EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 13.6.2025
COM(2025) 309 final
BIJLAGE
bij
Voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende de sluiting van een breed pakket overeenkomsten ter consolidatie, verdieping en uitbreiding van de bilaterale betrekkingen met de Zwitserse Bondsstaat
PROTOCOL VAN WIJZIGING
BIJ DE OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN HAAR LIDSTATEN,
ENERZIJDS,
EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, ANDERZIJDS,
OVER HET VRIJE VRIJ VERKEER VAN PERSONEN
DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,
en
DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;
GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gedaan te Brussel op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd), die op 1 juni 2002 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, dat op 1 april 2006 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 27 mei 2008, dat op 1 juni 2009 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij na de toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 4 maart 2016, dat op 1 januari 2017 in werking is getreden;
OVERWEGENDE DAT door de Unie gesloten overeenkomsten bindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten; dit protocol is derhalve van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in de overeenkomst;
ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:
ARTIKEL 1
Wijzigingen van de overeenkomst
De overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:
(1)
in de preambule worden, na de tweede overweging, de volgende overwegingen ingevoegd:
“ERKENNENDE dat het vrije verkeer een belangrijk aspect van de interne markt is en dat het waarborgen van het recht van onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen en hun familieleden om het respectieve grondgebied binnen te komen en er te verblijven, vrij van ongerechtvaardigde beperkingen en met volledige eerbiediging van het recht op gelijke behandeling, bijdraagt tot een betere werking van de delen van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt;
ZICH ERVAN BEWUST dat de uniformiteit moet worden gewaarborgd in de delen van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, met dien verstande dat de overeenkomst moet worden uitgelegd overeenkomstig het beginsel van eenvormige uitlegging van artikel 7 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst. De bevoegdheid van het Zwitserse federale gerechtshof (Bundesgericht) en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede van de lidstaten, van de rechterlijke instanties van de Europese Unie en het Hof van Justitie van de Europese Unie om deze overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, blijft behouden;
ERAAN HERINNEREND dat het recht op vrij verkeer en het recht op gelijke behandeling ook gelden voor onderdanen van één overeenkomstsluitende partij die hun recht op vrij verkeer uitoefenen of wensen uit te oefenen zonder te zijn verhuisd of nog niet zijn verhuisd om op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij te verblijven. Evenzo kunnen bepaalde rechten in verband met de uitoefening van vrij verkeer in het verleden, waaronder het recht op gelijke behandeling, van toepassing blijven nadat de onderdaan van een overeenkomstsluitende partij niet langer op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij verblijft;
VOORTS ERAAN HERINNEREND dat het vrije verkeer van personen werknemers, zelfstandigen en economisch niet-actieve personen omvat, mits deze personen voldoen aan de in deze overeenkomst gestelde voorwaarden voor legaal verblijf, in voorkomend geval met inbegrip van het bezit van voldoende bestaansmiddelen en een verzekering die de ziektekosten volledig dekt, zodat zij geen onredelijke belasting vormen voor de socialebijstandsstelsels van de overeenkomstsluitende partijen;
WIJZEND OP de doelstelling om het alomvattende partnerschap van de Unie en Zwitserland optimaal te consolideren en te ontwikkelen,”;
(2)
artikel 4 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 4
Recht op verblijf en op toegang tot een economische activiteit
Het recht op verblijf en op toegang tot een economische activiteit wordt gewaarborgd overeenkomstig bijlage I.”;
(3)
de volgende artikelen worden ingevoegd:
“ARTIKEL 4 bis
Recht van vestiging
1.
Een onderdaan van een overeenkomstsluitende partij heeft het recht zich op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij te vestigen om daar een activiteit als zelfstandige uit te oefenen.
2.
In het kader van de bepalingen van deze overeenkomst zijn beperkingen op de vrijheid van vestiging van onderdanen van een overeenkomstsluitende partij op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen en filialen door de onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij zijn gevestigd.
ARTIKEL 4 ter
Gelijke behandeling van zelfstandigen
1.
Ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden als zelfstandige genieten zelfstandigen in het ontvangende land een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die de eigen onderdanen genieten.
2.
De bepalingen van de artikelen 7 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze overeenkomst bedoelde zelfstandigen.”;
(4)
In artikel 5 wordt lid 4 vervangen door:
“4.
De in dit artikel bedoelde rechten worden gewaarborgd overeenkomstig de bijlagen I, II en III.”;
(5)
de volgende artikelen worden ingevoegd:
“ARTIKEL 5 bis
Verlening van diensten
Ten aanzien van het verlenen van diensten is overeenkomstig artikel 5 van deze overeenkomst het volgende verboden:
a)
alle beperkingen op grensoverschrijdende dienstverlening op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij waarvan de duur niet meer bedraagt dan 90 daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar;
b)
alle beperkingen op het recht van toegang en verblijf in de gevallen bedoeld in artikel 5, lid 2, van deze overeenkomst ten aanzien van werknemers, die niet de nationaliteit van een van de overeenkomstsluitende partijen hebben, van personen die diensten verlenen, die geïntegreerd zijn in de reguliere arbeidsmarkt van één overeenkomstsluitende partij en ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verlenen van een dienst op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, onverminderd het bepaalde in artikel 7 decies.
ARTIKEL 5 ter
Ondernemingen die diensten verlenen
Het bepaalde in artikel 5 bis is van toepassing op vennootschappen die opgericht zijn volgens het recht van de overeenkomstsluitende partijen, en waarvan het hoofdkantoor, de centrale administratie of de belangrijkste vestiging zich op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij bevindt.
ARTIKEL 5 quater
Gelijke behandeling van personen die diensten verlenen
Dienstverleners die het recht of de toestemming hebben om een dienst te verlenen, kunnen ten behoeve van het leveren van deze dienst tijdelijk hun werkzaamheden uitoefenen in het land waar de dienst wordt geleverd, onder dezelfde voorwaarden als die welke in dat land gelden voor de eigen onderdanen, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en de bijlagen I, II en III.
ARTIKEL 5 quinquies
Regels betreffende het verblijf van personen die diensten verlenen
1.
Personen die diensten verlenen en die onderdaan zijn van de lidstaten van de Unie of Zwitserland en gevestigd zijn op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij dan die van de ontvanger van de diensten, en werknemers, ongeacht hun nationaliteit, van personen die diensten verlenen, die zijn geïntegreerd in de reguliere arbeidsmarkt van één overeenkomstsluitende partij en ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verlenen van een dienst op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, en die het recht hebben of een vergunning hebben gekregen om een dienst te verlenen gedurende een periode van meer dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar, ontvangen, ter staving van dat recht, een verblijfsvergunning voor een periode die gelijk is aan die van het verlenen van diensten van meer dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.
2.
Voor de afgifte van dergelijke vergunningen mogen de overeenkomstsluitende partijen van de in lid 1 bedoelde personen geen andere documenten verlangen dan de hieronder genoemde:
a)
een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, onverminderd artikel 7 decies;
b)
een bewijsstuk dat zij een dienst verlenen of voornemens zijn die te verlenen.
ARTIKEL 5 sexies
Duur van de dienstverlening
1.
De totale duur van een dienstverlening als bedoeld in artikel 5 bis, punt a), ongeacht of het een ononderbroken periode of achtereenvolgende perioden betreft, mag niet meer bedragen dan negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.
2.
Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan de vervulling van de wettelijke verplichtingen van de verlener van diensten ten aanzien van de verplichte waarborg jegens de ontvanger van diensten, en is niet van toepassing in geval van overmacht.
ARTIKEL 5 septies
Regels die van toepassing zijn op de dienstverlening
1.
Het bepaalde in de artikelen 5 bis en 5 quater is niet van toepassing op werkzaamheden, ook indien deze van tijdelijke aard zijn, in verband met de uitoefening van het openbaar gezag op het grondgebied van de betrokken overeenkomstsluitende partij.
2.
Het bepaalde in de artikelen 5 bis en 5 quater, alsmede maatregelen die op grond daarvan zijn getroffen, doet geen afbreuk aan de toepassing van wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen op de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van werknemers die in het kader van een dienstverlening ter beschikking zijn gesteld, in overeenstemming met de relevante rechtshandelingen van de Unie inzake de terbeschikkingstelling van werknemers als bedoeld in bijlage I.
3.
Het bepaalde in artikel 5 bis, punt a), en artikel 5 quater doet geen afbreuk aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst op 1 juni 2002 in elke overeenkomstsluitende partij van kracht zijn inzake:
i)
de activiteiten van uitzendorganisaties en bureaus voor tijdelijke arbeid. Met name mag de dynamische afstemming van Zwitserland op Verordening (EU) 2016/589 er niet toe leiden dat Zwitserland zijn nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet langer op deze activiteiten kan toepassen;
ii)
financiële diensten voor de verstrekking waarvan op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij voorafgaande toestemming vereist is, en waarvan de verstrekker onderworpen is aan prudentieel toezicht van de overheid van deze overeenkomstsluitende partij.
ARTIKEL 5 octies
Periode van voorafgaande kennisgeving en controles
1.
Zwitserland kan in specifieke sectoren een periode van voorafgaande kennisgeving van maximaal vier werkdagen toepassen vóór de aanvang van de dienstverlening voor dienstverleners die zelfstandigen zijn en op zijn grondgebied diensten verlenen, alsook voorafgaand aan de terbeschikkingstelling voor dienstverleners die werknemers op zijn grondgebied ter beschikking stellen om controles ter plaatse uit te voeren.
2.
Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de kwantiteit en dichtheid van de controles, alsook de sectoren en gebieden die moeten worden gecontroleerd, met inbegrip van sectoren en gebieden die niet onder de periode van voorafgaande kennisgeving van maximaal vier werkdagen vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar.
3.
De vaststelling van de sectoren wordt periodiek geëvalueerd en geactualiseerd.
ARTIKEL 5 nonies
Financiële garanties en sancties
In het geval van dienstverleners die hun financiële verplichtingen jegens handhavingsautoriteiten en -organen als bedoeld in de gezamenlijke verklaring over doeltreffende controlesystemen, met inbegrip van het Zwitserse stelsel van duale handhaving met betrekking tot een eerdere dienstverlening, niet zijn nagekomen, kan Zwitserland verlangen dat een evenredige financiële garantie wordt gesteld voordat zij opnieuw diensten mogen verlenen in sectoren die op basis van een autonome en objectieve risicoanalyse zijn vastgesteld.
In geval van niet-betaling van de financiële garantie kan Zwitserland evenredige sancties opleggen, waaronder het verbod op het verlenen van diensten, totdat de garantie is betaald.
ARTIKEL 5 decies
Bewijs van werk als zelfstandige
Om het verschijnsel van schijnzelfstandigheid tegen te gaan door middel van efficiënte en risicogebaseerde controles, moet Zwitserland van zelfstandige dienstverleners kunnen verlangen dat zij documenten verstrekken die doeltreffende controles in het kader van controles achteraf mogelijk maken (ten hoogste: bevestiging van registratie, indien van toepassing; bewijs van inschrijving bij de socialezekerheidsinstanties als zelfstandige in het land van verblijf; bewijs van de contractuele relatie).
ARTIKEL 5 undecies
Non-regressie
1.
Om het door Zwitserland en de Unie in deze overeenkomst overeengekomen niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers te handhaven ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol, worden wijzigingen van de Richtlijnen 96/71/EG en 2014/67/EU of nieuwe rechtshandelingen van de Unie op het gebied van de terbeschikkingstelling van werknemers, niettegenstaande artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, niet in deze overeenkomst opgenomen voor zover zij tot gevolg zouden hebben dat het niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met name salarissen en toelagen, aanzienlijk wordt verzwakt of verlaagd.
2.
Voor de toepassing van lid 1 wordt elke wijziging van het niveau van bescherming van ter beschikking gestelde werknemers in haar totaliteit beoordeeld, rekening houdend met alle relevante bepalingen van deze overeenkomst.
ARTIKEL 5 duodecies
Ontvangers van diensten
Onderdanen van een lidstaat van de Unie of van Zwitserland die het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij binnenkomen uitsluitend om diensten te ontvangen, kunnen worden verplicht zich te registreren overeenkomstig de in bijlage I genoemde handelingen.”;
(6)
de volgende artikelen worden ingevoegd:
“ARTIKEL 7 bis
Grensarbeider
Een grensarbeider is een onderdaan van een overeenkomstsluitende partij die werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht in een overeenkomstsluitende partij maar woont in de andere overeenkomstsluitende partij, waarnaar hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.
De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partij waar de grensarbeider gedurende meer dan drie maanden per kalenderjaar de werkzaamheden verricht, kunnen de grensarbeider registreren teneinde een verklaring te verkrijgen.
De bevoegde autoriteiten geven de grensarbeider kosteloos of tegen een vergoeding die niet hoger is dan die welke voor de afgifte van soortgelijke documenten aan de onderdanen wordt opgelegd, een declaratoire verklaring van registratie af.
De registratie op grond van dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de betrokken grensarbeiders die zijn vastgesteld in de in de bijlagen bij deze overeenkomst genoemde handelingen. Voor perioden van tewerkstelling van minder dan of maximaal drie maanden kunnen de overeenkomstsluitende partijen de kennisgevingsprocedure toepassen overeenkomstig de gemeenschappelijke verklaring betreffende de kennisgeving van indiensttreding.
ARTIKEL 7 ter
Studenten
Studenten die niet op grond van een andere bepaling van deze overeenkomst een verblijfsrecht hebben op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij, kunnen worden verplicht zich te registreren overeenkomstig de in bijlage I genoemde handelingen. De toegang tot beroepsopleidingen en de bijstand aan de in dit artikel bedoelde studenten om in hun onderhoud te kunnen voorzien, worden niet bij deze overeenkomst geregeld.
a)
Niettegenstaande de voorgaande zin, is artikel 2 van toepassing, ongeacht de verblijfplaats van de student, op inschrijvingsgeld en alle andere vergoedingen of kosten in verband met studies en alle daarmee verband houdende mechanismen voor overheidssteun, die van toepassing zijn op studenten;
i)
universiteiten, universitaire instituten, hogescholen, instituten van hogescholen en aangesloten hogeronderwijsinstellingen in Zwitserland, grotendeels gefinancierd met overheidsmiddelen, en
ii)
elke overeenkomstige instelling in de Unie;
b)
behoudens het behoud van de kwaliteit en de specifieke kenmerken van haar respectieve
bestaande onderwijsstelsels, met inbegrip van de toelatingssystemen en de organisatie van
bevoegdheden, mag elke overeenkomstsluitende partij niet het algemene niveau verlagen van de studenten in haar
onder punt a) genoemde instellingen die onderdanen zijn van de andere overeenkomstsluitende partijen, en die vóór de aanvang van hun studie geen verblijfsrecht op haar grondgebied hadden, vanaf
de datum van inwerkingtreding van deze bepaling. Omwille van de duidelijkheid mag de voorgaande zin voor de overeenkomstsluitende partijen geen verplichting inhouden om hun respectieve toelatingssystemen te wijzigen, noch om het bovengenoemde niveau van de studenten te verhogen of een minimumaantal plaatsen te reserveren voor studenten uit de andere overeenkomstsluitende partijen;
c)
de overeenkomstsluitende partijen discrimineren niet tussen onderdanen van de andere overeenkomstsluitende
partijen, overeenkomstig de punten a) en b).
ARTIKEL 7 quater
Uitoefening van overheidsgezag
1.
Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die werkzaamheden in loondienst verrichten, kunnen worden uitgesloten van overheidsambten die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de staat of van andere overheden te behartigen.
2.
Zelfstandigen kunnen worden uitgesloten van het recht om werkzaamheden te verrichten die, ook indien zulks slechts incidenteel het geval is, uitoefening van het openbaar gezag inhouden.
ARTIKEL 7 quinquies
Openbare orde
De krachtens de bepalingen van deze overeenkomst verleende rechten kunnen slechts worden beperkt door maatregelen ter bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.
ARTIKEL 7 sexies
Duurzaam verblijf
Zwitserland en de lidstaten kunnen besluiten het duurzame verblijfsrecht uit hoofde van artikel 16 van Richtlijn 2004/38/EG uitsluitend toe te kennen aan respectievelijk burgers van de Unie en Zwitserse onderdanen die gedurende in totaal vijf jaar legaal in het gastland hebben verbleven als werknemer of zelfstandige, met inbegrip van degenen die die status overeenkomstig die richtlijn hebben behouden, alsmede aan de familieleden van deze personen. Voor zover zij deel uitmaken van één enkele periode van legaal verblijf in het gastland, hoeven de in aanmerking te nemen perioden niet ononderbroken te zijn, maar kunnen zij worden onderbroken door perioden van legaal verblijf als niet tot de beroepsbevolking behorend personen.
Voor de berekening van de perioden die nodig zijn voor het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig de eerste alinea, kunnen Zwitserland en de lidstaten besluiten geen rekening te houden met perioden van zes maanden of meer waarin de betrokkene volledig afhankelijk is van sociale bijstand.
Onder voorbehoud van de gemeenschappelijke verklaring betreffende de weigering van sociale bijstand en de beëindiging van het verblijf vóór het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht en overeenkomstig artikel 10, lid 6, van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst, blijven de verblijfsregels van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing op personen die niet in aanmerking komen voor het duurzame verblijfsrecht.
ARTIKEL 7 septies
Verwerving van onroerend goed
1.
Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die een verblijfsrecht genieten en hun hoofdverblijfplaats kiezen in de ontvangende staat, genieten ten aanzien van de verwerving van onroerend goed dezelfde rechten als de onderdanen van de ontvangende staat. Zij kunnen, ongeacht de duur van hun dienstverband, te allen tijde in de ontvangende staat overeenkomstig de nationale regels hun hoofdverblijfplaats vestigen. Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in.
2.
Onderdanen van een overeenkomstsluitende partij die een verblijfsrecht genieten en niet hun hoofdverblijfplaats kiezen in de ontvangende staat, genieten ten aanzien van de verwerving van onroerend goed ten behoeve van de uitoefening van een economische activiteit dezelfde rechten als de onderdanen van de ontvangende staat; Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in. Deze personen kan tevens worden toegestaan een tweede woning of een vakantiewoning te verwerven. Voor deze categorie onderdanen doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de geldende voorschriften inzake zuivere kapitaalbeleggingen en de handel in onbebouwde grond en in woningen.
3.
Grensarbeiders, onderdanen van een overeenkomstsluitende partij, genieten dezelfde rechten als nationale onderdanen wat betreft de verwerving van onroerend goed voor hun economische activiteit en als tweede woning. Vertrek uit de ontvangende staat houdt geen verplichting tot vervreemding in. Deze personen kan tevens worden toegestaan een vakantiewoning te verwerven. Voor deze categorie onderdanen doet deze overeenkomst geen afbreuk aan de in de ontvangende staat geldende voorschriften inzake zuivere kapitaalbeleggingen en de handel in onbebouwde grond en in woningen.
ARTIKEL 7 octies
Identiteitskaarten
Zwitserland mag identiteitskaarten blijven afgeven die geen opslagmedium met vingerafdrukken van de houder bevatten. Deze identiteitskaarten moeten visueel te onderscheiden zijn van identiteitskaarten die voldoen aan de vereisten van de in bijlage I genoemde handelingen betreffende dergelijke documenten. Dergelijke identiteitskaarten die vanaf één jaar na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol zijn afgegeven, kunnen door Zwitserse onderdanen niet worden gebruikt voor uitoefening van het vrije verkeer.
ARTIKEL 7 nonies
Verwijdering
Met betrekking tot beperkingen van het recht van binnenkomst en het recht van verblijf op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid van elkaars onderdanen, blijven de verplichtingen van Zwitserland en van de lidstaten uit hoofde van de overeenkomst vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol gehandhaafd.
Derhalve zijn de volgende, bij hoofdstuk VI van Richtlijn 2004/38/EG ingevoerde ontwikkelingen die verder gaan dan deze verplichtingen, namelijk een verhoogde bescherming tegen verwijdering als bedoeld in artikel 28, leden 2 en 3, alsook de rechtspraak van het Hof van Justitie in verband met deze bepalingen, niet van toepassing. Wat de in artikel 33, lid 2, van de richtlijn bedoelde verwijderingen betreft, kunnen Zwitserland en de lidstaten er bovendien voor zorgen dat de verwijderingen vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol volgens de vereisten uit hoofde van de overeenkomsten worden uitgevoerd, in plaats van dat zij de in die bepaling vastgestelde procedures toepassen.
ARTIKEL 7 decies
Binnenkomst van onderdanen van derde landen
De overeenkomstsluitende partijen mogen geen inreisvisum of gelijkwaardige vereisten verlangen van ter beschikking gestelde werknemers die niet de nationaliteit van een overeenkomstsluitende partij hebben en die zonder dergelijke vereisten een recht van binnenkomst genieten, overeenkomstig de in bijlage I opgenomen rechtshandelingen van de Unie of enig ander tussen de overeenkomstsluitende partijen van kracht zijnd instrument. De betrokken overeenkomstsluitende partij verleent de ter beschikking gestelde werknemers die een inreisvisum of een gelijkwaardig vereiste nodig hebben, alle faciliteiten voor het verkrijgen van de noodzakelijke visa.”;
(7)
artikel 10 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 10
Wijzigingen van het lidmaatschap van de Europese Unie
Elke uitbreiding van de overeenkomst naar nieuwe lidstaten is onderhevig aan overeenstemming tussen de partijen, in overeenstemming met hun interne procedures, door middel van een protocol. Tenzij anders overeengekomen, bevat een dergelijk protocol overgangsmaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke economische en sociale situatie in de Unie, met name in de nieuwe lidstaten, en Zwitserland, rekening houdend met de gevestigde praktijk van eerdere uitbreidingen van deze overeenkomst.”;
(8)
artikel 14 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 14
Gemengd Comité
1.
Er wordt een Gemengd Comité opgericht.
Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.
2.
Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van Zwitserland.
3.
Het Gemengd Comité handelt in dat geval als volgt:
a)
het zorgt voor de goede werking en het doeltreffende beheer en de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst;
b)
het biedt een forum voor wederzijds overleg en voortdurende uitwisseling van informatie tussen de overeenkomstsluitende partijen, met name om een oplossing te vinden voor moeilijkheden bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen overeenkomstig artikel 10 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;
c)
het doet aanbevelingen aan de overeenkomstsluitende partijen in aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen;
d)
het neemt besluiten op gebieden waarin deze overeenkomst voorziet; en
e)
het oefent alle andere bevoegdheden uit die hem bij deze overeenkomst zijn verleend.
4.
De Gemengd Comité handelt bij eenparigheid van stemmen.
Besluiten zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.
5.
Het Gemengd Comité komt ten minste een keer per jaar bijeen, afwisselend in Brussel en Bern, tenzij de medevoorzitters anders beslissen. Het Gemengd Comité komt ook bijeen op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat een vergadering van het Gemengd Comité per videoconferentie of teleconferentie wordt gehouden.
6.
Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast en werkt dit indien nodig bij.
7.
Het Gemengd Comité kan besluiten werkgroepen of deskundigengroepen op te richten om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.”;
(9)
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“ARTIKEL 14 bis
Vrijwaringclausule
1.
In geval van ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard als gevolg van de uitvoering van deze overeenkomst, komt het Gemengd Comité op verzoek van een der overeenkomstsluitende partijen bijeen teneinde te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om deze moeilijkheden op te lossen. Het Gemengd Comité kan een besluit nemen over de te nemen maatregelen binnen zestig dagen na de datum van het verzoek. Deze termijn kan door het Gemengd Comité worden verlengd.
2.
Indien het Gemengd Comité niet binnen de in lid 1 vastgestelde termijn een besluit neemt met betrekking tot passende maatregelen of verlenging van die termijn, kan de overeenkomstsluitende partij die het verzoek heeft ingediend de zaak voor een scheidsgerecht brengen in geval van ernstige economische moeilijkheden. Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na zijn instelling.
3.
Indien het scheidsgerecht beslist dat de vermeende moeilijkheden bewezen zijn en worden veroorzaakt door de toepassing van deze overeenkomst, kan de overeenkomstsluitende partij die het verzoek heeft ingediend passende maatregelen nemen om die moeilijkheden te verhelpen. Indien de door een overeenkomstsluitende partij overeenkomstig dit lid vastgestelde maatregelen leiden tot een onevenwichtigheid tussen de respectieve rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, kan de andere overeenkomstsluitende partij passende evenwichtsherstellende maatregelen nemen om die onevenwichtigheid binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst te verhelpen.
4.
In uitzonderlijke spoedeisende omstandigheden waarin een overeenkomstsluitende partij het risico loopt op zeer ernstige economische schade als gevolg van de toepassing van deze overeenkomst, kan die overeenkomstsluitende partij de zaak overeenkomstig het aanhangsel aanhangig maken bij een scheidsgerecht indien het Gemengd Comité niet binnen dertig dagen na het verzoek een besluit neemt. Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na zijn instelling.
5.
In de in lid 4 bedoelde omstandigheden kunnen de overeenkomstsluitende partijen, indien het scheidsgerecht besluit dat de vermeende moeilijkheden op het eerste gezicht zijn verholpen, voorlopige maatregelen en, in voorkomend geval, voorlopige evenwichtsherstellende maatregelen nemen. Artikel III.10 van het aanhangsel is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van lid 4, punt c).
6.
De in de leden 2 tot en met 5 bedoelde maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen worden vastgesteld binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst. De reikwijdte en de duur ervan mogen niet groter of langer zijn dan wat strikt noodzakelijk is om de moeilijkheden of de onevenwichtigheid te verhelpen die met de maatregelen worden aangepakt. Bij de keuze van maatregelen moet de voorkeur worden gegeven aan maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen die de werking van de overeenkomst het minst verstoren.
7.
Vanaf de datum van invoering wordt over de maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen om de drie maanden overleg gepleegd in het Gemengd Comité, met het oog op de intrekking ervan vóór de gestelde vervaldatum of op de beperking van het toepassingsgebied ervan tot wat strikt noodzakelijk is. Elke overeenkomstsluitende partij kan het Gemengd Comité te allen tijde om herziening van dergelijke maatregelen en evenwichtsherstellende maatregelen verzoeken.”;
(10)
artikel 18 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 18
Wijziging van de overeenkomst
Indien een der overeenkomstsluitende partijen de overeenkomst wenst te wijzigen, legt zij een voorstel daartoe aan het Gemengd Comité voor.
Wijzigingen van deze overeenkomst worden van kracht na voltooiing van de desbetreffende interne procedures van de overeenkomstsluitende partijen.”;
(11)
artikel 21 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 21
Verband met overeenkomsten betreffende belastingheffing
1.
Aan het bepaalde in bilaterale overeenkomsten tussen Zwitserland en de lidstaten van de Unie inzake dubbele belastingheffing wordt geen afbreuk gedaan door het bepaalde in de onderhavige overeenkomst. Het bepaalde in de onderhavige Overeenkomst heeft met name geen gevolgen voor de definitie van het begrip “grensarbeider” volgens overeenkomsten inzake dubbele belastingheffing.
2.
Geen van de bepalingen van deze overeenkomst kan worden geïnterpreteerd als een beletsel voor de overeenkomstsluitende partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die zich in verschillende situaties bevinden, met name wat hun woonplaats betreft. Dit vormt echter geen middel tot discriminatie of beperking van de rechten van personen als omschreven in deze overeenkomst.
3.
Geen enkele bepaling van deze overeenkomst belet de overeenkomstsluitende partijen maatregelen vast te stellen of toe te passen ter waarborging van de heffing, betaling en doeltreffende inning van belastingen of ter vermijding van belastingontwijking of -ontduiking in het kader van hun nationale belastingwetgeving of enige andere internationale of bilaterale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, waarbij Zwitserland, de Unie of een lidstaat partij zijn.”;
(12)
de volgende artikelen worden ingevoegd:
“ARTIKEL 23 bis
Geldigheid van verblijfsvergunningen en andere bijzondere vergunningen
Verblijfsvergunningen en andere bijzondere vergunningen die vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol door de overeenkomstsluitende partijen zijn afgegeven, blijven geldig en worden na het verstrijken ervan vervangen door de in deze overeenkomst bedoelde documenten, indien aan de voorwaarden voor de afgifte van die documenten is voldaan.
ARTIKEL 23 ter
Overgangsregelingen
1.
Op aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38/EG vallen, zijn de in dit lid vastgestelde overgangsregelingen van toepassing.
a)
Er geldt een overgangsperiode, die ingaat op de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol en 24 maanden na de inwerkingtreding ervan eindigt.
b)
De artikelen 5 duodecies, 7 bis, 7 quinquies, 7 sexies, 7 nonies, 7 decies en, voor de toepassing van deze overeenkomst, Richtlijn 2004/38/EG zijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode afloopt.
c)
De gevolgen van de volgende bepalingen van de overeenkomst in de versie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol worden tijdens de overgangsperiode gehandhaafd:
–
de artikelen 1 tot en met 7 en artikel 16, en
–
de artikelen 1 tot en met 9, 12 tot en met 15, 17, 19, 20 en 23 en artikel 24, met uitzondering van artikel 24, lid 4, laatste zin, van bijlage I.
Die bepalingen hebben geen gevolgen voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van andere in bijlage I genoemde handelingen vallen, met name Verordening (EU) nr. 492/2011 en Verordening (EU) 2016/589 als bedoeld in bijlage I, afdeling 2.
2.
Op aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU vallen, zijn de in dit lid vastgestelde overgangsregelingen van toepassing.
a)
Er geldt een overgangsperiode, die ingaat op de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol en 36 maanden na de inwerkingtreding ervan eindigt.
b)
Artikel 5 septies, lid 2, de artikelen 5 octies, 5 nonies, 5 decies, en, voor de toepassing van deze overeenkomst, Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU zijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode afloopt.
c)
De gevolgen van de volgende bepalingen van de overeenkomst in de versie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol worden tijdens de overgangsperiode gehandhaafd:
–
artikel 5, lid 4, en artikel 16, en
–
artikel 22, lid 2, van bijlage I.
Die bepalingen hebben geen gevolgen voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van andere in afdeling 2 van bijlage I genoemde handelingen vallen.”;
(13)
artikel 24 wordt vervangen door:
“ARTIKEL 24
Territoriaal toepassingsgebied
Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) van toepassing zijn, onder de in die Verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Zwitserland.”;
(14)
bijlage I bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij dit protocol;
(15)
bijlage II bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij dit protocol;
(16)
bijlage III bij de overeenkomst wordt vervangen door de tekst in bijlage III bij dit protocol;
(17)
het protocol betreffende tweede woningen in Denemarken wordt vervangen door de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol betreffende tweede woningen in Denemarken;
(18)
bijlage I bij het Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, betreffende het vrij verkeer van personen ten aanzien van de deelneming als overeenkomstsluitende partijen van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek ingevolge hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, wordt geschrapt;
(19)
de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol betreffende de verwerving van onroerend goed in Malta wordt als aanhangsel bij de overeenkomst gevoegd;
(20)
de tekst van het aan dit protocol gehechte protocol inzake verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen wordt als aanhangsel bij de overeenkomst gevoegd;
(21)
de gemeenschappelijke verklaringen en de unilaterale verklaring die aan dit protocol zijn gehecht, worden toegevoegd aan de verklaringen die aan de slotakte bij de overeenkomst zijn gehecht.
ARTIKEL 2
Inwerkingtreding
1.
Dit protocol wordt door de Unie en Zwitserland volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De Unie en Zwitserland stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.
2.
Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:
a)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;
b)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
c)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
d)
Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
e)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
f)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
g)
Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
h)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;
i)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;
j)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;
k)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;
l)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;
m)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.
Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)
BIJLAGE I
WIJZIGINGEN VAN BIJLAGE I BIJ DE OVEREENKOMST
Bijlage I bij de overeenkomst wordt vervangen door:
“BIJLAGE I
VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, RECHT VAN VESTIGING
EN DIENSTVERLENING
AFDELING 1
Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van deze overeenkomst zijn de in afdeling 2 van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.
Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.
Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling 2 genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.
AFDELING 2
BEDOELDE HANDELINGEN:
1.
31977 L 0486: Richtlijn 77/486/EEG van de Raad van 25 juli 1977 inzake het onderwijs aan de kinderen van migrerende werknemers (PB L 199 van 6.8.1977, blz. 32).
2.
31996 L 0071: Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32018 L 0957: Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
in artikel 1, lid -1 bis, wordt “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op Unieniveau zijn erkend” vervangen door “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op Unieniveau alsook in Zwitserland zijn erkend”;
b)
in artikel 1, lid 3:
i)
is punt c) niet van toepassing op Zwitserland;
ii)
zijn de tweede en derde alinea niet van toepassing op Zwitserland;
c)
in artikel 3:
i)
is lid 1 ter niet van toepassing op Zwitserland;
ii)
wordt in lid 10 “de Verdragen” vervangen door “de overeenkomst”;
d)
in artikel 4, lid 2:
i)
wordt in de eerste alinea, laatste zin, “wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld en neemt zij passende maatregelen” vervangen door “wordt het Gemengd Comité hiervan in kennis gesteld om een oplossing te vinden.”;
ii)
wordt de tweede alinea vervangen door:
“De Europese Unie en Zwitserland werken in het Gemengd Comité nauw samen om eventuele moeilijkheden tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de toepassing van artikel 3, lid 10, te onderzoeken”;
e)
voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 2, van de overeenkomst afloopt.
3.
32004 L 0038: Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77, gerectificeerd bij PB L 229 van 29.6.2004, blz. 35, PB L 30 van 3.2.2005, blz. 27 en PB L 197 van 28.7.2005, blz. 34).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
deze overeenkomst is van toepassing op onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen. De in de richtlijn bedoelde gezinsleden die onderdaan zijn van een derde land, genieten op grond van de richtlijn evenwel bepaalde rechten;
b)
de termen “burger van de Unie” en “burgers van de Unie” worden respectievelijk vervangen door “onderdaan van een lidstaat of Zwitserland” en “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;
c)
Artikel 16 wordt als volgt gelezen:
“1.
Onderdanen van de lidstaten en Zwitserland die op grond van artikel 7, lid 1, punt a), of lid 3, in totaal vijf jaar legaal op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij hebben verbleven, hebben daar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.
2.
Voor zover zij deel uitmaken van één enkele periode van legaal verblijf in het gastland, hoeven de perioden die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig lid 1, niet ononderbroken te zijn, maar kunnen zij worden onderbroken door perioden van legaal verblijf, niet op grond van artikel 7, lid 1, punt a), of lid 3.
3.
Voor de berekening van de perioden die nodig zijn voor het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig lid 1, kunnen Zwitserland en de lidstaten besluiten geen rekening te houden met perioden van zes maanden of meer waarin de betrokkene volledig afhankelijk is van sociale bijstand.
4.
Het duurzame verblijfsrecht wordt ook verworven door familieleden die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal met een onderdaan van een lidstaat of van Zwitserland in het gastland hebben verbleven.
5.
Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door terbeschikkingstelling om werkzaamheden te verrichten in een land.
6.
Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland.
7.
In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten en Zwitserland besluiten dat het duurzame verblijfsrecht wordt verworven door onderdanen van de lidstaten en Zwitserland die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij hebben verbleven.”;
d)
in artikel 24:
i)
wordt in lid 1 “het Verdrag en het afgeleide recht” vervangen door “de overeenkomst”;
ii)
wordt lid 2 vervangen door:
“In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, punt b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.”;
e)
in artikel 28 zijn de leden 2 en 3 niet van toepassing;
f)
aan artikel 33 wordt het volgende lid toegevoegd:
“Zwitserland en de lidstaten kunnen, in plaats van de in lid 2 vastgestelde procedures toe te passen, ervoor zorgen dat de handhaving van besluiten tot verwijdering wordt uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van artikel 3 van Richtlijn 64/221/EEG*
_______________
*
Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 56, van 4.4.1964, blz. 850), zoals van toepassing ten tijde van de inwerkingtreding van de overeenkomst op 1 juni 2002”;
g)
voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 1, van deze overeenkomst afloopt.
4.
32006 R 0635: Verordening (EG) nr. 635/2006 van de Commissie van 25 april 2006 tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1251/70 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 112 van 26.4.2006, blz. 9).
5.
32011 R 0492: Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32016 R 0589: Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1),
–
32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
Artikel 9, lid 1, komt als volgt te luiden: “Onverminderd artikel 7 septies van deze bijlage, komen werknemers die onderdaan zijn van een overeenkomstsluitende partij en werkzaam zijn op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, in aanmerking voor alle rechten en voordelen die worden toegekend aan nationale werknemers po het gebied van huisvesting, waaronder de mogelijkheid om de benodigde huisvesting in eigendom te verwerven.”;
b)
in artikel 36:
i)
is lid 1 niet van toepassing;
ii)
wordt in lid 2 de verwijzing naar “overeenkomstig artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde bepalingen” gelezen als een verwijzing naar de in deze overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Europese Unie op het gebied van de sociale zekerheid.
6.
32012 R 1024: Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32013 L 0055: Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),
–
32014 L 0060: Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 147 van 12.6.2015, blz. 24,
–
32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11),
–
32016 R 1191: Verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 (PB L 200 van 26.7.2016, blz. 1),
–
32016 R 1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53), gerectificeerd bij PB L 231 van 6.9.2019, blz. 29,
–
32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1),
–
32020 L 1057: Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 49),
–
32020 R 1055: Verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 17).
Zwitserland gebruikt het Informatiesysteem interne markt (IMI) als derde land voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, met IMI-actoren in de Unie om, in voorkomend geval, procedures voor administratieve samenwerking uit te voeren voor de toepassing van deze overeenkomst.
Voor de toepassing van deze overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 zolang Beschikking 2000/518/EG van kracht blijft. Voor de toepassing van deze bijlage en zoals gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 96/71/EG en de artikelen 6 en 7, artikel 10, lid 3, en de artikelen 14 tot en met 18 van Richtlijn 2014/67/EU, maakt Zwitserland gebruik van het IMI overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde beginselen en praktische regelingen van uitwisselingen.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de Zwitserse Commissions Paritaires beschouwd als bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 5, tweede alinea, punt f), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 en artikel 2, punt a), van Richtlijn 2014/67/EU. Zij gebruiken het IMI voor de uitvoering van de samenwerking als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 96/71/EG en de artikelen 6, 7 en artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2014/67/EU wanneer zij, zoals hen door Zwitserland is toevertrouwd, de Zwitserse collectieve arbeidsovereenkomsten en de Zwitserse wetgeving inzake de terbeschikkingstelling van werknemers uitvoeren, overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1024/2012 met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
in artikel 5, eerste zin, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
b)
artikel 8, lid 1, punt e), is niet van toepassing op Zwitserland;
c)
in artikel 9, lid 5, wordt, wat betreft Zwitserland, “het recht van de Unie” vervangen door “het recht van de Unie zoals opgenomen in deze overeenkomst”;
d)
in artikel 10, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, “In overeenstemming met het nationaal recht of met de wetgeving van de Unie” vervangen door “In overeenstemming met de Zwitserse wetgeving”;
e)
in artikel 16, leden 1 en 2, worden, wat betreft Zwitserland, de verwijzingen naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
f)
in artikel 17, lid 4, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
g)
in artikel 18, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
h)
in artikel 20 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
i)
in artikel 21:
i)
wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
ii)
is lid 3 niet van toepassing;
j)
artikel 25 is niet van toepassing;
k)
artikel 26, lid 1, wordt gelezen in overeenstemming met artikel 13 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst;
l)
Zwitserland wordt in het IMI opgenomen op de eerste dag van de zevenendertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
7.
32014 L 0054: Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
“werknemers in de Unie” wordt vervangen door “werknemers”;
b)
in de artikelen 1 en 3 wordt “artikel 45 VWEU” vervangen door “de overeenkomst”;
c)
in artikel 4 wordt “voorschriften van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers” vervangen door “de voorschriften inzake het vrije verkeer van werknemers overeenkomstig de overeenkomst” en is het woord “Solvit” niet van toepassing;
d)
in artikel 6 wordt “Uniewetgeving” vervangen door “de overeenkomst”;
e)
in artikel 7 wordt “artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG” vervangen door “de overeenkomst”;
f)
voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag van de vijfentwintigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
8.
32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”) (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
in artikel 1:
i)
wordt in lid 1, tweede alinea, “en bijdragen aan de werking van de interne markt, en tegelijkertijd de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting voor dienstverrichters vergemakkelijken en eerlijke concurrentie tussen dienstverrichters bevorderen” gelezen als “en, in een mate zoals voorzien in de overeenkomst, bijdragen aan de werking van de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, en tegelijkertijd, in een mate zoals voorzien in de overeenkomst, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting voor dienstverrichters vergemakkelijken en eerlijke concurrentie tussen dienstverrichters bevorderen”;
ii)
wordt in lid 2 “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op het niveau van de Unie zijn erkend” vervangen door “de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op het niveau van de Unie alsook in Zwitserland zijn erkend”;
b)
in artikel 4, lid 3, punt c), wordt, wat betreft Zwitserland, “in de zin van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) en/of het Verdrag van Rome” vervangen door “overeenkomstig het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 30 oktober 2007”;
c)
in artikel 6:
i)
wordt in lid 5, tweede alinea, “wordt de Commissie hiervan op de hoogte gesteld, in voorkomend geval via het IMI, en neemt zij passende maatregelen” vervangen door “wordt het Gemengd Comité hiervan op de hoogte gesteld om een oplossing te vinden.”;
ii)
wordt in lid 10 “ de relevante nationale en Uniewetgeving” vervangen door “het relevante nationale recht en de overeenkomst”.
d)
in artikel 7, lid 6, wordt “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”.
e)
in artikel 9:
i)
in lid 1:
–
wordt in de eerste alinea “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”;
–
wordt in de tweede alinea, punt a), “uiterlijk bij aanvang van de dienstverrichting” voor Zwitserland gelezen als “uiterlijk bij aanvang van de dienstverrichting, ten hoogste vier werkdagen in specifieke sectoren vóór de terbeschikkingstelling voor dienstverrichters die werknemers op zijn grondgebied ter beschikking stellen om controles ter plaatse uit te voeren (Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de sectoren en gebieden die onder de periode van voorafgaande kennisgeving vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar)”:
ii)
wordt in lid 3 “de Uniewetgeving” vervangen door “de overeenkomst”;
iii)
zijn in lid 5 de tweede en derde alinea niet van toepassing op Zwitserland;
f)
aan artikel 10, lid 2, wordt de volgende zin toegevoegd:
“Zwitserland bepaalt op basis van een objectieve risicoanalyse op evenredige en niet-discriminerende wijze autonoom de kwantiteit en dichtheid van de controles, alsook de sectoren en gebieden die moeten worden gecontroleerd, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de overeenkomst het vrij verrichten van diensten beperkt tot negentig daadwerkelijk gewerkte dagen per kalenderjaar”;
g)
in artikel 12:
i)
wordt in lid 4 “het recht van de Unie” vervangen door “de overeenkomst”;
ii)
wordt in lid 6 “het recht van de Unie en het nationaal recht en/of de nationale praktijk” vervangen door “de overeenkomst en het nationaal recht en/of de nationale praktijk”;
iii)
is lid 8 niet van toepassing op Zwitserland;
h)
aan artikel 20 worden de volgende zinnen toegevoegd:
“In het geval van dienstverleners die hun financiële verplichtingen jegens handhavingsautoriteiten en -organen, met betrekking tot een eerdere dienstverlening, niet zijn nagekomen, kan Zwitserland verlangen dat een evenredige financiële garantie wordt gesteld voordat zij opnieuw diensten mogen verlenen in sectoren die op basis van een autonome en objectieve risicoanalyse zijn vastgesteld. In geval van niet-betaling van de financiële garantie kan Zwitserland evenredige sancties opleggen, waaronder het verbod op het verlenen van diensten, totdat de garantie is betaald.”;
i)
voor de toepassing van deze overeenkomst is de richtlijn van toepassing vanaf de eerste dag na die waarop de overgangsperiode als bedoeld in artikel 23 ter, lid 2, van de overeenkomst afloopt.
9.
32016 R 0589: Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
voor de toepassing van de overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 2016/589 zolang Beschikking 2000/518/EG van kracht blijft.
b)
“artikel 45 VWEU” wordt vervangen door “artikel 4 van de overeenkomst”;
c)
“burgers van de Unie” wordt vervangen door “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;
d)
in artikel 6:
i)
zijn verwijzingen naar artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en naar artikel 145 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing;
ii)
wordt in punt d) “in de Unie” vervangen door “in de Unie en Zwitserland” en wordt “in overeenstemming met het Unierecht, het nationale recht en de nationale praktijken” vervangen door “in overeenstemming met de overeenkomst en het nationale recht en de nationale praktijken”;
e)
in artikel 9, lid 4, punt c), wordt “de bestaande Unievoorschriften en -instrumenten” vervangen door “de bestaande overeenkomstig de overeenkomst toepasselijke voorschriften en instrumenten”;
f)
in artikel 34 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.
10.
32017 D 1255: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1255 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende een template voor de beschrijving van de nationale systemen en procedures om organisaties als lid of partner van Eures toe te laten (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 18).
11.
32017 D 1256: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1256 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende de templates en de procedures voor de uitwisseling van informatie op het niveau van de Unie over de nationale werkprogramma’s van het Eures-netwerk (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 24).
12.
32017 D 1257: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1257 van de Commissie van 11 juli 2017 betreffende de nodige technische normen en formats voor een uniform systeem om matching van vacatures, sollicitaties en cv’s op het Eures-portaal mogelijk te maken (PB L 179 van 12.7.2017, blz. 32).
13.
32018 D 0170: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/170 van de Commissie van 2 februari 2018 betreffende de uniforme gedetailleerde specificaties voor de gegevensverzameling en -analyse ter monitoring en evaluatie van de werking van het Eures-netwerk (PB L 31 van 3.2.2018, blz. 104).
14.
32018 D 1020: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1020 van de Commissie van 18 juli 2018 betreffende het vaststellen en bijwerken van de lijst van vaardigheden, competenties en beroepen van de Europese classificatie voor de geautomatiseerde matching via het gemeenschappelijk IT-platform van Eures (PB L 183 van 19.7.2018, blz. 17).
15.
32018 D 1021: Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1021 van de Commissie van 18 juli 2018 betreffende de vaststelling van technische normen en formats die nodig zijn voor de exploitatie van de geautomatiseerde matching via het gemeenschappelijk IT-platform met behulp van de Europese classificatie en de interoperabiliteit tussen nationale systemen en de Europese classificatie (PB L 183 van 19.7.2018, blz. 20).
16.
32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32022 R 0868: Verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 1),
–
32024 R 1252: Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 (PB L, 2024/1252, 3.5.2024),
–
32024 R 1735: Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 (PB L, 2024/1735, 28.6.2024).
Een aantal van de gebieden als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) 2018/1724 en een aantal van de procedures als bedoeld in bijlage II bij die verordening vallen buiten het toepassingsgebied van deze overeenkomst. De integratie van die verordening in deze overeenkomst laat het toepassingsgebied van de overeenkomst onverlet.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
in artikel 1, lid 1:
i)
wordt in punt a) “op de rechtsorde van de Unie gebaseerde rechten op het gebied van de in artikel 26, lid 2, VWEU, bedoelde interne markt” vervangen door “op de overeenkomst gebaseerde rechten”;
ii)
zijn in punt b) de verwijzingen naar de Richtlijnen 2006/123/EG, 2014/24/EU en 2014/25/EU niet van toepassing;
b)
in artikel 13, lid 2, punt c), wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) nr. 910/2014 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
c)
in artikel 14:
i)
zijn in lid 1 de verwijzingen naar de Richtlijnen 2006/123/EG, 2014/24/EU en 2014/25/EU niet van toepassing;
ii)
wordt in lid 5, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
d)
in artikel 30, lid 1, punt b), wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Verordening (EU) nr. 910/2014 begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.
17.
32019 R 1157: Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 67).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de verordening met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
de termen “burger van de Unie” en “burgers van de Unie” worden respectievelijk vervangen door “onderdaan van een lidstaat of Zwitserland” en “onderdanen van de lidstaten en Zwitserland”;
b)
in artikel 3:
i)
is in lid 4, wat betreft Zwitserland, “negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek” niet van toepassing.
ii)
wordt in lid 5, wat betreft Zwitserland, de volgende alinea toegevoegd:
“In afwijking van de eerste alinea worden identiteitskaarten die worden afgegeven zonder een opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en de twee vingerafdrukken van de houder bevat, niet aanvaard met het oog op binnenkomst en verblijf in andere overeenkomstsluitende partijen en moeten zij visueel te onderscheiden zijn van identiteitskaarten die voldoen aan de vereisten van de eerste alinea.”;
c)
in artikel 5:
i)
wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2031” gelezen als “elf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (“het wijzigingsprotocol”)”;
ii)
wordt in lid 2, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2026” gelezen als “zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;
d)
in artikel 6, punt h), is, wat betreft Zwitserland, “negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek” niet van toepassing;
e)
in artikel 7, lid 2, wordt, wat betreft de lidstaten, “Familielid EU” vervangen door “Familielid CH”;
f)
in artikel 8:
i)
wordt in lid 1, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2026” gelezen als “zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;
ii)
wordt in lid 2, wat betreft Zwitserland, “uiterlijk op 3 augustus 2023” gelezen als “drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;
g)
in artikel 10, lid 2, is, wat betreft Zwitserland, “het Handvest” niet van toepassing.
h)
in artikel 11:
i)
wordt de verwijzing naar Verordening (EU) 2016/679, wat betreft Zwitserland, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.
ii)
wordt in lid 4, wat betreft Zwitserland, “Unie” gelezen als “de overeenkomst”;
i)
in artikel 16 wordt, wat betreft Zwitserland, “2 augustus 2021” gelezen als “één jaar na de datum van inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol”;
18.
32020 R 1121: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1121 van de Commissie van 29 juli 2020 betreffende het verzamelen en uitwisselen van gebruikersstatistieken en gebruikersreacties over de diensten van de ene digitale toegangspoort overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 245 van 30.7.2020, blz. 3).”.
________________
BIJLAGE II
COÖRDINATIE VAN SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS
Wijzigingen van bijlage II bij de overeenkomst
Bijlage II bij de overeenkomst wordt vervangen en komt als volgt te luiden:
“BIJLAGE II
COÖRDINATIE VAN SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS
I.
INLEIDING
Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van de overeenkomst zijn de in afdeling II van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.
Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.
Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling II genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.
II.
SECTORALE AANPASSINGEN
1.
Met betrekking tot de in deze bijlage vermelde handelingen zijn de volgende uitzonderingen van toepassing op Zwitserland:
a)
kantonnale wetgeving betreffende de voorschotten op de onderhoudsverplichtingen is uitgesloten van de regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels;
b)
aanvullende uitkeringen en vergelijkbare uitkeringen waarin de kantonnale wetgeving voorziet, mogen niet worden geëxporteerd;
c)
niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen bij werkloosheid, waarin de kantonnale wetgeving voorziet, mogen niet worden geëxporteerd;
d)
personen op wie de overeenkomst van toepassing is en die buiten Zwitserland en de Unie verblijven, kunnen zich uiterlijk één jaar na de datum waarop zij niet langer gedekt worden door de ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering en na een ononderbroken verzekeringsperiode van ten minste vijf jaar, aansluiten bij het stelsel van vrijwillige verzekering;
e)
personen die buiten Zwitserland en de Unie voor een werkgever in Zwitserland werken en die na een ononderbroken verzekeringsperiode van ten minste vijf jaar niet langer verzekerd zijn uit hoofde van de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering, kunnen de verzekering met instemming van de werkgever voortzetten indien zij een aanvraag indienen binnen zes maanden na de datum waarop zij ophouden verzekerd te zijn;
f)
de uitkering voor hulpbehoevenden die wordt toegekend op grond van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959 en de federale wet inzake ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946, mag niet worden geëxporteerd.
2.
De voorwaarden voor de deelname van Zwitserland aan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en aan de Technische Commissie voor gegevensverwerking en de Rekencommissie bij genoemde Administratieve Commissie, luiden als volgt:
Zwitserland mag een vertegenwoordiger met een adviserende stem (waarnemer) afvaardigen naar de vergaderingen van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels bij de Europese Commissie en naar vergaderingen van de Technische Commissie voor gegevensverwerking en de Rekencommissie.
3.
Bijzondere bepalingen betreffende de overgangsregelingen voor de werkloosheidsverzekering voor onderdanen van bepaalde lidstaten die beschikken over een Zwitserse verblijfsvergunning van minder dan één jaar, betreffende de Zwitserse uitkeringen voor steunbehoevenden en betreffende de overgangsperiode voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 op de verruimde pensioenregeling in het kader van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel zijn opgenomen in protocol I, dat integraal deel uitmaakt van deze bijlage.
4.
De regelingen die als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie van toepassing zijn voor de bescherming van rechten die particulieren uit hoofde van deze overeenkomst hebben verworven, zijn opgenomen in protocol II, dat integraal deel uitmaakt van deze bijlage.
A.
ALGEMENE COÖRDINATIE VAN DE SOCIALE ZEKERHEID
A.1
BEDOELDE HANDELINGEN
1.
32004 R 0883: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1 en PB L 204 van 4.8.2007, blz. 30, gewijzigd bij:
–
32009 R 0988: Verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 43),
–
32010 R 1244: Verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010 (PB L 338 van 22.12.2010, blz. 35),
–
32012 R 0465: Verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB L 149 van 8.6.2012, blz. 4),
–
32012 R 1224: Verordening (EU) nr. 1224/2012 van de Commissie van 18 december 2012 (PB L 349 van 19.12.2012, blz. 45),
–
32013 R 0517: Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),
–
32013 R 1372: Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie van 19 december 2013 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 27), gewijzigd bij:
–
32014 R 1368: Verordening (EU) nr. 1368/2014 van de Commissie van 17 december 2014 (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 15), gerectificeerd bij PB L 288 van 22.10.2016, blz. 58,
–
32017 R 0492: Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PB L 76 van 22.3.2017, blz. 13),
–
32019 R 1149: Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21).
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 883/2004 als volgt aangepast:
a)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage I, afdeling I:
“Zwitserland
Kantonnale wetgeving betreffende de voorschotten op de onderhoudsverplichtingen gebaseerd op artikel 131 bis, lid 1, en artikel 293, lid 2, van de federale burgerlijke wetgeving van 10 december 1907.”;
b)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage I, afdeling II:
“Zwitserland
Geboortetoelagen en adoptietoelagen krachtens de relevante kantonnale wetgeving gebaseerd op artikel 3, lid 2, van de federale wet inzake familiale uitkeringen van 24 maart 2006.”;
c)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage II:
“Duitsland-Zwitserland
a)
Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 25 februari 1964, zoals gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomsten nr. 1 van 9 september 1975 en nr. 2 van 2 maart 1989:
i)
punt 9b, lid 1, nrs. 1-4, van het finale protocol (toepasselijke wetgeving en recht op verstrekkingen bij ziekte voor inwoners van de Duitse exclave Büsingen);
ii)
punt 9e, lid 1b), eerste, tweede en vierde zin, van het finale protocol (recht op vrijwillige ziekteverzekering in Duitsland bij vestiging in Duitsland).
b)
Overeenkomst inzake de werkloosheidsverzekering van 20 oktober 1982, als gewijzigd bij het aanvullende protocol van 22 december 1992:
Artikel 8, lid 5, voorziet in de betaling door Duitsland (gemeente Büsingen) van een bedrag gelijk aan de kantonnale bijdrage volgens Zwitsers recht als deel van de kosten van de arbeidsplaatsen die in het kader van werkgelegenheidsmaatregelen door onder deze bepaling vallende werknemers daadwerkelijk worden bezet.
Spanje-Zwitserland
Punt 17 van het finale protocol bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 13 oktober 1969, zoals gewijzigd bij de aanvullende overeenkomst van 11 juni 1982; personen die aangesloten zijn bij de Spaanse verzekering op grond van deze bepaling zijn vrijgesteld van de vereiste om toe te treden tot de Zwitserse ziekteverzekering.
Italië-Zwitserland
Artikel 9, lid 1, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 14 december 1962, gewijzigd bij Aanvullende Overeenkomst nr. 1 van 18 december 1963, de aanvullende overeenkomst van 4 juli 1969, het aanvullende protocol van 25 februari 1974 en Aanvullende Overeenkomst nr. 2 van 2 april 1980.”;
d)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage IV:
“Zwitserland”;
e)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VIII, deel 1:
“Zwitserland
Alle aanvragen om ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het basisstelsel (federale wet inzake ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 en federale wet inzake invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959), alsmede de ouderdomspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;
f)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VIII, deel 2:
“Zwitserland
Ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;
g)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage IX, deel II:
“Zwitserland
Nabestaanden- en invaliditeitspensioenen uit de minimum- en de verruimde pensioenregeling onder het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel van 25 juni 1982).”;
h)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage X:
“Zwitserland
1.
Aanvullende uitkeringen (federale wet inzake aanvullende uitkeringen van 6 oktober 2006) en vergelijkbare uitkeringen waarin de kantonnale wetgeving voorziet.
2.
Pensioenen bij precaire sociale situaties in het kader van de invaliditeitsverzekering (artikel 28, alinea 1 bis, van de federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959, als gewijzigd op 7 oktober 1994).
3.
Niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen bij werkloosheid, waarin de kantonnale wetgeving voorziet.
4.
Niet op premie- of bijdragebetaling berustende buitengewone invaliditeitspensioenen voor gehandicapten (artikel 39 van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959) die vóór zij arbeidsongeschikt werden, niet onderworpen waren aan de Zwitserse arbeidswetgeving als werknemer of zelfstandige.”;
i)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage XI:
“Zwitserland
1.
Artikel 2 van de federale wet op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 alsmede artikel 1 ter van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959, die de vrijwillige verzekering in die takken regelen voor Zwitserse onderdanen die in een staat woonachtig zijn waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, zijn tevens van toepassing op personen die buiten Zwitserland woonachtig zijn en onderdaan zijn van de andere staten waarop deze overeenkomst van toepassing is, alsmede op vluchtelingen en staatlozen die op het grondgebied van die staten wonen, wanneer die personen ten laatste één jaar gerekend vanaf de dag waarop de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering is stopgezet na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, toetreden tot de vrijwillige verzekering.
2.
Wanneer iemand, na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, ophoudt verzekerd te zijn bij de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering, dan heeft die persoon het recht om met instemming van de werkgever die verzekering voort te zetten wanneer hij voor rekening van een werkgever in Zwitserland in een staat werkt waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, op voorwaarde dat het verzoek daartoe ingediend wordt binnen een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop de verzekering werd stopgezet.
3.
Verplichte verzekering bij de Zwitserse ziekteverzekering en vrijstellingsmogelijkheden
a)
De Zwitserse wettelijke bepalingen betreffende de verplichte ziekteverzekering zijn van toepassing op de volgende personen die niet in Zwitserland woonachtig zijn:
i)
personen die uit hoofde van titel II van de verordening aan de Zwitserse wettelijke bepalingen onderworpen zijn;
ii)
personen voor wie Zwitserland overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de verordening de kosten draagt;
iii)
personen die in het genot zijn van een werkloosheidsuitkering van de Zwitserse verzekering;
iv)
de gezinsleden van de in de punten i) en iii) genoemde personen of van een werknemer of zelfstandige die in Zwitserland woont en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij die gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Spanje, Hongarije, Portugal of Zweden;
v)
de gezinsleden van de in punt ii) genoemde personen of van een gepensioneerde die in Zwitserland woonachtig is en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij die gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Portugal of Zweden.
“Gezinsleden” zijn personen die als gezinsleden worden beschouwd door de wetgeving van de staat waar de woonplaats is gevestigd.
b)
De onder punt a) bedoelde personen kunnen op verzoek van de verplichte verzekering worden vrijgesteld indien en zolang zij in een van de volgende staten wonen en kunnen aantonen dat zij in aanmerking komen voor dekking bij ziekte: Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk en, met betrekking tot de onder punt a), iv) en v), bedoelde personen, Finland en, met betrekking tot de in punt a), ii), bedoelde personen, Portugal.
Het in punt b) bedoelde verzoek:
a)
moet worden ingediend binnen drie maanden na ingang van de verzekeringsplicht in Zwitserland; wanneer het verzoek in een gerechtvaardigd geval na deze termijn wordt ingediend, dan gaat de vrijstelling in vanaf het begin van de verzekeringsplicht;
b)
is van toepassing op alle gezinsleden die in dezelfde staat woonachtig zijn.
4.
Wanneer een persoon op wie uit hoofde van titel II van de verordening de Zwitserse wettelijke bepalingen van toepassing zijn, uit hoofde van punt 3, b), bij de ziekteverzekering aangesloten is van een andere staat waarvoor deze Overeenkomst geldt, dan worden de kosten van de verstrekkingen bij niet-arbeidsgebonden ongevallen gelijkelijk verdeeld tussen het orgaan van de Zwitserse verzekering voor arbeidsongevallen, niet-arbeidsgebonden ongevallen en beroepsziekten, en het bevoegd orgaan van de ziekteverzekering van de andere staat, als er aanspraak is op prestaties van beide organen. Wanneer er bij een arbeidsongeval, een ongeval op weg van of naar het werk, of bij een beroepsziekte, ook recht zou bestaan op prestaties van het orgaan van de ziekteverzekering van het woonland, dan worden deze kosten niettemin betaald door de Zwitserse verzekeraar tegen (arbeids)ongevallen en beroepsziekten.
5.
Op de personen die in Zwitserland werken, maar er niet woonachtig zijn en die op grond van punt 3, b), aangesloten zijn bij de wettelijke ziekteverzekering van hun woonland, alsmede op hun gezinsleden, zijn de bepalingen van artikel 19 van de verordening van toepassing tijdens een verblijf in Zwitserland.
6.
Voor de toepassing van de artikelen 18, 19, 20 en 27 van de verordening in Zwitserland draagt de bevoegde verzekeraar alle gefactureerde kosten.
7.
De verzekeringstijdvakken voor daguitkeringen die zijn vervuld bij een verzekering in een andere staat waarop deze Overeenkomst van toepassing is, worden meegeteld om een eventuele reserve in de daguitkeringsverzekering in geval van moederschap of ziekte te verkleinen of op te heffen wanneer de persoon zich binnen drie maanden na stopzetting van de buitenlandse verzekering bij een Zwitserse verzekeraar verzekert.
8.
Een werknemer of zelfstandige die niet langer valt onder de Zwitserse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering omdat hij zijn winstgevende bezigheid in Zwitserland, die hem de noodzakelijke bestaansmiddelen bezorgde, heeft moeten opgeven als gevolg van een ongeval of ziekte, wordt beschouwd als verzekerd krachtens deze verzekering voor wat de toekenning van revalidatiemaatregelen betreft, alsook tijdens de duur van deze revalidatiemaatregelen, tot aan de betaling van een invaliditeitspensioen, voor zover hij buiten Zwitserland geen nieuwe baan heeft.”.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 met de volgende aanpassing gelezen:
In artikel 77, lid 2, en artikel 78 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar de communautaire voorschriften op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, opgevat als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.
2.
32019 R 0500: Verordening (EU) 2019/500 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot vaststelling van noodmaatregelen op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 35).
3.
32009 R 0987: Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32010 R 1244: Verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010 (PB L 338 van 22.12.2010, blz. 35),
–
32012 R 0465: Verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB L 149 van 8.6.2012, blz. 4),
–
32012 R 1224: Verordening (EU) nr. 1224/2012 van de Commissie van 18 december 2012 (PB L 349 van 19.12.2012, blz. 45),
–
32013 R 1372: Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie van 19 december 2013 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 27),
–
32014 R 1368: Verordening (EU) nr. 1368/2014 van de Commissie van 17 december 2014 (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 15), gerectificeerd bij PB L 288 van 22.10.2016, blz. 58,
–
32017 R 0492: Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PB L 76 van 22.3.2017, blz. 13).
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 987/2009 als volgt aangepast:
De volgende tekst wordt toegevoegd aan de bijlage 1:
“Overeenkomst tussen Zwitserland en Portugal van 25 mei 2016 betreffende de verrekening van schuldvorderingen
Overeenkomst tussen Zwitserland en Griekenland van 15 november 2017 betreffende de verrekening van schuldvorderingen in verband met verstrekkingen overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 en de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009
Overeenkomst tussen Zwitserland en Italië van 27 februari 2023 betreffende de verrekening van schuldvorderingen.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EG) nr. 987/2009 met de volgende aanpassing gelezen:
In artikel 3, lid 3, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar de communautaire voorschriften op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, opgevat als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving.
4.
31971 R 1408: Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 1), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité van 31 maart 2012, en wanneer ernaar wordt verwezen in Verordening (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.
5.
31972 R 0574: Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie (PB L 39 van 10.2.2009, blz. 2), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van Besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité van 31 maart 2012, en wanneer ernaar wordt verwezen in Verordening (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.
A.2
BESLUITEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN GOEDE NOTA NEMEN
1.
32010 D 0424(01): Besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 1).
2.
32010 D 0424(02): Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake de wetgeving die van toepassing is op gedetacheerde werknemers en zelfstandigen die tijdelijk buiten de bevoegde lidstaat werken (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 5).
3.
32010 D 0608(01): Besluit nr. A3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 17 december 2009 betreffende de samentelling van ononderbroken vervulde detacheringstijdvakken op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad en Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 149 van 8.6.2010, blz. 3).
4.
32014 D 0520(03): Besluit nr. E4 van 13 maart 2014 betreffende de overgangstermijn zoals bepaald in artikel 95 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 152 van 20.5.2014, blz. 21).
5.
32017 D 0719(01): Besluit nr. E5 van 16 maart 2017 betreffende de praktische regelingen voor de overgangsperiode voor de elektronische uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 233 van 19.7.2017, blz. 3).
6.
32018 D 1004 (02): Besluit nr. E6 van 19 oktober 2017 betreffende de bepaling van het tijdstip waarop een elektronisch bericht wordt geacht wettelijk te zijn afgeleverd in het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI) (PB C 355 van 4.10.2018, blz. 5).
7.
32020 D 0306 (01): Besluit nr. E7 van 27 juni 2019 betreffende praktische regelingen voor samenwerking en gegevensuitwisseling totdat het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI) volledig ten uitvoer wordt gelegd in de lidstaten (PB C 73 van 6.3.2020, blz. 5).
8.
32024 D 06842: Besluit nr. E8 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 14 maart 2024 betreffende het instellen van een procedure voor het beheren van wijzigingen die van toepassing is op de gegevens van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad gedefinieerde organen, welke zijn opgenomen in het elektronische repertorium dat deel uitmaakt van EESSI (PB C/2024/6842, 12.11.2024).
9.
32010 D 0424(04): Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot prioriteitsregels bij samenloop van gezinsuitkeringen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 11).
10.
32016 D 0211(05): Besluit nr. F2 van 23 juni 2015 betreffende de uitwisseling van gegevens tussen organen in verband met de toekenning van gezinsbijslagen (PB C 52 van 11.2.2016, blz. 11).
11.
32019 D 0626(01): Besluit nr. F3 van 19 december 2018 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot de methode voor de berekening van de aanvullende toeslag (PB C 215 van 26.6.2019, blz. 2).
12.
32010 D 0424(05): Besluit nr. H1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende het kader voor de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 van de Raad naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de toepassing van besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 13).
13.
32010 D 0608(02): Besluit nr. H5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 18 maart 2010 betreffende de samenwerking bij de bestrijding van fraude en onjuistheden in het kader van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van de Raad en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 149 van 8.6.2010, blz. 5).
14.
32011 D 0212(01): Besluit nr. H6 van 16 december 2010 betreffende de toepassing van bepaalde beginselen inzake de samentelling van tijdvakken ingevolge artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 45 van 12.2.2011, blz. 5).
15.
32021 D 0506 (01): Besluit nr. H11 van 9 december 2020 betreffende het uitstel van de in de artikelen 67 en 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 en in Besluit nr. S9 genoemde termijnen vanwege de COVID-19-pandemie (PB C 170 van 6.5.2021, blz. 4).
16.
32022 D 0228 (01): Besluit nr. H12 van 19 oktober 2021 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 93 van 28.2.2022, blz. 6).
17.
32022 D 0810(01): Besluit nr. H13 van 30 maart 2022 betreffende de samenstelling en de werkmethoden van de Rekencommissie van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Voor de EER en de Overeenkomst EG/Zwitserland relevante tekst) 2022/C 305/03 (PB C 305 van 10.8.2022, blz. 4).
18.
32024 D 00594: Besluit nr. H14 van 21 juni 2023 betreffende de publicatie van de richtsnoeren over de COVID-19-pandemie, de nota over de interpretatie van de toepassing van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de artikelen 67 en 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 tijdens de COVID-19-pandemie, de richtsnoeren voor telewerk voor de periode tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023 en de richtsnoeren voor telewerk vanaf 1 juli 2023 (PB C/2024/594, 11.1.2024).
19.
32024 D 06845: Besluit nr. H15 van 27 juni 2024 betreffende de werkmethoden en de samenstelling van de Technische Commissie voor gegevensverwerking van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C/2024/6845, 14.11.2024).
20.
32010 D 0424(07): Besluit nr. P1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 50, lid 4, artikel 58, en artikel 87, lid 5, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen en ouderdoms- en nabestaandenpensioenen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 21).
21.
32013 D 0927(01): Besluit nr. R1 van 20 juni 2013 betreffende de interpretatie van artikel 85 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB C 279 van 27.9.2013, blz. 11).
22.
32010 D 0424(08): Besluit nr. S1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de Europese ziekteverzekeringskaart (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 23).
23.
32010 D 0424(09): Besluit nr. S2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de technische specificaties voor de Europese ziekteverzekeringskaart (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 26).
24.
32010 D 0424(10): Besluit nr. S3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 tot vaststelling van de verstrekkingen die onder artikel 19, lid 1, en artikel 27, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 25, punt A) 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad vallen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 40).
25.
32010 D 0424(15): Besluit nr. S5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 2 oktober 2009 betreffende de interpretatie van het begrip “verstrekkingen” zoals gedefinieerd in artikel 1, onder va), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad, bij ziekte en moederschap, zoals bedoeld in de artikelen 17, 19, 20 en 22, artikel 24, lid 1, de artikelen 25 en 26, artikel 27, leden 1, 3, 4 en 5, de artikelen 28 en 34, en artikel 36, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de vaststelling van de ingevolge de artikelen 62, 63 en 64 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad te vergoeden bedragen (PB
C 106 van 24.4.2010, blz. 54
).
26.
32010 D 0427(02): Besluit nr. S6 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 22 december 2009 betreffende de inschrijving in de lidstaat van de woonplaats krachtens artikel 24 van Verordening (EG) nr. 987/2009 en de opstelling van de inventarissen, als bedoeld in artikel 64, lid 4, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB
C 107 van 27.4.2010, blz. 6
).
27.
32011 D 0906(01): Besluit nr. S8 van 15 juni 2011 betreffende de toekenning van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen zoals voorgeschreven in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB C 262 van 6.9.2011, blz. 6).
28.
32014 D 0520(02): Besluit nr. S10 van 19 december 2013 betreffende de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 en de toepassing van de vergoedingsprocedures (PB C 152 van 20.5.2014, blz. 16).
29.
32021 D 0618(01): Besluit nr. S11 van 9 december 2020 betreffende vergoedingsprocedures voor de toepassing van de artikelen 35 en 41 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (PB C 236 van 18.6.2021, blz. 4).
30.
32025 D 01598: Besluit nr. S12 van 16 oktober 2024 betreffende de vergoeding van gezondheidszorg in verband met de overbrenging van patiënten naar een andere lidstaat bij een noodsituatie met veel slachtoffers (PB
C, C/2025/1598 van 13.3.2025
).
31.
32010 D 0424(11): Besluit nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende artikel 54, lid 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot verhoging van werkloosheidsuitkeringen wegens gezinsleden ten laste (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 26).
32.
32010 D 0424(12): Besluit nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de werkingssfeer van artikel 65, lid 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht op werkloosheidsuitkeringen van volledig werklozen die geen grensarbeiders zijn en die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonden (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 43).
33.
32010 D 0424(13): Besluit nr. U3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de draagwijdte van het begrip gedeeltelijke werkloosheid zoals dat van toepassing is op de in artikel 65, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werklozen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 45).
34.
32012 D 0225(01): Besluit nr. U4 van 13 december 2011 betreffende de vergoedingsprocedures ingevolge artikel 65, leden 6 en 7, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 70 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB C 57 van 25.2.2012, blz. 4).
A.3
BESLUITEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN NOTA NEMEN
1.
32018 H 0529(01): Aanbeveling nr. A1 van 18 oktober 2017 inzake de afgifte van de in artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad genoemde verklaring (PB C 183 van 29.5.2018, blz. 5).
2.
32013 H 0927(01): Aanbeveling nr. H1 van 19 juni 2013 betreffende de toepassing van de uitspraak in de zaak-Gottardo, volgens welke de voordelen voor de nationale werknemers van een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen een lidstaat en een derde staat ook moeten worden toegekend aan de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten (PB C 279 van 27.9.2013, blz. 13).
3.
32019 H 0429(01): Aanbeveling H2 van 10 oktober 2018 betreffende het opnemen van authenticatiemaatregelen voor door het orgaan van een lidstaat afgegeven draagbare documenten inzake de positie van een persoon voor de toepassing van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB C 147 van 29.4.2019, blz. 6).
4.
32012H0810(01) Aanbeveling nr. S1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 15 maart 2012 betreffende financiële aspecten van grensoverschrijdende orgaandonaties bij leven (PB C 240 van 10.8.2012, blz. 3).
5.
32014 H 0218(01): Aanbeveling nr. S2 van 22 oktober 2013 betreffende het recht op verstrekkingen bij verblijf in een derde land van verzekerde personen en hun gezinsleden uit hoofde van een bilaterale overeenkomst tussen de bevoegde lidstaat en het derde land (PB C 46 van 18.2.2014, blz. 8).
6.
32010 H 0424(02): Aanbeveling nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de wetgeving welke van toepassing is op werklozen die in deeltijd beroeps- of handelsactiviteiten verrichten op het grondgebied van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan zij wonen (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 49).
7.
32010 H 0424(03): Aanbeveling nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de toepassing van artikel 64, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad op werklozen die hun echtgeno(o)t(e) of partner vergezellen die een beroepswerkzaamheid uitoefent in een andere dan de bevoegde staat (PB C 106 van 24.4.2010, blz. 51).
B.
BESCHERMING VAN DE RECHTEN OP AANVULLEND PENSIOEN
BEDOELDE HANDELINGEN
1.
31998 L 0049: Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46).
2.
32014 L 0050: Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 1).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassing gelezen:
Artikel 6, lid 5: de verwijzing naar artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG is niet van toepassing op Zwitserland.
Zwitserland neemt de in artikel 8 van Richtlijn 2014/50/EU bedoelde maatregelen uiterlijk op de eerste dag van de negenenveertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
________________
PROTOCOL I
bij bijlage II bij de overeenkomst
I.
Werkloosheidsverzekering
De volgende regelingen gelden voor werknemers die onderdaan zijn van Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije tot en met 30 april 2011 en voor werknemers die onderdaan zijn van Bulgarije en Roemenië tot en met 31 mei 2016. De verzekering is van toepassing op werknemers die onderdaan zijn van de Republiek Kroatië tot het einde van het zevende jaar na de inwerkingtreding van het protocol betreffende de deelname van de Republiek Kroatië.
1.
Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering van werknemers in loondienst die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor minder dan een jaar, is de volgende regeling van toepassing:
1.1.
Alleen de werknemers die in Zwitserland premies hebben betaald gedurende de minimumperiode als voorgeschreven door de federale wet inzake de verplichte werkloosheidsverzekering en de vergoeding in geval van insolvabiliteit (loi fédérale sur l’assurance-chômage obligatoire et l’indemnité en cas d’insolvabilité – LACI)
en die voldoen aan de overige voorwaarden om aanspraak te maken op een werkloosheidsuitkering, hebben recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering onder de in de wet vastgestelde voorwaarden.
1.2.
Een gedeelte van het product van de ontvangen premies voor de werknemers die gedurende een te korte periode premies hebben betaald om in Zwitserland overeenkomstig punt 1.1 recht te hebben op een werkloosheidsuitkering, wordt overeenkomstig het bepaalde in punt 1.3 aan hun landen van herkomst terugbetaald als bijdrage in de kosten van de uitkeringen aan deze werknemers bij volledige werkloosheid; deze werknemers hebben bijgevolg geen recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering bij volledige werkloosheid in Zwitserland. Zij hebben echter recht op de vergoedingen bij weerverlet en insolvabiliteit van de werkgever. De uitkeringen bij volledige werkloosheid worden door het land van herkomst uitbetaald op voorwaarde dat de werknemers zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsvoorziening stellen. De in Zwitserland vervulde tijdvakken van verzekering worden in aanmerking genomen alsof zij in het land van herkomst waren vervuld.
1.3.
Het gedeelte van de voor de werknemers volgens punt 1.2 ontvangen premies wordt jaarlijks terugbetaald overeenkomstig de onderstaande bepalingen.
a)
Het product van de premies van deze werknemers wordt per land berekend op grond van het jaarlijkse aantal tewerkgestelde werknemers en het gemiddelde van de voor elke werknemer betaalde jaarlijkse premies (werkgevers- en werknemerspremies).
b)
Van het aldus berekende bedrag zal een met het percentage van de werkloosheidsuitkeringen ten opzichte van alle andere soorten uitkeringen, als vermeld in punt 1.2, overeenkomend gedeelte worden terugbetaald aan de landen van herkomst van de werknemers en voor Zwitserland zal een reserve voor latere uitkeringen worden aangelegd
.
c)
Zwitserland verstrekt elk jaar een afrekening van de terugbetaalde premies. Op verzoek van het land van herkomst worden de berekeningsbases en het bedrag van de terugbetalingen medegedeeld. De landen van herkomst delen jaarlijks aan Zwitserland het aantal personen mee die in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkeringen volgens punt 1.2.
2.
Mochten er zich voor een lidstaat moeilijkheden met het einde van het terugbetalingsstelsel of voor Zwitserland met het samentellingssysteem voordoen, dan kan een van de overeenkomstsluitende partijen het Gemengd Comité inschakelen.
II.
Uitkeringen voor steunbehoevenden
Uitkeringen voor steunbehoevenden die worden toegekend op grond van de Zwitserse federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959 en op grond van de federale wet op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering van 20 december 1946 zoals gewijzigd op 8 oktober 1999, worden uitsluitend toegekend indien de betrokken persoon in Zwitserland woonachtig is.
III.
Toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 op de verlengde toegezegde vergoedingen
Zwitserland past Verordening (EG) nr. 883/2004 toe op de verlengde regeling van de federale wet inzake de vrije overgang in de beroepsverzekering voor ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsuitkeringen van 17 december 1993, uiterlijk op de eerste dag van de negenenveertigste maand na de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol.
PROTOCOL II
bij bijlage II bij de overeenkomst
OVERWEGENDE dat in artikel 33 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “het Terugtrekkingsakkoord” genoemd) is bepaald dat titel III van deel twee van het Terugtrekkingsakkoord van toepassing is op onderdanen van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat, mits deze landen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeenkomstige, op de burgers van de Unie toepasselijke akkoorden, alsook met de Europese Unie op de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke akkoorden hebben gesloten en deze toepassen,
OVERWEGENDE dat in artikel 26 ter van de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Zwitserse Bondsstaat over de rechten van burgers na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen is bepaald dat deel III van die overeenkomst van toepassing is op burgers van de Unie, mits de Unie met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeenkomstige, op de burgers van Zwitserland toepasselijke akkoorden heeft gesloten en deze toepast, en met Zwitserland overeenkomstige, op de burgers van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke akkoorden heeft gesloten en deze toepast,
ERKENNENDE dat het noodzakelijk is te zorgen voor wederzijdse bescherming van de socialezekerheidsrechten voor onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede hun familieleden en nabestaanden, die zich uiterlijk aan het eind van de overgangsperiode in een grensoverschrijdende situatie bevinden of bevonden waarbij tegelijkertijd zowel een of meer van de overeenkomstsluitende partijen bij de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen als het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betrokken is of was,
ARTIKEL 1
Definities en verwijzingen
1.
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
a)
“Terugtrekkingsakkoord”: het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
;
b)
“overeenkomst inzake de rechten van burgers”: de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Zwitserse Bondsstaat over de rechten van burgers na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen;
c)
“betrokken staten”: de lidstaten van de Unie en Zwitserland;
d)
“overgangsperiode”: de in artikel 126 van het Terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode;
e)
en gelden de definities van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad
en artikel 1 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad
.
2.
Voor de toepassing van dit protocol worden alle verwijzingen naar lidstaten en bevoegde autoriteiten van lidstaten in bepalingen van het recht van de Unie die krachtens dit protocol van toepassing zijn geworden, zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk en zijn bevoegde autoriteiten omvatten.
ARTIKEL 2
Personele werkingssfeer
1.
Dit protocol is van toepassing op de volgende personen:
a)
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van een van de betrokken staten van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;
b)
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die in een van de betrokken staten wonen en op wie aan het eind van de overgangsperiode de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;
c)
personen die niet onder de punten a) of b) vallen maar onderdanen van het Verenigd Koninkrijk zijn die aan het eind van de overgangsperiode in een of meer van de betrokken staten werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige verrichten en op wie krachtens titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is, alsmede hun familieleden en nabestaanden;
d)
staatlozen en vluchtelingen die in een van de betrokken staten of in het Verenigd Koninkrijk wonen en die zich in een van de in de punten a) tot en met c) bedoelde situaties bevinden, alsmede hun familieleden en nabestaanden.
2.
De in lid 1 bedoelde personen vallen binnen de werkingssfeer zo lang zij zich ononderbroken blijven bevinden in een van de in dat lid genoemde situaties waarbij tegelijkertijd zowel een van de betrokken staten als het Verenigd Koninkrijk betrokken is.
3.
Dit protocol is eveneens van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die zich niet of niet langer in een van de in lid 1 van dit artikel bedoelde situaties bevinden, maar wel onder artikel 10 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 10 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers vallen, alsmede op hun gezinsleden en nabestaanden.
4.
De in lid 3 bedoelde personen vallen binnen de personele werkingssfeer zo lang zij een recht van verblijf in een van de betrokken staten hebben krachtens artikel 13 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 12 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers, of een recht om te werken in hun land van beroepsactiviteit krachtens artikel 24 of 25 van het Terugtrekkingsakkoord of artikel 20 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers.
5.
Wanneer dit artikel verwijst naar familieleden en nabestaanden, is dit protocol alleen op deze personen van toepassing voor zover zij in die hoedanigheid rechten en plichten ontlenen aan Verordening (EG) nr. 883/2004.
ARTIKEL 3
Regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels
1.
De regels en doelstellingen van artikel 8 van de overeenkomst en van deze bijlage, de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 zijn van toepassing op de personen die onder dit protocol vallen.
2.
De betrokken staten houden naar behoren rekening met de besluiten en aanbevelingen van de bij Verordening (EG) nr. 883/2004 bij de Europese Commissie ingestelde Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna “Administratieve Commissie” genoemd), die worden vermeld in afdeling A van deze bijlage.
ARTIKEL 4
Bijzondere situaties
1.
De volgende regels zijn van toepassing op de hierna genoemde situaties, in de mate die is vastgesteld in dit artikel, voor zover zij betrekking hebben op personen op wie artikel 2 niet of niet langer van toepassing is:
a)
onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en op wie de wetgeving van een van de betrokken staten van toepassing was vóór het einde van de overgangsperiode, alsmede hun gezinsleden en nabestaanden, vallen onder dit protocol waar het gaat om de aanspraak op en de samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, of van verblijf, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 uit dergelijke tijdvakken voortvloeien; voor de samentelling van tijdvakken wordt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004 rekening gehouden met zowel de voor als na het eind van de overgangsperiode voltooide tijdvakken;
b)
de in de artikelen 20 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede op staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, die voor het eind van de overgangsperiode uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 om toestemming voor een geplande medische behandeling hadden verzocht, totdat die behandeling is beëindigd. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van de behandeling van toepassing. Deze personen en de personen die hen begeleiden, hebben het recht het land van behandeling binnen te komen en te verlaten in overeenstemming met artikel 14 van het Terugtrekkingsakkoord mutatis mutandis en met artikel 13 van de overeenkomst inzake de rechten van burgers mutatis mutandis;
c)
de in de artikelen 19 en 27 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels blijven van toepassing op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsmede op staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen en die aan het eind van de overgangsperiode verblijf houden in een van de betrokken staten of het Verenigd Koninkrijk, tot aan het eind van hun verblijf. De daarmee samenhangende procedures voor vergoeding blijven ook na de beëindiging van het verblijf of de behandeling van toepassing;
d)
zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, blijven de in de artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vervatte regels van toepassing op de toekenning van gezinsuitkeringen waarop onderdanen van het Verenigd Koninkrijk recht hebben alsmede staatlozen en vluchtelingen die in het Verenigd Koninkrijk wonen op wie de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is en die familieleden hebben die aan het eind van de overgangsperiode in een van de betrokken staten wonen;
e)
in de in punt d) van dit lid genoemde situaties blijven voor personen die aan het eind van de overgangsperiode als familielid rechten genieten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004, zoals afgeleide rechten op uitkeringen in geval van ziekte, voornoemde verordening en de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 987/2009 van toepassing zolang de daarin gestelde voorwaarden worden vervuld.
2.
De bepalingen van hoofdstuk 1 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004 met betrekking tot uitkeringen bij ziekte zijn van toepassing op personen die een uitkering ontvangen uit hoofde van lid 1, punt a), van dit artikel.
Dit lid is van overeenkomstige toepassing op gezinsuitkeringen op grond van de artikelen 67, 68 en 69 van Verordening (EG) nr. 883/2004.
ARTIKEL 5
Vergoeding, terug- en invordering en verrekening
De bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 inzake vergoeding, terug- en invordering en verrekening blijven van toepassing in verband met gebeurtenissen, voor zover deze betrekking hebben op personen op wie artikel 2 niet van toepassing is, die:
a)
plaatsvonden voor het eind van de overgangsperiode; of
b)
plaatsvinden na het eind van de overgangsperiode en betrekking hebben op personen op wie de artikelen 2 of 4 van toepassing waren toen de gebeurtenis plaatsvond.
ARTIKEL 6
Ontwikkeling van recht en aanpassingen
1.
Onverminderd lid 3 worden verwijzingen in dit protocol naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 of bepalingen daarvan begrepen als verwijzingen naar de in de overeenkomst geïntegreerde handelingen of bepalingen die op de laatste dag van de overgangsperiode van toepassing zijn.
2.
Wanneer de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 na het eind van de overgangsperiode worden gewijzigd of vervangen, worden verwijzingen naar deze verordeningen in dit protocol begrepen als verwijzingen naar deze verordeningen zoals gewijzigd of vervangen, in overeenstemming met de in deel II van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord, wat betreft de Unie, en in deel II van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers, wat betreft Zwitserland genoemde handelingen.
3.
Voor de toepassing van dit protocol worden de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 geacht de aanpassingen te bevatten die zijn vermeld in deel III van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord, wat betreft de Unie, en in deel III van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers, wat betreft Zwitserland.
4.
Voor de toepassing van dit protocol worden de in de leden 2 en 3 bedoelde wijzigingen en aanpassingen van kracht op de dag na de dag waarop de overeenkomstige wijzigingen en aanpassingen van bijlage I bij het Terugtrekkingsakkoord of van bijlage I bij de overeenkomst inzake de rechten van burgers van kracht worden, indien dat later is.”.
_______________
BIJLAGE III
WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES
Wijzigingen van bijlage III bij de overeenkomst
Bijlage III bij de overeenkomst wordt vervangen en komt als volgt te luiden:
“BIJLAGE III
WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES
(Diploma’s, certificaten en andere opleidingstitels)
AFDELING 1
INLEIDING
Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 9 van de overeenkomst zijn de in afdeling 2 van deze bijlage vermelde rechtshandelingen van de Unie van toepassing met inachtneming van het in artikel 5 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst bedoelde beginsel van dynamische afstemming en met inachtneming van de in lid 7 van dat artikel genoemde uitzonderingen.
Tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, worden de rechten en verplichtingen waarin de in deze bijlage opgenomen rechtshandelingen van de Unie voor de lidstaten van de Unie voorzien, geacht te gelden voor Zwitserland. Dit wordt toegepast met volledige inachtneming van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.
Onverminderd artikel 16 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst en tenzij in technische aanpassingen anders is bepaald, zijn de bepalingen van de in afdeling 2 genoemde handelingen die de lidstaten verplichten informatie te verstrekken aan andere lidstaten of aan de Commissie, van toepassing op Zwitserland. Wanneer deze informatie betrekking heeft op toezicht of toepassing, deelt Zwitserland deze informatie mee via het Gemengd Comité.
AFDELING 2
BEDOELDE HANDELINGEN
1.
32005 L 0036: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22),
gewijzigd bij:
–
Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),
–
Verordening (EU) nr. 213/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van de bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 59 van 4.3.2011, blz. 4),
–
Mededeling van de Commissie — Kennisgeving van de in bijlage I bij Richtlijn 2005/36/EG genoemde beroepsverenigingen of -organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2 (PB C 111 van 15.5.2009, blz. 1),
–
Mededeling van de Commissie — Kennisgeving van de in bijlage I bij Richtlijn 2005/36/EG genoemde beroepsverenigingen of -organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2 (PB C 182 van 23.6.2011, blz. 1),
–
Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 112 van 24.4.2012, blz. 10),
–
Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368),
–
Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2016/790 van de Commissie van 13 januari 2016 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 134 van 24.5.2016, blz. 135),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/2113 van de Commissie van 11 september 2017 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 317 van 1.12.2017, blz. 119),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/608 van de Commissie van 16 januari 2019 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 104 van 15.4.2019, blz. 1),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2020/548 van de Commissie van 23 januari 2020 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 131 van 24.4.2020, blz. 1),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2021/2183 van de Commissie van 25 augustus 2021 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L 444 van 10.12.2021, blz. 16),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2023/2383 van de Commissie van 23 mei 2023 tot wijziging en rectificatie van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot opleidingstitels en benamingen van opleidingen (PB L 2383 van 9.10.2023, blz. 1),
–
Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/782 van de Commissie van 4 maart 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de minimumopleidingseisen voor de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde en apotheker (PB L, 2024/782, 31.5.2024),
–
Gedelegeerd Besluit (EU) 2024/1395 van de Commissie van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot beroepstitels en benamingen van opleidingen (PB L, 2024/1395, 31.5.2024).
gerectificeerd bij:
–
Rectificatie van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 93 van 4.4.2008, blz. 28),
–
Rectificatie van Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (PB L 177 van 8.7.2015, blz. 60).
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van de richtlijn met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.1 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Certificaat bij de opleidingstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Eidgenössisches Arztdiplom
Diplôme fédéral de médecin
Diploma federale di medico
|
Eidgenössisches Departement des Innern
Département fédéral de l’intérieur
Dipartimento federale dell’interno
|
|
1 juni 2002”
|
b)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Diplom als Facharzt
Diplôme de médecin spécialiste
Diploma di medico specialista
|
Eidgenössisches Departement des Innern und Verbindung der Schweizer Ärztinnen und Ärzte (FMH) / Schweizerische Institut für ärztliche Weiter- und Fortbildung (SIWF)
Département fédéral de l’intérieur et Fédération des médecins suisses (FMH) / Institut suisse pour la formation médicale postgraduée et continue (ISFM)
Dipartimento federale dell’interno e Federazione dei medici svizzeri (FMH) / Istituto svizzero per la formazione medica (ISFM)
|
1 juni 2002”
|
c)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.3 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Titel
|
|
Anesthesiologie
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Anästhesiologie
Anesthésiologie
Anestesiologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Algemene heelkunde
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Chirurgie
Chirurgie
Chirurgia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Neurochirurgie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Neurochirurgie
Neurochirurgie
Neurochirurgia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Verloskunde en gynaecologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Gynäkologie und Geburtshilfe
Gynécologie et obstétrique
Ginecologia e ostetricia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Interne geneeskunde
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Allgemeine Innere Medizin
Médecine interne générale
Medicina interna generale
|
|
Land
|
Titel
|
|
Oogheelkunde
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Ophthalmologie
Ophtalmologie
Oftalmologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Keel-, neus- en oorheelkunde
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Oto-Rhino-Laryngologie
Oto-rhino-laryngologie
Otorinolaringoiatria
|
|
Land
|
Titel
|
|
Kindergeneeskunde
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Kinder- und Jugendmedizin
Pédiatrie
Pediatria
|
|
Land
|
Titel
|
|
Ziekten der luchtwegen
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Pneumologie
Pneumologie
Pneumologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Urologie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Urologie
Urologie
Urologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Orthopedie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Orthopädische Chirurgie und Traumatologie des Bewegungsapparates
Chirurgie orthopédique et traumatologie de l’appareil locomoteur
Chirurgia ortopedica e traumatologia dell’apparato locomotore
|
|
Land
|
Titel
|
|
Pathologische anatomie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Pathologie
Pathologie
Patologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Neurologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Neurologie
Neurologie
Neurologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Psychiatrie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Psychiatrie und Psychotherapie
Psychiatrie et psychothérapie
Psichiatria e psicoterapia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Radiologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Radiologie
Radiologie
Radiologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Radiotherapie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Radio-Onkologie/Strahlentherapie
Radio-oncologie/radiothérapie
Radio-oncologia/radioterapia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Plastische chirurgie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Plastische, Rekonstruktive und Ästhetische Chirurgie
Chirurgie plastique, reconstructive et esthétique
Chirurgia plastica, ricostruttiva ed estetica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Cardio-thoracale chirurgie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Thoraxchirurgie
Chirurgie thoracique
Chirurgia toracica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Cardiochirurgie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Herz- und thorakale Gefässchirurgie;
Chirurgie cardiaque et vasculaire thoracique
Chirurgia del cuore e dei vasi toracici
|
|
Land
|
Titel
|
|
Vasculaire chirurgie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Gefässchirurgie
Chirurgie vasculaire
Chirurgia vascolare
|
|
Land
|
Titel
|
|
Kinderheelkunde
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Kinderchirurgie
Chirurgie pédiatrique
Chirurgia pediatrica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Cardiologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Kardiologie
Cardiologie
Cardiologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Maag- en darmziekten
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Gastroenterologie
Gastroentérologie
Gastroenterologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Reumatologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Rheumatologie
Rhumatologie
Reumatologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Algemene hematologie
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Hämatologie
Hématologie
Ematologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Endocrinologie
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Endokrinologie/Diabetologie
Endocrinologie/diabétologie
Endocrinologia/diabetologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Revalidatiegeneeskunde
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Physikalische Medizin und Rehabilitation
Médecine physique et réadaptation
Medicina fisica e riabilitazione
|
|
Land
|
Titel
|
|
Dermatologie en venerologie
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Dermatologie und Venerologie
Dermatologie et vénéréologie
Dermatologia e venerologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Tropische ziekten
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Tropen- und Reisemedizin
Médecine tropicale et médecine des voyages
Medicina tropicale e medicina di viaggio
|
|
Land
|
Titel
|
|
Kinderpsychiatrie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Kinder- und Jugendpsychiatrie und -psychotherapie
Psychiatrie et psychothérapie d’enfants et d’adolescents
Psichiatria e psicoterapia infantile e dell’adolescenza
|
|
Land
|
Titel
|
|
Nierziekten
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Nephrologie
Néphrologie
Nefrologia
|
|
Land
|
Titel
|
|
Besmettelijke ziekten
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Infektiologie
Infectiologie
Malattie infettive
|
|
Land
|
Titel
|
|
Maatschappij en gezondheid
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Prävention und Gesundheitswesen
Prévention et santé publique
Prevenzione e salute pubblica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Farmacologie
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Klinische Pharmakologie und Toxikologie
Pharmacologie et toxicologie cliniques
Farmacologia e tossicologia clinica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Arbeidsgeneeskunde
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Arbeitsmedizin
Médecine du travail
Medicina del lavoro
|
|
Land
|
Titel
|
|
Allergologie
Minimale opleidingsduur: 3 jaar
|
|
Zwitserland
|
Allergologie und klinische Immunologie
Allergologie et immunologie clinique
Allergologia e immunologia clinica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Nucleaire geneeskunde
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Nuklearmedizin
Médecine nucléaire
Medicina nucleare
|
|
Land
|
Titel
|
|
Mond-, tand- en maxillo-faciale chirurgie
(basisopleiding voor arts en voor beoefenaar der tandheelkunde)
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Mund-, Kiefer- und Gesichtschirurgie
Chirurgie orale et maxillo-faciale
Chirurgia oro-maxillo-facciale
|
|
Land
|
Titel
|
|
Medische oncologie
Minimale opleidingsduur: 5 jaar
|
|
Zwitserland
|
Medizinische Onkologie
Oncologie médicale
Oncologia medica
|
|
Land
|
Titel
|
|
Klinische genetica
Minimale opleidingsduur: 4 jaar
|
|
Zwitserland
|
Medizinische Genetik
Génétique médicale
Genetica medica”
|
d)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.1.4 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Beroepstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Diplom als praktischer Arzt/praktische Ärztin
Diplôme de médecin praticien
Diploma di medico generico
|
Praktischer Arzt/Praktische Ärztin
Médecin praticien
Medico generico
|
1 juni 2002”
|
e)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.2.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Beroepstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
1. Diplomierte Pflegefachfrau, diplomierter Pflegefachmann
Infirmière diplômée et infirmier diplômé
Infermiera diplomata e infermiere diplomato
|
Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen
Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l’État
Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato
|
Pflegefachfrau, Pflegefachmann
Infirmière, infirmier
Infermiera, infermiere
|
1 juni 2002
|
|
|
2. Bachelor verpleegkunde
|
Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen
Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l’État
Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato
|
Pflegefachfrau, Pflegefachmann
Infirmière, infirmier
Infermiera, infermiere
|
30 september 2011
|
|
|
3. Diplomierte Pflegefachfrau HF, diplomierter Pflegefachmann HF
Infirmière diplômée ES, infirmier diplômé ES
Infermiera diplomata SSS, infermiere diplomato SSS
|
Höhere Fachschulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen
Écoles supérieures qui proposent des filières de formation reconnues par l’État
Scuole specializzate superiori che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato
|
Pflegefachfrau, Pflegefachmann
Infirmière, infirmier
Infermiera, infermiere
|
1 juni 2002”
|
f)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.3.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Certificaat bij de opleidingstitel
|
Beroepstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Eidgenössisches Zahnarztdiplom
Diplôme fédéral de médecin-dentiste
Diploma federale di medico-dentista
|
Eidgenössisches Departement des Innern
Département fédéral de l’intérieur
Dipartimento federale dell’interno
|
|
Zahnarzt
Médecin-dentiste
Medico-dentista
|
1 juni 2002”
|
g)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.3.3 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Orthodontie
|
|
Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Diplom für Kieferorthopädie
Diplôme fédéral d’orthodontiste
Diploma di ortodontista
|
Eidgenössisches Departement des Innern und Schweizerische Zahnärzte-Gesellschaft (SSO) / Büro für zahnmedizinische Weiterbildung (BZW)
Département fédéral de l’intérieur et Société suisse d’odonto-stomatologie (SSO) / Bureau pour la formation postgrade en médecine dentaire (BZW)
Dipartimento federale dell’interno e Società Svizzera di Odontologia e Stomatologia (SSO) / Ufficio per la formazione post-laurea in odontoiatria (BZW)
|
1 juni 2002
|
|
Mondchirurgie
|
|
Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Diplom für Oralchirurgie
Diplôme fédéral de chirurgie orale
Diploma di chirurgia orale
|
Eidgenössisches Departement des Innern und Schweizerische Zahnärzte-Gesellschaft (SSO) / Büro für zahnmedizinische Weiterbildung (BZW)
Département fédéral de l’intérieur et Société suisse d’odonto-stomatologie (SSO) / Bureau pour la formation postgrade en médecine dentaire (BZW)
Dipartimento federale dell’interno e Società Svizzera di Odontologia e Stomatologia (SSO) / Ufficio per la formazione post-laurea in odontoiatria (BZW)
|
30 april 2004”
|
h)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.4.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Certificaat bij de opleidingstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Eidgenössisches Tierarztdiplom
Diplôme fédéral de vétérinaire
Diploma federale di veterinario
|
Eidgenössisches Departement des Innern
Département fédéral de l’intérieur
Dipartimento federale dell’interno
|
|
1 juni 2002”
|
i)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.5.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Beroepstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
1. Diplomierte Hebamme
Sage-femme diplômée
Levatrice diplomata
|
Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen
Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l'État
Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato
|
Hebamme
Sage-femme
Levatrice
|
1 juni 2002
|
|
|
2. [Bachelor of Science [Name of the UAS] in Midwifery]
“Bachelor of Science HES-SO de Sage-femme” (Bachelor of Science HES-SO in Midwifery)
“Bachelor of Science BFH Hebamme” (Bachelor of Science BFH in Midwifery)
“Bachelor of Science ZFH Hebamme” (Bachelor of Science ZHAW in Midwifery)
|
Schulen, die staatlich anerkannte Bildungsgänge durchführen
Écoles qui proposent des filières de formation reconnues par l'État
Scuole che propongono dei cicli di formazione riconosciuti dallo Stato
|
Hebamme
Sage-femme
Levatrice
|
1 juni 2002”
|
j)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.6.2 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Certificaat bij de opleidingstitel
|
Referentiedatum
|
|
Zwitserland
|
Eidgenössisches Apothekerdiplom
Diplôme fédéral de pharmacien
Diploma federale di farmacista
|
Eidgenössisches Departement des Innern
Département fédéral de l’intérieur
Dipartimento federale dell’interno
|
|
1 juni 2002”
|
k)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan punt 5.7.1 van bijlage V bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Uitreikende instelling
|
Certificaat bij de opleidingstitel
|
Referentie academiejaar
|
|
Zwitserland
|
Master of Science in Architecture – Diploma di architetto (Arch. Dipl. USI)
|
Accademia di Architettura dell’Università della Svizzera Italiana
|
|
2002-2003
|
|
|
Master of Arts BFH/HES-SO en architecture, Master BFH/HES-SO in architectuur
|
Haute école spécialisée de Suisse occidentale (HES-SO) tezamen met Berner Fachhochschule (BFH)
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Arts BFH/HES-SO in Architektur, Master BFH/HES-SO in architectuur
|
Haute école spécialisée de Suisse occidentale (HES-SO) tezamen met Berner Fachhochschule (BFH)
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Arts FHNW in Architektur
|
Fachhochschule Nordwestschweiz FHNW
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Arts FHZ in Architektur
|
Fachhochschule Zentralschweiz (FHZ)
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Arts ZFH in Architektur
|
Zürcher Fachhochschule (ZFH), Zürcher Hochschule für Angewandte Wissenschaften (ZHAW), Departement Architektur, Gestaltung und Bauingenieurwesen
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Science MSc in Architecture,
Architecte (arch. Dipl). EPF)
|
Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne
|
|
2007-2008
|
|
|
Master of Science ETH in Architektur, MSc ETH Arch
|
Eidgenössische Technische Hochschule Zurich
|
|
2007-2008”
|
l)
de volgende tekst wordt toegevoegd aan bijlage VI bij de richtlijn:
|
“Land
|
Opleidingstitel
|
Referentie academiejaar
|
|
Zwitserland
|
1. Diploma di Architetto
|
1996-1997
|
|
|
2. Master of Arts/Science in Architecture – Diploma di Architetto
|
2000-2001
|
|
|
3. Dipl. Arch. ETH,
arch. dipl. EPF,
arch. dipl. PF
|
2004-2005
|
|
|
4. Architecte diplômé EAUG
|
2004-2005
|
|
|
5. Architekt REG A
Architecte REG A
Architetto REG A
|
2004-2005”
|
2.
31977 L 0249: Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB L 78 van 26.3.1977, blz. 17),
gewijzigd bij:
–
1 1979 H: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen (PB L 291 van 19.11.1979, blz. 91),
–
1 1985 I: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB L 302 van 15.11.1985, blz. 23),
–
Besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1 van 1.1.1995, blz. 1),
–
1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),
–
32006 L 0100: Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),
–
32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 77/249/EEG als volgt aangepast:
De volgende tekst wordt toegevoegd aan artikel 1, lid 2:
“Zwitserland:
Advokat, Rechtsanwalt, Anwalt, Fürsprecher, Fürsprech
Avocat
Avvocato”.
3.
31998 L 0005: Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77 van 14.3.1998, blz. 36), gewijzigd bij:
–
1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),
–
32006 L 0100: Richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoersbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 141),
–
32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 98/5/EG als volgt aangepast:
De volgende tekst wordt toegevoegd aan artikel 1, lid 2, punt a):
“Zwitserland:
Advokat, Rechtsanwalt, Anwalt, Fürsprecher, Fürsprech
Avocat
Avvocato”.
4.
31974 L 0556: Richtlijn 74/556/EEG van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de werkzaamheden welke ressorteren onder de handel in en de distributie van giftige producten en de werkzaamheden die het beroepsmatig gebruik van die producten meebrengen met inbegrip van de werkzaamheden van tussenpersonen (PB L 307 van 18.11.1974, blz. 1).
5.
319s74 L 0557: Richtlijn 74/557/EEG van de Raad van 4 juni 1974 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden en voor de werkzaamheden van tussenpersonen welke onder de handel in en de distributie van giftige producten ressorteren (PB L 307 van 18.11.1974, blz. 5), gewijzigd bij:
–
Besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1 van 1.1.1995, blz. 1),
–
1 2003 T: Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd op 16 april 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33),
–
32006 L 0101: Richtlijn 2006/101/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van de Richtlijnen 73/239/EEG, 74/557/EEG en 2002/83/EG op het gebied van het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 238),
–
32013 L 0025: Richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 368).
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Richtlijn 74/557/EEG als volgt aangepast:
In Zwitserland:
Alle producten en giftige stoffen als bedoeld in de federale wet inzake bescherming tegen gevaarlijke stoffen en preparaten (geclassificeerde compilatie van federale wetgeving (CC 813.1), en met name de in de daarbij horende ordonnanties genoemde (CC 813) producten en giftige stoffen, alsook de giftige stoffen voor het milieu (CC 814.812.31, 814.812.32 en 814.812.33).
6.
31986 L 0653: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382 van 31.12.1986, blz. 17).
7.
32015 R 0983: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 27).
8.
32018 L 0958: Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25)
9.
32019 R 0907: Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/907 van de Commissie van 14 maart 2019 tot vaststelling van een gemeenschappelijke opleidingsproef voor skileraren overeenkomstig artikel 49 ter van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 145 van 4.6.2019, blz. 7).
10.
32023 D 0423: Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/423 van de Commissie van 24 februari 2023 betreffende een proefproject ter uitvoering van de bepalingen van Richtlijn 2005/36/EG en Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad inzake administratieve samenwerking met betrekking tot gereglementeerde beroepen via het Informatiesysteem interne markt en ter integratie van de databank van gereglementeerde beroepen in dat systeem (PB L 61 van 27.2.2023, blz. 62).
11.
32012 R 1024: Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), gewijzigd bij:
–
32013 L 0055: Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132),
–
32014 L 0060: Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 147 van 12.6.2015, blz. 24,
–
32014 L 0067: Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11),
–
32016 R 1191: Verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 (PB L 200 van 26.7.2016, blz. 1),
–
32016 R 1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53), gerectificeerd bij PB L 231 van 6.9.2019, blz. 29,
–
32018 R 1724: Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1),
–
32020 L 1057: Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 49),
–
32020 R 1055: Verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 17).
Zwitserland gebruikt het Informatiesysteem interne markt (IMI) als derde land voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, met IMI-actoren in de Unie om, in voorkomend geval, procedures voor administratieve samenwerking uit te voeren voor de toepassing van deze overeenkomst.
Voor de toepassing van deze overeenkomst blijft de Commissie van oordeel dat Zwitserland passende bescherming van persoonsgegevens biedt, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 1024/2012 zolang Beschikking 2000/518/EG van kracht blijft.
Zwitserland gebruikt het IMI-systeem voor de uitvoering van procedures voor administratieve samenwerking als bedoeld in de artikelen 4 bis tot en met 4 sexies, artikel 8, artikel 21 bis, artikel 50, artikel 56 en artikel 56 bis van Richtlijn 2005/36/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU, overeenkomstig de in die artikelen vastgestelde beginselen en praktische regelingen van uitwisselingen.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1024/2012 met de volgende aanpassingen gelezen:
a)
in artikel 5, eerste zin, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
b)
artikel 8, lid 1, punt e), is niet van toepassing op Zwitserland;
c)
in artikel 9, lid 5, wordt, wat betreft Zwitserland, “het recht van de Unie” vervangen door “het recht van de Unie zoals opgenomen in deze overeenkomst”;
d)
in artikel 10, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, “In overeenstemming met het nationaal recht of met de wetgeving van de Unie” vervangen door “In overeenstemming met de Zwitserse wetgeving”;
e)
in artikel 16, leden 1 en 2, worden, wat betreft Zwitserland, de verwijzingen naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
f)
in artikel 17, lid 4, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
g)
in artikel 18, lid 1, wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
h)
in artikel 20 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG, begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
i)
in artikel 21:
i)
in lid 1 wordt, wat betreft Zwitserland, de verwijzing naar Richtlijn 95/46/EG begrepen als een verwijzing naar de desbetreffende nationale wetgeving;
ii)
lid 3 is niet van toepassing;
j)
artikel 25 is niet van toepassing;
k)
artikel 26, lid 1, wordt gelezen in overeenstemming met artikel 13 van het protocol betreffende de instellingen bij deze overeenkomst.”.
_______________
PROTOCOL
BETREFFENDE TWEEDE WONINGEN IN DENEMARKEN
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat Protocol nr. 32 betreffende de verwerving van onroerende goederen in Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ook van toepassing is op deze overeenkomst betreffende de verwerving van tweede woningen door Zwitserse onderdanen in Denemarken.
PROTOCOL
BETREFFENDE DE VERWERVING VAN ONROEREND GOED IN MALTA
De verwerving van onroerend goed op de Maltese eilanden wordt geregeld bij de wet inzake eigendom van onroerend goed (verwerving door niet-ingezetenen) (hoofdstuk 246 van de wetten van Malta).
In die wet wordt het volgende bepaald:
a)
Een Zwitserse burger mag in Malta onroerend goed kopen:
(1)
Indien het onroerend goed als hoofdverblijf zal worden gebruikt of indien de aanvrager langer dan vijf jaar als ingezetene in Malta heeft gewoond of indien het onroerend goed voor zakelijke doeleinden zal worden gebruikt, gelden er geen beperkingen.
(2)
Indien het onroerend goed zal worden gebruikt voor secundaire verblijfsdoeleinden en de aanvrager niet gedurende een periode van vijf jaar in Malta heeft gewoond, is een vergunning voor de verwerving van onroerend goed vereist en gelden de voorwaarden als bepaald in de wet inzake eigendom van onroerend goed (verwerving door niet-ingezetenen), met inbegrip van een minimumprijs van 174 274 EUR voor appartementen en 300 619 EUR voor huizen (de minimumprijzen worden jaarlijks gecorrigeerd aan de hand van de onroerendgoedindex zoals uiteengezet in de mededeling betreffende de indexering van de prijzen van onroerend goed [Subsidiaire wetgeving 246.08 van de wetten van Malta]). Voor dergelijke aankopen is niet vereist dat de betrokkene een verblijfsrecht in Malta heeft.
b)
Een Zwitserse burger mag ook te allen tijde overeenkomstig de relevante nationale wetgeving zijn hoofdverblijfplaats in Malta vestigen. Het vertrek uit Malta houdt niet de verplichting in om het als eerste woning verworven onroerend goed te vervreemden.
c)
Zwitserse burgers die in specifieke in de wet genoemde gebieden (meestal gebieden die deel uitmaken van stadsvernieuwingsprojecten) onroerend goed verwerven hebben daarvoor geen vergunning nodig; dergelijke verwervingen zijn evenmin onderworpen aan beperkingen met betrekking tot het aantal, het gebruik of de waarde ervan.
PROTOCOL
BETREFFENDE VERBLIJFSVERGUNNINGEN VOOR LANGDURIG INGEZETENEN
DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,
en
DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;
zijn het volgende overeengekomen:
1.
De verlening van verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen valt respectievelijk onder het recht van de Unie in overeenstemming met de Verdragen en onder het recht van Zwitserland, en valt niet onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen (hierna “de overeenkomst” genoemd). Het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst is derhalve niet van toepassing op dit protocol.
2.
Indien Zwitserland en de lidstaten van de Unie elkaars onderdanen op grond van de in lid 1 bedoelde respectieve wetgeving verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen verlenen, worden die regels op niet-discriminerende wijze toegepast, met name wat betreft de vereiste minimumduur van het voorafgaande verblijf van vijf jaar.
3.
De toepasselijke regels van de Unie en Zwitserland blijven vergelijkbaar wat betreft andere voorwaarden en eisen, met dien verstande dat de voorwaarden en eisen onder de bevoegdheid van de Unie in overeenstemming met de Verdragen en van Zwitserland vallen.
4.
Het bovengenoemde doet geen afbreuk aan
a)
de regels inzake duurzaam verblijf van Richtlijn 2004/38/EG en
b)
de bepalingen voor onderdanen van derde landen in reeds tussen een lidstaat van de Unie en Zwitserland gesloten bilaterale overeenkomsten die gunstiger zijn dan de toepasselijke regels van de Unie en Zwitserland.
5.
Niettegenstaande lid 1 is artikel 10, leden 1, 2 en 5, van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst van overeenkomstige toepassing op geschillen die voortvloeien uit de leden 2 en 3 van dit protocol. In die gevallen is artikel 11 van het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat evenredige compenserende maatregelen alleen in het kader van de overeenkomst kunnen worden vastgesteld.
Het aanhangsel bij het protocol betreffende de instellingen bij de overeenkomst betreffende het scheidsgerecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel I.4, lid 4, artikel III.4, lid 3, tweede zin, artikel III.5, lid 2, derde zin, artikel III.9 en artikel III.10, lid 5.
PROTOCOL BETREFFENDE DE INSTELLINGEN
BIJ DE OVEREENKOMST
TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN HAAR LIDSTATEN,
ENERZIJDS,
EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, ANDERZIJDS,
OVER HET VRIJE VRIJ VERKEER VAN PERSONEN
DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” genoemd,
en
DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna “Zwitserland” genoemd;
GEZIEN de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gedaan te Brussel op 21 juni 1999 (hierna “de overeenkomst” genoemd), die op 1 juni 2002 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 26 oktober 2004, dat op 1 april 2006 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 27 mei 2008, dat op 1 juni 2009 in werking is getreden;
GEZIEN het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij na de toetreding tot de Europese Unie, gedaan te Brussel op 4 maart 2016, dat op 1 januari 2017 in werking is getreden;
OVERWEGENDE DAT door de Unie gesloten overeenkomsten bindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten; dit protocol is derhalve van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in de overeenkomst;
OVERWEGENDE dat de Unie en Zwitserland gebonden zijn door talrijke bilaterale overeenkomsten op verschillende gebieden, die voorzien in specifieke rechten en verplichtingen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar zijn met die waarin de Unie voorziet;
ERAAN HERINNEREND dat deze bilaterale overeenkomsten tot doel hebben het concurrentievermogen van Europa te vergroten en nauwere economische banden tussen de overeenkomstsluitende partijen tot stand te brengen, op basis van gelijkheid, wederkerigheid en het algemene evenwicht tussen hun voordelen, rechten en verplichtingen;
VASTBESLOTEN de deelname van Zwitserland aan de interne markt van de Unie te versterken en te verdiepen, op basis van dezelfde regels als die welke gelden voor de interne markt, met behoud van hun onafhankelijkheid en die van hun instellingen en, wat Zwitserland betreft, eerbiediging van de beginselen die voortvloeien uit de directe democratie, het federalisme en het sectorale karakter van zijn deelname aan de interne markt;
OPNIEUW BEVESTIGEND dat de bevoegdheid van het Zwitserse federale hooggerechtshof en alle andere Zwitserse rechtbanken, alsmede die van de rechtbanken van de lidstaten en van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de overeenkomst in individuele gevallen uit te leggen, behouden blijft;
BESEFFENDE dat het waarborgen van uniformiteit op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland zowel nu als in de toekomst deelneemt, van belang is,
ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
ARTIKEL 1
Doelstellingen
1.
Dit protocol heeft tot doel de overeenkomstsluitende partijen en de marktdeelnemers en particulieren meer rechtszekerheid, gelijke behandeling en een gelijk speelveld te bieden op het gebied van de interne markt dat onder het toepassingsgebied van de overeenkomst valt.
2.
Hiertoe voorziet dit protocol in nieuwe institutionele oplossingen die een voortdurende en evenwichtige versterking van de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen mogelijk maken. Rekening houdend met de beginselen van het internationaal recht bevat dit protocol met name institutionele oplossingen voor de overeenkomst die gemeenschappelijk zijn voor de bilaterale overeenkomsten die worden gesloten of zullen worden gesloten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, zonder dat het toepassingsgebied of de doelstellingen van de overeenkomst worden gewijzigd, met name:
a)
de procedure om de overeenkomst in overeenstemming te brengen met rechtshandelingen van de Unie die relevant zijn voor de overeenkomst;
b)
de eenvormige uitlegging en toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen;
c)
het toezicht op en de toepassing van de overeenkomst; en
d)
de beslechting van geschillen in het kader van de overeenkomst.
ARTIKEL 2
Verhouding tot de overeenkomst
1.
Dit protocol, de bijlage daarbij, en het aanhangsel daarbij vormen een integrerend onderdeel van de overeenkomst.
2.
De bij dit protocol ingetrokken bepalingen van de overeenkomst worden hieronder opgesomd:
a)
artikel 16;
b)
artikel 17;
c)
artikel 19.
3.
Verwijzingen in de overeenkomst naar de “Europese Gemeenschap” of naar de “Gemeenschap” gelden als verwijzingen naar de Unie.
ARTIKEL 3
Bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt
waaraan Zwitserland deelneemt
1.
Bestaande en toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en Zwitserland op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, worden beschouwd als een samenhangend geheel waarmee een evenwicht tussen rechten en plichten tussen de Unie en Zwitserland wordt gewaarborgd.
2.
De overeenkomst is een bilaterale overeenkomst op een gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.
HOOFDSTUK 2
AFSTEMMING VAN DE OVEREENKOMST OP DE RECHTSHANDELINGEN VAN DE UNIE
ARTIKEL 4
Deelname aan de opstelling van rechtshandelingen van de Unie (“besluitvorming”)
1.
Bij het opstellen van een voorstel voor een rechtshandeling van de Unie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) op het onder de overeenkomst vallende gebied, stelt de Europese Commissie (hierna “de Commissie” genoemd) Zwitserland daarvan in kennis en raadpleegt zij informeel de deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie bij het opstellen van haar voorstellen om advies vraagt.
Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een voorbereidende gedachtewisseling plaats.
De overeenkomstsluitende partijen plegen op verzoek van een van hen opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité op belangrijke momenten van de fase voorafgaand aan de vaststelling van de rechtshandeling door de Unie, in het kader van een voortdurend informatie- en raadplegingsproces.
2.
Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van gedelegeerde handelingen betreffende basishandelingen van het Unierecht op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland een zo ruim mogelijke deelname aan de voorbereiding van de ontwerpen heeft en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.
3.
Bij de voorbereiding, overeenkomstig het VWEU, van uitvoeringshandelingen betreffende basishandelingen van het recht van de Unie op het onder de overeenkomst vallende gebied, zorgt de Commissie ervoor dat Zwitserland zoveel als mogelijk deelneemt aan de voorbereiding van de ontwerpen die later worden voorgelegd aan de comités die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, en raadpleegt zij de deskundigen van Zwitserland op dezelfde basis als dat zij de deskundigen van de lidstaten van de Unie raadpleegt.
4.
Deskundigen van Zwitserland worden betrokken bij de werkzaamheden van de comités die niet onder de leden 2 en 3 vallen, wanneer dit nodig is om de goede werking van de overeenkomst te waarborgen. Het Gemengd Comité stelt een lijst op van deze comités en, in voorkomend geval, van andere comités met soortgelijke kenmerken, en werkt deze bij.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Unie of bepalingen daarvan die binnen het toepassingsgebied van een in artikel 5, lid 7, bedoelde uitzondering vallen.
ARTIKEL 5
Opneming van rechtshandelingen van de Unie
1.
Ter waarborging van de rechtszekerheid en de homogeniteit van de wetgeving op het gebied dat verband houdt met de interne markt waaraan Zwitserland op grond van de overeenkomst deelneemt, zorgen Zwitserland en de Unie ervoor dat de rechtshandelingen van de Unie die op het onder de overeenkomst vallende gebied worden vastgesteld, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de overeenkomst worden opgenomen.
2.
Rechtshandelingen van de Unie die overeenkomstig lid 4 in de overeenkomst zijn opgenomen, maken, door de opneming ervan in de overeenkomst, deel uit van de rechtsorde van Zwitserland, onder voorbehoud, naargelang van het geval, van de aanpassingen waartoe het Gemengd Comité heeft besloten.
3.
De Unie stelt bij het vaststellen van een rechtshandeling op het onder de overeenkomst vallende gebied Zwitserland daarvan zo spoedig mogelijk via het Gemengd Comité in kennis. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt in het Gemengd Comité een gedachtewisseling over het onderwerp plaats.
4.
Het Gemengd Comité handelt overeenkomstig lid 1 door zo spoedig mogelijk een besluit te nemen tot wijziging van de bijlagen I tot en met III bij de overeenkomst, met inbegrip van de nodige aanpassingen.
5.
Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Gemengd Comité, indien dit nodig is om de samenhang van de overeenkomst met de bijlage daarvan, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 4, te waarborgen, voorstellen de overeenkomst te herzien, ter goedkeuring door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun interne procedures.
6.
Verwijzingen in de overeenkomst naar rechtshandelingen van de Unie die niet langer van kracht zijn, gelden als verwijzingen naar de rechtshandeling van de Unie die strekt tot intrekking, zoals opgenomen in de bijlage bij de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité over de overeenkomstige wijziging van de bijlage bij de overeenkomst overeenkomstig lid 4, tenzij in dat besluit anders is bepaald.
7.
De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op rechtshandelingen van de Europese Unie of bepalingen daarvan die onder het toepassingsgebied van een hierna vermelde uitzondering vallen:
–
artikel 5 octies [Periode van voorafgaande kennisgeving en controles];
–
artikel 5 nonies [Financiële garanties en sancties];
–
artikel 5 decies [Bewijs van werk als zelfstandige];
–
artikel 5 undecies [Non-regressie];
–
artikel 7 ter [Studenten];
–
artikel 7 sexies [Duurzaam verblijf];
–
artikel 7 septies [Verwerving van onroerend goed];
–
artikel 7 octies [Identiteitskaarten];
–
artikel 7 nonies [Verwijdering].
–
Bijlage II Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, deel II. Sectorale aanpassingen, punt 1, bis tot en met septies.
8.
Met inachtneming van artikel 6 treden besluiten van het Gemengd Comité overeenkomstig lid 4 onmiddellijk in werking, maar in geen geval vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.
9.
De overeenkomstsluitende partijen werken gedurende de gehele procedure van dit artikel te goeder trouw samen om de besluitvorming te vergemakkelijken.
10.
De Unie en Zwitserland houden rekening met het beginsel van “gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek” en het stelsel van duale handhaving van Zwitserland.
ARTIKEL 6
Nakoming van grondwettelijke verplichtingen door Zwitserland
1.
Gedurende de in artikel 5, lid 3, bedoelde gedachtewisseling deelt Zwitserland de Unie mee of een besluit als bedoeld in artikel 5, lid 4, vereist dat Zwitserland zijn grondwettelijke verplichtingen nakomt om bindend te worden.
2.
Wanneer het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit Zwitserland ertoe verplicht zijn grondwettelijke verplichtingen na te komen om bindend te worden, beschikt Zwitserland over een termijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling, behalve wanneer een referendumprocedure wordt gestart, in welk geval deze termijn met één jaar wordt verlengd.
3.
In afwachting van de mededeling door Zwitserland dat het zijn grondwettelijke verplichtingen is nagekomen, passen de overeenkomstsluitende partijen het in artikel 5, lid 4, bedoelde besluit voorlopig toe, tenzij Zwitserland de Unie meedeelt dat de voorlopige toepassing van het besluit niet mogelijk is en de redenen daarvoor vermeldt.
De voorlopige toepassing mag in geen geval plaatsvinden vóór de datum waarop de desbetreffende rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.
4.
Zwitserland stelt de Unie onverwijld via het Gemengd Comité in kennis zodra het aan de in lid 1 bedoelde grondwettelijke verplichtingen heeft voldaan.
5.
Het besluit treedt in werking op de dag waarop de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt gedaan, maar in geen geval vóór de datum waarop de overeenkomstige rechtshandeling van de Unie in de Unie van toepassing wordt.
HOOFDSTUK 3
UITLEGGING EN TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST
ARTIKEL 7
Beginsel van eenvormige uitlegging
1.
Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht worden de bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt en de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in dergelijke overeenkomsten wordt verwezen, eenvormig uitgelegd en toegepast op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.
2.
De rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen en, voor zover de toepassing daarvan begrippen van het recht van de Unie omvat, de bepalingen van de overeenkomst worden vóór of na de ondertekening van de overeenkomst uitgelegd en toegepast overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ARTIKEL 8
Beginsel van doeltreffende en harmonieuze toepassing
1.
De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten werken samen en verlenen elkaar bijstand bij het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen informatie uitwisselen over de activiteiten van het toezicht op de toepassing van de overeenkomst. Zij kunnen van gedachten wisselen en kwesties van wederzijds belang bespreken.
2.
Elke overeenkomstsluitende partij neemt passende maatregelen om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst op haar grondgebied te waarborgen.
3.
Het toezicht op de toepassing van de overeenkomst wordt gezamenlijk door de overeenkomstsluitende partijen uitgeoefend in het Gemengd Comité.
Indien de Commissie of de bevoegde Zwitserse autoriteiten kennis krijgen van een geval van onjuiste toepassing, kan de zaak worden voorgelegd aan het Gemengd Comité om tot een aanvaardbare oplossing te komen.
4.
De Commissie en de bevoegde Zwitserse autoriteiten zien respectievelijk toe op de toepassing van de overeenkomst door de andere overeenkomstsluitende partij. De in artikel 10 bedoelde procedure is van toepassing.
Voor zover bepaalde toezichtbevoegdheden van de instellingen van de Unie ten aanzien van één overeenkomstsluitende partij noodzakelijk zijn om de doeltreffende en harmonieuze toepassing van de overeenkomst te waarborgen, zoals onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden, moet de overeenkomst daarin specifiek voorzien.
ARTIKEL 9
Exclusiviteitsbeginsel
De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de overeenkomst en van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, of, in voorkomend geval, betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van een door de Commissie op basis van de overeenkomst vastgesteld besluit, niet op een andere manier te beslechten dan in dit protocol is voorgeschreven.
ARTIKEL 10
Procedure in geval van problemen bij de uitlegging of toepassing
1.
In geval van problemen bij de uitlegging of toepassing van de overeenkomst of van een rechtshandeling van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg in het Gemengd Comité om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Hiertoe wordt alle nuttige informatie aan het Gemengd Comité verstrekt om het in staat te stellen de situatie grondig te onderzoeken. Het Gemengd Comité onderzoekt alle mogelijkheden om de goede werking van de overeenkomst te handhaven.
2.
Indien het Gemengd Comité niet in staat is binnen drie maanden na de datum waarop het probleem aan het Gemengd Comité is voorgelegd, een oplossing voor het in lid 1 bedoelde probleem te vinden, kan elk van de overeenkomstsluitende partijen verzoeken dat een scheidsgerecht het geschil beslecht overeenkomstig de regels van het aanhangsel.
3.
Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een in artikel 7, lid 2, bedoelde bepaling, en indien de uitlegging van die bepaling van belang is voor de beslechting van het geschil en nodig is om een beslissing te kunnen nemen, legt het scheidsgerecht die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wanneer het geschil een vraag opwerpt over de uitlegging of toepassing van een bepaling die onder een uitzondering op de in artikel 5, lid 7, bedoelde verplichting tot dynamische aanpassing valt, en het geschil geen betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van begrippen van het recht van de Unie, beslecht het scheidsgerecht het geschil zonder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.
Wanneer het scheidsgerecht op grond van lid 3 een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorlegt:
a)
is de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindend voor het scheidsgerecht; en
b)
geniet Zwitserland dezelfde rechten als de lidstaten en de instellingen van de Unie en is het mutatis mutandis onderworpen aan dezelfde procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.
Elke overeenkomstsluitende partij neemt alle nodige maatregelen om de beslissing van het scheidsgerecht te goeder trouw na te leven.
De overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, stelt de andere overeenkomstsluitende partij via het Gemengd Comité in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht.
6.
Bij de beslechting van de geschillen die aan het Gemengd Comité worden voorgelegd, wordt te goeder trouw rekening gehouden met de waarborgen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de weigering van sociale bijstand en de beëindiging van het verblijf vóór het verkrijgen van het duurzame verblijfsrecht en in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de kennisgeving van indiensttreding bij de overeenkomst.
De eerste alinea is van toepassing zolang en voor zover de waarborgen verenigbaar blijven met de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie zoals opgenomen in de overeenkomst. De waarborgen doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 5, lid 1, van dit protocol.
ARTIKEL 11
Compenserende maatregelen
1.
Indien de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij de overeenkomst niet heeft nageleefd, de andere overeenkomstsluitende partij niet binnen een overeenkomstig artikel IV.2, lid 6, van het aanhangsel vastgestelde redelijke termijn in kennis stelt van de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan de beslissing van het scheidsgerecht, of indien de andere overeenkomstsluitende partij van mening is dat de meegedeelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de beslissing van het scheidsgerecht, kan deze andere overeenkomstsluitende partij evenredige compenserende maatregelen nemen in het kader van de overeenkomst of van enige andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt (hierna “compenserende maatregelen” genoemd), om een mogelijke onevenwichtigheid te verhelpen. Zij stelt de overeenkomstsluitende partij waarvan het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat zij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, in kennis van de compenserende maatregelen, die in de kennisgeving worden gespecificeerd. De compenserende maatregelen worden van kracht drie maanden na de datum van deze kennisgeving.
2.
Indien het Gemengd Comité binnen een maand na de datum van kennisgeving van de voorgenomen compenserende maatregelen geen besluit heeft genomen om deze compenserende maatregelen op te schorten, te wijzigen of in te trekken, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie van de evenredigheid van die compenserende maatregelen overeenkomstig het aanhangsel aan arbitrage onderwerpen.
3.
Het scheidsgerecht neemt binnen de in artikel III.8, lid 4, van het aanhangsel vastgestelde termijnen een besluit.
4.
Compenserende maatregelen hebben geen terugwerkende kracht. In het bijzonder blijven de rechten en verplichtingen die personen en marktdeelnemers reeds vóór de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen hebben verworven, behouden.
ARTIKEL 12
Samenwerking tussen rechtsgebieden
1.
Om de homogene uitlegging te bevorderen, komen het Zwitserse federale hooggerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Unie een dialoog en de nadere voorwaarden daarvan overeen.
2.
Zwitserland heeft het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt een prejudiciële beslissing te nemen over een vraag over de uitlegging van de overeenkomst of van een bepaling van een daarin vermelde rechtshandeling van de Unie.
HOOFDSTUK 4
OVERIGE BEPALINGEN
ARTIKEL 13
Financiële bijdrage
1.
Zwitserland draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de in artikel 1 van de bijlage genoemde agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten van de Unie waartoe het toegang heeft, overeenkomstig dit artikel en de bijlage.
Het Gemengd Comité kan een besluit tot wijziging van de bijlage vaststellen.
2.
De Unie kan de deelname van Zwitserland aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten te allen tijde opschorten indien Zwitserland niet binnen de betalingstermijn betaalt overeenkomstig de in artikel 2 van de bijlage vastgestelde betalingsvoorwaarden.
Indien Zwitserland een betalingstermijn niet in acht neemt, stuurt de Unie Zwitserland een formele aanmaningsbrief. Indien binnen dertig dagen na ontvangst van die formele aanmaningsbrief geen volledige betaling is gedaan, kan de Unie de deelname van Zwitserland aan de desbetreffende activiteit opschorten.
3.
De financiële bijdrage bestaat uit de som van:
a)
een operationele bijdrage; en
b)
een deelnamevergoeding.
4.
De financiële bijdrage bestaat in een jaarlijkse financiële bijdrage en is verschuldigd op de data die zijn vermeld in de door de Commissie gedane verzoeken tot storting.
5.
De operationele bijdrage is gebaseerd op een verdeelsleutel die wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands product (hierna “het bbp” genoemd) van het Zwitserland tegen marktprijzen en het bbp van de Europese Unie tegen marktprijzen.
Daartoe zijn de cijfers voor het bbp tegen marktprijzen van de overeenkomstsluitende partijen de meest recente dergelijke cijfers die beschikbaar zijn op 1 januari van het jaar waarin de jaarlijkse betaling wordt verricht, zoals verstrekt door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat), met inachtneming van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van statistiek, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004. Indien die overeenkomst niet langer van toepassing is, wordt het bbp van Zwitserland vastgesteld op basis van gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
6.
De operationele bijdrage voor elk agentschap van de Unie wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op zijn jaarlijkse goedgekeurde begroting die is opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele aangepaste operationele bijdragen als omschreven in artikel 1 van de bijlage.
De operationele bijdrage voor de informatiesystemen en andere activiteiten wordt berekend door de verdeelsleutel toe te passen op de desbetreffende begroting van het betrokken jaar, zoals vermeld in de documenten ter uitvoering van de begroting, zoals werkprogramma’s of contracten.
Alle referentiebedragen zijn gebaseerd op vastleggingskredieten.
7.
De jaarlijkse deelnamevergoeding bedraagt 4 % van de jaarlijkse operationele bijdrage zoals berekend overeenkomstig de leden 5 en 6.
8.
De Commissie verstrekt Zwitserland adequate informatie over de berekening van zijn financiële bijdrage. Die informatie wordt verstrekt met inachtneming van de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.
9.
Alle financiële bijdragen door Zwitserland of betalingen van de Unie en de berekening van verschuldigde of te ontvangen bedragen, worden in EUR verricht.
10.
Wanneer de inwerkingtreding van dit protocol niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, wordt de operationele bijdrage van Zwitserland voor het betrokken jaar aangepast volgens de in artikel 5 van de bijlage vastgestelde methode en betalingswijzen.
11.
De bijlage bevat nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.
12.
Drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens om de drie jaar, evalueert het Gemengd Comité de voorwaarden voor de deelname van Zwitserland als omschreven in artikel 1 van de bijlage en past het deze zo nodig aan.
ARTIKEL 14
Verwijzingen naar grondgebieden
Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de EU verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de “Europese Unie”, van de “Unie”, van de “gemeenschappelijke markt” of van de “interne markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden als omschreven in artikel 24 van de overeenkomst.
ARTIKEL 15
Verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie
Wanneer de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie verwijzingen bevatten naar onderdanen van de lidstaten van de Unie, worden de verwijzingen voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar onderdanen van de lidstaten van de Unie en van Zwitserland.
ARTIKEL 16
Inwerkingtreding en uitvoering van de rechtshandelingen van de Unie
De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie betreffende de inwerkingtreding of uitvoering ervan zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.
De termijnen en data voor Zwitserland om de besluiten tot opneming van rechtshandelingen van de Unie in de overeenkomst in werking te doen treden en uit te voeren, vloeien voort uit artikel 5, lid 8, en artikel 6, lid 5, alsook uit bepalingen inzake overgangsregelingen.
ARTIKEL 17
Adressaten van de rechtshandelingen van de Unie
De bepalingen van de in de overeenkomst opgenomen rechtshandelingen van de Unie waarin wordt aangegeven dat zij aan de lidstaten van de Unie zijn gericht, zijn niet relevant voor de toepassing van de overeenkomst.
HOOFDSTUK 5
SLOTBEPALINGEN
ARTIKEL 18
Uitvoering
1.
De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst en onthouden zich ervan maatregelen te nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan in gevaar zouden kunnen brengen.
2.
De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om het beoogde resultaat te waarborgen van de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van hun doelstellingen in gevaar zouden kunnen brengen.
ARTIKEL 19
Inwerkingtreding
1.
Dit protocol wordt door de Unie en Zwitserland volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd. De Unie en Zwitserland stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van dit protocol.
2.
Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving met betrekking tot de onderstaande instrumenten:
a)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen;
b)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
c)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
d)
Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer;
e)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
f)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
g)
Protocol inzake staatssteun bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg;
h)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten;
i)
Protocol betreffende de instellingen bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;
j)
Protocol van wijziging bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling;
k)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie;
l)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over de deelname van de Zwitserse Bondstaat aan programma’s van de Unie;
m)
Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.
ARTIKEL 20
Wijziging en beëindiging
1.
Dit protocol kan in onderlinge overeenstemming tussen de Unie en Zwitserland op elk moment worden gewijzigd.
2.
Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd overeenkomstig artikel 25, lid 3, van de overeenkomst, houdt dit protocol op van kracht te zijn op de in artikel 25, lid 4, van de overeenkomst bedoelde datum.
3.
Wanneer de overeenkomst ophoudt van kracht te zijn, worden de rechten en verplichtingen die natuurlijke personen en marktdeelnemers reeds vóór de datum van beëindiging van de overeenkomst uit hoofde van de overeenkomst hebben verworven, gehandhaafd. De Unie en Zwitserland treffen in onderling overleg een regeling voor gevallen waarin rechten nog niet volledig zijn verworven.
Gedaan te [...] op [...], in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
(Handtekeningblok (met de volgende strekking, in alle 24 EU-talen: “Voor de Europese Unie” en “Voor de Zwitserse Bondsstaat”)
BIJLAGE
BIJLAGE INZAKE DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 13 van het protocol
ARTIKEL 1
Lijst van de activiteiten van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten
van de Unie waaraan Zwitserland financieel moet bijdragen
Zwitserland draagt financieel bij aan:
a)
agentschappen:
geen.
b)
informatiesystemen:
Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), opgericht bij Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1), zoals van toepassing conform bijlage I bij de overeenkomst;
systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid (EESSI), zoals ingesteld bij Verordening (EG) nr. 883/2004(PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1), gerectificeerd bij PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1 en PB L 204 van 4.8.2007, blz. 30) en Verordening (EG) nr. 987/2009 (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1), zoals van toepassing conform bijlage II bij de overeenkomst;
Informatiesysteem interne markt (IMI), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1), zoals van toepassing conform de bijlagen I en III bij de overeenkomst.
c)
andere activiteiten:
geen.
ARTIKEL 2
Betalingsvoorwaarden
1.
De op grond van artikel 13 van het protocol verschuldigde betalingen worden verricht overeenkomstig dit artikel.
2.
Bij het doen van het verzoek tot storting van het begrotingsjaar deelt de Commissie Zwitserland de volgende informatie mee:
a)
het bedrag van de operationele bijdrage; en
b)
het bedrag van de deelnamevergoeding.
3.
De Commissie deelt Zwitserland zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 16 april van elk begrotingsjaar de volgende informatie mee met betrekking tot de deelname van Zwitserland:
a)
de bedragen aan vastleggingskredieten van de goedgekeurde jaarlijkse begroting van de Unie die zijn opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie voor het betrokken jaar voor elk agentschap van de Unie, waarbij voor elk agentschap rekening wordt gehouden met eventuele gecorrigeerde operationele bijdragen als omschreven in artikel 1, en de bedragen aan vastleggingskredieten met betrekking tot de goedgekeurde begroting van de Unie van het betrokken jaar voor de relevante begroting van de informatiesystemen en andere activiteiten, met betrekking tot de deelname van Zwitserland overeenkomstig artikel 1;
b)
het bedrag van de kosten van deelname als bedoeld in artikel 13, lid 7, van het protocol; en
c)
met betrekking tot agentschappen, in jaar N+1, de bedragen aan vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan op de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de Unie, opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie van jaar N.
4.
Op basis van haar ontwerpbegroting verstrekt de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 september van het begrotingsjaar een raming van informatie uit hoofde van de punten a) en b) van lid 3.
5.
De Commissie doet uiterlijk op 16 april en, indien van toepassing op het desbetreffende agentschap of informatiesysteem of de desbetreffende andere activiteit, ten vroegste op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober van elk begrotingsjaar, een verzoek tot storting aan Zwitserland dat overeenstemt met de bijdrage van Zwitserland in het kader van de overeenkomst voor elk van de agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten waaraan Zwitserland deelneemt.
6.
Het (de) in lid 5 bedoelde verzoek(en) tot storting wordt (worden) als volgt in tranches gestructureerd:
a)
de eerste tranche van elk jaar in verband met het uiterlijk op 16 april gedane verzoek tot storting komt overeen met een bedrag dat gelijk is aan het equivalent van de in lid 4 bedoelde raming van de jaarlijkse financiële bijdrage van het agentschap, het informatiesysteem of andere desbetreffende activiteit;
Zwitserland betaalt het bedrag van dit verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.
b)
indien van toepassing, stemt de tweede tranche van het jaar met betrekking tot het op zijn vroegst op 22 oktober en uiterlijk op 31 oktober gedane verzoek tot storting overeen met het verschil tussen het in lid 4 bedoelde bedrag en het in lid 5 bedoelde bedrag indien het in lid 5 bedoelde bedrag hoger is.
Zwitserland betaalt het in dit verzoek tot storting vermelde bedrag uiterlijk op 21 december.
Voor elk verzoek tot storting kan Zwitserland afzonderlijke betalingen verrichten voor elk agentschap, informatiesysteem of andere activiteit.
7.
Voor het eerste jaar van de uitvoering van het protocol doet de Commissie binnen negentig dagen na de inwerkingtreding van het protocol een enkel verzoek tot storting.
Zwitserland betaalt het bedrag van het verzoek tot storting uiterlijk zestig dagen na het verzoek tot storting.
8.
Voor elke te late betaling van de financiële bijdrage betaalt Zwitserland vanaf de vervaldag tot de datum van volledige betaling van het uitstaande bedrag achterstandsrente over dat uitstaande bedrag.
De rentevoet voor op de vervaldag te ontvangen, nog niet betaalde bedragen is het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand van de vervaldag, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, of 0 % als dat hoger is, plus 3,5 procentpunt.
ARTIKEL 3
Aanpassing van de financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie
in het licht van de uitvoering
De financiële bijdrage van Zwitserland aan de agentschappen van de Unie wordt aangepast in het jaar N+1, wanneer de initiële operationele bijdrage naar boven of naar beneden wordt bijgesteld met het verschil tussen de initiële operationele bijdrage en een aangepaste bijdrage die wordt berekend door de verdeelsleutel van jaar N toe te passen op het bedrag van de vastleggingen die zijn gedaan voor vastleggingskredieten die in jaar N zijn toegestaan in het kader van de desbetreffende begrotingsonderde(e)l(en) voor subsidies van de Unie. In voorkomend geval wordt bij het verschil voor elk agentschap rekening gehouden met de op percentages gebaseerde aangepaste operationele bijdrage zoals bedoeld in artikel 1.
ARTIKEL 4
Bestaande regelingen
Artikel 13 van het protocol en deze bijlage zijn niet van toepassing op specifieke regelingen tussen Zwitserland en de Unie die financiële bijdragen van Zwitserland omvatten. De agentschappen, informatiesystemen en andere activiteiten die onder dergelijke regelingen vallen, zijn:
–
Mutual Information System on Social Protection (MISSOC), overeenkomstig de respectieve contractuele regelingen van Zwitserland en van de Commissie met het secretariaat van het MISSOC.
ARTIKEL 5
Overgangsregelingen
Indien de datum van inwerkingtreding van het protocol niet 1 januari is, is dit artikel van toepassing in afwijking van artikel 2.
Voor het eerste jaar van uitvoering van het protocol wordt, met betrekking tot de voor het betrokken jaar verschuldigde operationele bijdrage voor het betrokken agentschap of informatiesysteem of de betrokken andere activiteit, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het protocol en de artikelen 1 tot en met 3 van deze bijlage, de operationele bijdrage pro rata temporis verlaagd door het bedrag van de verschuldigde jaarlijkse operationele bijdrage te vermenigvuldigen met de verhouding tussen:
a)
het aantal kalenderdagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het protocol tot en met 31 december van het betrokken jaar; en
b)
het totale aantal kalenderdagen van het betrokken jaar.
Aanhangsel
AANHANGSEL BETREFFENDE HET SCHEIDSGERECHT
HOOFDSTUK I
VOORAFGAANDE BEPALINGEN
ARTIKEL I.1
Toepassingsgebied
Indien een van de overeenkomstsluitende partijen (hierna “de partijen” genoemd) overeenkomstig artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol een geschil aan arbitrage onderwerpt of overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2 of 4, van de overeenkomst een zaak aan arbitrage onderwerpt, zijn de regels van dit aanhangsel van toepassing.
ARTIKEL I.2
Griffie en secretariaatsdiensten
Het Internationaal Bureau van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag (hierna “Internationaal Bureau” genoemd) vervult de functie van griffie en verleent de nodige secretariaatsdiensten.
ARTIKEL I.3
Kennisgevingen en berekening van termijnen
1.
Kennisgevingen, met inbegrip van mededelingen of voorstellen, kunnen worden verzonden met elk communicatiemiddel dat de verzending ervan bevestigt of waarmee zij kunnen worden gecertificeerd.
2.
Dergelijke kennisgevingen mogen alleen elektronisch worden verzonden als een adres specifiek voor dit doel is aangewezen of geautoriseerd door een partij.
3.
Deze aan de partijen betekende kennisgevingen worden, voor Zwitserland, gericht aan de afdeling Europa van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken en, voor de Unie, aan de Juridische Dienst van de Commissie.
4.
De in dit aanhangsel vastgestelde termijnen gaan in op de dag nadat een gebeurtenis of een handeling heeft plaatsgevonden. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de overheid van Zwitserland valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag. Niet-werkdagen die binnen de termijn vallen, worden meegeteld.
ARTIKEL I.4
Kennisgeving van arbitrage
1.
De partij die het initiatief neemt om gebruik te maken van arbitrage (hierna “de verzoeker” genoemd) doet de wederpartij (hierna “de verweerder” genoemd) en het Internationaal Bureau een kennisgeving van arbitrage toekomen.
2.
De arbitrageprocedure wordt geacht een aanvang te nemen op de dag na die waarop de verweerder de kennisgeving van arbitrage ontvangt.
3.
De kennisgeving van arbitrage bevat de volgende informatie:
a)
het verzoek dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen;
b)
de namen en contactgegevens van de partijen;
c)
de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verzoeker;
d)
de rechtsgrondslag van de procedure (artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol) en:
i)
in de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de kwestie die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol; en
ii)
in de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen, de beslissing van het scheidsgerecht, de in artikel 10, lid 5, van het protocol bedoelde uitvoeringsmaatregelen en de betwiste compenserende maatregelen;
iii)
in de in artikel 14 bis, leden 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen, de vermeende moeilijkheden overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, van de overeenkomst;
e)
de benaming van de regels die het geschil hebben veroorzaakt of daarop betrekking hebben;
f)
een korte beschrijving van het geschil; en
g)
de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.
4.
In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan de kennisgeving van arbitrage ook informatie bevatten over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.
Vorderingen betreffende de toereikendheid van de kennisgeving van arbitrage vormen geen beletsel voor de instelling van het scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.
ARTIKEL I.5
Antwoord op de kennisgeving van arbitrage
1.
Binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van arbitrage zendt de verweerder de verzoeker en het Internationaal Bureau een antwoord op de kennisgeving van arbitrage, dat de volgende informatie bevat:
a)
de namen en contactgegevens van de partijen;
b)
de naam en het adres van de gemachtigde(n) van de verweerder;
c)
een antwoord op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 3, punten d) tot en met f); en
d)
de aanwijzing van een arbiter of, indien vijf arbiters moeten worden benoemd, de aanwijzing van twee arbiters.
2.
In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen kan het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook een antwoord bevatten op de informatie in de kennisgeving van arbitrage overeenkomstig artikel I.4, lid 4, van dit aanhangsel en informatie betreffende de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.
Het ontbreken van, of een onvolledig of te laat antwoord van de verweerder op de kennisgeving van arbitrage vormt geen beletsel voor de instelling van een scheidsgerecht. Het geschil wordt definitief beslecht door het scheidsgerecht.
4.
Indien de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage verzoekt dat het scheidsgerecht uit vijf arbiters bestaat, wijst de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord op de kennisgeving van arbitrage een extra arbiter aan.
ARTIKEL I.6
Vertegenwoordiging en bijstand
1.
De partijen worden voor het scheidsgerecht vertegenwoordigd door een of meer gemachtigden. De gemachtigden kunnen worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.
2.
Elke wijziging van de gemachtigden of hun adressen wordt ter kennis gebracht van de wederpartij, het Internationaal Bureau en het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht kan te allen tijde, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, verzoeken om bewijs van de aan de gemachtigden van de partijen verleende bevoegdheden.
HOOFDSTUK II
SAMENSTELLING VAN HET SCHEIDSGERECHT
ARTIKEL II.1
Aantal arbiters
Het scheidsgerecht bestaat uit drie arbiters. Indien de verzoeker in zijn kennisgeving van arbitrage of de verweerder in zijn antwoord op de kennisgeving van arbitrage daarom verzoekt, bestaat het scheidsgerecht uit vijf arbiters.
ARTIKEL II.2
Aanwijzing van arbiters
1.
Indien drie arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen een arbiter aan. De twee door de partijen aangewezen arbiters wijzen de derde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.
2.
Indien vijf arbiters moeten worden benoemd, wijst elk van de partijen twee arbiters aan. De vier door de partijen benoemde arbiters wijzen de vijfde arbiter aan, die het voorzitterschap van het scheidsgerecht bekleedt.
3.
Indien de arbiters binnen dertig dagen na de benoeming van de laatste door de partijen aangewezen arbiter geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van de voorzitter van het scheidsgerecht, wordt de voorzitter benoemd door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage.
4.
Om te helpen bij de selectie van arbiters voor de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt een indicatieve lijst van personen met de in lid 6 bedoelde kwalificaties opgesteld en indien nodig geactualiseerd, die gemeenschappelijk is voor alle bilaterale overeenkomsten op gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsook voor de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake gezondheid, gedaan te [...] op [...] (hierna “de gezondheidsovereenkomst” genoemd), de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1999 (hierna de “overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten” genoemd), en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland tot het terugbrengen van economische en sociale verschillen in de Europese Unie, gedaan te […] op […] (hierna de “overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland” genoemd). Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.
5.
Indien een partij verzuimt een arbiter aan te wijzen, benoemt de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage die arbiter uit de in lid 4 bedoelde lijst. Bij gebreke van een dergelijke lijst wordt de arbiter door middel van loting door de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage benoemd uit de personen die voor de toepassing van lid 4 formeel door één partij of door beide partijen zijn voorgedragen.
6.
De personen die het scheidsgerecht vormen, zijn hooggekwalificeerde personen, met of zonder banden met de partijen, wier onafhankelijkheid en afwezigheid van belangenconflicten gewaarborgd zijn en die over een brede ervaring beschikken. Zij beschikken met name over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht en aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen; zij aanvaarden geen instructies van een van de partijen; en zij treden op persoonlijke titel op en aanvaarden geen instructies van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil. De voorzitter van het scheidsgerecht beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.
ARTIKEL II.3
Verklaringen van arbiters
1.
Een persoon die in aanmerking komt voor benoeming als arbiter, meldt alle omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot gegronde twijfels over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Vanaf de aanstelling en gedurende de gehele arbitrageprocedure meldt de arbiter dergelijke omstandigheden onverwijld aan de partijen en aan de andere arbiters, indien de arbiter dit nog niet heeft gedaan.
2.
Een arbiter kan worden ontslagen indien er omstandigheden zijn die gegronde twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.
3.
Een partij kan alleen verzoeken om ontslag van een door haar benoemde arbiter om redenen die haar na die benoeming bekend worden.
4.
Indien een arbiter nalaat te handelen of indien het voor een arbiter in rechte en in feite onmogelijk is zijn rol te vervullen, is de in artikel II.4 vastgestelde procedure voor het ontslag van arbiters van toepassing.
ARTIKEL II.4
Ontslag van arbiters
1.
Elke partij die een arbiter wenst te ontslaan, dient een verzoek tot ontslag in binnen dertig dagen na de datum waarop zij in kennis is gesteld van de benoeming van die arbiter of binnen dertig dagen na de datum waarop zij kennis krijgt van de in artikel II.3 bedoelde omstandigheden.
2.
Het verzoek tot ontslag wordt toegezonden aan de wederpartij, aan de arbiter om wier ontslag wordt verzocht, aan de andere arbiters en aan het Internationaal Bureau. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek tot ontslag uiteengezet.
3.
Wanneer een verzoek tot ontslag is ingediend, kan de wederpartij het verzoek tot ontslag aanvaarden. De betrokken arbiter kan ook aftreden. Aanvaarding of aftreding betekent niet dat de redenen voor het verzoek tot ontslag worden erkend.
4.
Indien de wederpartij binnen vijftien dagen na de datum van kennisgeving van het verzoek tot ontslag het verzoek tot ontslag niet aanvaardt of de betrokken arbiter niet aftreedt, kan de partij die om het ontslag verzoekt, de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken een beslissing over het ontslag te nemen.
5.
Tenzij de partijen anders overeenkomen, worden in het in lid 4 bedoelde besluit de redenen voor dat besluit vermeld.
ARTIKEL II.5
Vervanging van een arbiter
1.
Met inachtneming van lid 2 van dit artikel wordt, indien een arbiter tijdens de arbitrageprocedure moet worden vervangen, een vervanger benoemd of geselecteerd overeenkomstig de procedure van artikel II.2 die van toepassing is op de benoeming of selectie van de te vervangen arbiter. Die procedure is ook van toepassing wanneer een partij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om de te vervangen arbiter te benoemen of aan de benoeming deel te nemen.
2.
Indien een arbiter wordt vervangen, wordt de procedure hervat in de fase waarin de vervangen arbiter is opgehouden zijn taken uit te voeren, tenzij het scheidsgerecht anders beslist.
ARTIKEL II.6
Ontheffing van aansprakelijkheid
Behalve in geval van opzettelijk wangedrag of grove nalatigheid, zien de partijen, voor zover het toepasselijke recht dit toestaat, af van elke vordering tegen de arbiters wegens enige handeling of nalatigheid in verband met de arbitrage.
HOOFDSTUK III
ARBITRAGEPROCEDURE
ARTIKEL III.1
Algemene bepalingen
1.
De datum van instelling van het scheidsgerecht is de datum waarop de laatste arbiter zijn benoeming heeft aanvaard.
2.
Het scheidsgerecht ziet erop toe dat de partijen gelijk worden behandeld en dat beide partijen in een passende fase van de procedure voldoende in de gelegenheid worden gesteld hun rechten te doen gelden en hun zaak uiteen te zetten. Het scheidsgerecht voert de procedure zodanig uit dat vertragingen en onnodige uitgaven worden vermeden en dat het geschil tussen de partijen wordt beslecht.
3.
Tenzij het scheidsgerecht anders beslist, wordt een hoorzitting georganiseerd nadat de partijen zijn gehoord.
4.
Wanneer een partij een mededeling aan het scheidsgerecht toezendt, doet zij dit via het Internationaal Bureau en zendt zij tegelijkertijd een kopie toe aan de wederpartij. Het Internationaal Bureau zendt een kopie van die mededeling toe aan elk van de arbiters.
ARTIKEL III.2
Plaats van arbitrage
De plaats van arbitrage is Den Haag. Het scheidsgerecht kan, indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, op een andere plaats bijeenkomen die het voor zijn beraadslagingen passend acht.
ARTIKEL III.3
Taal
1.
De talen van de procedure zijn Frans en Engels.
2.
Het scheidsgerecht kan gelasten dat alle bij de conclusie van eis of de conclusie van antwoord gevoegde documenten en alle verdere documenten die tijdens de procedure worden geproduceerd en in hun oorspronkelijke taal worden overgelegd, vergezeld gaan van een vertaling in een van de proceduretalen.
ARTIKEL III.4
Conclusie van eis
1.
De verzoeker zendt zijn conclusie van eis schriftelijk toe aan de verweerder en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verzoeker kan besluiten zijn in artikel I.4 bedoelde kennisgeving van arbitrage als een conclusie van eis te beschouwen, mits deze ook voldoet aan alle in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde vereisten.
2.
De conclusie van eis bevat de volgende informatie:
a)
de in artikel I.4, lid 3, punten b) tot en met f), beschreven informatie;
b)
een uiteenzetting van de tot staving van de vordering aangevoerde feiten; en
c)
de juridische argumenten die tot staving van de vordering zijn aangevoerd.
3.
De conclusie van eis gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verzoeker genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van eis ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ARTIKEL III.5
Conclusie van antwoord
1.
De verweerder zendt de conclusie van antwoord schriftelijk toe aan de verzoeker en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, binnen de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn. De verweerder kan besluiten het antwoord op de in artikel I.5 bedoelde kennisgeving van arbitrage te beschouwen als een conclusie van antwoord, mits het antwoord op de kennisgeving van arbitrage ook voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.
2.
In de conclusie van antwoord wordt geantwoord op de punten in de conclusie van eis als bedoeld in artikel III.4, lid 2, punten a) tot en met c), van dit aanhangsel. De conclusie van antwoord gaat, voor zover mogelijk, vergezeld van alle door de verweerder genoemde documenten en andere bewijsstukken, of dient ernaar te verwijzen. In de in artikel 10, lid 3, van het protocol bedoelde gevallen bevat de conclusie van antwoord ook, voor zover mogelijk, informatie over de noodzaak van een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.
In de conclusie van antwoord, of in een latere fase van de arbitrageprocedure, indien het scheidsgerecht beslist dat een vertraging door omstandigheden gerechtvaardigd is, kan de verweerder een reconventionele vordering instellen, mits het scheidsgerecht ter zake bevoegd is.
4.
Artikel III.4, leden 2 en 3, is van toepassing op een reconventionele vordering.
ARTIKEL III.6
Bevoegdheid van het scheidsgerecht
1.
Het scheidsgerecht beslist of het bevoegd is op grond van artikel 10, lid 2, of artikel 11, lid 2, van het protocol of artikel 14 bis, lid 2 of 4, van de overeenkomst.
2.
In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht bevoegd om de kwestie te onderzoeken die aan het geschil ten grondslag ligt, zoals officieel ter beslechting op de agenda van het Gemengd Comité geplaatst overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.
3.
In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen is het scheidsgerecht dat het hoofdgeding heeft behandeld, bevoegd om de evenredigheid van de betwiste compenserende maatregelen te onderzoeken, ook wanneer die maatregelen geheel of gedeeltelijk zijn genomen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt.
4.
In de in artikel 14 bis, lid 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen heeft het scheidsgerecht een mandaat te onderzoeken of de vermeende moeilijkheden bewezen zijn en door de toepassing van de overeenkomst worden veroorzaakt.
5.
Een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht wordt uiterlijk in de conclusie van antwoord ingediend of, in het geval van een reconventionele vordering, in het antwoord. Het feit dat een partij een arbiter heeft benoemd of aan zijn benoeming heeft deelgenomen, ontneemt haar niet het recht om een dergelijke exceptie op te werpen. De exceptie dat het geschil de bevoegdheden van het scheidsgerecht te buiten zou gaan, wordt opgeworpen zodra de kwestie waarvan wordt beweerd dat die zijn bevoegdheden te buiten gaat, tijdens de arbitrageprocedure aan de orde wordt gesteld. Het scheidsgerecht kan in ieder geval een na het verstrijken van de gestelde termijn opgeworpen exceptie toestaan, indien het van oordeel is dat er een geldige reden voor de vertraging was.
6.
Het scheidsgerecht kan uitspraak doen over de in lid 4 bedoelde exceptie, hetzij door deze als een preliminaire vraag te behandelen, hetzij in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.
ARTIKEL III.7
Andere schriftelijke opmerkingen
Het scheidsgerecht beslist, na raadpleging van de partijen, welke andere schriftelijke opmerkingen, naast de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, de partijen moeten of kunnen indienen en stelt de termijn voor de indiening ervan vast.
ARTIKEL III.8
Termijnen
1.
De door het scheidsgerecht vastgestelde termijnen voor de mededeling van de schriftelijke documenten, met inbegrip van de conclusie van eis en de conclusie van antwoord, mogen niet meer dan negentig dagen bedragen, tenzij de partijen anders overeenkomen.
2.
Het scheidsgerecht neemt zijn definitieve beslissing binnen twaalf maanden na de datum van zijn instelling. In uitzonderlijke omstandigheden waarin zich bijzondere moeilijkheden voordoen, kan het scheidsgerecht die termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
3.
De in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen worden gehalveerd:
a)
op verzoek van de verzoeker of de verweerder, indien het scheidsgerecht binnen dertig dagen na dat verzoek, na de wederpartij te hebben gehoord, oordeelt dat de zaak spoedeisend is; of
b)
indien de partijen dit overeenkomen.
4.
In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen neemt het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 1, van het protocol kennis is gegeven van de compenserende maatregelen.
5.
In de in artikel 14 bis, leden 2 en 4, van de overeenkomst bedoelde gevallen geeft het scheidsgerecht zijn definitieve beslissing binnen zes maanden na de datum van zijn instelling.
ARTIKEL III.9
Verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie
1.
Overeenkomstig artikel 7 en artikel 10, lid 3, van het protocol legt het scheidsgerecht geschillen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2.
Het scheidsgerecht kan zich op elk moment van de procedure tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, mits het in staat is het juridische en feitelijke kader van de zaak en de rechtsvragen die deze opwerpt, nauwkeurig te omschrijven.
De procedure voor het scheidsgerecht wordt geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan.
3.
Elke partij kan het scheidsgerecht een met redenen omkleed verzoek sturen om het geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen. Het scheidsgerecht wijst een dergelijk verzoek af indien het van oordeel is dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het scheidsgerecht het verzoek van een partij om verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie afwijst, motiveert het zijn beslissing in de in het hoofdgeding gegeven beslissing.
4.
Het scheidsgerecht verwijst een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie door middel van een kennisgeving. De kennisgeving bevat ten minste de volgende informatie:
a)
een korte beschrijving van het geschil;
b)
de betrokken rechtshandeling(en) van de Unie en/of de betrokken bepaling(en) van de overeenkomst; en
c)
het Unierechtelijk begrip dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het protocol.
Het scheidsgerecht stelt de partijen in kennis van de verwijzing van een geschil naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie past naar analogie het reglement van orde toe dat van toepassing is op de uitoefening van zijn bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie.
6.
De gemachtigden en advocaten die overeenkomstig de artikelen I.4, I.5, III.4 en III.5 gemachtigd zijn om de partijen voor het scheidsgerecht te vertegenwoordigen, zijn gemachtigd om de partijen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te vertegenwoordigen.
ARTIKEL III.10
Voorlopige maatregelen
1.
In de in artikel 11, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen kan elke partij in elke fase van de arbitrageprocedure verzoeken om voorlopige maatregelen strekkende tot de opschorting van de compenserende maatregelen.
2.
De verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomen. Zij bevatten al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen.
3.
De partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zendt haar verzoek schriftelijk toe aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau. Het scheidsgerecht stelt een korte termijn vast waarbinnen die wederpartij schriftelijke opmerkingen kan indienen of mondelinge opmerkingen kan maken.
4.
Het scheidsgerecht neemt binnen één maand na de indiening van het in lid 1 bedoelde verzoek een beslissing over de opschorting van de betwiste compenserende maatregelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
het scheidsgerecht is op het eerste gezicht overtuigd van de gegrondheid van de zaak die is voorgelegd door de partij die in haar verzoek om voorlopige maatregelen verzoekt;
b)
het scheidsgerecht is van oordeel dat, in afwachting van zijn definitieve beslissing, de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien de compenserende maatregelen niet worden opgeschort; en
c)
de schade die wordt berokkend aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt door de onmiddellijke toepassing van de betwiste compenserende maatregelen, weegt zwaarder dan het belang bij een onmiddellijke en daadwerkelijke toepassing van die maatregelen.
5.
De in artikel III.9, lid 2, tweede alinea, bedoelde opschorting van de procedure is niet van toepassing in procedures op grond van dit artikel.
6.
Een door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 genomen beslissing is slechts van voorlopige aard en laat de beslissing ten gronde van het scheidsgerecht onverlet.
7.
Tenzij in de door het scheidsgerecht overeenkomstig lid 4 van dit artikel genomen beslissing een eerdere datum voor het einde van de opschorting is vastgesteld, vervalt de opschorting wanneer de definitieve beslissing op grond van artikel 11, lid 2, van het protocol wordt genomen.
8.
Voor alle duidelijkheid: voor de toepassing van dit artikel houdt het scheidsgerecht bij het afwegen van de respectieve belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en van de wederpartij rekening met de belangen van de personen en marktdeelnemers van de partijen, maar deze afweging houdt niet in dat aan deze personen of marktdeelnemers een procesbevoegdheid voor het scheidsgerecht wordt toegekend.
ARTIKEL III.11
Bewijsmateriaal
1.
Elke partij verstrekt bewijs van de feiten die ten grondslag liggen aan haar eis of verweer.
2.
Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht de partijen om relevante informatie verzoeken die het noodzakelijk en passend acht. Het scheidsgerecht stelt een termijn vast waarbinnen de partijen op zijn verzoek moeten reageren.
3.
Op verzoek van een partij of op eigen initiatief kan het scheidsgerecht bij alle bronnen alle informatie inwinnen die het passend acht. Het scheidsgerecht heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, met inachtneming van eventuele door de partijen overeengekomen voorwaarden.
4.
Alle informatie die het scheidsgerecht uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt ter beschikking gesteld van de partijen en de partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen bij het scheidsgerecht.
5.
Na het standpunt van de wederpartij te hebben ingewonnen, neemt het scheidsgerecht passende maatregelen om alle vragen van een partij in verband met de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid te behandelen.
6.
Het scheidsgerecht stelt de toelaatbaarheid, relevantie en kracht van het overgelegde bewijsmateriaal vast.
ARTIKEL III.12
Hoorzittingen
1.
Wanneer een hoorzitting moet plaatsvinden, stelt het scheidsgerecht, na de partijen te hebben geraadpleegd, de partijen ruim van tevoren in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting.
2.
De hoorzittingen zijn openbaar, tenzij het scheidsgerecht ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.
3.
Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat wordt ondertekend door de voorzitter van het scheidsgerecht. Alleen dit proces-verbaal is authentiek.
4.
Het scheidsgerecht kan besluiten de hoorzitting virtueel te houden overeenkomstig de praktijk van het Internationaal Bureau. De partijen worden tijdig van deze praktijk in kennis gesteld. In dergelijke gevallen zijn lid 1, op overeenkomstige wijze, en lid 3 van toepassing.
ARTIKEL III.13
Verzuim
1.
Indien de verzoeker binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden zijn conclusie van eis niet heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de afsluiting van de arbitrageprocedure, tenzij er openstaande vragen zijn waarover een uitspraak nodig kan zijn en indien het scheidsgerecht het passend acht dit te doen.
Indien de verweerder binnen de in dit aanhangsel of de door het scheidsgerecht vastgestelde termijn zonder geldige reden geen antwoord op de kennisgeving van arbitrage of geen conclusie van antwoord heeft ingediend, gelast het scheidsgerecht de voortzetting van de procedure, zonder ervan uit te gaan dat dit verzuim op zich aanvaarding van de beweringen van de verzoeker inhoudt.
De tweede alinea is ook van toepassing wanneer de verzoeker geen antwoord op een reconventionele vordering indient.
2.
Indien een partij die naar behoren is opgeroepen overeenkomstig artikel III.12, lid 1, niet op een hoorzitting verschijnt en daarvoor geen geldige reden opgeeft, kan het scheidsgerecht de arbitrage voortzetten.
3.
Indien een partij die door het scheidsgerecht naar behoren is verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zonder geldige reden nalaat dit binnen de gestelde termijn te doen, kan het scheidsgerecht uitspraak doen op basis van het bewijsmateriaal waarover het beschikt.
ARTIKEL III.14
Beëindiging van de procedure
1.
Indien wordt aangetoond dat de partijen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om hun argumenten naar voren te brengen, kan het scheidsgerecht de procedure beëindigen.
2.
Het scheidsgerecht kan, indien het dit vanwege uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk acht, op eigen initiatief of op verzoek van een partij besluiten de procedure te allen tijde te heropenen voordat het een beslissing heeft genomen.
HOOFDSTUK IV
BESLISSING
ARTIKEL IV.1
Beslissingen
Het scheidsgerecht streeft ernaar zijn beslissingen bij consensus te nemen. Indien het echter onmogelijk blijkt om bij consensus een beslissing te nemen, wordt de beslissing van het scheidsgerecht met meerderheid van stemmen van de arbiters genomen.
ARTIKEL IV.2
Vorm en gevolgen van de beslissing van het scheidsgerecht
1.
Het scheidsgerecht kan op verschillende tijdstippen afzonderlijke beslissingen over verschillende kwesties nemen.
2.
Alle beslissingen worden schriftelijk genomen en met redenen omkleed. Zij zijn definitief en bindend voor de partijen.
3.
De beslissing van het scheidsgerecht wordt ondertekend door de arbiters, bevat de datum waarop zij is genomen en vermeldt de plaats van arbitrage. Een kopie van de door de arbiters ondertekende beslissing wordt door het Internationaal Bureau aan de partijen toegezonden.
4.
Het Internationaal Bureau maakt de beslissing van het scheidsgerecht openbaar.
Bij het openbaar maken van de beslissing van het scheidsgerecht neemt het Internationaal Bureau de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, het beroepsgeheim en de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid in acht.
De in de tweede alinea bedoelde regels zijn identiek voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden van de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die regels vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.
5.
De partijen leven alle beslissingen van het scheidsgerecht onverwijld na.
6.
In de in artikel 10, lid 2, van het protocol bedoelde gevallen stelt het scheidsgerecht, na het advies van de partijen te hebben ingewonnen, in de beslissing ten gronde een redelijke termijn vast om gevolg te geven aan zijn beslissing overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het protocol, rekening houdend met de interne procedures van de partijen.
ARTIKEL IV.3
Toepasselijk recht, uitleggingsregels, bemiddelaar
1.
Het toepasselijke recht bestaat uit de overeenkomst, de rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, alsmede alle andere regels van internationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van die instrumenten.
2.
Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de in artikel 7 van het protocol bedoelde uitleggingsregels.
3.
Eerdere beslissingen van een geschillenbeslechtingsorgaan met betrekking tot de evenredigheid van compenserende maatregelen in het kader van een andere bilaterale overeenkomst als bedoeld in artikel 11, lid 1, van het protocol zijn bindend voor het scheidsgerecht.
4.
Het scheidsgerecht mag niet als bemiddelaar of ex aequo et bono beslissen.
ARTIKEL IV.4
Onderling overeengekomen oplossing of andere redenen om de procedure te beëindigen
1.
De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor hun geschil overeenkomen. Zij delen die oplossing gezamenlijk mee aan het scheidsgerecht. Indien de oplossing ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van beide partijen goedkeuring vergt, verwijst de kennisgeving naar dat vereiste en wordt de arbitrageprocedure opgeschort. Indien een dergelijke goedkeuring niet is vereist, of nadat is kennisgegeven van de afronding van die interne procedures, wordt de arbitrageprocedure beëindigd.
2.
Indien de verzoeker in de loop van de procedure het scheidsgerecht schriftelijk meedeelt dat hij de procedure niet wenst voort te zetten en indien de verweerder op de datum van ontvangst van die mededeling door het scheidsgerecht nog geen stappen in de procedure heeft ondernomen, vaardigt het scheidsgerecht een beschikking uit waarin de beëindiging van de procedure officieel wordt vastgelegd. Het scheidsgerecht beslist over de kosten die ten laste komen van de verzoeker, indien dit door het gedrag van die partij gerechtvaardigd lijkt.
3.
Indien het scheidsgerecht, voordat het een beslissing heeft genomen, tot de conclusie komt dat voortzetting van de procedure zinloos of onmogelijk is geworden om een andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde redenen, stelt het scheidsgerecht de partijen in kennis van zijn voornemen om een beschikking tot beëindiging van de procedure uit te vaardigen.
De eerste alinea is niet van toepassing wanneer er openstaande vragen zijn waarover mogelijk een uitspraak moet worden gedaan en indien het scheidsgerecht dit passend acht.
4.
Het scheidsgerecht doet de partijen een kopie toekomen van de beschikking tot beëindiging van de arbitrageprocedure of van de in onderlinge overeenstemming tussen de partijen genomen beslissing, ondertekend door de arbiters. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing op arbitrale beslissingen die in onderlinge overeenstemming tussen de partijen worden genomen.
ARTIKEL IV.5
Correctie van de beslissing van het scheidsgerecht
1.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het scheidsgerecht kan een partij, door middel van een kennisgeving aan de wederpartij en aan het scheidsgerecht via het Internationaal Bureau, het scheidsgerecht verzoeken eventuele fouten in de berekening, materiële of typografische fouten, of soortgelijke fouten of weglatingen in de tekst van de beslissing van het scheidsgerecht te corrigeren. Indien het scheidsgerecht het verzoek gegrond acht, voert het de correctie binnen 45 dagen na ontvangst van dat verzoek uit. Het verzoek heeft geen opschortend effect op de in artikel IV.2, lid 6, bedoelde termijn.
2.
Het scheidsgerecht kan binnen dertig dagen na de mededeling van zijn beslissing op eigen initiatief de in lid 1 bedoelde correcties aanbrengen.
3.
De in lid 1 van dit artikel bedoelde correcties worden schriftelijk aangebracht en maken integrerend deel uit van de beslissing. Artikel IV.2, leden 2 tot en met 5, is van toepassing.
ARTIKEL IV.6
Honoraria van arbiters
1.
De in artikel IV.7 bedoelde honoraria zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak, de tijd die de arbiters eraan hebben besteed en alle andere relevante omstandigheden.
2.
Er wordt een lijst van dagelijkse vergoedingen en maximum- en minimumaantallen uren, die identiek is voor alle bilaterale overeenkomsten op de gebieden die verband houden met de interne markt waaraan Zwitserland deelneemt, alsmede voor de gezondheidsovereenkomst, de overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten en de overeenkomst betreffende de regelmatige financiële bijdrage van Zwitserland, opgesteld en indien nodig geactualiseerd. Met het oog op de toepassing van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité die lijst vast en actualiseert het deze door middel van een besluit.
ARTIKEL IV.7
Kosten
1.
Elke partij draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten van het scheidsgerecht.
2.
Het scheidsgerecht stelt zijn kosten vast in zijn beslissing ten gronde. Deze kosten omvatten alleen:
a)
de honoraria van de arbiters, die voor elke arbiter afzonderlijk moeten worden vermeld en door het scheidsgerecht zelf moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel IV.6;
b)
de reis- en verblijfkosten en andere uitgaven van de arbiters; en
c)
de honoraria en kosten van het Internationaal Bureau.
3.
De in lid 2 bedoelde kosten zijn redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met het litigieuze bedrag, de complexiteit van het geschil, de tijd die de arbiters en eventuele door het scheidsgerecht aangestelde deskundigen eraan hebben besteed, en andere relevante omstandigheden.
ARTIKEL IV.8
Consignatie
1.
Bij aanvang van de arbitrage kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken als voorschot op de in artikel IV.7, lid 2, bedoelde kosten gelijke bedragen in consignatie te geven.
2.
Tijdens de arbitrageprocedure kan het Internationaal Bureau de partijen verzoeken extra bedragen in consignatie te geven in aanvulling op de in lid 1 bedoelde bedragen.
Alle overeenkomstig dit artikel door de partijen in consignatie gegeven bedragen worden betaald aan het Internationaal Bureau, dat deze aanwendt ter dekking van de werkelijk gemaakte kosten, waaronder met name de honoraria betaald aan de arbiters en het Internationaal Bureau.
HOOFDSTUK V
SLOTBEPALINGEN
ARTIKEL V.1
Wijzigingen
Het Gemengd Comité kan bij besluit wijzigingen van dit aanhangsel vaststellen.