Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024PC0559

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité douanesamenwerking EU-Turkije dat is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ten aanzien van de vaststelling van een besluit over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR

COM/2024/559 final

Brussel, 29.11.2024

COM(2024) 559 final

2024/0310(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité douanesamenwerking EU-Turkije dat is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ten aanzien van de vaststelling van een besluit over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Europese Unie in het Comité douanesamenwerking moet worden ingenomen. Dit comité is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ondertekend in Ankara op 12 september 1963 (associatieovereenkomst). Het standpunt dat door de EU in het Comité douanesamenwerking moet worden ingenomen, heeft betrekking op de voorgenomen vaststelling van een besluit van het comité over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De douane-unie tussen de EU en Turkije

De associatieovereenkomst heeft onder meer ten doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije te bevorderen. Om haar doelstellingen te verwezenlijken, voorziet de associatieovereenkomst in de totstandbrenging van een douane-unie. De regels voor de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie zijn vastgelegd in Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 1 (het “basisbesluit”), waarin de voorwaarden voor het vrije verkeer van goederen tussen de partijen zijn vastgesteld.

Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking van 26 juli 2006 2 (de zogenaamde “overbruggingswetgeving”) bevat uitvoeringsbepalingen op het gebied van douane voor Besluit nr. 1/95, die van toepassing zijn op de handel in goederen tussen de partijen bij de douane-unie en met derde landen, en bepaalt dat het certificaat inzake goederenverkeer A.TR, waarvan het model in bijlage I bij dat besluit is opgenomen, geldt als bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het basisbesluit betreffende het vrije verkeer is voldaan.

2.2.Het Comité douanesamenwerking

Het Comité douanesamenwerking is opgericht bij Besluit nr. 2/69 van de Associatieraad van 15 december 1969 3 . In artikel 2 van dat besluit is bepaald dat het Comité douanesamenwerking is belast met de administratieve samenwerking tussen de partijen met het oog op de correcte en uniforme toepassing van de douanebepalingen van de associatieovereenkomst en met de uitvoering van alle andere taken op douanegebied die het Associatiecomité aan dat comité kan toevertrouwen.

2.3.De beoogde handeling van het Comité douanesamenwerking

Het Comité douanesamenwerking zal op zijn volgende vergadering of bij briefwisseling een besluit vaststellen over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR (“de beoogde handeling”).

De beoogde handeling strekt ertoe de douaneautoriteiten van de partijen een solide rechtskader te bieden voor de aanvaarding van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer die bij invoer worden ingediend in het kader van de douane-unie tussen de EU en Turkije.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Tijdens de COVID-19-pandemie heeft de Commissie informatieve nota nr. 1 van 31 maart 2020 doen uitgaan, waarin de douaneautoriteiten van de EU-lidstaten en van de EU-partnerlanden werd verzocht certificaten inzake goederenverkeer die elektronisch waren afgegeven met een digitale handtekening, stempel of zegel van de bevoegde autoriteiten, dan wel een papieren of elektronische kopie van die certificaten (gescand of online beschikbaar), te aanvaarden. Deze maatregelen waren ook van toepassing op de certificaten inzake goederenverkeer A.TR die dienen voor het vrije verkeer van goederen binnen de douane-unie tussen de EU en Turkije.

Toen werd geoordeeld dat de uitzonderlijke omstandigheden die tot de vaststelling van deze flexibele maatregelen hadden geleid, niet langer bestonden, werd besloten de toepassing ervan met ingang van 1 mei 2024 te beëindigen.

De EU en Turkije erkennen echter dat de maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie waren vastgesteld, de handel ten goede zijn gekomen, en achten het dienstig een passend rechtskader vast te stellen om deze goede praktijken opnieuw in te voeren.

In afwachting van de vaststelling van de beoogde handeling zijn de partijen overeengekomen om met ingang van 8 juli 2024 elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR (met name die welke door de Turkse autoriteiten zijn afgegeven met behulp van hun MEDOS-systeem en zonder natte handtekening) te aanvaarden, op voorwaarde dat de vast te stellen handeling terugwerkende kracht heeft vanaf die datum.

Het is daarom passend te voorzien in toepassing van de beoogde handeling met terugwerkende kracht met ingang van 8 juli 2024 om de continuïteit te waarborgen van de goede praktijken die met ingang van die datum opnieuw in werking zijn getreden.

De beoogde handeling vormt een rechtsgrondslag voor de aanvaarding van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR. Zij houdt echter geen verplichting in voor de partijen om certificaten inzake goederenverkeer A.TR elektronisch af te geven. De EU beschikt op dit moment niet over een elektronisch systeem voor de afgifte van certificaten. Daarom zullen de EU-lidstaten A.TR-certificaten op papier blijven afgeven. Zelfs als een A.TR-certificaat elektronisch wordt afgegeven, zal de indiening ervan bij de EU-lidstaat waar de goederen worden ingevoerd, dus nog steeds op papier of elektronisch in pdf-formaat gebeuren. De geldigheid en de echtheid van die certificaten zullen handmatig door de douaneambtenaren worden gecontroleerd.

DG TAXUD is voornemens een centrale oplossing voor de digitalisering van alle papieren procedures te ontwikkelen, die marktdeelnemers en douaneautoriteiten in staat zal stellen certificaten inzake goederenverkeer digitaal af te geven. Zodra de Commissie het EU-systeem voor elektronische oorsprongsbewijzen heeft ontwikkeld en uitgerold, zullen de lidstaten met dat systeem verbinding moeten maken via EU-CSW-CERTEX om de werkzaamheden van de douaneambtenaren te stroomlijnen. Er is een rechtsgrondslag nodig voor het opzetten van een centrale IT-oplossing voor de afgifte en validering van certificaten door de EU-lidstaten.

Dit standpunt zou in overeenstemming zijn met het standpunt dat de EU heeft ingenomen in het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (“het Gemengd Comité PEM”) ten aanzien van de voorgenomen vaststelling van een aanbeveling van het Gemengd Comité PEM over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer. Het standpunt van de EU in het Gemengd Comité PEM was gebaseerd op dezelfde uitgangspunten en had dezelfde doelstellingen.

Het door de Europese Unie in het Comité douanesamenwerking in te nemen standpunt moet door de Raad worden vastgesteld.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 4 ”.

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Comité douanesamenwerking is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije.

De door het Comité douanesamenwerking vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal in de partijen van toepassing worden overeenkomstig artikel 24 van de associatieovereenkomst en artikel 28, leden 1 en 3, van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijk handelsbeleid en op de tenuitvoerlegging van de douane-unie EU-Turkije. De beoogde handeling is derhalve bedoeld om het handelsverkeer tussen de partijen te vergemakkelijken door te voorzien in flexibele maatregelen met betrekking tot het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR die bij invoer worden ingediend.

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van het Comité douanesamenwerking toepasselijk zal zijn in beide partijen, daaronder begrepen de EU en haar lidstaten, moet deze na de vaststelling ervan bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2024/0310 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité douanesamenwerking EU-Turkije dat is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ten aanzien van de vaststelling van een besluit over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ondertekend in Ankara op 12 september 1963 5 (associatieovereenkomst), omschrijft het toepassingsgebied en de inhoud van de associatiebetrekkingen, terwijl de slotfase van de douane-unie wordt omschreven in Besluit nr. 1/95 van de bij artikel 6 van de associatieovereenkomst ingestelde Associatieraad van 22 december 1995 6 , dat op 31 december 1995 in werking is getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 24 van de associatieovereenkomst kan de Associatieraad besluiten comités in te stellen die hem kunnen bijstaan bij de vervulling van zijn taken.

(3)Bij Besluit nr. 2/69 7 van de Associatieraad van 15 december 1969 is het Comité douanesamenwerking opgericht.

(4)Artikel 28, leden 1 en 3, van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad belast het Comité douanesamenwerking met de vaststelling van passende maatregelen voor de uitvoering van de douanebepalingen van dat besluit.

(5)In artikel 6, lid 1, van Besluit nr. 1/2006 8 van het Comité douanesamenwerking van 26 juli 2006 is bepaald dat het certificaat inzake goederenverkeer A.TR het bewijsstuk vormt om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van Besluit nr. 1/95 betreffende het vrije verkeer is voldaan.

(6)Begin 2020 werden de contacten tussen de douaneautoriteiten van de EU-partnerlanden en de marktdeelnemers in een aantal landen opgeschort als gevolg van de COVID-19-pandemie. Het werd daarom passend geacht uitzonderlijke maatregelen op basis van wederkerigheid vast te stellen, die ertoe strekten dat certificaten inzake goederenverkeer die elektronisch waren afgegeven met een digitale handtekening, stempel of zegel van de bevoegde autoriteiten, dan wel een papieren of elektronische kopie van die certificaten (gescand of online beschikbaar), werden aanvaard.

(7)Deze maatregelen waren ook van toepassing op de certificaten inzake goederenverkeer A.TR die dienen voor het vrije verkeer van goederen binnen de douane-unie tussen de EU en Turkije.

(8)Toen werd geoordeeld dat de uitzonderlijke omstandigheden die tot de vaststelling van deze flexibele maatregelen hadden geleid, niet langer bestonden, werd besloten de toepassing ervan met ingang van 1 mei 2024 te beëindigen.

(9)De Europese Unie en Turkije erkenden dat de uitzonderlijke maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie waren vastgesteld, de handel ten goede waren gekomen, en achtten het dienstig een passend rechtskader vast te stellen om deze goede praktijken opnieuw in te voeren. Een besluit van het Comité douanesamenwerking vormt te dien einde een passende rechtsgrondslag.

(10)De partijen zijn overeengekomen om met ingang van 8 juli 2024 elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR te aanvaarden, op voorwaarde dat een ad-hocbesluit van het Comité douanesamenwerking EU-Turkije wordt vastgesteld, met terugwerkende kracht vanaf 8 juli 2024, om de continuïteit te waarborgen van de goede praktijken die vanaf die datum opnieuw in werking zijn getreden, onverminderd maatregelen die de douanediensten van beide partijen in de periode van 1 mei 2024 tot en met 8 juli 2024 hebben genomen en zonder afbreuk te doen aan de rechten die in dezelfde periode aan natuurlijke personen zijn toegekend.

(11)Het Comité douanesamenwerking zal een besluit vaststellen over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR.

(12)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité douanesamenwerking, aangezien het besluit van toepassing wordt in de Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Comité douanesamenwerking EU-Turkije in het kader van de associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Comité douanesamenwerking.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 35 van 13.2.1996, blz. 1.
(2)    PB L 265 van 26.9.2006, blz. 18 - corrigendum PB L 267 van 27.9.2006, blz. 48.
(3)    Besluit niet bekendgemaakt.
(4)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61-64.
(5)    PB L 361 van 31.12.1977, blz. 29.
(6)    PB L 35 van 13.2.1996, blz. 1.
(7)    Besluit niet bekendgemaakt.
(8)    PB L 265 van 26.9.2006, blz. 18 - corrigendum PB L 267 van 27.9.2006, blz. 48.
Top

Brussel, 29.11.2024

COM(2024) 559 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité douanesamenwerking EU–Turkije dat is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, ten aanzien van de vaststelling van een besluit over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR


BIJLAGE

ONTWERP

BESLUIT Nr.

VAN HET COMITÉ DOUANESAMENWERKING EU - TURKIJE

van...

over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR

HET COMITÉ DOUANESAMENWERKING,

Gelet op Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie 1 , en met name op artikel 3, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Begin 2020 werden de partnerlanden van de EU die een vrijhandelsovereenkomst met de Unie hebben, geconfronteerd met de situatie dat er geen certificaten inzake goederenverkeer konden worden afgegeven in de juiste vorm (dat wil zeggen met de hand ondertekend, fysiek afgestempeld of in het juiste papieren formaat), omdat de contacten tussen de douaneautoriteiten van die partnerlanden en de marktdeelnemers in een aantal landen waren opgeschort als gevolg van de COVID-19-pandemie. Daarom werd het passend geacht uitzonderlijke maatregelen op basis van wederkerigheid vast te stellen om de onverkorte uitvoering van het preferentiële handelsverkeer te waarborgen.

(2)De douaneautoriteiten van de EU-lidstaten en van de EU-partnerlanden werd verzocht certificaten inzake goederenverkeer die elektronisch waren afgegeven met een digitale handtekening, stempel of zegel van de bevoegde autoriteiten, dan wel een papieren of elektronische kopie van die certificaten (gescand of online beschikbaar), te aanvaarden 2 .

(3)Deze maatregelen waren ook van toepassing op de certificaten inzake goederenverkeer A.TR die dienen voor het vrije verkeer van goederen binnen de douane-unie tussen de EU en Turkije. Deze praktijk was gebaseerd op de flexibiliteit waarin artikel 10, lid 1, van Besluit nr. 1/2006 3 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 26 juli 2006 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije voorziet. Volgens deze bepaling moeten certificaten inzake goederenverkeer A.TR aan de douaneautoriteiten van de staat van invoer worden overgelegd volgens de procedures die in dat land van toepassing zijn.

(4)Toen werd geoordeeld dat de uitzonderlijke omstandigheden die tot de vaststelling van deze flexibele maatregelen hadden geleid, niet langer bestonden, werd besloten de toepassing ervan met ingang van 1 mei 2024 te beëindigen.

(5)De EU en Turkije erkenden dat de uitzonderlijke maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie waren vastgesteld, de handel ten goede waren gekomen en achtten het passend om de goede praktijken die in het kader van de uitzonderlijke omstandigheden tijdens de pandemie waren ingevoerd, te handhaven zodat de marktdeelnemers kunnen profiteren van een digitalisering van de certificaten inzake goederenverkeer A.TR.

(6)Het systeem dat is opgezet en ontwikkeld voor de elektronische afgifte van certificaten inzake goederenverkeer A.TR, biedt de douaneautoriteiten de mogelijkheid om de echtheid ervan onmiddellijk te controleren, onverminderd artikel 16 van Besluit nr. 1/2006 betreffende procedures voor controles achteraf. Er moet een nadere regeling worden vastgesteld voor de uitvoering van de echtheidscontroles. Dezelfde functie moet mogelijk worden gemaakt zodra een systeem van digitalisering van certificaten inzake goederenverkeer A.TR is opgezet voor de elektronische afgifte van dergelijke certificaten in de Europese Unie.

(7)In het kader van de preferentiële handel in het pan-Euromediterrane (PEM) gebied, dat ook de EU en Turkije omvat, heeft het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane oorsprongsregels Aanbeveling nr. 1/2023 4 over het gebruik van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en EUR-MED uitgevaardigd.

(8)Met het oog op een geharmoniseerde praktijk met betrekking tot het gebruik van certificaten inzake goederenverkeer en gelet op artikel 9 en bijlage II bij Besluit nr. 1/2006 is het passend dat certificaten inzake goederenverkeer A.TR die elektronisch worden afgegeven in het kader van de douane-unie EU-Turkije, door de douaneautoriteiten van de EU-lidstaten en Turkije worden aanvaard.

(9)De partijen zijn overeengekomen om met ingang van 8 juli 2024 elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR te aanvaarden. Het is daarom passend te voorzien in een toepassing met terugwerkende kracht vanaf 8 juli 2024 om de continuïteit te waarborgen van de goede praktijken die tijdens de COVID-19-pandemie zijn ingevoerd en met ingang van die datum opnieuw in werking zijn getreden, onverminderd maatregelen die de douanediensten van beide partijen tijdens de overgangsperiode van 1 mei 2024 tot en met 8 juli 2024 hebben genomen en zonder afbreuk te doen aan de rechten die in dezelfde periode aan natuurlijke personen zijn toegekend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.    Onverminderd de bepalingen van Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije aanvaarden de douaneautoriteiten van de EU-lidstaten en Turkije elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR wanneer deze bij invoer worden ingediend, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)het model in bijlage I bij Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije wordt gebruikt als basis voor de elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR;

b)de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer voorzien in een beveiligd online internetgebaseerd systeem om de echtheid van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR te controleren;

c)de elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR zijn voorzien van een uniek volgnummer en, indien beschikbaar, van veiligheidskenmerken aan de hand waarvan zij kunnen worden geïdentificeerd.

2.De EU en Turkije kunnen besluiten de aanvaarding van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR op te schorten wanneer niet aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan, en zij stellen elkaar daarvan vooraf in kennis. Beide partijen zien erop toe dat de kennisgevingen volgens hun eigen procedures worden bekendgemaakt, met vermelding van de aanvangsdatum van de opschorting.

Artikel 2

Het is van toepassing met ingang van 8 juli 2024.

Gedaan te Brussel,

Voor het Comité douanesamenwerking

               De voorzitter

Matthias PETSCHKE

(1)    PB L 35 van 13.2.1996, blz. 1.
(2)    Informatieve nota nr. 1 van 30.3.2020 (ref. TAXUD/2109264/20) over de indiening van bewijzen van preferentiële oorsprong tijdens de COVID-19-crisis.
(3)    PB L 265 van 26.9.2006, blz. 18 en corrigendum PB L 267 van 27.9.2006, blz. 48.    
(4)    PB L, 2024/243, 15.1.2024.
Top