatbare maximummassa in beladen toestand hebben van minder dan 40 ton voor een afstand van 300 km door het Alpengebied. De heffing voor de meest verontreinigende categorie bedraagt niet meer dan 380 CHF.

4.    Een deel van de in de lid 3 vermelde heffingen mag bestaan uit tolgelden voor het gebruik van speciale Alpen-infrastructuur. Dit deel mag niet meer dan 15 % van de in de lid 3 vermelde heffingen bedragen.


5.    De in lid 3 vermelde wegingen worden vastgesteld op basis van het aantal voertuigen per categorie dat in Zwitserland rijdt. Het aantal voertuigen van iedere categorie wordt bepaald aan de hand van tellingen die door het Gemengd Comité worden onderzocht. Het Gemengd Comité stelt het gemiddelde vast op basis van tweejarige onderzoeken, teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de structuur van het wagenpark in Zwitserland, en de ontwikkelingen inzake emissies en verbruik.”;

(11)    Artikel 42 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 42

Nieuw onderzoek van de hoogte van de heffingen

1.    Vanaf 1 januari 2007, worden de in artikel 40, lid 3, vastgestelde maximale hoogtes van de heffingen om de twee jaar aangepast, om rekening te houden met de inflatie in Zwitserland van de afgelopen twee jaar. Met het oog op die aanpassing deelt Zwitserland uiterlijk op 30 september van het aan de aanpassing voorafgaande jaar het Gemengd Comité de statistische gegevens mede die nodig zijn om de beoogde aanpassing te rechtvaardigen. Het Gemengd Comité komt op verzoek van de Unie binnen 30 dagen na deze mededeling bijeen voor overleg over de beoogde aanpassing.

2.    Vanaf 1 januari 2007 kan het Gemengd Comité op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen de in artikel 40, lid 3, vastgestelde maximale hoogtes van de heffingen opnieuw onderzoeken, met het oog op een besluit om deze aan te passen, dat gezamenlijk moet worden genomen. Dit onderzoek vindt plaats aan de hand van de volgende criteria:

–    de hoogte en de structuur van de fiscale heffingen op het grondgebied van beide overeenkomstsluitende partijen, en met name de heffingen voor vergelijkbare Alpenpassages,


–    de verdeling van het verkeer over vergelijkbare Alpenpassages,

–    de ontwikkeling van de modale verdeling in het Alpengebied,

–    de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur in het Alpengebied.”;

(12)    In artikel 46 wordt lid 1 vervangen door:

“1.    Indien na 1 januari 2005, ondanks concurrerende spoorwegprijzen en een correcte toepassing van de maatregelen van artikel 36 betreffende de kwaliteitsparameters, er moeilijkheden zijn met de doorstroming van het transalpijns Zwitsers wegverkeer, en indien, gedurende een periode van 10 weken, de gemiddelde benuttingsgraad van de bij het spoorwegaanbod op het Zwitserse grondgebied behorende capaciteit (begeleid en niet-begeleid gecombineerd vervoer) lager is dan 66 %, mag Zwitserland, in afwijking van het bepaalde in artikel 40, leden 3 en 4, de in artikel 40, lid 3, voorziene heffingen met ten hoogste 12,5 % verhogen. De opbrengst van deze verhoging wordt integraal bestemd voor het spoorweg- en gecombineerd vervoer, om hun concurrentiepositie tegenover het wegvervoer te versterken.”;

(13)    Artikel 51 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 51

Gemengd comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht.

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.


2.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité handelt in dat geval als volgt:

a)    het zorgt voor de goede werking, het doeltreffende beheer en de doeltreffende toepassing van deze overeenkomst;

b)    het biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 10 van het protocol betreffende de instellingen;

c)    het doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;

d)    het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en

e)    het zorgt voor de monitoring en uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst en met name van artikel 27, lid 6, en de artikelen 33, 34, 35, 36, 39, 40, 42, 45, 46 en 47;

f)    het oefent alle andere bevoegdheden uit die hem bij deze overeenkomst zijn verleend.

4.    Het Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.

Besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.


5.    Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

6.    Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of deskundigengroepen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.”;

(14)    In artikel 53 wordt de titel vervangen door:

“ARTIKEL 53

Geheimhoudingsplicht”;

(15)    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 53 bis

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een overeenkomstsluitende partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.


2.    Gerubriceerde gegevens die of gerubriceerd materiaal dat door de overeenkomstsluitende partijen in het kader van deze overeenkomst worden verstrekt of tussen hen worden uitgewisseld, worden behandeld en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en alle zekerheidsregelingen ter uitvoering daarvan.

3.    Het Gemengd Comité stelt bij besluit instructies inzake het behandelen vast ter bescherming van gevoelige niet-gerubriceerde gegevens die tussen de overeenkomstsluitende partijen worden uitgewisseld.”;

(16)    Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

“1.    Indien een overeenkomstsluitende partij een herziening wenst van de bepalingen van deze overeenkomst, stelt zij het Gemengd Comité daarvan op de hoogte. Met inachtneming van lid 3, treedt de wijziging van de onderhavige overeenkomst in werking nadat de respectievelijke interne procedures zijn voltooid.”;

b)    lid 2 wordt geschrapt;

c)    lid 3 wordt vervangen door:

“De bijlagen 5, 6, 8 en 9 kunnen middels een besluit van het Gemengd Comité conform artikel 51, lid 3, punt d), worden gewijzigd.”;


(17)    Artikel 57 wordt vervangen door:

“Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”;

(18)    Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)    na de titel worden de volgende punten ingevoegd:

“1.    Binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst zijn de in deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.

2.    Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen.”;

b)    Deel 4 wordt als volgt gewijzigd:

i)    de volgende handelingen worden ingevoegd:

“–    Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).


–    Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (herschikking) (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).

–    Uitvoeringsverordening (EU) 2016/545 van de Commissie van 7 april 2016 betreffende procedures en criteria voor kaderovereenkomsten tot toewijzing van spoorinfrastructuurcapaciteit (PB L 94 van 8.4.2016, blz. 1).

–    Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/2075 van de Commissie van 4 september 2017 ter vervanging van bijlage VII bij Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 295 van 14.11.2017, blz. 69).”;

ii)    de volgende handelingen worden geschrapt:

“–    Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PB L 237 van 24.8.1991, blz. 25).

–    Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PB L 143 van 27.6.1995, blz. 70).

–    Richtlijn 95/19/EG van de Raad van 19 juni 1995 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van gebruiksrechten voor de infrastructuur (PB L 143 van 27.6.1995, blz. 75).”;


iii)    in de vermelding met betrekking tot Richtlijn 2007/59/EG wordt het volgende toegevoegd:

“De vergunning van de machinist en het aanvullende bevoegdheidsbewijs dat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a) en b), van Richtlijn 2007/59/EG en de overeenkomstige bepalingen die worden vastgesteld of gehandhaafd in de rechtsorde van Zwitserland overeenkomstig artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen, worden wederzijds erkend”;

iv)    in de vermelding met betrekking tot Richtlijn(EU) 2016/797 wordt het volgende toegevoegd:

“Richtlijn (EU) 2016/797 is onderworpen aan overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Unie, zoals vastgesteld in Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB L 13 van 17.1.2020, blz. 43), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, indien en voor zover de overeenkomstsluitende partijen binnen het Gemengd Comité besluiten aanpassingen door te voeren waarbij die maatregelen worden uitgebreid, rekening houdend met artikel 29 bis, tweede alinea, van de overeenkomst en artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen. Wanneer in Richtlijn (EU) 2016/797 wordt verwezen naar het “Spoorwegbureau van de Europese Unie”, heeft deze verwijzing voor het grondgebied van Zwitserland betrekking op de “Zwitserse nationale veiligheidsinstantie”.”;


v)    in de vermelding met betrekking tot Richtlijn(EU) 2016/798 wordt het volgende toegevoegd:

“Richtlijn (EU) 2016/798 is onderworpen aan overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Unie, zoals vastgesteld in Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB L 13 van 17.1.2020, blz. 43), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, indien en voor zover de overeenkomstsluitende partijen binnen het Gemengd Comité besluiten aanpassingen door te voeren waarbij die maatregelen worden uitgebreid, rekening houdend met artikel 29 bis, tweede alinea, van de overeenkomst en artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen. Wanneer in Richtlijn (EU) 2016/798 wordt verwezen naar het “Spoorwegbureau van de Europese Unie”, heeft deze verwijzing voor het grondgebied van Zwitserland betrekking op de “Zwitserse nationale veiligheidsinstantie”.”;

vi)    in de vermelding met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 wordt het volgende toegevoegd:

“Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 is onderworpen aan overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Unie, zoals vastgesteld in Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB L 13 van 17.1.2020, blz. 43), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, indien en voor zover de overeenkomstsluitende partijen binnen het Gemengd Comité besluiten aanpassingen door te voeren waarbij die maatregelen worden uitgebreid, rekening houdend met artikel 29 bis, tweede alinea, van de overeenkomst en artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen. Wanneer in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 wordt verwezen naar het “Spoorwegbureau van de Europese Unie”, heeft deze verwijzing voor het grondgebied van Zwitserland betrekking op de “Zwitserse nationale veiligheidsinstantie”.”;


vii)    in de vermelding met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 wordt het volgende toegevoegd:

“Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 is onderworpen aan overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Unie, zoals vastgesteld in Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB L 13 van 17.1.2020, blz. 43), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, indien en voor zover de overeenkomstsluitende partijen binnen het Gemengd Comité besluiten aanpassingen door te voeren waarbij die maatregelen worden uitgebreid, rekening houdend met artikel 29 bis, tweede alinea, van de overeenkomst en artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen. Wanneer in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 wordt verwezen naar het “Spoorwegbureau van de Europese Unie”, heeft deze verwijzing voor het grondgebied van Zwitserland betrekking op de “Zwitserse nationale veiligheidsinstantie”.”;

viii)    in de vermelding met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 wordt het volgende toegevoegd:

“Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 is onderworpen aan overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Unie, zoals vastgesteld in Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB L 13 van 17.1.2020, blz. 43), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, indien en voor zover de overeenkomstsluitende partijen binnen het Gemengd Comité besluiten aanpassingen door te voeren waarbij die maatregelen worden uitgebreid, rekening houdend met artikel 29 bis, tweede alinea, van de overeenkomst en artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen. Wanneer in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 wordt verwezen naar het “Spoorwegbureau van de Europese Unie”, heeft deze verwijzing voor het grondgebied van Zwitserland betrekking op de “Zwitserse nationale veiligheidsinstantie”.”;


c)    in deel 5 wordt de volgende handeling ingevoegd:

“–    Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 22); met uitzondering van de artikelen 5 en5 bis van Verordening (EG) nr. 1370/2007, onder de in artikel 24 bis, lid 5, van de overeenkomst genoemde voorwaarden.”;

(19)    Bijlage 10 wordt vervangen door:

“BIJLAGE 10

WIJZE VAN TOEPASSING VAN DE
IN ARTIKEL 40 VOORGESCHREVEN HEFFINGEN

Behoudens het bepaalde in artikel 40, lid 4, worden de in artikel 40 voorgeschreven heffingen op de volgende wijze toegepast:

a)    voor transporten door Zwitserland over afstanden van minder of meer dan 300 km worden de heffingen berekend op basis van de daadwerkelijk in Zwitserland afgelegde afstand;

b)    de hoogte van een heffing hangt af van de gewichtsklasse van het voertuig.”;


(20)    De gemeenschappelijke verklaring die aan dit protocol is gehecht, wordt toegevoegd aan de verklaringen die aan de slotakte bij de overeenkomst zijn gehecht.

ARTIKEL 2

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;


d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;


l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

PROTOCOL BETREFFENDE DE INSTELLINGEN
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE HET GOEDEREN- EN PERSONENVERVOER

PER SPOOR EN OVER DE WEG

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd;

OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;

ERAAN HERINNEREND dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;

OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;


BESEFFENDE dat het waarborgen van uniformiteit op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt, van belang is,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen

1.    Dit protocol heeft tot doel de overeenkomstsluitende partijen en de marktdeelnemers en particulieren meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te bieden op het gebied van de interne markt dat valt onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd).


2.    Hiertoe voorziet dit protocol in nieuwe institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen mogelijk maken. Rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht bevat dit protocol met name institutionele oplossingen voor de overeenkomst die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied of de doelstellingen van de overeenkomst worden gewijzigd, met name:

a)    de procedure om de overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor de overeenkomst;

b)    de eenvormige uitlegging en toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van de overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van de overeenkomst.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

1.    Dit protocol, de bijlage daarbij, en het aanhangsel daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

2.    De bij dit protocol ingetrokken bepalingen van de overeenkomst worden hieronder opgesomd:

a)    artikel 49, leden 1 en 2;


b)    artikel 50;

c)    artikel 52, leden 1 tot en met 4 en lid 6;

d)    artikel 54;

e)    artikel 55, lid 2;

f)    het volgende deel van bijlage 1:

“Overeenkomstig artikel 52, lid 6, van deze overeenkomst past Zwitserland wettelijke bepalingen toe die gelijkwaardig zijn aan de hieronder vermelde bepalingen:”

3.    Verwijzingen in de overeenkomst naar de “Europese Gemeenschap” of naar de “Gemeenschap” gelden als verwijzingen naar de Unie.

ARTIKEL 3

Bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel waarmee een evenwicht tussen rechten en plichten tussen de Unie en Zwitserland wordt gewaarborgd.


2.    De overeenkomst is een bilaterale overeenkomst op een gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

HOOFDSTUK 2

AFSTEMMING VAN DE OVEREENKOMST OP DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 4

Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder de overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité op belangrijke momenten van de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.


2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland een zo ruim mogelijke deelname aan de voorbereiding van de ontwerpen heeft en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het recht van de Unie op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zoveel als mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van de overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 5, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.


ARTIKEL 5

Opneming van rechtshandelingen van de Unie

1.    Ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op het gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland op grond van de overeenkomst deelneemt, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder de overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de overeenkomst worden opgenomen.

2.    Zwitserland stelt in zijn rechtsorde bepalingen vast of handhaaft deze teneinde de resultaten te verwezenlijken die moeten worden bereikt door de rechtshandelingen van de Unie die in de overeenkomst zijn opgenomen overeenkomstig lid 4, in voorkomend geval met inachtneming van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft beslist.

3.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de overeenkomst vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

4.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de bijlagen 1, 3, 4 en 7 bij de overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van de overeenkomst met de bijlagen daarvan, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, voorstellen de overeenkomst te herzien, ter goedkeuring door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun interne procedures.


6.    Verwijzingen in de overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden als verwijzingen naar de rechtshandeling van de Unie die strekt tot intrekking, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van de bijlage bij de overeenkomst overeenkomstig lid 4, tenzij in dat besluit anders is bepaald.

7.    De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Europese Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van de volgende uitzonderingen vallen:

–    artikel 7, lid 3, van de overeenkomst,

–    artikel 14 van de overeenkomst,

–    artikel 15 van de overeenkomst,

–    artikel 20 van de overeenkomst,

–    artikel 24 bis van de overeenkomst,

–    artikel 32 bis van de overeenkomst,

–    artikel 40 van de overeenkomst,

–    artikel 42 van de overeenkomst.


8.    Met inachtneming van artikel 6 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

9.    De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.

ARTIKEL 6

Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Gedurende de in artikel 5, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 5, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.

2.    Wanneer het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.

3.    In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.


De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 7

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.


2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing daarvan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van de overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van de overeenkomst uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL 8

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over de activiteiten van het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van de overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité.

Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om tot een aanvaardbare oplossing te komen.


4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van de overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 10 bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet de overeenkomst daarin specifiek voorzien.

ARTIKEL 9

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van een door de Commissie op basis van de overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.


ARTIKEL 10

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Hiertoe wordt alle nuttige informatie aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité niet in staat is binnen drie maanden na de datum waarop het probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd, een oplossing voor het in lid 1 bedoelde probleem te vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels van het aanhangsel.

3.    Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 7, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die onder een uitzondering op de in artikel 5, lid 7, bedoelde verplichting tot dynamische aanpassing valt, en het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het recht van de Unie, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


4.    Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht.


ARTIKEL 11

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het aanhangsel vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van mening is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of van enige andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het aanhangsel aan arbitrage onderwerpen.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het aanhangsel vastgestelde termijnen een besluit.

4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.


ARTIKEL 12

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Om de homogene uitlegging te bevorderen, komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt een prejudiciële beslissing te nemen over een vraag over de uitlegging van de overeenkomst of van een bepaling van een daarin vermelde rechtshandeling van de Unie.

HOOFDSTUK 4

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 13

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de in artikel 1 van de bijlage genoemde agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waartoe het toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en de bijlage.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van de bijlage vaststellen.


2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland niet binnen de betalingstermijn betaalt overeenkomstig de in artikel 2 van de bijlage vastgestelde betalingsvoorwaarden.

Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is gedaan, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.

3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een deelnamevergoeding.

4.    De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van het Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Europese Unie tegen marktprijzen.


Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie, met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1 van de bijlage.

De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.


9.    Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in EUR verricht.

10.    Wanneer de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 5 van de bijlage vastgestelde methode en betalingswijzen.

11.    De bijlage bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.

12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van de bijlage en past het deze zo nodig aan.

ARTIKEL 14

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de EU verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 57 van de overeenkomst.


ARTIKEL 15

Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden de verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.

ARTIKEL 16

Inwerkingtreding en uitvoering van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.

De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 5, lid 8, en artikel 6, lid 5, alsook uit bepalingen inzake overgangsregelingen.

ARTIKEL 17

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangegeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.


HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 18

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst en onthouden zich ervan maatregelen te nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar zouden kunnen brengen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat te waarborgen van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van hun doelstellingen in gevaar zouden kunnen brengen.

ARTIKEL 19

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.


2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;


h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 20

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen op elk moment worden gewijzigd.


2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 58, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 58, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.

3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE

BIJLAGE INZAKE DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 13 van het protocol

ARTIKEL 1

Lijst van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie
waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

geen.

b)    informatiesystemen:

geen.

c)    andere activiteiten:

geen.


ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 13 van het protocol verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het doen van het verzoek tot storting van het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding.

3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar, de volgende informatie in verband met de deelname van Zwitserland mee:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;

b)    het bedrag van de kosten van deelname als bedoeld in artikel 13, lid 7, van het protocol; en


c)    met betrekking tot agentschappen, in jaar N+1, de bedragen aan vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan op de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de Unie, opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van de overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.

6.    Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het agentschap, het informatiesysteem of andere desbetreffende activiteit;

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.


b)    indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, informatiesysteem of andere activiteit.

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.


ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie
in het licht van de uitvoering

De financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie wordt aangepast in het jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan in het kader van de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage zoals bedoeld in artikel 1.

ARTIKEL 4

Bestaande regelingen

Artikel 13 van het protocol en deze bijlage zijn niet van toepassing op specifieke regelingen tussen Zwitserland en de Unie die financiële bijdragen van Zwitserland omvatten. De agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten die onder dergelijke regelingen vallen, zijn:

–    TACHOnet, opgericht bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/68 van de Commissie van 21 januari 2016 betreffende gemeenschappelijke procedures en specificaties die nodig zijn voor de onderlinge verbinding van elektronische registers van bestuurderskaarten (PB L 15 van 22.1.2016, blz. 51), laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1503 van de Commissie van 25 augustus 2017 (PB L 221 van 26.8.2017, blz. 10), zoals van toepassing conform bijlage 1 bij de overeenkomst;


–    het éénloketsysteem van het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA), opgericht bij artikel 12 van Verordening (EU) 2016/796 van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 1), overeenkomstig de administratieve regeling tussen het Zwitserse federale vervoersbureau en het Spoorwegbureau van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 13 december 2019.

ARTIKEL 5

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet 1 januari is, is dit artikel van toepassing in afwijking van artikel 2.

Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage voor het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de verschuldigde jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het protocol tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.



Aanhangsel

AANHANGSEL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “de partijen” genoemd) overeenkomstig artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol een geschil aan arbitrage onderwerpt, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.


ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.


2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol) en:

i)    in de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol; en

ii)    in de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 10, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.


4.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.


2.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van, of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.


3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties opgesteld en indien nodig geactualiseerd, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.


ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.


ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.


2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.


2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol.

2.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.


3.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.


ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 1, van het protocol kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.


ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 7 en artikel 10, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van de overeenkomst; en


c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het protocol.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.

ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.


3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.


7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 11, lid 2, van het protocol wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.


5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.


ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.


ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.

HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.


ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.

4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.


6.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.

2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 7 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 11, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.


ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.

3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.


4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.

2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.


ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.

2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;


b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.

3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.


HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.

PROTOCOL INZAKE STAATSSTEUN
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE HET GOEDEREN- EN PERSONENVERVOER

PER SPOOR EN OVER DE WEG

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

   enerzijds,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

   anderzijds,

hierna afzonderlijk “overeenkomstsluitende partij” genoemd en gezamenlijk “de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GERICHT op het versterken en verdiepen van de deelname van Zwitserland en zijn ondernemingen aan de interne markt van de Unie, waaraan Zwitserland deelneemt op basis van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd);

ERKENNENDE dat de goede werking en homogeniteit op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, gelijke concurrentievoorwaarden tussen Zwitserse ondernemingen en ondernemingen in de Unie vereist op basis van materiële en procedurele regels die gelijkwaardig zijn aan die welke op de interne markt van toepassing zijn op het gebied van staatssteun;

OPNIEUW BEVESTIGEND de autonomie van de overeenkomstsluitende partijen en de rollen en bevoegdheden van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, de eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit zijn grondwettelijke orde, met inbegrip van directe democratie, de scheiding der machten en het federalisme;

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


ARTIKEL 1

Doelstellingen

De doelstellingen van dit protocol zijn te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor ondernemingen in de Unie en Zwitserland op de onder de overeenkomst vallende gebieden van de interne markt en de goede werking van de interne markt te waarborgen door materiële en procedurele regels inzake staatssteun vast te stellen.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

Het protocol en de bijlagen daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst. Zij wijzigen noch de werkingssfeer noch de doelstellingen van de overeenkomst.

ARTIKEL 3

Staatssteun

1.    Behoudens de afwijkingen waarin de overeenkomst voorziet, is staatssteun die door Zwitserland of een EU-lidstaat wordt toegekend, of in welke vorm ook met staatsmiddelen wordt bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar met de juiste werking van de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst ongunstig beïnvloedt.


2.    Met de goede werking van de interne markt zijn verenigbaar:

a)    steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze worden toegepast zonder onderscheid naar de oorsprong van de desbetreffende producten;

b)    steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen;

c)    steun die beantwoordt aan de behoeften inzake coördinatie van het vervoer of die overeenkomt met de vergoeding van bepaalde met het begrip “openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen;

d)    de maatregelen zoals uiteengezet in deel A van bijlage I.

3.    Als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen worden beschouwd:

a)    steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst;

b)    steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang of van gemeenschappelijk belang voor de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een EU-lidstaat of Zwitserland op te heffen;

c)    steunmaatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten of van bepaalde economische gebieden, waarbij die steun de handelsvoorwaarden niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;


d)    steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, waarbij die steun de handelsvoorwaarden en mededinging niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;

e)    de categorieën steun zoals uiteengezet in deel B van bijlage I.

4.    Steun die overeenkomstig deel C van bijlage I wordt verleend, wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de kennisgevingsverplichting van artikel 4.

5.    Steun aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, valt onder de regels van dit protocol, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

6.    Dit protocol is niet van toepassing op steun wanneer het bedrag dat aan één onderneming wordt toegekend voor activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen, de-minimissteun vormt in de zin van deel D van bijlage I.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten de delen A en B van bijlage I te actualiseren door maatregelen vast te stellen die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt of categorieën steun die als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen worden beschouwd.


ARTIKEL 4

Toezicht

1.    Voor de toepassing van artikel 1 houdt de Unie, overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en haar lidstaten, en Zwitserland, overeenkomstig zijn grondwettelijke volgorde van bevoegdheden, toezicht op de toepassing van de staatssteunregels op hun respectieve grondgebied overeenkomstig dit protocol.

2.    Met het oog op de uitvoering van dit protocol handhaaft de Unie een systeem voor toezicht op staatssteun overeenkomstig de artikelen 93, 106, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals aangevuld door rechtshandelingen van de Unie op het gebied van staatssteun en rechtshandelingen van de Unie betreffende staatssteun in de in bijlage II, deel A, punt 1, vermelde sectoren voor goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg.

3.    Met het oog op de uitvoering van dit protocol zorgt Zwitserland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit protocol voor de instelling en instandhouding van een systeem voor toezicht op staatssteun waarmee te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving wordt gewaarborgd dat gelijkwaardig is aan het niveau dat in de Unie wordt toegepast, zoals bepaald in lid 2, met inbegrip van:

a)    een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit; en

b)    procedures om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteit nagaat of de steun verenigbaar is met de goede werking van de interne markt, waaronder:

i)    voorafgaande aanmelding van voorgenomen steun bij de toezichthoudende autoriteit;


ii)    beoordeling door de toezichthoudende autoriteit van aangemelde steun en haar bevoegdheid om niet-aangemelde steun te onderzoeken;

iii)    het voor de bevoegde rechterlijke instantie aanvechten, met opschortende werking vanaf het moment dat de handeling kan worden aangevochten, van steun die de toezichthoudende autoriteit onverenigbaar acht met de goede werking van de interne markt; en

iv)    terugvordering, inclusief rente, van de steun die is toegekend en die onverenigbaar met de goede werking van de interne markt is bevonden.

4.    Overeenkomstig de grondwettelijke volgorde van bevoegdheden van Zwitserland is lid 3, punt b), iii) en iv), niet van toepassing op handelingen van de Zwitserse Bondsvergadering of van de Zwitserse Bondsraad.

5.    Wanneer de Zwitserse toezichthoudende autoriteit de steun van de Zwitserse Bondsvergadering of van de Zwitserse Bondsraad niet voor een rechterlijke instantie kan aanvechten vanwege haar beperkte bevoegdheden op grond van de Zwitserse grondwettelijke volgorde, betwist zij de toepassing van die steun door andere autoriteiten in alle specifieke gevallen. Indien de rechterlijke instantie vaststelt dat die steun onverenigbaar is met de goede werking van de interne markt, houden de bevoegde Zwitserse rechterlijke en administratieve autoriteiten rekening met die vaststelling wanneer zij beoordelen of die steun moet worden toegepast in de bij hen aanhangige zaak.


ARTIKEL 5

Bestaande steun

1.    Artikel 4, lid 3, punt b), is niet van toepassing op bestaande steun, met inbegrip van steunregelingen en individuele steun.

2.    Voor de toepassing van dit protocol omvat bestaande steun die is verleend vóór de inwerkingtreding van dit protocol en binnen een periode van vijf jaar volgend daarop.

3.    Binnen twaalf maanden na de datum van instelling van het toezichtsysteem overeenkomstig artikel 4, lid 3, krijgt de toezichthoudende autoriteit een volledig beeld van bestaande steunregelingen die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen en die nog steeds van kracht zijn, en beoordeelt zij deze regelingen op het eerste gezicht aan de hand van de criteria van artikel 3.

4.    Alle bestaande steunregelingen in Zwitserland worden overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 voortdurend door de toezichthoudende autoriteit getoetst op hun verenigbaarheid met de goede werking van de interne markt.

5.    Indien de toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat een bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de goede werking van de interne markt, stelt zij de bevoegde autoriteiten in kennis van de verplichting om aan dit protocol te voldoen. Indien een dergelijke steunregeling wordt gewijzigd of beëindigd, stellen de bevoegde autoriteiten de toezichthoudende autoriteit daarvan in kennis.

6.    Indien de toezichthoudende autoriteit de door de bevoegde autoriteiten genomen maatregelen passend acht om de verenigbaarheid van de steunregeling met de goede werking van de interne markt te waarborgen, maakt zij die maatregelen bekend.


7.    Niettegenstaande lid 1 van dit artikel maakt de toezichthoudende autoriteit, indien zij van oordeel is dat de steunregeling onverenigbaar blijft met de goede werking van de interne markt, haar beoordeling bekend en betwist zij de toepassing van die steunregeling in alle specifieke gevallen, overeenkomstig artikel 4, lid 3, punt b), iii), en artikel 4, lid 5.

8.    Voor de toepassing van dit protocol geldt dat, indien een bestaande steunregeling zodanig wordt gewijzigd dat de verenigbaarheid van de steun met de goede werking van de interne markt wordt beïnvloed, de steun als nieuwe steun wordt beschouwd en derhalve onder artikel 4, lid 3, punt b), valt.

ARTIKEL 6

Transparantie

1.    Met betrekking tot de op hun grondgebied verleende steun zorgen de overeenkomstsluitende partijen voor transparantie. Voor de Unie is transparantie gebaseerd op de materiële en procedurele voorschriften die in de Unie van toepassing zijn op staatssteun die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt. Voor Zwitserland is transparantie gebaseerd op materiële en procedurele voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie van toepassing zijn op staatssteun die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt.

2.    Tenzij in dit protocol anders is bepaald, zorgt elke overeenkomstsluitende partij voor haar grondgebied voor de bekendmaking van:

a)    specificering van de toegekende steun;

b)    adviezen of besluiten van haar toezichthoudende autoriteiten;


c)    uitspraken van haar bevoegde rechterlijke instanties over de verenigbaarheid van steun met de goede werking van de interne markt; en

d)    richtsnoeren en mededelingen die door haar toezichthoudende autoriteiten worden toegepast.

ARTIKEL 7

Vormen van samenwerking

1.    De overeenkomstsluitende partijen werken samen en wisselen informatie uit over staatssteun, met inachtneming van hun respectieve wetgeving en beschikbare middelen.

2.    Met het oog op de eenvormige uitvoering, toepassing en uitlegging van de materiële voorschriften inzake staatssteun en van de harmonische ontwikkeling daarvan:

a)    werken de overeenkomstsluitende partijen samen en plegen zij overleg met betrekking tot de in deel B van bijlage II bedoelde relevante richtsnoeren en mededelingen; en

b)    treffen de toezichthoudende autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen regelingen voor een regelmatige uitwisseling van informatie, onder meer over de gevolgen voor de toepassing van de voorschriften inzake bestaande steunmaatregelen.


ARTIKEL 8

Overleg

1.    Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij plegen de overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité overleg over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit protocol.

2.    In geval van ontwikkelingen met betrekking tot gewichtige belangen van een overeenkomstsluitende partij die van invloed kunnen zijn op de werking van dit protocol, komt het Gemengd Comité op verzoek van een overeenkomstsluitende partij binnen dertig dagen na dat verzoek op een voldoende hoog niveau bijeen om de kwestie te bespreken.

ARTIKEL 9

Opneming van rechtshandelingen

1.    Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg (hierna “het protocol betreffende de instellingen” genoemd) zorgen Zwitserland en de Unie er voor de toepassing van artikel 3, leden 4 en 6, en artikel 4, leden 2 en 3, en ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens de overeenkomst deelneemt, voor dat de rechtshandelingen van de Unie op de gebieden die onder de delen C en D van bijlage I en deel A van bijlage II vallen, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in die bijlagen worden opgenomen.


2.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de afdelingen C en D van bijlage I of afdeling A van bijlage II vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

3.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de delen C en D van bijlage I alsook van deel A van bijlage II, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

4.    Met inachtneming van artikel 6 van het protocol betreffende de instellingen treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 3 van dit artikel onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

ARTIKEL 10

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;


b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;


k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 11

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen op elk moment worden gewijzigd.

2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 58, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 58, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.

3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en ondernemingen reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.


Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

UITZONDERINGEN EN TOELICHTINGEN

AFDELING A

MAATREGELEN DIE VERENIGBAAR ZIJN MET DE GOEDE WERKING VAN
DE INTERNE MARKT, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 2, PUNT D)

De volgende maatregelen zijn verenigbaar met de goede werking van de interne markt en vallen niet onder artikel 4, lid 3, punt b):

[…].

AFDELING B

CATEGORIEËN STEUN DIE KUNNEN WORDEN BESCHOUWD ALS VERENIGBAAR
MET DE GOEDE WERKING VAN DE INTERNE MARKT,

ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 3, PUNT E)

De volgende categorieën steun kunnen worden beschouwd als verenigbaar met de goede werking van de interne markt:

[…].


AFDELING C

GROEPSVRIJSTELLINGEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 4

Steun wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de aanmeldingsvereisten van artikel 4 indien de steun wordt toegekend overeenkomstig de materiële voorwaarden die zijn vastgesteld in de volgende bepalingen:

(1)    hoofdstukken I en III van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1);

(2)    artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van 14 december 2016 (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 22). Voor Zwitserland wordt artikel 9 opgevat met uitzondering van de artikelen 5 en 5 bis van die verordening, onder de in artikel 24 bis, lid 5, van de overeenkomst genoemde voorwaarden.


AFDELING D

DE-MINIMISSTEUN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 6

“De-minimissteun” heeft de betekenis die deze heeft in Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023).

Voor steun verleend aan ondernemingen die met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zijn belast, heeft “de-minimissteun” de betekenis die het heeft in Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 12 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan ondernemingen die diensten van algemeen economisch belang verrichten (PB L, 2023/2832, 15.12.2023).

________________

BIJLAGE II

ALGEMENE EN SECTORALE HANDELINGEN DIE IN DE EUROPESE UNIE VAN TOEPASSING ZIJN,
ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2

AFDELING A

ALGEMENE EN SECTORALE HANDELINGEN

(1)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 2, worden de volgende handelingen door de Unie toegepast:

a)    Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9);

b)    Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2105 van de Commissie van 1 december 2016 (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 19);

c)    Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1);


d)    Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023);

e)    Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L, 2023/2832, 15.12.2023).

f)    Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1), laatst gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 22).

(2)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 3, zorgt Zwitserland voor de instelling en instandhouding van een systeem voor toezicht op staatssteun waarmee te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving wordt gewaarborgd dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de Unie wordt toegepast, zoals bepaald in artikel 4, lid 2, en punt 1, van dit deel.


AFDELING B

RICHTSNOEREN, MEDEDELINGEN EN BESLUITVORMINGSPRAKTIJK
VAN DE EUROPESE COMMISSIE

(1)    Voor de toepassing van dit protocol en overeenkomstig artikel 4, lid 3, houden de Zwitserse toezichthoudende autoriteit en de bevoegde rechterlijke autoriteiten in Zwitserland terdege rekening met en volgen zij zoveel mogelijk de relevante richtsnoeren en mededelingen die bindend zijn voor de Europese Commissie, alsook haar besluitvormingspraktijk, teneinde een niveau van toezicht en handhaving te waarborgen dat gelijkwaardig is aan dat van de Unie.

(2)    De Europese Commissie stelt het Gemengd Comité in kennis van de richtsnoeren en mededelingen die zij in het kader van de overeenkomst relevant acht, en publiceert deze.

________________

Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


PROTOCOL VAN WIJZIGING
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING

VAN DE OVEREENSTEMMINGSBEOORDELING

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999, die op 1 juni 2002 in werking is getreden (hierna “de overeenkomst” genoemd);

OVERWEGENDE dat tussen de overeenkomstsluitende partijen een breed bilateraal pakket, met inbegrip van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, is overeengekomen om de wederzijdse betrekkingen op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, te stabiliseren en te ontwikkelen;

OVERWEGENDE dat het in het kader van dit brede bilaterale pakket noodzakelijk is een aantal bepalingen van de overeenkomst bij te werken,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


ARTIKEL 1

Wijzigingen van de overeenkomst

De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)    artikel 1 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 1

Doel

1.    De Gemeenschap en Zwitserland aanvaarden wederzijds de door volgens de procedures in deze overeenkomst erkende organen (hierna de “erkende overeenstemmingsbeoordelingsorganen” genoemd) van de wederpartij afgegeven rapporten, certificaten, vergunningen en overeenstemmingsmerken evenals de verklaringen van overeenstemming van de fabrikant waaruit blijkt dat de producten die op het moment van inwerkingtreding van het protocol van wijziging bij deze overeenkomst in hoofdstuk 11, afdeling I, punt A, van bijlage 1 zijn opgenomen, aan de eisen van de wederpartij voldoen.


2.    Om te vermijden dat procedures tweemaal worden uitgevoerd, aanvaarden de Gemeenschap en Zwitserland wederzijds de door erkende overeenstemmingsbeoordelingsorganen van de andere partij afgegeven rapporten, certificaten en vergunningen evenals de verklaringen van overeenstemming van de fabrikant, waaruit blijkt dat het betrokken product op de onder artikel 3 vallende gebieden aan hun respectieve voorschriften voldoet. In de rapporten, certificaten, vergunningen en verklaringen van overeenstemming van de fabrikant wordt met name vermeld dat het betrokken product in overeenstemming is met de communautaire wetgeving en kan worden verwezen naar de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen. Op de producten die in een partij in de handel worden gebracht, dienen de door de wetgeving van deze partij voorgeschreven overeenstemmingsmerken te worden aangebracht.”;

2)    artikel 3 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 3

Toepassingsgebied

1.    Deze overeenkomst heeft betrekking op de verplichte overeenstemmingsbeoordelingsprocedures die voortvloeien uit de in bijlage 1 vermelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en, wat de onder artikel 1, lid 2, vallende bepalingen betreft, op de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen.


2.    In bijlage 1 zijn de sectoren omschreven waarop deze overeenkomst van toepassing is. Deze bijlage is onderverdeeld in sectorale hoofdstukken die in beginsel als volgt zijn ingedeeld:

Afdeling I: Wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen;

Afdeling II: Overeenstemmingsbeoordelingsorganen;

Afdeling III: Aanwijzende autoriteiten;

Afdeling IV: Bijzondere regels voor de aanwijzing van overeenstemmingsbeoordelingsorganen;

Afdeling V: Aanvullende bepalingen (in voorkomend geval).

3.    Bijlage 2 omvat algemene bepalingen betreffende de aanwijzing van overeenstemmingsbeoordelingsorganen.”;

3)    artikel 9 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 9

Uitvoering van de overeenkomst

1.    De partijen waarborgen in onderlinge samenwerking de goede werking van de in bijlage 1 vermelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en, wat de onder artikel 1, lid 2, vallende bepalingen betreft, van de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen.


2.    De aanwijzende autoriteiten dragen met passende middelen zorg voor de naleving van de in bijlage 2 opgenomen algemene regels voor de aanwijzing van de erkende, onder hen ressorterende overeenstemmingsbeoordelingsorganen, onder voorbehoud van het bepaalde in de respectieve afdeling IV van bijlage 1.

3.    De erkende overeenstemmingsbeoordelingsorganen nemen op passende wijze deel aan de door elke partij verrichte coördinatie- en vergelijkingswerkzaamheden op de in bijlage 1 genoemde gebieden, met het oog op de uniforme toepassing van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures waarin is voorzien door de wetgeving van de partijen waarop deze overeenkomst van toepassing is. De aanwijzende autoriteiten stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de erkende overeenstemmingsbeoordelingsorganen op passende wijze samenwerken.”;

4)    artikel 10 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 10

Gemengd Comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité (hierna “het Comité” genoemd) ingesteld.

Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

2.    Het Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.


3.    Het Comité:

a)    het zorgt voor de goede werking, het doeltreffende beheer en de doeltreffende toepassing van deze overeenkomst;

b)    biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 10 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;

c)    doet aanbevelingen aan de partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;

d)    neemt besluiten wanneer deze overeenkomst daarin voorziet, en neemt, op voorstel van een van de partijen, een besluit om hoofdstukken toe te voegen aan bijlage 1 bij deze overeenkomst; en

e)    is verantwoordelijk voor:

–    het vaststellen van de procedure voor de in artikel 7 bedoelde verificaties;

–    het vaststellen van de procedure voor de in artikel 8 bedoelde verificaties;


–    het nemen van besluiten wanneer de erkenning van overeenstemmingsbeoordelingsorganen op grond van artikel 8 wordt betwist;

–    het nemen van besluiten wanneer de intrekking van de erkenning van overeenstemmingsbeoordelingsorganen op grond van artikel 8 wordt betwist; en

–    het nemen van een besluit tot wijziging van bijlage 2, op voorstel van een van de partijen, indien dit nodig is om de samenhang te waarborgen.

4.    Het Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.

Besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen nemen voor de uitvoering ervan.

5.    Het Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het komt ook bijeen op verzoek van een van beide partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

6.    Het Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.

7.    Het Comité kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.”;


5)    artikel 11 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 11

Erkenning, intrekking van de erkenning, wijziging van het werkingsgebied en schorsing van overeenstemmingsbeoordelingsorganen

1.    De erkenning van overeenstemmingsbeoordelingsorganen overeenkomstig de eisen in de relevante hoofdstukken van bijlage 1 en wat betreft de bepalingen die onder artikel 1, lid 2, vallen, de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen, geschiedt volgens de volgende procedure:

a)    Een partij die een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wenst te erkennen, stelt de wederpartij schriftelijk in kennis van haar daartoe strekkende voorstel dat van de nodige informatie vergezeld gaat.

b)    Indien de wederpartij het voorstel aanvaardt of niet binnen zestig dagen na kennisgeving van het voorstel bezwaar aantekent, wordt het overeenstemmingsbeoordelingsorgaan als erkend beschouwd in de zin van artikel 5.

c)    Indien de wederpartij bezwaar aantekent binnen deze termijn van zestig dagen, is artikel 8 van toepassing.


2.    Een partij kan de erkenning intrekken of schorsen of de schorsing van de erkenning van een onder haar ressorterend overeenstemmingsbeoordelingsorgaan intrekken. De betrokken partij stelt de wederpartij onverwijld schriftelijk in kennis van haar besluit en deelt tevens de datum van dit besluit mee. De intrekking of schorsing van de erkenning of de intrekking van de schorsing treedt op die datum in werking. Een dergelijke intrekking of schorsing wordt aangegeven in de gemeenschappelijke lijst van erkende overeenstemmingsbeoordelingsorganen waarnaar in bijlage 1 wordt verwezen.

3.    Een partij kan voorstellen dat het werkingsgebied van een erkend, onder haar ressorterend overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt gewijzigd. Voor de uitbreiding en inkrimping van het werkingsgebied zijn de in artikel 11, leden 1 en 2, beschreven procedures van toepassing.

4.    Een partij kan in uitzonderlijke omstandigheden de technische deskundigheid betwisten van een erkend overeenstemmingsbeoordelingsorgaan dat onder de wederpartij ressorteert. In dit geval is artikel 8 van toepassing.

5.    De partijen behoeven de door een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan na de intrekking of schorsing van de erkenning afgegeven rapporten, certificaten, vergunningen en overeenstemmingsmerken niet te erkennen. De door een overeenstemmingsbeoordelingsorgaan voor de intrekking van zijn erkenning afgegeven rapporten, certificaten, vergunningen en overeenstemmingsmerken worden door de partijen erkend, tenzij de verantwoordelijke aanwijzende autoriteit hun geldigheid heeft beperkt of herroepen. De partij onder wie deze verantwoordelijke aanwijzende autoriteit ressorteert, stelt de wederpartij schriftelijk in kennis van alle wijzigingen die verband houden met de beperking of herroeping van de geldigheid.”;


6)    artikel 12 wordt ingetrokken;

7)    artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)    de titel wordt vervangen door:

“Beroepsgeheim”;

b)    de volgende tekst wordt ingevoegd als tweede alinea:

“Technische aanpassingen van de desbetreffende hoofdstukken van bijlage 1 kunnen specifieke bepalingen bevatten voor de bescherming van informatie als bedoeld in de eerste alinea.”;

8)    het volgende nieuwe artikel wordt ingevoegd:

ARTIKEL 13 bis

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.

2.    Gerubriceerde informatie die of gerubriceerd materiaal dat in het kader van deze overeenkomst door de partijen wordt verstrekt of tussen hen wordt uitgewisseld, wordt behandeld en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en eventuele beveiligingsregelingen ter uitvoering daarvan.


3.    Het Comité stelt bij besluit instructies inzake het behandelen vast ter bescherming van gevoelige niet-gerubriceerde informatie die tussen de partijen wordt uitgewisseld.”;

9)    artikel 17 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 17

Territoriale toepassing

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”.


ARTIKEL 2

Wijzigingen van bijlage 1

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1)    na de lijst van hoofdstukken wordt de volgende tekst ingevoegd:

“ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst. Met het oog op duidelijkheid en gezien de specifieke kenmerken van deze overeenkomst is het voorgaande alleen van toepassing wanneer die rechten en verplichtingen onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen.

ARTIKEL 2

1.    Wanneer een lidstaat van de Unie informatie aan de Europese Commissie (de “Commissie”) moet verstrekken, verstrekt Zwitserland die informatie aan de Commissie via het Comité. Wanneer de Commissie informatie moet verstrekken aan een of meer lidstaten van de Unie, verstrekt zij, wat Zwitserland betreft, die informatie via het Comité aan Zwitserland, tenzij in technische aanpassingen van de specifieke hoofdstukken van deze bijlage anders is bepaald.


2.    Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Unie informatie moeten verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat van de Unie, verstrekken zij die informatie ook aan de bevoegde autoriteiten van Zwitserland en stellen zij de Commissie daarvan in kennis, tenzij in technische aanpassingen van de specifieke hoofdstukken van deze bijlage anders is bepaald. De bevoegde autoriteiten van Zwitserland verstrekken informatie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Unie en stellen de Commissie daarvan in kennis.

3.    Het Comité kan door middel van technische aanpassingen van de specifieke hoofdstukken van deze bijlage passende oplossingen overeenkomen voor de rechtstreekse uitwisseling van informatie op gebieden waar een snelle overdracht van informatie nodig is.

4.    De leden 1 en 2 laten de sectorspecifieke regels en regelingen voor de uitwisseling van informatie door middel van informatiesystemen onverlet.

ARTIKEL 3

Wanneer een in deze bijlage opgenomen rechtshandeling van de Unie vereist dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Unie of de marktdeelnemers in de lidstaten van de Unie informatie of gegevens verstrekken met behulp van digitale instrumenten, en indien dit relevant is voor de uitvoering van deze overeenkomst, wordt in elk specifiek hoofdstuk van deze bijlage bepaald of de Zwitserse bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers in Zwitserland die informatie en/of gegevens mogen verstrekken via de desbetreffende Zwitserse interface. Indien in een specifiek hoofdstuk van deze bijlage het gebruik van een dergelijke interface wordt toegestaan, worden de omvang en de voorwaarden van dat gebruik in hetzelfde hoofdstuk overeengekomen en vastgesteld.


ARTIKEL 4

1.    Wanneer bij de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie of de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen, specifieke verplichtingen worden opgelegd aan marktdeelnemers, personen of entiteiten die respectievelijk in de Unie of Zwitserland zijn gevestigd, kunnen de verplichtingen, wanneer dit relevant is voor de uitvoering van deze overeenkomst, ook worden nagekomen door marktdeelnemers, personen of entiteiten die respectievelijk in Zwitserland of in de Unie zijn gevestigd, tenzij in technische aanpassingen van de specifieke hoofdstukken van deze bijlage anders is bepaald.

2.    Wanneer in de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie of de overeenkomstige Zwitserse bepalingen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het protocol betreffende de instellingen, is bepaald dat een marktdeelnemer, persoon of entiteit als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel specifieke informatie aan de bevoegde autoriteiten van een partij ter beschikking moet stellen, kunnen deze autoriteiten contact opnemen met de bevoegde autoriteiten van de wederpartij of rechtstreeks contact opnemen met deze marktdeelnemers, personen of entiteiten op het grondgebied van de wederpartij om die informatie te verkrijgen.”;

2)    in hoofdstuk 4 wordt de volgende zin ingevoegd op een plaats die bij de uitvoering van de technische werkzaamheden moet worden bepaald:

“Met het oog op duidelijkheid neemt Zwitserland als waarnemer deel aan het Comité voor medische hulpmiddelen en aan de Coördinatiegroep voor medische hulpmiddelen, overeenkomstig het desbetreffende reglement van orde.”;


3)    in hoofdstuk 5 wordt na de titel de volgende alinea ingevoegd:

“Dit hoofdstuk heeft betrekking op gasverbrandingstoestellen zoals gedefinieerd in de in afdeling I, punt 1, van dit hoofdstuk genoemde Verordening (EU) 2016/426, alsook op de eisen inzake energie-efficiëntie en emissies voor olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels zoals gedefinieerd in de in afdeling I, punt 2, van dit hoofdstuk genoemde Richtlijn 92/42/EEG.”;

4)    in hoofdstuk 5 wordt afdeling I vervangen door:

“Afdeling I

Wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen

Bepalingen bedoeld in artikel 1, lid 2

Europese Unie

1.

Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van Richtlijn 2009/142/EG. (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 99).

2.

Richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels (PB L 167 van 22.6.1992, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PB L 239 van 6.9.2013, blz. 136).”;


5)    in hoofdstuk 11 wordt afdeling I vervangen door:

“Afdeling I

Wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen

A.    Bepalingen bedoeld in artikel 1, lid 1

Europese Unie

1.

Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, tot intrekking van de Richtlijnen 75/106/EEG en 80/232/EEG van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 76/211/EEG van de Raad (PB L 247 van 21.9.2007, blz. 17), van toepassing vanaf 11 april 2009.

Zwitserland

100.

Beschikking van 5 september 2012 betreffende de opgave van hoeveelheden voor onverpakte en voorverpakte producten (RS 941.204), zoals gewijzigd.

101.

Beschikking van het Federaal Ministerie van Justitie en Politie van 10 september 2012 betreffende de opgave van hoeveelheden voor onverpakte en voorverpakte producten (RS 941.204.1), zoals gewijzigd.


B.    Bepalingen bedoeld in artikel 1, lid 2

Europese Unie

1.

Richtlijn 2009/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende voor meetmiddelen en metrologische controlemethoden geldende algemene bepalingen (herschikking) (PB L 106 van 28.4.2009, blz. 7).

2.

Richtlijn 75/107/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake flessen, gebruikt als tapmaat (PB L 42 van 15.2.1975, blz. 14).

3.

Richtlijn 76/211/EEG van de Raad van 20 januari 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde producten in voorverpakkingen (PB L 46 van 21.2.1976, blz. 1).

4.

Richtlijn 80/181/EEG van de Raad van 20 december 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden, en tot intrekking van Richtlijn 71/354/EEG (PB L 39 van 15.2.1980, blz. 40) laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2009/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 114 van 7.5.2009, blz. 10).

5.

Richtlijn 2014/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 107).

6.

Richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 149).

7.

Richtlijn 2011/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 houdende intrekking van de Richtlijnen 71/317/EEG, 71/347/EEG, 71/349/EEG, 74/148/EEG, 75/33/EEG, 76/765/EEG, 76/766/EEG en 86/217/EEG van de Raad inzake metrologie (PB L 71 van 18.3.2011, blz. 1).”;

6)    in hoofdstuk 15 wordt de volgende zin ingevoegd op een plaats die bij de uitvoering van de technische werkzaamheden moet worden bepaald:

“Niettegenstaande artikel 4 van het protocol betreffende de instellingen neemt Zwitserland niet deel aan en worden de deskundigen van Zwitserland niet geraadpleegd over de opstelling van de daarin bedoelde voorstellen en ontwerpen met betrekking tot de ontwikkeling, de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van geneesmiddelen, ook niet in het kader van procedures in verband met geneesmiddelen. De toepassing door Zwitserland van de desbetreffende bepalingen van de in deze afdeling vermelde rechtshandelingen van de Unie, overeenkomstig artikel 1 van bijlage 1, geeft Zwitserland niet het recht om deel te nemen aan het Europees Geneesmiddelenbureau, met uitzondering van deelname als waarnemer aan de vergaderingen van de werkgroep van inspecteurs inzake goede productie- en distributiepraktijken, overeenkomstig het desbetreffende reglement van orde.”.

ARTIKEL 3

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.


2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;


h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.


Gedaan te […], op […], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

PROTOCOL BETREFFENDE DE INSTELLINGEN
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING

VAN DE OVEREENSTEMMINGSBEOORDELING

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;

ERAAN HERINNEREND dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;


OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;

BESEFFENDE dat het waarborgen van uniformiteit op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt, van belang is,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen

1.    Dit protocol heeft tot doel de overeenkomstsluitende partijen en de marktdeelnemers en particulieren meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te bieden op het gebied van de interne markt dat onder het toepassingsgebied valt van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst” genoemd).

2.    Hiertoe voorziet dit protocol in nieuwe institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen mogelijk maken. Rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht bevat dit protocol met name institutionele oplossingen voor de overeenkomst die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied of de doelstellingen van de overeenkomst worden gewijzigd, met name:

a)    de procedure om de overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor de overeenkomst;


b)    de eenvormige uitlegging en toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van de overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van de overeenkomst.

ARTIKEL 2

Verhouding tot de overeenkomst

1.    Dit protocol, de bijlage daarbij, en het aanhangsel daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.

2.    De bij dit protocol ingetrokken bepalingen van de overeenkomst worden hieronder opgesomd:

a)    artikel 1, lid 3;

b)    artikel 14;

c)    artikel 19.

3.    Verwijzingen in de overeenkomst naar de “Europese Gemeenschap” of naar de “Gemeenschap” gelden als verwijzingen naar de Unie.


ARTIKEL 3

Bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel dat een evenwicht tussen rechten en verplichtingen tussen de Unie en Zwitserland waarborgt.

2.    De overeenkomst is een bilaterale overeenkomst op een gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.


HOOFDSTUK 2

AFSTEMMING VAN DE OVEREENKOMST
OP RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 4

Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder de overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg in het Gemengd Comité op belangrijke momenten in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijke deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.


3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van de overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 5, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.

ARTIKEL 5

Opneming van rechtshandelingen van de Unie

1.    Om de rechtszekerheid en de homogeniteit van het recht op het gebied van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens deze overeenkomst deelneemt, te waarborgen, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder de overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de overeenkomst worden opgenomen.


2.    Zwitserland stelt in zijn rechtsorde bepalingen vast of handhaaft deze teneinde de resultaten te verwezenlijken die moeten worden bereikt door de rechtshandelingen van de Unie die in de overeenkomst zijn opgenomen overeenkomstig lid 4, in voorkomend geval met inachtneming van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft beslist.

3.    De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de overeenkomst vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.

4.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van bijlage 1 bij de overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van de overeenkomst met bijlage 1, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, de herziening van de overeenkomst ter goedkeuring door de overeenkomstsluitende partijen, volgens hun interne procedures, voorleggen.

6.    Verwijzingen in de overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden als verwijzingen naar de rechtshandeling van de Unie die strekt tot intrekking ervan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van bijlage 1 bij de overeenkomst overeenkomstig lid 4, tenzij in dat besluit anders is bepaald.

7.    De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van een van de volgende uitzonderingen vallen:

–    artikel 1, lid 1.


8.    Met inachtneming van artikel 6 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

9.    De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.

ARTIKEL 6

Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Gedurende de in artikel 5, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 5, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.

2.    Wanneer het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.

3.    In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.


De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 7

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.


2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing daarvan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van de overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van de overeenkomst uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL 8

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van de overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité.

Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om een aanvaardbare oplossing te vinden.


4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van de overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 10 bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet de overeenkomst daarin specifiek voorzien.

ARTIKEL 9

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van een door de Commissie op basis van de overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.


ARTIKEL 10

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen drie maanden na de datum waarop het in lid 1 bedoelde probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd geen oplossing kan vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels in het aanhangsel.

3.    Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 7, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die onder een uitzondering op de in artikel 5, lid 7, bedoelde verplichting tot dynamische aanpassing valt, en het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het recht van de Unie, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


4.    Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om de beslissing van het scheidsgerecht na te leven.


ARTIKEL 11

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het aanhangsel vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om de beslissing van het scheidsgerecht na te leven, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van oordeel is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of van enige andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij deze overeenkomst niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. Deze compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen niet heeft besloten om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het aanhangsel ter arbitrage voorleggen.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het aanhangsel vastgestelde termijnen een beslissing.


4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.

ARTIKEL 12

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Om de homogene uitlegging te bevorderen, komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing verzoekt over een vraag over de uitlegging van de overeenkomst of van een bepaling van een daarin vermelde rechtshandeling van de Unie.


HOOFDSTUK 4

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 13

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de in artikel 1 van de bijlage vermelde agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waartoe het toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en de bijlage.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van de bijlage vaststellen.

2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland de betalingstermijn niet in acht neemt overeenkomstig de betalingsvoorwaarden van artikel 2 van de bijlage.

Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is gedaan, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.


3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een deelnamevergoeding.

4.    De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Europese Unie tegen marktprijzen.

Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1 van de bijlage.


De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in euro verricht.

10.    Wanneer de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 5 van de bijlage vastgestelde methode en betalingswijzen.

11.    De bijlage bevat nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel.

12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van de bijlage en past het deze zo nodig aan.


ARTIKEL 14

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 17 van de overeenkomst.

ARTIKEL 15

Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie

Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden de verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.


ARTIKEL 16

Inwerkingtreding en uitvoering van rechtshandelingen van de Unie

1.    De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.

2.    De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 5, lid 8, en artikel 6, lid 5, alsook uit bepalingen inzake overgangsregelingen.

ARTIKEL 17

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangegeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.


HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 18

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar kunnen brengen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, te waarborgen en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van hun doelstellingen in gevaar kunnen brengen.

ARTIKEL 19

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.


2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;


h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 20

Wijziging en opzegging

1.    Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen op elk moment worden gewijzigd.


2.    Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 21, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 21, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.

3.    Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, behouden. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.

Gedaan te […], op […], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE

BIJLAGE INZAKE DE TOEPASSING
VAN ARTIKEL 13 VAN HET PROTOCOL

ARTIKEL 1

Lijst van activiteiten van de agentschappen,
informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie

waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

geen.

b)    informatiesystemen:

EudraGMDP, opgericht bij Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik 1 .


c)    andere activiteiten:

geen.

ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 13 van het protocol verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het verzoek tot storting van het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding.


3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn ingeschreven in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding als bedoeld in artikel 13, lid 7, van het protocol; en

c)    wat de agentschappen betreft, in jaar N+1 de bedragen aan begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd voor desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie ten opzichte van de jaarlijkse begroting van de Unie die is (zijn) opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van de overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.


6.    Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:

a)    De eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit.

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

b)    Indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, elk informatiesysteem of elke andere activiteit.

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.


8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.

ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland
aan de agentschappen van de Unie in het licht van de uitvoering

De aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie vindt plaats in jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd uit hoofde van de desbetreffende begrotingspost(en) voor subsidie van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1.


ARTIKEL 4

Bestaande regelingen

Artikel 13 van het protocol en deze bijlage zijn niet van toepassing op specifieke regelingen tussen Zwitserland en de Unie die financiële bijdragen van Zwitserland omvatten. De agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten die onder dergelijke regelingen vallen, zijn:

Europees Agentschap voor chemische stoffen, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie, alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

ARTIKEL 5

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet 1 januari is, is dit artikel van toepassing in afwijking van artikel 2.


Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage voor het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de verschuldigde jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het protocol tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.



Aanhangsel

AANHANGSEL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “de partijen” genoemd) overeenkomstig artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol een geschil aan arbitrage onderwerpt, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.


ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.


ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.

2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol) en:

i)    in de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol; en


ii)    in de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 10, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

4.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

2.    In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.


3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Als hulp bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht wordt een indicatieve lijst opgesteld en waar nodig bijgewerkt van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te […] op […] (hierna de “gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd) en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.


4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.

ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.


5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.

ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.


ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.

2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.


ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol.

2.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.

3.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.


5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.

ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.


3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 1, van het protocol kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.

ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 7 en artikel 10, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.


3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van de overeenkomst; en

c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het protocol.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.


ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en


c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 11, lid 2, van het protocol wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.


2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.


2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van de partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.

ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.


2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.


HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.

ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.


4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.

6.    In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.


2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 7 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 11, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.

ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten, die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.


3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.

4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.


2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.

ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.


2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.


3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.

________________

(1)    Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


PROTOCOL VAN WIJZIGING
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE DE HANDEL IN LANDBOUWPRODUCTEN

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna “de partijen” genoemd;

HERINNEREND AAN de doelstelling van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd), om de vrije handelsbetrekkingen tussen de partijen te versterken door de toegang tot de markt voor landbouwproducten van de andere partij te vergemakkelijken;

HERINNEREND AAN de soevereiniteit van de partijen over hun landbouwbeleid;

ONDERKENNEND dat de overeenkomst moet worden gewijzigd naar aanleiding van het tot stand brengen van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid bij het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid, gedaan te [...] op [...] (hierna het “protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid” genoemd), dat betrekking heeft op bepaalde gebieden die tot dusver onder de overeenkomst vielen;

ONDERKENNEND dat de institutionele bepalingen van de overeenkomst moeten worden aangepast, de doeltreffendheid en efficiëntie van de overeenkomst moeten worden vergroot en de samenhang met de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid moet worden gewaarborgd;



BEVESTIGEND dat de overeenkomst gebaseerd moet zijn op gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen de voordelen, rechten en verplichtingen van de partijen op de gebieden die onder de overeenkomst vallen;

HERINNEREND AAN het intrinsieke verband tussen de overeenkomst en de zes andere overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

BEVESTIGEND dat er een intrinsieke verband is tussen de overeenkomst en de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid die tot stand is gebracht bij het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid, waarmee zij een samenhangend geheel vormt;

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



ARTIKEL 1

Wijzigingen van de overeenkomst en de bijlagen

De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)    alle verwijzingen naar de “Europese Gemeenschap” of naar “de Gemeenschap” in de overeenkomst worden opgevat als verwijzingen naar de Europese Unie;

(2)    artikel 5 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 5

Opheffing van technische handelsbelemmeringen voor landbouwproducten

Teneinde de handel in landbouwproducten te bevorderen, heffen de partijen technische belemmeringen op of beperken zij deze, overeenkomstig de volgende bijlagen bij de overeenkomst:

−    bijlage 7 inzake de handel in wijnbouwproducten;

−    bijlage 8 betreffende de wederzijdse erkenning en bescherming van de benamingen van gedistilleerde dranken en gearomatiseerde dranken op basis van wijn;

−    bijlage 9 inzake biologische landbouwproducten en biologische levensmiddelen;

−    bijlage 10 betreffende de erkenning van de normcontroles voor verse groenten en fruit;



−    bijlage 12 inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen.”;

(3)    artikel 6 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 6

Gemengd Landbouwcomité

1.    Hierbij wordt een Gemengd Landbouwcomité opgericht.

Het Gemengd Landbouwcomité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

2.    Het Gemengd Landbouwcomité wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Landbouwcomité heeft de volgende taken:

a)    het zorgt voor de goede werking en een doeltreffende uitvoering en toepassing van deze overeenkomst;

b)    het voorziet in een forum voor onderlinge raadpleging en voortdurende informatie-uitwisseling tussen de partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst overeenkomstig artikel 7 bis;



c)    het doet aanbevelingen aan de partijen in aangelegenheden die verband houden met deze overeenkomst;

d)    het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en

e)    het voert alle andere bevoegdheden uit die het in deze overeenkomst zijn toegekend.

4.    Het Gemengd Landbouwcomité neemt besluiten bij eenparigheid van stemmen.

De besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

5.    Het Gemengd Landbouwcomité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het komt ook bijeen op verzoek van een van beide partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Landbouwcomité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

Het Gemengd Landbouwcomité kan via een schriftelijke procedure besluiten nemen.

6.    Het Gemengd Landbouwcomité stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast.

7.    Het Gemengd Landbouwcomité kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen in te stellen die het bij de uitoefening van zijn taken kunnen bijstaan.”;



(4)    artikel 7 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 7

Exclusiviteitsbeginsel

De partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst uitsluitend te beslechten via de in deze overeenkomst vastgestelde procedures.”;

(5)    de volgende artikelen worden ingevoegd:

“ARTIKEL 7 bis

Procedure in geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst plegen de partijen overleg in het Gemengd Landbouwcomité om een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Landbouwcomité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Landbouwcomité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Landbouwcomité niet binnen drie maanden na datum van voorlegging van het in lid 1 bedoelde probleem tot een oplossing kan komen, kan elk van de partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de in het protocol bij de overeenkomst betreffende het scheidsgerecht vastgestelde regels.



3.    Elke partij neemt alle nodige maatregelen om de uitspraak van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht deze overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de wederpartij via het Gemengd Landbouwcomité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen.

4.    De in lid 2 van dit artikel bedoelde procedure laat de in de bijlagen 1 tot en met 3 bij deze overeenkomst verleende en vastgestelde concessies en het beheer daarvan onverlet.

ARTIKEL 7 ter

Compenserende maatregelen

1.    Indien de partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht deze overeenkomst niet heeft nageleefd, de wederpartij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het protocol bij de overeenkomst betreffende het scheidsgerecht vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen, of indien de wederpartij van oordeel is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze wederpartij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van deze overeenkomst of het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid (hierna “compenserende maatregelen” genoemd) om een mogelijke onbalans te verhelpen. Zij stelt de partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht de overeenkomst niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.



2.    Indien het Gemengd Landbouwcomité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om die compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of nietig te verklaren, kan elke partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen aan arbitrage onderwerpen overeenkomstig het protocol bij deze overeenkomst betreffende het scheidsgerecht.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 3, van het protocol bij deze overeenkomst betreffende het scheidsgerecht vastgestelde termijnen een beslissing.

4.    De compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. Met name de rechten en verplichtingen die particulieren en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, blijven behouden.”;

(6)    in artikel 9 wordt de titel vervangen door:

“Beroepsgeheim”;

(7)    het volgende artikel wordt ingevoegd:

“ARTIKEL 9 bis

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.



2.    In het kader van deze overeenkomst door de partijen verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie of materialen worden verwerkt en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie betreffende beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en elke beveiligingsregeling ter uitvoering daarvan.

3.    Het Gemengd Landbouwcomité stelt bij besluit instructies inzake het behandelen vast om de bescherming te garanderen van gevoelige niet-gerubriceerde informatie die tussen de partijen wordt uitgewisseld.”;

(8)    in artikel 11, artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 2, worden de woorden “het Comité” vervangend door de woorden “het Gemengd Landbouwcomité”;

(9)    artikel 15 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 15

Bijlagen, aanhangsels en protocollen

De bijlagen bij deze overeenkomst, met inbegrip van de aanhangsels, en het protocol bij deze overeenkomst betreffende het scheidsgerecht vormen een integrerend bestanddeel daarvan.”;



(10)    artikel 16 wordt vervangen door:

“ARTIKEL 16

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”;

(11)    aan artikel 17 worden de volgende leden toegevoegd:

“5.    Wanneer deze overeenkomst overeenkomstig lid 3 wordt beëindigd, is het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid vanaf de in lid 4 bedoelde datum niet langer van toepassing.

6.    De rechten en verplichtingen van personen en marktdeelnemers krachtens deze overeenkomst blijven onverlet wanneer deze overeenkomst niet langer van toepassing is. De partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.”;

(12)    de bijlagen 4, 5, 6 en 11 worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid;

(13)    de in de bijlage bij dit protocol uiteengezette tekst wordt toegevoegd als een protocol bij de overeenkomst.



ARTIKEL 2

Voorlopige toepassing van de bijlagen 4, 5, 6 en 11 bij de overeenkomst

De gevolgen van de bijlagen 4, 5, 6 en 11 blijven van kracht tijdens de overgangsperiode die is vastgesteld in artikel 32 van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid, die overeenkomstig die bepaling ingaat op de datum van inwerkingtreding van dat protocol en uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding ervan afloopt.

Voor de toepassing van de overeenkomst wordt de datum van het einde van die overgangsperiode vastgesteld bij een besluit van het bij artikel 6 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Landbouwcomité, na kennisgeving door het bij artikel 11 van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid opgerichte Gemengd Comité voor Voedselveiligheid.

ARTIKEL 3

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de partijen bekrachtigd of goedgekeurd volgens hun eigen procedures. De partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.



2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;



g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

j)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.



Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE

PROTOCOL
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE DE HANDEL IN LANDBOUWPRODUCTEN

BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de partijen (hierna “partijen” genoemd) een geschil ter arbitrage voorlegt overeenkomstig artikel 7 bis, lid 2, of artikel 7 ter, lid 2, van de overeenkomst, zijn de regels van dit protocol van toepassing.



ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.

ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.



4.    De in dit protocol vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.

2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;



d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 7 bis, lid 2, of artikel 7 ter, lid 2, van deze overeenkomst) en:

i)    in de in artikel 7 bis, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Landbouwcomité geplaatst overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1, van de overeenkomst; en

ii)    in de in artikel 7 ter, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 7 bis, lid 3, van de overeenkomst bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

4.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

2.    Het ontbreken van, of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

3.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.


ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde op eigen initiatief of op verzoek van een partij verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.

HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.


ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Ter ondersteuning van de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht wordt een indicatieve lijst opgesteld en zo nodig bijgehouden van personen die beschikken over de in lid 6 bedoelde kwalificaties, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te […] op […] (hierna de “gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd) en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Landbouwcomité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.


5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.

6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.


3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.

ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.


5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.

ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.


2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit protocol. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen.


3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 7 bis, lid 2, of artikel 7 ter, lid 2, van deze overeenkomst.

2.    In de in artikel 7 bis, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Landbouwcomité geplaatst overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1, van de overeenkomst;

3.    In de in artikel 7 ter, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid.


4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.


ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 7 ter, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop de compenserende maatregelen overeenkomstig artikel 7 ter, lid 1, van de overeenkomst zijn meegedeeld.


ARTIKEL III.9

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 7 ter, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en


c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

6.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 7 ter, lid 2, van de overeenkomst wordt genomen.

7.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.10

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.


2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.11

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.


2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.

ARTIKEL III.12

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.


De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.11, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

ARTIKEL III.13

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.


HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.

ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.


4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Landbouwcomité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.

6.    In de in artikel 7 bis, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 7 bis, lid 3, van de overeenkomst, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijk recht bestaat uit de overeenkomst, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing ervan.


2.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid zoals genoemd in artikel 7 ter, lid 1, van de overeenkomst, zijn bindend voor het scheidsgerecht.

3.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.

ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.


3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.

4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.


2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.

ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Landbouwcomité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.


2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.


3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Landbouwcomité kan bij besluit wijzigingen van dit protocol vaststellen.

________________

PROTOCOL
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE DE HANDEL IN LANDBOUWPRODUCTEN

TOT VASTSTELLING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VOOR VOEDSELVEILIGHEID

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna “de partijen” genoemd;

VASTBESLOTEN de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders in de gehele voedselketen op het grondgebied van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland te verbeteren door een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid tot stand te brengen ter aanvulling van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

STREVEND naar het voorkomen en bestrijden van overdraagbare dierziekten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid en de voedselveiligheid;

STREVEND naar het voorkomen en bestrijden van plantenplagen en -ziekten;

STREVEND naar het bestrijden van antimicrobiële resistentie;

BEVESTIGEND dat zij bereid zijn de bescherming van dieren te verbeteren en het dierenwelzijn te bevorderen;

STREVEND naar het waarborgen van eerlijke praktijken in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen en diervoeders en het intensiveren van de strijd tegen frauduleuze of bedrieglijke praktijken in de agrovoedingsketen;



GELEID DOOR DE WENS hun inspanningen te intensiveren om hun standpunten te coördineren en elkaar te ondersteunen bij hun werkzaamheden binnen internationale organisaties;

HERINNEREND AAN het feit dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;

HERINNEREND AAN het feit dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de Partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;

OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om dit protocol in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;

ZICH BEWUST van de noodzaak om uniformiteit te waarborgen op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doel

Dit protocol heeft tot doel het toepassingsgebied van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), uit te breiden tot de gehele voedselketen door een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid tussen de partijen tot stand te brengen en voor de partijen, en voor marktdeelnemers en personen, meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te waarborgen op het gebied van de interne markt dat binnen het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid valt.

ARTIKEL 2

Toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid omvat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten; diergezondheid en dierenwelzijn; plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen; plantaardig teeltmateriaal; antimicrobiële resistentie; fokken van dieren; contaminanten en residuen; materialen en artikelen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen; etikettering; evenals de bijbehorende officiële controles.



ARTIKEL 3

Bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt 
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel dat een evenwicht tussen rechten en verplichtingen tussen de Unie en Zwitserland waarborgt.

2.    Dit protocol vormt een bilaterale overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

ARTIKEL 4

Definitie

Voor de toepassing van dit protocol wordt onder “rechtshandelingen die zijn vastgesteld op basis van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen” verstaan de rechtshandelingen die overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) als gedelegeerde of uitvoeringshandelingen zijn aangewezen, alsmede andere niet-wetgevingshandelingen die zijn vastgesteld op grond van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen.



DEEL II

GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VOOR VOEDSELVEILIGHEID

ARTIKEL 5

Vaststelling en doelstellingen van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid

1.    De partijen brengen hierbij een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid tot stand.

2.    De doelstellingen van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid zijn:

a)    het verbeteren van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders in de hele voedselketen;

b)    het waarborgen van een hoog niveau van gezondheid van mensen, dieren en planten in de hele voedselketen en in alle sectoren waar de bestrijding van de mogelijke verspreiding van dierziekten, met inbegrip van ziekten die op mensen overdraagbaar zijn, of van plaagorganismen die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten een belangrijke doelstelling is, en het waarborgen van de bescherming van het milieu tegen risico’s die kunnen voortvloeien uit gewasbeschermingsmiddelen;

c)    het op geïntegreerde wijze uitvoeren van geharmoniseerde normen die op de gehele voedselketen van toepassing zijn;

d)    het intensiveren van inspanningen ter bestrijding van antimicrobiële resistentie;

e)    het verbeteren van de bescherming van dieren en het bevorderen van hoge normen voor dierenwelzijn; en


f)    het intensiveren van de gezamenlijke inspanningen van de partijen om hun standpunten te coördineren en elkaar te ondersteunen bij hun werkzaamheden binnen internationale organisaties.

ARTIKEL 6

Werking van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid

De partijen zorgen voor de doeltreffende werking van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid. Daartoe beschouwt de Unie Zwitserland niet als een derde land met betrekking tot de rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig artikel 13 in dit protocol zijn opgenomen of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, mits Zwitserland voldoet aan zijn verplichting om al die rechtshandelingen overeenkomstig dit protocol toe te passen.

ARTIKEL 7

Uitzonderingen

1.    De verplichting om de in artikel 13 vermelde rechtshandelingen op te nemen en de in artikel 15 vermelde verplichting om de op basis van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen vastgestelde rechtshandelingen tijdelijk toe te passen, zijn niet van toepassing op de volgende gebieden:

a)    de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en het in de handel brengen van producten die geheel of ten dele uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan en van levensmiddelen en diervoerders die met genetisch gemodificeerde organismen zijn geproduceerd.



Op dit gebied mag Zwitserland de bepalingen van Zwitsers recht blijven toepassen, onder de volgende voorwaarden:

−    Zwitserland staat het in de handel brengen toe van in de Unie toegelaten levensmiddelen en diervoeders die accidentele of technisch niet te voorkomen sporen bevatten van materiaal dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit of is geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen die de in het Unierecht vastgestelde drempelwaarde niet overschrijden, waarboven die levensmiddelen of diervoeders moeten worden geëtiketteerd als zijnde genetisch gemodificeerde organismen bevattend of als zijnde geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen;

−    Zwitserland staat het in de handel brengen en het gebruik toe van diervoeders die zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen die in de Unie zijn toegelaten;

b)    dierenwelzijn, onder meer wat betreft de minimumnormen voor de bescherming van dieren die voor landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden, de bescherming van levende gewervelde dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en bepaalde verplichte etiketteringsvoorschriften.

Op dit gebied mag Zwitserland de bepalingen van het Zwitserse recht blijven toepassen:

i)    betreffende de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren;

ii)    betreffende het vervoer van dieren op het eigen grondgebied, met inbegrip van de doorvoer van runderen, schapen, geiten, varkens, paarden of pluimvee voor de slacht, en waarbij wordt vastgesteld dat die doorvoer alleen per spoor of door de lucht is toegestaan;



iii)    betreffende de verplichte etikettering van dierlijke producten die zijn geproduceerd door middel van pijnlijke procedures zonder verdoving of die zijn geproduceerd door middel van dwangvoeding, en waarbij wordt bepaald dat:

−    de producten die in Zwitserland worden ingevoerd en die zijn verkregen van dieren die een pijnlijke procedure zonder voorafgaande verdoving hebben ondergaan, specifiek moeten worden geëtiketteerd wanneer zij aan de consument ter beschikking worden gesteld. Technieken zoals onthoornen, castreren, staartcouperen, snavelverkorten of afsnijden van kikkerbilletjes vallen onder de term “pijnlijke procedures” indien deze zonder voorafgaande anesthesie worden uitgevoerd. De etiketteringsverplichting is niet van toepassing indien een verbod op dergelijke praktijken bij wet is geregeld in het land van oorsprong of indien de productie als vrij van die praktijken is gecertificeerd;

−    de producten die het resultaat zijn van een productieproces dat dwangvoeding omvat, specifiek moeten worden geëtiketteerd wanneer zij aan consumenten in Zwitserland ter beschikking worden gesteld;

iv)    betreffende de etiketteringsvoorschriften voor het fokken van als landbouwhuisdier gehouden konijnen en legkippen voor de productie van eieren, waarbij wordt bepaald dat kippeneieren en konijnenvlees van in kooien gehouden dieren die in Zwitserland worden ingevoerd, specifiek moeten worden geëtiketteerd wanneer zij aan consumenten in Zwitserland ter beschikking worden gesteld. De etiketteringsverplichting is niet van toepassing indien een verbod op dergelijke praktijken bij wet is geregeld in het land van oorsprong of indien de productie als vrij van die praktijken is gecertificeerd;

v)    betreffende het instellen en toepassen van een invoerverbod voor bont en bontproducten die op wrede wijze zijn geproduceerd;



c)    de invoer van rundvlees van runderen die met groeihormonen kunnen zijn behandeld.

Op dit gebied mag Zwitserland de bepalingen van Zwitsers recht blijven toepassen, onder de volgende voorwaarden:

−    dergelijk vlees wordt uitsluitend voor de binnenlandse consumptie ingevoerd en het in de Unie in de handel brengen van dergelijk vlees blijft verboden;

−    het gebruik van dit vlees wordt beperkt tot de rechtstreekse verkoop aan de consument door detailhandelsbedrijven, onder passende etiketteringsvoorwaarden;

−    het binnenbrengen in Zwitserland daarvan wordt beperkt tot alleen Zwitserse grensinspectieposten;

−    een passend traceerbaarheids- en kanalisatiesysteem wordt toegepast om elke mogelijkheid van het later binnenbrengen van het vlees op het grondgebied van de lidstaten van de Unie te voorkomen;

−    Zwitserland dient éénmaal per jaar bij de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) een verslag over de oorsprong en de bestemming van de invoer en een lijst van de uitgevoerde controles in om de Commissie in staat te stellen na te gaan of de bij de vorige streepjes genoemde voorwaarden zijn nageleefd.


2.    Op verzoek van een van de partijen worden belangrijke ontwikkelingen in de rechtsorde van de partijen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde gebieden besproken in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid.

ARTIKEL 8

Steun in internationale organisaties

De partijen komen overeen te streven naar coördinatie van hun standpunten en elkaar te steunen in internationale organisaties op het gebied dat onder de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid valt.

ARTIKEL 9

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere in artikel 1 van bijlage II vermelde activiteiten van de Unie waartoe het land toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en bijlage II.

Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid kan een besluit tot wijziging van bijlage II vaststellen.

2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland de betalingstermijn niet in acht neemt overeenkomstig de betalingsvoorwaarden van artikel 2 van bijlage II.


Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die aanmaningsbrief geen volledige betaling is verricht, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.

3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een vergoeding voor deelname.

4.    De financiële bijdrage neemt de vorm aan van een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de verzoeken tot storting van de Commissie.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen.

Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.


6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is ingeschreven in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met een aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1 van bijlage II.

De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals uiteengezet in documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse vergoeding voor deelname bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen van Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in euro’s verricht.

10.    Indien de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 4 van bijlage II vastgestelde methode en betalingsvoorwaarden.

11.    Bijlage II bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.


12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van bijlage II en past het deze in voorkomend geval aan.

DEEL III

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 10

Doelstellingen

Teneinde het beoogde doel van dit protocol te bereiken, bevat dit deel institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de partijen op de gebieden die onder de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid vallen, mogelijk maken. Met inachtneming van de beginselen van het internationaal recht worden in dit deel met name institutionele oplossingen voor de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid vastgesteld die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die zijn of zullen worden gesloten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder het toepassingsgebied of de doelstellingen van dit protocol te wijzigen, met name:

a)    de procedure voor de aanpassing van dit protocol aan de voor dit protocol relevante rechtshandelingen van de Unie;


b)    de uniforme uitlegging en toepassing van dit protocol en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van dit protocol; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van dit protocol.

ARTIKEL 11

Gemengd Comité voor Voedselveiligheid

1.    Hierbij wordt een Gemengd Comité voor Voedselveiligheid opgericht.

Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

2.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid heeft de volgende taken:

a)    het zorgt voor de goede werking en een doeltreffende uitvoering en goed beheer van dit protocol;



b)    het voorziet in een forum voor onderlinge raadpleging en voortdurende informatie-uitwisseling tussen de partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van dit protocol of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen overeenkomstig artikel 20;

c)    het doet aanbevelingen aan de partijen in aangelegenheden die verband houden met dit protocol;

d)    het neemt besluiten op gebieden waarin dit protocol voorziet; en

e)    het voert alle andere bevoegdheden uit die het in dit protocol zijn toegekend.

4.    In geval van een wijziging van de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 of 18 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “Protocol nr. 7” genoemd), wijzigt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid aanhangsel 2 dienovereenkomstig.

5.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid neemt besluiten bij eenparigheid van stemmen.

De besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

6.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het komt ook bijeen op verzoek van een van beide partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.


Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid kan via een schriftelijke procedure besluiten nemen.

7.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast.

8.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen in te stellen die het bij de uitoefening van zijn taken kunnen bijstaan.

HOOFDSTUK 2

AFSTEMMING VAN HET PROTOCOL
OP DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 12

Deelname aan het opstellen van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het VWEU op het onder dit protocol vallende gebied, stelt Commissie Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie om advies vraagt bij het opstellen van haar voorstellen.

Op verzoek van een van de partijen vindt er in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid een voorbereidende gedachtewisseling plaats.



De partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid op belangrijke momenten in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder dit protocol vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder dit protocol vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later moeten worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    De deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dat nodig is om de goede werking van dit protocol te waarborgen. Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken en werkt deze lijst bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 13, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.



ARTIKEL 13

Integratie van rechtshandelingen van de Unie

1.    Om de rechtszekerheid en de homogeniteit van het recht op het gebied van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens dit protocol deelneemt, te waarborgen, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat rechtshandelingen van de Unie die op het onder dit protocol vallende gebied zijn vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in dit protocol worden opgenomen.

2.    Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 4 in dit protocol zijn opgenomen, maken door hun opneming in dit protocol deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid heeft besloten.

3.    Wanneer de Unie een rechtshandeling vaststelt op het onder dit protocol vallende gebied, stelt zij Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid in kennis. Op verzoek van een van de partijen organiseert het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid een gedachtewisseling over dit onderwerp.

4.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid handelt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit tot wijziging van afdeling 2 van bijlage I vast te stellen, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid, indien dit nodig is om de samenhang van dit protocol met bijlage I, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, de herziening van dit protocol ter goedkeuring aan de partijen voorstellen volgens hun interne procedures.



6.    Verwijzingen in dit protocol naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid over de overeenkomstige wijziging van bijlage I bij dit protocol overeenkomstig lid 4, als verwijzingen naar de intrekkingshandeling van de Unie zoals opgenomen in bijlage I bij dit protocol, tenzij in dat besluit anders is bepaald.

7.    De verplichting van lid 1 is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een van de uitzonderingen van artikel 7 vallen.

8.    Met inachtneming van artikel 14 treden besluiten van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid uit hoofde van lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

9.    De partijen werken tijdens de gehele procedure in dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.

ARTIKEL 14

Naleving van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Tijdens de in artikel 13, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of in een besluit als bedoeld in artikel 13, lid 4, is bepaald dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen moet nakomen om het besluit bindend te maken.



2.    Wanneer in het in artikel 13, lid 4, bedoelde besluit is bepaald dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen moet nakomen om het besluit bindend te maken, moet Zwitserland aan deze verplichtingen voldoen binnen een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde datum, behalve wanneer een referendumprocedure wordt ingeleid, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.

3.    In afwachting van de kennisgeving van Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de partijen het in artikel 13, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie ervan in kennis stelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.

De voorlopige toepassing kan in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.



ARTIKEL 15

Tijdelijke toepassing van rechtshandelingen
vastgesteld op grond van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen

1.    Indien een rechtshandeling die op grond van een van de in bijlage I genoemde rechtshandelingen is vastgesteld, in de Unie van toepassing is voordat het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid overeenkomstig artikel 13, lid 4, een daartoe strekkend besluit heeft genomen, past Zwitserland die handeling tijdelijk toe vanaf de datum van toepassing ervan in de Unie om de gelijktijdige toepassing ervan te waarborgen.

Een tijdelijke toepassing overeenkomstig de eerste alinea van dit lid eindigt met de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid overeenkomstig artikel 13, lid 8, of de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 14, lid 3, tenzij het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid een besluit neemt over een later tijdstip van inwerkingtreding.

2.    Indien Zwitserland in uitzonderlijke omstandigheden en om objectief gerechtvaardigde redenen een rechtshandeling niet (volledig) overeenkomstig lid 1 kan toepassen, stelt hij het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid daarvan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen daarvoor. De partijen plegen zo spoedig mogelijk overleg in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid.

3.    Indien en voor zover Zwitserland een rechtshandeling overeenkomstig lid 1 niet tijdelijk of voorlopig toepast, kan de Unie de nodige maatregelen nemen om de integriteit van haar ruimte voor voedselveiligheid te waarborgen. De Unie stelt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid onmiddellijk in kennis van die maatregelen en deelt de redenen daarvoor mee.


ARTIKEL 16

Bekendmaking van rechtshandelingen die zijn vastgesteld op grond van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen

De partijen publiceren onverwijld en op gemakkelijk toegankelijke wijze een lijst van de niet-wetgevingshandelingen die zijn vastgesteld op grond van een van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen die overeenkomstig artikel 13 in dit protocol zijn opgenomen of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, en houden deze lijst actueel.

HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN HET PROTOCOL

ARTIKEL 17

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen zoals uiteengezet in dit protocol, en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht, worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, uniform uitgelegd en toegepast op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.



2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen en, voor zover de toepassing ervan Unierechtelijke begrippen omvat, de bepalingen van dit protocol worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voorafgaand aan of volgend op de ondertekening van dit protocol.

ARTIKEL 18

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van dit protocol. Zij kunnen informatie uitwisselen over het toezicht op de toepassing van dit protocol. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van dit protocol op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van dit protocol wordt gezamenlijk uitgeoefend door de partijen in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid.

Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid om een aanvaardbare oplossing te vinden.



4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten monitoren elk de toepassing van dit protocol door de wederpartij. De in artikel 20 bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van dit protocol te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet dit protocol daarin specifiek voorzien.

ARTIKEL 19

Exclusiviteitsbeginsel

De partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit protocol en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen, of, in voorkomend geval, over de conformiteit met dit protocol van een door de Commissie op grond van dit protocol vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.



ARTIKEL 20

Procedure in geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van dit protocol of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen, plegen de partijen overleg in het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid om een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van dit protocol te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid niet binnen drie maanden na de datum van voorlegging van het in lid 1 bedoelde probleem aan het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid tot een oplossing kan komen, kan elk van de partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de in aanhangsel 1 vastgestelde regels.

3.    Wanneer in het kader van het geschil vragen rijzen over de uitlegging of toepassing van een in artikel 17, lid 2, bedoelde bepaling en indien de uitlegging van die bepaling relevant is voor de beslechting van het geschil en noodzakelijk is om tot een beslissing te komen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer in het kader van het geschil vragen rijzen over de uitlegging of toepassing van een bepaling die valt onder een uitzondering op de verplichting tot dynamische afstemming als bedoeld in artikel 13, lid 7, en wanneer het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van Unierechtelijke begrippen, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


4.    Wanneer het scheidsgerecht overeenkomstig lid 3 een vraag voorlegt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland op overeenkomstige wijze dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke partij neemt alle nodige maatregelen om de uitspraak van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht dit protocol niet heeft nageleefd, stelt de wederpartij via het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen.



ARTIKEL 21

Compenserende maatregelen

1.    Indien de partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht dit protocol niet heeft nageleefd, de wederpartij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van aanhangsel I vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen, of indien de wederpartij van oordeel is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze wederpartij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van dit protocol of van andere bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, of van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten (hierna “compenserende maatregelen” genoemd) om een mogelijke onbalans te verhelpen. Zij stelt de partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht dit protocol niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.

2.    Indien het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om die compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of nietig te verklaren, kan elke partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen aan arbitrage onderwerpen overeenkomstig aanhangsel I.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van aanhangsel I vastgestelde termijnen een beslissing.



4.    De compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. Met name de rechten en verplichtingen die particulieren en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, blijven behouden.

ARTIKEL 22

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Ter bevordering van de homogene uitlegging komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht bij het Hof van Justitie van de Europese Unie memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen wanneer een gerecht van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing verzoekt over een vraag betreffende de uitlegging van dit protocol of van een bepaling van een rechtshandeling van de Unie waarnaar daarin wordt verwezen.



DEEL IV

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 23

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig artikel 13 in dit protocol zijn opgenomen of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van dit protocol begrepen als verwijzingen naar de in artikel 16 van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten bedoelde grondgebieden.

ARTIKEL 24

Verwijzingen naar onderdanen van lidstaten van de Unie

Wanneer de rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig artikel 13 in dit protocol zijn opgenomen of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden deze verwijzingen voor de toepassing van dit protocol begrepen als verwijzingen naar de onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.


ARTIKEL 25

Inwerkingtreding en uitvoering van rechtshandelingen van de Unie

Bepalingen van de in dit protocol opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van dit protocol.

De termijnen en data die gelden voor Zwitserland voor de inwerkingtreding en uitvoering van de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in dit protocol vloeien voort uit artikel 13, lid 8, en artikel 14, lid 5, alsmede uit de bepalingen betreffende overgangsregelingen.

ARTIKEL 26

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

Bepalingen van de in dit protocol overeenkomstig artikel 13 opgenomen rechtshandelingen van de Unie of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, waarin wordt aangegeven dat zij tot de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van deze overeenkomst.



DEEL V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 27

Beroepsgeheim

De vertegenwoordigers, deskundigen en andere gemachtigden van de Partijen zijn ertoe gehouden, ook na beëindiging van hun werkzaamheden, geen in het kader van dit protocol verkregen informatie die onder het beroepsgeheim valt, openbaar te maken.

ARTIKEL 28

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in dit protocol wordt zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.

2.    In het kader van dit protocol door de partijen verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie of materialen worden verwerkt en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie betreffende beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en elke beveiligingsregeling ter uitvoering daarvan.


3.    Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid stelt bij besluit instructies vast voor het behandelen van gevoelige niet-gerubriceerde informatie die tussen de partijen wordt uitgewisseld.

ARTIKEL 29

Uitvoering

1.    De partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit dit protocol en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit protocol in gevaar brengen. 

 2.    De partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dit protocol wordt verwezen, te waarborgen en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit protocol in gevaar brengen.

ARTIKEL 30

Bijlagen en aanhangsels

De bijlagen en aanhangsels bij dit protocol maken daarvan deel uit.



ARTIKEL 31

Territoriaal toepassingsgebied

Dit protocol is van toepassing op de in artikel 16 van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten bedoelde grondgebieden.

ARTIKEL 32

Overgangsregelingen

1.    Er geldt een overgangsperiode, die ingaat op de datum van inwerkingtreding van dit protocol en uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding ervan afloopt. De overgangsperiode is niet van toepassing op artikel 11.

2.    De andere bepalingen van dit protocol dan artikel 11 zijn van toepassing vanaf de eerste dag na die van het einde van de overgangsperiode, met uitzondering van bijlage I, afdeling 2, rubriek C, punten 14 en 15, ten aanzien waarvan de bepalingen van dit protocol van toepassing zijn vanaf de inwerkingtreding ervan.

3.    Tijdens de overgangsperiode blijft de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten van toepassing op de bijlagen 4, 5, 6 en 11 bij die overeenkomst.


4.    Zwitserland kan het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol in kennis stellen van zijn wens de overgangsperiode te beëindigen. In dat geval stelt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid de datum van beëindiging van de overgangsperiode vast en stelt het het bij artikel 6 van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten ingestelde Gemengd Landbouwcomité daarvan in kennis.

5.    Aan het einde van de overgangsperiode actualiseert het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid de in bijlage I, afdeling 2, eerste alinea, bedoelde datum van opneming in de vermeldingen van elk van de desbetreffende rechtshandelingen.

ARTIKEL 33

Inwerkingtreding

1.    Dit protocol wordt door de partijen bekrachtigd of goedgekeurd volgens hun eigen procedures. De partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;


b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;


j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

n)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 34

Wijziging en beëindiging

1.    Dit protocol kan te allen tijde in onderling overleg tussen de partijen worden gewijzigd.

2.    Elk van de partijen kan dit protocol door kennisgeving aan de wederpartij opzeggen.



3.    De geldigheidsduur van dit protocol verstrijkt zes maanden na ontvangst van de in lid 2 bedoelde schriftelijke kennisgeving.

4.    Wanneer dit protocol overeenkomstig lid 2 van dit artikel wordt beëindigd, is de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten vanaf de in lid 3 van dit artikel bedoelde datum niet langer van toepassing. In dat geval is artikel 17, lid 4, van de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten van toepassing.

5.    Wanneer de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten wordt beëindigd overeenkomstig artikel 17, lid 3, van die overeenkomst, is dit protocol op de in artikel 17, lid 4, van die overeenkomst bedoelde datum niet langer van toepassing.

6.    Wanneer dit protocol niet langer van toepassing is, blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers uit hoofde van dit protocol reeds vóór de datum van beëindiging van dit protocol hebben verworven, behouden. De partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven. 

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

RECHTSHANDELINGEN IN DE GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VOOR VOEDSELVEILIGHEID

AFDELING 1

ALGEMENE BEPALINGEN

De rechtshandelingen die overeenkomstig artikel 13 in dit protocol zijn opgenomen of die overeenkomstig artikel 15 tijdelijk moeten worden toegepast, zijn van toepassing behoudens de in artikel 7 genoemde uitzonderingen en worden als volgt gelezen:

tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald:

−    worden de rechten en verplichtingen die in deze rechtshandelingen voor de lidstaten van de Unie zijn vastgesteld, geacht ook voor Zwitserland te gelden;

−    wordt elke andere verwijzing naar de lidstaten in deze rechtshandelingen gelezen als een verwijzing naar Zwitserland;

−    worden de verwijzingen in deze rechtshandelingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in de lidstaten van de Unie verblijven of gevestigd zijn, gelezen als verwijzingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in Zwitserland verblijven of gevestigd zijn.


Deze bepaling wordt toegepast met volledige inachtneming van de institutionele bepalingen.

Om rekening te houden met de bijzondere aard van de gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid en voor de toepassing van artikel 18, lid 4, laatste zin, heeft de Commissie met betrekking tot Zwitserland de bevoegdheden die haar bij die rechtshandelingen zijn toegekend, tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald. Telkens wanneer de Commissie dergelijke bevoegdheden uitoefent, moet zij samenwerken met de bevoegde Zwitserse autoriteiten overeenkomstig de praktijk met betrekking tot de toepasselijke wetgeving.

AFDELING 2

LIJST VAN RECHTSHANDELINGEN

De in deze afdeling vermelde rechtshandelingen worden zo gelezen dat zij de op grond daarvan vastgestelde rechtshandelingen omvatten en in dit protocol worden opgenomen bij besluiten van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid overeenkomstig artikel 13, lid 4, tot de datum van opneming als bedoeld in de vermelding van elk van de rechtshandelingen in deze afdeling.

De relevante datum wordt vastgesteld in het desbetreffende besluit van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid.

Voor de toepassing van dit protocol worden de bepalingen van de in deze afdeling vermelde rechtshandelingen met de volgende aanpassing gelezen:

Wanneer in een van de onderstaande rechtshandelingen wordt verwezen naar verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679 of Richtlijn 2002/58/EG, worden die verwijzingen, met betrekking tot Zwitserland, begrepen als een verwijzing naar relevante nationale wetgeving.



A. Officiële controles en invoer

1.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

1.1.    32021 R 1756: Verordening (EU) 2021/1756 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB L 357 van 8.10.2021, blz. 27),

1.2.    32024 R 3115: Verordening (EU) 2024/3115 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 (PB L 2024/3115 van 16.12.2024, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    verwijzingen naar douaneprocedures worden begrepen als verwijzingen naar de relevante Zwitserse wetgeving;

b)    in bijlage I wordt het volgende toegevoegd: “31. Het grondgebied van Zwitserland”.

B. Plantaardig teeltmateriaal

2.    31966 L 0401: Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PB L 125 van 11.7.1966, blz. 2298),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

2.1.    31969 L 0063: Richtlijn 69/63/EEG van de Raad van 18 februari 1969 (PB L 48 van 26.2.1969, blz. 8),

2.2.    31971 L 0162: Richtlijn 71/162/EEG van de Raad van 30 maart 1971 (PB L 87 van 17.4.1971, blz. 24),

2.3.    31972 L 0274: Richtlijn 72/274/EEG van de Raad van 20 juli 1972 (PB L 171 van 29.7.1972, blz. 37),

2.4.    31972 L 0418: Richtlijn 72/418/EEG van de Raad van 6 december 1972 (PB L 287 van 26.12.1972, blz. 22),


2.5.    31973 L 0438: Richtlijn 73/438/EEG van de Raad van 11 december 1973 (PB L 356 van 27.12.1973, blz. 79),

2.6.    31975 L 0444: Richtlijn 75/444/EEG van de Raad van 26 juni 1975 (PB L 196 van 26.7.1975, blz. 6),

2.7.    31978 L 0055: Richtlijn 78/55/EEG van de Raad van 19 december 1977 (PB L 16 van 20.1.1978, blz. 23),

2.8.    31978 L 0692: Richtlijn 78/692/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB L 236 van 26.8.1978, blz. 13),

2.9.    31978 L 1020: Richtlijn 78/1020/EEG van de Raad van 5 december 1978 (PB L 350 van 14.12.1978, blz. 27),

2.10.    31979 L 0692: Richtlijn 79/692/EEG van de Raad van 24 juli 1979 (PB L 205 van 13.8.1979, blz. 1),

2.11.    31986 L 0155: Richtlijn 86/155/EEG van de Raad van 22 april 1986 (PB L 118 van 7.5.1986, blz. 23),

2.12.    31988 L 0332: Richtlijn 88/332/EEG van de Raad van 13 juni 1988 (PB L 151 van 17.6.1988, blz. 82),

2.13.    31988 L 0380: Richtlijn 88/380/EEG van de Raad van 13 juni 1988 (PB L 187 van 16.7.1988, blz. 31),


2.14.    31996 L 0072: Richtlijn 96/72/EG van de Raad van 18 november 1996 (PB L 304 van 27.11.1996, blz. 10),

2.15.    31998 L 0095: Richtlijn 98/95/EG van de Raad van 14 december 1998 (PB L 25 van 1.2.1999, blz. 1),

2.16.    31998 L 0096: Richtlijn 98/96/EG van de Raad van 14 december 1998 (PB L 25 van 1.2.1999, blz. 27),

2.17.    32001 L 0064: Richtlijn 2001/64/EG van de Raad van 31 augustus 2001 (PB L 234 van 1.9.2001, blz. 60),

2.18.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

2.19.    32004 L 0117: Richtlijn 2004/117/EG van de Raad van 22 december 2004 (PB L 14 van 18.1.2005, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

3.    31966 L 0402: Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309).


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

3.1.    31969 L 0060: Richtlijn 69/60/EEG van de Raad van 18 februari 1969 (PB L 48 van 26.2.1969, blz. 1),

3.2.    31971 L 0162: Richtlijn 71/162/EEG van de Raad van 30 maart 1971 (PB L 87 van 17.4.1971, blz. 24),

3.3.    31972 L 0274: Richtlijn 72/274/EEG van de Raad van 20 juli 1972 (PB L 171 van 29.7.1972, blz. 37),

3.4.    31972 L 0418: Richtlijn 72/418/EEG van de Raad van 6 december 1972 (PB L 287 van 26.12.1972, blz. 22),

3.5.    31973 L 0438: Richtlijn 73/438/EEG van de Raad van 11 december 1973 (PB L 356 van 27.12.1973, blz. 79),

3.6.    31975 L 0444: Richtlijn 75/444/EEG van de Raad van 26 juni 1975 (PB L 196 van 26.7.1975, blz. 6),

3.7.    31978 L 0055: Richtlijn 78/55/EEG van de Raad van 19 december 1977 (PB L 16 van 20.1.1978, blz. 23),

3.8.    31978 L 0692: Richtlijn 78/692/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB L 236 van 26.8.1978, blz. 13),


3.9.    31978 L 1020: Richtlijn 78/1020/EEG van de Raad van 5 december 1978 (PB L 350 van 14.12.1978, blz. 27),

3.10.    31979 L 0692: Richtlijn 79/692/EEG van de Raad van 24 juli 1979 (PB L 205 van 13.8.1979, blz. 1),

3.11.    31986 L 0155: Richtlijn 86/155/EEG van de Raad van 22 april 1986 (PB L 118 van 7.5.1986, blz. 23),

3.12.    31988 L 0332: Richtlijn 88/332/EEG van de Raad van 13 juni 1988 (PB L 151 van 17.6.1988, blz. 82),

3.13.    31988 L 0380: Richtlijn 88/380/EEG van de Raad van 13 juni 1988 (PB L 187 van 16.7.1988, blz. 31),

3.14.    31996 L 0072: Richtlijn 96/72/EG van de Raad van 18 november 1996 (PB L 304 van 27.11.1996, blz. 10),

3.15.    31998 L 0095: Richtlijn 98/95/EG van de Raad van 14 december 1998 (PB L 25 van 1.2.1999, blz. 1),

3.16.    31998 L 0096: Richtlijn 98/96/EG van de Raad van 14 december 1998 (PB L 25 van 1.2.1999, blz. 27),

3.17.    32001 L 0064: Richtlijn 2001/64/EG van de Raad van 31 augustus 2001 (PB L 234 van 1.9.2001, blz. 60),


3.18.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

3.19.    32004 L 0117: Richtlijn 2004/117/EG van de Raad van 22 december 2004 (PB L 14 van 18.1.2005, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

4.    31968 L 0193: Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

4.1.    31971 L 0140: Richtlijn 71/140/EEG van de Raad van 22 maart 1971 (PB L 71 van 25.3.1971, blz. 16),

4.2.    31974 L 0648: Richtlijn 74/648/EEG van de Raad van 9 december 1974 (PB L 352 van 28.12.1974, blz. 43),

4.3.    31978 L 0055: Richtlijn 78/55/EEG van de Raad van 19 december 1977 (PB L 16 van 20.1.1978, blz. 23),

4.4.    31978 L 0692: Richtlijn 78/692/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB L 236 van 26.8.1978, blz. 13),


4.5.    31986 L 0155: Richtlijn 86/155/EEG van de Raad van 22 april 1986 (PB L 118 van 7.5.1986, blz. 23),

4.6.    31988 L 0332: Richtlijn 88/332/EEG van de Raad van 13 juni 1988 (PB L 151 van 17.6.1988, blz. 82),

4.7.    32002 L 0011: Richtlijn 2002/11/EG van de Raad van 14 februari 2002 (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 20),

4.8.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

4.9.    32003 R 1829: Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

5.    31998 L 0056: Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

5.1.    32003 R 0806: Verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14 april 2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1),


5.2.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

6.    31999 L 0105: Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

7.    32002 L 0053: Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

7.1.    32003 R 1829: Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

8.    32002 L 0054: Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

8.1.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

8.2.    32004 L 0117: Richtlijn 2004/117/EG van de Raad van 22 december 2004 (PB L 14 van 18.1.2005, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

9.    32002 L 0055: Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

9.1.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

9.2.    32003 R 1829: Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1),

9.3.    32004 L 0117: Richtlijn 2004/117/EG van de Raad van 22 december 2004 (PB L 14 van 18.1.2005, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


10.    32002 L 0056: Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

10.1.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

11.    32002 L 0057: Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

11.1.    32002 L 0068: Richtlijn 2002/68/EG van de Raad van 19 juli 2002 (PB L 195 van 24.7.2002, blz. 32),

11.2.    32003 L 0061: Richtlijn 2003/61/EG van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23),

11.3.    32004 L 0117: Richtlijn 2004/117/EG van de Raad van 22 december 2004 (PB L 14 van 18.1.2005, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


12.    32008 L 0072: Richtlijn 2008/72/EG van de Raad van 15 juli 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PB L 205 van 1.8.2008, blz. 28), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

13.    32008 L 0090: Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

C. Gewasbeschermingsmiddelen

14.    32009 R 1107: Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

14.1.    32013 R 0518: Verordening (EU) nr. 518/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 72),

14.2.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

14.3.    32019 R 1009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1),


14.4.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassing gelezen:

in bijlage I valt Zwitserland onder Zone B — Centraal.

15.    32009 L 0128: Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

15.1.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.



D. Plantengezondheid

16.    32016 R 2031: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

16.1.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

16.2.    32024 R 3115: Verordening (EU) 2024/3115 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 (PB L, 2024/3115, 16.12.2024),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 45, lid 1, kan de afbeelding van de Zwitserse vlag of het Zwitserse wapen in het informatiemateriaal worden gebruikt als aanvulling op of in plaats van de vlag van de Unie;


b)    in bijlage VII kan de afbeelding van het Zwitserse wapen in plaats van de vlag van de Unie op het plantenpaspoort worden gebruikt;

c)    in bijlage VIII kan de afbeelding van het Zwitserse wapen in plaats van de vlag van de Unie op de fytosanitaire certificaten, het fytosanitaire certificaat voor wederuitvoer en het pre-uitvoercertificaat worden gebruikt. De certificaten worden afgegeven uit naam van Zwitserland en waar nodig wordt de term “EU” vervangen door de term “CH”;

d)    de verwijzing naar Verordening (EEG) nr. 2658/87 wordt, wat Zwitserland betreft, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.

E. Diervoeder

17.    32002 L 0032: Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

17.1.    32009 R 0219: Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109),

17.2.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


18.    32003 R 1831: Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

18.1.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

18.2.    32009 R 0767: Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1),

18.3.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

18.4.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

19.    32005 R 0183: Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

19.1.    32009 R 0219: Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109),

19.2.    32019 R 0004: Verordening (EU) 2019/4 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 1),

19.3.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

20.    32009 R 0767: Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassing gelezen:


Zwitserland mag de bepalingen van Zwitsers recht blijven toepassen die voorzien in beperkingen op het gebruik van voedermiddelen afkomstig van rassen van Cannabis sp. voor voedselproducerende dieren, naast de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 767/2009 vastgestelde beperkingen.

F. Dierfokkerij — zoötechniek

21.    31990 L 0428: Richtlijn 90/428/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 60),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

21.1.    32008 L 0073: Richtlijn 2008/73/EG van de Raad van 15 juli 2008 (PB L 219 van 14.8.2008, blz. 40),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

22.    32016 R 1012: Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (“Fokkerijverordening”) (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 66), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.



G. Diergezondheid, bestrijding van zoönoses

23.    32016 R 0429: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

23.1.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassing gelezen:

In artikel 49, lid 1, verbindt Zwitserland zich ertoe de kosten te dragen voor het vervoer en de vervanging van het antigeen, vaccin en diagnosereagens dat op grond van deze bepaling aan Zwitserland worden geleverd.

24.    32013 R 0576: Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


25.    32001 R 0999: Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

25.1.    32003 R 1128: Verordening (EG) nr. 1128/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2003 (PB L 160 van 28.6.2003, blz. 1),

25.2.    32005 R 0932: Verordening (EG) nr. 932/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2005 (PB L 163 van 23.6.2005, blz. 1),

25.3.    32006 R 1923: Verordening (EG) nr. 1923/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 1),

25.4.    32009 R 0220: Verordening (EG) nr. 220/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 155),

25.5.    32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),

25.6.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


26.    32003 R 2160: Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

26.1.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

26.2.    32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),

26.3.    32016 R 0429: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

27.    32003 L 0099: Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

27.1.    32006 L 0104: Richtlijn 2006/104/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352),


27.2.    32009 R 0219: Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109),

27.3.    32013 L 0020: Richtlijn 2013/20/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 234),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

H. Voedsel — algemeen

28.    32002 R 0178: Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

28.1.    32003 R 1642: Verordening (EG) nr. 1642/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4),

28.2.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

28.3.    32017 R 0745: Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1),


28.4.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

28.5.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Zwitserland neemt deel aan de werkzaamheden van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna “de Autoriteit” genoemd);

b)    Zwitserland draagt financieel bij aan de onder punt a) bedoelde activiteiten overeenkomstig artikel 9 van dit protocol en bijlage II bij dit protocol;

c)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de werkzaamheden van de raad van bestuur en het adviesforum van de Autoriteit en heeft daarin dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie, met uitzondering van stemrecht;

d)    Zwitserse deskundigen nemen, wanneer zij worden geselecteerd en benoemd, volledig deel aan wetenschappelijke comités en wetenschappelijke panels en hebben daarin dezelfde rechten en verplichtingen als alle andere deskundigen die eraan deelnemen overeenkomstig het toepasselijke wetgevingskader;


e)    Zwitserland kan bevoegde organisaties aanwijzen die werkzaam zijn op de tot de opdracht van de Autoriteit behorende gebieden en die de Autoriteit kunnen bijstaan;

f)    in afwijking van artikel 12, lid 2, punt a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie 1 , kan de Autoriteit, indien zij daartoe besluit, Zwitserse onderdanen die in het bezit zijn van al hun burgerrechten op contractbasis in dienst nemen. De Autoriteit kan de detachering van deskundigen door Zwitserland aanvaarden;

g)    Zwitserland verleent de Autoriteit en haar personeelsleden, in het kader van hun officiële functies voor de Autoriteit, de voorrechten en immuniteiten die zijn vastgelegd in aanhangsel 2 en die zijn gebaseerd op de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 en 18 van Protocol nr. 7. Verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van dat protocol worden ter informatie tussen haakjes vermeld;

h)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de netwerken die door de Autoriteit worden beheerd en heeft daarin dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie.

I. Levensmiddelen — hygiëne

29.    31989 L 0108: Richtlijn 89/108/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten (PB L 40 van 11.2.1989, blz. 34),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

29.1.    32003 R 1882: Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1),

29.2.    32006 L 0107: Richtlijn 2006/107/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 411),

29.3.    32008 R 1137: Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1),

29.4.    32013 L 0020: Richtlijn 2013/20/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 234),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

30.    32004 R 0852: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

30.1.    32009 R 0219: Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


31.    32004 R 0853: Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

31.1.    32009 R 0219: Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109),

31.2.    32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),

31.3.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

31.4.    32021 R 1756: Verordening (EU) 2021/1756 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB L 357 van 8.10.2021, blz. 27),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

J. Levensmiddelen — ingrediënten, sporen en handelsnormen

32.    32002 L 0046: Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

32.1.    32008 R 1137: Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

33.    32003 R 2065: Verordening (EG) nr. 2065/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 inzake in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken rookaroma’s (PB L 309 van 26.11.2003, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

33.1.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

33.2.    32019 R 1243: Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 241),

33.3.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


34.    32006 R 1925: Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 26),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

34.1.    32008 R 0108: Verordening (EG) nr. 108/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 11),

34.2.    32011 R 1169: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

35.    32008 R 1331: Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

35.1.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


36.    32008 R 1332: Verordening (EG) nr. 1332/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake voedingsenzymen en tot wijziging van Richtlijn 83/417/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad, Richtlijn 2000/13/EG, Richtlijn 2001/112/EG van de Raad en Verordening (EG) nr. 258/97 (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 7), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

37.    32008 R 1333: Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

38.    32008 R 1334: Verordening (EG) nr. 1334/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in levensmiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad, Verordening (EG) nr. 2232/96, Verordening (EG) nr. 110/2008 en Richtlijn 2000/13/EG (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 34),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

38.1.    32011 R 1169: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18),

38.2.    32014 R 0251: Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 14),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


39.    32013 R 0609: Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

40.    32015 L 2203: Richtlijn (EU) 2015/2203 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot voor menselijke voeding bestemde caseïne en caseïnaten en tot intrekking van Richtlijn 83/417/EEG van de Raad (PB L 314, 1.12.2015, blz. 1), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

41.    32015 R 2283: Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

41.1.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),


en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

K. Levensmiddelen — residuen van pesticiden en diergeneesmiddelen en contaminanten

42.    31993 R 0315: Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

42.1.    32003 R 1882: Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1),

42.2.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

43.    32005 R 0396: Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

43.1.    32008 R 0299: Verordening (EG) nr. 299/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 67),


43.2.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

44.    32009 R 0470: Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    De artikelen 3, 9, 10, 11, 13, 15, 17, 25 en 27 zijn voor de toepassing van dit protocol niet van toepassing op Zwitserland.

b)    Zwitserland neemt niet deel aan het Permanent Comité voor diergeneesmiddelen of aan de deskundigengroepen voor diergeneesmiddelen.

Zwitserland neemt niet deel aan en de Zwitserse deskundigen worden niet geraadpleegd over de voorbereiding van voorstellen en ontwerpen betreffende de vaststelling van maximumwaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, indien deze worden vastgesteld in het kader van procedures met betrekking tot diergeneesmiddelen.



L. Materiaal dat in contact komt met levensmiddelen

45.    32004 R 1935: Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

45.1.    32009 R 0596: Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14),

45.2.    32019 R 1381: Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

46.    31984 L 0500: Richtlijn 84/500/EEG van de Raad van 15 oktober 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake keramische voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen (PB L 277 van 20.10.1984, blz. 12), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.



M. Etikettering en presentatie van levensmiddelen, de daarvoor gemaakte reclame en voedings- en gezondheidsclaims

47.    32000 R 1760: Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

47.1.    32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),

47.2.    32014 R 0653: Verordening (EU) nr. 653/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 33),

47.3.    32016 R 0429: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

48.    32006 R 1924: Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

48.1.    32008 R 0107: Verordening (EG) nr. 107/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 8),

48.2.    32008 R 0109: Verordening (EG) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 14),

48.3.    32011 R 1169: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

49.    32011 R 1169: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

49.1.    32015 R 2283: Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1),


en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Zwitserland mag de bepalingen van Zwitsers recht blijven toepassen die verplichte etikettering van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voorschrijven, mits voor producten van oorsprong uit de Unie:

—    de vermelding “EU” als land van productie wordt aanvaard; en

—    de naam of handelsnaam en het adres van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf voldoen aan de verplichte vermelding van het land van productie;

b)    Zwitserland de bepalingen van zijn wetgeving die de verplichte etikettering van onbedoelde sporen van allergenen in levensmiddelen verplicht stellen, mag blijven toepassen.

50.    32011 L 0091: Richtlijn 2011/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren (PB L 334 van 16.12.2011, blz. 1).

N. Levensmiddelen — overig

51.    31999 L 0002: Richtlijn 1999/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de behandeling van voedsel en voedselingrediënten met ioniserende straling (PB L 66 van 13.3.1999, blz. 16),


gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

51.1.    32003 R 1882: Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1),

51.2.    32008 R 1137: Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

52.    31999 L 0003: Richtlijn 1999/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake de vaststelling van een communautaire lijst van voedsel en voedselingrediënten die mogen worden behandeld met ioniserende straling (PB L 66 van 13.3.1999, blz. 24).

53.    32009 L 0032: Richtlijn 2009/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het gebruik van extractiemiddelen bij de productie van levensmiddelen en bestanddelen daarvan (PB L 141 van 6.6.2009, blz. 31), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

54.    32009 L 0054: Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze richtlijn zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


55.    32016 R 0052: Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2), met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

O. Genetisch gemodificeerde organismen

De in artikel 7, lid 1, punt a), eerste streepje, van dit protocol bedoelde drempel is vastgesteld in artikel 12, lid 2, en artikel 24, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

Diervoeders die zijn geproduceerd met de in artikel 7, lid 1, punt a), tweede streepje, van dit protocol genoemde genetisch gemodificeerde organismen, worden toegelaten op grond van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

P. Dierenwelzijn

56.    32005 R 0001: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

56.1.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),


en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassing gelezen:

aan artikel 1, lid 3, wordt de volgende zin toegevoegd:

“Zwitserland mag de bepalingen van zijn wetgeving betreffende het vervoer van dieren binnen Zwitserland, met inbegrip van de doorvoer van runderen, schapen, geiten, varkens, paarden of slachtpluimvee blijven toepassen en bepalen dat deze doorvoer in Zwitserland alleen per spoor of door de lucht is toegestaan.”

57.    32009 R 1099: Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

57.1.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.



Q. Dierlijke bijproducten

58.    32009 R 1069: Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

58.1.    32010 L 0063: Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33),

58.2.    32013 R 1385: Verordening (EU) nr. 1385/2013 van de Raad van 17 december 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 86),

58.3.    32017 R 0625: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1),

58.4.    32019 R 1009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1),

en met inbegrip van de rechtshandelingen die op basis van deze verordening zijn vastgesteld en die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.



R. Sanitair en fytosanitair — Overig

59.    31996 L 0022: Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3),

gewijzigd bij de volgende rechtshandeling(en):

59.1.    32003 L 0074: Richtlijn 2003/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 17),

59.2.    32008 L 0097: Richtlijn 2008/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 (PB L 318 van 28.11.2008, blz. 9).

Voor de toepassing van dit Protocol worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassing gelezen:

artikel 11, lid 2, punt b), is niet van toepassing op of in Zwitserland.

S. Antimicrobiële resistentie

60.    32019 R 0006: Artikel 107 (met uitzondering van lid 6) en artikel 118 van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43), in samenhang met artikel 37, lid 5, met inbegrip van de rechtshandelingen die zijn vastgesteld op grond van de bepalingen die vóór 31 december 2024 zijn opgenomen.


Voor de toepassing van dit Protocol wordt artikel 107, lid 5, met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    geneesmiddelen die de antimicrobiële stoffen of groepen antimicrobiële stoffen bevatten die zijn voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1255 van de Commissie (PB L 191 van 20.7.2022, blz. 58) worden niet bij dieren gebruikt;

b)    de op grond van artikel 107, lid 6, van Verordening (EU) 2019/6 vastgestelde rechtshandelingen worden niet begrepen als zijnde opgenomen in de verwijzing naar artikel 107 van Verordening (EU) 2019/6;

c)    Zwitserland en deskundigen van Zwitserland nemen niet deel aan het Permanent Comité voor diergeneesmiddelen of aan de deskundigengroepen voor diergeneesmiddelen. Zwitserland neemt niet deel aan en de Zwitserse deskundigen worden niet geraadpleegd over de voorbereiding van voorstellen en ontwerpen betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van diergeneesmiddelen.

61.    32019 R 0004: artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) 2019/4 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 90/167/EEG van de Raad (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 1).

________________

BIJLAGE II

TOEPASSING VAN ARTIKEL 9 VAN HET PROTOCOL
TOT VASTSTELLING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VOOR VOEDSELVEILIGHEID

Artikel 1

Lijst van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

−    Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 2 ;


b)    informatiesystemen:

−    Europhyt-portaal (EUROPHYTPORTAL), opgericht bij Richtlijn 94/3/EG van de Commissie van 21 januari 1994 3 ;

−    Systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF), opgezet bij Verordening (EG) nr. 178/2002 4 ;

−    Onlineplatform van de Europese Commissie voor sanitaire en fytosanitaire certificering (Traces), opgericht bij Verordening (EU) 2017/625 5 ;

−    EU-informatiesysteem voor dierziekten (ADIS), opgericht bij Verordening (EU) 2020/2002 6 ;


c)    andere activiteiten:

geen.

Artikel 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van artikel 9 van het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid (hierna “het protocol” genoemd), worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het verzoek tot storting voor het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de vergoeding voor deelname.


3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar, de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn ingeschreven in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;

b)    het bedrag van de vergoeding voor deelname als bedoeld in artikel 9, lid 7, van het protocol; en

c)    wat de agentschappen betreft, in jaar N+1 de bedragen aan begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd voor de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie ten opzichte van de jaarlijkse begroting van de Unie die is (zijn) opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidie van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het programma van de Unie, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van het protocol voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.


6.    De in lid 5 bedoelde verzoeken tot storting worden als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het Agentschap, het informatiesysteem of andere activiteit.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting;

b)    indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, elk informatiesysteem of elke andere activiteit.

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting;


8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus drieënhalf procentpunten.

ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie in het licht van de uitvoering

De aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie vindt plaats in jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan uit hoofde van de desbetreffende begrotingsonderdelen voor subsidie van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1.


ARTIKEL 4

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet op 1 januari valt, is dit artikel in afwijking van artikel 2 van toepassing.

Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage die van toepassing is op het betrokken agentschap of informatiesysteem of andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 9 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

−    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

−    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.



Aanhangsel 1

SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de partijen (hierna “de partijen” genoemd) een geschil ter arbitrage voorlegt overeenkomstig artikel 20, lid 2, of artikel 21, lid 2, van het protocol tot vaststelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid (hierna “het protocol” genoemd) bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.


ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.

ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.


4.    De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.

2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;


d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 20, lid 2, of artikel 21, lid 2, van het protocol) en:

i)    in de in artikel 20, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid geplaatst overeenkomstig artikel 21, lid 1, van het protocol; en

ii)    in de in artikel 21, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 20, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

4.    In de in artikel 20, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.


ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

2.    In de in artikel 20, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


3.    Het ontbreken van of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde op eigen initiatief of op verzoek van een partij verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.


3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Ter ondersteuning van de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht wordt een indicatieve lijst opgesteld en zo nodig bijgehouden van personen die beschikken over de in lid 6 bedoelde kwalificaties, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te […] op […] (hierna de “gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd) en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van het protocol stelt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid deze lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van het recht en de aangelegenheden die onder dit protocol vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.


4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.

ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.


ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.


2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 20, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.


2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 20, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 20, lid 2, of artikel 21, lid 2, van het protocol.

2.    In de in artikel 20, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid geplaatst overeenkomstig artikel 20, lid 1, van het protocol.


3.    In de in artikel 21, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt of in de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.


ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 21, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop de compenserende maatregelen overeenkomstig artikel 21, lid 1, van het protocol zijn meegedeeld.


ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 17 en artikel 20, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van het protocol; en


c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 17, lid 2, van het protocol.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.

ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 21, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.


3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.


7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 21, lid 2, van het protocol wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.


4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.


4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.

ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.


3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.


HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.

ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.


4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van het protocol stelt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.

6.    In de in artikel 20, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 20, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijk recht bestaat uit het protocol, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.


2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 17 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 21, lid 2, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.

ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.


3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.

4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.


2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.

ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van het protocol stelt het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid deze lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.


2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.


3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité voor Voedselveiligheid kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.



Aanhangsel 2

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN
VAN DE EUROPESE AUTORITEIT VOOR VOEDSELVEILIGHEID

ARTIKEL 1

(overeenkomstig artikel 1 van Protocol nr. 7)

De gebouwen en terreinen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna “de Autoriteit” genoemd) zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Autoriteit kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

ARTIKEL 2

(overeenkomstig artikel 2 van Protocol nr. 7)

Het archief van de Autoriteit is onschendbaar.


ARTIKEL 3

(overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Protocol nr. 7)

1.    De Autoriteit, haar bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.    Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Zwitserland naar de Autoriteit worden geëxporteerd of die aan de Autoriteit in Zwitserland beschikbaar worden gesteld, zijn geen indirecte heffingen en belastingen verschuldigd.

3.    Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een overeenkomstig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt. De Autoriteit is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen die bestemd zijn voor officieel gebruik; de aldus ingevoerde goederen mogen in Zwitserland niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van Zwitserland zijn goedgekeurd.

4.    Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

5.    Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.


ARTIKEL 4

(overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 7)

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet de Autoriteit in Zwitserland de behandeling, welke door dat land aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Autoriteit zijn niet aan censuur onderworpen.

ARTIKEL 5

(overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 7)

Het aan de leden en personeelsleden van de Autoriteit verstrekte laissez-passer van de Unie wordt erkend als geldig reisdocument op het grondgebied van Zwitserland. Deze laissez-passer wordt aan ambtenaren en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Unie 7 .


ARTIKEL 6

(overeenkomstig artikel 10 van Protocol nr. 7)

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie die deelnemen aan de werkzaamheden van de Autoriteit, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst in Zwitserland de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

ARTIKEL 7

(overeenkomstig artikel 11 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Autoriteit zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van Zwitserland:

a)    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die enerzijds betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en andere personeelsleden tegenover de Unie, en anderzijds op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en andere personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;


c)    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d)    gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in Zwitserland hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland, als noodzakelijk beschouwt;

e)    gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt.

ARTIKEL 8

(overeenkomstig artikel 12 van Protocol nr. 7)

Onder de voorwaarden en volgens de procedure die bij het Unierecht worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Autoriteit onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door de Autoriteit betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van Zwitserse federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op de door de Autoriteit betaalde salarissen, lonen en emolumenten.


ARTIKEL 9

(overeenkomstig artikel 13 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Autoriteit, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Autoriteit en op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Autoriteit vestigen op het grondgebied van Zwitserland worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in Zwitserland als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit een lidstaat van de Unie is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich in Zwitserland bevinden, worden in Zwitserland vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.


ARTIKEL 10

(overeenkomstig artikel 14 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt de regeling inzake de sociale voorzieningen vastgesteld, welke voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn.

Ambtenaren en andere personeelsleden van de Autoriteit zijn derhalve niet verplicht zich aan te sluiten bij het Zwitserse socialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Leden van het gezin van personeelsleden van de Autoriteit worden gedekt door de regeling inzake de sociale voorzieningen voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan de Autoriteit of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland.

ARTIKEL 11

(overeenkomstig artikel 15 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Autoriteit de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 geheel of ten dele van toepassing zijn.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan Zwitserland medegedeeld.


ARTIKEL 12

(overeenkomstig artikel 17 van Protocol nr. 7)

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Autoriteit uitsluitend in het belang van de Autoriteit verleend.

De Autoriteit is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar mening van de Autoriteit niet strijdig is met de belangen van de Autoriteit.

ARTIKEL 13

(overeenkomstig artikel 18 van Protocol nr. 7)

De Autoriteit werkt, voor de toepassing van dit aanhangsel, samen met de verantwoordelijke autoriteiten van Zwitserland of de betrokken lidstaten van de Unie.

________________

(1)    Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen.
(2)    Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(3)    Richtlijn 94/3/EG van de Commissie van 21 januari 1994 tot vaststelling van een procedure voor melding van de onderschepping van uit derde landen herkomstige en uit fytosanitair oogpunt onmiddellijk gevaar opleverende zendingen of schadelijke organismen (PB L 32 van 5.2.1994, blz. 37).
(4)    Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(5)    Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
(6)    Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2002 van de Commissie van 7 december 2020 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de melding en de rapportage in de Unie van in de lijst opgenomen ziekten, de modellen en procedures voor de indiening en rapportage van bewakingsprogramma’s en uitroeiingsprogramma’s van de Unie en voor aanvragen voor erkenning van de ziektevrije status, en het geautomatiseerd informatiesysteem (PB L 412 van 8.12.2020, blz. 1).
(7) .    Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen.
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE ELEKTRICITEIT

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GEZIEN de bestaande bijzonder nauwe integratie van de elektriciteitssystemen van de Unie en Zwitserland en het feit dat Zwitserland deel uitmaakte van de groep Europese landen die grensoverschrijdende handel in elektriciteit in Europa hebben ontwikkeld op basis van samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders, teneinde te profiteren van de voordelen van gedeelde energiebronnen;

EROP WIJZEND dat de afgelopen twee decennia in de Unie een fijnmazig rechtskader is gecreëerd om een efficiënte interne elektriciteitsmarkt te organiseren met mechanismen voor de handel in elektriciteit, zoals een Unie-brede marktkoppeling, ter vervanging van het vroegere samenwerkingskader;

ERKENNEND dat het ontbreken van de toepassing van de regels van de Unie voor de handel in elektriciteit en de voorzieningszekerheid in Zwitserland, en het daaruit voortvloeiende ontbreken van Zwitserland bij gezamenlijke handelsregelingen, platforms en coördinatieorganen die onder het Unierecht vallen, de samenwerking op het gebied van elektriciteit tussen de overeenkomstsluitende partijen ook wat de voorzieningszekerheid betreft voor steeds grotere uitdagingen heeft gesteld, wat heeft geleid tot marktinefficiënties, hogere transactiekosten, rechtsonzekerheid en een gebrek aan betrouwbaarheid bij de uitwisseling van elektriciteit, met extra kosten voor afnemers van elektriciteit tot gevolg;



BENADRUKKEND dat deze overeenkomst, rekening houdend met de bestaande fysiek nauwe integratie van het Zwitserse elektriciteitssysteem in het Europese elektriciteitssysteem, bedoeld is om de wederzijdse samenwerking in de elektriciteitssector te versterken, de deelname van Zwitserland aan alle onder het Unierecht vallende handelsregelingen, platforms en gemeenschappelijke coördinatieorganen mogelijk te maken, de grensoverschrijdende handel in elektriciteit te bevorderen, de economische efficiëntie en het sociale welzijn te vergroten, de voorzieningszekerheid te versterken, de stabiliteit van het net te vergroten en de overgang naar een broeikasgasneutraal energiesysteem in Europa tegen 2050 te vergemakkelijken, tot wederzijds voordeel van Zwitserland en de Unie;

GEZIEN het feit dat de deelname van Zwitserland aan de interne elektriciteitsmarkt van de Unie de integratie van Zwitserland vereist op een wijze die dezelfde rechten en verplichtingen voor de overeenkomstsluitende partijen waarborgt. Dit vereist op zijn beurt passende regels inzake een gelijk speelveld om een open en eerlijke concurrentie tussen de verdragsluitende partijen te waarborgen, met inbegrip van relevante regels inzake mededinging, milieu en de productie van hernieuwbare energie;

EROP WIJZEND dat nauwe samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen en hun autoriteiten noodzakelijk is voor de juiste interpretatie en toepassing van de regels van de interne elektriciteitsmarkt en voor een grotere regionale netstabiliteit en voorzieningszekerheid, met name in tijden van een energiecrisis;

BENADRUKKEND dat de overeenkomstsluitende partijen bij hun samenwerking in het kader van deze overeenkomst veel belang hechten aan de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en dat een belangrijk doel van deze overeenkomst erin bestaat betrouwbare regels vast te stellen die garanderen dat beide overeenkomstsluitende partijen ook in tijden van een energiecrisis elektriciteit zullen blijven uitwisselen, op basis van duidelijke regels, zodat zij wederzijds kunnen vertrouwen op elektriciteitsstromen, waardoor de kosten voor de elektriciteitsgebruikers worden verlaagd;



ERKENNEND dat fysieke langlopende grensoverschrijdende capaciteitsreserveringen het beginsel van toegang van derden, zoals vastgelegd in de regels inzake de elektriciteitsmarkt van de Unie, beperken en dat de behandeling van historische contracten voor fysieke langlopende reserveringen met derde landen complexe juridische vragen kan oproepen, moet deze overeenkomst rechtszekerheid bieden over de geleidelijke afschaffing van dergelijke reserveringen en over de regeling die in de overgangsperiode van toepassing is;

GEZIEN de voordelen van grensoverschrijdende handel in elektriciteit en het stimuleren van investeringen voor een kostenefficiënte, schone en zekere elektriciteitsvoorziening in de Unie en Zwitserland;

ERKENNEND dat staatseigendom van elektriciteitsinfrastructuur een legitieme politieke keuze kan zijn;

STREVEND NAAR versterking en verdieping van de deelname van Zwitserland en zijn ondernemingen aan de interne markt van de Unie, waaraan Zwitserland op basis van deze overeenkomst deelneemt;

ERKENNEND dat de goede werking en homogeniteit op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, gelijke concurrentievoorwaarden tussen Zwitserse ondernemingen en ondernemingen in de Unie vereist op basis van materiële en procedurele regels die gelijkwaardig zijn aan die welke op de interne markt van toepassing zijn op het gebied van staatssteun;

OPNIEUW BEVESTIGEND de autonomie van de overeenkomstsluitende partijen en de rollen en bevoegdheden van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, de eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit zijn grondwettelijke orde, met inbegrip van directe democratie, de scheiding der machten en het federalisme;

OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;



HERINNEREND AAN het feit dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;

VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;

OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;

ZICH BEWUST van de noodzaak om uniformiteit te waarborgen op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doel

1.    Deze overeenkomst heeft tot doel de deelname van Zwitserland aan de interne elektriciteitsmarkt van de Unie mogelijk te maken door te zorgen voor de uniforme toepassing van de regels van de interne elektriciteitsmarkt, waar nodig aangepast, onder de in deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden.

2.    In dit verband heeft deze overeenkomst tot doel:

a)    te garanderen dat alle marktdeelnemers gelijke toegang hebben tot zowel de elektriciteitsmarkten van de Unie als die van Zwitserland, met inbegrip van toegang tot gezamenlijke handelsregelingen, platforms en coördinatieorganen;

b)    te bevorderen dat de grensoverschrijdende elektriciteitshandel tot wederzijds voordeel van de Unie en Zwitserland wordt gestimuleerd, onder meer door een betere toewijzing en beter beheer van de capaciteit van het transmissiesysteem, met name op interconnectoren;

c)    te zorgen voor de stabiliteit van het regionale elektriciteitsnet en van de aansluiting van het Zwitserse elektriciteitssysteem op het geïnterconnecteerde systeem van de Unie;

d)    te zorgen voor een hoge mate van voorzieningszekerheid;



e)    te zorgen voor de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor elektriciteit;

f)    te zorgen voor een grotere en snellere toename van het aandeel van uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte elektriciteit en een hoog niveau van milieubescherming in de elektriciteitssector, om de transitie naar een broeikasgasneutraal energiesysteem in Europa tegen 2050 te vergemakkelijken;

g)    te zorgen voor een betere samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen, hun respectieve regulerende instanties en exploitanten in de elektriciteitssector.

ARTIKEL 2

Toepassingsgebied

1.    Deze overeenkomst is van toepassing op de elektriciteitssector wat betreft de opwekking, transmissie, distributie, handel en levering van elektriciteit.

2.    Deze overeenkomst is ook van toepassing op aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de elektriciteitssector, zoals uiteengezet in deze overeenkomst.

ARTIKEL 3

Non-discriminatie

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geen discriminerende maatregelen te treffen in het kader van de toepassing van deze overeenkomst.



DEEL II

REGELS BETREFFENDE DE DEELNAME AAN DE INTERNE ELEKTRICITEITSMARKT

ARTIKEL 4

Regels voor de elektriciteitssector

Zwitserland past de in bijlage I vermelde rechtshandelingen voor de elektriciteitssector toe.

ARTIKEL 5

Zwitserse transmissiesysteembeheerder

1.    Onverminderd de bepalingen inzake de ontvlechting van transmissiesysteembeheerders (hierna “TSB’s” genoemd) in de in bijlage I vermelde rechtshandelingen, mag geen enkele bepaling van deze overeenkomst worden uitgelegd als een beletsel voor Zwitserse overheidsinstanties, zoals kantons en gemeenten, om een directe of indirecte meerderheid in de beheerder van het Zwitserse transmissiesysteem te hebben.

2.    Niets in deze overeenkomst belet ondernemingen die actief zijn in de elektriciteitssector om een directe of indirecte meerderheid in de Zwitserse TSB te bezitten binnen de grenzen van de bepalingen inzake ontvlechting van TSB’s in de in bijlage I vermelde rechtshandelingen.



ARTIKEL 6

Zwitserse distributiesysteembeheerders

Onverminderd de bepalingen inzake de ontvlechting van distributiesysteembeheerders in de in bijlage I vermelde rechtshandelingen, mag geen enkele bepaling van deze overeenkomst worden uitgelegd als een beletsel voor Zwitserse overheidsinstanties, zoals kantons of gemeenten, om:

a)    volledig eigenaar te zijn van of een direct of indirect meerderheidsbelang te hebben in Zwitserse distributiesysteembeheerders;

b)    hun netbeheerders en entiteiten voor de opwekking of levering publiekrechtelijk te organiseren.

ARTIKEL 7

Zwitserse universele dienst

1.    Geen enkele bepaling van deze overeenkomst mag worden uitgelegd als een beletsel voor Zwitserland om maatregelen ter bescherming van de consument vast te stellen die voorzien in een recht voor huishoudens en ondernemingen onder een bepaalde consumptiedrempel om in aanmerking te komen voor een universele dienst, met inbegrip van de diensten van een noodleverancier overeenkomstig de bepalingen van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen.

2.    Deze overeenkomst mag niet worden uitgelegd als een beletsel voor prijsregulering voor de universele dienst overeenkomstig de bepalingen van de in bijlage I vermelde rechtshandelingen.



ARTIKEL 8

Overgangsregeling voor bestaande langlopende capaciteitsreserveringen
op interconnectoren bij de Zwitserse grenzen

1.    Met het oog op de naleving van het beginsel van niet-discriminerende toegang tot het net worden de bestaande langlopende capaciteitsreserveringen op interconnectoren tussen Zwitserland en Frankrijk, zoals vastgesteld in de contracten die vóór 1 januari 2002 zijn gesloten en die zijn vermeld in deel B van bijlage II, met de inwerkingtreding van deze overeenkomst opgeheven. Aan de houders van die contracten wordt een financiële compensatie toegekend voor een overgangsperiode die zeven jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst afloopt, maar in elk geval eindigt op de einddatum van het respectieve in deel B van bijlage II vermelde bestaande contract indien dat contract eerder afloopt Wijzigingen in de in deel B van bijlage II vermelde contracten laten de opheffing van langlopende capaciteitsreserveringen of de overgangsperiode onverlet.

2.    In deel A van bijlage II worden de beginselen van de financiële compensatie en de taken van de nationale regelgevende instanties (hierna “NRI’s” genoemd) in verband met de compensatie en de financiering ervan uiteengezet.

3.    In afwijking van lid 1 worden de capaciteitsreserveringen met betrekking tot grensoverschrijdende waterkrachtinstallaties met een kleiner volume aan capaciteitsreservering, van niet meer dan 65 MW, zoals vermeld in deel C van bijlage II, behouden gedurende een overgangsperiode die 15 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst afloopt, maar in elk geval eindigt op de einddatum van de respectieve bestaande concessie indien de concessie eerder afloopt, en worden zij daarna verwijderd.



ARTIKEL 9

Voorzieningszekerheid en reserves

1.    De overeenkomstsluitende partijen hechten bij hun samenwerking in het kader van deze overeenkomst een groot belang aan de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening. Om de werking van de elektriciteitsmarkten te waarborgen en ervoor te zorgen dat elektriciteit stroomt naar waar die het meest nodig is, blijven grensoverschrijdende interconnectoren open, ook in tijden van een elektriciteitscrisis, in overeenstemming met deze overeenkomst. Maatregelen die de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening in gevaar brengen, met name in het geval van een elektriciteitscrisis, moeten worden vermeden, met name interventies zoals onnodige beperkingen van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

2.    Zwitserland kan de nodige, evenredige en niet-verstorende maatregelen nemen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen, met name door elektriciteitsreserves aan te leggen en aan te houden, voor zover deze verenigbaar zijn met deze overeenkomst.

3.    Bij de beoordeling van zijn nationale toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening kan Zwitserland aannamen doen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de nationale vraag naar en het nationale aanbod van elektriciteit, met inbegrip van die specifieke kenmerken die voortvloeien uit het feit dat Zwitserland geen lidstaat van de Unie is, of uit elementen die bijzonder relevant kunnen zijn voor de voorzieningszekerheid in Zwitserland, zoals een verminderde beschikbaarheid van kernenergie en gas voor elektriciteitsopwekking in de buurlanden, mits dergelijke punten op een evenredige en redelijke wijze in aanmerking worden genomen.

4.    Om de doeltreffendheid van de regels inzake staatssteun voor toereikendheid van de elektriciteitsopwekking in het kader van deze overeenkomst te waarborgen en rekening te houden met de nieuwe mogelijkheden om elektriciteit uit te wisselen op basis van bindende regels na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, mag staatssteun voor toereikendheidsreserves die vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst is verleend en die niet verenigbaar is met deze overeenkomst, niet langer duren dan zes jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.



ARTIKEL 10

Deelname van Zwitserland aan instellingen en andere organen

1.    Zwitserland en de betrokken Zwitserse actoren nemen deel aan instellingen, comités, regio’s, regelingen, platforms, initiatieven en andere soortgelijke organen die in het kader van deze overeenkomst relevant zijn.

2.    Met name:

a)    de Zwitserse NRI neemt deel aan het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (hierna “ACER” genoemd);

b)    de Zwitserse TSB neemt deel aan het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (hierna “ENTSB-E” genoemd);

c)    de Zwitserse distributiesysteembeheerders nemen deel aan de Europese entiteit voor distributiesysteembeheerders (hierna “EU-DSB-entiteit” genoemd).

3.    De details van de deelname van Zwitserland zijn in de bijlagen opgenomen.



ARTIKEL 11

Exploitatie van energiebronnen en eigendom van opwekkingsinstallaties

1.    Zwitserland behoudt het recht om de voorwaarden te bepalen voor de exploitatie van zijn energiebronnen, met inbegrip van het gebruik van waterkracht, binnen de grenzen van het toepasselijke recht uit hoofde van deze overeenkomst, alsook het recht om te kiezen tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.

2.    Niets in deze overeenkomst vormt een beletsel voor staatseigendom van opwekkingsinstallaties, met inbegrip van de opwekking van waterkracht, door overheidsinstanties, binnen de grenzen van de toepasselijke elektriciteitswetgeving.

DEEL III

STAATSSTEUN

ARTIKEL 12

Doelstellingen van de bepalingen inzake staatssteun

1.    De doelstellingen van dit deel zijn te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor ondernemingen in de Unie en Zwitserland op de onder deze overeenkomst vallende gebieden van de interne markt en de goede werking van de interne markt te waarborgen door materiële en procedurele regels inzake staatssteun vast te stellen.



2.    In dit deel en de bijlagen daarbij worden noch het toepassingsgebied, noch de doelstellingen van deze overeenkomst, gewijzigd.

ARTIKEL 13

Staatssteun

1.    Behoudens de afwijkingen waarin deze overeenkomst voorziet, is staatssteun die door Zwitserland of een lidstaat van de Unie wordt toegekend, of in welke vorm ook met staatsmiddelen wordt bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar met de goede werking van de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst ongunstig beïnvloedt.

2.    Met de goede werking van de interne markt zijn verenigbaar:

a)    steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze worden toegepast zonder onderscheid naar de oorsprong van de desbetreffende producten;

b)    steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen;

c)    de maatregelen zoals uiteengezet in deel A van bijlage III.

3.    Als verenigbaar met de goede werking van de interne markt kunnen worden beschouwd:

a)    steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst;



b)    steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang of van gemeenschappelijk belang voor de overeenkomstsluitende partijen of om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat van de Unie of Zwitserland op te heffen;

c)    steunmaatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten of van bepaalde economische gebieden, waarbij die steun de handelsvoorwaarden niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;

d)    steunmaatregelen ter bevordering van de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed, waarbij die steun de handelsvoorwaarden en mededinging niet negatief beïnvloedt in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen;

e)    de steunmaatregelen zoals uiteengezet in deel B van bijlage III.

4.    Steun die overeenkomstig deel C van bijlage III wordt verleend, wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de kennisgevingsverplichting van artikel 14.

5.    Steun aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, valt onder de regels van deze overeenkomst, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

6.    Dit deel is niet van toepassing op steun wanneer het bedrag dat aan één onderneming wordt toegekend voor activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, de-minimissteun vormt in de zin van deel D van bijlage III.



7.    Het bij artikel 25 van deze overeenkomst ingestelde Gemengd Comité (hierna “het Gemengd Comité” genoemd) kan besluiten de delen A en B van bijlage III bij te werken door maatregelen te specificeren die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt, of categorieën steun die als verenigbaar kunnen worden beschouwd.

ARTIKEL 14

Toezicht

1.    Voor de toepassing van artikel 12 zien de Unie, overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en haar lidstaten, en Zwitserland, overeenkomstig de grondwettelijke ordening van bevoegdheden, toe op de toepassing van de staatssteunregels op hun respectieve grondgebieden overeenkomstig dit deel.

2.    Met het oog op de uitvoering van dit deel handhaaft de Unie een stelsel voor toezicht op staatssteun overeenkomstig de artikelen 93, 106, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd), zoals aangevuld door de in bijlage IV, deel A, punt 1, vermelde rechtshandelingen van de Unie op het gebied van staatssteun en die betreffende staatssteun in de elektriciteitssector.

3.    Met het oog op de uitvoering van dit deel zet Zwitserland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een stelsel voor toezicht op staatssteun op dat te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving waarborgt dat gelijkwaardig is aan het niveau dat in de Unie wordt toegepast, zoals bepaald in lid 2, met inbegrip van het volgende:

a)    een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit; en



b)    procedures om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteit de verenigbaarheid van steun met de goede werking van de interne markt toetst, die onder andere bestaan uit:

i)    voorafgaande kennisgeving van de geplande steun aan de toezichthoudende autoriteit;

ii)    beoordeling door de toezichthoudende autoriteit van aangemelde steun en haar bevoegdheid om niet-aangemelde steun te onderzoeken;

iii)    bij de bevoegde rechterlijke autoriteit beroep instellen, met schorsende werking vanaf het moment waarop de handeling voor beroep vatbaar is, tegen de steun die de toezichthoudende autoriteit onverenigbaar acht met de goede werking van de interne markt; en

iv)    de terugvordering, inclusief rente, van de verleende en met de goede werking van de interne markt onverenigbare steun.

4.    Overeenkomstig de grondwettelijke ordening van bevoegdheden van Zwitserland is lid 3, punt b), iii) en iv), niet van toepassing op handelingen van de Zwitserse Bondsvergadering of de Zwitserse Bondsraad.

5.    Wanneer de Zwitserse toezichthoudende autoriteit de steun door de Zwitserse Bondsvergadering of van de Zwitserse Bondsraad niet voor een rechterlijke autoriteit kan aanvechten wegens beperkingen van haar bevoegdheid krachtens het Zwitserse constitutioneel bestel, vecht zij de toepassing van die steun door andere autoriteiten in alle specifieke gevallen aan. Indien de rechterlijke autoriteit vaststelt dat die steun onverenigbaar is met de goede werking van de interne markt, houden de bevoegde Zwitserse gerechtelijke en administratieve autoriteiten met die bevinding rekening bij de beoordeling of die steun in de bij hen aanhangige zaak kan worden toegepast.



ARTIKEL 15

Bestaande steun

1.    Artikel 14, lid 3, punt b), is niet van toepassing op bestaande steun, met inbegrip van steunregelingen en individuele steun.

2.    Voor de toepassing van deze overeenkomst omvat bestaande steun de steun die vóór en binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst is verleend.

3.    Binnen twaalf maanden na de datum van instelling van het stelsel van toezicht overeenkomstig artikel 14, lid 3, krijgt de toezichthoudende autoriteit een overzicht van de bestaande steunregelingen binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst die nog van kracht zijn en voert zij een eerste beoordeling uit van deze regelingen aan de hand van de criteria van artikel 13.

4.    Alle bestaande steunregelingen in Zwitserland worden door de toezichthoudende autoriteit voortdurend getoetst op hun verenigbaarheid met de goede werking van de interne markt overeenkomstig de leden 5, 6 en 7.

5.    Indien de toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat een bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de goede werking van de interne markt, stelt zij de bevoegde instanties in kennis van de verplichting om dit deel na te leven. Indien een dergelijke steunregeling wordt gewijzigd of beëindigd, stellen de bevoegde instanties de toezichthoudende autoriteit daarvan in kennis.

6.    Indien de toezichthoudende autoriteit de door de bevoegde instanties genomen maatregelen passend acht om de verenigbaarheid van de steunregeling met de goede werking van de interne markt te waarborgen, maakt zij die maatregelen bekend.



7.    In afwijking van lid 1 van dit artikel maakt de toezichthoudende autoriteit, indien zij van oordeel is dat de steunregeling onverenigbaar blijft met de goede werking van de interne markt, haar beoordeling bekend en betwist zij de toepassing van die steunregeling in alle specifieke gevallen, overeenkomstig artikel 14, lid 3, punt b), iii), en artikel 14, lid 5.

8.    Voor de toepassing van dit deel wordt, indien een bestaande steunregeling zodanig wordt gewijzigd dat de verenigbaarheid van de steun met de goede werking van de interne markt wordt beïnvloed, de steun beschouwd als nieuwe steun en valt deze derhalve onder artikel 14, lid 3, punt b).

ARTIKEL 16

Transparantie

1.    Met betrekking tot de op hun grondgebied toegekende steun zorgen de overeenkomstsluitende partijen voor transparantie. Voor de Unie is de transparantie gebaseerd op de materiële en procedurele regels die in de Unie van toepassing zijn op staatssteun binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst. Voor Zwitserland is de transparantie gebaseerd op de materiële en procedurele regels die gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie van toepassing zijn op staatssteun die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst valt.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij draagt, met betrekking tot haar eigen grondgebied en tenzij in dit deel anders is bepaald, zorg voor de bekendmaking van:

a)    de toegekende steun;

b)    adviezen of besluiten van haar toezichthoudende autoriteiten;



c)    uitspraken van haar bevoegde rechterlijke autoriteiten over de verenigbaarheid van steun met de goede werking van de interne markt; en

d)    richtsnoeren en mededelingen die door haar toezichthoudende autoriteiten worden toegepast.

ARTIKEL 17

Voorwaarden voor samenwerking

1.    De overeenkomstsluitende partijen werken samen en wisselen informatie uit over staatssteun, met inachtneming van hun respectieve wetgeving en de beschikbare middelen.

2.    Met het oog op de eenvormige uitvoering, toepassing en uitlegging van de materiële regels inzake staatssteun en de harmonische ontwikkeling daarvan:

a)    werken de overeenkomstsluitende partijen samen en plegen zij onderling overleg met betrekking tot de in deel B van bijlage IV bedoelde relevante richtsnoeren en mededelingen; en

b)    treffen de toezichthoudende autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen regelingen voor een regelmatige informatie-uitwisseling, onder meer over de gevolgen voor de toepassing van de voorschriften inzake bestaande steunmaatregelen.



ARTIKEL 18

Raadplegingen

1.    Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij plegen de overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité overleg over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit deel.

2.    In geval van ontwikkelingen met betrekking tot zwaarwegende belangen van een overeenkomstsluitende partij die van invloed kunnen zijn op de werking van dit deel, komt het Gemengd Comité op verzoek van een overeenkomstsluitende partij binnen dertig dagen na dat verzoek op een passend hoog niveau bijeen om de kwestie te bespreken.

ARTIKEL 19

Integratie van rechtshandelingen inzake staatssteun

1.    Onverminderd artikel 27 zorgen Zwitserland en de Unie, voor de toepassing van artikel 13, leden 4 en 6, en artikel 14, leden 2 en 3, en teneinde de rechtszekerheid en de homogeniteit van het recht op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens deze overeenkomst deelneemt, te waarborgen, ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die zijn vastgesteld op de gebieden die onder de delen C en D van bijlage III en deel A van bijlage IV vallen, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in die bijlagen worden opgenomen.

2.    Wanneer de Unie een rechtshandeling vaststelt op het gebied dat onder de delen C en D van bijlage III of deel A van bijlage IV valt, stelt zij Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen organiseert het Gemengd Comité een gedachtewisseling over dit onderwerp.



3.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit tot wijziging van de delen C en D van bijlage III en deel A van bijlage IV vast te stellen, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

4.    Met inachtneming van artikel 28 treden de besluiten van het Gemengd Comité uit hoofde van lid 3 van dit artikel onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

DEEL IV

GEBIEDEN MET BETREKKING TOT DE ELEKTRICITEITSMARKT

ARTIKEL 20

Milieu

1.    De overeenkomstsluitende partijen waarborgen een hoog niveau van milieubescherming in de elektriciteitssector.

2.    Zwitserland waarborgt een hoog niveau van milieubescherming overeenkomstig artikel 27, lid 3, en bijlage V.



ARTIKEL 21

Hernieuwbare energie

1.    De overeenkomstsluitende partijen werken samen op het gebied van hernieuwbare energie, met name wat het gebruik en de bevordering ervan betreft.

2.    De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe het aandeel hernieuwbare energie in hun energiesystemen te vergroten. Zwitserland past de in bijlage VI opgenomen rechtshandelingen inzake hernieuwbare energie toe en stelt met name een passend indicatief streefcijfer voor hernieuwbare energie vast.

3.    De overeenkomstsluitende partijen streven ernaar hun plannings- en vergunningsprocedures te versnellen.

ARTIKEL 22

Samenwerking op het gebied van infrastructuur

1.    De overeenkomstsluitende partijen werken samen om de tijdige ontwikkeling en interoperabiliteit van de energie-infrastructuur die hun grondgebieden met elkaar verbindt, te vergemakkelijken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij waarborgt dat er netwerkontwikkelingsplannen voor elektriciteits- en gastransmissiesystemen worden opgesteld, dat zij worden bekendgemaakt en dat zij regelmatig worden geactualiseerd.



3.    Met het oog op de mogelijke kwalificatie van Zwitserse infrastructuurprojecten als projecten van wederzijds belang overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 2, punt e), van Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad 1 wordt uitgegaan van een hoge mate van convergentie van het beleidskader voor Zwitserland. Zwitserland hanteert een soortgelijk tijdschema voor de versnelde uitvoering en andere maatregelen ter ondersteuning van het beleid, zoals bepaald in die verordening.

DEEL V

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 23

Doelstellingen van de institutionele bepalingen

1.    Dit deel heeft tot doel voor de overeenkomstsluitende partijen en voor marktdeelnemers en personen een betere rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te waarborgen op de gebieden van de interne markt en die onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen.



2.    Hiertoe worden in dit deel institutionele oplossingen geboden die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen vergemakkelijken. Met inachtneming van de beginselen van het internationaal recht worden in dit deel met name institutionele oplossingen voor deze overeenkomst vastgesteld die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die zijn of zullen worden gesloten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder het toepassingsgebied of de doelstellingen van deze overeenkomst te wijzigen, met name:

a)    de procedure voor de aanpassing van de overeenkomst aan de voor deze overeenkomst relevante rechtshandelingen van de Unie;

b)    de uniforme uitlegging en toepassing van deze overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van deze overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van deze overeenkomst.

ARTIKEL 24

Bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel dat een evenwicht tussen rechten en verplichtingen tussen de Unie en Zwitserland waarborgt.



2.    Deze overeenkomst vormt een bilaterale overeenkomst op een gebied van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

ARTIKEL 25

Gemengd Comité

1.    Hierbij wordt een Gemengd Comité opgericht. Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

2.    Het Gemengd Comité wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité heeft de volgende taken:

a)    het zorgt voor de goede werking en een doeltreffende uitvoering en toepassing van deze overeenkomst;

b)    het voorziet in een forum voor onderlinge raadpleging en voortdurende informatie-uitwisseling tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 32;

c)    het doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die verband houden met deze overeenkomst;

d)    het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst uitdrukkelijk voorziet; en



e)    het voert alle andere bevoegdheden uit die het in deze overeenkomst zijn toegekend.

4.    In geval van een wijziging van de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 of 18 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “Protocol nr. 7” genoemd), wijzigt het Gemengd Comité het aanhangsel van bijlage I dienovereenkomstig.

5.    Het Gemengd Comité neemt besluiten bij eenparigheid van stemmen.

De besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

6.    Het Gemengd Comité komt ten minste één keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het komt ook bijeen op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

7.    Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit bij indien nodig.

8.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen in te stellen die het bij de uitoefening van zijn taken kunnen bijstaan.



HOOFDSTUK 2

AANPASSING VAN DEZE OVEREENKOMST AAN DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

ARTIKEL 26

Deelname aan het opstellen van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het VWEU op het onder deze overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie om advies vraagt bij het opstellen van haar voorstellen.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg in het Gemengd Comité op belangrijke momenten in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in een doorlopend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder deze overeenkomst vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.



3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder deze overeenkomst vallende gebied zorgt de Europese Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die moeten worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

4.    De deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dat nodig is om de goede werking van deze overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken en werkt deze lijst bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 27, lid 8, bedoelde uitzondering vallen.

ARTIKEL 27

Integratie van rechtshandelingen van de Unie

1.    Om de rechtszekerheid en de homogeniteit van het recht op het gebied van de interne markt waaraan Zwitserland krachtens deze overeenkomst deelneemt, te waarborgen, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat rechtshandelingen van de Unie die op het onder deze overeenkomst vallende gebied zijn vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in deze overeenkomst worden opgenomen.

2.    Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 5 in de bijlagen I en VI zijn opgenomen, maken door hun opneming in deze overeenkomst deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft besloten.



3.    Zwitserland stelt, ter zake van de elektriciteitssector, bepalingen vast of handhaaft bepalingen die ten minste hetzelfde niveau van milieubescherming waarborgen zoals vastgelegd in de overeenkomstig lid 5 in bijlage V opgenomen rechtshandelingen van de Unie. Op de overeenkomstig dit lid vastgestelde of gehandhaafde bepalingen van Zwitsers recht kan geen beroep worden gedaan om de vrije toegang tot de Zwitserse markt te beperken voor goederen en diensten uit de Unie die voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de in bijlage V bedoelde rechtshandelingen van de Unie.

4.    Wanneer de Unie een rechtshandeling vaststelt op het onder deze overeenkomst vallende gebied, stelt zij Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen organiseert het Gemengd Comité een gedachtewisseling over dit onderwerp.

5.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit tot wijziging van de bijlagen I, V en VI bij deze overeenkomst vast te stellen, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

6.    Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van deze overeenkomst met de bijlagen I, V en VI, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 5, te waarborgen, de herziening van deze overeenkomst ter goedkeuring aan de overeenkomstsluitende partijen voorstellen volgens hun interne procedures.

7.    Verwijzingen in deze overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van de bijlagen I, V en VI als verwijzingen naar de intrekkingshandeling van de Unie zoals opgenomen in de bijlagen I, V en VI, tenzij in dat besluit anders is bepaald.



8.    De verplichting van lid 1 is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van de volgende uitzondering vallen:

—    artikel 9, lid 3.

9.    Met inachtneming van artikel 28 treden besluiten van het Gemengd Comité uit hoofde van lid 5 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

10.    De overeenkomstsluitende partijen werken tijdens de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.

ARTIKEL 28

Naleving van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Tijdens de in artikel 27, lid 4, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of in een besluit als bedoeld in artikel 27, lid 5, is bepaald dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen moet nakomen om het besluit bindend te maken.

2.    Wanneer in het in artikel 27, lid 5, bedoelde besluit is bepaald dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen moet nakomen om het besluit bindend te maken, moet Zwitserland aan deze verplichtingen voldoen binnen een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde datum, behalve wanneer een referendumprocedure wordt ingeleid, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.



3.    In afwachting van de kennisgeving van Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 27, lid 5, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie ervan in kennis stelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.

De voorlopige toepassing kan in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.



HOOFDSTUK 3

UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 29

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen zoals uiteengezet in de artikelen 1, 12 en 23, en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht, worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, uniform uitgelegd en toegepast op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing ervan begrippen van het Unierecht omvat, de bepalingen van deze overeenkomst worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voorafgaand aan of volgend op de ondertekening van deze overeenkomst.



ARTIKEL 30

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van deze overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst wordt gezamenlijk uitgeoefend door de overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité. Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om een aanvaardbare oplossing te vinden.

4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten monitoren elk de toepassing van deze overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 32 van deze overeenkomst bedoelde procedure is van toepassing.

Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van deze overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet deze overeenkomst daarin specifiek voorzien.



ARTIKEL 31

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met deze overeenkomst van een door de Commissie op basis van deze overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit deel is voorgeschreven.

ARTIKEL 32

Procedure in geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van deze overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité niet binnen drie maanden na de datum van voorlegging van het in lid 1 bedoelde probleem aan het Gemengd Comité tot een oplossing kan komen, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de in het protocol vastgestelde regels.



3.    Wanneer in het kader van het geschil vragen rijzen over de uitlegging of toepassing van een in artikel 29, lid 2, bedoelde bepaling en indien de uitlegging van die bepaling relevant is voor de beslechting van het geschil en noodzakelijk is om tot een beslissing te komen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer in het kader van het geschil vragen rijzen over de uitlegging of toepassing van een bepaling die valt onder een uitzondering op de verplichting tot dynamische afstemming als bedoeld in artikel 27, lid 8, en wanneer het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van Unierechtelijke begrippen, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.    Wanneer het scheidsgerecht overeenkomstig lid 3 een vraag voorlegt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland op overeenkomstige wijze dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de uitspraak van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven. De overeenkomstsluitende partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht deze overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen.



ARTIKEL 33

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht deze overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het protocol vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om aan de beslissing van het scheidsgerecht te voldoen, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van oordeel is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van deze overeenkomst of van andere bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd) om een mogelijke onbalans te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij die naar het oordeel van het scheidsgerecht deze overeenkomst niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om die compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of nietig te verklaren, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen aan arbitrage onderwerpen overeenkomstig het protocol.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het protocol vastgestelde termijnen een beslissing.

4.    De compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. Met name de rechten en verplichtingen die particulieren en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, blijven behouden.



ARTIKEL 34

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Ter bevordering van de homogene uitlegging komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht bij het Hof van Justitie van de Europese Unie memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen wanneer een gerecht van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing verzoekt over een vraag betreffende de uitlegging van deze overeenkomst of van een bepaling van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in die overeenkomst wordt verwezen.

ARTIKEL 35

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van deze overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 43.



ARTIKEL 36

Verwijzingen naar onderdanen van lidstaten van de Unie

Wanneer de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden deze verwijzingen voor de toepassing van deze overeenkomst begrepen als verwijzingen naar de onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.

ARTIKEL 37

Inwerkingtreding en uitvoering van rechtshandelingen van de Unie

Bepalingen van de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van deze overeenkomst.

De termijnen en data die gelden voor Zwitserland voor de inwerkingtreding en uitvoering van de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in deze overeenkomst vloeien voort uit artikel 27, lid 9, en artikel 28, lid 5, alsmede uit de bepalingen betreffende overgangsregelingen.

ARTIKEL 38

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

Bepalingen van de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie, waarin wordt aangeven dat zij tot de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van deze overeenkomst.



DEEL VI

OVERIGE BEPALINGEN

ARTIKEL 39

Algemene aanpassingen

Dit deel voorziet in algemene aanpassingen die van toepassing zijn op de in de bijlagen I en VI bedoelde rechtshandelingen van de Unie, tenzij in de respectieve bijlage anders is bepaald.

ARTIKEL 40

Uitwisseling van informatie

1.    Wanneer een lidstaat van de Unie of zijn bevoegde instantie informatie bij de Commissie moet indienen, verstrekt Zwitserland of zijn bevoegde instantie die informatie aan de Commissie via het Gemengd Comité.

2.    Wanneer een lidstaat van de Unie of zijn bevoegde instantie informatie moet verstrekken aan een of meer andere lidstaten van de Unie, dient hij deze informatie ook rechtstreeks in bij Zwitserland en stelt hij de Commissie daarvan in kennis. Wanneer Zwitserland of zijn bevoegde instantie informatie moet verstrekken aan een of meer andere lidstaten van de Unie of hun bevoegde instanties, doen zij dit rechtstreeks en stellen zij de Commissie daarvan in kennis via het Gemengd Comité.



3.    Het Gemengd Comité kan passende oplossingen overeenkomen voor de rechtstreekse informatie-uitwisseling op gebieden waar een snelle overdracht van informatie vereist is.

4.    De leden 1 en 2 laten de sectorspecifieke regels en regelingen voor informatie-uitwisseling door middel van informatiesystemen onverlet.

5.    Behoudens het bepaalde in lid 1 vindt, wanneer een informatie-uitwisseling tussen ACER of andere instellingen van de Unie en een Zwitserse autoriteit nodig is tijdens het vaststellen van een besluit of een verslag, een advies, een aanbeveling of een ander soortgelijk document, die uitwisseling rechtstreeks tussen de betrokken entiteiten plaats, tenzij het Gemengd Comité bepaalt dat een dergelijke uitwisseling via het Gemengd Comité moet plaatsvinden.

6.    Wanneer de Commissie of ACER, ter uitoefening van de hun toegekende bevoegdheden, informatie moeten uitwisselen met ondernemingen in Zwitserland, kunnen zij deze informatie rechtstreeks met die ondernemingen uitwisselen, tenzij het Gemengd Comité voor dergelijke gevallen een andere procedure vaststelt.

7.    Wanneer lidstaten van de Unie, hun autoriteiten of ondernemingen tijdens het vaststellen van een besluit van de Unie worden geraadpleegd, worden Zwitserland, zijn autoriteiten en zijn ondernemingen op dezelfde wijze geraadpleegd.



ARTIKEL 41

Niet-bindende documenten

1.    Wanneer de Commissie, ACER of andere instellingen van de Unie aan de lidstaten van de Unie of hun autoriteiten verslagen, adviezen, verklaringen, aanbevelingen of andere soortgelijke documenten verstrekken, kunnen zij dit ook doen met betrekking tot Zwitserland of zijn autoriteiten. Wanneer lidstaten van de Unie, hun autoriteiten of ondernemingen tijdens het vaststellen van deze documenten worden geraadpleegd, worden Zwitserland, zijn autoriteiten en zijn ondernemingen op dezelfde wijze geraadpleegd.

2.    De Commissie verstrekt deze documenten via het Gemengd Comité, tenzij zij worden gepubliceerd. Het Gemengd Comité kan overeenkomen te voorzien in rechtstreekse uitwisseling. ACER en andere instellingen verstrekken de documenten rechtstreeks.

ARTIKEL 42

Publicatie van informatie

1.    Wanneer een lidstaat van de Unie bepaalde informatie moet publiceren, maakt ook Zwitserland in het kader van deze overeenkomst de relevante informatie op overeenkomstige wijze bekend.

2.    Indien overeenkomstig een in de bijlagen bedoelde handeling informatie moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, maakt de instelling van de Unie daarin ook overeenkomstige informatie over Zwitserland bekend.



DEEL VII

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 43

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het VWEU van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.

ARTIKEL 44

Evolutieve clausule voor een uitgebreide samenwerking

De overeenkomstsluitende partijen verklaren zich bereid te overwegen de samenwerking in de energiesector uit te breiden tot andere sectoren dan elektriciteit, met name op het gebied van waterstof of hernieuwbaar gas.

ARTIKEL 45

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een overeenkomstsluitende partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.



2.    In het kader van deze overeenkomst door de overeenkomstsluitende partijen verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie of materialen worden verwerkt en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en alle beveiligingsregelingen ter uitvoering daarvan.

3.    Het Gemengd Comité stelt bij besluit instructies vast voor het behandelen van gevoelige niet-gerubriceerde informatie die tussen de overeenkomstsluitende partijen wordt uitgewisseld.

ARTIKEL 46

Beroepsgeheim

De vertegenwoordigers, deskundigen en andere gemachtigden van de overeenkomstsluitende partijen zijn ertoe gehouden, ook na beëindiging van hun werkzaamheden, geen in het kader van deze overeenkomst verkregen informatie die onder het beroepsgeheim valt, openbaar te maken.

ARTIKEL 47

Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.



ARTIKEL 48

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst in gevaar brengen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, te waarborgen en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst in gevaar brengen.

ARTIKEL 49

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere in artikel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten van de Unie waartoe het land toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en bijlage VII.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van bijlage VII vaststellen.

2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland de betalingstermijn niet in acht neemt overeenkomstig de betalingsvoorwaarden van artikel 2 van bijlage VII.



Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die aanmaningsbrief geen volledige betaling is verricht, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.

3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een vergoeding voor deelname.

4.    De financiële bijdrage neemt de vorm aan van een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de verzoeken tot storting van de Commissie.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen.

Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie, met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.



6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is ingeschreven in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met een aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1 van bijlage VII.

De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals uiteengezet in documenten ter uitvoering van die begroting, zoals werkprogramma’s of contracten. Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.

7.    De jaarlijkse vergoeding voor deelname bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen van Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in euro’s verricht.

10.    Indien de inwerkingtreding van deze overeenkomst niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 4 van bijlage VII vastgestelde methode en betalingsvoorwaarden.

11.    Bijlage VII bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.



12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van bijlage VII en past het deze in voorkomend geval aan.

ARTIKEL 50

Inwerkingtreding

1.    Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;



d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;



m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;

n)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 51

Wijziging en beëindiging

1.    Deze overeenkomst kan te allen tijde in onderling overleg tussen de overeenkomstsluitende partijen worden gewijzigd.

2.    De Unie of Zwitserland kan deze overeenkomst opzeggen door de andere overeenkomstsluitende partij daarvan in kennis te stellen. De overeenkomst houdt zes maanden na ontvangst van die kennisgeving op van kracht te zijn.

3.    Wanneer deze overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers uit hoofde van deze overeenkomst reeds vóór de datum van beëindiging van deze overeenkomst hebben verworven, behouden. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.



Gedaan te […], op […], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

ELEKTRICITEIT

tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald:

—    worden de rechten en verplichtingen die in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie zijn vastgesteld, geacht ook voor Zwitserland te gelden;

—    worden de verwijzingen in deze rechtshandelingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in de lidstaten van de Unie verblijven of gevestigd zijn, gelezen als verwijzingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in Zwitserland verblijven of gevestigd zijn.

Deze bepaling wordt toegepast met volledige inachtneming van de institutionele bepalingen van deel V van deze overeenkomst.



HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN

1.    32019 R 0941: Verordening (EU) 2019/941 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/941/oj)

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2019/941 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    in artikel 3, lid 1, worden de woorden “Elke lidstaat wijst zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk op 5 januari 2020” vervangen door:

“Zwitserland wijst uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst”;

b)    in artikel 7, lid 1, worden de woorden “Uiterlijk vier maanden na identificatie van de regionale elektriciteitscrisisscenario’s overeenkomstig artikel 6, lid 1” vervangen door:

“Uiterlijk drie jaar en vier maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst”;

c)    in artikel 7, lid 4, worden de woorden “Uiterlijk vier maanden na de identificatie van de regionale elektriciteitscrisisscenario’s overeenkomstig artikel 6, lid 1” vervangen door:

“Uiterlijk drie jaar en vier maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst”;

d)    de artikelen 10 en 14 zijn uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst van toepassing.



2.    32019 R 0942: Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/942/oj), gewijzigd bij:

—    32024 R 1787: Verordening (EU) 2024/1787 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de beperking van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (PB L, 2024/1787, 15.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1787/oj).

—    32024 R 1789: Verordening (EU) 2024/1789 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011, (EU) 2017/1938, (EU) 2019/942 en (EU) 2022/869 en Besluit (EU) 2017/684, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 715/2009 (herschikking) (PB L, 2024/1789, 15.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1789/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2019/942 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Verordening (EU) 2019/942 is alleen van toepassing op aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen;



b)    niettegenstaande de algemene bepaling aan het begin van bijlage I bij deze overeenkomst worden de termen “lidstaat” of “lidstaten” in Verordening (EU) 2019/942 gelezen als een verwijzing naar Zwitserland, naast de betekenis ervan in Verordening (EU) 2019/942. Evenzo omvat de term “regulerende instantie” in Verordening (EU) 2019/942, naast de betekenis ervan in Verordening (EU) 2019/942, de regulerende (ook “regelgevende”) instantie van Zwitserland;

c)    aan artikel 3 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.    Met betrekking tot Zwitserland heeft ACER de bevoegdheden die hem zijn toegewezen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 10 en artikel 12 van Verordening (EU) 2019/942, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald. Voordat ACER een besluit met betrekking tot Zwitserland neemt, raadpleegt het de bevoegde Zwitserse autoriteit.”;

d)    aan artikel 5, lid 4, wordt het volgende toegevoegd:

“Voor artikel 9, lid 6, punt b), van Verordening (EU) 2015/1222 is de volgende procedure van toepassing:

Voor zover de wijziging van capaciteitsberekeningsregio’s betrekking heeft op de toewijzing van Zwitserse grenzen aan een specifieke regio, heeft Zwitserland het recht het Gemengd Comité te verzoeken een besluit te nemen over de goedkeuring van de toewijzing van Zwitserse grenzen aan een specifieke regio.

Indien het Gemengd Comité binnen zes maanden na het verzoek geen besluit heeft genomen, neemt ACER een besluit over de capaciteitsberekeningsregio’s overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, rekening houdend met de bezwaren van Zwitserland.



Indien het Gemengd Comité besluit de toewijzing van de Zwitserse grenzen aan een specifieke regio niet goed te keuren, stelt ACER een nieuw besluit op waarin rekening wordt gehouden met de bezwaren van Zwitserland.”;

e)    aan artikel 21 wordt het volgende toegevoegd:

“De NRI van Zwitserland neemt ten volle deel aan de raad van regulators en aan alle andere voorbereidende instanties van ACER, met inbegrip van werkgroepen, comités en taskforces, met betrekking tot aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen. Zij heeft geen stemrecht in de raad van regulators. Het reglement van orde van de raad van regulators en het reglement van orde voor de werking van de werkgroepen geven volledige uitvoering aan de deelname van de NRI van Zwitserland.”;

f)    aan artikel 31 wordt het volgende toegevoegd:

“Zwitserland neemt deel aan de financiering van ACER. Hiertoe zijn de procedures van artikel 49 van deze overeenkomst van toepassing.”;

g)    Zwitserland verleent ACER en zijn personeel in het kader van hun officiële functies voor ACER de voorrechten en immuniteiten waarin is voorzien in het aanhangsel bij deze bijlage, die zijn gebaseerd op de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 en 18 van Protocol nr. 7. Verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van het protocol worden ter informatie tussen haakjes vermeld;



h)    aan artikel 39 wordt het volgende lid toegevoegd:

“1 bis.    In afwijking van artikel 12, lid 2, punt a), van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen, kan ACER, indien het daartoe besluit, Zwitserse onderdanen die hun volledige burgerrechten genieten op contractbasis in dienst nemen. ACER kan de detachering van deskundigen door Zwitserland aanvaarden.”;

i)    aan artikel 41, lid 1, wordt het volgende toegevoegd:

“Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43) inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is, voor de toepassing van deze verordening, eveneens van toepassing op alle documenten van ACER die betrekking hebben op Zwitserland.”;

3.    32020 D 2152: Besluit (EU) 2020/2152 van de Commissie van 17 december 2020 betreffende de aan het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators verschuldigde vergoedingen voor het verzamelen, hanteren, verwerken en analyseren van informatie die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad is gerapporteerd (PB L 428 van 18.12.2020, blz. 68, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2020/2152/oj).



4.    32019 R 943: Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/943/oj), gewijzigd bij:

—    32022 R 0869: Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/869/oj)

—    32024 R 1747: Verordening (EU) 2024/1747 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943 wat betreft het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PB L, 2024/1747, 26.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1747/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2019/943 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 14, lid 8, wordt het volgende toegevoegd:

“Voor zover de Commissie voornemens is een biedzone die het Zwitsers grondgebied bestrijkt, te wijzigen, legt zij het ontwerpbesluit ter goedkeuring voor aan het Gemengd Comité. Het Gemengd Comité neemt binnen zes maanden na de indiening een besluit. Indien het Gemengd Comité de wijziging van de biedzone voor het Zwitserse grondgebied niet goedkeurt, stelt de Commissie een nieuw besluit op waarin rekening wordt gehouden met de bezwaren van Zwitserland.”;



b)    aan artikel 15, lid 5, wordt het volgende toegevoegd:

“Voor zover de Commissie voornemens is een biedzone die het Zwitsers grondgebied bestrijkt, te wijzigen, legt zij het ontwerpbesluit ter goedkeuring voor aan het Gemengd Comité. Het Gemengd Comité neemt binnen zes maanden na de indiening een besluit. Indien het Gemengd Comité de wijziging van de biedzone voor het Zwitserse grondgebied niet goedkeurt, stelt de Commissie een nieuw besluit op waarin rekening wordt gehouden met de bezwaren van Zwitserland.”;

c)    door Zwitserland ingevoerde capaciteitsmechanismen worden goedgekeurd door de bevoegde Zwitserse autoriteit. Dienovereenkomstig wordt voor die capaciteitsmechanismen in artikel 21, lid 8, het woord “Commissie” vervangen door “de bevoegde Zwitserse autoriteit”;

d)    in artikel 24, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

“a)    uitgaan van veronderstellingen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de nationale vraag naar en het nationale aanbod van elektriciteit, met inbegrip van die specifieke kenmerken die voortvloeien uit het feit dat Zwitserland geen lidstaat van de Unie is, of uit elementen die bijzonder relevant kunnen zijn voor de voorzieningszekerheid in Zwitserland, zoals een verminderde beschikbaarheid van kernenergie en gas voor elektriciteitsopwekking in de buurlanden, mits dergelijke punten op een evenredige en redelijke wijze in aanmerking worden genomen.”;

e)    de Commissie beschikt over de bevoegdheden uit hoofde van de artikelen 34, 63 en 64 in gevallen die betrekking hebben op Zwitserland;



f)    aan artikel 65, lid 2, wordt het volgende toegevoegd:

“Indien de Commissie voornemens is voor de toepassing van dit artikel informatie op te vragen bij een in Zwitserland gevestigde onderneming, verstrekt de Commissie de Zwitserse NRI een verzoek om informatie, met inbegrip van een termijn waarbinnen de betrokken onderneming deze informatie moet verstrekken. De NRI verzoekt de betrokken onderneming onmiddellijk om deze informatie en neemt in haar verzoek de in lid 3 bedoelde informatie op. De Zwitserse NRI geeft het antwoord van de betrokken ondernemingen onmiddellijk na ontvangst door aan de Commissie.

Indien een onderneming de overeenkomstig de derde alinea gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, kan de Commissie de Zwitserse NRI verzoeken overeenkomstig lid 5 besluiten vast te stellen.”;

g)    aan artikel 65, lid 5, wordt het volgende toegevoegd:

“Op verzoek van de Commissie overeenkomstig lid 2 verzoekt de Zwitserse NRI de betrokken onderneming bij besluit om de gevraagde informatie te verstrekken.”;

h)    aan artikel 66, lid 2, wordt het volgende toegevoegd:

“Indien aan de voorwaarden van dit lid is voldaan met betrekking tot een antwoord op een verzoek om informatie van de Zwitserse NRI overeenkomstig artikel 65, lid 2, kan de Commissie de Zwitserse NRI verzoeken om overeenkomstig dit lid een besluit vast te stellen ten aanzien van de betrokken ondernemingen.”;



i)    er wordt een nieuw artikel toegevoegd:

“Artikel 66 bis

Besluiten die de Zwitserse NRI op grond van de artikelen 65 en 66 vaststelt, zijn onderworpen aan rechterlijke toetsing door Zwitserse rechtbanken.”;

j)    artikel 7 ter, artikel 12, leden 2 tot en met 7, artikel 19 bis, leden 3 tot en met 9, artikelen 19 sexies, 19 septies, 50 en 63 worden uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

5.    32010 R 0838: Verordening (EU) nr. 838/2010 van de Commissie van 23 september 2010 betreffende de vaststelling van richtsnoeren met betrekking tot het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders en een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering (PB L 250 van 24.9.2010, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/838/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de Commissie de bevoegdheden uit hoofde van deel A, de punten 3.3 en 5.1, van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 838/2010.

6.    32013 R 0543: Verordening (EU) nr. 543/2013 van de Commissie van 14 juni 2013 betreffende de toezending en publicatie van gegevens inzake de elektriciteitsmarkten en houdende wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 163 van 15.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/543/oj), gewijzigd bij:

—    32019 R 943: Verordening (EU) 2019/943 van 5 juni 2019 (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).



7.    32015 R 1222: Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1222/oj), gewijzigd bij:

—    32021 R 0280: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/280 van de Commissie van 22 februari 2021 houdende wijziging van Verordeningen (EU) 2015/1222, (EU) 2016/1719, (EU) 2017/2195 en (EU) 2017/1485, teneinde deze in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) 2019/943 (PB L 62 van 23.2.2021, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1222/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2015/1222 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

“6.    De Zwitserse TSB en marktbeheerders nemen onder dezelfde voorwaarden als TSB’s en marktbeheerders uit de Unie deel aan eenvormige day-ahead- en intradaykoppeling, zodra aan de technische en regelgevingsvoorwaarden van deze verordening is voldaan. De Commissie houdt er in haar besluit op grond van artikel 1, lid 5, rekening mee dat de uitvoering van de overeenkomst wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 4. Alle betrokken actoren nemen snel de nodige maatregelen om Zwitserland in staat te stellen binnen negen maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst toe te treden tot de marktkoppeling.”;



b)    met betrekking tot de voorwaarden of methodologieën waarvan de vaststelling is voorzien in Verordening (EU) 2015/1222:

i)    nemen de Zwitserse TSB, de benoemde elektriciteitsmarktbeheerders (“NEMO’s”) en de NRI deel aan het vaststellen van nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën, en hun opmerkingen worden in aanmerking genomen bij het nemen van een besluit over de voorwaarden of methodologieën;

ii)    wordt bij het stemmen en rekening houdend met de vraag of de relevante drempels voor de lidstaten of de bevolking voor gekwalificeerde meerderheden zijn bereikt, rekening gehouden met Zwitserland en zijn bevolking;

iii)    worden de verwijzingen naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vijf lidstaten” in artikel 9, lid 3, eerste alinea, en naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vijf lidstaten” in artikel 9, lid 3, derde alinea, gelezen als “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”, respectievelijk als “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”;

iv)    is, wanneer de toewijzing van Zwitserse grenzen aan een capaciteitsberekeningsregio wordt gewijzigd overeenkomstig artikel 9, lid 6, punt b), de procedure van artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2019/942 van toepassing;

v)    zijn de voorwaarden of methodologieën die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst reeds waren vastgesteld, van toepassing in Zwitserland; en



vi)    worden nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën die volgens de procedure van Verordening (EU) 2015/1222 door ACER worden vastgesteld binnen een maand door de Zwitserse NRI in de Zwitserse regelgeving opgenomen. De voorwaarden of methodologieën zijn voorlopig van toepassing in Zwitserland vanaf de datum van toepassing ervan in de Unie. Elke voorlopige toepassing eindigt met de opname in de Zwitserse regelgeving door de Zwitserse NRI.

8.    32016 R 1719: Verordening (EU) 2016/1719 van de Commissie van 26 september 2016 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing op de langere termijn (PB L 259 van 27.9.2016, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1719/oj), gewijzigd bij:

—    32021 R 0280: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/280 van de Commissie van 22 februari 2021 houdende wijziging van Verordeningen (EU) 2015/1222, (EU) 2016/1719, (EU) 2017/2195 en (EU) 2017/1485, teneinde deze in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) 2019/943 (PB L 62 van 23.2.2021, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/280/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1719 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

“6.    De Zwitserse TSB en marktbeheerders nemen onder dezelfde voorwaarden als TSB’s en marktbeheerders uit de Unie deel aan het centrale toewijzingsplatform, zodra aan de technische en regelgevingsvoorwaarden van deze verordening is voldaan. De Commissie houdt er in haar besluit op grond van lid 5 rekening mee dat de uitvoering van de overeenkomst wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van lid 4. Alle betrokken actoren nemen snel de nodige maatregelen om Zwitserland in staat te stellen binnen negen maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst toe te treden tot de marktkoppeling.”;



b)    met betrekking tot de voorwaarden of methodologieën waarvan de vaststelling is voorzien in Verordening (EU) 2016/1719:

i)    nemen de Zwitserse TSB en NRI deel aan het vaststellen van nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën, en hun opmerkingen worden in aanmerking genomen bij het nemen van een besluit over de voorwaarden of methodologieën;

ii)    wordt bij het stemmen en rekening houdend met de vraag of de relevante drempels voor de lidstaten of de bevolking voor gekwalificeerde meerderheden zijn bereikt, rekening gehouden met Zwitserland en zijn bevolking;

iii)    worden de verwijzingen naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vijf lidstaten” in artikel 4, lid 3, eerste alinea, en naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vijf lidstaten” in artikel 4, lid 3, derde alinea, gelezen als “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”, respectievelijk als “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”;

iv)    zijn de voorwaarden of methodologieën die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst reeds waren vastgesteld, van toepassing in Zwitserland; en

v)    worden nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën die volgens de procedure van Verordening (EU) 2016/1719 door ACER worden vastgesteld, binnen een maand door de Zwitserse NRI in de Zwitserse regelgeving opgenomen. De voorwaarden of methodologieën zijn voorlopig van toepassing in Zwitserland vanaf de datum van toepassing ervan in de Unie. Elke voorlopige toepassing eindigt met de opname in de Zwitserse regelgeving door de Zwitserse NRI.



9.    32017 R 2195: Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering (PB L 312 van 28.11.2017, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2195/oj), gewijzigd bij:

—    32021 R 0280: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/280 van de Commissie van 22 februari 2021 houdende wijziging van Verordeningen (EU) 2015/1222, (EU) 2016/1719, (EU) 2017/2195 en (EU) 2017/1485, teneinde deze in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) 2019/943 (PB L 62 van 23.2.2021, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1222/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2195 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

“9.    De Zwitserse TSB en marktbeheerders nemen onder dezelfde voorwaarden als TSB’s en marktbeheerders uit de Unie deel aan de Europese platforms voor de uitwisseling van standaardproducten voor balanceringsenergie, zodra aan de technische en regelgevingsvoorwaarden van deze verordening is voldaan. De Commissie houdt er in haar besluit op grond van lid 7 rekening mee dat de uitvoering van de overeenkomst wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van lid 6. Alle betrokken actoren nemen snel de nodige maatregelen om Zwitserland in staat te stellen binnen negen maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst toe te treden tot de marktkoppeling.”;



b)    met betrekking tot de voorwaarden of methodologieën waarvan de vaststelling is voorzien in Verordening (EU) 2017/2195:

i)    nemen de Zwitserse TSB en NRI deel aan het vaststellen van nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën, en hun opmerkingen worden in aanmerking genomen bij het nemen van een besluit over de voorwaarden of methodologieën;

ii)    wordt bij het stemmen en rekening houdend met de vraag of de relevante drempels voor de lidstaten of de bevolking voor gekwalificeerde meerderheden zijn bereikt, rekening gehouden met Zwitserland en zijn bevolking;

iii)    worden de verwijzingen naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vijf lidstaten” in artikel 4, lid 4, en naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vijf lidstaten” in artikel 4, lid 4, gelezen als “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”, respectievelijk als “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”;

iv)    zijn de voorwaarden of methodologieën die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst reeds waren vastgesteld, van toepassing in Zwitserland; en

v)    worden nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën die volgens de procedure van Verordening (EU) 2017/2195 door ACER worden vastgesteld, binnen een maand door de Zwitserse NRI in de Zwitserse regelgeving opgenomen. De voorwaarden of methodologieën zijn voorlopig van toepassing in Zwitserland vanaf de datum van toepassing ervan in de Unie. Elke voorlopige toepassing eindigt met de opname in de Zwitserse regelgeving door de Zwitserse NRI.



10.    32017 R 2196: Verordening (EU) 2017/2196 van de Commissie van 24 november 2017 tot vaststelling van een netcode voor de noodtoestand en het herstel van het elektriciteitsnet (PB L 312 van 28.11.2017, blz. 54, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2196/oj).

11.    32016 R 1388: Verordening (EU) 2016/1388 van de Commissie van 17 augustus 2016 tot vaststelling van een netcode voor aansluiting van verbruikers (PB L 223 van 18.8.2016, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1388/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de Commissie de bevoegdheden uit hoofde van artikel 51.

12.    32016 R 0631: Verordening (EU) 2016/631 van de Commissie van 14 april 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net (PB L 112 van 27.4.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/631/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de Commissie de bevoegdheden uit hoofde van artikel 61.

13.    32016 R 1447: Verordening (EU) 2016/1447 van de Commissie van 26 augustus 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting op het net van hoogspanningsgelijkstroomsystemen en op gelijkstroom aangesloten power park modules (PB L 241 van 8.9.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1447/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de Commissie de bevoegdheden uit hoofde van artikel 78.



14.    32017 R 1485: Verordening (EU) 2017/1485 van de Commissie van 2 augustus 2017 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende het beheer van elektriciteitstransmissiesystemen (PB L 220 van 25.8.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1485/oj), gewijzigd bij:

—    32021 R 0280: Verordening (EU) 2021/280 van de Commissie van 22 februari 2021 (PB L 62 van 23.2.2021, blz. 24).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2017/1485 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    met betrekking tot de voorwaarden of methodologieën waarvan de vaststelling is voorzien in Verordening (EU) 2017/1485:

i)    nemen de Zwitserse TSB en NRI deel aan het vaststellen van nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën, en hun opmerkingen worden in aanmerking genomen bij het nemen van een besluit over de voorwaarden of methodologieën;

ii)    wordt bij het stemmen en rekening houdend met de vraag of de relevante drempels voor de lidstaten of de bevolking voor gekwalificeerde meerderheden zijn bereikt, rekening gehouden met Zwitserland en zijn bevolking;

iii)    worden de verwijzingen naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vijf lidstaten” in artikel 5, lid 5, en naar “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vijf lidstaten” in artikel 5, lid 5, gelezen als “regio’s [die] zijn samengesteld uit meer dan vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”, respectievelijk als “regio’s [die] zijn samengesteld uit maximaal vier lidstaten van de Unie en Zwitserland”;



iv)    zijn de voorwaarden of methodologieën die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst reeds waren vastgesteld, van toepassing in Zwitserland; en

v)    worden nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën die volgens de procedure van Verordening (EU) 2017/1485 door ACER worden vastgesteld, binnen een maand door de Zwitserse NRI in de Zwitserse regelgeving opgenomen. De voorwaarden of methodologieën zijn voorlopig van toepassing in Zwitserland vanaf de datum van toepassing ervan in de EU. Elke voorlopige toepassing eindigt met de opname in de Zwitserse regelgeving door de Zwitserse NRI.



15.    32024 L 01366: Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 van de Commissie van 11 maart 2024 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad door middel van de vaststelling van een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen (PB L, 2024/1366, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1366/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2024/1366 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 1 bis

1.    Bij de inwerkingtreding van de overeenkomst stelt Zwitserland de volgende autoriteiten en organen in of wijst het deze aan:

a)    een overheidsinstantie of nationale regelgevende instantie om de bij deze verordening aan de “bevoegde instantie” toegewezen werkzaamheden te verrichten; wat Zwitserland betreft, worden verwijzingen in deze verordening naar “bevoegde instantie” gelezen als verwijzingen naar die aangewezen instantie;



b)    een of meer computer security incident response teams (CSIRT’s) die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van incidenten binnen het toepassingsgebied van deze verordening volgens een welomschreven proces; die teams kunnen samenwerkingsverbanden aangaan met de nationale CSIRT’s van de lidstaten van de Unie, voor zover vereist voor de toepassing van deze verordening; in het kader van die samenwerkingsverbanden faciliteert Zwitserland doeltreffende, efficiënte en veilige informatie-uitwisseling met die nationale CSIRT’s, met behulp van relevante protocollen voor informatie-uitwisseling, waaronder het verkeerslichtprotocol. Wat Zwitserland betreft, worden verwijzingen in deze verordening naar “CSIRT” gelezen als verwijzingen naar het (de) overeenkomstig de eerste alinea aangewezen team(s).

Zwitserland wijst een van zijn CSIRT’s aan als coördinator met het oog op gecoördineerde openbaarmaking van kwetsbaarheden (hierna “coördinerend CSIRT” genoemd). Het coördinerend CSIRT treedt op als een betrouwbare tussenpersoon en vergemakkelijkt, waar nodig, de interactie tussen de natuurlijke of rechtspersoon die een kwetsbaarheid meldt enerzijds en de fabrikant of aanbieder van de mogelijk kwetsbare ICT-producten of -diensten anderzijds, op verzoek van een van beide partijen. De taken van het coördinerend CSIRT omvatten:

i)    het identificeren van en contact opnemen met de betrokken entiteiten;



ii)    het bijstaan van de natuurlijke of rechtspersonen die een kwetsbaarheid melden; en

iii)    het onderhandelen over tijdschema’s voor de bekendmaking, en het beheren van kwetsbaarheden die van invloed zijn op meerdere entiteiten.

Zwitserland zorgt ervoor dat natuurlijke of rechtspersonen, desgevraagd anoniem, melding kunnen maken van een kwetsbaarheid aan het coördinerend CSIRT. Het coördinerend CSIRT ziet erop toe dat zorgvuldige follow-up wordt gegeven aan de gemelde kwetsbaarheid en waarborgt de anonimiteit van de natuurlijke of rechtspersoon die de kwetsbaarheid meldt. Wanneer een gemelde kwetsbaarheid aanzienlijke gevolgen kan hebben voor entiteiten, niet alleen in Zwitserland, maar ook in een of meer lidstaten van de Unie, werkt het coördinerend CSIRT van Zwitserland in voorkomend geval samen met andere coördinerende CSIRT’s binnen het CSIRT-netwerk;

c)    een of meer bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor het beheer van grootschalige cyberbeveiligingsincidenten en -crises binnen het toepassingsgebied van deze verordening, die een nationaal plan voor grootschalige cyberbeveiligingsincidenten en crisisrespons voor elektriciteit vaststellen waarin de doelstellingen van en regelingen voor het beheer van grootschalige cyberbeveiligingsincidenten en -crises zijn uiteengezet. Wat Zwitserland betreft, worden verwijzingen in deze verordening naar “cybercrisisbeheerautoriteiten”, “NIS-cybercrisisbeheerautoriteiten” of “nationale cybercrisisbeheerautoriteiten” gelezen als verwijzingen naar die aangewezen autoriteit;



d)    een contactpunt dat een verbindingsfunctie vervult om te zorgen voor grensoverschrijdende samenwerking binnen het toepassingsgebied van deze verordening tussen de Zwitserse autoriteiten en de relevante autoriteiten van de lidstaten van de Unie, en, in voorkomend geval, met de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (hierna “Enisa” genoemd), alsook om sectoroverschrijdende samenwerking met andere bevoegde instanties in Zwitserland te waarborgen. Wat Zwitserland betreft, worden verwijzingen in deze verordening naar “nationaal centraal contactpunt” gelezen als verwijzingen naar dat aangewezen contactpunt;

e)    een bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor cyberbeveiliging. Wat Zwitserland betreft, worden verwijzingen in deze verordening naar “bevoegde instanties verantwoordelijk voor cyberbeveiliging” of “CS-NCA’s” gelezen als verwijzingen naar die aangewezen autoriteit.

2.    Uiterlijk bij de inwerkingtreding van de overeenkomst stelt Zwitserland de Commissie, ACER, ENTSB-E en de EU DSB-entiteit in kennis en deelt het hun de naam en contactgegevens mee van de in lid 1 bedoelde respectieve autoriteiten.”;

b)    met betrekking tot de voorwaarden of methodologieën of plannen waarvan de vaststelling is voorzien in Verordening (EU) 2024/1366:

i)    nemen de Zwitserse TSB, de Zwitserse distributiesysteembeheerders (DSB’s) via de EU DSB-entiteit en de bevoegde instantie deel aan het vaststellen van nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën, en hun opmerkingen worden in aanmerking genomen bij het nemen van een besluit over de voorwaarden of methodologieën;



ii)    wordt bij het stemmen over de voorwaarden of methodologieën of plannen en rekening houdend met de vraag of de relevante drempels voor de lidstaten van de Unie of de bevolking voor gekwalificeerde meerderheden zijn bereikt, rekening gehouden met Zwitserland en zijn bevolking;

iii)    worden de verwijzingen naar “de betrokken systeembeheersregio [die] uit meer dan vijf lidstaten bestaat” in artikel 7, lid 3, gelezen als “de betrokken systeembeheersregio [die] uit meer dan vier lidstaten van de Europese Unie en Zwitserland bestaat”;

iv)    zijn de voorwaarden of methodologieën en de plannen die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst reeds waren vastgesteld, van toepassing in Zwitserland;

v)    worden nieuwe of gewijzigde voorwaarden of methodologieën en plannen die volgens de procedure van Verordening (EU) 2024/1366 in de Unie worden vastgesteld, binnen een maand door de Zwitserse bevoegde instantie in de Zwitserse regelgeving opgenomen. De voorwaarden of methodologieën zijn voorlopig van toepassing in Zwitserland vanaf de datum van toepassing ervan in de Unie. Elke voorlopige toepassing eindigt met de integratie in de Zwitserse regelgeving door de Zwitserse bevoegde instantie;

c)    in artikel 2, lid 6, en artikel 33, lid 2, punt a), i), wordt de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679 wat Zwitserland betreft, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;

d)    artikel 5, laatste zin, artikel 38, lid 8, artikel 41, lid 2, tweede zin, artikel 41, lid 3, artikel 41, lid 7, en artikel 43, lid 4, zijn niet van toepassing;



e)    artikel 37, lid 4, wordt vervangen door:

“Indien de bevoegde instantie kennis krijgt van een nog niet verholpen kwetsbaarheid, zonder dat er aanwijzingen zijn dat die al actief wordt uitgebuit, werkt zij onverwijld met het coördinerend CSIRT met het oog op de gecoördineerde bekendmaking van kwetsbaarheden als bedoeld in artikel 1 bis, lid 1, punt b), van deze richtlijn.

f)    artikel 40, lid 3, wordt vervangen door:

“Indien de cyberaanval wordt aangemerkt, of naar verwachting zal worden aangemerkt als een grootschalig cyberbeveiligingsincident en Zwitserland hierdoor wordt getroffen, stelt de ad-hocgroep voor grensoverschrijdende crisiscoördinatie de nationale cybercrisisbeheerautoriteiten in Zwitserland en de door het incident getroffen lidstaten van de Unie, evenals de Commissie en het Europees netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (“EU-CyCLONe”) onmiddellijk daarvan in kennis. In een dergelijke situatie ondersteunt de ad-hocgroep voor grensoverschrijdende crisiscoördinatie EU-CyCLONe met betrekking tot sectorspecifieke kenmerken.”;

g)    artikel 42, lid 3, wordt vervangen door:

“De CSIRT’s verspreiden de van Enisa ontvangen informatie onverwijld onder de betrokken entiteiten.”.



16.    32019 L 0944: Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/944/oj), gewijzigd bij:

—    32022 R 0869: Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/869/oj)

—    32024 L 1711: Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PB L, 2024/1711, 26.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1711/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/944 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    de Commissie beschikt over de bevoegdheden uit hoofde van de artikelen 44, lid 1, artikel 63 en artikel 66, lid 1, in gevallen die betrekking hebben op Zwitserland;

b)    artikel 6 bis, artikel 7, leden 1, 2, 4 en 5, artikel 8, artikel 12, lid 1, artikel 15, artikel 15 bis, leden 1 tot en met 8, de artikelen 16 en 23, artikel 24, leden 1 en 3, de artikelen 28 en 28 bis, artikel 29, lid 1, de artikelen 32, 38 en 66 bis, worden uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd;



c)    artikel 35, leden 1 en 2, wordt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd met betrekking tot de ontvlechting van distributiesysteembeheerders naar Zwitsers publiek recht;

d)    de Zwitserse NRI oefent uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst de taken uit met betrekking tot aansluiting op en toegang tot nationale netwerken, met inbegrip van transmissie- en distributietarieven, overeenkomstig artikel 59, lid 1, punt a), en lid 7, punt a);

e)    het Gemengd Comité heeft de bevoegdheid uit hoofde van artikel 65.

17.    32023 R 1162: Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1162 van de Commissie van 6 juni 2023 inzake interoperabiliteitsvoorschriften en niet-discriminerende en transparante procedures voor toegang tot meter- en verbruiksgegevens (PB L 154 van 15.6.2023, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1162/oj).

18.    32011 R 1227: Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (PB L 326 van 8.12.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1227/oj), gewijzigd bij:

—    32024 R 1106: Verordening (EU) 2024/1106 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011 en (EU) 2019/942 wat de verbetering van de bescherming van de Unie tegen marktmanipulatie op de groothandelsmarkt voor energie betreft (PB L, 2024/1106, 17.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1106/oj).



Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1227/2011 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 1, lid 2, wordt het volgende toegevoegd:

“Voor elektriciteitsderivaten die niet onder artikel 2, lid 4, vallen en die zijn toegelaten tot de handel op een handelsplatform of een handelsfaciliteit voor distributed ledger-technologie met statutaire zetel in Zwitserland, blijft Zwitserland regels toepassen die marktmanipulatie en handel met voorkennis verbieden en een beschermingsniveau garanderen dat vergelijkbaar is met dat in de Unie.”;

b)    aan artikel 1 wordt een nieuw lid toegevoegd:

“6.    In Zwitserland is deze verordening alleen van toepassing op de groothandel in elektriciteit, maar niet op de gassector.”;

c)    in artikel 9 wordt een nieuw lid ingevoegd:

“1 bis.    Marktdeelnemers die op het moment van de inwerkingtreding van deze overeenkomst zowel bij de Zwitserse NRI als bij een NRI van een lidstaat van de Unie zijn geregistreerd, brengen hun registratieverplichtingen in overeenstemming met dit artikel.”;

d)    in artikel 13 wordt een nieuw lid ingevoegd:

“8 bis.    Met betrekking tot Zwitserland voert het Agentschap grensoverschrijdende onderzoeken uit overeenkomstig artikel 13, leden 5 tot en met 8, in nauwe en actieve samenwerking met de Zwitserse NRI.



In het kader van dergelijke grensoverschrijdende onderzoeken voeren de bevoegde Zwitserse instanties, met name de Zwitserse NRI, in nauwe samenwerking met het Agentschap onderzoeksmaatregelen uit overeenkomstig artikel 13 bis, artikel 13 ter, lid 2, en artikel 13 quater op het Zwitserse grondgebied.

Het Agentschap kan de Zwitserse NRI verzoeken concrete onderzoeksmaatregelen te nemen en de bevoegde Zwitserse instanties voeren die maatregelen uit. Het Agentschap neemt op verzoek deel aan de uitvoering van de maatregelen.

De Zwitserse NRI verzamelt de informatie die het Agentschap nodig heeft om zijn onderzoek doeltreffend uit te voeren en deelt deze informatie na de afronding van de respectieve onderzoeksmaatregel onverwijld met het Agentschap.

Wanneer het Agentschap voornemens is te communiceren met personen op Zwitsers grondgebied, onder meer met het oog op verzoeken om informatie uit hoofde van artikel 13 ter, lid 1, wordt de relevante informatie door de Zwitserse NRI respectievelijk aan die personen en aan het Agentschap doorgegeven.

Het in artikel 13, lid 11, bedoelde onderzoeksverslag wordt opgesteld door het Agentschap. De in artikel 13, lid 11, bedoelde maatregelen worden genomen door de Zwitserse NRI.”;

e)    voor maatregelen die de bevoegde Zwitserse instanties overeenkomstig artikel 13, lid 8 bis, hebben genomen, wordt de term “Agentschap” in artikel 13 octies, leden 1 en 4, gelezen als “bevoegde Zwitserse instantie”;



f)    na artikel 13 undecies wordt een nieuw artikel ingevoegd:

“Artikel 13 duodecies

Maatregelen die de bevoegde Zwitserse instanties overeenkomstig artikel 13, lid 8 bis, en artikel 13 octies nemen, zijn onderworpen aan de rechterlijke controle van Zwitserse rechtbanken.”.

19.    32014 R 1348: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1348/2014 van de Commissie van 17 december 2014 inzake de informatieverstrekking overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 6, van Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (PB L 363 van 18.12.2014, blz. 121, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2014/1348/oj).

20.    32012 D 1117(01): Besluit van de Commissie van 15 november 2012 betreffende de oprichting van een Coördinatiegroep voor elektriciteit (PB C 353 van 17.11.2012, blz. 2).



Aanhangsel

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

ARTIKEL 1

(overeenkomstig artikel 1 van Protocol nr. 7)

De gebouwen en terreinen van het Agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het Agentschap kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

ARTIKEL 2

(overeenkomstig artikel 2 van Protocol nr. 7)

Het archief van het Agentschap is onschendbaar.

ARTIKEL 3

(overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Protocol nr. 7)

1.    Het Agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.



2.    Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Zwitserland naar het Agentschap worden geëxporteerd of die aan het Agentschap in Zwitserland beschikbaar worden gesteld, zijn geen indirecte heffingen en belastingen verschuldigd.

3.    Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een overeenkomstig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt. Het Agentschap is vrijgesteld van alle douanerechten en in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik; de aldus ingevoerde goederen mogen in Zwitserland niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van Zwitserland zijn goedgekeurd.

4.    Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

5.    Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

ARTIKEL 4

(overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 7)

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Agentschap in Zwitserland de behandeling, welke door dat land aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Agentschap zijn niet aan censuur onderworpen.



ARTIKEL 5

(overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 7)

Het aan de leden en personeelsleden van het Agentschap verstrekte laissez-passer van de Unie wordt erkend als geldig reisdocument op het grondgebied van Zwitserland. Deze laissez-passer wordt aan ambtenaren en andere personeelsleden verstrekt onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen).

ARTIKEL 6

(overeenkomstig artikel 10 van Protocol nr. 7)

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst in Zwitserland de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.



ARTIKEL 7

(overeenkomstig artikel 11 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van Zwitserland:

a)    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die enerzijds betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en andere personeelsleden tegenover de Unie, en anderzijds op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en andere personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;

c)    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d)    gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in Zwitserland hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland, als noodzakelijk beschouwt;



e)    gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt.

ARTIKEL 8

(overeenkomstig artikel 12 van Protocol nr. 7)

Onder de voorwaarden en volgens de procedure die bij het Unierecht worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van Zwitserse federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.



ARTIKEL 9

(overeenkomstig artikel 13 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van het Agentschap en op het ogenblik van hun indiensttreding bij het Agentschap vestigen op het grondgebied van Zwitserland, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in Zwitserland als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit een EU-lidstaat is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich in Zwitserland bevinden, worden in Zwitserland vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.



ARTIKEL 10

(overeenkomstig artikel 14 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt de regeling inzake de sociale voorzieningen vastgesteld, welke voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn.

Ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn derhalve niet verplicht zich aan te sluiten bij het Zwitserse socialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Leden van het gezin van de personeelsleden van het Agentschap worden gedekt door de regeling inzake de sociale voorzieningen voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland.

ARTIKEL 11

(overeenkomstig artikel 15 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 geheel of ten dele van toepassing zijn.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan Zwitserland medegedeeld.



ARTIKEL 12

(overeenkomstig artikel 17 van Protocol nr. 7)

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap uitsluitend in het belang van het Agentschap verleend.

Het Agentschap is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar mening van het Agentschap niet strijdig is met de belangen van het Agentschap.

ARTIKEL 13

(overeenkomstig artikel 18 van Protocol nr. 7)

Voor de toepassing van dit aanhangsel werkt het Agentschap samen met de verantwoordelijke autoriteiten van Zwitserland of de betrokken lidstaten van de Unie.

________________

BIJLAGE II

OVERGANGSREGELING VOOR BESTAANDE
LANGLOPENDE CAPACITEITSRESERVERINGEN

OP INTERCONNECTOREN BIJ DE ZWITSERSE GRENZEN

AFDELING A

BEGINSELEN VOOR FINANCIËLE COMPENSATIE

ARTIKEL 1

Algemene beginselen en toepassingsgebied

1.    In deze bijlage worden de beginselen vastgesteld voor een overgangsmechanisme voor financiële compensatie voor de houders van de in afdeling B vermelde contracten.

2.    De financiële compensatie wordt berekend op basis van de economische waarde van de capaciteitsreserveringen voor contracthouders, zoals berekend overeenkomstig artikel 2.

3.    De financiële compensatie wordt toegekend voor de in artikel 8, lid 1, van deze overeenkomst vastgestelde overgangsperiode.



4.    Voorafgaand aan de deelname van Zwitserland aan de eenvormige day-aheadkoppeling verwerven contracthouders die de financiële compensatie willen ontvangen, de nodige grensoverschrijdende capaciteit via een veiling door het gezamenlijk toewijzingsbureau, overeenkomstig de toepasselijke regels en procedures die door het gezamenlijk toewijzingsbureau zijn vastgesteld. Contracthouders hebben geen recht op compensatie indien zij er niet in zijn geslaagd de nodige capaciteit te verwerven via het veilingproces.

5.    Zodra Zwitserland is toegetreden tot de eenvormige day-aheadkoppeling, tonen de contracthouders die financiële compensatie willen ontvangen aan dat hun bieding is aanvaard in het kader van het eenvormige day-aheadproces overeenkomstig de toepasselijke regels en procedures zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/1222 van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1222/oj).

ARTIKEL 2

Berekening van de financiële compensatie

1.    De financiële compensatie wordt berekend op basis van een compensatievolume (in MW voor een bepaald uur) zoals gedefinieerd in de leden 2 en 3, vermenigvuldigd met een compensatieprijs (in EUR/MWh), zoals gedefinieerd in lid 4.



2.    Het compensatievolume voor elk contract bedraagt:

a)    tijdens de periode voorafgaand aan de toetreding van Zwitserland tot de eenvormige day-aheadkoppeling, de capaciteit (in MW voor een bepaald uur) die tijdens het veilingproces aan de contracthouder is toegewezen; bij het aanvragen van de compensatie leveren de contracthouders het bewijs dat een capaciteit tot het volume van het contract aan de grens is verworven en gebruikt en van de beschikbaarheid van de opwekkingsinstallatie in de respectieve markttijdseenheid.

b)    na de toetreding van Zwitserland tot de eenvormige day-aheadkoppeling, het volume (in MW voor een bepaald uur) van de succesvolle bieding in het proces van de eenvormige day-aheadkoppeling in de respectieve biedzone, tot het maximale volume van de contracten; bij het aanvragen van de financiële compensatie leveren de contracthouders het bewijs van het volume van de succesvolle bieding en van de beschikbaarheid van de opwekkingsinstallatie in de respectieve markttijdseenheid.

3.    In een bepaald jaar wordt het compensatievolume overeenkomstig lid 2 verlaagd tot de volgende percentages:

—    voor de richting Frankrijk-Zwitserland 74,3 % in de winter (1 oktober tot en met 30 april) en 68,5 % in de zomer (1 mei tot en met 30 september);

—    voor de richting Zwitserland-Frankrijk 93,9 % in de winter (1 oktober tot en met 30 april) en 100 % in de zomer (1 mei tot en met 30 september).

4.    De compensatieprijs wordt achteraf berekend als het positieve prijsverschil tussen de evenwichtsprijzen op de day-aheadmarkt van Zwitserland en Frankrijk, rekening houdend met de richting van de historische capaciteitsreservering, als gevolg van het marktresultaat in het tijdsbestek voor de day-aheadmarkt, berekend voor elke markttijdseenheid afzonderlijk. Indien het prijsverschil negatief is, wordt geen compensatie uitbetaald.



5.    Het bedrag van de overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 berekende compensatie wordt verder met 20 % verlaagd in verband met de bijdrage van contracthouders aan de onderhouds- en kapitaalkosten van het net.

6.    Indien de overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 berekende totale compensatiebetalingen aan contracthouders de congestie-inkomsten uit of toegewezen aan de Frans-Zwitserse grens overschrijden, worden de compensatiebetalingen voor alle contracthouders evenredig verlaagd om ervoor te zorgen dat de totale compensatiebetalingen de beschikbare congestie-inkomsten niet overschrijden.

7.    De overeenkomstig dit artikel berekende totale financiële compensatie voor elke contracthouder wordt maandelijks achteraf aan de contracthouders betaald.

ARTIKEL 3

Financiering van de compensatie

De financiële compensatie overeenkomstig artikel 2 wordt gefinancierd uit de congestie-inkomsten die worden gegenereerd door de toewijzing van capaciteit aan de Frans-Zwitserse grens, hetzij zoals ontvangen uit een door het gezamenlijk toewijzingsbureau uitgevoerde veiling van capaciteit aan die grens, hetzij toegewezen aan de grens door toepassing van de methode voor de verdeling van congestie-inkomsten.



ARTIKEL 4

Uitvoering, monitoring en geschillenbeslechting

1.    De NRI’s van Frankrijk en Zwitserland komen zo nodig binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst procedures overeen voor de uitvoering van de regels in deze bijlage. Zij stellen ACER, de Commissie en het Gemengd Comité twee maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van een ontwerp van de procedures.

2.    De NRI’s van Frankrijk en Zwitserland zijn verantwoordelijk voor het controleren van de naleving door TSB’s en contracthouders van de overeenkomstig lid 1 ontwikkelde procedures, met inbegrip van het feit dat de aan contracthouders toegekende compensatie beperkt is tot de in afdeling B van deze bijlage vermelde contracten. Zij zenden ACER en het Gemengd Comité uiterlijk op 1 maart van het volgende jaar een jaarverslag over de toepassing van het overgangsmechanisme toe.

3.    Indien de NRI’s binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen consensus bereiken over de in lid 1 bedoelde procedures, kan Zwitserland de kwestie voorleggen aan het Gemengd Comité, dat binnen zes maanden na de datum van die verwijzing een besluit neemt over de uitvoeringsprocedures.

4.    In afwijking van de leden 1 tot en met 3 hebben de contracthouders het recht de financiële compensatie te ontvangen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot het einde van de overgangsperiode.



AFDELING B

CONTRACTEN VOOR LANGLOPENDE CAPACITEITSRESERVERINGEN
MET FINANCIËLE COMPENSATIE

Richting

Naam van contract

Technologie

Uiterste einddatum

FR => CH

EOS CNP Cattenom 3 / 4

Kernenergie

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheden

FR => CH

NOK 94 / EDF 95

Kernenergie

30.9.2036

FR => CH

EDL Cattenom 3 / 4

Kernenergie

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheden

FR => CH

EDL 2000

Kernenergie

31.12.2039

FR => CH

Deelname Bugey 2

Kernenergie

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheid

FR => CH

Deelname Bugey 3

Kernenergie

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheid

FR => CH

EOS Cleuson Dixence

Waterkracht

30.4.2030

CH => FR

EOS Cleuson Dixence

Waterkracht

30.4.2030

FR => CH

Emosson Pompage

Waterkracht

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheid

CH => FR

Emosson Turbine

Waterkracht

Einde opwekkingsactiviteit van de eenheid



AFDELING C

WATERKRACHTCENTRALES MET EEN CAPACITEITSRESERVERING
VAN NIET MEER DAN 65 MW

Richting

Naam krachtcentrale

Maximale capaciteitsreservering [MW]

Uiterste einddatum

FR => CH

Kembs

35

Einde van de concessie (31.12.2035)

FR => CH

FM Chatelot

15

Einde van de concessie (31.12.2028)

CH => FR

FM Chatelot

30

Einde van de concessie (31.12.2028)

AT => CH

GKW Inn

13,3

Einde concessie
(na 2050)

CH => IT

Kraftwerke Hinterrhein

65

Einde van de concessie (31.12.2042)

FR => CH

Bagnes Martigny (Champsec)

2

Einde van de concessie (31.12.2041)

CH => FR

Forces Motrices de Mauvoisin

41

Einde van de concessie (31.12.2041)

________________

BIJLAGE III

STAATSSTEUN

UITZONDERINGEN EN TOELICHTINGEN

AFDELING A

MAATREGELEN DIE VERENIGBAAR ZIJN MET DE GOEDE WERKING
VAN DE INTERNE MARKT,

ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 13, LID 2, PUNT C)

1.    De volgende bestaande Zwitserse maatregelen zijn verenigbaar met de goede werking van de interne markt en vallen niet onder artikel 14, lid 3, punt b):

a)    investeringssubsidies voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de artikelen 25 tot en met 29 van de Energiewet 2 (hierna “EnG” genoemd), met inbegrip van tijdelijke vrijstelling van waterrecht overeenkomstig artikel 50 bis van de Waterkrachtwet 3 ;

b)    contracten ter verrekening van verschillen voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de artikelen 29 bis tot en met 29 sexies EnG;

c)    bijdrage aan de exploitatiekosten voor biomassa overeenkomstig artikel 33 bis EnG;

d)    geothermische garanties overeenkomstig artikel 33 EnG;



e)    compensatie voor reststroommaatregelen overeenkomstig artikel 80, lid 2, van de Wet bescherming water 4 ; en

f)    compensatie voor maatregelen voor ecologisch herstel in verband met waterkracht (waterpieken, sedimenttransport en visserijmigratie) overeenkomstig artikel 34 EnG. 

2.    De Zwitserse autoriteiten verbinden zich ertoe dat vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan installaties waarvoor geen afwijking op grond van artikel 5, lid 2, punt b), of artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2019/943 5 is verleend, alleen nieuwe steun voor elektriciteitsopwekking in het kader van de in punt 1 vermelde maatregelen kan worden verleend indien zij:

—    verplicht zijn hun opgewekte elektriciteit op de markt te verkopen;

—    niet worden gestimuleerd om hun output onder hun marginale kosten aan te bieden en geen exploitatiesteun voor opwekking ontvangen in perioden waarin de marktwaarde van die opwekking negatief is.

3.    De geldigheidsduur van de bepalingen van punt 1, a) en b), verstrijkt tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en die van de bepalingen van punt 1, c) tot en met f), verstrijkt zes jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Na het verstrijken van deze termijnen neemt de Zwitserse toezichthoudende autoriteit deze maatregelen op in haar voortdurend onderzoek uit hoofde van artikel 15, lid 4.



AFDELING B

CATEGORIEËN STEUN DIE KUNNEN WORDEN BESCHOUWD
ALS VERENIGBAAR MET DE GOEDE WERKING

VAN DE INTERNE MARKT,

ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 13, LID 3, PUNT E)

De volgende categorieën steun kunnen als verenigbaar met de goede werking van de interne markt worden beschouwd:

[…]



AFDELING C

GROEPSVRIJSTELLINGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 13, LID 4

Steun wordt geacht verenigbaar te zijn met de goede werking van de interne markt en is vrijgesteld van de kennisgevingsverplichting van artikel 14, indien hij wordt toegekend overeenkomstig de materiële voorwaarden van de volgende bepalingen:

a)    hoofdstukken I en III van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en Verordening (EU) 2022/2473 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1315/oj);

b)    artikelen 1 tot en met 6 van Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2832/oj).



AFDELING D

DE-MINIMISSTEUN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 13, LID 6

“De-minimissteun” heeft de betekenis die deze heeft in Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj).

Voor steun die wordt verleend aan met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen heeft “de-minimissteun” de betekenis die deze heeft in Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 12 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L, 2023/2832, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2382/oj).

________________

BIJLAGE IV

STAATSSTEUN

ALGEMENE EN SECTORALE BESLUITEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN IN DE EUROPESE UNIE

ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 2

AFDELING A

ALGEMENE EN SECTORALE BESLUITEN

(1)    Met het oog op de toepassing van deel III en overeenkomstig artikel 14, lid 2, van deze overeenkomst worden de volgende handelingen door de Unie toegepast:

a)    Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1589/oj);

b)    Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/794/oj), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2105 van de Commissie van 1 december 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 794/2004 wat betreft de formulieren die moeten worden gebruikt voor de aanmelding van staatssteun in de visserij- en aquacultuursector (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2105/oj);



c)    Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en Verordening (EU) 2022/2473 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 167 van 30.6.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1315/oj);

d)    Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2012/21(1)/oj);

e)    Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj);

f)    Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L, 2023/2832, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2832/oj).



(2)    Met het oog op de toepassing van deel III en overeenkomstig artikel 14, lid 3, van deze overeenkomst zet Zwitserland een systeem voor toezicht op staatssteun op en handhaaft het dit systeem, dat te allen tijde een niveau van toezicht en handhaving waarborgt dat gelijkwaardig is aan dat van de Unie, zoals bepaald in artikel 14, lid 2, en punt 1) van deze afdeling.

AFDELING B

RICHTSNOEREN, MEDEDELINGEN
EN BESLUITVORMINGSPRAKTIJK VAN DE COMMISSIE

(1)    Met het oog op de toepassing van deel III en overeenkomstig artikel 14, lid 3, van deze overeenkomst houden de Zwitserse toezichthoudende autoriteit en de bevoegde gerechtelijke autoriteiten in Zwitserland naar behoren rekening met en volgen zij voor zover mogelijk de relevante richtsnoeren en mededelingen die bindend zijn voor de Commissie, alsook haar besluitvormingspraktijk, teneinde een niveau van toezicht en handhaving te waarborgen dat gelijkwaardig is aan dat van de Unie.

(2)    De Commissie stelt het Gemengd Comité in kennis van de richtsnoeren en mededelingen die zij in het kader van deze overeenkomst relevant acht, en maakt deze bekend.

________________

BIJLAGE V

HET MILIEU

De relevante rechtshandelingen van de Unie inzake milieubescherming als bedoeld in artikel 20 en artikel 27, lid 3, van deze overeenkomst zijn de volgende:

1.    32011 L 0092: Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/92/oj), gewijzigd bij:

—    32014 L 0052: Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/52/oj).

2.    32001 L 0042: Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/42/oj).

3.    32016 L 0802: Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 58, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/802/oj).



4.    32010 L 0075: Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/75/oj).

5.    32009 L 0147: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj), gewijzigd bij:

—    32013 L 0017: Richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 193, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/17/oj).

—    32019 R 1010: Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 115, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1010/oj).



6.    32004 L 0035: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2004/35/oj), gewijzigd bij:

—    32006 L 0021: Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/21/oj),

—    32009 L 0031: Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/31/oj),

—    32013 L 0030: Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/30/oj),



—    32019 R 1010: Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 115, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1010/oj).

________________

BIJLAGE VI

HERNIEUWBARE ENERGIE

Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald,

—    worden de rechten en verplichtingen die in deze bijlage uiteengezette rechtshandelingen voor de lidstaten van de Unie zijn vastgesteld, geacht ook voor Zwitserland te gelden;

—    worden de verwijzingen in deze rechtshandelingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in de lidstaten van de Unie verblijven of gevestigd zijn, gelezen als verwijzingen naar natuurlijke of rechtspersonen die in Zwitserland verblijven of gevestigd zijn.

Deze bepaling wordt toegepast met volledige inachtneming van de institutionele bepalingen van deel V van deze overeenkomst.



HANDELINGEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN

1.    32018 L 2001: Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj), gewijzigd bij:

—    32023 L 2413: Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (PB L, 2023/2413, 31.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2413/oj),

—    32022 R 0759: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/759/oj),

—    32024 L 1711: Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PB L, 2024/1711, 26.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1711/oj).



Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    aan artikel 2 wordt het volgende toegevoegd:

“De definitie van een begrip is alleen van toepassing indien dat begrip wordt gebruikt in een bepaling die in bijlage VI bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland betreffende elektriciteit is opgenomen.”;

b)    artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)    lid 1 is niet van toepassing;

ii)    lid 2 wordt vervangen door:

“Zwitserland stelt een indicatief streefcijfer vast van 48,4 % hernieuwbare energie in zijn bruto-eindverbruik van energie in 2030. Het Gemengd Comité past dat streefcijfer aan voor de perioden na 2030, rekening houdend met het toepasselijke streefcijfer in de Unie. Zwitserland publiceert ten minste om de twee jaar informatie en informeert het Gemengd Comité, dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland betreffende elektriciteit, over de vooruitgang die in de richting van dat streefcijfer is geboekt en over de uitvoering van de artikelen 19 en 26 tot en met 31 bis van Richtlijn (EU) 2018/2001, zoals vastgesteld in bijlage VI bij die overeenkomst.”;

iii)    in lid 3 quater wordt punt a) vervangen door:

“a)    het gebruik van zaagstammen, stammen voor fineer, rondhout van industriële kwaliteit, stronken en wortels om elektriciteit te produceren;”;



iv)    lid 3 quater, punt b), en de leden 4, 5 en 6 zijn niet van toepassing;

v)    lid 4 bis wordt als volgt gewijzigd:

“4 bis.    Zwitserland stelt een kader vast, dat steunregelingen en maatregelen kan omvatten die de invoering van hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten kunnen vergemakkelijken, waardoor het gebruik van hernieuwbare elektriciteit mogelijk wordt op een niveau dat strookt met het in lid 2 bedoelde nationale streefcijfer. In dat kader worden met name de resterende belemmeringen voor een hoog aanbodniveau van hernieuwbare elektriciteit en voor de ontwikkeling van de nodige infrastructuur voor transmissie, distributie en opslag, met inbegrip van energieopslag op dezelfde locatie, aangepakt. Bij het ontwerpen van dat kader houdt Zwitserland rekening met de extra hernieuwbare elektriciteit die nodig is om te voldoen aan de vraag in de sectoren vervoer, industrie, bouw en verwarming en koeling en voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.”;

c)    artikel 5 is niet van toepassing;

d)    de artikelen 8 tot en met 14 zijn niet van toepassing;

e)    artikel 15 en de artikelen 15 bis tot en met 16 septies zijn niet van toepassing; in plaats daarvan stelt Zwitserland vergelijkbare regels vast en handhaaft het deze om het doel te bereiken om zijn aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te vergroten. Deze regels omvatten:

i)    toewijzing van gebieden waar installaties voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gebouwd;

ii)    inspraak van het publiek;



iii)    snelle en efficiënte vergunningsprocedures;

iv)    passende status van algemeen belang voor hernieuwbare energie;

f)    artikel 15 bis is niet van toepassing;

g)    artikel 17 is niet van toepassing;

h)    artikel 18, leden 1, 2, 4, 5 en 6 zijn niet van toepassing;

i)    artikel 18, lid 3, wordt vervangen door:

“Zwitserland zet een kader op om te zorgen voor een voldoende aantal opgeleide en gekwalificeerde installateurs van i) alle vormen van verwarmings- en koelingssystemen in gebouwen, de industrie en de landbouw op basis van hernieuwbare energie, ii) fotovoltaïsche zonne-energiesystemen, met inbegrip van energieopslag, en iii) oplaadpunten die vraagrespons mogelijk maken om te voorzien in de groei van hernieuwbare energie die nodig is om bij te dragen tot de verwezenlijking van het overeenkomstig artikel 3, lid 2, vastgestelde streefdoel.”;

j)    Zwitserland past artikel 19 niet toe op andere energie dan elektriciteit die wordt gegenereerd uit zaagstammen, stammen voor fineer, rondhout van industriële kwaliteit, stronken en wortels;

k)    artikel 20 en artikel 20 bis, leden 3 en 4, zijn niet van toepassing;

l)    artikel 20 bis, leden 1, 2 en 5, zijn van toepassing gedurende een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst;



m)    de artikelen 21 en 22 zijn niet van toepassing; in plaats daarvan stelt Zwitserland vergelijkbare regels vast voor zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen op het gebied van elektriciteit en handhaaft het deze;

n)    de artikelen 22 bis tot en met 25 zijn niet van toepassing;

o)    aan artikel 26 wordt het volgende toegevoegd:

“Zwitserland kan zijn aandeel biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen vaststellen op 0 %.”;

p)    artikel 27, leden 1 tot en met 5, is niet van toepassing;

q)    artikel 28, leden 6 en 7, is niet van toepassing;

r)    artikel 29, leden 7 bis en 7 ter, is niet van toepassing;

s)    artikel 29 bis, lid 2, is niet van toepassing;



t)    artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

i)    in lid 1, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door:

“Wanneer hernieuwbare brandstoffen moeten worden meegeteld voor de in artikel 3, lid 2, bedoelde streefcijfers, eisen de lidstaten van marktdeelnemers dat zij aan de hand van verplichte onafhankelijke en transparante audits, overeenkomstig de krachtens lid 8 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling, aantonen dat aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria voor hernieuwbare brandstoffen van artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, lid 1, is voldaan. Zij verplichten de marktdeelnemers daartoe gebruik te maken van een massabalanssysteem dat:”;

ii)    lid 2 wordt vervangen door:

“2.    Wanneer een levering wordt verwerkt, wordt de informatie over de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiekenmerken aangepast en toegewezen aan de verkregen output overeenkomstig de volgende regels:

a)    als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiekenmerken aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor dergelijke productie, en de massa van de grondstof vóór verwerking;



b)    als de verwerking van een levering grondstoffen leidt tot meer dan één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, of biomassabrandstoffen, of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, wordt voor elke output een afzonderlijke omzettingsfactor toegepast en een afzonderlijke massabalans gebruikt.”;

iii)    in lid 3, eerste alinea, wordt de eerste zin vervangen door:

“1.    De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat marktdeelnemers betrouwbare informatie over de naleving van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, en artikel 29 bis, lid 1, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria indienen en dat de marktdeelnemers de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking stellen van de betrokken lidstaat.”;

iv)    in lid 3, tweede alinea, wordt de eerste zin vervangen door:

“De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of hernieuwbare brandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.”;

v)    in lid 10 wordt de inleidende zin vervangen door:

“10.    Op verzoek van Zwitserland dat gebaseerd kan zijn op een verzoek van een marktdeelnemer, onderzoekt de Commissie, op basis van al het beschikbare bewijs, of is voldaan aan de in artikel 29, leden 2 tot en met 7 en lid 10, en artikel 29 bis, lid 1, vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria met betrekking tot een bron van hernieuwbare brandstoffen.”;



vi)    in lid 10 worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)    hernieuwbare brandstoffen van die bron voor de in artikel 29, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde doeleinden in aanmerking mag nemen; of

b)    in afwijking van lid 9, van de leveranciers van de bron van hernieuwbare brandstoffen mag vereisen dat zij nader bewijs leveren van de naleving van die duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria en die broeikasgasemissiereductiedrempels.”;

u)    artikel 31 bis, lid 1, wordt vervangen door:

“De Commissie zorgt ervoor dat er uiterlijk op 21 november 2024 een Uniedatabank wordt opgezet om de tracering mogelijk te maken van vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen (“de Uniedatabank”).”;

v)    de artikelen 32 tot en met 39 zijn niet van toepassing;

w)    de bijlagen I, IA, IV en VIII zijn niet van toepassing;

x)    de punten a) en p), van deel A, bijlage IX, zijn niet van toepassing;

y)    de bijlagen X en XI zijn niet van toepassing.



2.    32019 R 807: Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/807 van de Commissie van 13 maart 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het bepalen van de grondstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, en de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik (PB L 133 van 21.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/807/oj).

3.    32023 R 1184: Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie van 10 februari 2023 ter aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong (PB L 157 van 20.6.2023, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/1184/oj).

4.    32024 R 1408: Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1408 van de Commissie tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie betreffende de afstemming van een technisch begrip op Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2024/1408, 21.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1408/oj).

5.    32023 R 1640: Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1640 van de Commissie van 5 juni 2023 betreffende de methode voor het bepalen van het aandeel biobrandstoffen en biogas voor vervoer, geproduceerd uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt (PB L 205 van 18.8.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/1640/oj).



6.    32023 R 1185: Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185 van de Commissie van 10 februari 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van een minimumdrempel voor broeikasgasemissiereducties door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en door de methode te specificeren voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 157 van 20.6.2023, blz. 20, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/1185/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185 betreffende de berekening van de streefcijfers voor aan de vervoerssector geleverde brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en van de streefcijfers voor geavanceerde biobrandstoffen en biogassen met betrekking tot artikel 25, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001 zijn niet van toepassing;

b)    de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185 met betrekking tot brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof zijn niet van toepassing.

7.    32022 R 2448: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2448 van de Commissie van 13 december 2022 tot vaststelling van operationele richtsnoeren over het bewijs dat is voldaan aan de duurzaamheidscriteria voor bosbiomassa van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 14.12.2022, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/2448/oj).



8.    32022 D 599: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/599 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Biomass Biofuels Sustainability (2BSvs)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 173, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/599/oj).

9.    32022 D 600: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/600 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Bonsucro EU” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 176, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/600/oj).

10.    32022 D 601: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/601 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Better Biomass” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 179, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/601/oj).

11.    32022 D 602: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/602 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “International Sustainability & Carbon Certification- ISCC EU” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 182, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/602/oj).



12.    32022 D 604: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/604 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Red Tractor Farm Assurance Crops and Sugar Beet Scheme” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 188, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/604/oj).

13.    32022 D 605: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/605 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “REDcert-EU” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 191, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/605/oj).

14.    32022 D 606: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/606 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Round Table on Responsible Soy with EU RED Requirements (RTRS EU RED)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 194, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/606/oj).

15.    32022 D 607: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/607 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Roundtable on Sustainable Biomaterials (RSB) EU RED” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 197, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/607/oj).



16.    32022 D 608: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/608 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de regeling “Scottish Quality Crops Farm Assurance Scheme (SQC)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 200, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/608/oj).

17.    32022 D 609: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/609 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “SURE” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 203, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/609/oj).

18.    32022 D 610: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/610 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de regeling “Trade Assurance Scheme for Combinable Crops (TASCC)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 206, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/610/oj).

19.    32022 D 611: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/611 van de Commissie van 8 april 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Universal Feed Assurance Scheme (UFAS)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 209, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/611/oj).



20.    32022 D 2461: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2461 van de Commissie van 14 december 2022 tot erkenning van de regeling “KZR INiG” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/603 van de Commissie (PB L 321 van 15.12.2022, blz. 38, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/2461/oj).

21.    32022 D 1657: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1657 van de Commissie van 26 september 2022 inzake de erkenning van de vrijwillige regeling “Programma duurzame biomassa” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 249 van 27.9.2022, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/1657/oj).

22.    32022 D 1656: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1656 van de Commissie van 26 september 2022 inzake de erkenning van de regeling “Austrian Agricultural Certification Scheme (AACS)” voor het aantonen van de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen, vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof (PB L 249 van 27.9.2022, blz. 50, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/1656/oj).

23.    32022 R 996: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie van 14 juni 2022 betreffende de voorschriften om de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria alsmede de criteria inzake laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik te controleren (PB L 168 van 27.6.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/996/oj).



24.    32022 D 1655: Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1655 van de Commissie van 26 september 2022 tot erkenning van het verslag met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de verbouwing van sojabonen in Argentinië overeenkomstig artikel 31, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 249 van 27.9.2022, blz. 47, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/1655/oj).

25.    32024 D 861: Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/861 van de Commissie van 15 maart 2024 betreffende de erkenning van het verslag met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de verbouwing van canolazaad (koolzaad) in Canada overeenkomstig artikel 31, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2024/861, 19.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2024/861/oj).

26.    32023 D 1760: Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1760 van de Commissie van 11 september 2023 betreffende de erkenning van het verslag met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de verbouwing van canolazaad (koolzaad) in Australië overeenkomstig artikel 31, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 224 van 12.9.2023, blz. 105, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2023/1760/oj).

________________

BIJLAGE VII

BIJLAGE OVER DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 49 VAN DEZE OVEREENKOMST

ARTIKEL 1

Lijst van activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen
en overige activiteiten van de Unie waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan:

a)    agentschappen:

—    Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, zoals opgericht bij Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 158, 14.6.2019, blz. 22, zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I bij de overeenkomst), rekening houdend met het toepassingsgebied van deze overeenkomst, voor 85 % van het begrotingsonderdeel voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar;



b)    informatiesystemen:

—    de Uniedatabank, zoals opgericht bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, zoals van toepassing overeenkomstig bijlage VI bij de overeenkomst);

c)    andere activiteiten:

geen.

ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 49 van deze overeenkomst verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het verzoek tot storting voor het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de vergoeding voor deelname.



3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar, de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de jaarlijkse goedgekeurde begroting van de Unie die voor elk agentschap van de Unie zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar, rekening houdend met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de desbetreffende begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, waar Zwitserland overeenkomstig artikel 1 aan deelneemt;

b)    het bedrag van de vergoeding voor deelname als bedoeld in artikel 49, lid 7, van deze overeenkomst; en

c)    wat de agentschappen betreft, in jaar N+1 de bedragen aan begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd voor de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie ten opzichte van de jaarlijkse begroting van de Unie die is (zijn) opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het programma van de Unie, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van deze overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.



6.    De in lid 5 bedoelde verzoeken tot storting worden als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het Agentschap, het informatiesysteem of andere activiteit.

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting;

b)    indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in het verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, elk informatiesysteem of elke andere activiteit. 

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van dit protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting;

8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.



De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus drieënhalf procentpunten.

ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie
in het licht van de uitvoering

De aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie vindt plaats in jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan uit hoofde van de desbetreffende begrotingsonderdelen voor subsidie van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1.

ARTIKEL 4

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst niet op 1 januari valt, is dit artikel in afwijking van artikel 2 van toepassing.



Voor het eerste jaar van uitvoering van de overeenkomst wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage die van toepassing is op het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 49 van de overeenkomst en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.

________________

PROTOCOL

PROTOCOL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “partijen” genoemd) een geschil ter arbitrage voorlegt overeenkomstig artikel 32, lid 2, of artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst, zijn de regels van dit protocol van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.



ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit protocol vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.



2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure is artikel 32, lid 2, of artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst en:

i)    in de in artikel 32, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 32, lid 1, van deze overeenkomst; en

ii)    in de in artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 32, lid 5, van deze overeenkomst bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.



4.    In de in artikel 32, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.



2.    In de in artikel 32, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit protocol en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde op eigen initiatief of op verzoek van een partij verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.



HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.



3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst opgesteld van personen die de in lid 6 bedoelde kwalificaties bezitten, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd) en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te [...] op [...] (hierna “de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd), waar nodig bijgewerkt. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.



6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.



ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.



ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.



HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.



ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.



2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 32, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.



2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit protocol. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 32, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 32, lid 2, of artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst.

2.    In de in artikel 32, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 32, lid 1, van deze overeenkomst.



3.    In de in artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.



ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop de compenserende maatregelen overeenkomstig artikel 33, lid 1, van deze overeenkomst zijn meegedeeld.



ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 29 en artikel 32, lid 3, van deze overeenkomst legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.

De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.

3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van deze overeenkomst; en



c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 29, lid 2, van deze overeenkomst.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.

ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.



3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.



7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 33, lid 2, van deze overeenkomst wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.



5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.



ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.



ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.

HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.



ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.

4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.



6.    In de in artikel 32, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 32, lid 5, van deze overeenkomst, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijk recht bestaat uit deze overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.

2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 29 van deze overeenkomst bedoelde uitleggingsregels.

3.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 33, lid 1, zijn bindend voor het scheidsgerecht.

4.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.



ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten, die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.

3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.



4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.

2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.



ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.

2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en



c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.

3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.



HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit protocol vaststellen.

(1)    Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/869/oj).
(2)    Energiegesetz, 30 september 2016 (EnG, SR 730.0), versie van toepassing op 1 januari 2025.
(3)    Bundesgesetz über die Nutzbarmachung der Wasserkräfte, 22 december 1916 (WRG, SR 721 80), versie van toepassing op 1 januari 2023.
(4)    Bundesgesetz über den Schutz der Gewässer, 24 januari 1991 (GschG, SR 814 20), versie van toepassing op 1 februari 2023.
(5)    Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit, PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54, zoals van toepassing volgens de bijlage.
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE GEZONDHEID

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GELEID DOOR DE WENS om de samenwerking ten behoeve van de gezondheid van de bevolking van de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met name om zich voor te bereiden en te reageren op ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid;

OVERWEGENDE dat gezondheidsbedreigingen geen halt houden aan de nationale grenzen die verschillende lidstaten van de Unie delen met Zwitserland en dat een groot aantal personen dagelijks de gemeenschappelijke grenzen overschrijdt, en dat derhalve een betere uitwisseling van deskundigheid op het gebied van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid van gemeenschappelijk belang is;

VASTBESLOTEN zo doeltreffend mogelijk te reageren op ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, onder meer door informatie uit te wisselen via gemeenschappelijke systemen en wederzijdse capaciteiten voor epidemiologische surveillance;

OVERWEGENDE dat de deelname van Zwitserland aan organen, agentschappen en structuren van de Unie voor de preventie en bestrijding van ziekten en de surveillance- en waarschuwingsnetwerken en de toepassing van vergelijkbare mechanismen voor paraatheid en respons voor de preventie en bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid het niveau van gezondheidsbescherming van de bevolking van de overeenkomstsluitende partijen zal verbeteren;


ERKENNENDE dat een bilaterale overeenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen inzake gezondheid een duidelijke en sterke rechtsgrondslag moet bieden voor samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging;

OVERWEGENDE dat de Unie mechanismen en structuren heeft opgezet om de preventie, paraatheid en respons op het gebied van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid te coördineren en dat de deelname van Zwitserland aan die mechanismen en structuren van wederzijds nut zou kunnen zijn voor beide overeenkomstsluitende partijen;

ERKENNENDE dat het voor beide partijen nuttig is de uitwisseling van professionele deskundigheid tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, onder meer door middel van detacheringen;

OVERWEGENDE dat een rechtsgrondslag is vastgesteld voor de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie, waaronder het EU4Health-programma; en het belang ERKENNENDE van betere samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van gezondheidsgerelateerde aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen, alsook onder de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie;

De algemene doelstellingen van het EU4Health-programma DELEND, GEZIEN de gemeenschappelijke doelstellingen, waarden en sterke banden van de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van gezondheid;

MET ERKENNING VAN de gemeenschappelijke wens van de overeenkomstsluitende partijen om hun betrekkingen en samenwerking op dit gebied verder te ontwikkelen, te versterken, te stimuleren en uit te breiden;


OVERWEGENDE dat nauwere samenwerking op het gebied van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en de deelname van Zwitserland aan het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (het “Centrum”) het niveau van gezondheidsbescherming voor de bevolking van de overeenkomstsluitende partijen zullen verhogen en dat de deelname van Zwitserland aan het Centrum een financiële bijdrage moet inhouden die voor elke programmeringsperiode moet worden vastgesteld;

BEREID de mogelijkheid te onderzoeken om hun samenwerking in de toekomst uit te breiden tot andere gezondheidsgerelateerde aangelegenheden;

VASTBESLOTEN de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen op de door deze overeenkomst beheerste gebieden te versterken, op basis van dezelfde regels als die welke gelden in de Unie, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie en het federalisme;

ERKENNENDE dat deze overeenkomst geen overeenkomst vormt op de gebieden die verband houden met de interne markt van de Unie waaraan Zwitserland deelneemt;

OVERWEGENDE dat het niettemin passend is op deze overeenkomst de bijzondere beginselen betreffende de bepalingen inzake de instellingen toe te passen die gemeenschappelijk zijn voor de overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt;

OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om deze overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doel

Deze overeenkomst heeft tot doel de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen te versterken teneinde:

a)    de gezondheid van de bevolking van de lidstaten van de Unie en Zwitserland te beschermen en te verbeteren;

b)    grote bedreigingen van de gezondheid te bestrijden, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en -opvoeding;

c)    een consistent hoog niveau van surveillance van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen te waarborgen, en hun waarschuwingssystemen en reacties op dergelijke bedreigingen te coördineren.


ARTIKEL 2

Toepassingsgebied

De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging. De samenwerking is beperkt tot de volgende gebieden:

–    de mechanismen voor gezondheidsbeveiliging bij ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid;

–    het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (hierna “het Centrum” genoemd).

ARTIKEL 3

Samenwerking

De overeenkomstsluitende partijen werken samen, wisselen informatie uit en coördineren hun beleid inzake ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid via de mechanismen en structuren die zijn vastgelegd in de in bijlage I vermelde rechtshandelingen van de Unie, met name de netwerken voor surveillance en waarschuwingen van de Unie en de mechanismen voor paraatheid en respons ter preventie en beheersing van overdraagbare ziekten. De overeenkomstsluitende partijen versterken hun algemene samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging, met inbegrip van epidemiologische surveillance, teneinde de paraatheid voor en de respons op noodsituaties te verbeteren.


HOOFDSTUK 2

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

ARTIKEL 4

Algemene inhoud

Om de overeenkomstsluitende partijen rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de in deze overeenkomst omschreven samenwerking, en rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht, worden in dit hoofdstuk de institutionele oplossingen vastgesteld die analoog zijn met die welke gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied van deze overeenkomst wordt gewijzigd, met name:

a)    de procedure om deze overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor deze overeenkomst;

b)    de eenvormige uitlegging en toepassing van deze overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen;

c)    het toezicht op en de toepassing van deze overeenkomst; en

d)    de beslechting van geschillen in het kader van deze overeenkomst.


ARTIKEL 5

Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)

1.    Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder deze overeenkomst vallende gebied stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.

De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg in het Gemengd Comité op belangrijke momenten van de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.

2.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder deze overeenkomst vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.

3.    Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder deze overeenkomst vallende gebied zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zo ruim mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.


4.    Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van deze overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.

5.    Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 6, lid 5, bedoelde uitzondering vallen.

ARTIKEL 6

Opneming van rechtshandelingen van de Unie

1.    Om de rechtszekerheid en de homogeniteit van het recht wat betreft de in deze overeenkomst genoemde samenwerking te waarborgen, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder deze overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in deze overeenkomst worden opgenomen.

2.    Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 4 in deze overeenkomst zijn opgenomen, maken, door de opneming ervan in deze overeenkomst, deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud, naargelang van het geval, van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft besloten.

3.    Wanneer de Unie een rechtshandeling vaststelt op het onder deze overeenkomst vallende gebied, stelt zij Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling daarover plaats.


4.    Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van bijlage I bij deze overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.

5.    De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Europese Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van een uitzondering vallen. Deze overeenkomst bevat geen uitzondering.

6.    Met inachtneming van artikel 7 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

7.    De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.

ARTIKEL 7

Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland

1.    Gedurende de in artikel 6, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 6, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.

2.    Wanneer het in artikel 6, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.


3.    In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 6, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt. De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

4.    Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.

5.    Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.

ARTIKEL 8

Verwijzingen naar grondgebieden

Wanneer de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie” of van de “Unie”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van deze overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 20.


ARTIKEL 9

Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie

Wanneer de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden deze verwijzingen voor de toepassing van deze overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.

ARTIKEL 10

Inwerkingtreding en uitvoering van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van deze overeenkomst.

De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in deze overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 5, alsmede uit bepalingen inzake overgangsregelingen.

ARTIKEL 11

Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie

De bepalingen van de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van deze overeenkomst.


ARTIKEL 12

Beginsel van eenvormige uitlegging

1.    Met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 4 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden deze overeenkomst en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de onder deze overeenkomst vallende gebieden.

2.    De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen en, voor zover de toepassing ervan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van deze overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van deze overeenkomst uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

ARTIKEL 13

Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing

1.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.


2.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van deze overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.

3.    Het toezicht op de toepassing van deze overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité. Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om een aanvaardbare oplossing te vinden.

4.    De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van deze overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 15 bedoelde procedure is van toepassing.

ARTIKEL 14

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met deze overeenkomst van een door de Commissie op basis van deze overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in deze overeenkomst is voorgeschreven.


ARTIKEL 15

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van deze overeenkomst te handhaven.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen drie maanden na de datum waarop het in lid 1 bedoelde probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd geen oplossing kan vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de in het protocol betreffende het scheidsgerecht vastgestelde regels.

3.    Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 12, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die binnen het toepassingsgebied valt van een uitzondering op de verplichting tot dynamische afstemming als bedoeld in artikel 6, lid 5, en wanneer het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het Unierecht, komt het scheidsgerecht tot een beslissing over het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


4.    Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:

a)    is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en

b)    geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven. De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij deze overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om de beslissing van het scheidsgerecht na te leven.


ARTIKEL 16

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het protocol betreffende het scheidsgerecht vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om de beslissing van het scheidsgerecht na te leven, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van oordeel is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Compenserende maatregelen mogen alleen worden genomen in het kader van deze overeenkomst of overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt c), en artikel 20, lid 4, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie, gedaan te … op …, hierna “de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie” genoemd, wat betreft de deelname van Zwitserland aan het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid 1 . De overeenkomstsluitende partij die compenserende maatregelen neemt, stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij deze overeenkomst niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. Deze compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.


2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen niet heeft besloten om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het protocol betreffende het scheidsgerecht ter arbitrage voorleggen.

3.    Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het protocol betreffende het scheidsgerecht vastgestelde termijnen een beslissing.

4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.

ARTIKEL 17

Samenwerking tussen rechtsgebieden

1.    Om de homogene uitlegging te bevorderen, komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.

2.    Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing verzoekt over een vraag betreffende de uitlegging van deze overeenkomst of van een bepaling van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen.


ARTIKEL 18

Uitvoering

1.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze overeenkomst en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van het doel van deze overeenkomst in gevaar brengen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat te waarborgen van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen, en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar kunnen brengen.

ARTIKEL 19

Gemengd Comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht.

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

2.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité:

a)    het zorgt voor de goede werking, het doeltreffende beheer en de doeltreffende toepassing van deze overeenkomst;


b)    kan informatie uitwisselen en overleg plegen over kwesties in verband met deze overeenkomst en de daarmee verband houdende financiële aspecten;

c)    biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in bijlage I wordt verwezen, overeenkomstig artikel 15;

d)    zorgt, in samenwerking met het bij de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie opgerichte Gemengd Comité (het “Gemengd Comité betreffende deelname aan programma’s van de Unie”), voor de correcte werking en de doeltreffende uitvoering van de deelname van Zwitserland aan het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid, uitsluitend voor aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; daartoe stelt het Gemengd Comité het Gemengd Comité betreffende deelname aan programma’s van de Unie in kennis wanneer:

i)    een nieuw protocol bij de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie wat betreft het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid moet worden vastgesteld;

ii)    het protocol moet worden gewijzigd als gevolg van wijzigingen in het toepassingsgebied van deze overeenkomst;

iii)    de agenda van zijn vergaderingen aangelegenheden omvat die verband houden met dit programma;

e)    doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;

f)    neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet;


g)    wijzigt, in geval van een wijziging van de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, of 17 of 18 van Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna “Protocol (nr. 7)” genoemd), gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het aanhangsel dienovereenkomstig; en

h)    oefent alle andere bevoegdheden uit die bij deze overeenkomst aan het Gemengd Comité worden verleend.

4.    Het Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.

Besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen nemen voor de uitvoering ervan.

5.    Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

6.    Het Gemengd Comité stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken door te laten bijstaan.


HOOFDSTUK 3

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 20

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het VWEU van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.

ARTIKEL 21

Herziening van de overeenkomst

1.    De overeenkomstsluitende partijen evalueren periodiek de werking van deze overeenkomst in het Gemengd Comité en kunnen overwegen de overeenkomst te herzien, met name om hun samenwerking te verbeteren of deze overeenkomst uit te breiden tot andere gezondheidsgerelateerde aangelegenheden.

2.     In het licht van deze mogelijke overwegingen kunnen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun respectieve interne procedures onderhandelingen beginnen met het oog op de herziening van deze overeenkomst.

3.    Het resultaat van de onderhandelingen moet door de overeenkomstsluitende partijen worden bekrachtigd of goedgekeurd volgens hun respectieve interne procedures.


ARTIKEL 22

Beroepsgeheim

De vertegenwoordigers, deskundigen en andere gemachtigden van de overeenkomstsluitende partijen zijn ertoe gehouden, ook na beëindiging van hun werkzaamheden, geen in het kader van deze overeenkomst verkregen informatie waarop het beroepsgeheim van toepassing is, openbaar te maken.

ARTIKEL 23

Gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een overeenkomstsluitende partij verplicht is gerubriceerde informatie beschikbaar te stellen.

2.    Gerubriceerde informatie die of gerubriceerd materiaal dat in het kader van deze overeenkomst door de overeenkomstsluitende partijen wordt verstrekt of tussen hen wordt uitgewisseld, wordt behandeld en beschermd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008, en eventuele beveiligingsregelingen ter uitvoering daarvan.

3.    Het Gemengd Comité stelt bij besluit instructies inzake het behandelen vast ter bescherming van gevoelige niet-gerubriceerde informatie die tussen de overeenkomstsluitende partijen wordt uitgewisseld.


ARTIKEL 24

Bijlagen, aanhangsels en protocollen

De bijlagen, aanhangsels en protocollen bij deze overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.

ARTIKEL 25

Financiële bijdrage

1.    Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere in artikel 1 van bijlage II vermelde activiteiten van de Unie waartoe het land toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en bijlage II.

Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van bijlage II vaststellen.

2.    De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland de betalingstermijn niet in acht neemt overeenkomstig de betalingsvoorwaarden van artikel 2 van bijlage II.

Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is verricht, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.


3.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een deelnamevergoeding.

4.    De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.

5.    De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen. Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

6.    De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is ingeschreven in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met een aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1 van bijlage II. De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting (zoals werkprogramma’s of contracten).

Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.


7.    De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.

8.    De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

9.    Alle financiële bijdragen van Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in euro verricht.

10.    Indien de inwerkingtreding van deze overeenkomst niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 4 van bijlage II vastgestelde methode en betalingsvoorwaarden.

11.    Bijlage II bevat nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel.

12.    Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van bijlage II en past het deze in voorkomend geval aan.


ARTIKEL 26

Inwerkingtreding

1.    Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;


e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;


m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie;

n)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 27

Opzegging

1.    Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst door kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij opzeggen.

2.    Deze overeenkomst houdt zes maanden na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving op van kracht te zijn.

3.    Wanneer deze overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van deze overeenkomst uit hoofde van deze overeenkomst hebben verworven, behouden. De overeenkomstsluitende partijen treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.


Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 6
VAN DE OVEREENKOMST OPGENOMEN

RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE

Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van de bepalingen inzake de instellingen in hoofdstuk 2 van de overeenkomst.

Ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid

1.    32022 R 2371 Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 26, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2371/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) 2022/2371 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de werkzaamheden van het Gezondheidsbeveiligingscomité en heeft aldaar dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie, met uitzondering van stemrecht.


b)    Zwitserland geniet volledige rechten als gebruiker van het bij Verordening (EU) 2022/2371 ingestelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing en respons (Early Warning and Response System — EWRS).

c)    Zwitserland gebruikt de definitie in artikel 3, lid 10, van Verordening (EU) 2022/2371 uitsluitend voor de uitvoering van deze overeenkomst.

d)    Zwitserland verstrekt de in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) 2022/2371 bedoelde verslagen op hetzelfde tijdstip als de lidstaten van de Unie op grond van dat artikel, maar in geen geval eerder dan één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Zwitserland verzendt zijn verslag via het EWRS.

e)    In artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) 2022/2371 worden de woorden “als gerubriceerde informatie van de Europese Unie” geschrapt. De tweede zin wordt, wat Zwitserland betreft, als volgt gelezen: “Die nationale beveiligingsvoorschriften waarborgen eenzelfde mate van bescherming van gerubriceerde informatie als is vastgelegd in de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens en de beveiligingsregelingen ervan”.

f)    Voor de toepassing van deze overeenkomst staat deelname aan de in artikel 12, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2022/2371 bedoelde gezamenlijke aanbestedingsprocedure ook open voor Zwitserland.

g)    Artikel 12, lid 4, punten a), b), c), e) en f), van Verordening (EU) 2022/2371 is niet van toepassing op Zwitserland.


h)    Artikel 23 van Verordening (EU) 2022/2371 laat de bevoegdheid van Zwitserland om noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid op nationaal niveau te erkennen en te beëindigen onverlet.

i)    Artikel 25, punten a) en b), van Verordening (EU) 2022/2371 is niet van toepassing op Zwitserland.

j)    In artikel 27, lid 1, van Verordening (EU) 2022/2371 wordt de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG, wat Zwitserland betreft, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.

2.    32023 R 1808 Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1808 van de Commissie van 21 september 2023 tot vaststelling van het model voor de verstrekking van informatie over preventie-, paraatheids- en responsplanning in verband met ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen overeenkomstig Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 234 van 22.9.2023, blz. 105, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1808/oj).

3.    32024 R 0892 Uitvoeringsverordening (EU) 2024/892 van de Commissie van 22 maart 2024 tot aanwijzing van referentielaboratoria van de Europese Unie voor bepaalde specifieke gebieden van de volksgezondheid (PB L, 2024/892, 25.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/892/oj).

4.    32024 R 1232 Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1232 van de Commissie van 5 maart 2024 tot aanvulling van Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de beoordeling van de stand van uitvoering van de nationale preventie-, paraatheids- en responsplannen en hun verhouding tot het preventie-, paraatheids- en responsplan van de Unie (PB L, 2024/1232, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1232/oj).


5.    32024 R 2959 Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2959 van de Commissie van 29 november 2024 tot aanwijzing van referentielaboratoria van de Europese Unie voor de volksgezondheid betreffende door voedsel en water overgedragen bacteriën, door voedsel, water en vectoren overgedragen helminten en protozoën, en door voedsel en water overgedragen virussen (PB L, 2024/2959, 2.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2959/oj).

6.    32018 D 0945 Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/945 van de Commissie van 22 juni 2018 betreffende de overdraagbare ziekten en gerelateerde bijzondere gezondheidsvraagstukken die onder de dekking van de epidemiologische surveillance moeten vallen, alsook de relevante gevalsdefinities (PB L 170 van 6.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2018/945/oj).

7.    32017 D 0253 Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/253 van de Commissie van 13 februari 2017 tot vaststelling van procedures voor alarmmeldingen in het kader van het met betrekking tot ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid ingestelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing en reactie en voor de informatie-uitwisseling, onderlinge raadpleging en coördinatie van de reacties op dergelijke bedreigingen overeenkomstig Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 37 van 14.2.2017, blz. 23, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2017/253/oj), zoals gewijzigd bij:

–    32021 D 0858 Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/858 van de Commissie van 27 mei 2021 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/253 wat betreft alarmmeldingen als gevolg van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en voor de opsporing van contacten van passagiers die zijn geïdentificeerd met behulp van traceringsformulieren voor passagiers (PB L 188 van 28.5.2021, blz. 106, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/858/oj);


–    32021 D 1212 Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1212 van de Commissie van 22 juli 2021 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/253 wat betreft alarmmeldingen als gevolg van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en voor de opsporing van contacten van blootgestelde personen die zijn geïdentificeerd met behulp van traceringsformulieren voor passagiers (PB L 263 van 23.7.2021, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/1212/oj).

EUROPEES CENTRUM VOOR ZIEKTEPREVENTIE EN –BESTRIJDING

8.    32004 R 0851 Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/851/oj), zoals gewijzigd bij:

–    32022 R 2370 Verordening (EU) 2022/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 851/2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2370/oj).

Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 851/2004 met de volgende aanpassingen gelezen:

a)    Zwitserland neemt deel aan het Centrum.

b)    Zwitserland draagt financieel bij aan de activiteiten van het Centrum overeenkomstig artikel 25 van de overeenkomst.


c)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de werkzaamheden van de raad van bestuur van het Centrum en heeft aldaar dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie, met uitzondering van stemrecht.

d)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de werkzaamheden van het adviesforum van het Centrum en heeft daarin dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie.

e)    Zwitserland verleent het Centrum en zijn personeel in het kader van hun officiële functies voor het agentschap de voorrechten en immuniteiten bedoeld in het aanhangsel, die zijn gebaseerd op de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 en 18 van Protocol (nr. 7). Ter informatie worden tussen haakjes verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van dat protocol vermeld.

f)    In afwijking van artikel 12, lid 2, punt a), van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), kan het Centrum, indien het daartoe besluit, Zwitserse onderdanen die hun volledige burgerrechten genieten op contractbasis in dienst nemen. Het Centrum kan de detachering van deskundigen door Zwitserland aanvaarden.

g)    Zwitserland neemt volwaardig deel aan de door het Centrum beheerde netwerken en heeft binnen deze netwerken dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Unie.


h)    In artikel 3, lid 2, punt g), van Verordening (EG) nr. 851/2004 worden de woorden “met de hulp van en” toegevoegd voor de woorden “in nauwe samenwerking met”.

i)    In artikel 20 bis van Verordening (EG) nr. 851/2004 wordt de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG, wat Zwitserland betreft, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.



Aanhangsel

BETREFFENDE DE VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

ARTIKEL 1
(komt overeen met artikel 1 van Protocol (nr. 7))

De gebouwen en terreinen van het Agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het Agentschap kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

ARTIKEL 2
(komt overeen met artikel 2 van Protocol (nr. 7))

Het archief van het Agentschap is onschendbaar.

ARTIKEL 3
(komt overeen met de artikelen 3 en 4 van Protocol (nr. 7))

1.    Het Agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.


2.    Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Zwitserland naar het Agentschap worden geëxporteerd of die aan het Agentschap in Zwitserland beschikbaar worden gesteld, zijn geen indirecte heffingen en belastingen verschuldigd.

3.    Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en dienstverstrekkingen (inclusief belastingen) ten minste honderd Zwitserse frank bedraagt. Het Agentschap is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik van de Unie; de aldus ingevoerde goederen mogen in Zwitserland niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van Zwitserland zijn goedgekeurd.

4.    Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

5.    Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

ARTIKEL 4
(komt overeen met artikel 5 van Protocol (nr. 7))

Het Agentschap geniet, voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten in Zwitserland de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Agentschap zijn niet aan censuur onderworpen.


ARTIKEL 5
(komt overeen met artikel 6 van Protocol
(nr. 7))

De aan de leden en personeelsleden van het Agentschap afgegeven laissez-passer van de Europese Unie wordt erkend als geldig reisdocument op het grondgebied van Zwitserland. Deze laissez-passer wordt aan ambtenaren en andere personeelsleden afgegeven onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen).

ARTIKEL 6
(komt overeen met artikel 10 van Protocol (nr. 7))

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst in Zwitserland de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.


ARTIKEL 7
(komt overeen met artikel 11 van Protocol (nr. 7))

De ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van Zwitserland:

a)    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die enerzijds betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en andere personeelsleden tegenover de Unie, en anderzijds op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en andere personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;

c)    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d)    gerechtigd om de eerste maal dat zij hun post bezetten in Zwitserland hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt in dat land hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt;


e)    gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt.

ARTIKEL 8
(komt overeen met artikel 12 van Protocol (nr. 7))

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke in het recht van de Unie zijn vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van Zwitserse federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

ARTIKEL 9
(komt overeen met artikel 13 van Protocol
(nr. 7))

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van het Agentschap en op het ogenblik van hun indiensttreding bij het Agentschap vestigen op het grondgebied van Zwitserland, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in Zwitserland als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit een EU-lidstaat is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.


De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich in Zwitserland bevinden, worden in Zwitserland vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

ARTIKEL 10
(komt overeen met artikel 14 van Protocol (nr. 7))

Het stelsel van socialezekerheidsuitkeringen voor ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie is vastgesteld in het recht van de Unie.

Ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn derhalve niet verplicht zich aan te sluiten bij het Zwitserse socialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie van toepassing zijn. Gezinsleden van personeelsleden van het Agentschap worden gedekt door de regeling inzake de sociale voorzieningen voor ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland.


ARTIKEL 11
(komt overeen met artikel 15 van Protocol (nr. 7))

Het recht van de Unie bepaalt op welke categorieën ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn.

De namen, hoedanigheden en adressen van de ambtenaren en andere personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan Zwitserland medegedeeld.

ARTIKEL 12
(komt overeen met artikel 17 van Protocol (nr. 7))

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap uitsluitend in het belang van het Agentschap verleend.

Het Agentschap is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar mening van het Agentschap niet strijdig is met de belangen van het Agentschap.

ARTIKEL 13
(komt overeen met artikel 18 van Protocol (nr. 7))

Het Agentschap werkt, voor de toepassing van dit aanhangsel, samen met de verantwoordelijke autoriteiten van Zwitserland of de betrokken lidstaten van de Unie.

________________

BIJLAGE II

INZAKE DE TOEPASSING
VAN ARTIKEL 25 VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 1

Lijst van activiteiten van de agentschappen,
informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie

waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen

Zwitserland draagt financieel bij aan

a)    agentschappen:

–    Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, opgericht bij Verordening (EG) nr. 851/2004 (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/851/oj), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I;


b)    informatiesystemen:

–    het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en respons (EWRS), ingesteld bij Verordening (EU) 2022/2371 (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 26, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2371/oj), zoals van toepassing overeenkomstig bijlage I, tenzij de Zwitserse bijdrage aan dat informatiesysteem reeds volledig wordt gedekt door de Zwitserse bijdrage aan het Centrum en het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid;

c)    andere activiteiten:

–    geen.

ARTIKEL 2

Betalingsvoorwaarden

1.    De op grond van artikel 25 van de overeenkomst verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.

2.    Bij het verzoek tot storting voor het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:

a)    het bedrag van de operationele bijdrage; en

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding.


3.    De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten van de jaarlijkse goedgekeurde begroting van de Unie die voor elk agentschap van de Unie zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van het betrokken jaar, rekening houdend met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de desbetreffende begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, waar Zwitserland overeenkomstig artikel 1 aan deelneemt;

b)    het bedrag van de deelnamevergoeding als bedoeld in artikel 25, lid 7, van de overeenkomst; en

c)    wat de agentschappen betreft, in jaar N+1 de bedragen aan begrotingsvastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd voor de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie ten opzichte van de jaarlijkse begroting van de Unie die is (zijn) opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidie van de Unie van jaar N.

4.    Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.

5.    De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van deze overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.


6.    Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:

a)    De eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit.

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.

b)    Indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.

Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, elk informatiesysteem of elke andere activiteit.

7.    Voor het eerste jaar van de uitvoering van deze overeenkomst doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een enkel verzoek tot storting.

Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.


8.    Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.

De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.

ARTIKEL 3

Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland
aan de agentschappen van de Unie in het licht van de uitvoering

De aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie vindt plaats in jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn goedgekeurd uit hoofde van de desbetreffende begrotingspost(en) voor subsidie van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage als omschreven in artikel 1.


ARTIKEL 4

Overgangsregelingen

Indien de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst niet op 1 januari valt, is dit artikel in afwijking van artikel 2 van toepassing.

Voor het eerste jaar van uitvoering van deze overeenkomst wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage die van toepassing is op het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 25 van de overeenkomst en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot en met 31 december van het betrokken jaar; en

b)    het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.

________________

PROTOCOL
BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Toepassingsgebied

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “partijen” genoemd) een geschil ter arbitrage voorlegt overeenkomstig artikel 15, lid 2, of artikel 16, lid 2, van de overeenkomst, zijn de regels van dit protocol van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.


ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit protocol vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.

ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.


2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 15, lid 2, of artikel 16, lid 2, van de overeenkomst) en:

i)    in de in artikel 15, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 15, lid 1, van deze overeenkomst; en

ii)    in de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 15, lid 5, van de overeenkomst bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;

e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.


4.    In de in artikel 15, lid 3, van de overeenkomst bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en

d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.


2.    In de in artikel 15, lid 3, van de overeenkomst bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit protocol en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    Het ontbreken van of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

4.    Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.


3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Als hulp bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht wordt een indicatieve lijst opgesteld en waar nodig bijgewerkt van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor deze overeenkomst, de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd) en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van deze overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze bij besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.


4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.

ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.


5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.

ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedure zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.


ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.

2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 15, lid 3, van de overeenkomst bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.


ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

2.    In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit protocol. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 15, lid 3, van de overeenkomst bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.


ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 15, lid 2, of artikel 16, lid 2, van de overeenkomst.

2.    In de in artikel 15, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de overeenkomst.

3.    In de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in overeenstemming met artikel 19, lid 1, punt c), en artikel 20, lid 4, van de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie, wat betreft de deelname van Zwitserland aan het actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid.

4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.


5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke opmerkingen

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.

ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.


3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of

b)    indien de partijen dit overeenkomen.

4.    In de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de overeenkomst kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.

ARTIKEL III.9

Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.    Overeenkomstig artikel 12 en artikel 15, lid 3, van de overeenkomst legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.    Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven. De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.


3.    Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.

4.    Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:

a)    een korte beschrijving van het geschil;

b)    de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van deze overeenkomst; en

c)    het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de overeenkomst.

Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.

6.    De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.


ARTIKEL III.10

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.

4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;


b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.

6.    Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

7.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 16, lid 2, van de overeenkomst wordt genomen.

8.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.


ARTIKEL III.11

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.

5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.


ARTIKEL III.12

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van de partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.

ARTIKEL III.13

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.


Indien de verweerder binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

ARTIKEL III.14

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.


HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.

ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.


4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor deze overeenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Landbouwcomité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.

6.    In de in artikel 15, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 15, lid 5, van de overeenkomst, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit deze overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.


2.    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 12 van de overeenkomst bedoelde uitleggingsregels.

3.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.

ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.


3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen. De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.

4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.


2.    Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.

ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor deze overeenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van deze overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.


2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;

b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.


3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit protocol vaststellen.

(1)    Voor de periode 2021-2027 is dit het EU4Health-programma, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 1).
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

BETREFFENDE DE REGELMATIGE FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND

TOT HET TERUGBRENGEN VAN ECONOMISCHE EN SOCIALE VERSCHILLEN

IN DE EUROPESE UNIE

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GEZIEN de nauwe banden tussen de overeenkomstsluitende partijen;

GEZIEN het brede bilaterale pakket tussen de overeenkomstsluitende partijen dat gericht is op het stabiliseren en ontwikkelen van hun bilaterale betrekkingen, met inbegrip van de deelname van Zwitserland aan de interne markt;

GEZIEN, in dit verband, het belang van acties die bijdragen tot het terugbrengen van de economische en sociale verschillen in de Unie, die erop gericht moeten zijn de voortdurende en evenwichtige versterking van de economische en sociale betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Zwitserland, anderzijds, aan te moedigen en tegelijkertijd een antwoord te bieden op belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen;

GEZIEN het feit dat de samenwerking tussen Zwitserland en de partnerstaten in het kader van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland gebaseerd is op en geleid wordt door gemeenschappelijke waarden, beginselen van goed bestuur en een gemeenschappelijke verbintenis tot nultolerantie ten aanzien van corruptie,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen

In het kader van het brede bilaterale pakket overeenkomsten delen de overeenkomstsluitende partijen de algemene doelstelling om bij te dragen tot het terugbrengen van de economische en sociale verschillen in de Unie.

Dienovereenkomstig is de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland bedoeld om de voortdurende en evenwichtige versterking van de economische en sociale betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Zwitserland, anderzijds, aan te moedigen en tegelijkertijd een antwoord te bieden op belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen.

ARTIKEL 2

Voorwerp

1.    Met deze overeenkomst wordt de grondslag gelegd voor de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot de in artikel 1 genoemde doelstellingen.

2.    De regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland vormt een aanvulling op de maatregelen van de Unie en haar lidstaten op het gebied van cohesie en hun antwoord op belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen.


ARTIKEL 3

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)    “Lijst van overeenkomsten”: de volgende overeenkomsten:

i)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

ii)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

iii)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

iv)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;

v)    Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999;


vi)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie, gedaan te […] op […];

vii)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, gedaan te […] op […];

viii)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit, gedaan te […] op […];

ix)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te […] op […]; en

x)    Protocol tot instelling van een gemeenschappelijke ruimte voor voedselveiligheid bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te […] op […];

b)    “bijdrageperiode”: het tijdsbestek waaraan een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland wordt toegerekend;

c)    “uitvoeringsperiode”: het tijdsbestek waarbinnen een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland moet worden uitgevoerd en de middelen moeten worden uitbetaald; elke uitvoeringsperiode duurt ten minste tien jaar;

d)    “partnerstaat”: een lidstaat van de Unie die in een bepaalde bijdrageperiode profiteert van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland;


e)    “partnerstaten op het gebied van cohesie”: lidstaten van de Unie met een bruto nationaal inkomen (hierna “bni” genoemd) per hoofd van de bevolking, gemeten in koopkrachtstandaarden, van minder dan 90 % van het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van de Unie in koopkrachtstandaarden voor dezelfde referentieperiode. De referentieperiode voor de te gebruiken gegevens is dezelfde als de periode die wordt gebruikt om te bepalen of de lidstaten van de Unie in aanmerking komen voor bijstand uit het Cohesiefonds van de Unie dat van kracht is op de begindatum van de desbetreffende bijdrageperiode;

f)    “steunmaatregel”: een programma of project dat wordt uitgevoerd met steun van een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland.

ARTIKEL 4

Kader voor de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland

1.    De regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland wordt gestructureerd op basis van opeenvolgende bijdrageperioden.

Elke bijdrageperiode begint twee jaar na het begin van de periode die wordt bestreken door het meerjarig financieel kader van de Unie (hierna “MFK” genoemd). De bijdrageperiode loopt voor een periode die gelijk is aan het aantal jaren dat wordt bestreken door het MFK waarop deze betrekking heeft.

2.    Voor elke bijdrageperiode geldt het volgende:

a)    Zwitserland verbindt zich ertoe een financiële bijdrage te leveren die wordt vastgesteld op basis van bijlage I.


b)    Om de verbintenis uit hoofde van punt a) na te komen, sluiten de overeenkomstsluitende partijen uiterlijk twaalf maanden voor het einde van de lopende bijdrageperiode een juridisch niet-bindend memorandum van overeenstemming (hierna “memorandum van overeenstemming” genoemd).

Daartoe start het Gemengd Comité uiterlijk 36 maanden voor het einde van die bijdrageperiode besprekingen.

Elk memorandum van overeenstemming bevat de volgende elementen:

i)    het bedrag van de desbetreffende financiële bijdrage van Zwitserland, vastgesteld op basis van punt 1 van bijlage I;

ii)    landspecifieke toewijzingen van middelen op het gebied van cohesie overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage I;

iii)    de thematische gebieden voor de desbetreffende financiële bijdrage van Zwitserland op het gebied van cohesie;

iv)    wanneer een deel van een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland is voorzien om andere belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden: de vastgestelde belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen; de respectieve thematische gebieden ervan; de criteria voor de selectie van partnerstaten die te kampen hebben met de vastgestelde gemeenschappelijke uitdagingen; en de uitsplitsing tussen de aan cohesie toegewezen middelen en de middelen die zijn toegewezen aan de vastgestelde gemeenschappelijke uitdagingen, overeenkomstig punt 2 van bijlage I;


v)    een algemene beschrijving van de beoogde inhoud van de landspecifieke overeenkomsten tussen Zwitserland en de partnerstaten (hierna “landspecifieke overeenkomsten” genoemd);

vi)    de duur van de uitvoeringsperiode overeenkomstig artikel 3, punt c).

c)    Indien het memorandum van overeenstemming niet binnen de in de eerste zin van punt b) bedoelde termijn wordt gesloten, is artikel 16 van toepassing. Indien het geschil overeenkomstig artikel 16, lid 2, aan het scheidsgerecht wordt voorgelegd, gaat het scheidsgerecht na of de overeenkomstsluitende partijen tijdens de in punt b) bedoelde besprekingen te goeder trouw hebben gehandeld om de verbintenis uit hoofde van punt a) na te komen.

ARTIKEL 5

Landspecifieke overeenkomsten en verdere steunmaatregelen

1.    Overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt a), en deel II, en in overeenstemming met de elementen in het memorandum van overeenstemming, sluit Zwitserland landspecifieke overeenkomsten met de partnerstaten en bereidt het, in voorkomend geval, verdere steunmaatregelen voor in zijn beheer of in de vorm van bijdragen aan relevante financieringsinstrumenten.

2.    In de landspecifieke overeenkomsten wordt rekening gehouden met het beleid van de Unie en de nationale strategische kaders voor investeringen in het kader van het cohesiebeleid van de Unie die door de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) zijn goedgekeurd.


3.    In de landspecifieke overeenkomsten wordt met name het volgende uiteengezet: de verdeling van de middelen over de thematische gebieden; de steunmaatregelen; de structuren voor beheer en controle; de toepasselijke voorwaarden; en de bevoegde autoriteiten in de betrokken partnerstaat. Zij bevatten ook specifieke regels met betrekking tot de procedure en de in artikel 13, lid 5, bedoelde maatregelen.

4.    Voor elke bijdrageperiode worden de landspecifieke toewijzingen op het gebied van cohesie uiterlijk twee jaar na het begin van de bijdrageperiode waarop zij betrekking hebben, formeel aan de partnerlanden toegezegd bij de sluiting van de respectieve landspecifieke overeenkomsten.

5.    Wanneer een deel van een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland is voorzien om een antwoord te bieden op andere belangrijke gemeenschappelijke uitdagingen, worden de landspecifieke toewijzingen op het gebied van de vastgestelde gemeenschappelijke uitdagingen uiterlijk vijf jaar na het begin van de bijdrageperiode waarop zij betrekking hebben, formeel aan de partnerlanden toegezegd bij de sluiting van de respectieve landspecifieke overeenkomsten.

6.    Indien de in de leden 4 en 5 bedoelde landspecifieke overeenkomsten niet binnen de in die leden genoemde termijnen worden gesloten, is artikel 16 van toepassing.

Indien het geschil overeenkomstig artikel 16, lid 2, aan het scheidsgerecht wordt voorgelegd, gaat het scheidsgerecht na of Zwitserland en de respectieve partnerstaat tijdens de onderhandelingen over de landspecifieke overeenkomst te goeder trouw hebben gehandeld.

7.    Middelen van een bepaalde financiële bijdrage van Zwitserland mogen slechts tot het einde van de desbetreffende uitvoeringsperiode worden gebruikt.


ARTIKEL 6

Communicatie tussen Zwitserland en de Commissie

1.    Zwitserland stelt de Commissie binnen een maand na de bekendmaking ervan in de Officiële verzameling van bondswetgeving van Zwitserland in kennis van de in artikel 5, lid 1, bedoelde landspecifieke overeenkomsten.

2.    Zwitserland en de Commissie communiceren jaarlijks, of telkens wanneer dat nodig is, op technisch niveau met elkaar over de uitvoering van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland.

ARTIKEL 7

Medefinancieringspercentages

Met betrekking tot steunmaatregelen waarvoor de partnerstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering, zijn de medefinancieringspercentages van Zwitserland voor zijn regelmatige financiële bijdrage gelijk aan de medefinancieringspercentages van de Unie in het kader van de instrumenten van het cohesiebeleid van de Unie en andere relevante instrumenten, tenzij Zwitserland en de betrokken partnerstaat anders overeenkomen.


ARTIKEL 8

Staatssteun en overheidsopdrachten

De uitvoering van steunmaatregelen moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke regels inzake staatssteun en overheidsopdrachten.

ARTIKEL 9

Aansprakelijkheid

De verantwoordelijkheid van Zwitserland is beperkt tot het verstrekken van middelen overeenkomstig de landspecifieke overeenkomsten en verdere steunmaatregelen. Bijgevolg neemt Zwitserland geen aansprakelijkheid jegens derden op zich.

ARTIKEL 10

Wijzigingen in het lidmaatschap van de Unie

1.    In geval van een wijziging in het lidmaatschap van de Unie waarbij een staat betrokken is waarvan het bni per hoofd van de bevolking, gemeten in koopkrachtstandaarden, minder dan 90 % bedraagt van het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van de Unie, gemeten in koopkrachtstandaarden, wordt de financiële bijdrage van Zwitserland evenredig aangepast vanaf de datum waarop de wijziging van het lidmaatschap van kracht wordt.


De referentieperiode voor de te gebruiken gegevens is dezelfde als de periode die is gebruikt voor het Cohesiefonds van de Unie dat van kracht is op de begindatum van de respectieve bijdrageperiode of, indien deze niet beschikbaar is, de laatste periode van drie jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

2.    Het bedrag van de in lid 1 bedoelde aanpassing wordt door de overeenkomstsluitende partijen vastgesteld.

DEEL II

UITVOERING EN BEHEER VAN DE MIDDELEN

ARTIKEL 11

Gemeenschappelijke waarden

De uitvoering van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland is gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden van eerbiediging van de mensenrechten, democratie, de rechtsstaat, menselijke waardigheid en gelijkheid.

ARTIKEL 12

Beheer van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland

1.    Zwitserland is verantwoordelijk voor het algemene beheer van zijn regelmatige financiële bijdrage.


2.    De beheerskosten van Zwitserland worden gedekt door het totale bedrag van een bepaalde financiële bijdrage dat is vastgesteld in het in artikel 4, lid 2, punt b), bedoelde memorandum van overeenstemming.

ARTIKEL 13

Uitvoeringsbeginselen

1.    De onderhandelingen over en uitvoering van de landspecifieke overeenkomsten vinden plaats in een geest van gelijkwaardig partnerschap tussen de partnerstaten en Zwitserland.

2.    De partnerstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de overeengekomen steunmaatregelen en voorzien in passende beheers- en controlesystemen om een gedegen uitvoering en beheer te waarborgen.

3.    Onverminderd lid 2 vallen steunmaatregelen die rechtstreeks door Zwitserland worden uitgevoerd, onder de verantwoordelijkheid van Zwitserland, dat voorziet in passende beheers- en controlesystemen om een gedegen uitvoering en beheer te waarborgen.

4.    Bij de uitvoering van de steunmaatregelen worden de in artikel 11 bedoelde gemeenschappelijke waarden en de beginselen van goed bestuur en gedegen financieel beheer in acht genomen en wordt gezorgd voor transparantie, non-discriminatie, efficiëntie en verantwoording.

De uitvoering is gebaseerd op de gemeenschappelijke verbintenis van Zwitserland en de partnerstaten om alle vormen van corruptie bij de uitvoering van de financiële bijdrage van Zwitserland te bestrijden en te voorzien in doeltreffende maatregelen en procedures om handelingen die het correcte gebruik van middelen in gevaar brengen, te voorkomen, op te sporen en aan te pakken, rekening houdend met de vastgestelde risico’s.


5.    In geval van schending van een in lid 4 bedoelde verplichting die gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de goede uitvoering van een specifieke steunmaatregel, kan Zwitserland, na een beoordeling en een procedure die het effectieve recht van de partnerstaat om te worden gehoord waarborgt, passende, evenredige en doeltreffende maatregelen nemen met betrekking tot de betrokken specifieke steunmaatregelen.

6.    Zwitserland kan tevens volgens zijn interne regelgeving controles verrichten. De partnerstaten verlenen hiertoe alle noodzakelijke bijstand en verstrekken hiertoe alle noodzakelijke informatie en documentatie.

7.    Bij het uitvoeren van audits houden de Zwitserse auditautoriteiten terdege rekening met de beginselen van één enkele audit en van evenredigheid in verhouding tot het risiconiveau, teneinde dubbele audits en beheersverificaties van dezelfde uitgaven te voorkomen en zo de kosten voor beheersverificaties en audits en de administratieve lasten voor de begunstigden tot een minimum te beperken.

DEEL III

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

ARTIKEL 14

Gemengd Comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht.

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.


2.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.

3.    Het Gemengd Comité:

a)    het zorgt voor de goede werking, het doeltreffende beheer en de doeltreffende toepassing van deze overeenkomst;

b)    biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor problemen bij de uitlegging of toepassing van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 16;

c)    doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;

d)    neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en

e)    oefent alle andere bevoegdheden uit die bij deze overeenkomst aan het Gemengd Comité worden verleend.

4.    Het Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen. De besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

5.    Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.


6.    Het Gemengd Comité stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast.

7.    Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of deskundigengroepen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.

ARTIKEL 15

Exclusiviteitsbeginsel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst, niet op een andere manier te beslechten dan in deze overeenkomst is voorgeschreven.

ARTIKEL 16

Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing

1.    In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Daartoe worden alle nuttige gegevens aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.


2.    Indien het Gemengd Comité binnen drie maanden na de datum waarop het probleem aan dit comité is voorgelegd, geen oplossing voor het in lid 1 bedoelde probleem kan vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen erom verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels van het Protocol betreffende het scheidsgerecht (hierna “het protocol” genoemd).

3.    Bij de beslechting van een geschil tussen de overeenkomstsluitende partijen in het kader van deze overeenkomst is het scheidsgerecht bevoegd om deze overeenkomst uit te leggen. Om te bepalen of een maatregel in overeenstemming is met deze overeenkomst, kan het scheidsgerecht in voorkomend geval het recht van elke overeenkomstsluitende partij, anders dan deze overeenkomst, als een feitelijk gegeven in aanmerking nemen. Daarbij volgt het scheidsgerecht de heersende uitlegging van het recht van elke overeenkomstsluitende partij, anders dan deze overeenkomst, door de rechterlijke instanties en de autoriteiten van de respectieve overeenkomstsluitende partij en, in voorkomend geval, door bevoegde internationale geschillenbeslechtingsorganen. Een betekenis die door het scheidsgerecht aan het recht van een overeenkomstsluitende partij, anders dan deze overeenkomst, wordt gegeven, is niet bindend voor de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die overeenkomstsluitende partij.

4.    Het scheidsgerecht is niet bevoegd kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van de landspecifieke overeenkomsten.

5.    Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.

De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om de beslissing van het scheidsgerecht na te leven.


ARTIKEL 17

Compenserende maatregelen

1.    Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het protocol vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van mening is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of een overeenkomst die is opgenomen in de in artikel 3, punt a), vastgestelde lijst van overeenkomsten (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. Deze compenserende maatregelen worden drie maanden na de datum van deze kennisgeving van kracht.

2.    Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen niet heeft besloten om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het protocol ter arbitrage voorleggen.

3.    Het scheidsgerecht beslist binnen de in artikel III.8, lid 4, van het protocol vastgestelde termijnen.

4.    Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, onverlet.


DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 18

Eerste financiële bijdrage van Zwitserland in het kader van deze overeenkomst
en eenmalige aanvullende financiële verbintenis

1.    Zwitserland verbindt zich ertoe zijn eerste financiële bijdrage in het kader van deze overeenkomst (hierna “de eerste financiële bijdrage” genoemd) te verstrekken van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2036 overeenkomstig bijlage II en een eenmalige aanvullende financiële verbintenis aan te gaan voor de periode tussen eind 2024 en eind 2029 overeenkomstig bijlage III.

2.    Voor zover de elementen van de eerste financiële bijdrage niet in bijlage II zijn vastgesteld, sluiten de overeenkomstsluitende partijen binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een juridisch niet-bindend memorandum van overeenstemming om de in lid 1 aangegane verbintenis na te komen. Daartoe start het Gemengd Comité snel na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst besprekingen.

3.    Voor zover de elementen van de eenmalige aanvullende financiële verbintenis niet in bijlage III zijn vastgesteld, sluiten de overeenkomstsluitende partijen binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een juridisch niet-bindend memorandum van overeenstemming om de in lid 1 aangegane verbintenis na te komen. Daartoe start het Gemengd Comité snel na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst besprekingen.


4.    De landspecifieke toewijzingen van de eerste financiële bijdrage op het gebied van cohesie en eenmalige aanvullende financiële verbintenis worden uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst formeel aan de partnerlanden toegezegd bij de sluiting van de respectieve landspecifieke overeenkomsten.

5.    De landspecifieke toewijzingen van de eerste financiële bijdrage op het gebied van migratie worden uiterlijk vijf jaar na het begin van de bijdrageperiode formeel aan de partnerstaten toegezegd bij de sluiting van de respectieve landspecifieke overeenkomsten.

6.    Indien de in de leden 2 en 3 bedoelde memoranda van overeenstemming niet binnen de in die leden genoemde termijnen worden gesloten, is artikel 4, lid 2, punt c), van overeenkomstige toepassing.

7.    Indien de in de leden 4 en 5 bedoelde landspecifieke overeenkomsten niet binnen de in die leden genoemde termijnen worden gesloten, is artikel 5, lid 6, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL 19

Protocol, bijlagen en aanhangsels

Het protocol, de bijlagen en de aanhangsels bij deze overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.


ARTIKEL 20

Inwerkingtreding

1.    Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen bekrachtigd of goedgekeurd volgens hun eigen procedures. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;


e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie;


m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

ARTIKEL 21

Opzegging

Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst door kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij opzeggen. De overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving.

Gedaan te […], op […], in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

ELEMENTEN VOOR
DE REGELMATIGE FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND

ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2, PUNT A),

VOOR OPVOLGENDE BIJDRAGEPERIODEN

1.    Het bedrag van de financiële bijdrage van Zwitserland voor een bepaalde bijdrageperiode wordt vastgesteld op basis van de volgende elementen:

a)    het bedrag van de financiële bijdrage van Zwitserland voor de vorige bijdrageperiode, aangepast pro rata temporis aan de duur van de desbetreffende bijdrageperiode, met inbegrip van, in voorkomend geval, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, aangepast pro rata temporis aan de duur van de desbetreffende bijdrageperiode;

b)    een verhoging of verlaging van het bedrag als gevolg van de toepassing van punt a) overeenkomstig de in aanhangsel 1 beschreven methode, op basis van de volgende factoren:

i)    de inflatie in Zwitserland, zoals gemeten aan de hand van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (hierna “GICP” genoemd) in Zwitserland; en

ii)    een aanpassingsfactor om eventuele verschillen tussen de inflatie in Zwitserland en de inflatie in de partnerstaten aan te pakken, voor zover deze niet wordt gecompenseerd door de ontwikkeling van de wisselkoers, teneinde de koopkracht van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland te handhaven;


c)    een verhoging of verlaging van het op basis van de punten a) en b) vastgestelde bedrag om politieke redenen. Een dergelijke verhoging of verlaging mag niet meer bedragen dan 10 % van het op basis van de punten a) en b) vastgestelde bedrag.

2.    Het aandeel van de financiële bijdrage van Zwitserland voor een bepaalde bijdrageperiode dat bestemd is voor cohesie bedraagt ten minste 90 % van het overeenkomstig lid 1 vastgestelde bedrag.

3.    Het aandeel van de financiële bijdrage van Zwitserland voor een bepaalde bijdrageperiode op het gebied van cohesie dat wordt toegewezen aan landspecifieke overeenkomsten, bedraagt ten minste 90 % van het overeenkomstig lid 2 vastgestelde bedrag van de financiële bijdrage van Zwitserland voor dat gebied.

4.    Het bedrag dat wordt toegewezen aan landspecifieke overeenkomsten op het gebied van cohesie wordt aan de partnerlanden toegewezen volgens de verdeelsleutel in aanhangsel 2.



Aanhangsel 1

METHODE
VOOR DE VASTSTELLING VAN DE AANPASSING

ALS BEDOELD IN BIJLAGE I, PUNT 1, B)

De in bijlage I, punt 1, b), bedoelde verhoging of verlaging wordt berekend volgens de volgende methode:

1.    Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van bijlage I, punt 1, a), wordt vermenigvuldigd met de in punt 2 van dit aanhangsel bedoelde indexeringsfactor.

2.    De indexeringsfactor is het product van:

a)    de inflatie in Zwitserland, gemeten aan de hand van het GICP in Zwitserland, tussen het laatste jaar, berekend als het rekenkundige gemiddelde van de laatste beschikbare twaalf maanden op de datum van berekening, en het eerste jaar van de vorige bijdrageperiode, berekend als het rekenkundige gemiddelde van twaalf maanden van dat kalenderjaar; en

b)    een aanpassingsfactor, gemeten aan de hand van de verhouding tussen de reële wisselkoers van de groep partnerstaten op het gebied van cohesie in de vorige bijdrageperiode ten opzichte van Zwitserland tussen het laatste jaar en het eerste jaar van de vorige bijdrageperiode, die de reële stijging of daling van de waarde van die groep gedurende die periode weergeeft.


Voor de berekening van de indexeringsfactor geldt het volgende:

i)    De reële wisselkoers van de groep partnerstaten op het gebied van cohesie in de vorige bijdrageperiode bestaat uit de nominale wisselkoers van die partnerstaten ten opzichte van de Zwitserse frank, vermenigvuldigd met het op het GICP gebaseerde aggregaat van die partnerstaten en gedeeld door het Zwitserse GICP.

Een reële waardestijging voor die groep partnerstaten leidt tot een stijging van de reële wisselkoers, en een reële waardevermindering voor die groep partnerstaten leidt tot een daling van de reële wisselkoers.

ii)    het op het GICP gebaseerde aggregaat voor die partnerstaten wordt berekend als het rekenkundige gemiddelde van de GICP-index voor die groep partnerstaten over een periode van twaalf maanden, aan de hand van de GICP-methode zoals bepaald in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004, maar waarbij de gewichten de in aanhangsel 2 vermelde verdeelsleutel zijn;

iii)    De nominale wisselkoers van de partnerstaten ten opzichte van de Zwitserse frank wordt berekend als het gewogen rekenkundige gemiddelde van de nominale wisselkoersen van die partnerstaten ten opzichte van de Zwitserse frank, waarbij de gewichten de verdeelsleutel van aanhangsel 2 zijn. De nominale wisselkoersen die bij de berekening voor een bepaald jaar worden gebruikt, zijn het gemiddelde over een periode van twaalf maanden van de maandelijkse gegevens voor dat jaar, afgeleid van de dagelijkse wisselkoersen.



De Commissie berekent de aanpassingsfactor overeenkomstig punt 2, b), van dit aanhangsel. De Commissie deelt de berekening één maand na verkrijging ervan via het Gemengd Comité met Zwitserland.

3.    Indien voor een bepaald jaar geen gegevens beschikbaar zijn, zijn de voor dat jaar te gebruiken gegevens de gegevens van de laatste twaalf maanden die op de berekeningsdatum beschikbaar zijn.

4.    De GICP- en wisselkoersgegevens die voor de berekening van de indexeringsfactor worden gebruikt, worden verkregen bij het Bureau voor de Statistiek van de Unie (hierna “Eurostat” genoemd), op basis van door Eurostat gepubliceerde statistieken, met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien nodig worden gegevens over de wisselkoersen verkregen uit openbare databanken van de Europese Centrale Bank, de centrale banken van de partnerstaten en/of de Zwitserse Nationale Bank.



Aanhangsel 2

VERDEELSLEUTEL VOOR
DE REGELMATIGE FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND

OP HET GEBIED VAN COHESIE

De toewijzing aan elke partnerstaat van de financiële bijdrage van Zwitserland op het gebied van cohesie voor een bepaalde bijdrageperiode komt overeen met een percentage van de financiële bijdrage van Zwitserland op het gebied van cohesie dat wordt verkregen door toepassing van de volgende stappen:

a)    de berekening van het rekenkundige gemiddelde van het aandeel bevolking en oppervlakte van de partnerstaat in de totale bevolking en oppervlakte van alle partnerstaten. Indien evenwel het aandeel van een partnerstaat in de totale bevolking zijn aandeel in de totale oppervlakte met een factor vijf of meer overschrijdt, dat wil zeggen indien die lidstaat een uiterst hoge bevolkingsdichtheid heeft, wordt voor deze stap alleen het aandeel in de totale bevolking gebruikt;

b)    de verlaging of verhoging van de bij de berekening overeenkomstig punt a) verkregen percentages met een coëfficiënt die gelijk is aan een derde van het percentage dat het bni per hoofd van de bevolking van die partnerstaat, gemeten in koopkrachtstandaarden, hoger of lager is dan het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van alle partnerlanden (gemiddelde uitgedrukt als 100 %); en

c)    de aanpassing van de schaal van de aandelen die zijn verkregen als gevolg van de berekening overeenkomstig punt b), zodat de som ervan gelijk is aan 100 %.


De referentieperiode voor de te gebruiken gegevens is dezelfde als de periode die is gebruikt voor het Cohesiefonds van de Unie dat van kracht is op de begindatum van de respectieve bijdrageperiode of, indien deze niet beschikbaar is, de laatste periode van drie jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

________________

BIJLAGE II

EERSTE FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND
IN HET KADER VAN DEZE OVEREENKOMST VOOR DE PERIODE 2030-2036

1.    De eerste financiële bijdrage van Zwitserland in het kader van deze overeenkomst (hierna “de eerste financiële bijdrage” genoemd) voor de periode van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2036 (“bijdrageperiode”) bedraagt 350 000 000 CHF voor elk jaar van die periode.

2.    Van het in lid 1 bedoelde bedrag voor elk jaar van de bijdrageperiode wordt 308 000 000 CHF toegewezen aan samenwerking op het gebied van cohesie en 42 000 000 CHF aan samenwerking op het gebied van migratie.

3.    Met de eerste financiële bijdrage van Zwitserland wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de in artikel 1 van deze overeenkomst vastgestelde doelstellingen.

4.    De eerste financiële bijdrage van Zwitserland wordt uitgevoerd over een periode van tien jaar (“uitvoeringsperiode”), die ingaat op dezelfde datum als de bijdrageperiode.

5.    Het aan landspecifieke overeenkomsten toegewezen aandeel van de financiële bijdrage op het gebied van cohesie bedraagt ten minste 90 % van het aan dat gebied toegewezen bedrag.

6.    Tot 5 % van de respectieve bedragen voor samenwerking op het gebied van cohesie en migratie is beschikbaar voor Zwitserland om de beheerskosten te dekken, en tot 2 % is beschikbaar voor het delen van Zwitserse expertise (Zwitsers expertise- en partnerschapsfonds).


7.    Partnerstaten voor samenwerking op het gebied van cohesie zijn lidstaten van de Unie waarvan het bni per hoofd van de bevolking, gemeten in koopkrachtstandaarden, minder dan 90 % bedraagt van het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van de Unie in koopkrachtstandaarden voor dezelfde referentieperiode. De referentieperiode voor de te gebruiken gegevens is dezelfde als de periode die wordt gebruikt om te bepalen of de lidstaten van de Unie in aanmerking komen voor bijstand uit het Cohesiefonds van de Unie dat van kracht is op de begindatum van de bijdrageperiode.

8.    Potentiële partnerstaten op het gebied van migratie zijn lidstaten van de Unie die aan bijzondere migratiedruk worden blootgesteld en/of ten aanzien waarvan Zwitserland en een bepaalde lidstaat het erover eens zijn dat het migratiebeheer moet worden versterkt.

9.    Wat de samenwerking op het gebied van cohesie en migratie betreft, kunnen de overeenkomstsluitende partijen tot een wederzijds akkoord komen om een specifiek bedrag te reserveren voor een fonds voor een specifiek onderwerp (cohesie) en een fonds voor snelle respons (migratie). In voorkomend geval worden de elementen vermeld in het memorandum van overeenstemming, overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de overeenkomst.

10.    Met de thematische samenwerkingsgebieden in het kader van de eerste financiële bijdrage van Zwitserland wordt voortgebouwd op de succesvolle samenwerking in het kader van de vorige Zwitserse bijdrage aan geselecteerde lidstaten van de Unie. Zij vormen een aanvulling op de inspanningen van de Unie op het gebied van cohesie en migratiebeheer aan het begin van de bijdrageperiode.

11.    Overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de overeenkomst, specificeren de overeenkomstsluitende partijen in het memorandum van overeenstemming de aandachtsgebieden van de volgende thematische gebieden:

a)    Cohesie:

i)    inclusieve menselijke en sociale ontwikkeling;


ii)    duurzame en inclusieve economische ontwikkeling;

iii)    groene transitie; en

iv)    democratie en participatie.

b)    Migratie.

________________

BIJLAGE III

EENMALIGE AANVULLENDE FINANCIËLE VERBINTENIS VAN ZWITSERLAND
VOOR DE PERIODE TUSSEN

EIND 2024 EN EIND 2029

1.    Overeenkomstig artikel 18 van deze overeenkomst verbindt Zwitserland zich ertoe een eenmalige aanvullende financiële verbintenis aan te gaan voor de periode tussen eind 2024 en eind 2029, waarbij rekening wordt gehouden met het niveau van partnerschap en samenwerking tussen Zwitserland en de Unie in die periode. Die eenmalige aanvullende financiële verbintenis bedraagt 130 000 000 CHF per jaar tot de inwerkingtreding van de in artikel 20, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde overeenkomsten, en 350 000 000 CHF per jaar voor de periode tussen de inwerkingtreding van de in artikel 20, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde overeenkomsten en eind 2029. Voor het jaar waarin de in artikel 20, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde overeenkomsten in werking treden, wordt het bedrag van de eenmalige aanvullende verbintenis pro rata temporis berekend.

2.    De eenmalige aanvullende financiële verbintenis van Zwitserland wordt uitgevoerd over een periode van tien jaar (“uitvoeringsperiode”), die ingaat op dezelfde datum als de bijdrageperiode van de eerste financiële bijdrage van Zwitserland.

3.    De eenmalige aanvullende financiële verbintenis wordt gebruikt voor samenwerking op het gebied van cohesie.

4.    Het aandeel van de eenmalige financiële verbintenis dat aan landspecifieke overeenkomsten wordt toegewezen, bedraagt ten minste 90 % van het bedrag van de eenmalige aanvullende financiële verbintenis van Zwitserland.


5.    Tot 5 % van het bedrag van de eenmalige financiële verbintenis is beschikbaar voor Zwitserland om de beheerskosten te dekken, en tot 2 % is beschikbaar voor het delen van Zwitserse expertise (Zwitsers expertise- en partnerschapsfonds).

6.    Partnerstaten voor samenwerking zijn lidstaten van de Unie waarvan het bni per hoofd van de bevolking, gemeten in koopkrachtstandaarden, minder dan 90 % bedraagt van het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van de Unie in koopkrachtstandaarden voor dezelfde referentieperiode. De referentieperiode voor de te gebruiken gegevens is dezelfde als de periode die wordt gebruikt om te bepalen of de lidstaten van de Unie in aanmerking komen voor bijstand uit het Cohesiefonds van de Unie dat van kracht is op de begindatum van de uitvoeringsperiode van de eenmalige aanvullende financiële verbintenis.

7.    De overeenkomstsluitende partijen kunnen overeenstemming bereiken over het reserveren van een specifiek bedrag voor een fonds dat bestemd is voor een specifiek onderwerp op het gebied van cohesie. In voorkomend geval worden de elementen vermeld in het memorandum van overeenstemming, overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de overeenkomst.

8.    De in de overeenkomst vastgestelde doelstellingen en regels voor de uitvoering van de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland zijn van overeenkomstige toepassing op de eenmalige aanvullende financiële verbintenis, tenzij in artikel 18 van deze overeenkomst en in deze bijlage anders is bepaald.

9.    Met de thematische samenwerkingsgebieden in het kader van de eenmalige aanvullende financiële verbintenis van Zwitserland wordt voortgebouwd op de succesvolle samenwerking in het kader van de vorige Zwitserse bijdrage aan geselecteerde lidstaten van de Unie. Zij vormen een aanvulling op de inspanningen van de Unie op het gebied van cohesie aan het begin van de uitvoeringsperiode van de eenmalige aanvullende financiële verbintenis.


10.    Overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de overeenkomst, specificeren de overeenkomstsluitende partijen in het memorandum van overeenstemming de aandachtsgebieden van de volgende thematische gebieden:

i)    inclusieve menselijke en sociale ontwikkeling;

ii)    duurzame en inclusieve economische ontwikkeling;

iii)    groene transitie; en

iv)    democratie en participatie.

________________

PROTOCOL
OVER HET SCHEIDSGERECHT

HOOFDSTUK I

VOORAFGAANDE BEPALINGEN

ARTIKEL I.1

Werkingssfeer

Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “partijen” genoemd) een geschil overeenkomstig artikel 16, lid 2, of artikel 17, lid 2, van de overeenkomst ter arbitrage voorlegt, zijn de regels van dit protocol van toepassing.

ARTIKEL I.2

Griffie en secretariaatsdiensten

Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.


ARTIKEL I.3

Kennisgevingen en berekening van termijnen

1.    Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.

2.    Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.

3.    Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.

4.    De in dit protocol vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.


ARTIKEL I.4

Kennisgeving van arbitrage

1.    De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.

2.    De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.

3.    De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:

a)    het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;

b)    de namen en contactgegevens van de partijen;

c)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;

d)    de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 16, lid 2, of artikel 17, lid 2, van de overeenkomst) en:

i)    in de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de overeenkomst; en

ii)    in de in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, eventuele in artikel 16, lid 5, van de overeenkomst bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;


e)    de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;

f)    een korte beschrijving van het geschil; en

g)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

4.    Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

ARTIKEL I.5

Antwoord op de kennisgeving van arbitrage

1.    Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:

a)    de namen en contactgegevens van de partijen;

b)    de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;

c)    een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en


d)    de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.

2.    Het ontbreken van of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.

3.    Indien de verweerder er in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage om verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.

ARTIKEL I.6

Vertegenwoordiging en bijstand

1.    De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

2.    Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.


HOOFDSTUK II

SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT

ARTIKEL II.1

Aantal arbiters

Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.

ARTIKEL II.2

Aanwijzing van arbiters

1.    Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.

2.    Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.


3.    Indien de arbiters binnen dertig dagen na de aanwijzing van de laatste door de partijen benoemde arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.

4.    Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties opgesteld en indien nodig geactualiseerd, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.


6.    De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

ARTIKEL II.3

Verklaringen van arbiters

1.    Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.

2.    Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.    Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.

4.    Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter de jure of de facto onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.


ARTIKEL II.4

Ontslag van arbiters

1.    Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.

2.    Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.

3.    Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.

4.    Indien de wederpartij het verzoek tot ontslag niet binnen 15 dagen na de datum van kennisgeving van dit verzoek aanvaardt of de betrokken arbiter niet binnen deze termijn aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.

5.    Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in de in lid 4 bedoelde beslissing de redenen voor die beslissing vermeld.


ARTIKEL II.5

Vervanging van een arbiter

1.    Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.

2.    Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.

ARTIKEL II.6

Ontheffing van aansprakelijkheid

Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.


HOOFDSTUK III

ARBITRAGEPROCEDURE

ARTIKEL III.1

Algemene bepalingen

1.    De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.

2.    Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.

3.    Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.

4.    Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.


ARTIKEL III.2

Plaats van arbitrage

De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.

ARTIKEL III.3

Taal

1.    De talen van de procedures zijn Frans en Engels.

2.    Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.

ARTIKEL III.4

Conclusie van eis

1.    De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan ervoor kiezen zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als zijn conclusie van eis te beschouwen, mits deze eveneens voldoet aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde voorwaarden.


2.    De conclusie van eis bevat de volgende informatie:

a)    de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;

b)    een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en

c)    de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.

3.    De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen.

ARTIKEL III.5

Conclusie van antwoord

1.    De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage als zijn conclusie van antwoord te beschouwen, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage eveneens voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

2.    In de conclusie van antwoord wordt ingegaan op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit protocol. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen.


3.    In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.

4.    Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.

ARTIKEL III.6

Bevoegdheid van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 16, lid 2, of artikel 17, lid 2, van de overeenkomst.

2.    In de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de overeenkomst.

3.    In de in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in kader van een andere bilaterale overeenkomst die is opgenomen in de in artikel 3, punt a), van de overeenkomst, vastgestelde lijst van overeenkomsten.


4.    Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.

5.    Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze vooraf te behandelen, hetzij bij de beslissing ten gronde.

ARTIKEL III.7

Andere schriftelijke stukken

Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.


ARTIKEL III.8

Termijnen

1.    De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.    Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

3.    De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:

a)    op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is;

b)    in de in artikel 4, lid 2, punt c), en artikel 18, lid 6, van de overeenkomst bedoelde gevallen;

c)    in de in artikel 5, lid 6, en artikel 18, lid 7, van de overeenkomst bedoelde gevallen, indien Zwitserland geen landspecifieke overeenkomsten heeft gesloten; of

d)    indien de partijen dit overeenkomen.


4.    In de in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de overeenkomst kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.

ARTIKEL III.9

Voorlopige maatregelen

1.    In de in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.

2.    De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.

3.    De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.


4.    Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;

b)    het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort;

c)    de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.

5.    Een beslissing van het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 heeft slechts een voorlopige werking en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.

6.    Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 17, lid 2, van de overeenkomst wordt genomen.


7.    Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.

ARTIKEL III.10

Bewijsmateriaal

1.    Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.

2.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.

3.    Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht mag ook advies van deskundigen inwinnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.

4.    Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.


5.    Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.

6.    Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.

ARTIKEL III.11

Hoorzittingen

1.    Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.

2.    De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

3.    Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.

4.    Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, mutatis mutandis, en lid 3 van toepassing.


ARTIKEL III.12

Verzuim

1.    Indien de verzoeker binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.

Indien de verweerder binnen de in dit protocol of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.

De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.

2.    Indien een partij, naar behoren opgeroepen overeenkomstig artikel III.11, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt zonder daarvoor voldoende reden aan te tonen, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.

3.    Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.


ARTIKEL III.13

Beëindiging van de procedure

1.    Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.

2.    Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.

HOOFDSTUK IV

BESLISSING

ARTIKEL IV.1

Beslissingen

Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.


ARTIKEL IV.2

Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.

2.    Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.

3.    De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.

4.    Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.

Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.

De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

5.    De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.


6.    In de in artikel 16, lid 2, van de overeenkomst bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 16, lid 5, van de overeenkomst, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.

ARTIKEL IV.3

Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar

1.    Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst en de regels en beginselen van internationaal recht die tussen de partijen van toepassing zijn op de uitlegging van verdragen.

2.    Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 17, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.

3.    Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.


ARTIKEL IV.4

Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen

1.    De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.

2.    Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten, die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.

3.    Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.


4.    Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.

ARTIKEL IV.5

Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht

1.    Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan elke partij, met kennisgeving aan de wederpartij en het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, maakt het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van het verzoek. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.

2.    Het scheidsgerecht kan op eigen initiatief binnen dertig dagen na de kennisgeving van zijn beslissing de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.

3.    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.


ARTIKEL IV.6

Honoraria van arbiters

1.    De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, rekening houdend met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.

2.    Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.

ARTIKEL IV.7

Kosten

1.    Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.

2.    Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:

a)    de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;


b)    de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en

c)    de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.

3.    De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, rekening houdend met het bedrag van het geschil, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en de door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen hieraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.

ARTIKEL IV.8

Consignatie

1.    Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.

2.    Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau van de partijen aanvullende bedragen in consignatie verlangen ten opzichte van de in lid 1 bedoelde bedragen in consignatie.

3.    Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.


HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL V.1

Wijzigingen

Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit protocol vaststellen.

Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, ENERZIJDS,

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, ANDERZIJDS,

OVER DE DEELNAME VAN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

AAN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE

De Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna gezamenlijk de “Unie” genoemd),

enerzijds, en

de Zwitserse Bondsstaat (hierna “Zwitserland” genoemd),

anderzijds,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

OPNIEUW BEVESTIGEND dat zij hoge prioriteit toekennen aan de bijzondere betrekkingen tussen de Unie, haar lidstaten en Zwitserland, op basis van hun nabijheid, gedeelde waarden en Europese identiteit;


VOORTBOUWEND OP de gemeenschappelijke doelstellingen en de sterke band tussen de overeenkomstsluitende partijen die voortvloeien uit de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Zwitserse Bondsstaat op gebied van de beheerste themonucleaire kernversmelting en de plasmafysica van 1978 1 , de Kaderovereenkomst voor wetenschappelijke en technische samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en het Zwitsers Eedgenootschap van 1986 2 , de Overeenkomsten van 2007 in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de toepassing van de ITER-overeenkomst 3 , de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie voor de gezamenlijke uitvoering van het ITER-project 4 , de Overeenkomst inzake de bredere aanpak 5 op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat en inzake het lidmaatschap van Zwitserland van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie 6 , en de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Zwitserse Bondsstaat teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van Zwitserland aan de door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten 7 van 2014;


OVERWEGENDE dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) de “ITER-overeenkomst”, de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER en de overeenkomst inzake de bredere aanpak heeft gesloten;

GEZIEN Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad 8 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan;

MET ERKENNING VAN de gemeenschappelijke wens van de overeenkomstsluitende partijen om hun betrekkingen en samenwerking op het gebied van aan ITER gerelateerde activiteiten verder te ontwikkelen, te versterken, te stimuleren en uit te breiden, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en een algemeen evenwicht tussen voordelen, rechten en plichten;

GEZIEN de inspanningen van de Unie om het voortouw te nemen door de krachten te bundelen met haar internationale partners om mondiale uitdagingen aan te pakken in overeenstemming met het actieplan voor mens, planeet en welvaart van de Verenigde Naties, getiteld “Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”;

GELEID DOOR DE WENS een langdurige overeenkomst te sluiten over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie en te voorzien in de rechtsgrondslag voor die samenwerking;

GEZIEN de gedeelde doelstelling van de overeenkomstsluitende partijen om hun langdurige en succesvolle samenwerking te consolideren en te verdiepen, met name op het gebied van onderzoek en innovatie, ruimtevaart, kernfusie en kernsplijting, en onderwijs, opleiding, jeugdzaken, sport en cultuur, alsook op andere gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals de digitale transformatie en actie op het gebied van gezondheid, zodat Zwitserland in de toekomst systematischer kan deelnemen aan programma’s van de Unie;


MET ERKENNING VAN de algemene beginselen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad 9 tot vaststelling van Horizon Europa (“Horizon Europa-programma”) en in Verordening (Euratom) 2021/765 van de Raad tot vaststelling van het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de periode 2021-2025 ter aanvulling van Horizon Europa 10 (“Euratom-programma”);

MET INACHTNEMING VAN de doelstellingen van de vernieuwde Europese Onderzoeksruimte — namelijk het tot stand brengen van een gemeenschappelijke wetenschappelijke en technologische ruimte en een eengemaakte markt voor onderzoek en innovatie, het bevorderen en faciliteren van samenwerking tussen organisaties op het gebied van onderzoek en innovatie, met inbegrip van universiteiten, en de uitwisseling van goede praktijken en aantrekkelijke onderzoeksloopbanen, het vergemakkelijken van de mobiliteit van onderzoekers tussen landen en sectoren, het stimuleren van het vrije verkeer van wetenschappelijke kennis en innovatie, het bevorderen van de eerbiediging van de academische vrijheid en vrij wetenschappelijk onderzoek, het ondersteunen van wetenschapsonderwijs en -communicatie en het bevorderen van het concurrentievermogen en de aantrekkelijkheid van deelnemende economieën — en van het feit dat landen die geassocieerd zijn met de kaderprogramma’s van de Unie voor onderzoek en innovatie hierbij belangrijke potentiële partners zijn;

DE NADRUK LEGGEND op de rol van Europese partnerschappen, waarmee enkele van de meest dringende uitdagingen van Europa worden aangepakt door middel van gezamenlijke onderzoeks- en innovatie-initiatieven, en aanzienlijk wordt bijgedragen tot de prioriteiten van de Unie op het gebied van onderzoek en innovatie waarvoor kritische massa en langetermijnvisie nodig zijn, en op het belang van de betrokkenheid van geassocieerde landen bij dergelijke Europese partnerschappen;


VOORNEMENS ZIJNDE wederzijds voordelige voorwaarden tot stand te brengen om fatsoenlijke banen te scheppen, de innovatie-ecosystemen van de overeenkomstsluitende partijen te versterken en te ondersteunen door ondernemingen op de markten van de overeenkomstsluitende partijen te helpen innoveren en opschalen, en zowel de toepassing, de uitrol als de toegankelijkheid van innovatie te bevorderen, onder meer door middel van capaciteitsopbouw;

ERKENNEND dat wederzijdse deelname aan elkaars programma’s wederzijdse voordelen moet opleveren en dat elke overeenkomstsluitende partij alles in het werk zal stellen om haar programma’s open te stellen voor de andere overeenkomstsluitende partij, rekening houdend met de aard ervan en erkennend dat de overeenkomstsluitende partijen zich het recht voorbehouden om de deelname aan die programma’s te beperken of hiervoor voorwaarden vast te stellen, met name om veiligheidsredenen, waaronder voor acties die verband houden met hun strategische activa of belangen;

VERWIJZEND naar de mogelijkheid van verschillen tussen de oriëntaties van de programma’s van de Unie en de Zwitserse programma’s en maatregelen;

OVERWEGENDE dat de algemene doelstellingen van het Euratom-programma erin bestaan onderzoeks- en opleidingsactiviteiten op het gebied van kernenergie te verrichten, met de nadruk op een voortdurende verbetering van nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming, en de verwezenlijking van de doelstellingen van Horizon Europa aan te vullen, onder meer in de context van de energietransitie, en de ontwikkeling van fusie-energie te bevorderen;

OVERWEGENDE dat de ITER-overeenkomst, overeenkomstig artikel 21 daarvan, van toepassing is op Zwitserland, dat als volledig geassocieerd derde land deelneemt aan het Euratom-fusieprogramma;

OVERWEGENDE dat Euratom lid is van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en dat Zwitserland overeenkomstig artikel 2 van Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad als derde land lid zal zijn van die gemeenschappelijke onderneming nadat het zijn onderzoeksprogramma heeft geassocieerd met het Euratom-programma;


OVERWEGENDE dat de overeenkomst inzake de bredere aanpak, overeenkomstig artikel 26 daarvan, van toepassing is op Zwitserland, dat als volledig geassocieerd derde land deelneemt aan het Euratom-fusieprogramma;

MET ERKENNING VAN de voordelen van de deelname van Zwitserland aan onderdelen van het ruimtevaartprogramma van de Europese Unie die openstaan voor deelname van derde landen;

BEKLEMTONEND dat de Europese verscheidenheid van cultuur en taal moet worden beschermd, ontwikkeld en bevorderd en dat het concurrentievermogen en het economische potentieel van de culturele en creatieve sectoren, en met name de audiovisuele sector, moeten worden verbeterd;

ERKENNEND dat de doelstellingen en algemene beginselen van de programma’s van de Unie in de culturele en audiovisuele sector vanuit cultureel, democratisch, ecologisch, sociaal en economisch oogpunt van essentieel belang zijn en bijzonder relevant zijn voor onze samenlevingen en culturele sectoren die momenteel worden geconfronteerd met uitdagingen in verband met globalisering, klimaatverandering en digitalisering;

ERKENNEND dat deze beginselen, die ook zijn opgenomen in het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, worden nagestreefd door Zwitserland, dat voor soortgelijke uitdagingen staat en dezelfde beginselen deelt, zoals democratie, rechtsstatelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van gelijkheid tussen alle mensen, genderevenwicht en vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid;

MET ERKENNING VAN de algemene beginselen van Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad 11 tot oprichting van het programma Digitaal Europa;


BENADRUKKEND dat de digitale transformatie van onze economie en samenleving enorme kansen biedt voor groei en banen, kan bijdragen tot de groene transitie en ons mondiale concurrentievermogen, en de creatieve en culturele diversiteit kan vergroten;

ERKENNEND dat dergelijke transformatieve ontwikkelingen vereisen dat met de internationale partners van de Unie wordt samengewerkt, met een zo groot mogelijke transparantie en op basis van gemeenschappelijke doelstellingen en waarden, waarbij de veiligheidsbelangen van beide overeenkomstsluitende partijen worden geëerbiedigd;

VOORNEMENS ZIJNDE een wederzijds voordelige samenwerking tot stand te brengen om de uitrol van betrouwbare en veilige digitale capaciteiten van de overeenkomstsluitende partijen te versterken en te ondersteunen, zoals op het gebied van high-performance computing, artificiële intelligentie, cloud-edgecomputing en dataruimten, geavanceerde digitale vaardigheden, evenals de uitrol en het optimale gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, en om de invoering, uitrol en toegankelijkheid van digitale oplossingen met de overeenkomstsluitende partijen te vergemakkelijken;

BENADRUKKEND dat het belangrijk is om de educatieve, beroeps- en persoonlijke ontwikkeling van personen in onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport te ondersteunen, aan de hand van een leven lang leren, zowel in Europa als daarbuiten, en zo bij te dragen tot duurzame groei, hoogwaardige werkgelegenheid en sociale samenhang, tot het bevorderen van innovatie en tot het versterken van de Europese identiteit en actief burgerschap;

MET INACHTNEMING VAN de gemeenschappelijke doelstellingen en waarden en de sterke banden van de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport, en MET ERKENNING VAN de gemeenschappelijke wens van de overeenkomstsluitende partijen om hun betrekkingen en samenwerking op deze gebieden verder te ontwikkelen, te versterken, te bevorderen en uit te breiden;


MET ERKENNING VAN de algemene beginselen van Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad 12 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”), met name met betrekking tot relevante specifieke onderdelen van het EU4Health-programma, zoals bestreken door de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid (de “gezondheidsovereenkomst”);

De algemene doelstellingen DELEND van het EU4Health-programma om mensen in de Unie te beschermen tegen ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid; GEZIEN de gemeenschappelijke doelstellingen, waarden en sterke banden van de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van gezondheid, en MET ERKENNING VAN de gemeenschappelijke wens van de overeenkomstsluitende partijen om hun betrekkingen en samenwerking op dit gebied te ontwikkelen, te versterken, te stimuleren en uit te breiden;

ERNAAR STREVEND hun samenwerking te verbreden, met een zo spoedig mogelijke start van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst;

ERNAAR STREVEND te waarborgen dat alle entiteiten die belast zijn met de uitvoering van projecten of acties waarvoor onder de voorwaarden van deze overeenkomst juridische verbintenissen zijn aangegaan, deze projecten of acties kunnen voltooien, zelfs in geval van beëindiging van de voorlopige toepassing of opzegging;


OVERWEGENDE dat de nauwe banden tussen Zwitserland en de Unie de overeenkomstsluitende partijen tot voordeel strekken;

ERNAAR STREVEND een duurzaam kader voor samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen met duidelijke voorwaarden voor de deelname van Zwitserland aan de programma’s en activiteiten van de Unie, alsook een mechanisme waarmee het vaststellen van dergelijke deelname aan afzonderlijke programma’s of activiteiten van de Unie wordt gefaciliteerd,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

ARTIKEL 1

Voorwerp

Bij deze overeenkomst worden de regels vastgesteld voor de deelname van Zwitserland aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, die openstaan voor deelname van Zwitserland en die zijn opgenomen in een protocol bij deze overeenkomst.


ARTIKEL 2

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)    “basishandeling”:

i)    een rechtshandeling van een of meer instellingen van de Unie die geen aanbeveling of advies is, waarbij een programma wordt ingesteld en die de rechtsgrondslag vormt voor een actie en voor de uitvoering van de overeenkomstige uitgaven die in de begroting van de Unie zijn opgenomen of van de door de begroting van de Unie gedekte begrotingsgarantie of financiële bijstand, met inbegrip van alle wijzigingen en van alle relevante handelingen van een instelling van de Unie die daarop een aanvulling vormen of daar uitvoering aan geven, met uitzondering van handelingen waarbij werkprogramma’s worden vastgesteld; of

ii)    een rechtshandeling van een of meer instellingen van de Unie die geen aanbeveling of advies is, waarbij een activiteit wordt ingesteld die vanuit de Uniebegroting wordt gefinancierd en geen programma is, met inbegrip van alle wijzigingen en alle relevante handelingen van een instelling van de Unie die een aanvulling vormen op een dergelijke handeling, of daar uitvoering aan geven, met uitzondering van handelingen waarbij werkprogramma’s worden vastgesteld;

b)    “financieringsovereenkomst”: een overeenkomst met betrekking tot een programma of activiteit van de Unie, zoals beschreven in de protocollen bij deze overeenkomst, waaraan Zwitserland deelneemt en waarmee Uniefondsen worden uitgevoerd, zoals subsidieovereenkomsten, bijdrageovereenkomsten, kaderovereenkomsten inzake financieel partnerschap, financieringsovereenkomsten en garantieovereenkomsten;


c)    “andere regels met betrekking tot de uitvoering van het programma of de activiteit van de Unie”: regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad 13 (het “Financieel Reglement”) die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie, en in het werkprogramma of in de oproepen tot het indienen van aanvragen of andere toekenningsprocedures van de Unie;

d)    “Unie”: de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of beide;

e)    “toekenningsprocedure van de Unie”: procedure voor de toekenning van financiering door de Unie die is gestart door de Unie of door personen of entiteiten waaraan de uitvoering van middelen van de Unie is toevertrouwd;

f)    “Zwitserse entiteit”: elke soort entiteit, ongeacht of het gaat om een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een ander soort entiteit, die overeenkomstig de basishandeling kan deelnemen aan activiteiten van een programma of activiteit van de Unie en die in Zwitserland verblijft of naar Zwitsers recht in Zwitserland gevestigd is.

 ARTIKEL 3

 Vaststelling van de deelname

 

1.    Zwitserland neemt deel aan en draagt bij tot de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, die openstaan voor de deelname van Zwitserland overeenkomstig de basishandelingen, zoals bedoeld in en vallend onder de protocollen bij deze overeenkomst.


2.    Voor elk nieuw meerjarig financieel kader (“MFK”), nadat de basishandelingen tot vaststelling van de programma’s van de Unie in werking zijn getreden en mits die programma’s van de Unie openstaan voor deelname van derde landen, waaronder Zwitserland, bespreekt het bij deze overeenkomst ingestelde gezamenlijk comité (het “gezamenlijk comité”) de naadloze continuïteit van de bij deze overeenkomst ingestelde samenwerking voordat een brief wordt ingediend waarin Zwitserland zijn voornemen tot deelname aan een programma van de Unie kenbaar maakt.

3.    De specifieke voorwaarden voor de deelname van Zwitserland aan bepaalde programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, worden vastgesteld in de protocollen bij deze overeenkomst. De protocollen bij deze overeenkomst kunnen door het gezamenlijk comité worden gewijzigd.

4.    In de protocollen bij deze overeenkomst wordt het volgende bepaald:

a)    de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland zal deelnemen;

b)    de duur van de deelname, dat wil zeggen de periode waarin Zwitserland en Zwitserse entiteiten financiering van de Unie kunnen aanvragen of de besteding van middelen van de Unie aan Zwitserland of Zwitserse entiteiten kan worden toevertrouwd;

c)    de specifieke voorwaarden voor de deelname van Zwitserland en Zwitserse entiteiten, met inbegrip van specifieke modaliteiten voor de uitvoering van de financiële voorwaarden als bepaald in de artikelen 7 en 8 van deze overeenkomst, specifieke modaliteiten voor het correctiemechanisme als bepaald in artikel 9 van deze overeenkomst, en voorwaarden voor deelname aan structuren die zijn ingesteld met het oog op de uitvoering van die programma’s of activiteiten van de Unie; die voorwaarden zijn in overeenstemming met deze overeenkomst, de basishandelingen en handelingen van een of meer instellingen van de Unie waarbij dergelijke structuren worden vastgesteld;


d)    indien van toepassing, het bedrag van de bijdrage van Zwitserland aan een programma van de Unie dat wordt uitgevoerd door middel van een financieringsinstrument of een begrotingsgarantie, in overeenstemming met eventuele specifieke modaliteiten als bedoeld in artikel 10 van deze overeenkomst.

ARTIKEL 4

Naleving van de regels van programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan

1.    Zwitserland neemt deel aan de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waarop de protocollen bij deze overeenkomst van toepassing zijn, onder de voorwaarden van deze overeenkomst, deze protocollen, de basishandelingen en andere regels met betrekking tot de uitvoering van programma’s of activiteiten van de Unie of, onderdelen daarvan.

2.    De in lid 1 bedoelde voorwaarden hebben onder meer betrekking op:

a)    de vraag of Zwitserse entiteiten voor deelname in aanmerking komen, en andere deelnamevoorwaarden met betrekking tot Zwitserland, met name wat betreft de oorsprong, de plaats van activiteit of de nationaliteit;

b)    de voorwaarden betreffende de indiening, beoordeling en selectie van aanvragen en de uitvoering van de acties door in aanmerking komende Zwitserse entiteiten.

3.    De in lid 2, punt b), bedoelde voorwaarden zijn gelijkwaardig aan de voorwaarden die van toepassing zijn op in aanmerking komende entiteiten van de lidstaten, met inbegrip van de naleving van de uit hoofde van het Verdrag betreffende Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) vastgestelde beperkende maatregelen van de Unie, tenzij in de in lid 1 bedoelde voorwaarden anders is bepaald.


ARTIKEL 5

Voorwaarden voor deelname aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, met betrekking tot de mobiliteit van personen en het verkeer van goederen en diensten in het kader van de uitvoering van de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan

1.    Onverminderd gunstiger bepalingen in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen 14 (de “overeenkomst over het vrije verkeer van personen”) of in het Zwitserse nationale recht, is de deelname van Zwitserland aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 3 van deze overeenkomst, waarvoor mobiliteit van personen tussen de Unie en Zwitserland, of binnen Zwitserland, vereist is voor de uitvoering van dergelijke programma’s van de Unie, afhankelijk van de voorwaarde dat Zwitserland ervoor zorgt dat:

a)    er bij de uitvoering van de programma’s van de Unie geen sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit met betrekking tot de mobiliteit van personen;

b)    de voorwaarden waaronder personen zich in het kader van de uitvoering van de programma’s van de Unie naar en binnen Zwitserland kunnen verplaatsen, geen ongerechtvaardigde administratieve of financiële lasten met zich meebrengen; en

c)    de voorwaarden voor personen om toegang te krijgen tot diensten in Zwitserland die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de programma’s van de Unie, dezelfde zijn als voor Zwitserse onderdanen; dit betreft met name eventuele vergoedingen in verband met deelname aan een door een programma van de Unie gefinancierde activiteit en laat gunstiger regels inzake vergoedingen die in het kader van het Erasmus+-programma kunnen gelden, onverlet.


2.    Onverminderd gunstiger bepalingen in de overeenkomst over het vrije verkeer van personen of in het recht van de Unie met betrekking tot deelname die mobiliteit van personen inhoudt tussen Zwitserland en de Unie, of binnen de Unie, voor de uitvoering van de programma’s van de Unie, zorgt de Unie ervoor dat:

a)    de voorwaarden waaronder personen zich in het kader van de uitvoering van de programma’s van de Unie naar en binnen de Unie kunnen verplaatsen, geen ongerechtvaardigde administratieve of financiële lasten met zich meebrengen; en

b)    de voorwaarden voor personen om toegang te krijgen tot diensten in de Unie die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de programma’s van de Unie, dezelfde zijn als voor burgers van de Unie; dit betreft met name eventuele vergoedingen in verband met deelname aan een door een programma van de Unie gefinancierde activiteit en laat gunstiger regels inzake vergoedingen die in het kader van het Erasmus+-programma kunnen gelden, onverlet.

3.    De overeenkomstsluitende partijen stellen alles in het werk om, binnen het kader van de bestaande bepalingen, het grensoverschrijdende verkeer van goederen en diensten die bestemd zijn voor gebruik in het kader van de onder deze overeenkomst vallende activiteiten, te vergemakkelijken.

4.    In de protocollen bij deze overeenkomst kunnen nadere specifieke voorwaarden met betrekking tot dit artikel worden vastgesteld die nodig zijn voor de deelname van Zwitserland aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan.


ARTIKEL 6

Deelname van Zwitserland aan het beheer van programma’s of activiteiten

1.    Vertegenwoordigers of deskundigen van Zwitserland of door Zwitserland aangewezen deskundigen mogen, behalve wat betreft punten die enkel voor lidstaten bestemd zijn of wat betreft programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland niet deelneemt, als waarnemers deelnemen aan vergaderingen van comités, deskundigengroepen of andere soortgelijke vergaderingen waaraan vertegenwoordigers of deskundigen van de lidstaten, of door de lidstaten aangewezen deskundigen deelnemen, en die de Europese Commissie bijstaan bij de uitvoering en het beheer van de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland overeenkomstig artikel 3 van deze overeenkomst deelneemt of die zijn ingesteld door de Europese Commissie in verband met de uitvoering van het recht van de Unie met betrekking tot die programma’s of activiteiten, of onderdelen daarvan. De vertegenwoordigers of deskundigen van Zwitserland of de door Zwitserland aangewezen deskundigen zijn niet bij de stemming aanwezig. Zwitserland wordt van het resultaat van de stemming in kennis gesteld.

2.    Als deskundigen of beoordelaars niet op grond van nationaliteit worden benoemd, is hun nationaliteit geen reden om de deskundigen of beoordelaars van Zwitserland uit te sluiten.

3.    Onder de in lid 1 vastgestelde voorwaarden, gelden voor deelname van vertegenwoordigers van Zwitserland aan de in dat lid bedoelde vergaderingen of aan andere vergaderingen in verband met de uitvoering van programma’s of activiteiten van de Unie dezelfde regels en procedures als die welke gelden voor vertegenwoordigers van de lidstaten met betrekking tot spreekrechten en ontvangst van informatie en documentatie, tenzij het gaat om punten die alleen voor de lidstaten zijn voorbehouden of een programma of activiteit van de Unie, of een onderdeel daarvan, waaraan Zwitserland niet deelneemt, en de vergoeding van reis- en verblijfkosten.


4.    In de protocollen bij deze overeenkomst kunnen nadere voorwaarden worden vastgesteld voor de deelname van deskundigen, alsmede voor de deelname van Zwitserland aan raden van bestuur en structuren die zijn ingesteld met het oog op de uitvoering van programma’s of activiteiten van de Unie, zoals bepaald in de desbetreffende protocollen bij deze overeenkomst.

ARTIKEL 7

Financiële voorwaarden

1.    De financiële bijdrage van Zwitserland aan de desbetreffende financiering in het kader van de Uniebegroting is een voorwaarde voor de deelname van Zwitserland of Zwitserse entiteiten aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan.

2.    De financiële bijdrage bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een vergoeding voor deelname.

3.    De financiële bijdrage geschiedt in de vorm van een jaarlijkse betaling in een of meer tranches.

4.    Onverminderd lid 8 van dit artikel, bedraagt de vergoeding voor deelname 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage, en wordt deze niet met terugwerkende kracht aangepast, tenzij in verband met opschorting op grond van artikel 19. In geval van opschorting op grond van artikel 19 wordt de vergoeding voor deelname aangepast overeenkomstig de aanpassing van de operationele bijdrage. Met ingang van 2028 kan het gezamenlijk comité de hoogte van de vergoeding voor deelname aanpassen.


5.    De operationele bijdrage dekt de operationele en ondersteunende uitgaven en komt zowel in vastleggings- als betalingskredieten boven op de bedragen die in de definitief vastgestelde begroting van de Unie zijn opgenomen voor programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waar passend verhoogd met externe bestemmingsontvangsten die niet voortvloeien uit financiële bijdragen van andere donoren aan programma’s en activiteiten van de Unie, als omschreven in een protocol bij deze overeenkomst.

6.    De operationele bijdrage wordt gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen. Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

7.    De operationele bijdrage is gebaseerd op de toepassing van de verdeelsleutel op de initiële vastleggingskredieten, verhoogd zoals beschreven in lid 5, die in de definitief vastgestelde begroting van de Unie voor het toepasselijke jaar zijn opgenomen voor de financiering van programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland deelneemt.

8.    De in lid 2 bedoelde vergoeding voor deelname heeft in de jaren 2025 tot en met 2027 de volgende waarden:

–    2025: 2,5 %;


–    2026: 3 %;

–    2027: 4 %.

9.    Op verzoek verstrekt de Europese Commissie Zwitserland informatie met betrekking tot zijn financiële deelname, zoals opgenomen in de informatie aangaande programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland deelneemt die aan de begrotings- en kwijtingsautoriteiten van de Unie is verstrekt met betrekking tot begroting, boekhouding, prestaties en evaluaties. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie en Zwitserland inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming en laat de informatie waarop Zwitserland uit hoofde van artikel 12 recht heeft, onverlet.

10.    Alle financiële bijdragen van Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in EUR verricht.

11.    Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in de respectieve protocollen bij deze overeenkomst en in de bijlage bij deze overeenkomst betreffende de financiële uitvoeringsbepalingen.

ARTIKEL 8

Programma’s en activiteiten waarop een mechanisme voor aanpassing van de operationele bijdrage van toepassing is

1.    Indien dat in een protocol bij deze overeenkomst is bepaald, kan de operationele bijdrage van een programma of activiteit van de Unie, of een onderdeel daarvan, voor jaar N met terugwerkende kracht in een of meer volgende jaren naar boven of beneden worden bijgesteld op basis van de vastleggingen in de begroting die voor de vastleggingskredieten van dat jaar zijn gedaan, de uitvoering ervan via juridische verbintenissen en de vrijmaking ervan.


2.    De eerste aanpassing vindt plaats in jaar N+1, wanneer de operationele bijdrage wordt aangepast met het verschil tussen de bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N, aangepast door toepassing van een coëfficiënt, indien daarin is voorzien in het desbetreffende protocol, toe te passen op de som van:

a)    de vastleggingen in de begroting die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan uit hoofde van de begroting van de Unie en voor vastleggingskredieten die overeenstemmen met vrijmakingen die opnieuw ter beschikking zijn gesteld; en

b)    eventuele vastleggingen voor externe bestemmingsontvangsten die niet voortvloeien uit financiële bijdragen van andere donoren aan programma’s en activiteiten van de Unie die onder de protocollen bij deze overeenkomst vallen en aan het eind van jaar N beschikbaar waren.

3.    Elk daaropvolgend jaar, totdat alle vastleggingen in de begroting die onder uit jaar N afkomstige vastleggingskredieten zijn gefinancierd, zijn betaald of vrijgemaakt, en uiterlijk drie jaar na het einde van het programma van de Unie, of als die datum eerder valt na het einde van het MFK dat overeenstemt met jaar N, berekent de Unie een aanpassing van de bijdrage van jaar N door de bijdrage van Zwitserland te verminderen met het bedrag dat verkregen is door de verdeelsleutel van jaar N, zoals aangepast indien dat op grond van het desbetreffende protocol is vereist, toe te passen op vrijmakingen die elk jaar plaatsvinden op vastleggingen van jaar N die zijn gefinancierd uit de Uniebegroting of op vrijmakingen die opnieuw ter beschikking zijn gesteld.

4.    Indien vastleggingen voor externe bestemmingsontvangsten die niet voortvloeien uit financiële bijdragen van andere donoren aan programma’s en activiteiten van de Unie die onder de protocollen bij deze overeenkomst vallen, worden geannuleerd, wordt de bijdrage van Zwitserland aan het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit van de Unie, of onderdelen daarvan, verminderd met het bedrag dat wordt verkregen door de verdeelsleutel van jaar N, zoals aangepast indien dat op grond van het desbetreffende protocol is vereist, toe te passen op het geannuleerde bedrag.


5.    In het jaar N+2 of in de daaropvolgende jaren wordt, na de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde aanpassingen te hebben gedaan, de bijdrage van Zwitserland voor jaar N eveneens verlaagd met een bedrag dat wordt verkregen door de bijdrage van Zwitserland voor jaar N te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:

a)    de juridische verbintenissen van jaar N, die zijn gefinancierd met vastleggingskredieten die beschikbaar zijn in jaar N en voortvloeien uit concurrerende toekenningsprocedures,

i)    waarvan Zwitserland en Zwitserse entiteiten zijn uitgesloten;

ii)    waarvoor de uiterste termijn voor het indienen van aanvragen is verstreken tijdens de in artikel 19 bedoelde opschorting of nadat de opzegging als bedoeld in artikel 20 van kracht is geworden; en

b)    het totale bedrag van de juridische verbintenissen die zijn gefinancierd met vastleggingskredieten van jaar N.

6.    Het bedrag van de juridische verbintenissen, zoals beschreven in lid 5, wordt berekend door alle vastleggingen in de begroting die in jaar N zijn gedaan, te nemen en er de vrijmakingen van af te trekken die in jaar N+1 voor die vastleggingen hebben plaatsgevonden.


ARTIKEL 9

Programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waarop een automatisch correctiemechanisme van toepassing is

1.    Een automatisch correctiemechanisme wordt toegepast in verband met programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, wanneer in de basishandeling tot vaststelling van dat programma of die activiteit en in het desbetreffende protocol bij deze overeenkomst in de toepassing daarvan is voorzien. De toepassing van dat automatische correctiemechanisme kan worden beperkt tot in het desbetreffende protocol bij deze overeenkomst gespecificeerde onderdelen van het programma of de activiteit van de Unie die worden uitgevoerd door middel van subsidies waarvoor concurrerende oproepen tot het indienen van voorstellen worden georganiseerd. In dat protocol kunnen nadere regels worden vastgesteld voor de vaststelling van de onderdelen van het programma of de activiteit van de Unie waarop het automatische correctiemechanisme al dan niet van toepassing is.

2.    Het bedrag van de automatische correctie voor een programma of activiteit van de Unie, of onderdeel daarvan, is gelijk aan het verschil tussen de initiële bedragen van de juridische verbintenissen die daadwerkelijk met Zwitserland of Zwitserse entiteiten zijn aangegaan en die gefinancierd zijn uit vastleggingskredieten van het desbetreffende jaar, en de overeenkomstige operationele bijdrage die Zwitserland voor dezelfde periode heeft betaald, zoals aangepast overeenkomstig artikel 8 van deze overeenkomst, indien het desbetreffende protocol bij deze overeenkomst in een dergelijke aanpassing voorziet, exclusief ondersteunende uitgaven.

3.    Alle in lid 2 van dit artikel bedoelde bedragen, die voor elk van twee opeenvolgende jaren hoger zijn dan 8 % van de overeenkomstige operationele bijdrage van Zwitserland aan het programma van de Unie, zoals aangepast op grond van artikel 8, zijn door Zwitserland verschuldigd als aanvullende bijdrage in het kader van het automatische correctiemechanisme voor elk van die twee jaren.


4.    Nadere regels voor de vaststelling van de relevante bedragen van de in lid 2 van dit artikel bedoelde juridische verbintenissen, ook in het geval van consortia, en voor de berekening van de automatische correctie, kunnen worden vastgesteld in de bijlage bij deze overeenkomst betreffende de financiële uitvoeringsbepalingen.

ARTIKEL 10

Financiering in verband met programma’s van de Unie die worden uitgevoerd door middel van financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties

1.    Wanneer Zwitserland overeenkomstig artikel 3 deelneemt aan een programma of activiteit van de Unie, of een onderdeel daarvan, dat/die wordt uitgevoerd door middel van een financieringsinstrument of een begrotingsgarantie uit hoofde van het Financieel Reglement, levert Zwitserland een bijdrage aan dat financieringsinstrument of die begrotingsgarantie overeenkomstig het Financieel Reglement en de basishandeling tot vaststelling van het programma of de activiteit van de Unie.

Met het bijgedragen bedrag wordt de begrotingsgarantie van de Unie of worden de financiële middelen van het financieringsinstrument verhoogd.

2.    In voorkomend geval kunnen in het desbetreffende protocol nadere modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.


ARTIKEL 11

Evaluaties en audits

1.    De Unie heeft het recht om, overeenkomstig de toepasselijke handelingen van een of meer instellingen of organen van de Unie en zoals bepaald in desbetreffende overeenkomsten en contracten, technische, wetenschappelijke, financiële of andere evaluaties en audits uit te voeren in de gebouwen en op de terreinen van in Zwitserland verblijvende natuurlijke personen of aldaar gevestigde juridische entiteiten die financiering van de Unie ontvangen, alsook van in Zwitserland verblijvende of gevestigde derden die bij de besteding van de middelen van de Unie betrokken zijn. Die evaluaties en audits kunnen worden uitgevoerd door functionarissen van de instellingen en organen van de Unie, met name van de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer, of door andere personen die daartoe door de Europese Commissie zijn gemachtigd. Bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van Zwitserland handelen de functionarissen en onderzoeksinstanties van de Unie op een wijze die in overeenstemming is met het Zwitserse recht.

2.    De functionarissen van de instellingen en organen van de Unie, met name van de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer, en de andere door de Europese Commissie gemachtigde personen hebben passende toegang tot plaatsen, werkzaamheden en documenten, in zowel elektronische als papieren versie, en tot alle informatie die nodig is om deze audits uit te voeren, met inbegrip van het recht om een fysieke of digitale kopie of uittreksels van documenten of de inhoud van een gegevensdrager te verkrijgen die de geaudite natuurlijke of rechtspersoon of de geaudite derde in zijn bezit heeft.

3.    Het recht op toegang tot Zwitserland of tot de gebouwen en op de terreinen van de in lid 2 bedoelde functionarissen of andere personen wordt door Zwitserland niet geweigerd of op enige wijze belemmerd vanwege de uitvoering van hun in dit artikel bedoelde taken.


4.    De in lid 1 bedoelde evaluaties en audits kunnen na de opschorting van de toepassing van een protocol bij deze overeenkomst overeenkomstig artikel 19, de beëindiging van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst of de opzegging van deze overeenkomst worden uitgevoerd onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de toepasselijke handelingen van een of meer instellingen of organen van de Unie of in de relevante overeenkomsten en contracten met betrekking tot eventuele juridische verbintenissen tot besteding van de begroting van de Unie die de Unie vóór de datum waarop de opschorting van de toepassing van het desbetreffende protocol, de beëindiging van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst of de opzegging van deze overeenkomst van toepassing wordt, is aangegaan.

ARTIKEL 12

Bestrijding van onregelmatigheden, fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad

1.    De Europese Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn gemachtigd om op het grondgebied van Zwitserland administratieve onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, te verrichten in verband met de uitvoering van deze overeenkomst en de protocollen daarbij. Die onderzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de toepasselijke handelingen van een of meer instellingen van de Unie. Bij de uitoefening van hun taken op het grondgebied van Zwitserland handelen de functionarissen en onderzoeksinstanties van de Unie op een wijze die in overeenstemming is met het Zwitserse recht.

2.    De bevoegde Zwitserse autoriteiten stellen de Europese Commissie of OLAF binnen een redelijke termijn in kennis van elk feit of elk vermoeden waarvan zij kennis hebben gekregen in verband met een onregelmatigheid, fraude of een andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met de uitvoering van deze overeenkomst en de protocollen daarbij.


3.    Controles en verificaties ter plaatse kunnen worden uitgevoerd in de gebouwen en op de terreinen van natuurlijke personen of juridische entiteiten die in Zwitserland verblijven of gevestigd zijn en die financiering van de Unie ontvangen, alsook van in Zwitserland verblijvende of gevestigde derden die bij de besteding van de middelen van de Unie betrokken zijn.

4.    De controles en verificaties ter plaatse worden door de Europese Commissie of OLAF voorbereid en uitgevoerd in nauwe samenwerking met de bevoegde Zwitserse auditautoriteit, die binnen een redelijke termijn van tevoren in kennis wordt gesteld van het voorwerp, het doel en de rechtsgrondslag van de controles en verificaties, zodat de bevoegde Zwitserse autoriteiten bijstand kunnen verlenen. Te dien einde kunnen functionarissen van de bevoegde Zwitserse autoriteiten aan de controles en verificaties ter plaatse deelnemen.

5.    Op verzoek van de Zwitserse autoriteiten kunnen de controles en verificaties ter plaatse samen met de Europese Commissie en OLAF worden uitgevoerd.

6.    Functionarissen van de Europese Commissie en OLAF hebben toegang tot alle informatie en documentatie over de desbetreffende verrichtingen die nodig zijn voor de passende uitvoering van controles en verificaties ter plaatse, met inbegrip van computergegevens. Zij mogen met name kopieën maken van relevante documenten.

7.    Wanneer de persoon, entiteit of andere derde zich verzet tegen een controle of verificatie ter plaatse, staan de Zwitserse autoriteiten overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving de Europese Commissie of OLAF bij om hen in staat te stellen hun taken met betrekking tot de controle of verificatie ter plaatse uit te voeren. Die steun omvat het nemen van passende voorzorgsmaatregelen uit hoofde van het nationale recht, met name ter bescherming van bewijsstukken.

8.    De Europese Commissie of OLAF stelt de Zwitserse autoriteiten in kennis van het resultaat van deze controles en verificaties. De Europese Commissie of OLAF stelt de bevoegde Zwitserse auditautoriteit met name zo spoedig mogelijk in kennis van elk feit of vermoeden met betrekking tot een onregelmatigheid waarvan de Europese Commissie of OLAF in het kader van de controle of verificatie ter plaatse kennis heeft gekregen.


9.    Onverminderd de toepassing van het Zwitserse strafrecht, kan de Europese Commissie overeenkomstig het recht van de Unie administratieve maatregelen en sancties opleggen aan Zwitserse entiteiten die deelnemen aan de uitvoering van een programma of activiteit van de Unie.

10.    Met het oog op een goede uitvoering van dit artikel wisselen de Europese Commissie of OLAF en de bevoegde Zwitserse autoriteiten regelmatig informatie uit, en plegen zij overleg indien een van de overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst daarom verzoekt.

11.    Om een doeltreffende samenwerking en informatie-uitwisseling met OLAF te faciliteren, wijst Zwitserland een contactpunt aan.

12.    Bij de informatie-uitwisseling tussen de Europese Commissie of OLAF en de bevoegde Zwitserse autoriteiten worden de vertrouwelijkheidseisen naar behoren in acht genomen. Persoonsgegevens die in de uitgewisselde informatie zijn opgenomen, worden beschermd overeenkomstig de toepasselijke regels.

13.    De bevoegde Zwitserse autoriteiten stellen het Europees Openbaar Ministerie (EOM) ook in kennis van elk feit of elk vermoeden waarvan zij kennis hebben gekregen in verband met een onregelmatigheid, fraude of andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, wanneer die feiten of vermoedens betrekking hebben op een zaak die onder de bevoegdheid van het EOM kan vallen. In gevallen waarin het EOM of Zwitserland onderzoeken of gerechtelijke procedures heeft ingesteld met betrekking tot strafbare feiten die hun respectieve financiële belangen binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst schaden, verlenen Zwitserland en de Unie doeltreffende wederzijdse bijstand, overeenkomstig het toepasselijke rechtskader, teneinde hun bevoegde autoriteiten in staat te stellen de daders van en medeplichtigen aan dergelijke strafbare feiten te onderzoeken, te vervolgen en voor de rechter te brengen.


ARTIKEL 13

Wijziging van de artikelen 11 en 12

Het gezamenlijk comité kan de artikelen 11 en 12 wijzigen om rekening te houden met wijzigingen van handelingen van een of meer instellingen van de Unie.

ARTIKEL 14

Invordering en tenuitvoerlegging

1.    Besluiten van de Europese Commissie waarbij aan natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van staten, een geldelijke verplichting wordt opgelegd met betrekking tot vorderingen die voortvloeien uit programma’s, activiteiten, projecten of acties van de Unie, vormen executoriale titel in Zwitserland. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van het besluit, aangebracht door de nationale autoriteit die daartoe door de regering van Zwitserland is aangewezen. De tenuitvoerlegging vindt plaats overeenkomstig de Zwitserse wetgeving en procedurele voorschriften. Uitvoerbare besluiten van de Europese Commissie worden beschouwd als executoriale titels in de zin van de federale wet betreffende schuldinvordering en faillissement (Bundesgesetz über Schuldbetreibung und Konkurs — SchKG) en zijn niet onderworpen aan toetsing ten gronde voor Zwitserse rechterlijke instanties. De Zwitserse regering maakt haar voor de toepassing van dit artikel aangewezen nationale autoriteit bekend aan de Europese Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 15 heeft de Europese Commissie het recht uitvoerbare besluiten rechtstreeks ter kennis te brengen van in Zwitserland verblijvende personen en aldaar gevestigde juridische entiteiten.


2.    Arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van de toepassing van een arbitragebeding in een contract of overeenkomst met betrekking tot programma’s, activiteiten, projecten of acties van de Unie zijn in Zwitserland uitvoerbaar op dezelfde wijze als de in lid 1 bedoelde besluiten van de Europese Commissie.

3.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om de rechtmatigheid van de in lid 1 bedoelde besluiten van de Europese Commissie te toetsen en de uitvoering ervan te schorsen. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de Zwitserse rechterlijke instanties.

ARTIKEL 15

Communicatie en uitwisseling van informatie

De instellingen en organen van de Unie die betrokken zijn bij de uitvoering van programma’s of activiteiten van de Unie of bij de controle van dergelijke programma’s of activiteiten, hebben het recht om rechtstreeks, onder meer via elektronische uitwisselingssystemen, te communiceren met in Zwitserland verblijvende natuurlijke personen of aldaar gevestigde juridische entiteiten die financiering van de Unie ontvangen, alsook met in Zwitserland verblijvende of gevestigde derden die betrokken zijn bij de besteding van financiering van de Unie. Die personen, entiteiten en derden kunnen rechtstreeks bij de instellingen en organen van de Unie alle relevante informatie en documentatie indienen die zij moeten indienen op grond van de wetgeving van de Unie die van toepassing is op het programma of de activiteit van de Unie en op grond van het contract of de financieringsovereenkomst dat/die voor de uitvoering van dat programma of die activiteit is gesloten.


ARTIKEL 16

Gezamenlijk comité voor deelname aan programma’s van de Unie

1.    Er wordt een gezamenlijk comité voor deelname aan programma’s van de Unie opgericht. Het gezamenlijk comité heeft de volgende taken:

a)    zorgen voor de correcte werking en doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst en de protocollen daarbij, met inbegrip van het beoordelen, evalueren en herzien van de uitvoering ervan, en met name:

i)    de deelname en prestaties van Zwitserse entiteiten aan programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan;

ii)    in voorkomend geval, de mate waarin deelname aan de programma’s, projecten, acties of activiteiten, van de ene overeenkomstsluitende partij, of onderdelen daarvan, wederzijds openstaat voor de in de andere overeenkomstsluitende partij gevestigde juridische entiteiten;

iii)    de uitvoering van het mechanisme voor financiële toewijzing als bedoeld in artikel 7, en in voorkomend geval het automatisch correctiemechanisme dat van toepassing is op programma’s of activiteiten van de Unie die onder de protocollen bij deze overeenkomst vallen overeenkomstig artikel 9;

iv)    de uitwisseling van informatie en in voorkomend geval de bestudering van eventuele vragen over de exploitatie van resultaten, met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten;

v)    op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen, het bespreken van de door de overeenkomstsluitende partijen toegepaste of geplande beperkingen van de toegang tot hun respectieve onderzoeks- en innovatieprogramma’s, met name voor acties in verband met hun strategische activa, belangen, autonomie of veiligheid;


vi)    het onderzoeken hoe de samenwerking kan worden verbeterd en ontwikkeld;

vii)    het samen bespreken van de toekomstige oriëntaties en prioriteiten van beleid met betrekking tot programma’s of activiteiten van de Unie die onder de protocollen bij deze overeenkomst vallen;

viii)    het uitwisselen van informatie, onder meer over nieuwe wetgeving, besluiten of nationale programma’s die relevant zijn voor de uitvoering van deze overeenkomst en de protocollen daarbij;

ix)    het vaststellen van protocollen bij deze overeenkomst betreffende specifieke voorwaarden voor de deelname van Zwitserland aan programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, of het bij besluit wijzigen van dergelijke protocollen waar nodig;

x)    het bij besluit wijzigen van de artikelen 11 en 12 van deze overeenkomst om rekening te houden met wijzigingen in handelingen van één of meer instellingen van de Unie;

b)    in samenwerking met het bij de gezondheidsovereenkomst opgerichte gezamenlijk comité (het “gezamenlijk gezondheidscomité”) zorgen voor de correcte werking en de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst wat betreft de deelname van Zwitserland aan actieprogramma’s voor de Unie op het gebied van gezondheid 15 , uitsluitend voor aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; en, met name,

i)    het desbetreffende protocol, in overleg met het gezamenlijk gezondheidscomité, vaststellen of wijzigen;


ii)    het gezamenlijk gezondheidscomité op de hoogte stellen wanneer de agenda van zijn vergaderingen aangelegenheden bevat die verband houden met een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid.

2.    De besluiten van het gezamenlijk comité worden bij consensus genomen. De besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen.

3.    Het gezamenlijk comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

4.    Het gezamenlijk comité kan besluiten om op ad-hocbasis een werkgroep of adviesorgaan van deskundigen op te zetten, die/dat kan bijdragen tot de uitvoering van deze overeenkomst.

5.    Het gezamenlijk comité wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van elk van de overeenkomstsluitende partijen.

6.    Het gezamenlijk comité voert zijn werkzaamheden doorlopend uit door middel van de uitwisseling van relevante informatie via alle communicatiemiddelen, met name met betrekking tot de deelname en prestaties van Zwitserse entiteiten. Het gezamenlijk comité kan zijn taken met name schriftelijk uitvoeren wanneer dat nodig is.

7.    Het gezamenlijk comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het gezamenlijk comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het gezamenlijk comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.

8.    Het gezamenlijk comité stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast.


ARTIKEL 17

Inwerkingtreding

1.    Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;

f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;


g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsraad betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.


ARTIKEL 18

Voorlopige toepassing

1.    De overeenkomstsluitende partijen passen deze overeenkomst met ingang van 1 januari 2025 voorlopig toe overeenkomstig hun respectieve interne procedures en wetgeving. Indien de datum van ondertekening van deze overeenkomst na 15 november 2025 valt, passen de overeenkomstsluitende partijen deze overeenkomst met ingang van 1 januari 2026 voorlopig toe, overeenkomstig hun respectieve interne procedures en wetgeving.

2.    De voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt uiterlijk op 31 december 2028 beëindigd indien Zwitserland zijn interne procedures voor de inwerkingtreding van de in artikel 17 genoemde instrumenten op die datum nog niet heeft voltooid.

3.    Wanneer deze overeenkomst niet langer voorlopig wordt toegepast overeenkomstig lid 2 van dit artikel, komen de overeenkomstsluitende partijen overeen dat de in artikel 7 bedoelde Zwitserse operationele bijdrage verschuldigd is zonder de in artikel 8 bedoelde aanpassing of de in artikel 9 bedoelde correctie.

4.    De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat projecten of acties waarvoor juridische verbintenissen zijn aangegaan na de voorlopige toepassing van deze overeenkomst en voordat deze ophoudt voorlopig van toepassing te zijn, onder de daarin vastgestelde voorwaarden worden voortgezet totdat zij zijn voltooid.


ARTIKEL 19

Opschorting

1.    De toepassing van een protocol bij deze overeenkomst kan door de Unie worden opgeschort in verband met een programma of activiteit van de Unie, of een onderdeel daarvan:

a)    indien Zwitserland zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 5, lid 1, niet nakomt en dit aanzienlijke gevolgen heeft voor de uitvoering van dat programma of die activiteit, of een onderdeel daarvan;

b)    in geval van gedeeltelijke of volledige niet-betaling van de financiële bijdrage die Zwitserland in het kader van dat programma of die activiteit verschuldigd is.

Indien de niet-betaling de uitvoering en het beheer van een programma of activiteit van de Unie aanzienlijk in gevaar brengt, verzendt de Europese Commissie een formele aanmaningsbrief. Indien binnen 20 werkdagen na de ontvangst van deze formele aanmaningsbrief geen betaling is verricht, stelt de Europese Commissie Zwitserland in kennis van de opschorting van de toepassing van het desbetreffende protocol bij deze overeenkomst door middel van een formele kennisgevingsbrief, die 15 dagen na ontvangst van deze kennisgeving door Zwitserland van kracht wordt;

c)    in de in artikel 16 van de gezondheidsovereenkomst bedoelde gevallen wat betreft de deelname van Zwitserland aan een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid.

2.    Indien de toepassing van een protocol bij deze overeenkomst wordt opgeschort, komen Zwitserse entiteiten niet in aanmerking voor deelname aan toekenningsprocedures die nog niet zijn voltooid op het moment dat de opschorting van kracht wordt. Een toekenningsprocedure wordt geacht te zijn voltooid wanneer als gevolg van die procedure juridische verbintenissen zijn aangegaan.


3.    De opschorting laat de juridische verbintenissen die in het kader van het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit van de Unie zijn aangegaan met Zwitserse entiteiten voordat de opschorting van kracht werd, onverlet. Het desbetreffende protocol bij deze overeenkomst blijft van toepassing op dergelijke juridische verbintenissen.

4.    Zodra de Unie het volledige verschuldigde bedrag van de financiële bijdrage heeft ontvangen, stelt zij Zwitserland daarvan onmiddellijk in kennis. De opschorting wordt onmiddellijk na deze kennisgeving opgeheven.

5.    Vanaf de datum waarop de opschorting wordt opgeheven, komen Zwitserse entiteiten weer in aanmerking voor toekenningsprocedures die vóór en na die datum in het kader van het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit van de Unie van start zijn gegaan en waarvoor de uiterste termijn voor het indienen van aanvragen nog niet is verstreken.

6.    Indien de omstandigheden die de opschorting hebben veroorzaakt na zes maanden na het begin van een opschorting overeenkomstig lid 1 aanhouden, kan de Unie het opgeschorte protocol met betrekking tot het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit van de Unie, of een onderdeel daarvan, eenzijdig opzeggen.

ARTIKEL 20

Opzegging

1.    Een overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst door kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij opzeggen.

2.    Deze overeenkomst houdt zes maanden na ontvangst van de in lid 1 bedoelde schriftelijke kennisgeving op van kracht te zijn.


3.    Indien deze overeenkomst overeenkomstig dit artikel wordt opgezegd, komen de overeenkomstsluitende partijen overeen dat:

a)    projecten of acties waarvoor na de inwerkingtreding van deze overeenkomst en voordat deze overeenkomst wordt opgezegd juridische verbintenissen zijn aangegaan onder de voorwaarden van deze overeenkomst, worden voortgezet totdat zij zijn voltooid;

b)    de jaarlijkse financiële bijdrage aan een programma of activiteit van de Unie voor het jaar N waarin deze overeenkomst wordt opgezegd, volledig wordt betaald overeenkomstig artikel 7 van deze overeenkomst en eventuele relevante regels van het desbetreffende protocol. Indien het aanpassingsmechanisme van toepassing is, wordt de operationele bijdrage aan het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit voor het jaar N aangepast overeenkomstig artikel 8 van deze overeenkomst. Voor programma’s of activiteiten van de Unie waarop zowel het aanpassingsmechanisme als het automatisch correctiemechanisme van toepassing is, wordt de desbetreffende operationele bijdrage voor het jaar N aangepast overeenkomstig artikel 8 van deze overeenkomst en gecorrigeerd overeenkomstig artikel 9 daarvan. Voor programma’s of activiteiten van de Unie waarop alleen het correctiemechanisme van toepassing is, wordt de desbetreffende operationele bijdrage voor het jaar N gecorrigeerd overeenkomstig artikel 9 van deze overeenkomst. De vergoeding voor deelname die voor het jaar N als onderdeel van de financiële bijdrage aan een programma of activiteit van de Unie wordt betaald, wordt niet aangepast of gecorrigeerd;

c)    indien het aanpassingsmechanisme van toepassing is, operationele bijdragen aan een programma of activiteit van de Unie die zijn betaald voor de jaren waarin deze overeenkomst van toepassing was, in het jaar nadat deze overeenkomst wordt opgezegd, worden aangepast overeenkomstig artikel 8. Voor programma’s of activiteiten van de Unie waarop zowel het aanpassingsmechanisme als het automatisch correctiemechanisme van toepassing is, worden deze operationele bijdragen aangepast overeenkomstig artikel 8 en automatisch gecorrigeerd overeenkomstig artikel 9. Voor programma’s of activiteiten van de Unie waarop alleen het automatische correctiemechanisme van toepassing is, worden de desbetreffende operationele bijdragen automatisch gecorrigeerd overeenkomstig artikel 9.


4.    Onder voorbehoud van lid 3 kan de deelname van Zwitserland aan een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid worden beëindigd in de in artikel 16 van de gezondheidsovereenkomst bedoelde gevallen.

5.    Onder voorbehoud van lid 3 en niettegenstaande andersluidende bepalingen in deze overeenkomst, eindigt de deelname van Zwitserland aan een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid op de dag waarop de gezondheidsovereenkomst ophoudt van kracht te zijn.

6.    De overeenkomstsluitende partijen regelen in onderlinge overeenstemming eventuele andere gevolgen van de opzegging van deze overeenkomst.

ARTIKEL 21

Bijlage en protocollen

De bijlage en protocollen bij deze overeenkomst maken daarvan integrerend deel uit.



Gedaan te […], op […], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

[(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)]

BIJLAGE

BIJLAGE BETREFFENDE DE FINANCIËLE UITVOERINGSBEPALINGEN

1.    De Europese Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar voor elk van de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland deelneemt, de volgende informatie mee:

a)    de bedragen aan vastleggingskredieten in de definitief goedgekeurde Uniebegroting van het jaar in kwestie voor de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de deelname van Zwitserland overeenkomstig de protocollen bij deze overeenkomst en, indien van toepassing, het bedrag aan externe bestemmingsontvangsten die niet voortvloeien uit de financiële bijdrage van andere donoren op die begrotingsonderdelen;

b)    het bedrag van de vergoeding voor deelname als bedoeld in artikel 7 van deze overeenkomst;

c)    vanaf jaar N+1 van de uitvoering van een programma dat is opgenomen in de protocollen bij deze overeenkomst, de besteding van de vastleggingskredieten van begrotingsjaar N en de hoogte van de vrijmakingen;

d)    voor programma’s, of onderdelen daarvan, waarop artikel 9 van deze overeenkomst van toepassing is, indien dergelijke informatie nodig is om de automatische correctie te berekenen: het niveau van de vastleggingen ten behoeve van Zwitserse entiteiten, uitgesplitst naar het desbetreffende jaar van begrotingskredieten en het daarmee samenhangende totale niveau van vastleggingen.


Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Europese Commissie zo spoedig mogelijk, indien mogelijk in de loop van juni, en uiterlijk op 1 september van elk begrotingsjaar, een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b).

2.    De totale waarde van het verzoek tot storting van de bijdrage voor een bepaald jaar wordt vastgesteld door toepassing van het overeenkomstig artikel 7 van deze overeenkomst berekende jaarlijkse bedrag, met inbegrip van, indien van toepassing op het programma van de Unie, aanpassingen uit hoofde van artikel 8 van deze overeenkomst en, indien van toepassing op het programma van de Unie, correcties uit hoofde van artikel 9 van deze overeenkomst.

De toepassing van dit lid heeft geen gevolgen voor de vaststelling van de berekening van de automatische correctie uit hoofde van artikel 9.

3.    De Europese Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het programma van de Unie, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van deze overeenkomst voor elk van de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, waaraan Zwitserland deelneemt.

4.    Het in lid 3 bedoelde verzoek tot storting wordt als volgt in tranches gestructureerd:

a)    de eerste tranche van het jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 1 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het desbetreffende programma.

Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting;


b)    indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 1 bedoelde bedrag en het in lid 3 bedoelde bedrag indien het in lid 3 bedoelde bedrag hoger is. Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.

Zwitserland kan voor elk programma en elke activiteit afzonderlijke betalingen verrichten.

5.    Wanneer deze overeenkomst in 2025 voorlopig van toepassing wordt, doet de Europese Commissie voor het eerste jaar van de uitvoering ervan binnen zestig dagen na de ondertekening van deze overeenkomst, en uiterlijk op 10 december 2025, één enkel verzoek tot storting.

6.    Wanneer deze overeenkomst in 2025 voorlopig van toepassing wordt, betaalt Zwitserland het in het in lid 5 bedoelde verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk dertig dagen na de datum van het verzoek tot storting en uiterlijk op 21 december 2025.

7.    Wanneer de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 20 van deze overeenkomst wordt beëindigd, zijn alle betalingen verschuldigd met betrekking tot de periode voordat de opzegging van kracht wordt. De Europese Commissie doet uiterlijk één maand na het van kracht worden van de opzegging een verzoek tot storting van het verschuldigde bedrag. Zwitserland betaalt dat verschuldigde bedrag binnen zestig dagen na het verzoek tot storting.

8.    Voor elke te late betaling van de bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.


9.    De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, maar nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.

________________

PROTOCOL 1

DEELNAME AAN HET HORIZON EUROPA-PROGRAMMA, HET EURATOM-PROGRAMMA VOOR ONDERZOEK EN OPLEIDING, HET DIGITAAL EUROPA-PROGRAMMA EN HET ERASMUS+-PROGRAMMA

DEEL I

ALGEMENE REGELS

ARTIKEL 1

Programma’s waaraan Zwitserland deelneemt

1.    Zwitserland neemt als geassocieerd land deel aan en draagt bij tot de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, die zijn vastgesteld bij de volgende basishandelingen:

a)    Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 16 (“Horizon Europa-programma”), uitgevoerd aan de hand van het specifieke programma dat is vastgesteld bij Besluit (EU) 2021/764 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Besluit 2013/743/EU 17 , in de meest recente versies daarvan en door middel van een financiële bijdrage aan het Europees Instituut voor innovatie en technologie, dat is opgericht bij Verordening (EU) 2021/819 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 betreffende het Europees Instituut voor innovatie en technologie 18 ;


b)    Verordening (Euratom) 2021/765 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de periode 2021-2025 ter aanvulling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) 2018/1563 19 (“Euratom-programma”), in de meest recente versie daarvan;

c)    Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 20 (“Digitaal Europa-programma”), in de meest recente versie daarvan;

d)    Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 21 (“Erasmus+-programma”), in de meest recente versie daarvan.

2.    Dit protocol is niet van toepassing op toekenningsprocedures voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor:

a)    2021, 2022, 2023 of 2024 in de programma’s of activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten a), b) en c), van dit protocol;

b)    2021, 2022, 2023, 2024, 2025 of 2026 in het programma van de Unie, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt d), van dit protocol.


ARTIKEL 2

Duur van de deelname van Zwitserland

1.    Zwitserland neemt deel aan de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in:

a)    artikel 1, lid 1, punten a), b) en c), van dit protocol vanaf 1 januari 2025 of een andere datum indien daarin is voorzien in een specifieke titel van dit protocol voor de resterende duur ervan of tot het einde van het MFK 2021-2027, indien dat korter is;

b)    artikel 1, lid 1, punt d), van dit protocol vanaf 1 januari 2027 voor de resterende duur ervan of tot het einde van het MFK 2021-2027, indien dat korter is, met inachtneming van de voorwaarden in artikel 14 van dit protocol.

2.    Zwitserland of Zwitserse entiteiten komen in aanmerking onder de voorwaarden van artikel 4 van deze overeenkomst met betrekking tot de toekenningsprocedures van de Unie, waarmee de in artikel 1 van dit protocol bedoelde vastleggingen in de begroting van de programma’s en activiteiten, of onderdelen daarvan, worden uitgevoerd binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijnen.

Voor de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten a), b) en c), van dit protocol komt Zwitserland of komen Zwitserse entiteiten niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor 2021, 2022, 2023 of 2024, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde derde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van het programma of de activiteit van de Unie.


Voor de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt d), van dit protocol komt Zwitserland of komen Zwitserse entiteiten niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor 2021, 2022, 2023, 2024, 2025 of 2026, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde derde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van het programma of de activiteit van de Unie.

ARTIKEL 3

Slotbepalingen

Dit protocol blijft van kracht zolang dat nodig is voor de afronding van alle projecten, acties, activiteiten of onderdelen daarvan, die vanuit de in artikel 1 van dit protocol genoemde programma’s van de Unie worden gefinancierd, van alle acties die nodig zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en van alle financiële verplichtingen tussen de overeenkomstsluitende partijen die voortvloeien uit de uitvoering van dit protocol.

Dit protocol wordt verlengd en is voor de periode 2026-2027 onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de opvolger van het Euratom-programma, tenzij een van de overeenkomstsluitende partijen binnen drie maanden na de bekendmaking van dat vervolgprogramma in het Publicatieblad van de Europese Unie kennis geeft van haar besluit om dit protocol niet tot dat vervolgprogramma uit te breiden. In geval van een dergelijke kennisgeving is dit protocol met ingang van 1 januari 2026 niet van toepassing op de opvolger van het Euratom-programma.


ARTIKEL 4

Bijlage

De bijlage bij dit protocol maakt daarvan integrerend deel uit.


DEEL II

SPECIFIEKE VOORWAARDEN VOOR DEELNAME AAN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE

TITEL 1

HORIZON EUROPA-PROGRAMMA EN EURATOM-PROGRAMMA TER AANVULLING VAN HORIZON EUROPA

ARTIKEL 5

Specifieke voorwaarden voor deelname aan het Horizon Europa-programma en het Euratom-programma ter aanvulling van Horizon Europa

1.    Voordat zij beslist of Zwitserse entiteiten in aanmerking komen voor een actie met betrekking tot de strategische activa, belangen, autonomie of veiligheid van de Unie als bedoeld in artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) 2021/695, kan de Europese Commissie om specifieke informatie of waarborgen verzoeken, zoals:

a)    informatie over de vraag of entiteiten van de Unie op basis van wederkerigheid toegang hebben gekregen of zullen krijgen tot bestaande en geplande programma’s, projecten, acties, activiteiten of andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan, die gelijkwaardig zijn aan de desbetreffende actie in het kader van Horizon Europa;


b)    informatie over de vraag of Zwitserland beschikt over een nationaal screeningmechanisme voor investeringen en waarborgen dat de Zwitserse autoriteiten bij de Europese Commissie verslag uitbrengen en advies vragen over alle mogelijke gevallen waarbij zij, bij de toepassing van een dergelijk mechanisme, kennis hebben gekregen van een voorgenomen buitenlandse investering in, of overname door een entiteit die buiten Zwitserland is gevestigd of waarover vanuit het buitenland zeggenschap wordt uitgeoefend, van een Zwitserse entiteit die financiering vanuit het Horizon Europa-programma of het Euratom-programma heeft ontvangen in het kader van acties met betrekking tot de strategische activa, belangen, autonomie of veiligheid van de Unie, voor zover de Europese Commissie na de ondertekening van subsidieovereenkomsten met deze entiteiten aan Zwitserland de lijst van de relevante Zwitserse entiteiten verstrekt; en

c)    waarborgen dat geen van de resultaten, technologieën, diensten en producten die door Zwitserse entiteiten in het kader van de desbetreffende acties worden ontwikkeld, gedurende de actie en tot vier jaar na het einde van de actie aan beperkingen zullen worden onderworpen wat betreft de uitvoer daarvan naar de lidstaten van de Unie; Zwitserland deelt gedurende de actie en tot vier jaar na het einde van de actie jaarlijks een bijgewerkte lijst met zaken die aan uitvoerbeperkingen onderworpen zijn.

2.    Zwitserse entiteiten kunnen deelnemen aan de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden voor entiteiten van de Unie, tenzij beperkingen noodzakelijk zijn om coherentie met de reikwijdte van de deelname te waarborgen in verband met de uitvoering van lid 1.

3.    Indien de Unie het Horizon Europa-programma uitvoert door de artikelen 185 en 187 VWEU toe te passen, kunnen Zwitserland en Zwitserse entiteiten deelnemen aan de uit hoofde van deze bepalingen tot stand gebrachte juridische structuren, in overeenstemming met de rechtshandelingen van de Unie die voor de totstandbrenging van die structuren zijn of zullen worden vastgesteld.


4.    Zwitserland wordt regelmatig op de hoogte gehouden van activiteiten van het JRC in verband met de deelname van Zwitserland aan elk programma, en met name van de meerjarige werkprogramma’s van het JRC. Voor een kwestie met betrekking tot de deelname van Zwitserland aan elk programma wordt een hoge vertegenwoordiger van Zwitserland uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen aan vergaderingen van de raad van beheer van het JRC.

5.    Verordening (EU) 2021/819 22 of de rechtshandeling van de Unie ter vervanging van die verordening en Besluit (EU) 2021/820 van het Europees Parlement en de Raad 23 zijn van toepassing op de deelname van Zwitserse entiteiten aan kennis- en innovatiegemeenschappen overeenkomstig artikel 4 van deze overeenkomst.

6.    Vertegenwoordigers van Zwitserland hebben het recht om als waarnemers deel te nemen aan het in artikel 14 van Besluit (EU) 2021/764 van de Raad en artikel 16 van Verordening (Euratom) 2021/765 van de Raad bedoelde comité, zonder stemrecht en enkel voor kwesties die Zwitserland betreffen wanneer dat comité kwesties bespreekt in verband met de uitvoering van het Horizon Europa-programma en het Euratom-programma. Bij een dergelijke deelname wordt artikel 6 van deze overeenkomst in acht genomen. De reiskosten van de vertegenwoordigers van Zwitserland naar de vergaderingen van dit comité worden vergoed in economyclass. Voor alle andere aangelegenheden gelden voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten dezelfde regels als voor vertegenwoordigers van de lidstaten.


ARTIKEL 6

Wederkerigheid

In de Unie gevestigde juridische entiteiten kunnen deelnemen aan programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan, die gelijkwaardig zijn aan die van het Horizon Europa-programma en het Euratom-programma, overeenkomstig de regelgeving van Zwitserland.

Bijlage I bij dit protocol bevat een niet-uitputtende lijst van gelijkwaardige programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan.

De financiering door Zwitserland van in de Unie gevestigde juridische entiteiten is onderworpen aan de regelgeving van Zwitserland betreffende de werking van programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen, of onderdelen daarvan, voor onderzoek en innovatie. Indien geen financiering wordt verstrekt, kunnen in de Unie gevestigde juridische entiteiten met hun eigen middelen deelnemen.

ARTIKEL 7

Open wetenschap

De overeenkomstsluitende partijen bevorderen en stimuleren openwetenschapspraktijken in hun programma’s, projecten, acties en activiteiten, of onderdelen daarvan, wederzijds en overeenkomstig de voorschriften van het Horizon Europa-programma en het Euratom-programma en de toepasselijke regelgeving van Zwitserland.


ARTIKEL 8

Financiële voorwaarden voor het Horizon Europa-programma

1.    Artikel 8 van deze overeenkomst is van toepassing op het Horizon Europa-programma.

2.    Artikel 9 van deze overeenkomst is van toepassing op het Horizon Europa-programma.

3.    Voor de berekening van de automatische correctie als bedoeld in artikel 9 van deze overeenkomst en in dit artikel, gelden de volgende nadere bepalingen:

a)    “subsidies op basis van mededinging” zijn door middel van oproepen tot het indienen van voorstellen toegekende subsidies, waarvan de eindbegunstigden kunnen worden geïdentificeerd wanneer de automatische correctie wordt berekend; financiële steun aan derden in de zin van artikel 207 van het Financieel Reglement valt hier niet onder;

b)    indien een juridische verbintenis met een consortium wordt aangegaan, zijn de bedragen die worden gebruikt om de aanvankelijke bedragen van de juridische verbintenis vast te stellen de cumulatieve bedragen die zijn toegewezen aan begunstigden die Zwitserse entiteiten zijn, overeenkomstig de indicatieve verdeling van de begroting van de subsidieovereenkomst;

c)    alle bedragen van juridische verbintenissen in het kader van subsidies op basis van mededinging worden vastgesteld met behulp van het elektronische systeem “eCorda” van de Europese Commissie en worden op de tweede woensdag van februari van het jaar N+2 opgenomen;

d)    “niet-interventiekosten” zijn andere kosten van het Horizon Europa-programma dan subsidies op basis van mededinging, met inbegrip van ondersteunende uitgaven, programmaspecifiek beheer en andere acties;


e)    de bedragen die aan internationale organisaties worden toegewezen als juridische entiteiten die de eindbegunstigde zijn, worden beschouwd als niet-interventiekosten.

4.    Het automatisch correctiemechanisme wordt als volgt toegepast:

a)    automatische correcties voor jaar N in verband met de betaling van vastleggingskredieten voor jaar N, verhoogd overeenkomstig artikel 7, lid 5, van deze overeenkomst, worden in jaar N+2 toegepast op basis van gegevens uit eCorda over jaar N en jaar N+1 als bedoeld in lid 3, punt c), van dit artikel, nadat eventuele aanpassingen overeenkomstig artikel 8 van deze overeenkomst zijn toegepast op de bijdrage van Zwitserland aan het Horizon Europa-programma; het in aanmerking te nemen bedrag is het bedrag van subsidies op basis van mededinging waarvoor gegevens beschikbaar zijn wanneer de correctie wordt berekend;

b)    met ingang van het jaar N+2 en tot en met 2029 wordt het bedrag van de automatische correctie berekend door het verschil te nemen tussen:

i)    het totale bedrag van de subsidies op basis van mededinging dat aan Zwitserland of Zwitserse entiteiten is toegewezen als vastleggingen voor begrotingskredieten van jaar N; en

ii)    het bedrag van de aangepaste operationele bijdrage van Zwitserland voor jaar N, vermenigvuldigd met de verhouding tussen:

A.    het bedrag van subsidies op basis van mededinging uit de vastleggingskredieten voor jaar N, verhoogd overeenkomstig artikel 7, lid 5, van deze overeenkomst; en

B.    het totaal van alle goedgekeurde vastleggingskredieten in de begroting voor jaar N, met inbegrip van niet-interventiekosten.


Als een correctie wordt toegepast voor situaties waarin Zwitserse entiteiten zijn uitgesloten, op grond van de toepassing van artikel 8, worden de overeenkomstige bedragen van subsidies op basis van mededinging niet in de berekeningen opgenomen.

5.    Indien met betrekking tot de operationele bijdrage van Zwitserland voor een bepaald jaar N het volgens de methode van artikel 9, lid 2, van deze overeenkomst berekende verschil negatief is en in absolute termen meer dan 8 % van de overeenkomstige operationele bijdrage voor jaar N bedraagt, wordt de toekomstige operationele bijdrage van Zwitserland voor jaar N+2 verminderd met het verschil tussen het absolute bedrag dat is berekend volgens de methode van artikel 9, lid 2, voor jaar N en het bedrag dat overeenkomt met 8 % van de overeenkomstige operationele bijdrage voor jaar N.

Na het einde van de in artikel 2, lid 1, van dit protocol bedoelde periode worden eventuele verlagingen van toekomstige operationele bijdragen, als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, toegepast op de operationele bijdragen van Zwitserland aan een vervolgprogramma waaraan Zwitserland deelneemt.

Indien de operationele bijdrage van Zwitserland overeenkomstig de eerste en de tweede alinea in jaar N+2 wordt aangepast, wordt die aanpassing in aanmerking genomen voor de berekening van het jaarlijkse bedrag voor jaar N+2 overeenkomstig punt 4 van de bijlage betreffende de financiële uitvoeringsbepalingen.

ARTIKEL 9

Financiële voorwaarden voor het Euratom-programma

1.    Artikel 8 van deze overeenkomst is niet van toepassing op het Euratom-programma ter aanvulling van Horizon Europa.


2.    Artikel 9 van deze overeenkomst is niet van toepassing op het Euratom-programma ter aanvulling van Horizon Europa.

3.    In afwijking van artikel 7, lid 7, van deze overeenkomst bedraagt de verdeelsleutel die in de jaren 2025, 2026 en 2027 wordt toegepast voor de berekening van de operationele bijdrage voor de deelname aan het Euratom-programma 95,4 % van de in artikel 7, lid 6, van deze overeenkomst vastgestelde verdeelsleutel.

TITEL 2

DEELNAME AAN HET DIGITAAL EUROPA-PROGRAMMA

ARTIKEL 10

Reikwijdte van de associatie

Zwitserland neemt als geassocieerd land deel aan en draagt bij tot specifieke doelstellingen (SD) SD1 (high performance computing (HPC)), SD2 (artificiële intelligentie), SD4 (geavanceerde digitale vaardigheden) en SD5 (uitrol en optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit) van het programma Digitaal Europa als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2021/694.


ARTIKEL 11

Specifieke voorwaarden voor deelname aan het Digitaal Europa-programma

1.    Voordat zij beslist of Zwitserse entiteiten in aanmerking komen voor een actie waarvoor de deelname om naar behoren gemotiveerde redenen aan beperkingen is onderworpen op basis van artikel 12, lid 6, van Verordening (EU) 2021/694, kan de Europese Commissie om specifieke informatie of waarborgen verzoeken, zoals:

a)    informatie over de vraag of entiteiten van de Unie op basis van wederkerigheid toegang hebben gekregen of zullen krijgen tot bestaande en geplande programma’s, projecten of acties van Zwitserland die gelijkwaardig zijn aan de desbetreffende actie in het kader van Digitaal Europa;

b)    informatie over de vraag of Zwitserland beschikt over een nationaal screeningmechanisme voor investeringen en waarborgen dat de Zwitserse autoriteiten bij de Europese Commissie verslag uitbrengen en advies vragen over alle mogelijke gevallen waarbij zij, bij de toepassing van een dergelijk mechanisme, kennis hebben gekregen van een voorgenomen buitenlandse investering in, of overname door een entiteit die buiten Zwitserland is gevestigd of waarover vanuit het buitenland zeggenschap wordt uitgeoefend, van een Zwitserse entiteit die financiering vanuit het Digitaal Europa-programma heeft ontvangen in het kader van acties, voor zover de Europese Commissie na de ondertekening van subsidieovereenkomsten met deze entiteiten aan Zwitserland de lijst van de relevante in Zwitserland gevestigde juridische entiteiten verstrekt; en

c)    waarborgen dat geen van de resultaten, technologieën, diensten en producten die door in Zwitserland gevestigde entiteiten in het kader van de desbetreffende acties worden ontwikkeld, gedurende de actie en tot vier jaar na het einde van de actie aan beperkingen zullen worden onderworpen wat betreft de uitvoer daarvan naar de lidstaten van de Unie; gedurende de actie en tot vier jaar na het einde van de actie deelt Zwitserland jaarlijks een bijgewerkte lijst met zaken die aan nationale uitvoerbeperkingen onderworpen zijn.


2.    Wanneer de deelname aan een actie om redenen in verband met de veiligheid van de Unie ingevolge de voorwaarden van de oproep aan beperkingen onderworpen is uit hoofde van artikel 12, lid 6, van Verordening (EU) 2021/694, kan de Europese Commissie Zwitserland om specifieke informatie of waarborgen verzoeken om te beoordelen of de door de betrokken entiteiten verstrekte waarborgen dat hun deelname aan de actie geen negatieve gevolgen zal hebben voor de veiligheid van de Unie, toereikend zijn.

3.    Indien de Unie het Digitaal Europa-programma uitvoert door de artikelen 185 en 187 VWEU toe te passen, kunnen Zwitserland en Zwitserse entiteiten deelnemen aan de uit hoofde van deze bepalingen tot stand gebrachte juridische structuren, in overeenstemming met de rechtshandelingen van de Unie die voor de totstandbrenging van die structuren zijn of zullen worden vastgesteld.

ARTIKEL 12

Wederkerigheid

In de Unie gevestigde juridische entiteiten kunnen deelnemen aan programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan, die gelijkwaardig zijn aan die van het Digitaal Europa-programma, overeenkomstig de regelgeving van Zwitserland.

Bijlage I bij dit protocol bevat een niet-uitputtende lijst van gelijkwaardige programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan.

De financiering door Zwitserland van in de Unie gevestigde juridische entiteiten is onderworpen aan de regelgeving van Zwitserland betreffende de werking van programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen, of onderdelen daarvan, voor onderzoek en innovatie. Indien geen financiering wordt verstrekt, kunnen in de Unie gevestigde juridische entiteiten met hun eigen middelen deelnemen.


ARTIKEL 13

Financiële voorwaarden

Artikel 8 van deze overeenkomst is niet van toepassing op het Digitaal Europa-programma.

TITEL 3

DEELNAME AAN HET ERASMUS+-PROGRAMMA

ARTIKEL 14

Specifieke voorwaarden voor deelname aan het Erasmus+-programma

De deelname van Zwitserland aan het Erasmus+-programma is afhankelijk van de benoeming van een nationale autoriteit, de oprichting van een nationaal agentschap en de aanwijzing van een onafhankelijk auditorgaan, overeenkomstig de artikelen 26, 27, 28 en 29 van Verordening (EU) 2021/817.

De deelname van Zwitserland aan het Erasmus+-programma start op de datum waarop de Europese Commissie haar goedkeuring hecht aan de evaluatie vooraf van de naleving met betrekking tot het nationale agentschap, overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) 2021/817.


ARTIKEL 15

Financiële voorwaarden

1.    Artikel 8 van deze overeenkomst is niet van toepassing op het Erasmus+-programma.

2.    In afwijking van artikel 7, lid 7, van deze overeenkomst bedraagt de verdeelsleutel die in het jaar 2027 wordt toegepast voor de berekening van de operationele bijdrage voor de deelname aan het Erasmus+-programma 70 % van de in artikel 7, lid 6, van deze overeenkomst vastgestelde verdeelsleutel.

BIJLAGE I

Lijst van de gelijkwaardige programma’s, projecten, acties en activiteiten van Zwitserland, of onderdelen daarvan

1.    De programma’s, projecten, acties of activiteiten van Zwitserland, of onderdelen daarvan, in de volgende niet-uitputtende lijst worden als gelijkwaardig aan het Horizon Europa-programma en het Euratom-programma beschouwd:

–    Bridge Proof-of-Concept

–    SNSF Project funding

–    SNSF Health & well-being

–    SNSF MARVIS

–    SNSF International Co-Investigator Scheme

–    SNSF National Centres of Competence in Research (NCCRs)

–    Ambizione

–    Spark

–    Funding programmes FOT


–    Sustained Scientific User Laboratory for Simulation and Data-based Science at CSCS (User Lab)

–    Swiss Data Science Center

–    Swiss Plasma Center / Swiss Fusion Hub

–    Swiss Light Source SLS

–    Swiss Spallation Neutron Source (SINQ)

–    SμS muon source

–    Swiss Research Infrastructure for Particle Physics CHRISP

–    Swiss X-ray Free Electron Laser SwissFEL

–    Swiss-Norwegian beamline (SNBL)

–    SwissChips Initiative

–    Swiss Twins.



2.    De programma’s, projecten, acties en activiteiten van Zwitserland, of onderdelen daarvan, in de volgende niet-uitputtende lijst worden als gelijkwaardig aan het Digitaal Europa-programma beschouwd:

[…]

_______________

PROTOCOL 2

DEELNAME AAN ACTIVITEITEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMING VOOR ITER EN DE ONTWIKKELING VAN FUSIE-ENERGIE, DE ITER-OVEREENKOMST EN DE OVEREENKOMST INZAKE DE BREDERE AANPAK

ARTIKEL 1

Reikwijdte van de associatie

Zwitserland neemt deel als lid van en draagt bij tot de gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (F4E) overeenkomstig artikel 2, punt c), van Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad 24 en de daaraan gehechte statuten (de “F4E-statuten”), en draagt zo bij tot de toekomstige wetenschappelijke en technologische samenwerking op het gebied van beheerste kernfusie via de associatie van Zwitserland met het Euratom-programma.

ARTIKEL 2

Duur van de deelname van Zwitserland

1.    Zwitserland neemt met ingang van 1 januari 2026 deel als lid van F4E voor de duur van het bestaan van F4E, mits aan de voorwaarden van Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad wordt voldaan.


2.    Zwitserland of Zwitserse entiteiten komen in aanmerking onder de voorwaarden van artikel 4 van deze overeenkomst met betrekking tot de toekenningsprocedures van de Unie, waarmee de in artikel 1 van dit protocol bedoelde vastleggingen in de begroting van de programma’s en activiteiten, of onderdelen daarvan, worden uitgevoerd binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijnen. Zwitserland of Zwitserse entiteiten komen niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor 2021, 2022, 2023, 2024 of 2025, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde derde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van de F4E-activiteiten.

ARTIKEL 3

Specifieke voorwaarden voor deelname aan activiteiten van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie

1.    Niettegenstaande artikel 12, lid 2, punt a), en artikel 82, lid 3, punt a), van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 25 , en overeenkomstig artikel 10 van de F4E-statuten, kunnen Zwitserse onderdanen met volledige burgerrechten door de directeur van F4E worden benoemd tot personeel van F4E.


2.    Zwitserland heeft stemrecht in de raad van bestuur van F4E en levert een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage aan F4E overeenkomstig bijlage II bij de F4E-statuten.

3.    Onverminderd de bepalingen van deze overeenkomst, en met name van artikel 4, kunnen Zwitserse entiteiten deelnemen aan alle activiteiten van F4E onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor juridische entiteiten van Euratom.

4.    Vertegenwoordigers van Zwitserland nemen deel aan de vergaderingen van F4E overeenkomstig de F4E-statuten.

5.    Zwitserland past Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het VWEU, toe op F4E, haar directeur en personeel in verband met hun activiteiten uit hoofde van Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad, met de volgende modaliteiten:

a)    uitbreiding van de toepassing van het protocol tot Zwitserland;

iedere verwijzing naar de lidstaten in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie moet worden opgevat als zijnde eveneens van toepassing op Zwitserland, tenzij in het onderstaande anders wordt bepaald;


b)    vrijstelling van indirecte belastingen (inclusief btw) voor F4E:

i)    op vanuit Zwitserland geëxporteerde goederen en diensten wordt geen Zwitserse belasting over de toegevoegde waarde (btw) geheven; wat goederen en diensten betreft die in Zwitserland voor officieel gebruik aan F4E worden geleverd, geschiedt de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie door middel van teruggave van de betaalde bedragen; vrijstelling van btw wordt verleend indien de werkelijke aankoopprijs voor de op de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en dienstverstrekkingen (inclusief belastingen) ten minste 100 CHF bedraagt;

ii)    teruggave van de betaalde btw-bedragen volgt op vertoon van de speciaal hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de afdeling btw van de federale belastingautoriteiten; de aanvragen worden in beginsel behandeld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de indiening van het van de nodige bewijsstukken vergezelde verzoek om terugbetaling;

c)    wijze van toepassing van de regelgeving betreffende het personeel van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER:

i)    wat artikel 12, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie betreft, stelt Zwitserland, volgens de beginselen van zijn intern recht, de ambtenaren en overige personeelsleden van F4E in de zin van artikel 2 van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 26 vrij van federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op salarissen, lonen en emolumenten die door de Unie worden betaald en waarop, te harer gunste, een interne belasting van toepassing is;


ii)    voor de toepassing van artikel 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie wordt Zwitserland niet als een lidstaat in de zin van punt a) beschouwd;

iii)    de ambtenaren en overige personeelsleden van F4E, alsook hun gezinsleden die zijn aangesloten bij het op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijnde socialeverzekeringsstelsel, vallen niet verplicht onder het Zwitserse socialeverzekeringsstelsel;

iv)    het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft uitsluitende bevoegdheid voor alle kwesties betreffende de betrekkingen tussen de Europese Commissie of F4E en haar personeel, wat betreft de toepassing van Verordening (EEG/Euratom/EGKS) nr. 259/68 van de Raad en de andere bepalingen van het recht van de Unie tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden.

6.    Zwitserland verleent ook alle voordelen waarin bijlage III bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voorziet, aan F4E in het kader van haar officiële activiteiten.


ARTIKEL 4

Financiële controles

1.    F4E en ambtenaren van de Europese Commissie en andere door F4E en de Europese Commissie gemachtigde personen hebben op passende wijze toegang, ook in elektronische vorm, tot locaties, werkzaamheden en documenten en tot alle informatie die nodig is om evaluaties en audits uit te voeren, alsmede om maatregelen te nemen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van deze overeenkomst. Dit recht van toegang wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten of overeenkomsten die worden gesloten ter uitvoering van de instrumenten waarnaar in dit protocol wordt verwezen.

2.    De bevoegde Zwitserse autoriteiten stellen F4E en de Europese Commissie onverwijld in kennis van elk feit of vermoeden waarvan zij kennis hebben gekregen in verband met een onregelmatigheid bij de sluiting en de uitvoering van de contracten of overeenkomsten die zijn gesloten ter uitvoering van de instrumenten waarnaar in dit protocol wordt verwezen.

3.    Onverminderd de toepassing van het Zwitserse strafrecht kan F4E of de Europese Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen in overeenstemming met het Financieel Reglement en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad 27 .

4.    Besluiten die F4E of de Europese Commissie neemt binnen het toepassingsgebied van dit protocol, die voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen in Zwitserland executoriale titel.


5.    De formule van tenuitvoerlegging voor een besluit uit hoofde van het vorige lid wordt uitgevaardigd overeenkomstig artikel 14 van deze overeenkomst. F4E of de Europese Commissie wordt hiervan in kennis gesteld door de door de Zwitserse regering aangewezen autoriteit.

ARTIKEL 5

Financiële voorwaarden

1.    Artikel 8 van deze overeenkomst is niet van toepassing op dit protocol.

2.    In afwijking van artikel 7, lid 7, van deze overeenkomst bedraagt de verdeelsleutel die in de jaren 2026 en 2027 wordt toegepast voor de berekening van de operationele bijdrage voor de deelname aan F4E 95,4 % van de in artikel 7, lid 6, van deze overeenkomst vastgestelde verdeelsleutel.

ARTIKEL 6

Toepasselijkheid van de ITER-overeenkomst, de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER en de overeenkomst inzake de bredere aanpak op het grondgebied van Zwitserland

1.    De overeenkomstsluitende partijen komen het volgende overeen:

a)    de ITER-overeenkomst is van toepassing op het grondgebied van Zwitserland en voor de toepassing van dit artikel wordt dit protocol beschouwd als een relevante overeenkomst voor de toepassing van artikel 21 van die overeenkomst;


b)    de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER is van toepassing op het grondgebied van Zwitserland en voor de toepassing van dit artikel wordt dit protocol beschouwd als een relevante overeenkomst voor de toepassing van artikel 24 van die overeenkomst; en

c)    de overeenkomst inzake de bredere aanpak is van toepassing op het grondgebied van Zwitserland, met name de voorrechten en immuniteiten uit hoofde van artikel 13 en artikel 14, lid 5, van die overeenkomst, en voor de toepassing van dit artikel wordt dit protocol beschouwd als een relevante overeenkomst voor de toepassing van artikel 26 van die overeenkomst.

2.    Zwitserse onderdanen met volledige burgerrechten komen onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van de lidstaten in aanmerking om:

a)    te worden aangewezen door Euratom als vertegenwoordiger in de Raad van de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie (artikel 6, lid 1, van de ITER-overeenkomst);

b)    te worden aangewezen door de Raad van de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie als leidinggevend personeel (artikel 6, lid 7, punt d), van de ITER-overeenkomst);

c)    door Euratom te worden gedetacheerd als personeelslid bij de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie (artikel 7, lid 2, van de ITER-overeenkomst);

d)    rechtstreeks in dienst te worden genomen door de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie door middel van een benoeming door haar directeur-generaal (artikel 7, lid 2, en lid 4, punt b), van de ITER-overeenkomst);


e)    te worden aangewezen door Euratom als vertegenwoordiger in het stuurcomité inzake de bredereaanpakactiviteiten en in de projectcomités van de bredereaanpakactiviteiten (artikelen 3 en 5 van de overeenkomst inzake de bredere aanpak);

f)    door het stuurcomité te worden aangewezen als personeelslid van het secretariaat (artikel 4 van de overeenkomst inzake de bredere aanpak);

g)    door Euratom te worden gedetacheerd bij de bredereaanpakactiviteiten, dat wil zeggen als lid van de projectteams of als projectleider (artikel 6 van de overeenkomst inzake de bredere aanpak).

3.    Zwitserland wordt door Euratom schriftelijk in kennis gesteld indien het ITER-programma, de ITER-overeenkomst, de overeenkomst inzake de bredere aanpak of de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER moet worden gewijzigd.

ARTIKEL 7

Wederkerigheid

In de Unie gevestigde juridische entiteiten kunnen deelnemen aan programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan, die gelijkwaardig zijn aan die van de ITER-Organisatie, F4E of de bredere aanpak, overeenkomstig de regelgeving van Zwitserland. Bijlage I bij dit protocol bevat een niet-uitputtende lijst van gelijkwaardige programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen van Zwitserland, of onderdelen daarvan.


De financiering door Zwitserland van in de Unie gevestigde juridische entiteiten is onderworpen aan de regelgeving van Zwitserland betreffende de werking van programma’s, projecten, acties, activiteiten en andere maatregelen, of onderdelen daarvan, voor onderzoek en innovatie. Indien geen financiering wordt verstrekt, kunnen in de Unie gevestigde juridische entiteiten met hun eigen middelen deelnemen.

ARTIKEL 8

Slotbepalingen

Dit protocol blijft van kracht zolang dat nodig is voor de afronding van alle projecten, acties, activiteiten of onderdelen daarvan, die vanuit de in artikel 1 van dit protocol genoemde programma’s van de Unie worden gefinancierd, van alle acties die nodig zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en van alle financiële verplichtingen tussen de overeenkomstsluitende partijen die voortvloeien uit de uitvoering van dit protocol.

BIJLAGE I

Lijst van de gelijkwaardige programma’s, projecten, acties en activiteiten van Zwitserland, of onderdelen daarvan

De programma’s, projecten, acties of activiteiten van Zwitserland, of onderdelen daarvan, in de volgende niet-uitputtende lijst worden als gelijkwaardig aan ITER beschouwd:

[…]

________________

PROTOCOL 3

DEELNAME AAN HET EU4HEALTH-PROGRAMMA

ARTIKEL 1

Reikwijdte van de associatie

1.    Zwitserland neemt als geassocieerd land deel aan en draagt bij tot specifieke onderdelen van het EU4Health-programma dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 28 , in de meest recente versie daarvan.

2.    De specifieke onderdelen van het EU4Health-programma waaraan Zwitserland deelneemt en bijdraagt, hebben betrekking op crisisparaatheid, zoals bedoeld in de gezondheidsovereenkomst.

ARTIKEL 2

Duur van de deelname van Zwitserland

1.    Zwitserland neemt deel aan het EU4Health-programma vanaf 1 januari van het jaar na de inwerkingtreding van de gezondheidsovereenkomst, voor de resterende duur van het EU4Health-programma of tot het einde van het MFK 2021-2027, indien dat korter is.


2.    Zwitserland of Zwitserse entiteiten komen in aanmerking onder de voorwaarden van artikel 4 van deze overeenkomst met betrekking tot de toekenningsprocedures van de Unie, waarmee de in het EU4Health-programma bedoelde vastleggingen in de begroting van de programma’s en activiteiten of onderdelen daarvan worden uitgevoerd binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijnen. Zwitserland of Zwitserse entiteiten komen vóór de start van de deelname aan het EU4Health-programma overeenkomstig lid 1 niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor de jaren van het MFK 2021-2027, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van het desbetreffende programma of de desbetreffende activiteit van de Unie.

ARTIKEL 3

Specifieke voorwaarden voor deelname aan het EU4Health-programma

1.    Zwitserland neemt deel aan het EU4Health-programma overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze overeenkomst en in de in artikel 1 van dit protocol bedoelde rechtshandeling, alsmede in alle andere regels met betrekking tot de uitvoering van het EU4Health-programma, in de meest recente versie daarvan.

2.    Tenzij anders bepaald in de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden, kunnen in Zwitserland gevestigde juridische entiteiten deelnemen aan acties van het EU4Health-programma onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie gevestigde juridische entiteiten, met inbegrip van de naleving van beperkende maatregelen van de Unie.

3.    Voor de procedures in verband met verzoeken, contracten en verslagen, alsook voor andere administratieve aspecten van het EU4Health-programma wordt het Engels gebruikt.


ARTIKEL 4

Financiële voorwaarden

Artikel 8 van deze overeenkomst is niet van toepassing op dit protocol.

ARTIKEL 5

Slotbepalingen

Dit protocol blijft van kracht zolang dat nodig is voor de afronding van alle projecten, acties, activiteiten of onderdelen daarvan, die vanuit de in artikel 1 van dit protocol genoemde programma’s van de Unie worden gefinancierd, van alle acties die nodig zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en van alle financiële verplichtingen tussen de overeenkomstsluitende partijen die voortvloeien uit de uitvoering van dit protocol.

(1)    PB EU L 242 van 4.9.1978, blz. 2.
(2)    PB EU L 313 van 22.11.1985, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1985/507/oj.
(3)    De Overeenkomst tot oprichting van de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie voor de gezamenlijke uitvoering van het ITER-project van 2006 (PB EU L 20 van 24.1.2008, blz. 17).
(4)    De “Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER” van 2006 (PB EU L 358 van 16.12.2006, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2006/943(2)/oj).
(5)    De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de regering van Japan voor de gezamenlijke uitvoering van de bredereaanpakactiviteiten op het gebied van onderzoek inzake fusie-energie van 2007 (PB EU L 246 van 21.9.2007, blz. 34).
(6)    Besluit van de Commissie van 22 november 2007 betreffende de sluiting van Overeenkomsten in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de Zwitserse Bondsstaat (Zwitserland) inzake de toepassing van de ITER-Overeenkomst, de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten voor ITER en de Overeenkomst inzake de bredere aanpak op het grondgebied van Zwitserland en inzake het lidmaatschap van Zwitserland van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (PB EU L 20 van 24.1.2008, blz. 11).
(7)    PB EU L 370 van 30.12.2014, blz. 3.
(8)    Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan (PB EU L 90 van 30.3.2007, blz. 58).
(9)    Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB EU L 170 van 12.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/695/oj).
(10)    Verordening (Euratom) 2021/765 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de periode 2021-2025 ter aanvulling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) 2018/1563 (PB EU L 167 I van 12.5.2021, blz. 81, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/765/oj).
(11)    Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB EU L 166 van 11.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/694/oj).
(12)    Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB EU L 107 van 26.3.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/522/oj).
(13)    Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB EU L, 2024/2509, 26.9.2024).
(14)    PB EU L 114 van 30.4.2002, blz. 6.
(15)    Voor de periode 2021-2027 is dit het EU4Health-programma, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB EU L 107 van 26.3.2021, blz. 1).
(16)    PB EU L 170 van 12.5.2021, blz. 1.
(17)    PB EU L 167I van 12.5.2021, blz. 1.
(18)    PB EU L 189 van 28.5.2021, blz. 61.
(19)    PB L 167l van 12.5.2021, blz. 81.
(20)    PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1, ELI: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2021/694/oj.
(21)    PB EU L 189 van 28.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/817/oj.
(22)    Verordening (EU) 2021/819 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 betreffende het Europees Instituut voor innovatie en technologie (PB EU L 189 van 28.5.2021, blz. 61).
(23)    Besluit (EU) 2021/820 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) 2021-2027: Het innovatietalent en de innovatiecapaciteit van Europa stimuleren, en tot intrekking van Besluit nr. 1312/2013/EU (PB EU L 189 van 28.5.2021, blz. 91).
(24)    Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan (PB EU L 90 van 30.3.2007, blz. 58).
(25)    Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).
(26)    Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad van 25 maart 1969 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het VWEU, van toepassing zijn.
(27)    Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB EU L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(28)    PB EU L 107 van 26.3.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/522/oj.
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

OVER DE ALGEMENE VOORWAARDEN

VOOR DE DEELNAME VAN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

AAN HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR HET RUIMTEVAARTPROGRAMMA

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd, enerzijds,

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd, anderzijds,

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GEZIEN Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad 1 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (hierna “de verordening” genoemd),

GEZIEN het feit dat het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (hierna “het Agentschap” genoemd) overeenkomstig artikel 98 van de verordening moet openstaan voor deelname van derde landen en internationale organisaties en die deelname en de voorwaarden daarvoor moeten worden vastgelegd in een daartoe met de Europese Unie gesloten overeenkomst,


ERKENNEND dat Zwitserland deelneemt aan en financieel bijdraagt aan de programma’s van het Europees wereldwijd satellietnavigatiesysteem (hierna “GNSS” genoemd) uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake de Europese satellietnavigatieprogramma’s, gedaan te Brussel op 18 december 2013 (hierna “de samenwerkingsovereenkomst” genoemd), die voorlopig van toepassing is met ingang van 1 januari 2014,

HERINNEREND AAN het feit dat in artikel 16 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat Zwitserland het recht moet hebben aan het Agentschap deel te nemen onder de voorwaarden die worden vastgesteld in een overeenkomst tussen de Unie en Zwitserland,

ERKENNEND dat de Unie en Zwitserland een overeenkomst hebben gesloten inzake de beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, gedaan te Brussel op 28 april 2008,

GEZIEN het verzoek van Zwitserland om aan de werkzaamheden van het Agentschap deel te nemen,

GEZIEN het gemeenschappelijk belang van de deelname van Zwitserland aan de werkzaamheden van het Agentschap,

GELEID DOOR DE WENS de nauwe samenwerking tussen de Unie en Zwitserland op het gebied van satellietnavigatie te versterken,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:


ARTIKEL 1

Mate van deelname

1.    Zwitserland neemt deel aan en draagt bij aan de werkzaamheden van het Agentschap met betrekking tot de onderdelen Galileo en Egnos van het ruimtevaartprogramma van de Unie, overeenkomstig de voorwaarden van de verordening, de samenwerkingsovereenkomst en deze overeenkomst.

2.    Zwitserland neemt deel aan en draagt bij aan de werkzaamheden van het Agentschap met betrekking tot de andere onderdelen van het ruimtevaartprogramma van de Unie indien de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan programma’s van de Unie (hierna “de overeenkomst over de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie” genoemd), gedaan te ... op ..., voorziet in de deelname van Zwitserland aan die onderdelen van dat programma en in de deelname van Zwitserland aan de werkzaamheden van het Agentschap met betrekking tot die onderdelen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de verordening, in de overeenkomst over de deelname aan programma’s van de Unie en in deze overeenkomst.

ARTIKEL 2

Raad van bestuur

Een vertegenwoordiger van Zwitserland neemt als waarnemer deel aan de raad van bestuur van het Agentschap, zonder stemrecht en overeenkomstig de voorwaarden van het reglement van orde van de raad van bestuur.


ARTIKEL 3

Raad voor de veiligheidsaccreditatie

Een vertegenwoordiger van Zwitserland neemt als waarnemer deel aan de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, uitsluitend voor aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met Zwitserland, zonder stemrecht en overeenkomstig de voorwaarden van het reglement van orde van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie. De aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met Zwitserland worden vóór elke vergadering vermeld op de agenda die door de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie wordt opgesteld en voorafgaand aan de vergadering aan Zwitserland wordt meegedeeld.

ARTIKEL 4

Financiële bijdrage

Zwitserland draagt bij aan de ontvangsten van het Agentschap door middel van een jaarlijks bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de in bijlage I beschreven formule.


ARTIKEL 5

Gegevensbescherming

1.    Zwitserland past zijn nationale regels toe op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens 2 .

2.    Voor de toepassing van deze overeenkomst is Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad 3 van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap.

3.    Zwitserland houdt zich aan de regels inzake de vertrouwelijkheid van documenten van het Agentschap, die zijn vastgelegd in het reglement van orde van de raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie van het Agentschap.


ARTIKEL 6

Rechtsvorm

Zwitserland erkent de rechtspersoonlijkheid van het Agentschap. Het Agentschap heeft in Zwitserland de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die krachtens het recht van Zwitserland aan rechtspersonen wordt toegekend. Het Agentschap heeft met name het rechte roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden, en om in rechte op te treden.

ARTIKEL 7

Aansprakelijkheid

De aansprakelijkheid van het Agentschap wordt geregeld bij artikel 97, leden 1, 3 en 5, van de verordening.

ARTIKEL 8

Hof van Justitie van de Europese Unie

Zwitserland erkent de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het Agentschap in de zin van artikel 97, leden 2 en 4, van de verordening.


ARTIKEL 9

Voorrechten en immuniteiten

Zwitserland verleent het Agentschap en zijn personeelsleden, in het kader van hun officiële functies voor het Agentschap, de voorrechten en immuniteiten bedoeld in bijlage II, die zijn gebaseerd op de artikelen 1 tot en met 6, 10 tot en met 15, 17 en 18 van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “Protocol nr. 7” genoemd). Verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van dat protocol worden ter informatie tussen haakjes vermeld.

ARTIKEL 10

Tijdelijk personeel en gedetacheerde ambtenaren en deskundigen

In afwijking van artikel 12, lid 2, punt a), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 4 , kan het Agentschap, indien het daartoe besluit, Zwitserse onderdanen die hun volledige burgerrechten genieten op contractbasis in dienst nemen. Het Agentschap kan de detachering van deskundigen door Zwitserland aanvaarden.


ARTIKEL 11

Fraudepreventie

De bepalingen betreffende artikel 95 van de verordening inzake door de Unie in Zwitserland uit te oefenen financiële controle op de deelnemers aan de activiteiten van het Agentschap zijn uiteengezet in bijlage III.

ARTIKEL 12

Comité

1.    Een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Commissie en van Zwitserland ziet toe op de correcte uitvoering van deze overeenkomst en zorgt voor een continu proces van informatieverstrekking en gedachtewisseling hierover. Het comité komt samen op verzoek van Zwitserland of op verzoek van de Europese Commissie. De raad van bestuur van het Agentschap wordt in kennis gesteld van de werkzaamheden van het comité.

De vertegenwoordigers van de Europese Commissie kunnen zich laten vergezellen door vertegenwoordigers van het Agentschap.

2.    Informatie over geplande Uniewetgeving die direct gevolgen heeft voor de verordening of deze wijzigt, of die naar verwachting effect zal hebben op de financiële bijdrage in de zin van artikel 4 van deze overeenkomst, wordt gedeeld en besproken in het comité.


3.    In overeenstemming met de respectieve interne procedures van de overeenkomstsluitende partijen kan het comité een besluit nemen tot wijziging van de bijlagen bij deze overeenkomst.

4.    In geval van een wijziging van de artikelen 1 tot en met 6, de artikelen 10 tot en met 15, of de artikelen 17 of 18 van Protocol nr. 7, wijzigt het comité bijlage II dienovereenkomstig.

ARTIKEL 13

Beslechting van geschillen

Geschillen over de interpretatie of toepassing van deze overeenkomst worden beslecht door raadplegingen in het in artikel 12 bedoelde comité.

ARTIKEL 14

Bijlagen

De bijlagen bij deze overeenkomst vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.


ARTIKEL 15

Inwerkingtreding

1.    Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:

a)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

b)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;

c)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

d)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;

e)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;


f)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

g)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

h)    Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;

i)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;

j)    Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

k)    Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;

l)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;

m)    Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie.


3.    In afwijking van lid 1 komen de overeenkomstsluitende partijen overeen deze overeenkomst overeenkomstig hun respectieve interne procedures en wetgeving voorlopig toe te passen met ingang van 1 januari 2026, indien de datum van ondertekening van deze overeenkomst vóór 1 juli 2026 valt, of met ingang van 1 januari van het jaar na de ondertekening ervan, indien de datum van ondertekening van deze overeenkomst na 30 juni 2026 valt.

ARTIKEL 16

Wijziging van de overeenkomst

Deze overeenkomst kan te allen tijde in onderling overleg tussen de overeenkomstsluitende partijen worden gewijzigd.

ARTIKEL 17

Beëindiging en geldigheid

1.    Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

2.    Elke overeenkomstsluitende partij kan, na raadpleging in het in artikel 12 bedoelde comité, deze overeenkomst beëindigen door de andere overeenkomstsluitende partij daarvan in kennis te stellen. De geldigheidsduur van deze overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.


3.    Deze overeenkomst houdt op van kracht te zijn op de datum waarop de samenwerkingsovereenkomst ophoudt van kracht te zijn, en een protocol bij de overeenkomst betreffende de deelname van Zwitserland aan programma’s van de Unie niet voorziet in de deelname van Zwitserland aan het Agentschap.

Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

(Handtekeningblok, met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)

BIJLAGE I

FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND
AAN HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR HET RUIMTEVAARTPROGRAMMA

1.    De in de verordening bedoelde financiële bijdrage van Zwitserland aan de ontvangsten van het Agentschap voor het jaar N bestaat uit de som van:

a)    een operationele bijdrage; en

b)    een vergoeding voor deelname.

De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Unie tegen marktprijzen. Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).


De operationele bijdrage wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de onderdelen van de toegekende begroting van het Agentschap die relevant zijn voor de deelname van Zwitserland, als bedoeld in de verordening, voor jaar N.

De jaarlijkse vergoeding voor deelname is een percentage van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de vorige alinea. De jaarlijkse vergoeding voor deelname heeft de volgende waarden:

—    in 2026: 2 %

—    in 2027: 3 %

—    in 2028 en volgende jaren: 4 %.

Met ingang van 2028 kan het bij artikel 12, lid 3 van deze overeenkomst ingestelde gezamenlijk comité de hoogte van de vergoeding voor deelname aanpassen.

2.    De financiële bijdrage wordt betaald in euro’s.

3.    De reis- en verblijfkosten van de vertegenwoordigers en deskundigen van Zwitserland in het kader van hun deelname aan door de Agentschap georganiseerde vergaderingen in combinatie met de uitvoering van de werkzaamheden van het Agentschap worden door het Agentschap vergoed op dezelfde basis en volgens de procedures die gelden voor de deskundigen van de lidstaten van de lidstaten van de Unie.


4.    Overeenkomstig deze overeenkomst dient de Europese Commissie bij Zwitserland verzoeken tot storting in die overeenkomen met de bijdrage van Zwitserland aan de begroting van het Agentschap. Zwitserland betaalt zijn financiële bijdrage uiterlijk 45 dagen na ontvangst van het verzoek tot storting.

5.    Elk uitstel van betaling van de bijdrage leidt ertoe dat Zwitserland vanaf de vervaldatum achterstandsrente moet betalen over het uitstaande bedrag. Het rentepercentage is de op de eerste dag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met drieënhalf procentpunten.

________________

BIJLAGE II

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN 5

ARTIKEL 1

(overeenkomstig artikel 1 van Protocol nr. 7)

De gebouwen en terreinen van het Agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het Agentschap kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

ARTIKEL 2

(overeenkomstig artikel 2 van Protocol nr. 7)

Het archief van het Agentschap is onschendbaar.


ARTIKEL 3

(overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Protocol nr. 7)

1.    Het Agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.    Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Zwitserland naar het Agentschap worden geëxporteerd of die aan het Agentschap in Zwitserland beschikbaar worden gesteld, zijn geen indirecte heffingen en belastingen verschuldigd.

3.    Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een overeenkomstig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt. Het Agentschap is vrijgesteld van alle douanerechten en in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik; de aldus ingevoerde goederen mogen in Zwitserland niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van Zwitserland zijn goedgekeurd.

4.    Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

5.    Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.



ARTIKEL 4

(overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 7)

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Agentschap in Zwitserland de behandeling, welke door dat land aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Agentschap zijn niet aan censuur onderworpen.

ARTIKEL 5

(overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 7)

Het aan de leden en personeelsleden van het Agentschap verstrekte laissez-passer van de Unie wordt erkend als geldig reisdocument op het grondgebied van Zwitserland. Deze laissez-passer wordt aan ambtenaren en andere personeelsleden verstrekt onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (Verordening nr. 31 (EEG), nr. 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385), met inbegrip van eventuele latere wijzigingen).


ARTIKEL 6

(overeenkomstig artikel 10 van Protocol nr. 7)

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst in Zwitserland de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

ARTIKEL 7

(overeenkomstig artikel 11 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van Zwitserland:

a)    vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die enerzijds betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en anderzijds op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)    tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;


c)    inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d)    gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in Zwitserland hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland, als noodzakelijk beschouwt;

e)    gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van Zwitserland als noodzakelijk beschouwt.

ARTIKEL 8

(overeenkomstig artikel 12 van Protocol nr. 7)

Onder de voorwaarden en volgens de procedure die bij het Unierecht worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van Zwitserse federale, kantonnale en gemeentelijke belastingen op de door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten.


ARTIKEL 9

(overeenkomstig artikel 13 van Protocol nr. 7)

De ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van het Agentschap en op het ogenblik van hun indiensttreding bij het Agentschap vestigen op het grondgebied van Zwitserland, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in Zwitserland als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit een EU-lidstaat is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich in Zwitserland bevinden, worden in Zwitserland vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.


ARTIKEL 10

(overeenkomstig artikel 14 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt de regeling inzake de sociale voorzieningen vastgesteld, welke voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn.

Ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn derhalve niet verplicht zich aan te sluiten bij het Zwitserse socialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Leden van het gezin van de personeelsleden van het Agentschap worden gedekt door de regeling inzake de sociale voorzieningen voor ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland.

ARTIKEL 11

(overeenkomstig artikel 15 van Protocol nr. 7)

In het Unierecht wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 geheel of ten dele van toepassing zijn.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan Zwitserland medegedeeld.


ARTIKEL 12

(overeenkomstig artikel 17 van Protocol nr. 7)

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van het Agentschap uitsluitend in het belang van het Agentschap verleend.

Het Agentschap is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar mening van het Agentschap niet strijdig is met de belangen van het Agentschap.

ARTIKEL 13

(overeenkomstig artikel 18 van Protocol nr. 7)

Het Agentschap werkt, voor de toepassing van deze bijlage, samen met de verantwoordelijke autoriteiten van Zwitserland of de betrokken lidstaten van de Unie.

________________

BIJLAGE III

FINANCIËLE CONTROLE
MET BETREKKING TOT ZWITSERSE DEELNEMERS

AAN DE ACTIVITEITEN VAN HET AGENTSCHAP

ARTIKEL 1

Rechtstreekse communicatie

Het Agentschap en de Europese Commissie onderhouden rechtstreekse contacten met alle in Zwitserland gevestigde personen of entiteiten die betrokken zijn bij de activiteiten van het Agentschap als contractant, als deelnemer aan een programma van het Agentschap, als begunstigde van een betaling uit de begroting van het Agentschap of van de Unie, of als onderaannemer. Deze personen kunnen alle dienstige informatie en documentatie die zij gehouden zijn te verstrekken op grond van de in deze overeenkomst genoemde instrumenten en van de ter uitvoering daarvan gesloten contracten of overeenkomsten, alsmede van de in het kader daarvan genomen besluiten, rechtstreeks aan de Commissie en het Agentschap doen toekomen.


ARTIKEL 2

Controles

1.    Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad 6 en Gedelegeerde verordening (EU) 2019/715 van de Commissie 7 , alsook de overige instrumenten waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, kan in de contracten of overeenkomsten die met in Zwitserland gevestigde begunstigden worden gesloten en in de besluiten die in dat kader worden genomen, worden bepaald dat bij deze begunstigden of bij hun onderaannemers op ieder tijdstip wetenschappelijke, financiële of technologische audits of andere controles kunnen worden verricht door functionarissen van het Agentschap en de Commissie of door andere door dezen hiertoe gemachtigde personen.

2.    De functionarissen van het Agentschap en de Commissie alsook de andere door het Agentschap en de Commissie hiertoe gemachtigde personen krijgen passende toegang tot locaties, werkzaamheden en documenten, alsmede tot alle nodige informatie, inclusief informatie in elektronische vorm, om deze audits te kunnen uitvoeren. Dit toegangsrecht wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten of overeenkomsten die worden gesloten ter uitvoering van in deze overeenkomst vermelde instrumenten.

3.    De Europese Rekenkamer heeft dezelfde rechten als de Commissie.


4.    De audits kunnen plaatsvinden gedurende een periode van vijf jaar na het verstrijken van deze overeenkomst dan wel volgens het bepaalde in de contracten of overeenkomsten of in de ter zake genomen besluiten.

5.    De bevoegde Zwitserse auditautoriteit wordt van tevoren over de op het Zwitserse grondgebied te verrichten audits geïnformeerd. Het verstrekken van deze informatie is evenwel geen wettelijke voorwaarde voor de uitvoering van deze audits.

ARTIKEL 3

Controles ter plaatse

1.    In het kader van deze overeenkomst zijn de Europese Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gemachtigd op het Zwitserse grondgebied controles en verificaties ter plaatse te verrichten, zulks overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 8 .

2.    De controles en verificaties ter plaatse worden door de Europese Commissie voorbereid en uitgevoerd in nauwe samenwerking met de bevoegde Zwitserse auditautoriteit of met de andere door de bevoegde Zwitserse auditautoriteit aangewezen bevoegde Zwitserse autoriteiten, die tijdig over het voorwerp, het doel en de rechtsgrondslag van de controles en verificaties worden ingelicht, teneinde alle nodige hulp te kunnen verstrekken. Te dien einde kunnen functionarissen van de bevoegde Zwitserse autoriteiten aan de controles en verificaties ter plaatse deelnemen.


3.    Indien de betrokken Zwitserse autoriteiten dat verlangen, worden de controles en verificaties ter plaatse gezamenlijk door de Europese Commissie en deze autoriteiten uitgevoerd.

4.    Wanneer deelnemers aan het programma zich verzetten tegen een controle of verificatie ter plaatse, verlenen de Zwitserse autoriteiten de controleurs van de Europese Commissie, overeenkomstig de nationale bepalingen ter zake, de nodige assistentie om laatstgenoemden in staat te stellen de hun opgedragen controles en verificaties ter plaatse tot een goed einde te brengen.

5.    De Europese Commissie stelt de bevoegde Zwitserse auditautoriteit onverwijld in kennis van elk feit of elke verdenking in verband met een onregelmatigheid waarvan zij bij de uitvoering van de controle of verificatie ter plaatse kennis heeft gekregen. De Europese Commissie stelt in ieder geval de bevoegde Zwitserse auditautoriteit in kennis van het resultaat van deze controles en verificaties.

ARTIKEL 4

Informatie en raadpleging

1.    Met het oog op de goede uitvoering van deze bijlage wisselen de bevoegde Zwitserse autoriteiten en autoriteiten van de Unie op gezette tijden informatie uit en plegen zij, op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen, overleg.

2.    De bevoegde Zwitserse autoriteiten stellen het Agentschap en de Europese Commissie onverwijld in kennis van ieder onder hun aandacht gebracht feit waaraan het vermoeden zou kunnen worden ontleend dat er zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de sluiting en de uitvoering van de contracten of overeenkomsten die zijn gesloten in uitvoering van de instrumenten waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen.


ARTIKEL 5

Vertrouwelijkheid

Ingevolge deze bijlage meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt op dezelfde wijze beschermd als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het Zwitserse recht en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de instellingen van de Unie. Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de instellingen van de Unie of in de lidstaten of Zwitserland op grond van hun functie op de hoogte moeten zijn van deze informatie, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

ARTIKEL 6

Administratieve maatregelen en sancties

Onverminderd de toepassing van het Zwitserse strafrecht kan het Agentschap of de Europese Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad 9 .


ARTIKEL 7

Invordering en tenuitvoerlegging

Een besluit dat het Agentschap of de Europese Commissie neemt binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst, dat voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhoudt, vormt een executoriale titel in Zwitserland. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van het besluit, aangebracht door de nationale autoriteit die daartoe door de regering van Zwitserland is aangewezen. De tenuitvoerlegging vindt plaats overeenkomstig de Zwitserse wetgeving en procedurele voorschriften. Deze uitvoerbare besluiten worden beschouwd als executoriale titels in de zin van de federale wet betreffende schuldinvordering en faillissement (Bundesgesetz über Schuldbetreibung und Konkurs, SchKG) en zijn niet onderworpen aan toetsing ten gronde voor Zwitserse rechterlijke instanties. De Zwitserse regering maakt haar voor de toepassing van dit artikel aangewezen nationale autoriteit bekend aan het Agentschap, de Europese Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die worden gewezen ingevolge een arbitrageclausule, vormen onder dezelfde voorwaarden executoriale titel.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor de controle van de rechtsgeldigheid van een executoriale titel. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de Zwitserse rechterlijke instanties.

________________

(1)    Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/696/oj).
(2)    Met het oog op Beschikking 2000/518/EG van de Commissie van 26 juli 2000 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de passende bescherming van persoonsgegevens in Zwitserland (PB L 215 van 25.8.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2000/518/oj).
(3)    Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(4)    PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385, met inbegrip van eventuele latere wijzigingen.
(5)    Verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van het protocol worden ter informatie tussen haakjes vermeld.
(6)    Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking) (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(7)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1).
(8)    Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).
(9)    Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


PROTOCOL
TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

INZAKE PARLEMENTAIRE SAMENWERKING

DE EUROPESE UNIE (hierna “Unie” genoemd),

en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT (hierna “Zwitserland” genoemd),

hierna de “overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

GEZIEN de nauwe onderlinge banden die zij onderhouden op basis van hun nabijheid, gedeelde waarden en gemeenschappelijke Europese cultuur, en gezien het feit dat hun economieën sterk met elkaar verbonden zijn wat handel en investeringen betreft;

De doelstelling DELEND om bij te dragen aan de vlotte werking en de verdere ontwikkeling van het volledige potentieel van het alomvattende partnerschap van de Unie en Zwitserland,

INGENOMEN MET de afronding in december 2024 van de onderhandelingen over een breed bilateraal pakket voor de stabilisatie en ontwikkeling van hun betrekkingen;

GELEID DOOR DE WENS om bij te dragen tot de versterking van de samenwerking tussen het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



ARTIKEL 1

Er wordt een Gemengd Parlementair Comité opgericht. Het draagt door middel van dialoog en debat bij tot een beter begrip tussen de overeenkomstsluitende partijen over het brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen.

ARTIKEL 2

Het Gemengd Parlementair Comité bestaat uit een gelijk aantal leden van het Europees Parlement en de Zwitserse Bondsvergadering. Het totale aantal leden van het Gemengd Parlementair Comité wordt in zijn reglement van orde vastgesteld.

ARTIKEL 3

Het Gemengd Parlementair Comité komt ten minste eenmaal per jaar samen, afwisselend in de Unie en in Zwitserland.



ARTIKEL 4

Na zijn oprichting:

a)    kan het Gemengd Parlementair Comité de overeenkomstsluitende partijen om relevante informatie verzoeken over de uitvoering van overeenkomsten die deel uitmaken van het brede bilaterale pakket, alsook van eventuele toekomstige bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, die dat Comité vervolgens de gevraagde informatie verstrekken;

b)    wordt het Gemengd Parlementair Comité regelmatig geïnformeerd over de besluiten en aanbevelingen van de gemengde comités die zijn opgericht bij overeenkomsten die deel uitmaken van het brede bilaterale pakket en bij eventuele toekomstige bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt; en

c)    kan het Gemengd Parlementair Comité de overeenkomstsluitende partijen aanbevelingen doen.

ARTIKEL 5

Het Gemengd Parlementair Comité stelt zijn reglement van orde vast met een twee derde meerderheid van zijn leden.



ARTIKEL 6

1.    Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.

2.    Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving op grond van lid 1.

ARTIKEL 7

Dit protocol kan te allen tijde met wederzijdse instemming van de overeenkomstsluitende partijen worden gewijzigd.

Elke overeenkomstsluitende partij kan dit protocol te allen tijde opzeggen door de andere overeenkomstsluitende partij daarvan schriftelijk langs diplomatieke weg in kennis te stellen. De opzegging wordt van kracht drie maanden nadat kennisgeving daarvan is ontvangen.

Gedaan te [plaats], op [datum], in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.



TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit protocol hebben ondertekend.

Voor de Europese Unie

Voor de Zwitserse Bondsstaat

Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
VAN DE EUROPESE UNIE EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT

OVER DE INVOERING VAN EEN DIALOOG OP HOOG NIVEAU

OVER HET BREDE BILATERALE PAKKET

EN DE MOGELIJKE VERDERE ONTWIKKELING

VAN DE BILATERALE BETREKKINGEN TUSSEN

DE EUROPESE UNIE EN ZWITSERLAND

De Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat,

GEZIEN de nauwe onderlinge banden die zij onderhouden op basis van hun nabijheid, gedeelde waarden en gemeenschappelijke Europese cultuur, en gezien het feit dat hun economieën sterk met elkaar verbonden zijn wat handel en investeringen betreft;

De doelstelling DELEND om bij te dragen aan de vlotte werking en de verdere ontwikkeling van het volledige potentieel van het alomvattende partnerschap van de Europese Unie en Zwitserland,

HERINNEREND AAN de consensus van 27 oktober 2023 tussen vertegenwoordigers van de Zwitserse Bondsraad en de Europese Commissie, en met name lid 7,

INGENOMEN MET de afronding in december 2024 van de onderhandelingen over een breed bilateraal pakket voor de stabilisatie en ontwikkeling van hun betrekkingen;

Verklaart dat een dialoog op hoog niveau zal worden opgezet:

–    die gezamenlijk zal worden voorgezeten door de commissaris die verantwoordelijk is voor de betrekkingen met Zwitserland en het hoofd van het Zwitserse federale ministerie van Buitenlandse Zaken;


–    die erop gericht zal zijn het wederzijdse begrip te bevorderen, evenals de samenwerking met betrekking tot het via onderhandelingen tot stand gekomen brede bilaterale pakket en de mogelijke verdere ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen;

–    waar aangelegenheden van wederzijds belang besproken zullen worden, met name de deelname van Zwitserland aan de interne markt en mogelijkheden om het partnerschap tussen Zwitserland en de Europese Unie te versterken; en

–    waar de uitvoering van het brede bilaterale pakket, de werkzaamheden van het Gemengd Comité en de mogelijke verdere ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen regelmatig zullen worden geëvalueerd.

De dialoog op hoog niveau zal jaarlijks plaatsvinden, afwisselend in Zwitserland en in Brussel, om de voortgang te beoordelen en de toekomstige samenwerking te bespreken. De eerste dialoog vindt uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van het brede bilaterale pakket plaats, en bij die gelegenheid worden de nadere bepalingen ervan gezamenlijk vastgelegd.

Deze gezamenlijke verklaring doet geen afbreuk aan de totstandbrenging van een politieke dialoog over aangelegenheden van buitenlands en veiligheidsbeleid tussen de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en het hoofd van het Zwitserse federale ministerie van Buitenlandse Zaken, die afzonderlijk wordt gehouden.

Ondertekend te [plaats], op [datum] in tweevoud in het Engels en het Frans.

Voor de Europese Unie

Voor de Zwitserse Bondsstaat

Top

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 309 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat


Verklaringen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van het besluit van de Raad betreffende de sluiting,
namens de Unie, van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat

Gemeenschappelijke verklaringen bij het Protocol tot wijziging
van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds,

en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen:

Gemeenschappelijke verklaring over burgerschap van de Unie

Het begrip “burgerschap van de unie”, zoals ingevoerd bij het Verdrag van Maastricht (het huidige artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 20, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), heeft geen equivalent in de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen.

Hieruit volgt dat de integratie van Richtlijn 2004/38/EG in de overeenkomst, behoudens de in de overeenkomst vastgestelde uitzonderingen, geen afbreuk doet aan de evaluatie van de relevantie van toekomstige Uniewetgeving voor de overeenkomst, evenals van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, vóór of na de ondertekening van de overeenkomst, op basis van het begrip “burgerschap van de Unie”. Die relevantie wordt bepaald in overeenstemming met de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen, met inbegrip van de bepalingen in het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst.

De overeenkomst biedt geen rechtsgrondslag voor politieke rechten van onderdanen van de lidstaten en Zwitserland.



GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER DE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN MISBRUIK VAN RECHT

DIE BIJ RICHTLIJN 2004/38/EG ZIJN VERLEEND.

De overeenkomstsluitende partijen bevestigen de gemeenschappelijke doelstelling inzake de preventie en bestrijding van de in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde rechten 1 , in overeenstemming met artikel 35 van die Richtlijn, met name wat de toegang tot sociale bijstand betreft.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER WEIGERING VAN SOCIALE BIJSTAND EN BEËINDIGING VAN VERBLIJF

VÓÓR DE VERWERVING VAN EEN DUURZAAM VERBLIJFSRECHT

De overeenkomstsluitende partijen delen het standpunt dat burgers van de Unie en Zwitserse onderdanen geen onredelijke belasting mogen vormen voor de socialebijstandsstelsels van Zwitserland en de lidstaten respectievelijk. Om die reden mogen de partijen:

i)    gedurende de eerste drie maanden van verblijf de toegang tot sociale bijstand ontzeggen aan personen die geen werknemer zijn, zelfstandigen, of personen die de status van werknemer of zelfstandige behouden of een familielid van deze personen, zonder een individuele beoordeling te verrichten van de situatie van die persoon;

ii)    de toegang tot sociale bijstand ontzeggen aan economisch niet-actieve personen die niet voldoen aan de vereiste inzake het bezit van voldoende bestaansmiddelen voor zichzelf en hun gezinsleden;


iii)    nieuwkomers op de arbeidsmarkt en personen die niet de status van werknemer of zelfstandige hebben de toegang tot sociale bijstand ontzeggen, zonder een individuele beoordeling te verrichten van de situatie van die persoon.

Overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2004/38/EG 2 , mogen Zwitserland en de lidstaten personen uitzetten die niet langer voldoen aan de vereisten voor verblijfsrecht, zoals personen die niet langer de status van werknemer of zelfstandige hebben en die geen verblijfsrecht genieten op basis van andere bepalingen in de richtlijn. Om de status van werknemer te behouden, moeten werknemers of zelfstandigen, die niet als gevolg van een ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt zijn en die onvrijwillig werkloos zijn geworden, zich als werkzoekende inschrijven bij de betrokken bureaus voor arbeidsvoorziening en aan de vereisten voldoen om als werkzoekende ingeschreven te blijven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, op voorwaarde dat deze vereisten niet discriminerend zijn. In dit verband kan het gastland per geval en door dezelfde normen toe te passen voor de eigen onderdanen, in aanmerking nemen of een werkzoekende daadwerkelijk en in goed vertrouwen medewerking verleent aan het betrokken bureau om opnieuw toe te treden tot de arbeidsmarkt. De doelstelling van deze samenwerking is dat de werkzoekende binnen een redelijke termijn een baan vindt.

Dit moet worden toegepast in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER DE KENNISGEVING VAN DE AANVAARDING VAN EEN BAAN

De overeenkomstsluitende partijen delen het standpunt dat de dynamische afstemming door Zwitserland op de rechtshandelingen van de Unie met betrekking tot het vrije verkeer van personen geen afbreuk mag doen aan de toepassing van evenredige en niet-discriminerende administratieve verplichtingen voor werkgevers om de autoriteiten in kennis te stellen van indiensttredingen, zoals de Zwitserse kennisgevingsprocedure voor werkgerelateerde korte verblijven, die zijn bedoeld om de betrokken autoriteiten in staat te stellen doeltreffende arbeidsmarktcontroles uit te voeren.

Dergelijke administratieve verplichtingen mogen geen gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van de persoon, onder meer met het oog op het verwerven van duurzaam verblijfsrecht.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER HET VERDRAG INZAKE DE ERKENNING VAN KWALIFICATIES

De overeenkomstsluitende partijen merken op dat alle lidstaten en Zwitserland partij zijn bij het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio, en bevestigen dat zij dit naleven, zoals van kracht op de datum van ondertekening van het wijzigingsprotocol, bij de uitvoering van de overeenkomst.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING OVER VACATURES

De Zwitserse dynamische afstemming op het Eures-acquis moet nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 121 bis van de Zwitserse federale grondwet onverlet laten, die voorziet in een verplichting voor Zwitserse werkgevers om vacatures voor specifieke beroepen met een hoger dan gemiddelde werkloosheidsgraad bij het regionaal centrum voor arbeidsvoorziening (RAV) te registreren voordat de vacatures openbaar woorden gemaakt en aan het Eures-portaal worden overgedragen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER GEMEENSCHAPPELIJKE DOELSTELLINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID

VAN DIENSTVERRICHTING TOT MAXIMAAL 90 WERKDAGEN

EN DE WAARBORGING VAN DE RECHTEN VAN GEDETACHEERDE WERKNEMERS

Zwitserland en de Unie delen de gemeenschappelijke doelstelling om hun werknemers, evenals hun marktdeelnemers billijke voorwaarden te bieden met betrekking tot de vrijheid van dienstverlening tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar (met inbegrip van de detachering van werknemers), en tegelijkertijd de rechten van werknemers volledig te eerbiedigen.

Zwitserland en de Unie delen het standpunt dat evenredige en niet-discriminerende controles nodig zijn om de vrijheid van dienstverlening en de juiste en doeltreffende toepassing van de regels ter bescherming van werknemers te waarborgen door misbruik en omzeiling te voorkomen.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER DOELTREFFENDE CONTROLESYSTEMEN,

WAARONDER HET ZWITSERSE DUBBELE HANDHAVINGSSYSTEEM

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat het door Zwitserland en de lidstaten ingevoerde controlesysteem geschikt, doeltreffend en niet-discriminerend moet zijn. De uit hoofde van het nationale recht bevoegde handhavingsinstanties moeten doeltreffende controles uitvoeren op hun grondgebied om de naleving van de toepasselijke regels en verordeningen te garanderen. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van doeltreffende controles om de naleving van de toepasselijke regels en verordeningen te garanderen ligt bij de aangewezen instanties en andere uit hoofde van het nationale recht betrokken monitorings- en handhavingsinstanties die, zoals in het geval van Zwitserland, sociale partners kunnen betrekken, in overeenstemming met het Zwitserse stelsel van dubbele handhaving. Met deze regeling wordt erop toegezien dat de controle- en sanctiebevoegdheden van deze instanties worden gevrijwaard en geëerbiedigd. De controles moeten op evenredige en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd, rekening houdend met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING OVER HET BEGINSEL
VAN “GELIJK LOON VOOR GELIJK WERK OP DEZELFDE WERKPLEK”

EN OVER EEN EVENREDIG EN TOEREIKEND NIVEAU

VAN BESCHERMING VOOR GEDETACHEERDE WERKNEMERS

Gezien hun gemeenschappelijke doelstelling om het beginsel inzake “gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek” te vrijwaren en het feit dat Zwitserland dit beginsel toepast sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst op 1 juni 2002 en de uitvoering ervan de afgelopen jaren heeft versterkt op basis van een objectieve analyse van de risico’s en de evenredigheid van de controles, kunnen Zwitserland en de Unie allebei een evenredig en passend niveau van bescherming garanderen. Hun doel is de vrijheid van dienstverlening te garanderen en tegelijkertijd de billijke en doeltreffende handhaving van regelgeving te waarborgen, waarbij alle situaties van misbruik of omzeiling worden voorkomen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER DE DEELNAME VAN ZWITSERLAND

AAN DE ACTIVITEITEN VAN DE EUROPESE ARBEIDSAUTORITEIT

Zwitserland moet als waarnemer kunnen blijven deelnemen aan de vergaderingen en beraadslagingen van de raad van bestuur van de Europese Arbeidsautoriteit, zonder afbreuk te doen aan de werkafspraken die de Autoriteit samen met Zwitserland kan vaststellen overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) 2019/1149 3 .


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER HET DECLARATOIR REGISTRATIESYSTEEM

VOOR GRENSARBEIDERS

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat, indien Zwitserland overweegt grensarbeiders te registreren teneinde een verklaring te verkrijgen overeenkomstig artikel 7 bis van de overeenkomst, het dit met de naburige lidstaten moet bespreken in de relevante bilaterale fora. Dergelijke besprekingen mogen niet leiden tot een gedifferentieerde behandeling van grensarbeiders uit hoofde van de overeenkomst, en doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de grensarbeiders uit hoofde van de overeenkomst.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
OVER DE OPNAME VAN TWEE RECHTSHANDELINGEN VAN DE EU

IN BIJLAGE I BIJ DE OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen delen het standpunt dat Verordening (EU) 2024/2747 4 gedeeltelijk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt. Zij zijn het erover eens dat het Gemengd Comité de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat deze verordening in bijlage I bij de overeenkomst wordt geïntegreerd, onmiddellijk na de inwerkingtreding van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst. Bij deze integratie wordt rekening gehouden met het horizontale karakter van de verordening en mogelijke linken met andere bilaterale overeenkomsten tussen de overeenkomstsluitende partijen.


De overeenkomstsluitende partijen delen het standpunt dat Richtlijn (EU) 2024/2841 5 binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst valt. Zij zijn het erover eens dat het Gemengd Comité de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat deze richtlijn in bijlage I bij de overeenkomst wordt geïntegreerd, onmiddellijk na de inwerkingtreding van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
BIJ HET PROTOCOL INZAKE STAATSSTEUN

BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE EWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE LUCHTVERVOER

Indien de Europese Commissie steun verleent, in welke vorm dan ook, die niet onderworpen is aan de staatssteunregels uit hoofde van dit protocol, en die de mededinging verstoort of dreigt te verstoren door bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen te begunstigen en gevolgen heeft voor de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst, kan Zwitserland verzoeken om overleg te plegen om deze kwestie te bespreken.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
BIJ HET PROTOCOL VAN WIJZIGING

BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE HET GOEDEREN-

EN PERSONENVERVOER PER SPOOR EN OVER DE WEG

1.    De overeenkomstsluitende partijen merken op dat de toepasselijke EU-wetgeving toelaat dat onafhankelijke nationale instanties voor capaciteitstoewijzing bevoegd zijn om spoorwegtrajecten op niet-discriminerende wijze toe te wijzen.

De overeenkomstsluitende partijen merken op dat het verkeersbeheer overeenkomstig Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32) onder de bevoegdheid van de nationale infrastructuurbeheerders blijft vallen.

2.    De overeenkomstsluitende partijen merken op dat, met inachtneming van de respectieve mededingingsregels, de toepasselijke EU-wetgeving niet uitsluit dat internationale samenwerkingsverbanden internationale diensten exploiteren, met inbegrip van diensten die gedeeltelijk bestaan uit diensten die deelnemen aan de klokvaste dienstregeling.

3.    De overeenkomstsluitende partijen streven ernaar om de overgangsmaatregelen voor het behoud van een vlot spoorverkeer tussen Zwitserland en de Europese Unie, zoals vastgesteld bij Besluit nr. 2/2019 van het Comité vervoer over land Gemeenschap/Zwitserland (PB EU L 13 van 17.1.2020, blz. 43) om de drie jaar te handhaven, met inachtneming van de respectieve besluiten van het Gemengd Comité.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
BIJ HET PROTOCOL INZAKE STAATSSTEUN

BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE HET GOEDEREN-

EN PERSONENVERVOER PER SPOOR EN OVER DE WEG

Indien de Europese Commissie steun verleent, in welke vorm dan ook, die niet onderworpen is aan de staatssteunregels uit hoofde van dit protocol, en die de mededinging verstoort of dreigt te verstoren door bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen te begunstigen en gevolgen heeft voor de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst, kan Zwitserland verzoeken om overleg te plegen om deze kwestie te bespreken.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING
BIJ DE OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE UNIE

EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE ELEKTRICITEIT

Indien de Europese Commissie financiële steun verleent, in welke vorm dan ook, die niet onderworpen is aan de staatssteunregels uit hoofde van deze overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake elektriciteit en die door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en die het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst ongunstig beïnvloedt, kan Zwitserland om overleg verzoeken om de kwestie te bespreken.


Verklaringen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het besluit van de Raad betreffende de sluiting,
namens de Unie, van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat

VERKLARING VAN ZWITSERLAND
OVER MAATREGELEN DIE MOETEN WORDEN GENOMEN MET BETREKKING TOT ZELFSTANDIGEN

IN HET KADER VAN DE KENNISGEVINGSPROCEDURE

VOOR WERKGERELATEERDE KORTE VERBLIJVEN

Zwitserland verklaart dat het, in het licht van de oplossingen voor de detachering van werknemers zoals beschreven in bijlage I bij de overeenkomst en de gemeenschappelijke verklaring betreffende de kennisgeving van indiensttreding, indien nodig maatregelen zal nemen om ervoor te zorgen dat zelfstandigen deze regels niet omzeilen.


Verklaring bij de Overeenkomst
tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid

VERKLARING
DOOR DE ZWITSERSE BONDSSTAAT MET BETREKKING TOT

DE OPNAME NAAR ANALOGEI VAN DE INSTITUTIONELE ELEMENTEN

IN DE GEZONDHEIDSOVEREENKOMST

De Zwitserse Bondsstaat verklaart dat de institutionele elementen die gemeenschappelijk zijn aan de overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, slechts naar analogie in deze overeenkomst zijn opgenomen, aangezien dit noodzakelijk is voor de werking van de daarin beschreven samenwerking. Dit vormt geen precedent voor toekomstige overeenkomsten op andere gebieden dan die welke verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.

________________

(1)    Richtlijn 2004/38/EG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77), zoals van toepassing conform bijlage I bij de overeenkomst.
(2)    Richtlijn 2004/38/EG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77), zoals van toepassing conform bijlage I bij de overeenkomst.
(3)    Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) nr. 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van Besluit (EU) 2016/344 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21), met inbegrip van daarop volgende wijzigingen.
(4)    Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met noodsituaties op de interne markt en met de veerkracht van de interne markt en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (verordening inzake noodsituaties op de interne markt en veerkracht van de interne markt) (PB L, 2024/2747, 8.11.2024).
(5)    Richtlijn (EU) 2024/2841 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 tot invoering van de Europese kaart voor personen met een handicap en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (PB L, 2024/2841, 14.11.2024).
Top