Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024PC0429

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij die overeenkomst

COM/2024/429 final

Brussel, 3.10.2024

COM(2024) 429 final

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij die overeenkomst


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie in de associatieraad van de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Israël moet worden ingenomen in verband met de voorgenomen aanneming van een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds

De Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds 1 (“de overeenkomst”) heeft ten doel de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer. De overeenkomst is op 1 juni 2000 in werking getreden.

2.2.De associatieraad

De bij artikel 67 van de overeenkomst opgerichte associatieraad kan aanbevelingen doen en besluiten nemen. Besluiten en aanbevelingen van de associatieraad worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

2.3.De beoogde handeling van de associatieraad

De associatieraad zal op zijn volgende vergadering of bij briefwisseling een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong (“de beoogde handeling”) aannemen.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) 2 overeengekomen de herziene regels van de conventie 3 (“de overgangsregels van oorsprong”) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.

Sinds 1 september 2021 is tussen de partijen bij de conventie een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels in werking getreden, waardoor de overgangsregels van toepassing zijn geworden.

Het doel van de overgangsregels van oorsprong is soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken en de mogelijkheid te creëren om gebruik te maken van elektronisch afgegeven en/of elektronisch ingediende bewijzen van oorsprong.

De EU en Israël zijn overeengekomen om de bepalingen van artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst toe te passen wat elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong betreft, en er moet derhalve een kader van algemene voorwaarden worden vastgesteld.

Tijdens de vergadering van het Gemengd Comité op 7 december 2023 hebben de partijen met eenparigheid van stemmen de aanbeveling van het Gemengd Comité over het gebruik van elektronische certificaten in het kader van de huidige conventie aangenomen. De aanbeveling bevat een lijst van voorwaarden waaraan een bewijs van oorsprong in de vorm van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 moet voldoen om door de partij van invoer te kunnen worden aanvaard.

Deze voorwaarden zijn dezelfde als de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong die in dit voorstel worden vastgesteld.

Om te garanderen dat de bepalingen betreffende bewijzen van oorsprong in de vorm van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer in de Europese Unie op uniforme wijze worden toegepast, wil de Commissie een elektronisch systeem opzetten voor de indiening van aanvragen voor certificaten inzake goederenverkeer die elektronisch worden afgegeven, voor de afgifte van die certificaten en voor de opslag en de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten van de lidstaten onderling alsook met partijen bij de conventie. Dit systeem van elektronische certificaten ten bewijze van de oorsprong (het zogenoemde “e-PoC-systeem van de EU”) moet worden opgezet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

Het door de EU in de associatieraad in te nemen standpunt moet door de Raad worden vastgesteld.

Het voorgestelde kader is technisch van aard; het heeft betrekking op de thans geldende overgangsregels van oorsprong tussen de partijen en is niet van invloed op de inhoud van het protocol betreffende de oorsprongsregels. Een effectbeoordeling is dus niet nodig.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van het op het betrokken lichaam toepasselijke internationale recht. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die niet bindend zijn uit hoofde van het internationale recht, maar die “beslissende invloed [hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 4 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

De associatieraad is een orgaan dat is ingesteld bij een overeenkomst, zijnde de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds.

De door de associatieraad vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijk handelsbeleid. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Gevolgen voor de begroting

De algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong hebben geen meetbare impact op de EU-begroting omdat zij hoofdzakelijk beperkt blijven tot het faciliteren van het handelsverkeer en het consolideren van moderne praktijken door de douaneautoriteiten. Zij zorgen voor vereenvoudiging op de gebieden die onder de bevoegdheid van de autoriteiten blijven zonder te raken aan de inhoud van de regels op basis waarvan goederen de oorsprong verkrijgen. Het gebruik van elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong verbetert de doeltreffendheid van douanecontroles en vermindert het risico op fraude door een veilige omgeving voor afgifte en verificatie te creëren.

6.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van de associatieraad een aanvulling vormt op protocol nr. 4 bij de overeenkomst, moet deze na de vaststelling ervan bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij die overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (de overeenkomst) is bij Besluit 2000/384/EG, EGKS van de Raad 5 door de Unie gesloten en is op 1 juni 2000 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 69 van de overeenkomst kan de bij artikel 67 van de overeenkomst opgerichte associatieraad besluiten nemen.

(3)Overeenkomstig artikel 38 van protocol nr. 4 bij de overeenkomst betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking kan de associatieraad besluiten de bepalingen van dat protocol te wijzigen.

(4)Op zijn volgende vergadering zal de associatieraad een besluit tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong aannemen.

(5)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de associatieraad, aangezien het besluit van de associatieraad voor de Unie bindend zal zijn.

(6)Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) 6 overeengekomen de herziene regels van de conventie 7 (“de overgangsregels van oorsprong”) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.

(7)De toepassing van de overgangsregels van oorsprong zorgt ervoor dat de handelsstromen en douanepraktijken worden aangepast in afwachting van de inwerkingtreding van de herziene regels van de conventie, waarop de overgangsregels van oorsprong zijn gebaseerd, op 1 januari 2025.

(8)Sinds 1 september 2021 is een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels tussen verschillende partijen bij de conventie 8 in werking getreden, op grond waarvan de overgangsregels van oorsprong van toepassing zijn geworden 9 in afwachting van de inwerkingtreding van de wijziging van de conventie.

(9)De twee belangrijkste doelstellingen van de overgangsregels van oorsprong zijn soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken, en de mogelijkheid te creëren om gebruik te maken van elektronisch afgegeven of elektronisch ingediende bewijzen van oorsprong.

(10)De Unie en Israël zijn overeengekomen om de bepalingen van artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst toe te passen wat elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong betreft, en er moet derhalve een kader van algemene voorwaarden worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in de associatieraad in te nemen standpunt is gebaseerd op de aan dit besluit gehechte ontwerphandeling van de associatieraad.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.
(2)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(3)    PB L 339 van 30.12.2019, blz. 1.
(4)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Bondsrepubliek Duitsland/Raad van de Europese Unie, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(5)    Besluit van de Raad en de Commissie van 19 april 2000 inzake de sluiting van een Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (PB L 147 van 21.6.2000, blz. 1).
(6)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(7)    PB L 339 van 30.12.2019, blz. 1.
(8)    EU, IJsland, Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein), Noorwegen, de Faeröer, Israël, Jordanië, Palestina (deze benaming mag niet worden uitgelegd als erkenning van een staat Palestina en laat de afzonderlijke standpunten van de lidstaten ter zake onverlet), Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo), Noord-Macedonië, Servië, Montenegro, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne.
(9)    PB C/2024/1637.    
Top

Brussel, 3.10.2024

COM(2024) 429 final

BIJLAGE

bij

voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij die overeenkomst


BIJLAGE

[Ontwerp]BESLUIT Nr. ... VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-ISRAËL

van XX/XX/2024

tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven bewijzen van oorsprong overeenkomstig artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds

De Associatieraad EU-ISRAËL,

Gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds 1 (de overeenkomst), en met name artikel 69 van de overeenkomst en artikel 38 van protocol nr. 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Door de COVID-19-pandemie is de behoefte aan een papierloze douaneomgeving op het gebied van oorsprongsregels gegroeid en een grote meerderheid van de partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels 2 (de conventie) heeft besloten om elektronische exemplaren van certificaten inzake goederenverkeer te aanvaarden.

(2)De toepassende overeenkomstsluitende partijen hebben elektronische systemen opgezet of bestaande systemen aangepast om de behoefte aan digitalisering te verzoenen met de vereisten van het formulier voor het certificaat inzake goederenverkeer zoals beschreven in de overgangsregels van oorsprong (aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst).

(3)Rekening houdend met de ontwikkeling van elektronische douanesystemen erkennen de EU en de Staat Israël (de partijen) de noodzaak om de afgifte, indiening en controle van bewijzen van oorsprong in de vorm van certificaten inzake goederenverkeer naar hedendaagse eisen in te richten.

(4)Sinds 1 september 2021 is een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels tussen partijen bij de conventie in werking getreden, op grond waarvan de overgangsregels van oorsprong van toepassing 3 zijn geworden.

(5)De partijen bevestigen dat zij de goede praktijken wensen voort te zetten die in het kader van de uitzonderlijke maatregelen tijdens de COVID-19-pandemie zijn ingevoerd, erkennen dat het belangrijk is om elektronische instrumenten in te voeren, en streven samen naar een gemeenschappelijk systeem op basis van elektronische bewijzen van oorsprong en elektronische administratieve samenwerking in de pan-Euromediterrane zone (PEM-zone).

(6)De partijen beschouwen de overstap naar elektronische bewijzen van oorsprong en een gedigitaliseerde administratieve samenwerking in het kader van de overgangsregels van oorsprong als de aanzet tot een volledige digitalisering van de bewijzen van oorsprong op het niveau van de PEM-zone, met name met het oog op de aanstaande inwerkingtreding van de wijziging van de conventie 4 .

(7)De partijen zijn overeengekomen om de bepalingen van artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst toe te passen met betrekking tot elektronisch afgegeven oorsprongsbewijzen; voor oorsprongsproducten moet derhalve een beroep kunnen worden gedaan op deze bepalingen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wat artikel 17, lid 4, van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst betreft, komen de partijen overeen dat de in artikel 17, lid 1, punt a), bedoelde bewijzen van oorsprong elektronisch kunnen worden afgegeven.

Artikel 2

De partijen aanvaarden elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer wanneer deze bij invoer worden voorgelegd, indien alle onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

a) de vorm van de elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer is vergelijkbaar met het model in bijlage IV bij aanhangsel A;

b) de douaneautoriteiten van de partij van uitvoer voorzien in een beveiligd online internetgebaseerd systeem om de echtheid van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer te controleren;

c) de elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer zijn voorzien van een uniek volgnummer en, indien beschikbaar, van veiligheidskenmerken aan de hand waarvan zij kunnen worden geïdentificeerd;

d) de datum met ingang waarvan een partij met de afgifte van elektronische certificaten inzake goederenverkeer begint, wordt bekendgemaakt in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) en volgens de eigen procedures van die partij. De langs elektronische weg afgegeven certificaten inzake goederenverkeer worden aanvaard vanaf de in dat bericht vermelde datum.

Artikel 3

Een partij kan besluiten de aanvaarding van elektronisch afgegeven certificaten inzake goederenverkeer op te schorten wanneer niet aan de voorwaarden van artikel 2 is voldaan, en stelt de andere partij daarvan vooraf in kennis. In het in artikel 2, punt d), bedoelde bericht wordt de begindatum van de opschorting vermeld.

Artikel 4

Met het oog op de administratieve samenwerking overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van aanhangsel A van protocol nr. 4 bij de overeenkomst kunnen de partijen besluiten elkaar langs elektronische weg bijstand te verlenen.

Artikel 5

Een bericht waarin de toepassing van dit besluit wordt meegedeeld, wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) en in een officiële publicatie in de Staat Israël, overeenkomstig de eigen procedures van die partij.

Artikel 6

De artikelen 1 tot en met 5 zijn van toepassing tot de datum van inwerkingtreding van het akkoord tussen de partijen om gebruik te maken van een pan-Euromediterrane digitale omgeving voor bewijzen van oorsprong die met de andere toepassende overeenkomstsluitende partijen is ontwikkeld en die de elektronische afgifte en/of indiening van bewijzen van oorsprong mogelijk maakt.

Artikel 7

Aangezien de overgangsregels van oorsprong komen te vervallen op de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de conventie, blijven de artikelen 1 tot en met 6 van dit besluit van toepassing tussen de partijen in het kader van de conventie tot de datum van inwerkingtreding van het besluit van het Gemengd Comité van de conventie tot vaststelling van de algemene voorwaarden met betrekking tot elektronisch afgegeven en/of ingediende bewijzen van oorsprong.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand nadat de laatste van de twee partijen de andere partij ervan in kennis heeft gesteld dat aan haar interne vereisten is voldaan.

Gedaan te ...

                       Voor de associatieraad

                       De voorzitter

                       De secretarissen

(1)    PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.
(2)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(3)    PB C/2024/1637.    
(4)    PB L 390/2024.
Top