Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023PC0351

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in werkgroepen die opgericht zijn bij, of later opgericht zijn krachtens, de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van hun reglement van orde

COM/2023/351 final

Brussel, 27.6.2023

COM(2023) 351 final

2023/0203(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in werkgroepen die opgericht zijn bij, of later opgericht zijn krachtens, de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van hun reglement van orde


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

De Commissie stelt voor dat de Raad het standpunt vaststelt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in werkgroepen die opgericht zijn bij, of later opgericht zijn krachtens, de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna “de Handels- en samenwerkingsovereenkomst” genoemd), met betrekking tot de vaststelling van hun reglement van orde.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Handels- en samenwerkingsovereenkomst

De Handels- en samenwerkingsovereenkomst legt de grondslag voor uitgebreide betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. De overeenkomst is op 1 mei 2021 in werking getreden en wordt sinds 1 januari 2021 voorlopig toegepast.

2.2.Werkgroepen

De Handels- en samenwerkingsovereenkomst stelt een institutioneel kader in, waaronder een Partnerschapsraad (artikel 7), 19 comités (artikel 8) en 4 werkgroepen (artikel 9).

Artikel 9, lid 1, stelt de Werkgroep organische producten in, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; de Werkgroep motorvoertuigen en onderdelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; de Werkgroep geneesmiddelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; en de Werkgroep coördinatie van de sociale zekerheid, onder toezicht van het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid.

In artikel 8, lid 2, punt h), is bepaald dat het Comité voor het handelspartnerschap bevoegd is om werkgroepen op te richten, te superviseren, te coördineren en op te heffen, of het toezicht erop te delegeren aan een gespecialiseerd handelscomité. Evenzo is in artikel 8, lid 4, punt f), bepaald dat gespecialiseerde comités bevoegd zijn om werkgroepen op te richten, te superviseren, te coördineren en op te heffen 1 .

Artikel 9, lid 2, bepaalt dat werkgroepen, die onder toezicht staan van comités, de comités bijstaan in de uitvoering van hun taken, en in het bijzonder de werkzaamheden van de comités voorbereiden en alle taken uitvoeren die hun door de comités worden opgedragen. Krachtens artikel 9, lid 3, bestaan de werkgroepen uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk en worden ze gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk. Artikel 9, lid 4, bepaalt dat de werkgroepen hun reglement van orde en hun vergaderrooster en -agenda in onderlinge overeenstemming vaststellen.

2.3.Het beoogde besluit van de werkgroepen

Op grond van artikel 9, lid 4, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst stellen de werkgroepen in onderlinge overeenstemming hun eigen reglement van orde vast.

Het beoogde besluit waarvoor het standpunt van de Unie moet worden vastgesteld, heeft tot doel de werkgroepen in staat te stellen hun reglement van orde vast te stellen aan de hand van een modelreglement van orde dat in de bijlage van het beoogde besluit is opgenomen.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Voor de goede werking van de werkgroepen is een reglement van orde nodig met betrekking tot onder meer de aanstelling van de medevoorzitters, de samenstelling van het secretariaat, de uitwisseling van informatie over de samenstelling van de delegaties, de plaats waar de vergaderingen moeten plaatsvinden, de behandeling van documenten en correspondentie, de opstelling van de agenda en de notulen, de vertrouwelijkheid en de werktaal van de vergaderingen, alsmede de kosten voor rekening van de delegaties.

Gezien het doel en de samenstelling van de werkgroepen en hun rol bij de uitvoering van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst, moeten deze reglementen, voor zover mogelijk, gebaseerd worden op het reglement van orde opgenomen in bijlage I bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst dat ertoe dient de werkzaamheden van de Partnerschapsraad en de comités te reguleren die zijn ingesteld bij respectievelijk artikel 7 en artikel 8 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst. Het modelreglement moet rekening houden met het doel van de werkgroepen, in het bijzonder met het feit dat zij de werkzaamheden voorbereiden van comités, onder toezicht waarvan zij staan, en zij geen besluiten of aanbevelingen aannemen in het kader van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst.

Het standpunt van de Unie moet derhalve erin bestaan de vaststelling van een reglement van orde door de werkgroepen overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst te steunen, overeenkomstig het reglement van orde opgenomen in bijlage I bij dit voorstel.

Indien een werkgroep het aan dit voorstel gehechte reglement van orde wenst aan te passen, moeten deze aanpassingen door de Raad worden goedgekeurd op basis van door de Commissie in te dienen standpuntnota’s. De procedure hiervoor is uiteengezet in bijlage II bij dit voorstel 2 .

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.”

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 3 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Werkgroepen zijn organen die zijn ingesteld krachtens een overeenkomst, namelijk de Handels- en samenwerkingsovereenkomst, of later door de comités zijn opgericht in het kader van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst, overeenkomstig artikel 8, lid 2, punt h), en artikel 8, lid 4, punt f), van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 9, lid 4, bepaalt dat de werkgroepen hun reglement van orde en hun vergaderrooster en -agenda in onderlinge overeenstemming vaststellen.

Het is niet de bedoeling dat werkgroepen handelingen of maatregelen met rechtsgevolgen vaststellen, met uitzondering van de vaststelling van hun reglement van orde.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Indien de beoogde handeling van organisatorische aard is, moet de materiële rechtsgrondslag voor het besluit uit hoofde van artikel 218, lid 9, VWEU normaliter de materiële rechtsgrondslag zijn van het besluit van de Raad tot sluiting van de overeenkomst waarbij het orgaan is opgericht.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

Artikel 9 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst bepaalt de oprichting van vier werkgroepen. Overeenkomstig artikel 8 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst kunnen verdere werkgroepen worden opgericht door het Comité voor het handelspartnerschap en elk van de gespecialiseerde comités. Werkgroepen staan de comités bij in de uitvoering van hun taken en werken onder hun toezicht. De vaststelling van het reglement van orde voor werkgroepen die in het kader van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst zijn opgericht, is van organisatorische aard. De comités zijn opgericht bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst die is gesloten op grond van artikel 217 VWEU.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 217 VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de werkgroepen die ingesteld zijn bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst, hun eigen reglement van orde vaststellen aan de hand van het modelreglement van orde dat opgenomen is in de bijlage bij het beoogde besluit, moet dit na de vaststelling van het beoogde besluit bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2023/0203 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in werkgroepen die opgericht zijn bij, of later opgericht zijn krachtens, de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van hun reglement van orde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds 4 , (hierna “de Handels- en samenwerkingsovereenkomst” genoemd) is door de Unie bij Besluit (EU) 2021/689 5 van de Raad van 29 april 2021 gesloten, op 1 mei 2021 in werking getreden en sinds 1 januari 2021 voorlopig toegepast.

(2)De Handels- en samenwerkingsovereenkomst stelt een institutioneel kader in, waaronder een Partnerschapsraad, 19 comités en 4 werkgroepen.

(3)Artikel 9, lid 1, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst stelt de Werkgroep organische producten in, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; de Werkgroep motorvoertuigen en onderdelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; de Werkgroep geneesmiddelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen; en de Werkgroep coördinatie van de sociale zekerheid, onder toezicht van het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid.

(4)In artikel 8, lid 2, punt h), van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat het Comité voor het handelspartnerschap bevoegd is om werkgroepen op te richten, te superviseren, te coördineren en op te heffen, of het toezicht erop te delegeren aan een gespecialiseerd handelscomité, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met deel twee, rubriek een, titels I tot en met VII, titel VIII, hoofdstuk 4, titels IX tot en met XII, deel twee, rubriek zes en bijlage 27. Evenzo is in artikel 8, lid 4, punt f), van die overeenkomst bepaald dat gespecialiseerde comités bevoegd zijn om werkgroepen op te richten, te superviseren, te coördineren en op te heffen, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun bevoegdheidsgebied.

(5)Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst staan de werkgroepen, die onder toezicht staan van comités, de comités bij in de uitvoering van hun taken, en bereiden zij in het bijzonder de werkzaamheden van de comités voor en voeren zij alle taken uit die hun door de comités worden opgedragen.

(6)Krachtens artikel 9, lid 3, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst bestaan de werkgroepen uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk en worden ze gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk.

(7)Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst stellen de werkgroepen in onderlinge overeenstemming hun eigen reglement van orde vast.

(8)Voor de goede werking van de werkgroepen is een reglement van orde nodig voor hun activiteiten en moet dit gebaseerd zijn op het reglement van orde in bijlage I bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst, met aanpassingen aan het doel en de werking van de werkgroepen.

(9)Een werkgroep kan verdere aanpassingen van dit reglement van orde doorvoeren, betreffende niet-essentiële elementen, indien dergelijke aanpassingen noodzakelijk zijn voor het doel en de werking van die specifieke werkgroep.

(10)Het is dan ook passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van werkgroepen.

(11)Om de werkgroepen in staat te stellen het reglement van orde tijdig vast te stellen, moet dit besluit in werking treden op de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.Het namens de Unie in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van werkgroepen is gebaseerd op het reglement van orde dat opgenomen is in bijlage I bij dit besluit.

2.Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van aanpassingen voor een specifieke werkgroep betreffende niet-essentiële elementen van het reglement van orde dat is opgenomen in bijlage I bij dit besluit, indien dergelijke aanpassingen noodzakelijk zijn voor het doel en de werking van die specifieke werkgroep, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Voor een geplande werkgroep, zie Besluit (EU) 2021/2111 van de Raad van 25 november 2021 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, over de oprichting van een Werkgroep visserij en de vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 429 van 1.1.2021, blz. 146).
(2)    Zie in dit verband bijlage II bij Besluit (EU) 2021/2111 van de Raad van 25 november 2021 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, over de oprichting van een Werkgroep visserij en de vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 429 van 1.1.2021, blz. 146).
(3)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Bondsrepubliek Duitsland/Raad van de Europese Unie, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(4)    PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10.
(5)    PB L 149 van 30.4.2021, blz. 2.
Top

Brussel, 27.6.2023

COM(2023) 351 final

BIJLAGEN

bij het

voorstel voor een besluit van de Raad

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in werkgroepen die opgericht zijn bij, of later opgericht zijn krachtens, de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van hun reglement van orde


Bijlage I

REGLEMENT VAN ORDE VOOR WERKGROEPEN DIE OPGERICHT ZIJN BIJ, OF LATER OPGERICHT ZIJN KRACHTENS, DE HANDELS- EN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

HANDELS- EN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

WERKGROEPEN

REGLEMENT VAN ORDE

Artikel 1

Voorzitters

De Unie en het Verenigd Koninkrijk stellen elkaar in kennis van de naam, de functie en de contactgegevens van hun respectieve aangewezen medevoorzitters van de werkgroep. Een medevoorzitter wordt geacht te zijn gemachtigd om respectievelijk de Unie of het Verenigd Koninkrijk te vertegenwoordigen tot de datum waarop aan de andere Partij kennis is gegeven van een nieuwe medevoorzitter.

Een medevoorzitter kan voor een bepaalde vergadering of een deel daarvan worden vervangen door een aangewezen persoon. De medevoorzitter, of zijn aangewezen persoon, stelt de andere medevoorzitter en het secretariaat van de werkgroep zo vroeg mogelijk in kennis van de aanwijzing. In dit reglement van orde wordt hierna onder medevoorzitters ook een aangewezen persoon verstaan.

Artikel 2

Secretariaat

Het secretariaat van de werkgroep bestaat uit een ambtenaar van de Unie en een ambtenaar van de regering van het Verenigd Koninkrijk. Het secretariaat verricht onder toezicht van het bevoegde comité de taken die het bij dit reglement van orde heeft gekregen.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk stellen elkaar in kennis van de naam, de functie en de contactgegevens van de ambtenaar die lid is van het secretariaat van de respectieve werkgroep. Die ambtenaar wordt geacht als lid van het secretariaat voor de Unie of voor het Verenigd Koninkrijk op te treden tot de datum waarop de Unie of het Verenigd Koninkrijk kennis heeft gegeven van een nieuw lid.

Artikel 3

Vergaderingen

Elke vergadering van de werkgroep wordt door het secretariaat bijeengeroepen op een door de medevoorzitters overeengekomen datum en tijdstip. Wanneer hetzij de Unie, hetzij het Verenigd Koninkrijk om een vergadering heeft verzocht, neemt de andere Partij dit verzoek naar behoren in overweging en antwoordt zij binnen 30 dagen.

De werkgroep houdt haar vergaderingen afwisselend in Brussel en Londen, tenzij de medevoorzitters anders besluiten.

In afwijking van lid 2 kunnen de medevoorzitters overeenkomen dat een vergadering van de werkgroep via videoconferentie, teleconferentie of in hybride vorm zal plaatsvinden.

Artikel 4

Deelname aan vergaderingen

De Unie en het Verenigd Koninkrijk stellen elkaar een redelijke tijd vóór elke vergadering via het secretariaat in kennis van de voorgenomen samenstelling van hun respectieve delegaties en vermelden de naam en functie van elk lid van de delegatie.

Waar passend kunnen de medevoorzitters met wederzijdse instemming deskundigen (d.w.z. personen die geen ambtenaar zijn) uitnodigen voor een vergadering van de werkgroep om informatie te verstrekken over een specifiek onderwerp, en alleen voor de delen van de vergadering tijdens welke die specifieke onderwerpen worden besproken.

Artikel 5

Documenten

Schriftelijke documenten die ten grondslag liggen aan de beraadslagingen van de werkgroep, worden door het secretariaat genummerd en aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk bezorgd.

Artikel 6

Correspondentie

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zenden hun voor de werkgroep bestemde correspondentie aan het secretariaat. Die correspondentie kan worden toegezonden in welke vorm van schriftelijke communicatie dan ook, met inbegrip van e-mail.

Het secretariaat ziet erop toe dat de correspondentie die aan de werkgroep is gericht, aan de medevoorzitters wordt verstrekt en in voorkomend geval overeenkomstig artikel 5 wordt bezorgd.

Alle correspondentie van of rechtstreeks gericht aan de medevoorzitters wordt doorgestuurd naar het secretariaat en waar passend overeenkomstig artikel 5 bezorgd.

Artikel 7

Agenda voor de vergadering

Voor elke vergadering stelt het secretariaat een voorlopige ontwerpagenda op. Dit ontwerp wordt, samen met de desbetreffende documenten, uiterlijk vijf dagen voor de datum van de vergadering aan de medevoorzitters toegezonden.

Op de voorlopige agenda staan de punten waarvoor de Unie of het Verenigd Koninkrijk een verzoek tot plaatsing op de agenda hebben gedaan. Verzoeken daartoe dienen, vergezeld van alle relevante documenten, uiterlijk zeven dagen voor het begin van de vergadering bij het secretariaat te worden ingediend.

Uiterlijk drie dagen voor de datum van de vergadering stellen de medevoorzitters de voorlopige agenda voor een vergadering vast.

De agenda wordt aan het begin van iedere vergadering door de werkgroep vastgesteld. Op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk kunnen punten die niet op de voorlopige agenda stonden, bij consensus aan de agenda worden toegevoegd.

De medevoorzitters mogen, met wederzijdse instemming, de in de leden 1 tot en met 3 vermelde termijnen inkorten of verlengen als zulks in een bepaald geval vereist is.

Artikel 8

Notulen

De ambtenaar die fungeert als lid van het secretariaat voor de Partij die de vergadering organiseert, stelt binnen zeven dagen na het einde van de vergadering ontwerpnotulen daarvan op, tenzij de medevoorzitters anders besluiten. De ontwerpnotulen worden voor commentaar toegezonden aan het lid van het secretariaat van de andere Partij. Laatstgenoemde mag binnen vijf dagen na de datum van ontvangst van de ontwerpnotulen opmerkingen kenbaar maken.

De notulen geven in de regel een samenvatting van elk agendapunt, met in voorkomend geval vermelding van:

·de aan de werkgroep voorgelegde documenten;

·elke verklaring waarvan een medevoorzitter om de opneming in de notulen heeft verzocht; alsmede

·operationele conclusies die met betrekking tot specifieke punten zijn vastgesteld.

De notulen bevatten als bijlage een deelnemerslijst met daarin voor elk van de delegaties de namen en functies van alle personen die de vergadering hebben bijgewoond.

Het secretariaat past de ontwerpnotulen aan op basis van de ontvangen opmerkingen; de herziene ontwerpnotulen worden door de medevoorzitters goedgekeurd binnen 28 dagen na de datum van de vergadering of op een andere door de medevoorzitters overeengekomen datum.

Na goedkeuring worden kopieën van de notulen ondertekend door de leden van het secretariaat en worden deze toegezonden aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk, evenals aan het toezichthoudend comité. De medevoorzitters kunnen overeenkomen dat de ondertekening en uitwisseling van elektronische kopieën in dit verband volstaan.

Artikel 9

Vertrouwelijkheid

Tenzij anders besloten door de medevoorzitters, zijn de vergaderingen van de werkgroep vertrouwelijk.

Indien de Unie of het Verenigd Koninkrijk aan de werkgroep informatie voorlegt die vertrouwelijk is, of die uit hoofde van haar respectievelijk zijn wet- en regelgeving niet openbaar mag worden gemaakt, behandelt de andere Partij die informatie als vertrouwelijk.

De medevoorzitters kunnen besluiten voorlopige agenda’s openbaar te maken voor aanvang van de vergadering van de werkgroep. De medevoorzitters kunnen ook besluiten de notulen van de vergadering openbaar te maken nadat deze overeenkomstig artikel 8 zijn goedgekeurd.

De bekendmaking van de in lid 3 bedoelde documenten geschiedt overeenkomstig de toepasselijke gegevensbeschermingsregels van beide Partijen.

Artikel 10

Talen

De werktaal van de werkgroep is het Engels. Tenzij anders besloten door de medevoorzitters, beraadslaagt de werkgroep op basis van in het Engels opgestelde documenten.

Artikel 11

Kosten

De Unie en het Verenigd Koninkrijk dragen elk hun eigen kosten in verband met deelname aan de vergaderingen van de werkgroep.

Uitgaven in verband met de organisatie van de vergaderingen en de reproductie van documenten komen ten laste van de Partij die de vergadering organiseert.

De kosten in verband met vertolking van en naar de werktaal van de werkgroep bij de vergaderingen zijn ten laste van de Partij die om vertolking vraagt.

Artikel 12

Rapportage

De werkgroep stelt het toezichthoudend comité ruim voor haar bijeenkomsten in kennis van haar vergaderrooster en -agenda en meldt de resultaten en conclusies van elke vergadering aan het toezichthoudend comité.


STANDPUNT VAN DE UNIE BETREFFENDE SPECIFIEKE AANPASSINGEN VAN HET REGLEMENT VAN ORDE VAN WERKGROEPEN

 

Voordat een werkgroep aanpassingen aanneemt betreffende niet-essentiële elementen van het reglement van orde dat is opgenomen in bijlage I bij dit besluit, indien dergelijke aanpassingen noodzakelijk zijn voor het doel en de werking van die specifieke werkgroep, zendt de Commissie de Raad ruim van tevoren, en in elk geval uiterlijk acht werkdagen voordat de desbetreffende vergadering plaatsvindt of de schriftelijke procedure in die werkgroep wordt gebruikt, een schriftelijk document toe met de bijzonderheden van de voorgestelde nadere bepaling van het namens de Unie te vertolken standpunt, teneinde de Raad in staat te stellen de bijzonderheden van dat standpunt te bespreken en te bekrachtigen.

Top