EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 11.7.2023
COM(2023) 408 final
2023/0269(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/1570
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de zittingen van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf) in de periode 2024-2028 ten aanzien van de geplande aanneming van niet-bindende opmerkingen en maatregelen in verband met het beheer van mariene biologische rijkdommen.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties
De Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf) is opgericht bij Resolutie 1/48 van de Raad van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties, uit hoofde van artikel VI, lid 2, van het Statuut van de FAO. De statuten van de Cecaf werden op 19 september 1967 door de directeur-generaal van de FAO afgekondigd en werden in 2003 voor het laatst gewijzigd, voornamelijk wat betreft het doel, de taken en de verantwoordelijkheden van de Cecaf.
Doel van Cecaf is het duurzame gebruik van de mariene biologische rijkdommen in het onder haar verantwoordelijkheid vallende gebied te bevorderen middels een goede wijze van beheer en ontwikkeling van de visserij en de visserijactiviteiten. De commissie gaat over alle mariene biologische rijkdommen in het Cecaf-gebied, dat zich uitstrekt van Kaap Spartel tot aan de monding van de Congorivier.
De Europese Unie is lid van de Cecaf, net als Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Polen en Roemenië.
2.2.Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan
De Cecaf is een raadgevend technisch en regionaal visserijorgaan (RVO), dat is opgericht uit hoofde van artikel VI, lid 2, van het Statuut van de FAO. Het secretariaat van de Cecaf wordt beheerd en gefinancierd door de FAO. Tot de belangrijkste taken van de Cecaf behoren het bevorderen, coördineren en vergemakkelijken van wetenschappelijk onderzoek, governance en activiteiten die verband houden met de instandhouding en het beheer van mariene biologische rijkdommen in het onder haar verantwoordelijkheid vallende gebied. De Cecaf kan haar leden ook advies geven over visserijbeheer, -monitoring, -controle en -bewaking. Daarnaast bevordert zij de ontwikkeling van de wetenschappelijke basis voor regelgeving met het oog op de instandhouding en het beheer van mariene biologische rijkdommen en geeft zij advies over de aanneming van regelgeving door de overheden van haar leden.
In de regel vinden de zittingen van de Cecaf om de twee jaar plaats. Als lid is de EU gerechtigd te participeren in, en te stemmen over, haar besluiten. De besluiten van de Cecaf worden genomen met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, tenzij in het reglement van orde anders is bepaald.
2.3.Besluiten van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan
Volgens de taakomschrijving in de herziene statuten verstrekt de Cecaf advies over beheersmaatregelen (“maatregelen”) aan de overheden van haar leden en aan de bevoegde regionale organisaties. Gezien de adviserende status van de Cecaf zijn de door haar genomen besluiten niet bindend voor haar leden.
3.Namens de EU in te nemen standpunt
In overeenstemming met de procedures die gelden voor regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s), wordt het standpunt dat namens de EU moet worden ingenomen in de jaarvergaderingen van RVO’s zoals de Cecaf, bepaald volgens een tweeledige aanpak. In een besluit van de Raad worden de beginselen voor het standpunt van de EU voor meerdere jaren vastgelegd, waarna het standpunt vóór elke jaarlijkse vergadering wordt aangepast via non-papers van de diensten van de Commissie, die door de Raad moeten worden bekrachtigd.
Voor de Cecaf is deze aanpak ten uitvoer gelegd bij Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad van 16 september 2019, waarin het standpunt van de EU binnen de Cecaf voor de periode 2019-2023 is vastgesteld. Het besluit bevat algemene beginselen, maar houdt ook zo veel mogelijk rekening met de specifieke kenmerken van de Cecaf. Voorts is op verzoek van de lidstaten de standaardprocedure voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de EU in het besluit opgenomen.
In Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad zijn de beginselen van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, opgenomen, met inachtneming van de doelstellingen die zijn bepaald in de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Voorts heeft het besluit het standpunt van de EU aangepast aan het Verdrag van Lissabon.
Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad voorziet in een toetsing, en waar passend, een herziening van het standpunt van de EU vóór de jaarlijkse vergadering van 2024. Dit voorstel strekt er dan ook toe het standpunt van de EU in de Cecaf voor de periode 2024-2028 vast te stellen, en vervangt Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad.
De huidige herziening houdt, met betrekking tot visserij, rekening met de Europese Green Deal, met name de biodiversiteits-, de klimaatadaptatie- en de “van boer tot bord”-strategie. Het voorstel houdt ook rekening met de strategie voor kunststoffen en het actieplan om de vervuiling tot nul terug te dringen. Voorts wordt in het voorstel ook de gezamenlijke mededeling over internationale oceaangovernance in aanmerking genomen.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de EU worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die een “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De Cecaf is een technisch en regionaal visserijorgaan dat in 1967 is opgericht bij Resolutie 1/48 van de FAO, uit hoofde van artikel VI, lid 2, van het Statuut van de FAO. Hoewel de besluiten (“maatregelen”) van de Cecaf niet bindend zijn voor de leden, kunnen de handelingen die door de Cecaf worden aangenomen, wel een beslissende invloed hebben op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de EU vaststelt.
De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, van het Verdrag.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een krachtens artikel 218, lid 9, van het Verdrag te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de EU een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component (terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is) moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, van het Verdrag te nemen besluit één materiële rechtsgrondslag hebben, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de visserij. Verordening (EU) nr. 1380/2013 vormt de rechtsgrondslag voor de beginselen die in dit standpunt moeten worden weerspiegeld.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43, lid 2, VWEU. Het besluit zal in de plaats komen van Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad, dat betrekking heeft op de periode 2019-2023.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43, lid 2, van het Verdrag, in samenhang met artikel 218, lid 9, van het Verdrag.
2023/0269 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/1570
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De Europese Unie is lid van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf), een regionaal visserijcomité van de FAO.
(2)De Cecaf geeft advies over beheersmaatregelen (hierna “maatregelen” genoemd). Gezien haar adviserende status zijn haar besluiten niet bindend voor haar leden.
(3)Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad voorziet in een toetsing, en waar passend, een herziening van het standpunt van de EU vóór de jaarlijkse vergadering van 2024. De Cecaf zal in haar volgende zitting advies geven over maatregelen met het oog op de instandhouding en het beheer van mariene biologische rijkdommen.
(4)In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. Die verordening bepaalt eveneens dat de Unie bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering moet toepassen en ernaar moet streven dat de mariene biologische rijkdommen zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is in die verordening bepaald dat de Unie maatregelen inzake beheer en instandhouding moet nemen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Daarnaast is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.
(5)Overeenkomstig de biodiversiteits-, de klimaatadaptatie- en de “van boer tot bord”-strategie is het essentieel om de natuur te beschermen en de achteruitgang van ecosystemen te keren. De risico’s die voortvloeien uit de klimaatverandering en het biodiversiteitsverlies mogen de beschikbaarheid van goederen en diensten die gezonde mariene ecosystemen leveren aan vissers, kustgemeenschappen en de mensheid in het algemeen niet in gevaar brengen.
(6)In de kunststoffenstrategie wordt verwezen naar specifieke maatregelen ter vermindering van kunststoffen en mariene verontreiniging, alsook van het verlies of achterlaten van vistuig op zee. Voorts is het actieplan om de vervuiling tot nul terug te dringen erop gericht het kunststofafval op zee met 50 % en het vrijkomen van microplastics in het milieu met 30 % te verminderen.
(7)Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Cecaf is momenteel vastgesteld in Besluit (EU) 2019/1570 van de Raad. Het is passend dat besluit in te trekken en een nieuw besluit voor de periode 2024-2028 vast te stellen.
(8)Overeenkomstig de gezamenlijke mededeling over internationale oceaangovernance zijn de bescherming en instandhouding van de mariene biodiversiteit belangrijke prioriteiten in het kader van het externe optreden van de EU. De EU is wereldwijd de belangrijkste speler in regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) en visserijorganen. In dit kader bevordert de EU de duurzaamheid van de visbestanden, ijvert zij voor transparante besluitvorming op basis van gedegen wetenschappelijk advies, en stimuleert zij wetenschappelijk onderzoek en de naleving van de regels.
(9)In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het gebied van de Cecaf en de daaruit volgende noodzaak dat het standpunt van de Unie rekening houdt met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de Cecaf worden gepresenteerd, moeten procedures worden vastgesteld voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie in 2024-2028. Deze standpunten moeten in overeenstemming zijn met het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie, dat is neergelegd in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de zittingen van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf), is opgenomen in bijlage I bij dit besluit.
Artikel 2
De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de zittingen van de Cecaf moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.
Artikel 3
Uiterlijk vóór enige zitting van de Cecaf in 2024 wordt het in bijlage I vervatte standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.
Artikel 4
Besluit (EU) 2019/1570 wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter