Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024PC0178

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van een besluit houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen

COM/2024/178 final

Brussel, 26.4.2024

COM(2024) 178 final

2024/0097(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van een besluit houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit over aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s).

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”) heeft tot doel de handel en investeringen te liberaliseren en te vergemakkelijken, en de economische banden tussen de Europese Unie en Canada (“de Partijen”) aan te halen. De overeenkomst is op 30 oktober 2016 ondertekend en wordt sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

2.2.Het Gemengd Comité voor de CETA

Het Gemengd Comité voor de CETA is opgericht krachtens artikel 26.1 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat het Gemengd Comité voor de CETA bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van Canada en dat het medevoorzitterschap ervan wordt bekleed door de Minister van Internationale Handel van Canada en het lid van de Europese Commissie dat verantwoordelijk is voor handel, of door hun respectieve vertegenwoordigers. Het Gemengd Comité voor de CETA vergadert eenmaal per jaar of op verzoek van een Partij, en stelt zelf zijn vergaderrooster en -agenda vast. Het Gemengd Comité voor de CETA is verantwoordelijk voor alle vragen betreffende handel en investeringen tussen de Partijen en voor de uitvoering en toepassing van deze overeenkomst. Elke Partij mag iedere kwestie die verband houdt met de uitvoering en de uitlegging van deze overeenkomst, of enige andere kwestie die verband houdt met de handel en investeringen tussen de Partijen, aan het Gemengd Comité voor de CETA voorleggen.

Overeenkomstig artikel 26.3 van de overeenkomst is het Gemengd Comité voor de CETA bevoegd om in onderlinge overeenstemming besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden. De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de Partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij moeten door de Partijen worden uitgevoerd.

Overeenkomstig regel 10, lid 2, van het reglement van orde van het Gemengd Comité voor de CETA en van de gespecialiseerde comités 1 kan het Gemengd Comité voor de CETA in de periode tussen twee vergaderingen besluiten of aanbevelingen vaststellen volgens een schriftelijke procedure indien de Partijen bij de overeenkomst daartoe met wederzijdse instemming besluiten. Te dien einde wordt de tekst van het voorstel overeenkomstig regel 7 schriftelijk door de medevoorzitters meegedeeld aan de leden van het Gemengd Comité voor de CETA, waarbij een termijn wordt gesteld waarbinnen de leden eventuele bezwaren of amendementen ter kennis kunnen brengen. Aangenomen voorstellen worden meegedeeld overeenkomstig regel 7 zodra de termijn is verstreken, en vermeld in de notulen van de volgende vergadering.

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité voor de CETA

Het Gemengd Comité voor de CETA moet overeenkomstig artikel 8.39, lid 6, van de overeenkomst een besluit vaststellen over aanvullende voorschriften die strekken tot vermindering van de financiële lasten voor eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn (“de beoogde handeling”).

De beoogde handeling zal voor de Partijen bindend zijn. Artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst bepaalt: “De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij worden door de partijen uitgevoerd”.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Zoals is bepaald in punt 6, f), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst zijn de Europese Unie en haar lidstaten en Canada overeengekomen werk te maken van de verdere uitvoering van de bepalingen inzake de beslechting van investeringsgeschillen van de overeenkomst, het zogenoemde “stelsel van investeringsgerechten” 2 .

Artikel 8.39, lid 6, van de overeenkomst luidt: “Het Gemengd Comité voor de CETA neemt aanvullende voorschriften in overweging die strekken tot vermindering van de financiële lasten voor eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn. In het kader van dergelijke aanvullende voorschriften kunnen met name de financiële middelen van die eisers en het bedrag van de gevorderde schadeloosstelling in aanmerking worden genomen.”

Punt 6, h), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst luidt: “Canada en de Europese Unie en haar lidstaten verplichten zich ertoe de werking van al deze investeringsvoorschriften te monitoren, eventuele gebreken die zich voordoen tijdig te verhelpen, en na te gaan hoe de werking ervan voortdurend kan worden verbeterd.” Daarnaast bevat verklaring nr. 36 van de Commissie en de Raad, die in de Raadsnotulen is opgenomen naar aanleiding van de vaststelling door de Raad van het besluit tot ondertekening van de CETA namens de Unie, het volgende: “De toegang tot deze nieuwe rechterlijke instantie voor de zwakste gebruikers, namelijk kleine en middelgrote ondernemingen en particulieren, zal worden verbeterd en vergemakkelijkt. Daartoe: wordt vaart gezet achter de vaststelling, door het Gemengd Comité, van aanvullende voorschriften waarin artikel 8.39, lid 6, van de CETA voorziet en die erop gericht zijn de financiële lasten te verlichten voor eisers die natuurlijke personen of kleine en middelgrote ondernemingen zijn, opdat deze vaststelling zo spoedig mogelijk kan geschieden; zal de Commissie, ongeacht het resultaat van de besprekingen in het Gemengd Comité, passende maatregelen voorstellen voor de publieke (co)financiering van rechtsvorderingen door kleine en middelgrote ondernemingen bij deze rechterlijke instantie, alsmede voor het verlenen van technische bijstand.” 3

Voorts staat in advies 1/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende te lezen: “Met deze verklaring verbinden de Commissie en de Raad zich ertoe artikel 8.39, lid 6, van de CETA snel en adequaat uit te voeren en te verzekeren dat de op te richten gerechten toegankelijk zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen, zelfs wanneer de inspanningen van het Gemengd Comité zouden mislukken. Deze toezegging volstaat in het kader van de onderhavige adviesprocedure om tot de slotsom te komen dat de CETA als “voorgenomen overeenkomst” in de zin van artikel 218, lid 11, VWEU verenigbaar is met het vereiste van toegankelijkheid van deze gerechten. Volgens een toelichting die voorafgaat aan de verklaringen waarvan verklaring nr. 36 deel uitmaakt, maken deze verklaringen immers “integraal deel uit van de context waarin de Raad het besluit tot goedkeuring van de ondertekening door CETA namens de Unie vaststelt. Zij zullen worden opgenomen in de Raadsnotulen naar aanleiding daarvan.” De hierboven genoemde toezegging van de Unie om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk toegang wordt verleend tot de op te richten gerechten voor alle onder de CETA vallende investeerders van de Unie, vormt dus een voorwaarde voor goedkeuring van deze overeenkomst door de Unie. In dit verband moet worden opgemerkt dat deze toezegging volgens verklaring nr. 36 deel uitmaakt van de “beginselen” op grond waarvan “[d]e Commissie [...] het vaste voornemen [heeft] het mechanisme voor geschillenbeslechting (ICS) onverwijld […] verder te evalueren, en wel binnen een zodanig tijdsbestek dat de lidstaten zich in hun ratificatieproces over de evaluatie kunnen beraden”. Gelet op de daaraan voorafgaande alinea van dezelfde verklaring, waarbij de Raad en de Commissie bevestigen dat de bepalingen van hoofdstuk acht, afdeling F, van de CETA niet in werking zullen treden vóór de bekrachtiging van de CETA door alle lidstaten, dient te worden vastgesteld dat de Raad voornemens is de CETA te sluiten op basis van de premisse dat de financiële toegankelijkheid tot het Gerecht en de Beroepsinstantie van de CETA zal worden verzekerd voor alle betrokken investeerders van de Unie.” 4

De voorgenomen handeling geeft uitvoering aan die elementen door gedetailleerde voorschriften op te nemen voor de beslechting van investeringsgeschillen, met name dat kmo’s en natuurlijke personen kunnen verzoeken om toegang tot een versnelde procedure in het kader van het stelsel van investeringsgerechten (artikel 2). Voorts bevat zij gedetailleerde regels over de instelling van het Gerecht (artikel 3), de eerste zitting in de versnelde procedure (artikel 4), het tijdschema voor de versnelde procedure (artikel 5), de voeging van verzoeken uit hoofde van het besluit (artikel 6), bemiddeling (artikel 7) en herziening van het besluit (artikel 8). De beoogde handeling treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk acht, afdeling F, van de overeenkomst (artikel 10).

Dit voorstel sluit aan bij andere initiatieven voor de uitvoering van het stelsel van investeringsgerechten van de CETA. In januari 2021 hebben de Partijen vier besluiten vastgesteld betreffende:

–regels betreffende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst;

–een gedragscode voor de leden van het Gerecht, de leden van de Beroepsinstantie en de bemiddelaars overeenkomstig artikel 8.44, lid 2, van de overeenkomst;

–regels voor bemiddeling bestemd voor de partijen bij het geschil overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, punt c), van de overeenkomst, en

–regels inzake de procedure voor het geven van uitleggingen overeenkomstig artikel 8.31, lid 3, en artikel 8.44, lid 3, punt a), van de overeenkomst.

Het is derhalve wenselijk het standpunt te bepalen dat met het oog op de doeltreffende uitvoering van de overeenkomst namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 5 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité voor de CETA is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”).

De door het Gemengd Comité voor de CETA vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst voor de Partijen bindend zijn krachtens internationaal recht.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de gemeenschappelijke handelspolitiek.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Authentieke talen en bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA uitvoering zal geven aan de overeenkomst met betrekking tot de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, is het passend het vast te stellen in alle authentieke talen van de overeenkomst 6 en het na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2024/0097 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van een besluit houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Besluit (EU) 2017/37 van de Raad 7 voorziet in de ondertekening namens de Europese Unie van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”). De overeenkomst is op 30 oktober 2016 ondertekend.

(2)Besluit (EU) 2017/38 van de Raad 8 voorziet in de voorlopige toepassing van delen van de overeenkomst, met inbegrip van het deel betreffende de oprichting van het Gemengd Comité voor de CETA. De overeenkomst wordt sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

(3)Krachtens artikel 26.3, lid 1, van de overeenkomst is het Gemengd Comité voor de CETA bevoegd om met het oog op het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden.

(4)Krachtens artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst zijn de besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA bindend voor de Partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en worden zij door de Partijen uitgevoerd.

(5)Overeenkomstig artikel 8.39, lid 6, van de overeenkomst moet het Gemengd Comité voor de CETA een besluit vaststellen houdende aanvullende voorschriften die strekken tot vermindering van de financiële lasten voor eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn.

(6)Het is dan ook passend het standpunt dat namens de Unie in het Gemengd Comité voor de CETA moet worden ingenomen te bepalen op basis van het aangehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité voor de CETA over aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen, teneinde de doeltreffende uitvoering van de overeenkomst te waarborgen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité voor de CETA in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van een besluit houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen, wordt gebaseerd op het aan dit besluit van de Raad gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité voor de CETA.

Artikel 2

1.Het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA wordt vastgesteld in alle authentieke talen van de overeenkomst.

2.Het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Besluit 001/2018 van het Gemengd Comité voor de CETA van 26 september 2018 tot vaststelling van zijn reglement van orde en van de gespecialiseerde comités.
(2)    Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada en de Europese Unie en haar lidstaten (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 3).
(3)    Verklaringen voor de Raadsnotulen (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 21).
(4)    Advies 1/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 april 2019, ECLI:EU:C:2019:341, punten 214 tot en met 221.
(5)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(6)    Overeenkomstig artikel 30.11 (Authentieke teksten) van de overeenkomst is de overeenkomst opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle versies gelijkelijk authentiek.
(7)    Besluit (EU) 2017/37 van de Raad van 28 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 1).
(8)    Besluit (EU) 2017/38 van de Raad van 28 oktober 2016 betreffende de voorlopige toepassing van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 1080).
Top

Brussel, 26.4.2024

COM(2024) 178 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een Besluit van de Raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van een besluit houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen


BIJLAGE

ONTWERPBESLUIT Nr. [XX/2024] 
VAN HET GEMENGD COMITÉ VOOR DE CETA

van [datum]

houdende aanvullende voorschriften voor versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, met name voor natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen

Het Gemengd Comité voor de CETA,

Gezien artikel 26.1 van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (de “overeenkomst”),

Overwegende dat artikel 8.39, lid 6, van de overeenkomst bepaalt dat het Gemengd Comité voor de CETA aanvullende voorschriften in overweging neemt die strekken tot vermindering van de financiële lasten voor eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn,

Terdege rekening houdend met het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada en de Europese Unie en haar lidstaten, waarin de Partijen zich ertoe verplichten de werking van de investeringsvoorschriften te monitoren, eventuele gebreken die zich voordoen tijdig te verhelpen, en na te gaan hoe de werking ervan voortdurend kan worden verbeterd,

Strevende naar een inclusieve benadering van handel en investeringen, die ertoe strekt te garanderen dat alle geledingen van de samenleving voordeel kunnen halen uit de economische kansen die voortvloeien uit handel en investeringen,

Herinnerend aan verklaring nr. 36 van de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie “over de bescherming van investeringen en het investeringsgerecht”, opgenomen in de notulen van de Raad van de Europese Unie in verband met de ondertekening van de overeenkomst en gevoegd bij Besluit (EU) 2017/37 van de Raad van 28 oktober 2016, waaronder de toezegging dat de toegang tot het geschillenbeslechtingsmechanisme van de overeenkomst voor de zwakste gebruikers, namelijk kleine en middelgrote ondernemingen en particulieren, zal worden verbeterd en vergemakkelijkt,

Gezien advies 1/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin wordt beklemtoond dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat het mechanisme van de overeenkomst voor de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten vanuit financieel oogpunt toegankelijk is voor kleine en middelgrote ondernemingen,

Erkennende dat duidelijke, transparante en wederzijds voordelige regels belangrijk zijn voor het bevorderen van investeringen op het respectieve grondgebied van de Partijen,

Wensende kleine en middelgrote ondernemingen te steunen door hun vermogen om deel te nemen aan en voordeel te halen uit de door de overeenkomst geboden kansen te vergroten,

Ernaar strevende de toegang tot en de mogelijkheid om voordeel te halen uit de door de overeenkomst geboden kansen te vergemakkelijken en de voorwaarden voor volledige deelname aan interne, regionale en internationale handel en investeringen te ondersteunen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1: Toepassingsgebied en doelstelling

Dit besluit heeft tot doel de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten toegankelijker te maken en de kosten ervan te verminderen, met name voor natuurlijke personen of kleine en middelgrote ondernemingen, door:

a)voor investeerders, met name natuurlijke personen of kleine en middelgrote ondernemingen, aanvullende voorschriften vast te stellen voor het verzoeken om toegang tot versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen uit hoofde van afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst, en

b)versnelde procedures voor de beslechting van investeringsgeschillen uit hoofde van afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst vast te stellen.

Artikel 2: Toegang tot de versnelde procedure

1.Een investeerder van een Partij kan verzoeken om toegang tot een versnelde procedure voor de beslechting van een investeringsgeschil overeenkomstig dit besluit. De investeerder dient het verzoek niet later bij de verweerder en het Gerecht in dan op de datum van indiening van een verzoek uit hoofde van artikel 8.23 van de overeenkomst. Het verzoek bevat de volgende informatie:

a)informatie betreffende de eigendomsstructuur van de investeerder, en in voorkomend geval van de plaatselijk gevestigde onderneming namens welke het verzoek wordt ingediend, of enige andere daarmee verbonden personen;

b)de recentste jaarrekening van de investeerder, en in voorkomend geval van de plaatselijk gevestigde onderneming namens welke het verzoek wordt ingediend;

c)bewijs dat de investeerder een persoon van een Partij is; en

d)informatie betreffende het aantal personeelsleden van de investeerder, en in voorkomend geval van de plaatselijk gevestigde onderneming namens welke het verzoek wordt ingediend.

De investeerder wordt ook ten zeerste aangemoedigd informatie te verschaffen over de redenen waarom hij de versnelde procedure in de gegeven omstandigheden passend acht.

2.De verweerder neemt een verzoek uit hoofde van lid 1 welwillend in overweging indien de investeerder een natuurlijk persoon of een kleine of middelgrote onderneming is en de gevorderde schadevergoeding niet meer dan de tegenwaarde van 40 000 000 SDR bedraagt. Om uit te maken of de investeerder een kleine of middelgrote onderneming is, houdt de verweerder rekening met de grootte van de investeerder als onderneming, en, als het verzoek is ingediend namens een onderneming, de grootte van die onderneming, met inbegrip van: het aantal personeelsleden, de jaaromzet, de eigendomsstructuur en alle andere factoren die de verweerder relevant acht 1 .

3.De verweerder kan de investeerder om aanvullende informatie verzoeken alvorens hij een besluit neemt over een verzoek uit hoofde van lid 1. Voor zover de verweerder een mogelijk probleem betreffende de geschiktheid van de versnelde procedure ontwaart, kan hij de investeerder daarvan in kennis stellen en hem verzoeken om alle informatie die nodig is om dat probleem op te lossen. De partijen bij het geschil kunnen overleggen over de vraag of dat probleem kan worden opgelost door de termijnen in de artikelen 4 en 5 te verlengen of door enige andere onderling overeengekomen maatregel.

4.Tenzij de partijen bij het geschil een andere termijn voor de kennisgeving overeenkomen, stelt de verweerder de eiser en het Gerecht binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek uit hoofde van artikel 8.23 van de overeenkomst schriftelijk in kennis van zijn besluit betreffende het verzoek uit hoofde van lid 1. Indien de verweerder het verzoek afwijst, motiveert hij zijn besluit in zijn kennisgeving aan de eiser.

5.Overeenkomstig artikel 8.38 van de overeenkomst stelt de verweerder de niet bij het geschil betrokken Partij in kennis van een verzoek van een investeerder uit hoofde van lid 1 en van zijn besluit uit hoofde van lid 4.

6.Indien de partijen bij het geschil het eens zijn over de versnelde procedure, is op dat geschil afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van de overeenkomst, zoals gewijzigd bij dit besluit, van toepassing.

Artikel 3: Instelling van het Gerecht

1.Een verzoek waarop overeenkomstig artikel 2, lid 6, de versnelde procedure van toepassing is, wordt door een alleensprekend lid van het Gerecht behandeld.

2.Het alleensprekend lid van het Gerecht wordt door de president van het Gerecht benoemd uit de onderdanen van derde landen, overeenkomstig de beginselen van artikel 8.27, lid 7, van de overeenkomst, zoals gewijzigd bij dit besluit, binnen 30 dagen na de kennisgeving van een besluit van de verweerder waarbij wordt ingestemd met een verzoek uit hoofde van artikel 2, lid 4.

3.Het alleensprekend lid van het Gerecht zorgt ervoor dat hij of zij beschikbaar is tijdens de in artikel 5 bedoelde versnelde termijnen.

4.Het alleensprekend lid van het Gerecht houdt zich aan Besluit nr. 1/2021 van het Comité voor diensten en investeringen van 29 januari 2021 tot vaststelling van een gedragscode voor de leden van het Gerecht, de leden van de Beroepsinstantie en de bemiddelaars.

5.Indien het geschil onder artikel 13.21, lid 1, van de overeenkomst valt, wordt een alleensprekend lid van het Gerecht aangewezen overeenkomstig de beginselen van artikel 8.27, lid 7, en artikel 13.21, lid 2, van de overeenkomst, zoals gewijzigd bij dit besluit.

Artikel 4: Eerste zitting in de versnelde procedure

1.Het alleensprekend lid van het Gerecht houdt een eerste zitting binnen 30 dagen na de instelling van het Gerecht overeenkomstig artikel 3.

2.Het alleensprekend lid van het Gerecht houdt de eerste zitting per videoconferentie, telefoon of soortgelijk communicatiemiddel, tenzij zowel de partijen bij het geschil als het alleensprekend lid van het Gerecht ermee instemmen dat de zitting in persoon wordt gehouden.

Artikel 5: Tijdschema voor de versnelde procedure

1.Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, is in de versnelde procedure het volgende tijdschema voor schriftelijke opmerkingen en de terechtzitting van toepassing:

a)de eiser dient binnen 90 dagen na de eerste zitting een memorie ten gronde in, zoals een verzoekschrift, van niet meer dan 150 bladzijden;

b)de verweerder dient binnen 90 dagen nadat de eiser overeenkomstig punt a) zijn memorie ten gronde heeft ingediend, een memorie ten gronde in, zoals een verweerschrift, van niet meer dan 150 bladzijden;

c)de eiser dient binnen 90 dagen nadat de verweerder overeenkomstig punt b) zijn memorie ten gronde heeft ingediend, een repliek van niet meer dan 100 bladzijden in;

d)de verweerder dient binnen 90 dagen nadat de eiser overeenkomstig punt c) zijn repliek heeft ingediend, een dupliek van niet meer dan 100 bladzijden in;

e)de niet bij het geschil betrokken Partij kan binnen 60 dagen nadat de verweerder overeenkomstig punt d) de dupliek heeft ingediend, een schriftelijk stuk over de uitlegging van de overeenkomst indienen overeenkomstig artikel 8.38, lid 2, van de overeenkomst;

f)het alleensprekend lid van het Gerecht houdt een terechtzitting binnen 120 dagen nadat de verweerder overeenkomstig punt d) de dupliek heeft ingediend;

g)elke partij bij het geschil dient binnen 30 dagen na de laatste dag van de in punt f) bedoelde terechtzitting een kostenstaat in; en

h)het alleensprekend lid van het Gerecht doet zo spoedig mogelijk uitspraak, en in ieder geval binnen 180 dagen na de laatste dag van de in punt f) bedoelde terechtzitting.

2.Indien de eiser nalaat stappen in de procedure te ondernemen, kan het alleensprekend lid van het Gerecht de eiser een respijtperiode van ten hoogste 30 dagen toekennen. Indien de respijtperiode niet wordt toegekend of indien de eiser nalaat binnen die termijn stappen te ondernemen, wordt de eiser geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en afstand van instantie te hebben gedaan, overeenkomstig artikel 8.35 van de overeenkomst, zoals gewijzigd bij dit besluit.

3.Indien de verweerder nalaat stappen in de procedure te ondernemen, kan het alleensprekend lid van het Gerecht de verweerder een respijtperiode van ten hoogste 30 dagen toekennen. Indien de respijtperiode niet wordt toegekend of indien de verweerder nalaat binnen die termijn stappen te ondernemen, kan de eiser het alleensprekend lid van het Gerecht verzoeken de hem voorgelegde vragen te onderzoeken en uitspraak te doen.

4.Op verzoek van een partij bij het geschil kan het alleensprekend lid van het Gerecht beperkte verzoeken inwilligen voor specifiek identificeerbare documenten die relevant zijn voor de zaak en beslissend zijn voor de uitkomst ervan en waarvan de verzoekende partij bij het geschil kennis heeft of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat deze bestaan en in het bezit zijn van of onder de hoede of de controle staan van de andere partij bij het geschil, en past hij het tijdschema op grond van lid 1 zo nodig aan.

5.Het alleensprekend lid van het Gerecht kan, na overleg met de partijen bij het geschil, het aantal, de duur of de reikwijdte van schriftelijke stukken of schriftelijke getuigenverklaringen (van zowel feitengetuigen als deskundigen) beperken.

6.Het alleensprekend lid van het Gerecht kan, op gezamenlijk verzoek van de partijen bij het geschil, uitspraak doen op het geschil uitsluitend op basis van de door de partijen bij het geschil overgelegde documenten, zonder terechtzitting en zonder of slechts in beperkte mate getuigen of deskundigen te horen. Indien het alleensprekend lid van het Gerecht een terechtzitting op grond van lid 1, punt f), houdt, kan het alleensprekend lid van het Gerecht de terechtzitting per videoconferentie, telefoon of soortgelijk communicatiemiddel houden.

7.Het alleensprekend lid van het Gerecht besluit, op gezamenlijk verzoek van de partijen bij het geschil en uiterlijk op de datum van indiening van de in lid 1, punt b), bedoelde memorie ten gronde van de verweerder, dat dit besluit niet langer van toepassing is op het verzoek.

8.Het alleensprekend lid van het Gerecht kan op verzoek van de eiser en uiterlijk op de datum van indiening van de in lid 1, punt b), bedoelde memorie ten gronde van de verweerder, besluiten dat dit besluit niet langer van toepassing is op het verzoek. De eiser draagt de kosten die de verweerder in het kader van de versnelde procedure heeft gemaakt.

9.Het alleensprekend lid van het Gerecht kan, op verzoek van de verweerder en uiterlijk op de datum van indiening van de in lid 1, punt b), bedoelde memorie ten gronde van de verweerder, slechts besluiten dat dit besluit niet langer op het verzoek van toepassing is indien de eiser onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt die beslissend is voor het besluit van de verweerder om in te stemmen met de versnelde procedure uit hoofde van artikel 2, lid 4. In dat geval draagt de eiser de kosten die de verweerder in het kader van de versnelde procedure heeft gemaakt.

10.Indien het alleensprekend lid van het Gerecht overeenkomstig lid 8 of lid 9 besluit dat dit besluit niet langer van toepassing is op het verzoek, en tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wordt het overeenkomstig artikel 3 benoemde alleensprekend lid van het Gerecht benoemd tot president van het uit hoofde van afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst ingestelde Gerecht. Het nieuwe Gerecht dat op grond van afdeling F is ingesteld, beslist, na overleg met de partijen bij het geschil, over de wijze waarop rekening wordt gehouden met de status van de krachtens dit besluit ingeleide procedure.

11.Met betrekking tot alle aangelegenheden in verband met de versnelde procedure waarin dit besluit of de overeenkomst niet uitdrukkelijk voorziet, trachten de partijen bij het geschil overeenstemming te bereiken over de toepasselijke procedureregels. Indien de partijen bij het geschil het niet eens zijn over de toepasselijke procedureregels, kan het alleensprekend lid van het Gerecht over de zaak beslissen.

12.Overeenkomstig artikel 8.28 van de overeenkomst kan een partij bij het geschil beroep instellen tegen een uitspraak van het alleensprekend lid van het Gerecht op grond van lid 1, punt h). Het verloop van beroepen en procedures voor het terugverwijzen van zaken naar het Gerecht met het oog op aanpassing van de uitspraak, naargelang het geval, wordt geregeld door artikel 8.28 van de overeenkomst en Besluit nr. 1/2021 van het Gemengd Comité voor de CETA van 29 januari 2021 inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie.

Artikel 6: Voeging van verzoeken uit hoofde van dit besluit

Wanneer in twee of meer verzoeken waarop een versnelde procedure overeenkomstig artikel 2, lid 6, van toepassing is, eenzelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, neemt een partij bij het geschil een verzoek om voeging van die verzoeken welwillend in overweging. Indien alle partijen bij het geschil het erover eens zijn, worden die verzoeken gevoegd overeenkomstig artikel 8.43 van de overeenkomst.

Artikel 7: Bemiddeling

1.Een verweerder neemt een verzoek om bemiddeling welwillend in overweging indien de investeerder een natuurlijk persoon of een kleine of middelgrote onderneming is en de gevorderde schadevergoeding niet meer dan de tegenwaarde van 40 000 000 SDR bedraagt.

2.Om uit te maken of de investeerder een kleine of middelgrote onderneming is, houdt de verweerder tekening met de grootte van de investeerder als onderneming, en, als het verzoek is ingediend namens een onderneming, de grootte van die onderneming, met inbegrip van: het aantal personeelsleden, de jaaromzet, de eigendomsstructuur en alle andere factoren die de verweerder relevant acht 2 . De verweerder kan de investeerder om aanvullende informatie verzoeken om zijn beoordeling van de vraag of de investeerder een kleine of middelgrote onderneming is te vergemakkelijken.

3.Artikel 8.20 van de overeenkomst en Besluit nr. 2/2021 van het Comité voor diensten en investeringen van 29 januari 2021 tot vaststelling van regels voor bemiddeling bestemd voor de partijen bij investeringsgeschillen zijn van toepassing op bemiddeling waarover partijen bij een geschil het uit hoofde van lid 1 eens zijn.

Artikel 8: Evaluatie van dit besluit

Het Gemengd Comité voor de CETA kan de werking van dit besluit periodiek evalueren, met inbegrip van de in artikel 2, lid 2, en artikel 7, lid 2, bedoelde overwegingen, andere ontwikkelingen in overweging nemen om natuurlijke personen of kleine en middelgrote ondernemingen beter in staat te stellen deel te nemen aan en voordeel te halen uit de kansen die door internationale handel en investeringen worden gecreëerd, en dit besluit zo nodig herzien.

Artikel 9 – Authentieke teksten

Dit besluit is in tweevoud opgesteld in het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Italiaans, het Kroatisch, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Slowaaks, het Sloveens, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 10 – Inwerkingtreding

Dit besluit wordt bekendgemaakt. Het treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst, onder voorbehoud van de uitwisseling, langs diplomatieke weg, van schriftelijke kennisgevingen tussen de Partijen waarin zij verklaren dat aan hun respectieve interne vereisten is voldaan en dat hun respectieve interne procedures zijn voltooid.

Gedaan te … op …

(1)    Indien de verweerder de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie is, kan de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG) in aanmerking worden genomen om uit te maken of de investeerder of de onderneming namens welke het verzoek is ingediend een kleine of middelgrote onderneming is.
(2)    Indien de verweerder de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie is, kan de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG) in aanmerking worden genomen om uit te maken of de investeerder of de onderneming namens welke het verzoek is ingediend een kleine of middelgrote onderneming is.
Top