Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023PC0227

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de financiering van afwikkelingsmaatregelen

COM/2023/227 final

Straatsburg, 18.4.2023

COM(2023) 227 final

2023/0112(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de financiering van afwikkelingsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2023) 225-226}
{SEC(2023) 230}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU 1 (de richtlijn herstel en afwikkeling van banken — BRRD) maken deel uit van het wetgevingspakket voor het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering (CMDI), dat ook wijzigingen van Verordening (EU) nr. 806/2014 2 (de verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme — SRMR) en Richtlijn 2014/49/EU 3 (de richtlijn depositogarantiestelsels — DGSD) omvat.

Het EU-kader voor crisisbeheer is solide, maar eerdere gevallen van bankfalen hebben aangetoond dat verbeteringen nodig zijn. Met de CMDI-hervorming moet worden voortgebouwd op de doelstellingen van het kader voor crisisbeheer en moet een consistentere benadering van afwikkeling worden gewaarborgd, zodat elke bank die in crisis verkeert de markt op ordelijke wijze kan verlaten, terwijl de financiële stabiliteit wordt gehandhaafd, geen belastinggeld verloren gaat en het vertrouwen van deposanten behouden blijft. Met name het bestaande afwikkelingskader voor kleinere en middelgrote banken moet worden versterkt wat betreft zijn ontwerp, uitvoering en bovenal stimulansen voor de toepassing ervan, zodat het op geloofwaardigere wijze op die banken kan worden toegepast.

Achtergrond van het voorstel

In de nasleep van de mondiale financiële en staatsschuldencrisis heeft de EU resolute maatregelen genomen, in lijn met internationale verzoeken om hervormingen, om een veiligere financiële sector voor de eengemaakte markt van de EU te creëren. Hierbij werd voorzien in de instrumenten en bevoegdheden om het falen van banken op ordelijke wijze te behandelen, terwijl de financiële stabiliteit, de overheidsfinanciën en de bescherming van deposanten in stand werden gehouden. De bankenunie werd in 2014 opgericht en bestaat momenteel uit twee pijlers: een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). De bankenunie is echter nog niet volledig en de derde pijler ontbreekt: een Europees depositogarantiestelsel (EDIS) 4 . Het voorstel van de Commissie tot vaststelling van EDIS 5 , dat zij op 24 november 2015 goedkeurde, wordt nog steeds behandeld.

De bankenunie stoelt op één rulebook dat, wat het CMDI betreft, uit drie EU-wetgevingshandelingen bestaat, die in 2014 werden goedgekeurd: de BRRD, de SRMR en de DGSD. In de BRRD zijn de bevoegdheden, regels en procedures vastgesteld voor het herstel en de afwikkeling van banken, met inbegrip van regelingen voor grensoverschrijdende samenwerking om grensoverschrijdend bankfalen aan te pakken. Bij de SRMR zijn de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (GAR) en het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) tot stand gebracht. In deze verordening zijn bovendien de bevoegdheden, regels en procedures voor de afwikkeling van in de bankenunie gevestigde entiteiten gedefinieerd, in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). De DGSD waarborgt de bescherming van deposanten en bevat de regels voor het gebruik van DGS-middelen. De BRRD en de DGSD zijn in alle lidstaten van toepassing, terwijl de SRMR van toepassing is in de lidstaten die deelnemen aan de bankenunie.

Met het bankenpakket van 2019, ook wel bekend als het “pakket risicoverminderende maatregelen”, werden de BRRD, de SRMR, de verordening kapitaalvereisten (VKV) 6 en de richtlijn kapitaalvereisten (RKV) 7 herzien. Deze wijzigingen omvatten maatregelen waarmee verbintenissen werden nagekomen die de EU op internationale fora 8 was aangegaan om nadere stappen te zetten in de richting van de voltooiing van de bankenunie, door te voorzien in geloofwaardige risicoverminderende maatregelen om de gevaren voor de financiële stabiliteit te beperken.

In november 2020 bereikte de Eurogroep overeenstemming over de ontwikkeling en vroege invoering van een gemeenschappelijk budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de vorm van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) 9 .

De hervorming van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering (CMDI) en de bredere gevolgen voor de bankenunie

Samen met de CMDI-hervorming zou een volledige bankenunie, met inbegrip van de derde pijler ervan, EDIS, een hoger niveau van financiële bescherming en vertrouwen bieden aan de huishoudens en ondernemingen in de EU, het vertrouwen vergroten en de financiële stabiliteit versterken, als noodzakelijke voorwaarden voor groei, welvaart en veerkracht in de economische en monetaire unie (EMU) en de EU in algemenere zin. De kapitaalmarktenunie vormt een aanvulling op de bankenunie, aangezien beide initiatieven essentieel zijn voor de financiering van de dubbele transitie (de digitale en de groene transitie), de vergroting van de internationale rol van de euro en de versterking van de open strategische autonomie van de EU en haar concurrentievermogen in een veranderende wereld, met name gezien de huidige moeilijke economische en geopolitieke situatie 10 11 .

In juni 2022 bereikte de Eurogroep geen overeenstemming over een uitgebreider werkplan voor het voltooien van de bankenunie door middel van de opname van EDIS. De Eurogroep nodigde de Commissie in plaats daarvan uit om meer gerichte wetgevingsvoorstellen in te dienen voor de hervorming van het EU-kader voor bankencrisisbeheer en nationale depositoverzekering 12 .

Het Europees Parlement onderstreepte in zijn jaarverslag over de bankenunie van 2021 13 ook het belang van het voltooien van de bankenunie met de vaststelling van EDIS en uitte zijn steun voor de Commissie voor het indienen van een wetgevingsvoorstel inzake de CMDI-evaluatie. Hoewel EDIS niet uitdrukkelijk door de Eurogroep werd onderschreven, zou het de CMDI-hervorming robuuster maken en synergieën en efficiëntiewinsten voor de sector opleveren. Een dergelijk wetgevingspakket zou deel uitmaken van de agenda voor het voltooien van de bankenunie, zoals benadrukt in de politieke beleidslijnen van voorzitter Von der Leyen, waarin zij ook herinnerde aan het belang van EDIS, en zoals regelmatig ondersteund door leiders 14 .

De doelstellingen van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering (CMDI)

Het CMDI-kader werd ontwikkeld om de risico’s te beperken en het falen van instellingen, ongeacht hun omvang, te beheren, waarbij vier overkoepelende doelstellingen moesten worden bereikt:

i)bescherming van de financiële stabiliteit, terwijl besmetting wordt voorkomen, en zodoende de marktdiscipline en de continuïteit van de kritieke functies voor de samenleving te waarborgen;

ii)waarborging van de werking van de eengemaakte markt en het voorzien in een gelijk speelveld overal in de EU;

iii)gebruik van belastinggeld tot een minimum beperken en de link tussen banken en staten verzwakken; en

iv)bescherming van de deposanten en waarborgen van het vertrouwen van consumenten.

Het CMDI-kader voorziet in een reeks instrumenten die in de verschillende fasen van de levenscyclus van noodlijdende banken kunnen worden toegepast: herstelmaatregelen op basis van door banken opgestelde herstelplannen; vroegtijdige-interventiemaatregelen; maatregelen om het falen van een bank te voorkomen; door de afwikkelingsautoriteiten opgestelde afwikkelingsplannen; een afwikkelingsinstrumentarium wanneer wordt vastgesteld dat de bank faalt of waarschijnlijk zal falen en dat de afwikkeling van de bank (in plaats van de liquidatie ervan) in het openbaar belang is. Daarnaast zijn nationale insolventieprocedures, die buiten het CMDI-kader vallen 15 , nog steeds van toepassing op die falende banken waarvoor deze nationale procedures toereikend zijn, indien deze geschikter zijn (dan afwikkeling) en het openbaar belang niet schaden, noch de financiële stabiliteit in gevaar brengen.

Het CMDI-kader moet voorzien in een combinatie van financieringsbronnen om gevallen van falen op economisch efficiënte wijze te beheren, de financiële stabiliteit en deposanten te beschermen en de marktdiscipline te handhaven, terwijl het gebruik van de overheidsmiddelen, en uiteindelijk de kosten voor belastingbetalers, wordt beperkt. De kosten van de afwikkeling van de bank worden in de eerste plaats gedekt door de eigen middelen van de bank, dat wil zeggen toegewezen aan de aandeelhouders en crediteuren van de bank zelf (die het interne verliesabsorberend vermogen van de bank vormen), waarmee ook het moreel risico wordt beperkt en de marktdiscipline wordt verbeterd. Indien nodig kan dit worden aangevuld met middelen uit depositogarantiestelsels (DGS) en financieringsregelingen voor de afwikkeling (nationale afwikkelingsfondsen of het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de bankenunie). Deze fondsen worden gefinancierd door bijdragen van alle banken, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel. In de bankenunie zijn deze regels verder geïntegreerd door de gemeenschappelijke afwikkelingsraad te belasten met het beheer van en het toezicht op het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, dat wordt gefinancierd uit bijdragen van de sector in de deelnemende lidstaten van de bankenunie. Afhankelijk van het op een bank in nood toegepaste instrument (bv. preventieve, beschermende, afwikkelings- of alternatieve maatregelen in het kader van nationale insolventieprocedures) en de specifieke details van de zaak, kan staatssteuncontrole 16 nodig zijn voor interventies door een nationaal afwikkelingsfonds/gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, een depositogarantiestelsel of overheidsfinanciering uit de overheidsbegroting.

Motivering van het voorstel

Ondanks de sinds 2014 geboekte vooruitgang werd er zelden gekozen voor afwikkeling, met name in de bankenunie. Er werden terreinen vastgesteld waarop een verdere versterking en aanpassing nodig waren wat betreft het CMDI-kader in termen van ontwerp, uitvoering en vooral stimulansen voor de toepassing ervan.

Tot nu toe werden veel falende banken van kleinere of middelgrote omvang op basis van nationale regelingen behandeld, waarbij vaak gebruik werd gemaakt van belastinggeld (bail-outs) in plaats van de door de sector gefinancierde vangnetten, zoals het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de bankenunie, dat tot dusverre nog niet is gebruikt voor afwikkelingen. Dit druist in tegen de intentie van het kader zoals het werd opgezet na de mondiale financiële crisis, die gepaard ging met een grote paradigmaverschuiving van bail-out naar bail-in. In dit verband zijn de alternatieve kosten van de door alle banken gefinancierde afwikkelingsfinancieringsregelingen aanzienlijk.

Belangrijke overkoepelende doelstellingen van het afwikkelingskader werden niet volledig behaald, zoals met name het vergemakkelijken van de werking van de eengemaakte markt voor bankdiensten van de EU door een gelijk speelveld te waarborgen, grensoverschrijdende en binnenlandse crises aan te pakken en het gebruik van belastinggeld tot een minimum te beperken.

De voornaamste redenen hiervoor zijn verkeerd afgestemde prikkels bij het kiezen voor het juiste instrument om falende banken te beheren, waardoor het geharmoniseerde afwikkelingskader niet wordt toegepast en voor andere wegen wordt gekozen. Dit is over het algemeen het gevolg van de ruime beoordelingsvrijheid bij de beoordeling van het openbaar belang, problemen bij de toegang tot afwikkelingsfinanciering zonder deposanten de verliezen te laten dragen, en een eenvoudigere toegang tot financiering buiten afwikkeling om. Wanneer dit traject wordt gevolgd, nemen de risico’s op versnippering en niet-optimale uitkomsten bij het beheer van bankfalen, met name van kleinere en middelgrote banken, toe.

De evaluatie van het CMDI-kader en de wisselwerking met nationale insolventieprocedures moet oplossingen bieden voor het aanpakken van deze problemen. De evaluatie moet het ook mogelijk maken om de doelstellingen van het kader volledig te behalen en het kader geschikt te maken voor alle banken in de EU, ongeacht hun omvang, bedrijfsmodel en verplichtingenstructuur, zelfs voor kleinere en middelgrote banken, indien vereist op grond van de heersende omstandigheden. De herziening moet gericht zijn op het waarborgen van een samenhangende toepassing van de regels in alle lidstaten, het zorgen voor een beter gelijk speelveld, terwijl de financiële stabiliteit en deposanten worden beschermd, het voorkomen van besmetting en het beperken van het gebruik van belastinggeld. Het kader moet met name worden verbeterd om de afwikkeling van kleinere en middelgrote banken, zoals oorspronkelijk verwacht, te vergemakkelijken, door de gevolgen voor de financiële stabiliteit en de reële economie te verzachten, zonder gebruik te maken van overheidsmiddelen, en door het vertrouwen van hun deposanten — hoofdzakelijk huishoudens en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) — te bevorderen. Wat de omvang van de beoogde wijzigingen betreft, wordt met de CMDI-evaluatie niet gestreefd naar een hervorming van het huidige kader, maar veeleer naar hoognodige verbeteringen op verschillende belangrijke gebieden om ervoor te zorgen dat het kader, zoals beoogd, voor alle banken werkt.

Samenvatting van de elementen van de hervorming van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering (CMDI)

De in het CMDI-pakket opgenomen wijzigingen beslaan een reeks beleidsaspecten en vormen een samenhangend antwoord op de geconstateerde problemen:

·het uitbreiden van het toepassingsgebied van de afwikkeling door de beoordeling van het openbaar belang te evalueren, indien hiermee de doelstellingen van het kader, zoals het beschermen van de financiële stabiliteit, het geld van belastingbetalers en het vertrouwen van deposanten, beter kunnen worden verwezenlijkt dan met nationale insolventieprocedures;

·het versterken van de afwikkelingsfinanciering, door het interne verliesabsorberend vermogen van instellingen, dat nog steeds de eerste lijn van verdediging vormt, aan te vullen met gebruik van DGS-middelen tijdens de afwikkeling om, waar passend, de toegang tot afwikkelingsfondsen te vereenvoudigen zonder verliezen aan deposanten op te leggen, waarbij voorwaarden en waarborgen in acht worden genomen;

·het wijzigen van de rangorde van vorderingen bij insolventie en het waarborgen van een algemene voorrangsregel voor deposanten, met één niveau, om het gebruik van DGS-middelen bij andere maatregelen dan de uitbetaling van de gedekte deposito’s mogelijk te maken;

·het harmoniseren van de laagstekostentoets voor alle soorten DGS-interventies naast de uitbetaling van gedekte deposito’s in het kader van insolventie, om het gelijke speelveld te verbeteren en de samenhang van de uitkomsten te waarborgen;

·het verduidelijken van het kader voor vroegtijdige interventie door overlappingen tussen vroegtijdige-interventie- en toezichtsmaatregelen weg te nemen, rechtszekerheid te bieden wat betreft de toepasselijke voorwaarden en de samenwerking tussen bevoegde en afwikkelingsautoriteiten te verbeteren;

·het waarborgen en de tijdige inleiding van de afwikkeling; en

·het verbeteren van de bescherming van deposanten (bv. gerichte verbeteringen van de bepalingen van de DGSD met betrekking tot de reikwijdte van de bescherming en grensoverschrijdende samenwerking, harmonisatie van nationale opties en verbetering van de transparantie ten aanzien van de financiële soliditeit van depositogarantiestelsels).

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel bevat wijzigingen van de bestaande wetgeving om het volledig consistent te maken met de bestaande beleidsbepalingen op het gebied van bankencrisisbeheer en depositoverzekering. De evaluatie van de BRRD/SRMR en de DGSD is gericht op het verbeteren van de werking van het kader, op zodanige wijze dat afwikkelingsautoriteiten worden voorzien van de instrumenten om het falen van banken, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel, te kunnen afhandelen, om de financiële stabiliteit in stand te houden, deposanten te beschermen en het gebruik van belastinggeld te voorkomen.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU

Met het voorstel wordt voortgebouwd op de hervormingen die werden doorgevoerd in de nasleep van de financiële crisis die de aanleiding vormde voor de oprichting van de bankenunie en de vaststelling van één rulebook voor alle EU-banken.

Het voorstel draagt bij tot de versterking van de financiële wetgeving van de EU die in het afgelopen decennium is aangenomen, om risico’s in de financiële sector te beperken en een ordelijk beheer van gevallen van bankfalen te waarborgen. Hiermee moet het bankenstelsel robuuster worden gemaakt en moet uiteindelijk de duurzame financiering van economische activiteiten in de EU worden bevorderd. Het voorstel is volledig in overeenstemming met de fundamentele doelstellingen van de EU om de financiële stabiliteit te bevorderen, het gebruik van belastinggeld voor de afwikkeling van banken te beperken en het vertrouwen van deposanten te beschermen. Deze doelstellingen zijn bevorderlijk voor een hoog niveau van concurrentievermogen en consumentenbescherming.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Met het voorstel wordt een bestaande richtlijn, de BRRD, gewijzigd, met name wat betreft de verbeterde toepassing van de instrumenten die reeds beschikbaar zijn in het kader voor het herstel en de afwikkeling van banken, waarbij de voorwaarden voor afwikkeling worden verduidelijkt, de toegang tot vangnetten bij bankfalen wordt vereenvoudigd en de duidelijkheid en samenhang van financieringsregels worden verbeterd. Door geharmoniseerde voorschriften voor de toepassing van het CMDI-kader op banken op de interne markt vast te stellen, wordt met het voorstel het risico op afwijkende nationale regels in de lidstaten, die de mededinging op de interne markt zouden kunnen verstoren, aanzienlijk beperkt.

De rechtsgrondslag voor het voorstel is dan ook hetzelfde als de rechtsgrondslag van de oorspronkelijke wetgevingshandeling, dat wil zeggen artikel 114 VWEU. Die bepaling maakt het mogelijk om maatregelen vast te stellen voor de onderlinge aanpassing van nationale bepalingen die de instelling en de werking van de interne markt tot doel hebben.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De rechtsgrondslag valt onder het gebied van de interne markt, dat wordt beschouwd als een gedeelde bevoegdheid in de zin van artikel 4 VWEU. De meeste van de overwogen acties betreffen actualiseringen en wijzigingen van het bestaande EU-recht en hebben als zodanig betrekking op gebieden waarop de EU haar bevoegdheid reeds heeft uitgeoefend en niet voornemens is de uitoefening van die bevoegdheid stop te zetten.

Aangezien de doelstellingen die met de voorgestelde maatregelen worden beoogd, een aanvulling vormen op reeds bestaande EU-wetgeving kunnen zij dus het beste op EU-niveau worden verwezenlijkt in plaats van met uiteenlopende nationale initiatieven. In het bijzonder werden de beweegredenen voor een specifieke en geharmoniseerde EU-afwikkelingsregeling voor alle banken in de EU uiteengezet bij de vaststelling van het kader in 2014. In de belangrijkste kenmerken komen de internationale richtsnoeren en de hoofdkenmerken van doeltreffende afwikkelingsstelsels voor financiële instellingen, zoals goedgekeurd door de Raad voor financiële stabiliteit in de nasleep van de mondiale financiële crisis van 2008, tot uiting.

Het subsidiariteitsbeginsel is verankerd in het bestaande afwikkelingskader. De doelstellingen ervan, dat wil zeggen de harmonisatie van de regels en processen voor afwikkeling, kunnen niet op toereikende wijze door de lidstaten worden behaald. Gezien de gevolgen van het falen van instellingen in de gehele EU kunnen zij in plaats daarvan beter op EU-niveau worden behaald door middel van EU-maatregelen.

Het doel van het bestaande afwikkelingskader was altijd al om te voorzien in een gemeenschappelijk instrumentarium voor de doeltreffende en ordelijke afhandeling van gevallen van bankfalen, ongeacht de omvang, het bedrijfsmodel of de locatie van de bank, indien dit noodzakelijk is om de financiële stabiliteit van de EU, de lidstaat of de regio waarin de bank actief is, in stand te houden en deposanten te beschermen, zonder gebruik te maken van overheidsmiddelen.

Met het voorstel worden sommige bepalingen van de BRRD gewijzigd om het bestaande kader te verbeteren, met name wat betreft het toepassen ervan op kleinere en middelgrote banken, omdat de doelstellingen ervan anders mogelijk niet worden behaald.

Risico’s voor de financiële stabiliteit, het vertrouwen van deposanten of het gebruik van overheidsmiddelen in één lidstaat kunnen vergaande grensoverschrijdende gevolgen hebben en uiteindelijk bijdragen tot een versnippering van de eengemaakte markt. Het gebrek aan maatregelen op EU-niveau voor minder belangrijke banken en hun vermeende uitsluiting van een gemeenschappelijk vangnet zouden ook gevolgen kunnen hebben voor hun markttoegang en vermogen om deposanten aan te trekken in vergelijking met belangrijke banken. Bovendien zouden nationale oplossingen om bankfalen aan te pakken de link tussen banken en staten verslechteren en de achterliggende gedachte van de bankenunie, om te zorgen voor een paradigmaverschuiving van bail-out naar bail-in, ondermijnen.

Met optreden op EU-niveau om het afwikkelingskader te hervormen, wordt geen strategie voorgeschreven die bij bankfalen moet worden toegepast. Het blijft aan de afwikkelingsautoriteit om, op basis van een beoordeling van het openbaar belang, te kiezen tussen een op EU-niveau geharmoniseerd(e) afwikkelingsstrategie/-instrument en de nationale liquidatiestrategie. Deze keuze wordt per geval van falen gemaakt en niet automatisch aan de hand van overwegingen zoals de omvang van de bank, het geografische bereik van haar activiteiten en de structuur van de bankensector. In de praktijk wordt de beoordeling van het openbaar belang hiermee de subsidiariteitstest in de EU.

Dit betekent dat hoewel per geval moet worden beoordeeld of een bank wordt afgewikkeld, het cruciaal is dat de mogelijkheid van afwikkeling voor alle banken behouden blijft en dat er wordt gezorgd voor de juiste stimulansen voor afwikkelingsautoriteiten om voor afwikkeling te kiezen, gezien de mogelijk systemische aard van alle instellingen, zoals reeds voorzien in de BRRD.

De lidstaten kunnen voor de kleinere of middelgrote banken die onder het herziene kader vallen, nog steeds liquidatie overwegen. In dit opzicht blijven nationale insolventieregelingen (die niet geharmoniseerd zijn) bestaan voor gevallen waarin een insolventieprocedure een betere keuze wordt geacht dan afwikkeling. Op deze manier wordt het continuüm van instrumenten in stand gehouden, met inbegrip van niet-afwikkelingsinstrumenten, zoals: preventieve maatregelen; afwikkelingsinstrumenten; alternatieve maatregelen binnen nationale insolventieprocedures en de uitbetaling van gedekte deposito’s in het geval van een geleidelijke liquidatie.

Het wijzigen van de BRRD wordt derhalve de beste optie geacht. Hiermee wordt het juiste evenwicht gevonden tussen het harmoniseren van de regels en het handhaven van de nationale flexibiliteit, indien van toepassing. Met de wijzigingen zou daarnaast een uniforme toepassing van het afwikkelingskader worden bevorderd, evenals de overeenstemming van de werkwijzen van toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten, en zou een gelijk speelveld overal op de interne markt voor bankzaken worden gewaarborgd. Dit is met name van belang in de bankensector, waar talrijke instellingen op de interne markt van de EU actief zijn. Met nationale voorschriften zouden deze doelstellingen niet worden behaald.

Evenredigheid

Krachtens het evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud en de vorm van het optreden van de EU niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van de Verdragen.

Evenredigheid maakt integrerend deel uit van de effectbeoordeling waarvan het voorstel vergezeld gaat. De voorgestelde wijzigingen zijn afzonderlijk getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gebrek aan evenredigheid van de bestaande regels is daarnaast op verschillende gebieden beoordeeld en er zijn specifieke opties geanalyseerd om de administratieve lasten en de nalevingskosten voor kleinere instellingen te beperken, met name door de verplichting om het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) te bepalen voor bepaalde soorten entiteiten weg te nemen.

Met de voorwaarden voor de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregelingen binnen het huidige kader wordt onvoldoende rekening gehouden met verschillen op grond van evenredigheid op basis van de afwikkelingsstrategie, de omvang en/of het bedrijfsmodel. Het vermogen van banken om te voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregeling is afhankelijk van de hoeveelheid bail-inbare instrumenten op hun balans op het moment van de interventie. Er zijn echter aanwijzingen dat sommige (kleinere en middelgrote) banken op bepaalde markten structurele problemen ondervinden bij het opbouwen van het MREL. Voor die banken, zou, naargelang hun specifieke verplichtingenstructuur (met name banken die sterk afhankelijk zijn van depositofinanciering), voor bepaalde deposito’s een bail-in moeten plaatsvinden om toegang te krijgen tot de afwikkelingsfinancieringsregeling, wat aanleiding kan geven tot zorgen omtrent de financiële stabiliteit en operationele haalbaarheid, gezien de economische en maatschappelijke impact in verschillende lidstaten. De voorgestelde wijzigingen (bv. duidelijke regels over het aanpassen van het MREL voor overdrachtsstrategieën bij afwikkeling, waarbij een voorrangsregel voor deposanten met één niveau wordt ingevoerd en het mogelijk wordt gemaakt om DGS-middelen te gebruiken om de kloof te dichten met het oog op de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregeling) zouden de toegang tot financiering bij afwikkeling verbeteren. Zij zouden ook leiden tot meer evenredigheid voor banken die aan de hand van overdrachtsstrategieën zouden worden afgewikkeld, door waar passend de bescherming van deposito’s tegen bail-in toe te staan en het probleem van de financiering van de afwikkeling aan te pakken zonder de minimale bail-invoorwaarden voor de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregeling te verzwakken.

Keuze van het instrument

Er wordt voorgesteld de maatregelen uit te voeren door de BRRD aan de hand van een richtlijn te wijzigen. De voorgestelde maatregelen verwijzen naar reeds bestaande bepalingen in dit rechtsinstrument of ontwikkelen deze verder.

Enkele van de voorgestelde wijzigingen, bijvoorbeeld die met gevolgen voor het verlaten van de markt na een negatieve beoordeling van het openbaar belang, zouden de lidstaten nog steeds een toereikende mate van flexibiliteit bieden om, in het stadium van de omzetting in het interne recht, verschillende nationale regels inzake liquidatie te handhaven.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Het CMDI-kader werd ontwikkeld om het falen van instellingen, ongeacht hun omvang of bedrijfsmodel, af te wenden en te beheren. Het werd ontwikkeld met als doel de financiële stabiliteit in stand te houden, deposanten te beschermen, het gebruik van overheidsmiddelen tot een minimum te beperken, het morele risico te verkleinen en de interne markt voor financiële diensten te verbeteren. Op basis van de evaluatie moet worden geconcludeerd dat het CMDI-kader in het algemeen in bepaalde opzichten moet worden verbeterd, zoals een betere bescherming van belastinggeld.

Uit de evaluatie blijkt met name dat de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid bij het beheer van bankfalen nog steeds ontoereikend zijn. De beslissing van overheidsdiensten om voor afwikkeling of insolventie te kiezen, kan aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten. Daarnaast zijn door de bedrijfstak gefinancierde vangnetten niet altijd doeltreffend en bestaan er nog steeds uiteenlopende voorwaarden voor toegang tot financiering bij afwikkeling en wanneer niet voor afwikkeling wordt gekozen. Deze hebben gevolgen voor stimulansen en kunnen leiden tot arbitrage wanneer er beslissingen worden genomen over welk instrument voor crisisbeheer moet worden gebruikt. Tot slot is de bescherming van deposanten op een aantal gebieden ongelijk en inconsistent tussen de lidstaten.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft gezorgd voor een uitgebreide uitwisseling aan de hand van verschillende raadplegingsinstrumenten om contact op te nemen met alle belanghebbenden, teneinde de prestaties van het kader en de eventuele ruimte voor verbeteringen beter te begrijpen.

In 2020 startte de Commissie een raadpleging over een gecombineerde effectbeoordeling van de vaststelling en een stappenplan gericht op het voorzien in een gedetailleerde analyse van de maatregelen die op EU-niveau moesten worden genomen en de potentiële gevolgen van verschillende beleidsopties voor de economie, de maatschappij en het milieu.

In 2021 startte de Commissie twee raadplegingen: een gerichte en een openbare raadpleging om feedback te krijgen van belanghebbenden over de toepassing van het CMDI-kader, evenals hun standpunten over eventuele wijzigingen. De gerichte raadpleging, bestaande uit 39 algemene en specifieke technische vragen, was alleen in het Engels beschikbaar en van 26 januari tot en met 20 april 2021 geopend. De openbare raadpleging bestond uit tien algemene vragen, in alle EU-talen, en liep gedurende de feedbackperiode van 25 februari tot en met 20 mei 2021.

Daarnaast organiseerde de Commissie op 18 maart 2021 een conferentie op hoog niveau, waarbij vertegenwoordigers van alle relevante belanghebbenden werden samengebracht. Tijdens de conferentie werd het belang van een doeltreffend kader bevestigd, maar werd ook de aandacht gevestigd op de huidige tekortkomingen.

Het personeel van de Commissie heeft de lidstaten ook herhaaldelijk geraadpleegd over de EU-uitvoering van het CMDI-kader en mogelijke herzieningen van de BRRD/SRMR en de DGSD in het kader van de deskundigengroep banken, betalingen en verzekeringen van de Commissie. Tegelijkertijd met de besprekingen in de deskundigengroep werden de in dit voorstel behandelde kwesties besproken tijdens vergaderingen van de voorbereidende instanties van de Raad, dat wil zeggen de Groep financiële diensten en bankenunie van de Raad en de Werkgroep op hoog niveau inzake EDIS.

Tijdens de voorbereidingsfase van de wetgeving organiseerde het personeel van de Commissie ook talrijke (fysieke en virtuele) vergaderingen met vertegenwoordigers van de bankensector en andere belanghebbenden.

De uitkomsten van al deze initiatieven zijn meegenomen in de voorbereiding van dit voorstel en in de bijgevoegde effectbeoordeling. Zij hebben duidelijk aangetoond dat de huidige regels moeten worden geactualiseerd en vervolledigd om de doelstellingen van het kader zo goed mogelijk te verwezenlijken. Bijlage 2 bij de effectbeoordeling bevat een samenvatting van deze raadplegingen en van de openbare conferentie.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De Commissie vroeg de Europese Bankenautoriteit (EBA) om advies ten aanzien van de financiering bij insolventie en afwikkeling. De Commissie verzocht om gericht technisch advies om: i) de gemelde problemen voor enkele kleinere en middelgrote ondernemingen bij het uitgeven van toereikende verliesabsorberende financiële instrumenten te beoordelen; ii) de huidige voorschriften voor de toegang tot beschikbare bronnen van financiering in het huidige kader te onderzoeken; en iii) de kwantitatieve gevolgen van verschillende mogelijke beleidsopties op het gebied van financiering bij afwikkeling en insolventie en de doeltreffendheid ervan bij het behalen van de beleidsdoelstellingen te beoordelen. De EBA antwoordde in oktober 2021 17 .

De Commissie maakte ook gebruik van het advies van het Fit for Future-platform van december 2021. In het advies werd gewezen op de noodzaak om het CMDI-kader op evenredige wijze geschikt te maken voor alle banken, rekening houdend met de potentiële gevolgen voor het vertrouwen van deposanten en de financiële stabiliteit.

Effectbeoordeling 18

Er is een uitgebreide effectbeoordeling van het voorstel uitgevoerd, waarbij de feedback van belanghebbenden in aanmerking is genomen, evenals de noodzaak om diverse onderling verbonden kwesties in drie verschillende wetsteksten aan te pakken.

In de effectbeoordeling werd een reeks beleidsopties overwogen om de problemen aan te pakken die werden geconstateerd bij het ontwerp en de uitvoering van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering. Gezien de sterke verbanden tussen het instrumentarium voor crisisbeheer en de financiering ervan, werden in de effectbeoordeling pakketten beleidsopties overwogen waarin relevante kenmerken van het ontwerp van het CMDI-kader werden samengebracht om een uitgebreide en samenhangende benadering te waarborgen. Sommige voorgestelde wijzigingen — in verband met vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden om te bepalen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, en de harmonisatie van bepaalde kenmerken van de DGSD — zijn in alle optiepakketten opgenomen.

De verschillende optiepakketten zijn hoofdzakelijk gericht op het analyseren van het spectrum aan mogelijkheden, om de reikwijdte van afwikkeling als functie van het niveau van ambitie om de financiering toegankelijker te maken op geloofwaardige en doeltreffende wijze te verbreden. Met de beleidsopties wordt in het bijzonder overwogen om het gebruik van DGS-middelen bij de afwikkeling te vereenvoudigen, ook door deze als overbrugging te laten dienen, waarbij de laagstekostentoets als waarborg fungeert, om de evenredigheid bij de toegang tot afwikkelingsfinancieringsregelingen voor banken, en met name kleinere en middelgrote banken, die vallen onder overdrachtsstrategieën met verlaten van de markt, te verbeteren. Daarnaast wordt in de beleidsopties de mogelijkheid onderzocht om DGS-middelen op doeltreffendere en efficiëntere wijze te gebruiken in het kader van een geharmoniseerde laagstekostentoets voor andere maatregelen dan de uitbetaling van gedekte deposito’s, waarmee de verenigbaarheid van de stimulansen voor afwikkelingsautoriteiten moet worden verbeterd bij het selecteren van het geschiktste instrument voor het beheren van een crisis. Het ter beschikking stellen van DGS-middelen voor andere maatregelen dan de uitbetaling van gedekte deposito’s is afhankelijk van waar het depositogarantiestelsel zich bevindt in de hiërarchie van de vorderingen. Met de beleidsopties worden derhalve ook verschillende scenario’s van harmonisatie en voorrangsregels voor deposanten verkend.

In het licht van deze elementen worden in de effectbeoordeling drie mogelijke pakketten beleidsopties verkend, die uitkomsten met uiteenlopende ambitieniveaus opleveren. Met elk pakket wordt ernaar gestreefd om een op stimulansen gebaseerd kader te creëren, door de consistentere toepassing van de afwikkelingsinstrumenten aan te moedigen, de rechtszekerheid en voorspelbaarheid te verbeteren, te zorgen voor een gelijker speelveld en de toegang tot gemeenschappelijke vangnetten te vereenvoudigen, terwijl enkele alternatieven voor afwikkeling in het kader van de nationale insolventieprocedures in stand worden gehouden. Afhankelijk van het ontwerp van de optiepakketten worden deze doelstellingen echter in uiteenlopende mate behaald en verschilt de politieke haalbaarheid van de pakketten.

Met de voorkeursoptie worden ambitieuze verbeteringen in de financiering beoogd, waarmee het mogelijk wordt gemaakt om het toepassingsgebied van afwikkeling aanzienlijk te verbreden om hieronder meer kleinere en middelgrote banken op te nemen, alsook een betere afstemming van de stimulansen voor het kiezen van het beste crisisinstrument voor deze instellingen. Deze optie werd doeltreffender, efficiënter en samenhangender geacht wat betreft het behalen van de doelstellingen van het kader in vergelijking met de andere opties, waaronder de uitgangssituatie waarin geen maatregelen worden genomen. In het bijzonder werd de “superpreferentie” voor het depositogarantiestelsel aangemerkt als doeltreffendste wijze om ervoor te zorgen dat DGS-middelen bij afwikkeling kunnen worden gebruikt. Het bestaan van een superpreferentie voor DGS-vorderingen is de belangrijkste reden dat DGS-middelen bijna nooit kunnen worden gebruikt in andere situaties dan een uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie, vanwege de gevolgen hiervan voor de uitkomst van de laagstekostentoets op grond waarvan de voorkeur wordt gegeven aan een uitbetaling. Er werd echter geconstateerd dat de superpreferentie uiteindelijk de financiële middelen van het depositogarantiestelsel en de bankensector beschermt tegen mogelijke aanvulling, door een eventuele DGS-interventie bij afwikkeling te belemmeren, zonder te zorgen voor een betere bescherming van gedekte deposito’s. De verwijdering van de DGS-superpreferentie is derhalve noodzakelijk om de huidige uitkomst van de laagstekostentoets aan te pakken, die vertekend is ten gunste van uitbetaling, en te voorzien in toereikende afwikkelingsfinanciering om de afwikkeling van kleinere en middelgrote banken, door middel van een verkoop van de onderneming en het verlaten van de markt door de gefaalde bank, haalbaar te maken.

De effectbeoordeling omvatte ook een andere optie die bestond in een ambitieuze hervorming van het CMDI-kader, met inbegrip van EDIS, in de vorm van een tussentijds, hybride model, dat verschilt van het voorstel van de Commissie van 2015. Met deze optie wordt het belang erkend van het vaststellen van een gemeenschappelijk depositoverzekeringsstelsel voor de robuustheid van het kader en de voltooiing van de bankenunie; deze optie is echter in dit stadium politiek onhaalbaar.

Het voorstel zou kosten met zich meebrengen voor autoriteiten en bepaalde banken, afhankelijk van de mate waarin de afwikkeling zou worden uitgebreid op basis van beoordelingen van het openbaar belang per geval en de specifieke omstandigheden van elk geval. Het gebruik van de DGS-middelen en het afwikkelingsfonds/gemeenschappelijk afwikkelingsfonds zou kostenefficiënter zijn in termen van benodigde financiële middelen, maar kan ook aanleiding geven tot behoeften aan aanvulling door middel van bijdragen van de sector. De kosten voor afwikkelingsautoriteiten en banken zouden echter worden gecompenseerd door de voordelen van een grotere paraatheid voor een groter spectrum aan banken, verduidelijkte stimulansen bij het beslissen welke crisisinstrumenten moeten worden gebruikt, een verminderd gebruik van belastinggeld en meer financiële stabiliteit en een groter vertrouwen van deposanten, allemaal dankzij duidelijkere regels en toegang tot door de sector gefinancierde vangnetten. Voor consumenten en het publiek moeten de kosten worden beperkt en duidelijk worden gecompenseerd door de voordelen, met name door middel van een betere bescherming van deposanten, de financiële stabiliteit en een beperkt gebruik van belastinggeld.

De Raad voor regelgevingstoetsing (RSB) heeft de effectbeoordeling na een eerste negatief advies goedgekeurd. Om de opmerkingen van de RSB in aanmerking te nemen, is de effectbeoordeling uitgebreid om hieronder aanvullende toelichtingen op te nemen over: i) de aard van de problemen die met de evaluatie moeten worden aangepakt en de algemene merites van afwikkeling in vergelijking met insolventieprocedures om de financiële stabiliteit en het vertrouwen van deposanten te beschermen en het gebruik van belastinggeld tot een minimum te beperken; ii) verduidelijkingen van de vraag hoe de hervorming in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel; en iii) aanvullende details met betrekking tot andere aspecten, zoals de consistentie met de evaluatie van de staatssteunregels, de wisselwerking met het Commissievoorstel van 2015 inzake EDIS, hoe het advies van de EBA in aanmerking is genomen en de omstandigheden waaronder het depositogarantiestelsel kan worden aangewend bij afwikkeling.

Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

De evaluatie is hoofdzakelijk gericht op de algemene opzet en werking van het kader voor crisisbeheer en depositoverzekering, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan kleinere en middelgrote banken en een gelijkere behandeling van deposanten. De voorgestelde hervorming zal naar verwachting voordelen opleveren met betrekking tot de doeltreffendheid van het kader en de juridische duidelijkheid.

De hervorming is technologieneutraal en heeft geen gevolgen voor de digitale gereedheid.

Grondrechten

De EU hecht aan hoge normen inzake de bescherming van grondrechten en is partij bij een ruim aantal mensenrechtenverdragen. In dit verband is het voorstel in overeenstemming met deze rechten, zoals opgesomd in de belangrijkste VN-mensenrechtenverdragen, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat integrerend deel uitmaakt van de EU-Verdragen, en het Europees Verdrag van de rechten van de mens.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het voorstel verplicht de lidstaten de wijzigingen van de BRRD binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn in hun nationale wetgeving om te zetten.

Het voorstel omvat verplichtingen voor de EBA om normen te publiceren in verband met sommige bepalingen van het kader en om verslag uit te brengen aan de Commissie over de doeltreffende uitvoering ervan, bijvoorbeeld in verband met beoordelingen van de afwikkelbaarheid die worden verricht door de afwikkelingsautoriteiten of de voorbereiding op de uitvoering van de afwikkeling.

De wetgeving zal vijf jaar na de datum van toepassing aan een volledige evaluatie worden onderworpen om na te gaan in hoeverre deze effectief en efficiënt is geweest wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen ervan en om te beslissen of nieuwe maatregelen of wijzigingen noodzakelijk zijn.

6.UITGEBREIDE TOELICHTING OP DE SPECIFIEKE BEPALINGEN VAN HET VOORSTEL

Vroegtijdige-interventiemaatregelen en voorbereiding van de afwikkeling

De voorwaarden voor het toepassen van vroegtijdige-interventiemaatregelen, waaronder het ontslag van het management en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders, worden aangepast om de dubbelzinnigheid weg te nemen en de bevoegde autoriteiten de noodzakelijke rechtszekerheid te bieden. Artikel 27, lid 1, artikel 28 en artikel 29, lid 1, worden gewijzigd om te bepalen dat vroegtijdige-interventiemaatregelen kunnen worden gebruikt wanneer aan de voorwaarden voor toezichtsmaatregelen in het kader van de RKV of Richtlijn (EU) 2019/2034 19 (richtlijn beleggingsondernemingen — IFD) is voldaan, maar die maatregelen niet door de instelling zijn genomen of ontoereikend worden geacht om de geconstateerde problemen aan te pakken. De bestaande voorwaarden die niet onder de RKV of IFD vallen, worden gehandhaafd. Tegelijkertijd wordt de interne volgorde tussen vroegtijdige-interventiemaatregelen, het ontslag van bewindvoerders en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders geschrapt — op grond van het voorstel vallen deze allemaal onder dezelfde voorwaarden, maar moeten de bevoegde autoriteiten het evenredigheidsbeginsel naleven bij het kiezen van de passendste maatregel voor elke situatie. Het mandaat van de EBA voor het vaststellen van richtsnoeren ter bevordering van de consistente toepassing van de voorwaarden wordt gehandhaafd.

De vroegtijdige-interventiemaatregelen als bedoeld in artikel 27 BRRD die overlapten met de beschikbare toezichtsbevoegdheden uit hoofde van artikel 104 RKV of artikel 49 IFD (met betrekking tot het onderzoek van de financiële situatie door het leidinggevend orgaan, het ontslag van bewindvoerders die niet langer aan de geschiktheidscriteria voldoen, veranderingen in de bedrijfsstrategie en de operationele structuur van de instelling) worden uit de BRRD geschrapt en alleen in de RKV/IFD gehandhaafd. Hiermee moeten de praktische en administratieve problemen worden aangepakt die door de bevoegde autoriteiten zijn geconstateerd bij het toepassen van deze overlappende maatregelen.

Om de beperkte bepalingen van de BRRD uit te breiden die samenwerking tussen de bevoegde en afwikkelingsautoriteiten vereisen wanneer de financiële situatie van een bank verslechtert, worden in een nieuw artikel 30 bis de interactie en verantwoordelijkheden van de bevoegde en afwikkelingsautoriteiten in aanloop naar de afwikkeling uiteengezet. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit op de hoogte stellen wanneer zij bepaalde toezichtsmaatregelen op grond van de RKV of de IFD vaststelt (met name maatregelen die eerder de vroegtijdige-interventiemaatregelen overlapten) wanneer zij van oordeel is dat is voldaan aan de voorwaarden voor vroegtijdige interventie en wanneer zij daadwerkelijk vroegtijdige-interventiemaatregelen toepast. De bevoegde autoriteiten moeten, in samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten, de financiële situatie van de instelling en haar naleving van eventuele opgelegde maatregelen monitoren. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit tegelijkertijd voorzien van alle noodzakelijke informatie voor de voorbereiding van de afwikkeling of van de instelling zelf verlangen dat zij deze informatie verstrekt. Er wordt ook verduidelijkt dat de afwikkelingsautoriteit bevoegd is om de instelling te verkopen of regelingen te treffen om de instelling te verkopen en om te verzoeken om het creëren van een virtuele dataroom, zonder dat dit afhankelijk is van de voorgaande toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen. De bevoegde en afwikkelingsautoriteiten moeten nauw samenwerken bij het overwegen van vroegtijdige-interventiemaatregelen of maatregelen ter voorbereiding van de afwikkeling, teneinde de consistentie en de doeltreffendheid te waarborgen.

Vroegtijdige waarschuwing van falen of waarschijnlijk falen

Artikel 30 bis omvat een verplichting voor de bevoegde autoriteit om de afwikkelingsautoriteit tijdig op de hoogte te brengen wanneer zij van mening is dat er sprake is van een materieel risico dat een instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden om te worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen, zoals vastgesteld in artikel 32, lid 4. Deze kennisgeving moet de redenen omvatten voor de beoordeling van de bevoegde autoriteit, evenals een overzicht van de alternatieve oplossingen waarmee het falen van de desbetreffende instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek kan worden voorkomen.

Gelet op de cruciale rol die de timing van de afwikkelingsmaatregelen speelt ten aanzien van het optimale behoud van de kapitaalniveaus, het MREL en de liquiditeit van de instelling of entiteit en, meer in het algemeen, met betrekking tot het waarborgen dat is voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden voor de succesvolle uitvoering door de afwikkelingsautoriteit van de afwikkelingsstrategie die voor elke instelling of entiteit is opgesteld, is de afwikkelingsautoriteit bevoegd om, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit, te beoordelen wat zij een redelijk tijdsbestek acht voor het zoeken naar oplossingen van private of administratieve aard aan de hand waarvan het falen kan worden voorkomen. Tijdens deze periode van vroegtijdige waarschuwing moet de bevoegde autoriteit haar bevoegdheden blijven uitoefenen, terwijl zij contacten onderhoud met de afwikkelingsautoriteit, in lijn met artikel 30 bis. De bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit moeten, in nauwe samenwerking, de ontwikkeling van de situatie van de instelling of entiteit en de uitvoering van alternatieve maatregelen monitoren. In dit verband moeten de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit regelmatig samenkomen, met een regelmaat die door de afwikkelingsautoriteit wordt vastgesteld.

Indien binnen dit tijdsbestek geen passende alternatieve maatregel wordt geconstateerd of uitgevoerd waarmee het falen zou kunnen worden afgewend, moet de bevoegde autoriteit beoordelen of de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen. Wanneer de bevoegde autoriteit concludeert dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, moet zij dit formeel meedelen aan de afwikkelingsautoriteit, volgens de in artikel 32, leden 1 en 2, vastgestelde procedure. De afwikkelingsautoriteit kan deze beoordeling ook zelf verrichten, in het geval dat de lidstaat de nationale optie als bedoeld in artikel 32, lid 2, heeft uitgeoefend. De afwikkelingsautoriteit moet dan bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. Indien uit de beoordeling van het algemeen belang blijkt dat de instelling of entiteit moet worden afgewikkeld, moet de afwikkelingsautoriteit vervolgens een besluit vaststellen waarbij afwikkelingsmaatregelen worden genomen. Dit is in overeenstemming met de recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in verband met een zaak die plaatsvond in de bankenunie, volgens welke de beoordeling van de ECB een voorbereidende maatregel is die bedoeld is om de GAR in staat te stellen een beslissing te nemen over de afwikkeling van een bank. Het Hof merkte daarnaast op dat het uitsluitend aan de GAR is om de voorwaarden voor een afwikkeling te beoordelen, behoudens de goedkeuring van de afwikkelingsregeling door de Commissie en, indien van toepassing, geen bezwaar van de Raad 20 .

Beoordeling van het openbaar belang

Het CMDI-kader werd ontwikkeld om het falen van instellingen, ongeacht hun omvang, af te wenden en te beheren en tegelijkertijd deposanten en belastingbetalers te beschermen. Wanneer wordt vastgesteld dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen en er sprake is van een openbaar belang bij de afwikkeling van de bank, treden de afwikkelingsautoriteiten, bij gebrek aan een oplossing vanuit de particuliere sector, op door de instrumenten en bevoegdheden te gebruiken die zij uit hoofde van de BRRD hebben. Wanneer er geen sprake is van openbaar belang bij de afwikkeling, moet het bankfalen worden behandeld aan de hand van een nationale ordelijke liquiditeitsprocedure die wordt uitgevoerd door de nationale autoriteiten, mogelijk met financiering uit het depositogarantiestelsel of andere financieringsbronnen, zoals passend.

Bij de beoordeling van het openbaar belang wordt afwikkeling in wezen vergeleken met insolventie, met name door te beoordelen hoe met elk scenario de doelstellingen van de afwikkeling worden behaald. De afwikkelingsdoelstellingen aan de hand waarvan de beoordeling wordt verricht, omvatten onder meer: i) de gevolgen voor de financiële stabiliteit (een brede crisis kan leiden tot een andere uitkomst van de beoordeling van het openbaar belang dan idiosyncratisch falen); ii) de beoordeling van de gevolgen voor de kritieke functies van de bank; en iii) de noodzaak om het gebruik van buitengewone openbare financiële steun te beperken. Op grond van het huidige kader kan slechts voor afwikkeling worden gekozen wanneer insolventie het niet mogelijk zou maken om de afwikkelingsdoelstellingen in dezelfde mate te behalen.

In de BRRD en de SRMR wordt de afwikkelingsautoriteiten een zekere beoordelingsmarge gelaten bij het uitvoeren van de beoordeling van het openbaar belang, wat leidt tot uiteenlopende toepassingen en interpretaties die niet altijd de logica en het doel van de wetgeving volledig weerspiegelen. In sommige gevallen, met name binnen de bankenunie, is de beoordeling van het openbaar belang op vrij restrictieve wijze toegepast.

Om de verschillen tot een minimum te beperken en de toepassing van de beoordeling van het openbaar belang, dat wil zeggen de toepassing van afwikkeling, uit te breiden, zijn de volgende wetswijzigingen in het voorstel opgenomen:

Wijzigingen van de afwikkelingsdoelstellingen

De huidige definitie van “kritieke functies” omvat geen uitdrukkelijke verwijzing naar de gevolgen van de verstoring hiervan voor de reële economie en de financiële stabiliteit op regionaal niveau, wat kan leiden tot de interpretatie dat de functies alleen als kritiek moeten worden beschouwd wanneer de stopzetting hiervan op nationaal niveau gevolgen heeft. Om uiteenlopende interpretaties te voorkomen, wordt aan de definitie van “kritieke functies” een verwijzing toegevoegd naar het “nationale of regionale niveau” van de gevolgen van de verstoring van de voortzetting ervan voor de reële economie of de financiële stabiliteit (artikel 2, lid 1, punt 35).

De afwikkelingsdoelstelling om zo min mogelijk gebruik te maken van buitengewone openbare financiële steun maakt geen onderscheid mogelijk tussen het gebruik van middelen van de nationale begroting en het gebruik van door de sector gefinancierde vangnetten (nationale afwikkelingsfondsen, gemeenschappelijk afwikkelingsfonds of depositogarantiestelsels). Deze afwikkelingsdoelstelling wordt daarom gewijzigd om een specifieke verwijzing op te nemen naar steun uit de begroting van een lidstaat, om aan te geven dat de voorkeur moet worden gegeven aan financiering uit door de sector gefinancierde vangnetten boven financiering met belastinggeld (artikel 31, lid 1, punt c)). Dit wordt aangevuld met een wijziging van de procedureregels voor de beoordeling van het openbaar belang, waarbij de afwikkelingsautoriteit wordt verplicht alle buitengewone openbare financiële steun waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze aan de instelling in afwikkeling zal worden verstrekt, in aanmerking te nemen en te vergelijken met de buitengewone openbare financiële steun die in het contrafeitelijke scenario van insolventie zal worden verstrekt. Indien in het contrafeitelijke scenario van insolventie liquidatiesteun wordt verwacht, moet dit leiden tot een positieve uitkomst van de beoordeling van het openbaar belang (artikel 32, lid 5, tweede alinea).

De afwikkelingsdoelstelling in verband met de bescherming van deposanten wordt gewijzigd om te verduidelijken dat afwikkeling gericht moet zijn op de bescherming van deposanten, terwijl de verliezen voor depositogarantiestelsels tot een minimum moeten worden beperkt. Dit betekent dat de voorkeur moet worden gegeven aan afwikkeling wanneer insolventie duurder zou zijn voor het depositogarantiestelsel.

Procedurele wijzigingen van de vergelijking tussen afwikkeling en nationale insolventieprocedures

In het kader van de huidige BRRD moeten de afwikkelingsautoriteiten voor insolventie kiezen, tenzij met afwikkeling de afwikkelingsdoelstellingen beter zouden worden behaald. De huidige tekst van artikel 32, lid 5, bepaalt dat alleen voor afwikkeling wordt gekozen als de afwikkelingsdoelstellingen met een liquidatie van de instelling volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt. Om afwikkeling breder toe te passen, wordt artikel 32, lid 5, eerste alinea, gewijzigd, teneinde te verduidelijken dat nationale insolventieprocedures slechts de voorkeursstrategie moeten zijn wanneer de doelstellingen van het kader hiermee beter worden bereikt dan met afwikkeling (en niet in dezelfde mate). Insolventie blijft hiermee de standaardoptie, maar de wijziging zorgt voor een uitbreiding van de bewijslast voor afwikkelingsautoriteiten wanneer zij willen aantonen dat afwikkeling niet in het openbaar belang is. De beoordeling van het openbaar belang blijft echter een beslissing per geval die door de afwikkelingsautoriteit wordt genomen.

Gebruik van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling

Een fundamenteel beginsel van het huidige afwikkelingskader is dat de afwikkelingsfinanciering in de eerste plaats afkomstig moet zijn uit de interne middelen van de bank (haar kapitaal en andere passiva, met inbegrip van bepaalde categorieën deposito’s), die worden gebruikt om haar verliezen te dekken. Deze kunnen worden aangevuld met externe bronnen van financiering, dat wil zeggen 1) de regeling voor afwikkelingsfinanciering — maar pas nadat 8 % van het kapitaal en de passiva van de bank zijn gebruikt om haar verliezen te dekken — en 2) het depositogarantiestelsel — in plaats van gedekte deposanten tot het bedrag aan verlies dat zij zouden hebben geleden (indien het voor hen mogelijk was geweest om bij de afwikkeling verlies te maken). Voor bepaalde kleinere en middelgrote banken, met name banken die hoofdzakelijk zijn gefinancierd aan de hand van deposito’s, kan het erg lastig zijn om aan deze vereisten voor de toegang tot door de sector gefinancierde externe middelen te voldoen zonder de bail-in van deposito’s boven het dekkingsniveau en deposito’s die van dekking zijn uitgesloten. In bepaalde gevallen kan het lijden van verlies op deposito’s echter een brede besmetting en financiële instabiliteit veroorzaken, waarmee het risico op bankruns groter wordt, wat ook ernstige gevolgen kan hebben voor de reële economie.

Om een hogere mate van evenredigheid van het afwikkelingskader te waarborgen, de toepassing van overdrachtsinstrumenten bij afwikkeling voor kleinere en middelgrote banken die de markt zullen verlaten te verbeteren, en interventies van het depositogarantiestelsel te vergemakkelijken ter ondersteuning van dergelijke instrumenten indien nodig om verliezen voor deposanten te voorkomen, wordt artikel 109 dus gewijzigd om bepaalde aspecten van het gebruik van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling te verduidelijken. Het fundamentele beginsel dat de eerste lijn van verdediging van noodlijdende banken altijd het interne verliesabsorberende vermogen van de bank moet zijn, alsook de voorwaarden voor toegang tot de regeling voor afwikkelingsfinanciering, worden gehandhaafd. Artikel 109 verduidelijkt met name dat het depositogarantiestelsel kan worden gebruikt om overdrachtstransacties te ondersteunen die gedekte deposito’s omvatten en, onder bepaalde voorwaarden, ook in aanmerking komende deposito’s boven het dekkingsniveau en deposito’s die zijn uitgesloten van de DGS-garantie. De DGS-bijdrage moet een deel van of het volledige verschil tussen de waarde van de aan een koper of een overbruggingsinstelling overgedragen deposito’s en de waarde van de overgedragen activa dekken. Wanneer een bijdrage van de koper als onderdeel van de transactie nodig is om zijn kapitaalneutraliteit te waarborgen en de overeenstemming met de kapitaalvereisten van de koper in stand te houden, mag het depositogarantiestelsel hier ook aan bijdragen.

Om waardevermindering te voorkomen en te waarborgen dat het depositogarantiestelsel over voldoende middelen beschikt om de functies ervan te handhaven, blijven bepaalde grenzen gelden voor de bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling.

Enerzijds vereist artikel 109, lid 1, dat verliezen voor het depositogarantiestelsel als gevolg van een interventie in een afwikkeling niet hoger zijn dan de verliezen voor het depositogarantiestelsel bij insolventie, indien het daarbij de gedekte deposanten zou betalen en hun vorderingen zou subrogeren. Dit bedrag wordt door het depositogarantiestelsel bepaald op basis van de laagstekostentoets, in overeenstemming met de in de richtlijn depositogarantiestelsels vastgestelde criteria en methodologie voor een mogelijk gebruik van het depositogarantiestelsel. Dezelfde criteria en methodologie moeten ook worden gebruikt bij het bepalen van de behandeling die het depositogarantiestelsel zou hebben genoten indien voor de instelling een normale insolventieprocedure was ingeleid bij het uitvoeren van de waardering achteraf uit hoofde van artikel 74, teneinde te beoordelen of het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, is nageleefd en om te bepalen of een vergoeding aan het depositogarantiestelsel verschuldigd is.

Anderzijds mag het bedrag van de DGS-bijdrage niet hoger zijn dan een eventueel tekort in de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die aan de koper of overbruggingsinstelling zijn overgedragen in vergelijking met de waarde van de overgedragen deposito’s en passiva met dezelfde of een hogere rangorde bij insolventie dan die deposito’s. Hiermee moet worden gewaarborgd dat de bijdrage van het depositogarantiestelsel uitsluitend wordt gebruikt ter bescherming van deposanten, in voorkomend geval, en niet voor de bescherming van crediteuren die bij insolventie een lagere rangorde hebben dan deposito’s.

In artikel 109, lid 1, wordt daarnaast verduidelijkt dat het depositogarantiestelsel slechts kan bijdragen aan een transactie die alle deposito’s omvat indien de afwikkelingsautoriteit concludeert dat de in aanmerking komende deposito’s die het door het depositogarantiestelsel geboden dekkingsniveau overschrijden, evenals de deposito’s die van dekking zijn uitgesloten, tegen verliezen moeten worden beschermd en hiervoor geen bail-in kan plaatsvinden en deze niet in het resterende deel van de instelling in afwikkeling, dat zal worden geliquideerd, kunnen worden gelaten. Dit zou met name het geval zijn wanneer de uitsluiting strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om de continuïteit van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen te garanderen of wanneer deze noodzakelijk is om te voorkomen dat een wijdverbreide besmetting of financiële instabiliteit ontstaat, wat de economie van de Unie of een lidstaat ernstig zou verstoren. Om de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregelingen te waarborgen wanneer dit nodig is voor de uitvoering van een overdrachtsstrategie, is in artikel 109, lid 2 ter, bepaald dat de DGS-bijdragen bij afwikkeling moeten meetellen voor de eis van 8 % aan totale passiva en eigen vermogen van de instelling (TLOF) voor de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregeling. Indien de bijdrage van aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling door middel van verlagingen, afwaarderingen of de omzetting van hun passiva, opgeteld bij de bijdrage van het depositogarantiestelsel, ten minste 8 % van de totale passiva, met inbegrip van de eigen middelen, van de instelling vormt, kan de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsfinancieringsregeling gebruiken om de afwikkelingsmaatregel te financieren, wat ertoe moet leiden dat de falende instelling de markt verlaat. Om te waarborgen dat het MREL de eerste verdedigingslinie blijft en om het gelijke speelveld in stand te houden, mag dit alleen mogelijk zijn voor instellingen waarvoor in het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan niet is voorzien in de ordelijke liquidatie in het geval van falen, gezien het feit dat het MREL van deze instellingen is vastgesteld op een niveau dat zowel de verliesabsorptie- als de herkapitalisatiebedragen omvat.

Het gebruik van DGS-middelen om de toegang tot regelingen voor afwikkelingsfinanciering mogelijk te maken, zal naar verwachting geen gevolgen hebben voor de stimulansen voor instellingen om het MREL na te leven. Dit komt doordat de stimulansen om het MREL na te leven in de governance van het kader zijn ingebouwd. De afwikkelingsautoriteiten kalibreren de MREL-vereisten voor alle instellingen met afwikkelingsstrategieën, met inbegrip van, in voorkomend geval, kleinere en middelgrote instellingen, in overeenstemming met de bestaande wettelijke bepalingen, en pakken niet-naleving aan de hand van diverse maatregelen. De verplichting van instellingen om hun MREL-vereiste en -capaciteit openbaar te maken, die vanaf 2024 zal gelden (op grond van de huidige regels), zal de marktdiscipline en de naleving versterken. Bovendien zal het gebruik van het depositogarantiestelsel om de toegang tot de afwikkelingsfinancieringsregeling te vereenvoudigen alleen mogelijk zijn voor overdrachtsstrategieën met het verlaten van de markt en per geval, waar gemotiveerd door de afwikkelingsautoriteiten. Omdat de gefaalde instelling de markt na de afwikkeling zal verlaten wanneer DGS-middelen worden gebruikt, wordt met dit mechanisme dus feitelijk voorkomen dat er sprake is van eventuele voordelen ten aanzien van de MREL-kalibratie of het gebruik van DGS-middelen ten opzichte van andere instellingen die hun activiteiten na de herstructurering zouden voortzetten. Belangrijk is dat er een moreel risico bestaat als gevolg van de mogelijkheid van subsidies buiten afwikkeling, in de vorm van overheidsmiddelen bij insolventie. Door een geloofwaardigere toepassing van afwikkeling mogelijk te maken door middel van het gebruik van het depositogarantiestelsel in specifieke gevallen, moet met de hervorming het gebruik van belastinggeld — wat gevolgen kan hebben voor de ex-antemarktverwachtingen — worden ontmoedigd, wat resulteert in meer marktdiscipline en een verminderd moreel risico. Tot slot is het gebruik van de DGS-bijdrage voor de naleving van de TLOF-drempel van 8 % voor de toegang tot afwikkelingsfinancieringsregelingen beperkt tot instellingen waarvoor het MREL is vastgesteld (dat wil zeggen instellingen en entiteiten die niet als liquidatie-entiteiten zijn aangemerkt) en omvat dit zowel de verliesabsorptie- als de herkapitalisatiecomponenten, in het licht van het feit dat het respectievelijke afwikkelingsplan of groepsafwikkelingsplan niet voorziet in liquidatie in het geval van falen.

Voorrangsregel voor deposanten

Met de huidige bewoording van artikel 108, lid 1, BRRD wordt een voorrangsregel voor deposanten met drie niveaus gecreëerd in de hiërarchie van de vorderingen. In het artikel is bepaald dat gedekte deposito’s en DGS-vorderingen een zogenaamde “superpreferentie” moeten hebben in de rangorde van crediteuren in het insolventierecht van de lidstaten, in verhouding tot niet-gedekte, preferente deposito’s (het deel van de in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en kmo’s dat het dekkingsniveau van 100 000 EUR overschrijdt). De laatstgenoemden moeten een hogere rang hebben dan de vorderingen van gewone concurrente schuldeisers.

De BRRD zwijgt momenteel over de rangorde van de overige deposito’s, dat wil zeggen niet-gedekte, niet-preferente (dat wil zeggen deposito’s van andere bedrijven dan kmo’s met een dekkingsniveau van meer dan 100 000 EUR) en uitgesloten deposito’s (die, op grond van het huidige kader, deposito’s van overheden, entiteiten van de financiële sector en pensioenfondsen omvatten). In de meeste lidstaten hebben de niet-gedekte, niet-preferentie deposito’s dezelfde rang in de insolventierangorde als gewone niet-gedekte vorderingen, waaronder schuldinstrumenten van hogere rang die vallen onder het MREL (deel A van de onderstaande figuur), terwijl deze in een minderheid van lidstaten reeds een hogere rang hebben dan gewone niet-gedekte vorderingen (deel B van de onderstaande figuur).

De superpreferentie van het depositogarantiestelsel in het huidige kader (dat wil zeggen dat de rang ervan hoger is dan de rang van vorderingen van deposanten die niet gedekt zijn) heeft gevolgen voor de resultaten van de laagstekostentoets op een wijze dat de DGS-middelen bijna nooit buiten de uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie kunnen worden gebruikt, omdat het depositogarantiestelsel een volledig herstel of het herstel van een heel groot deel van de middelen zou verwachten die gebruikt zijn voor het terugbetalen van de gedekte deposito’s.

Het gebrek aan een algemene voorrangsregel voor deposanten (dat wil zeggen dat alle deposito’s een hogere rang hebben dan gewone, niet-gedekte vorderingen) in sommige lidstaten leidt echter tot een ongelijk speelveld en potentiële belemmeringen voor de afwikkeling in een grensoverschrijdende context en kan leiden tot inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, waarbij het, om redenen van financiële stabiliteit, noodzakelijk is om niet-gedekte deposito’s van verliezen uit te sluiten.

Om het gebruik van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling te vereenvoudigen, op grond van de waarborg van de laagstekostentoets, indien dit noodzakelijk is om de financiële stabiliteit te handhaven en deposanten te beschermen, alsook om belemmeringen voor afwikkeling weg te nemen, wordt artikel 108, lid 1, gewijzigd om een algemene voorrangsregel voor deposanten in te voeren, met een rangorde met één niveau. Dit zou aan de hand van twee wijzigingen worden gerealiseerd. Ten eerste wordt de wettelijke voorrang in het insolventierecht van de lidstaten, die door de BRRD wordt vereist ten opzichte van gewone, niet-gedekte vorderingen, uitgebreid tot alle deposito’s. Dit houdt in dat alle deposito’s, met inbegrip van in aanmerking komende deposito’s van grote corporaties en uitgesloten deposito’s, een hogere rang krijgen dan gewone, niet-gedekte vorderingen. Ten tweede wordt de relatieve rangorde tussen de verschillende categorieën deposito’s vervangen door een voorrangsregel voor deposanten met één niveau, waarbij de superpreferentie van het depositogarantiestelsel/de gedekte deposito’s wordt geschrapt en waarbij alle deposito’s in gelijke rang (pari passu) komen (dat wil zeggen op hetzelfde niveau ten opzichte van elkaar) en een hogere rang krijgen dan gewone, niet-gedekte vorderingen.



Gestileerd overzicht van de insolventierangorde van schuldeisers onder het huidige kader (voorrangsregel voor deposanten met drie niveaus) en na de voorgestelde hervorming (algemene voorrangsregel voor deposanten met één niveau)

Bron: Personeel van de Commissie.

Zoals blijkt uit de effectbeoordeling zou een voorrangsregel voor deposanten met één niveau geen afbreuk doen aan de bescherming die gedekte deposanten momenteel genieten, die uit hoofde van de DGSD altijd verzekerd zijn in het geval dat hun rekeningen niet meer beschikbaar zijn en die verplicht worden uitgesloten van verliezen bij afwikkeling (artikel 44, lid 2, BRRD). Met de hogere preferente rang van de DGS-vorderingen wordt veeleer de bankensector beschermd, die bijdragen aan het depositogarantiestelsel betaalt. Vanuit het oogpunt van de bankensector zelf leidt de hogere rang van het depositogarantiestelsel er echter niet noodzakelijkerwijs toe dat het depositogarantiestelsel minder vaak moet worden aangevuld, gezien het feit dat deze hogere rang zou leiden tot een toename van het gebruik van DGS-middelen voor uitbetaling ten opzichte van overdrachtsstrategieën bij afwikkeling. Dit is het geval omdat een uitbetaling vereist dat de beschikbare DGS-middelen worden gebruikt om het brutobedrag aan gedekte deposito’s te dekken en er sprake is van een tijdsverschil tussen de uitbetaling en het herstel in soms lange insolventieprocedures, evenals een verlies van de waarde van de activa van de franchise.

Daarnaast blijkt met betrekking tot het argument van kostenefficiëntie in verband met het gebruik van DGS-middelen in afwikkeling ten opzichte van de kosten van de uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie uit empirisch bewijs waarnaar in de effectbeoordeling wordt verwezen 21 dat het uitbetalen van gedekte deposito’s de financiële middelen van het depositogarantiestelsel snel kan uitputten (zelfs wanneer dit volledig gevuld is) of dat, in sommige gevallen, met de financiële middelen van het depositogarantiestelsel geen uitbetaling kan worden ondersteund wanneer het bedrag van de gedekte deposito’s significant is. In dit opzicht moet met de CMDI-evaluatie een goedkoper, kostenefficiënter alternatief gebruik van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling mogelijk worden gemaakt, in vergelijking met de kosten van de DGS-uitbetaling bij insolventie, om een overdracht van activa en passiva (met inbegrip van deposito’s) te ondersteunen, gevolgd door het verlaten van de markt. Zie de effectbeoordeling voor een uitgebreide analyse (ook door de EBA in haar antwoord op het verzoek om advies van de Commissie van oktober 2021). 

Voorwaarden voor het verstrekken van buitengewone openbare financiële steun

Om ervoor te zorgen dat overheidsmiddelen in de vorm van buitengewone openbare financiële steun niet worden gebruikt om instellingen of entiteiten te steunen die niet financieel levensvatbaar zijn, moet worden voorzien in strikte voorwaarden voor het verstrekken van dergelijke steun en de vorm waarin deze kan worden verstrekt. De bestaande regels voorzien in zekere beperkingen, maar zijn onvoldoende precies. Buitengewone openbare financiële steun buiten afwikkeling moet worden beperkt tot gevallen van preventieve herkapitalisatie, preventieve maatregelen van het depositogarantiestelsel gericht op het in stand houden van de financiële soliditeit en levensvatbaarheid van kredietinstellingen op de lange termijn, maatregelen van het depositogarantiestelsel om de toegang van deposanten te handhaven en andere vormen van steun die wordt verleend in het kader van liquidatieprocedures. Het verlenen van buitengewone openbare financiële steun in andere situaties buiten afwikkeling mag niet worden toegestaan en moet ertoe leiden dat de instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen.

Preventieve herkapitalisatie

Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de buitengewone openbare financiële steun die wordt verleend in de vorm van preventieve herkapitalisatie. De toegestane vormen van preventieve maatregelen waarin buiten afwikkeling wordt voorzien en die gericht zijn op de herkapitalisatie van de betrokken entiteit moeten duidelijker worden vastgesteld. De toegekende maatregelen moeten tijdelijk van aard zijn, omdat hiermee negatieve gevolgen van externe schokken moeten worden aangepakt en zij niet worden gebruikt om intrinsieke tekortkomingen, bijvoorbeeld in verband met een verouderd bedrijfsmodel, te compenseren. Het gebruik van perpetuele instrumenten, zoals tier 1-kernkapitaal, moet een uitzondering worden en slechts mogelijk zijn wanneer andere vormen van kapitaalinstrumenten niet toereikend zouden zijn. Een dergelijke wijziging is noodzakelijk om te waarborgen dat de steun tijdelijk van aard blijft. Sterkere en uitdrukkelijkere vereisten inzake de voorafgaande bepaling van de duur en de exitstrategie voor de preventieve maatregelen zijn ook nodig. De entiteit die steun ontvangt, moet op het moment dat de maatregelen worden toegepast, solvent zijn, dat wil zeggen dat door de bevoegde autoriteit is vastgesteld dat zij geen inbreuk maakt op de toepasselijke kapitaalvereisten en dit in de komende twaalf maanden waarschijnlijk niet zal doen. Indien de voorwaarden voor de steunverlening niet worden nageleefd, moet de entiteit die de steun ontvangt worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen.

Artikel 32 ter en verlaten van de markt

Ongeacht een potentiële uitbreiding van het gebruik van afwikkeling, zal de afwikkeling van sommige EU-banken niet in het openbaar belang zijn. In dergelijke gevallen moet de bank worden geliquideerd in overeenstemming met het interne recht. De toepasselijke nationale regels lopen sterk uiteen tussen de EU-lidstaten, zowel wat betreft de voorwaarden voor de inleiding van een procedure als de structuur van de procedure zelf. In sommige lidstaten zou de bank gewoon insolvent worden, terwijl er in andere lidstaten een speciale insolventie- of liquidatieregeling voor banken bestaat of verschillende procedures beschikbaar zijn, die er niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen toe leiden dat de bank de markt verlaat. De voorwaarden voor de inleiding van nationale insolventieprocedures zijn bovendien niet altijd afgestemd op de bepaling van het falen of waarschijnlijke falen in het kader van de BRRD. Dit kan tot onzekerheid leiden over de vraag of insolventieprocedures kunnen worden gestart (zogenaamde “onzekere situaties”) of de vraag of de procedure leidt tot een duidelijke uitkomst wat betreft het waarborgen dat de bank de markt verlaat.

Om dergelijke situaties aan te pakken, werd in het bankenpakket van 2019 artikel 32 ter ingevoerd, dat de lidstaten ertoe verplicht een ordelijke liquidatie te waarborgen in overeenstemming met het toepasselijke interne recht inzake falende banken die niet worden afgewikkeld op grond van een negatieve beoordeling van het openbaar belang. De uitvoering van deze bepalingen in de nationale rechtskaders is echter niet toereikend om alle restrisico’s dat falende instellingen de markt niet verlaten, aan te pakken. Er is met name nog steeds onzekerheid over welke procedure in deze gevallen van toepassing moet zijn, en met name of slechts normale insolventieprocedures van toepassing moeten zijn of ook eventuele andere nationale procedures van toepassing kunnen zijn.

Om de bestaande inconsistenties en onzekerheid in de lidstaten op te lossen, wordt artikel 32 ter daarom gewijzigd met het oog op een betere omkadering en meer duidelijkheid en om te waarborgen dat de toepasselijke nationale procedures ertoe leiden dat de bank de markt binnen een redelijke termijn verlaat. De wijzigingen zijn niet gericht op en leiden niet tot de harmonisatie van de nationale insolventieregels en er wordt op nationaal niveau een beoordelingsruimte in stand gehouden voor de manier waarop dit verlaten van de markt moet plaatsvinden (dat wil zeggen door middel van een verkoop of op andere wijze).

In dit verband wordt ook voorgesteld om de rol van de intrekking van de licentie van de bank te versterken wanneer deze faalt of waarschijnlijk zal falen en hierop geen afwikkeling volgt. De nieuwe bepaling van artikel 32 ter, lid 3, verleent aan de toezichthouder de bevoegdheid om de licentie enkel op basis van de vaststelling van het falen of waarschijnlijke falen in te trekken, waarbij de intrekking vervolgens een toereikende voorwaarde voor de desbetreffende nationale administratieve of gerechtelijke autoriteiten is om onverwijld de toepasselijke nationale liquidatieprocedure in te leiden.

Wijzigingen in verband met het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL)

MREL voor overdrachtsstrategieën

Als onderdeel van de planning van de afwikkeling definiëren de afwikkelingsautoriteiten de voorkeurs- en alternatieve afwikkelingsstrategieën en bereiden zij de toepassing van de relevante instrumenten voor om de doeltreffende uitvoering ervan te waarborgen. Voor grote en complexe instellingen zijn bail-ins van open banken naar verwachting over het algemeen het afwikkelingsinstrument dat de voorkeur heeft, waarbij de eigen middelen en in aanmerking komende passiva worden afgeschreven en omgezet om verliezen te absorberen en om de bank na de afwikkeling te herkapitaliseren.

Bepaalde kleinere en middelgrote instellingen met bedrijfsmodellen die hoofdzakelijk gebaseerd zijn op financiering aan de hand van eigen kapitaal en deposito’s kunnen tegelijkertijd in aanmerking komen voor overdrachtsstrategieën, het volledige bedrijf of delen ervan worden verkocht aan een koper of een overbruggingsinstelling en hierbij onrendabele activa worden overgedragen aan een vehikel voor activabeheer en de markt wordt verlaten.

Zoals reeds voorzien in het huidige kader, moet het niveau van het MREL de afwikkelingsstrategie weerspiegelen die de voorkeur heeft. De bestaande bepaling van artikel 45 quater is gericht op de MREL-kalibratie voor bail-instrategieën (vereiste voor het verliesabsorptie- en herkapitalisatiebedrag, met gedetailleerde regels voor de manier waarop deze moet worden aangepast en voor de achterstellingsvereisten die hoofdzakelijk gericht zijn op het waarborgen van de naleving van het TLOF-vereiste van 8 %). Terwijl de mogelijkheid om andere afwikkelingsinstrumenten dan bail-in te gebruiken, wordt erkend, regelt de huidige BRRD de MREL-kalibratie voor overdrachtsstrategieën niet in detail. Dit leidt in de praktijk tot rechtsonzekerheid en de toepassing van uiteenlopende methoden door de afwikkelingsautoriteiten bij het vaststellen van het MREL voor dergelijke strategieën.

Daarom moet worden voorzien in een duidelijkere rechtsgrondslag voor het onderscheiden van de MREL-kalibratie voor overdrachtsstrategieën en de MREL-kalibratie voor bail-in, ook met het ook op de evenredigheid en de consistente toepassing. In dit opzicht en ook rekening houdend met de huidige praktijken van de afwikkelingsautoriteiten, wordt een nieuw artikel 45 quater bis ingevoegd, waarin de beginselen uiteen worden gezet die in aanmerking moeten worden genomen bij de kalibratie van het MREL voor overdrachtsstrategieën — omvang, bedrijfsmodel, risicoprofiel, analyse van de overdraagbaarheid, verhandelbaarheid, of de strategie de overdracht van activa inhoudt of aandelenverkoop en het aanvullende gebruik van een vehikel voor activabeheer voor aandelen die niet kunnen worden overgedragen.

Met de wijzigingen wordt het beginsel versterkt dat het MREL de eerste en belangrijkste lijn van verdediging moet blijven voor alle banken, met inbegrip van banken waarvoor een overdrachtsstrategie met het verlaten van de markt zal worden toegepast, om te waarborgen dat verliezen optimaal worden geabsorbeerd door aandeelhouders en crediteuren.

Raming van het gecombineerde buffervereiste in het geval van een verbod op bepaalde uitkeringen

Om een bestaande tekortkoming ten aanzien van de juridische duidelijkheid van het huidige kader aan te pakken met betrekking de bevoegdheid van de afwikkelingsautoriteiten om bepaalde uitkeringen te verbieden wanneer een entiteit niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste in verband met haar MREL, en met name wanneer het gecombineerde buffervereiste (op grond van artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU) niet op dezelfde basis als het MREL voor de entiteit geldt, wordt aan artikel 16 bis een nieuw lid 7 toegevoegd om te verduidelijken dat de bevoegdheid om bepaalde uitkeringen te verbieden, moet worden toegepast op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste die voortvloeit uit de gedelegeerde handeling uit hoofde van artikel 45 quater, lid 4, waarin de methode wordt gespecificeerd die de afwikkelingsautoriteiten moeten gebruiken om het gecombineerde buffervereiste in dergelijke omstandigheden te ramen.

De-minimisvrijstelling van bepaalde MREL-vereisten

Uit hoofde van de MREL-regels van de BRRD vallen structureel achtergestelde passiva als bedoeld in artikel 72 ter, lid 2, punt d), iii), RKV onder de definitie van “achtergestelde in aanmerking komende instrumenten”, die overal in artikel 45 ter BRRD wordt gebruikt. Passiva die op grond van de RKV in aanmerking mogen komen voor de de-minimisvrijstelling van artikel 72 ter, lid 4, RKV zijn echter geen “achtergestelde in aanmerking komende instrumenten” uit hoofde van de BRRD, omdat lid 4 van artikel 72 ter, RKV uitdrukkelijk is uitgesloten van de definitie van artikel 2, lid 1, punt 71 ter, BRRD.

Om deze inconsistentie te verhelpen, wordt een nieuw lid toegevoegd aan artikel 45 ter BRRD, dat de afwikkelingsautoriteiten de mogelijkheid biedt om af te wikkelen entiteiten toe te staan de MREL-achterstellingsvereisten na te leven met gebruik van niet-achtergestelde passiva wanneer aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 4, RKV is voldaan.

Om de afstemming op het TLAC-kader te waarborgen, mag het MREL-achterstellingsvereiste van af te wikkelen entiteiten die profiteren van de de-minimisvrijstelling niet naar beneden worden bijgesteld met een bedrag dat gelijk is aan het TREA-percentage van 3,5 % voor het TLAC, in overeenstemming met artikel 45 ter, lid 4, eerste alinea, tweede zin, BRRD.

Voorwaardelijke verplichtingen

Het voorstel verduidelijkt ook de status van voorwaardelijke verplichtingen en voorzieningen met het oog op de planning en uitvoering van de afwikkeling. Met de wijzigingen wordt rekening gehouden met de internationale standaard voor jaarrekeningen 37 (IFRS 37), “Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa”, en worden verwijzingen ingevoerd naar i) voorzieningen (passiva van een onzekere omvang en met een onzeker tijdstip) en ii) voorwaardelijke verplichtingen (mogelijke verplichtingen die van onzekere toekomstige gebeurtenissen afhangen, of bestaande verplichtingen waarbij betaling onwaarschijnlijk is of het bedrag van de waarschijnlijke betaling niet op een betrouwbare manier kan worden vastgesteld). De twee categorieën verschillen wat betreft de kans op het moeten doen van een betaling en voorzieningen moeten als passiva worden behandeld, terwijl voorwaardelijke verplichtingen niet als zodanig zouden worden behandeld. Vanuit afwikkelingsperspectief betekent dit dat voorzieningen die zijn erkend in principe bail-inbaar moeten zijn, terwijl een bail-in van voorwaardelijke verplichtingen vanwege hun onzekere aard onwaarschijnlijk is.

Bijdragen en onherroepelijke betalingstoezeggingen

Om rekening te houden met het einde van de initiële periode voor de opbouw van afwikkelingsfinancieringsregelingen en de daaruit voortvloeiende verlaging van het bedrag aan regelmatige vooraf te betalen bijdragen, worden in de artikelen 102 en 104 technische wijzigingen aangebracht om het maximumbedrag van de achteraf te betalen bijdragen die kunnen worden geïnd, los te koppelen van het bedrag van de regelmatige vooraf te betalen bijdragen, zodat een onevenredig laag plafond voor achteraf te betalen bijdragen wordt vermeden en een uitstel van de inning van regelmatige vooraf te betalen bijdragen mogelijk wordt gemaakt indien de kosten van een jaarlijkse inning niet in verhouding zouden staan tot het te innen bedrag. De behandeling van onherroepelijke betalingstoezeggingen wordt ook verduidelijkt in artikel 103, zowel wat betreft het gebruik hiervan bij afwikkeling als wat betreft de te volgen procedure in het geval een instelling of entiteit niet langer verplicht is om bijdragen te betalen.

Om te zorgen voor meer transparantie en zekerheid met betrekking tot het aandeel onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag aan vooraf te betalen bijdragen dat moet worden geïnd, wordt verduidelijkt dat de afwikkelingsautoriteiten een dergelijk aandeel jaarlijks moeten bepalen, in overeenstemming met de toepasselijke grenzen.

Taken voor de EBA

De afwikkelingsautoriteiten hebben in de afgelopen jaren een brede reeks beleidsmaatregelen ontwikkeld en uitgevoerd om de afwikkelbaarheid van banken te verbeteren en te zorgen voor een toereikend niveau van voorbereiding bij het gebruik van afwikkelingsinstrumenten en bevoegdheden in het geval van afwikkeling. De EBA heeft gemeenschappelijke normen ontwikkeld om de bepalingen van de BRRD aan te vullen en de praktijken van autoriteiten in de hele Unie te harmoniseren.

Om te waarborgen dat de toepasselijke normen geschikt blijven en dat nieuwe normen waar passend worden vastgesteld, worden nieuwe rollen en taken aan de EBA toegewezen, om verslag uit te brengen over de bestaande praktijken, de overeenstemming te bevorderen en een hoog niveau van bereidheid onder de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten aan te moedigen. Er worden nieuwe taken voor de EBA ingevoerd om de acties van de afwikkelingsautoriteiten te monitoren, teneinde een doeltreffende uitvoering van het kader te waarborgen en mogelijke verschillen tussen de lidstaten op het gebied van afwikkelbaarheidsbeoordelingen en de operationalisering van afwikkelingsinstrumenten en bevoegdheden te beoordelen. Daarnaast wordt een nieuwe rol voor de EBA ingevoerd om de overeenstemming en uitwisseling tussen bevoegde en afwikkelingsautoriteiten te bevorderen aan de hand van de coördinatie van Uniebrede oefeningen voor het testen van de toepassing van het kader bij herstel en afwikkeling.

Bovendien wordt de EBA, in het licht van de meerdere nationale opties waarover de lidstaten op grond van artikel 44 bis beschikken, gevraagd om verslag uit te brengen over de toepassing van dat artikel, waarbij de manieren waarop het in de lidstaten wordt toegepast, worden vergeleken en de impact van eventuele verschillen op grensoverschrijdende activiteiten wordt geanalyseerd.

Tot slot is uit de praktijk gebleken dat, omdat instellingen en entiteiten eventueel het interne MREL op individuele of geconsolideerde basis moeten naleven, de aanvullende vereisten voor eigen middelen en het gecombineerde buffervereiste van de RKV in sommige situaties niet op dezelfde basis worden vastgesteld als het interne MREL. Daarom moeten de bestaande technische reguleringsnormen inzake de raming van de aanvullende vereisten voor eigen middelen en het gecombineerde buffervereiste, die bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie 22 zijn goedgekeurd, worden uitgebreid, zodat deze niet alleen van toepassing zijn op de afwikkelingsautoriteiten, maar ook op entiteiten die niet als afwikkelingsautoriteiten zijn aangemerkt. De taak van de EBA, zoals bedoeld in artikel 45 quater, lid 4, wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Overige bepalingen

Om de administratieve lasten voor instellingen te beperken wat betreft verplichtingen om de herstelplannen jaarlijks te actualiseren, wordt aan artikel 5, lid 2, een derde alinea toegevoegd, waarin wordt bepaald dat het aan toezichthouders is om ontheffing te verlenen van de verplichting om bepaalde delen van het plan voor een bepaalde cyclus bij te werken wanneer er geen sprake is van wijzigingen in de wettelijke of organisatorische structuur van de instelling, haar activiteiten of haar financiële situatie.

Op grond van de huidige tekst van de BRRD, gaan de herstelplannen niet uit van toegang tot of ontvangst van buitengewone openbare financiële steun. De regel van artikel 5, lid 3, wordt aangevuld om te bepalen dat de herstelplannen, naast de openbare financiële steun, niet uitgaan van de toegang tot of ontvangst van noodliquiditeitssteun van een centrale bank of liquiditeitssteun van een centrale bank die wordt verleend onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd en rentevoet.

De afwikkelingsautoriteiten moeten maatregelen vaststellen die bij het opstellen van groepsafwikkelingsplannen ten aanzien van groepsentiteiten moeten worden genomen. De intensiteit en mate van gedetailleerdheid van deze werkzaamheden met betrekking tot dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, kunnen uiteenlopen naargelang de omvang en het risicoprofiel van de betrokken instellingen en entiteiten, de aanwezigheid van kritieke functies en de groepsafwikkelingsstrategie. De BRRD wordt dus gewijzigd met de invoering van een nieuwe alinea in artikel 12, lid 1, die de afwikkelingsautoriteiten zal toestaan om, waar passend, bij de uitvoering van deze taak een vereenvoudigde benadering toe te passen.

Verduidelijkingen van artikel 44, lid 7

De huidige bepaling van artikel 44, lid 7, is onduidelijk wat betreft de voorwaarde voor en de volgorde van het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregeling en alternatieve financieringsbronnen na het verstrekken van een initiële financiering van tot 5 % van de TLOF-grens en nadat alle concurrente, niet-preferente passiva, met uitzondering van in aanmerking komende deposito’s, volledig zijn afgeschreven of omgezet. Artikel 44, lid 7, wordt derhalve gewijzigd om te zorgen voor juridische duidelijkheid en een aanvullende flexibiliteit om het afwikkelingsfonds te gebruiken voor meer dan 5 % van de TLOF. 

Afwikkelingscolleges

Om te zorgen voor afstemming op artikel 51, lid 3, van Richtlijn (EU) 2013/36, dat voorziet in de oprichting van colleges van toezichthouders door de bevoegde autoriteiten die het toezicht op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten uitoefenen, teneinde de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de toezichthouders van de thuis- en de gastlidstaat te vereenvoudigen, wordt aan artikel 88 BRRD een nieuw lid 6 bis toegevoegd, dat voorziet in de oprichting van afwikkelingscolleges in deze gevallen, om de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de afwikkelingsautoriteiten van de thuis- en de gastlidstaat te vereenvoudigen.

Rangorde van vorderingen van de afwikkelingsfinancieringsregeling

In artikel 37, lid 7, is bepaald dat met de afwikkelingsfinancieringsregeling redelijke uitgaven die rechtmatig zijn gedaan in verband met het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten of de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden kunnen worden teruggekregen van de instelling in afwikkeling als preferente crediteur. In de BRRD werd echter de relatieve rang van de afwikkelingsfinancieringsregeling ten opzichte van andere preferente crediteuren niet gespecificeerd. Het nieuwe lid 9, dat aan artikel 108 wordt toegevoegd, verduidelijkt dat dergelijke vorderingen van de afwikkelingsfinancieringsregeling een hogere rang moeten hebben dan de vorderingen van deposanten en depositogarantiestelsels.

De afwikkelingsfinancieringsregeling kan bovendien voor de in artikel 101 vastgestelde doeleinden bij afwikkeling worden gebruikt. In de BRRD is tot nu toe niet gespecificeerd of een dergelijk gebruik een vordering ten gunste van de afwikkelingsfinancieringsregeling oplevert en zo ja, wat dit betekent voor de rang in de insolventierangorde van een dergelijke vordering. Aan artikel 108 wordt een nieuw lid 8 toegevoegd, waarin wordt gespecificeerd dat, wanneer de activiteiten van de instelling in afwikkeling gedeeltelijk worden overgedragen aan een overbruggingsinstelling of een particuliere koper met steun van de afwikkelingsfinancieringsregeling, deze een vordering moet hebben op de resterende entiteit. Het bestaan van een dergelijke vordering moet per geval worden beoordeeld, afhankelijk van de afwikkelingsstrategie en de manier waarop de afwikkelingsfinancieringsregeling concreet is gebruikt, maar moet verband houden met het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregeling om verliezen op te vangen in plaats van crediteuren, zoals wanneer de regeling wordt gebruikt om activa en passiva te garanderen die aan een ontvanger zijn overgedragen of om het verschil tussen de overgedragen activa en passiva te dekken.

Wanneer de afwikkelingsfinancieringsregeling wordt gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van bail-in als primaire afwikkelingsstrategie (artikel 43, lid 2, punt a)), in plaats van de afschrijving en omzetting van de passiva van bepaalde crediteuren, mag dit geen vordering op de instelling in afwikkeling opleveren, aangezien hiermee het doel van de bijdrage van de afwikkelingsfinancieringsregeling zou worden weggenomen. Vergoedingen die worden betaald als gevolg van een inbreuk op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, mogen evenmin een vordering ten gunste van de afwikkelingsfinancieringsregeling opleveren.

Uitwisseling van informatie

Artikel 128 wordt gewijzigd om de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken, de EBA, de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te bieden om de Commissie te voorzien van alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken in verband met beleidsontwikkeling.

2023/0112 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de financiering van afwikkelingsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank 23 ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 24 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het afwikkelingskader van de Unie voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (“instellingen”) is opgezet in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis van 2008-2009 en naar aanleiding van de internationaal onderschreven Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions 25 van de Raad voor financiële stabiliteit. Het afwikkelingskader van de Unie bestaat uit Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad 26 en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad 27 . Beide handelingen zijn van toepassing op in de Unie gevestigde instellingen en op eventuele andere entiteiten die onder het toepassingsgebied van die richtlijn of die verordening vallen (“entiteiten”). Het afwikkelingskader van de Unie is gericht op de ordelijke behandeling van het falen van instellingen en entiteiten, door de kritieke functies van instellingen en entiteiten in stand te houden en gevaren voor de financiële stabiliteit af te wenden, terwijl tegelijkertijd deposanten en de overheidsmiddelen worden beschermd. Daarnaast wordt met het afwikkelingskader van de Unie beoogd de ontwikkeling van de interne markt voor bankzaken te bevorderen, door een geharmoniseerde regeling te ontwikkelen voor de gecoördineerde aanpak van grensoverschrijdende crises en door problemen in verband met verstoringen van de mededinging en risico’s op ongelijke behandeling te vermijden.

(2)Het afwikkelingskader van de Unie wordt inmiddels verscheidene jaren uitgevoerd, maar levert in zijn huidige vorm niet de beoogde resultaten op ten aanzien van enkele van deze doelstellingen. Meer in het bijzonder wordt het afwikkelingskader van de Unie weinig gebruikt, ondanks het feit dat instellingen en entiteiten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar afwikkelbaarheid en hiervoor aanzienlijke middelen hebben toegewezen, met name door middel van de opbouw van de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit en de opvulling van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Het falen van bepaalde kleinere en middelgrote instellingen en entiteiten wordt in plaats daarvan hoofdzakelijk afgehandeld met gebruik van niet-geharmoniseerde nationale maatregelen. Hiervoor wordt belastinggeld gebruikt, in plaats van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Die situatie lijkt het gevolg te zijn van ontoereikende stimulansen. Deze ontoereikende stimulansen vloeien voort uit de wisselwerking tussen het afwikkelingskader van de Unie en de nationale regels, waarbij de brede beoordelingsruimte bij de beoordeling van het openbaar belang niet altijd op een wijze wordt gebruikt waarin tot uiting komt hoe het afwikkelingskader van de Unie moet worden toegepast. Het afwikkelingskader van de Unie werd bovendien weinig gebruikt als gevolg van de risico’s voor deposanten van instellingen met depositofinanciering op het dragen van verliezen om ervoor te zorgen dat deze instellingen bij afwikkeling toegang hebben tot externe financiering, met name bij gebrek aan andere bail-inbare passiva. Tot slot heeft het feit dat voor de toegang tot financiering buiten afwikkeling minder strenge regels gelden dan voor de toegang tot financiering bij afwikkeling ertoe geleid dat de toepassing van het afwikkelingskader van de Unie werd ontmoedigd ten gunste van andere oplossingen, waarbij vaak belastinggeld wordt gebruikt in plaats van de eigen middelen van de instelling of entiteit, of door de sector gefinancierde vangnetten. Deze situatie leidt vervolgens tot een risico op versnippering, een risico op niet-optimale uitkomsten bij het beheer van het falen van instellingen en entiteiten, met name in het geval van kleinere of middelgrote instellingen en entiteiten, en alternatieve kosten als gevolg van ongebruikte financiële middelen. Het is daarom noodzakelijk om een doeltreffender en samenhangender toepassing van het afwikkelingskader van de Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat dit kan worden toegepast wanneer dit in het openbaar belang is, ook voor bepaalde kleinere en middelgrote instellingen die hoofdzakelijk met deposito’s worden gefinancierd en die niet over voldoende andere bail-inbare passiva beschikken.

(3)De intensiteit en de mate van gedetailleerdheid van de noodzakelijke planningswerkzaamheden voor de afwikkeling met betrekking tot dochterondernemingen die niet als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, lopen uiteen naargelang de omvang en het risicoprofiel van de betrokken instellingen en entiteiten, de aanwezigheid van kritieke functies en de groepsafwikkelingsstrategie. De afwikkelingsautoriteiten moeten die factoren derhalve in aanmerking kunnen nemen bij het vaststellen van de maatregelen die ten aanzien van dergelijke dochterondernemingen moeten worden genomen en, waar passend, een vereenvoudigde benadering toepassen.

(4)Een instelling of entiteit die op grond van het interne recht wordt geliquideerd naar aanleiding van een vaststelling dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen en een conclusie van de afwikkelingsautoriteit dat de afwikkeling van deze instelling of entiteit niet in het openbaar belang is, zal uiteindelijk de markt verlaten. Dit houdt in dat geen plan nodig is voor maatregelen die in het geval van falen moeten worden genomen, ongeacht of de bevoegde autoriteit de vergunning van de betrokken instelling of entiteit reeds heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een resterend deel van een instelling in afwikkeling na de overdracht van activa, rechten en passiva in het kader van een overdrachtsstrategie. Het is derhalve passend om te specificeren dat de goedkeuring van afwikkelingsplannen in dergelijke situaties niet vereist is.

(5)De afwikkelingsautoriteiten kunnen momenteel bepaalde uitkeringen verbieden wanneer een instelling of entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, wanneer dit vereiste naast het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“MREL”) in beschouwing wordt genomen. In bepaalde situaties kan van een instelling of entiteit echter worden verlangd dat zij het MREL op een andere basis naleeft dan de basis waarop die instelling of entiteit verplicht is om het gecombineerde buffervereiste na te leven. Deze situatie leidt tot onzekerheid wat betreft de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van afwikkelingsautoriteiten om uitkeringen te verbieden en voor de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag voor het MREL. Er moet derhalve worden vastgelegd dat de afwikkelingsautoriteiten in deze gevallen de bevoegdheid moeten uitoefenen om bepaalde uitkeringen te verbieden op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie 28 . Om de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, moeten de afwikkelingsautoriteiten de instelling of entiteit in kennis stellen van het geraamde gecombineerde buffervereiste en moet de instelling of entiteit dit vervolgens openbaar maken.

(6)Vroegtijdige-interventiemaatregelen werden ontwikkeld om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de verslechtering van de financiële en economische situatie van een instelling of entiteit te herstellen en om het risico en de gevolgen van een mogelijke afwikkeling zo veel mogelijk te beperken. Vanwege een gebrek aan zekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen en gedeeltelijke overlappingen met toezichtsmaatregelen, zijn vroegtijdige-interventiemaatregelen echter weinig gebruikt. De voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten derhalve worden vereenvoudigd en nader worden gespecificeerd. Om onzekerheden ten aanzien van de voorwaarden en het tijdschema voor het ontslag van het leidinggevend orgaan en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders weg te nemen, moeten deze maatregelen uitdrukkelijk worden aangemerkt als vroegtijdige-interventiemaatregelen en moeten dezelfde voorwaarden gelden voor de toepassing ervan. De bevoegde autoriteiten moeten tegelijkertijd worden verplicht om de passende maatregelen te kiezen voor het aanpakken van een specifieke situatie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen om rekening te houden met reputatierisico’s of risico’s in verband met het witwassen van geld of informatie- en communicatietechnologie, moeten de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen niet alleen beoordelen op basis van kwantitatieve indicatoren, zoals kapitaal- of liquiditeitsvereisten, de mate van hefboomfinanciering, de hoeveelheid slechte leningen of de concentratie van risico’s, maar ook op basis van kwalitatieve voorwaarden.

(7)Om de rechtszekerheid te verbeteren, moeten de vroegtijdige-interventiemaatregelen van Richtlijn 2014/59/EU die overlappen met de reeds bestaande bevoegdheden uit hoofde van het prudentiële kader van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad 29 , alsook die van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad 30 worden geschrapt. Daarnaast moet worden gewaarborgd dat de afwikkelingsautoriteiten zich kunnen voorbereiden op de mogelijke afwikkeling van een instelling of entiteit. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteiten derhalve tijdig informeren over de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit en de afwikkelingsautoriteiten moeten beschikken over de nodige bevoegdheden om voorbereidende maatregelen uit te voeren. Om de afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen zo snel mogelijk te reageren op een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit is het belangrijk dat de eerdere toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen geen voorwaarde is voor de afwikkelingsautoriteit voor het treffen van voorzieningen voor de verkoop van de instelling of entiteit of voor het verzoeken om informatie om het afwikkelingsplan te actualiseren en de waardering voor te bereiden. Om een samenhangende, gecoördineerde, doeltreffende en tijdige reactie op de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit te waarborgen en te zorgen voor een goede voorbereiding op een mogelijke afwikkeling, moeten de wisselwerking en coördinatie tussen bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten worden verbeterd. Zodra een instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen, moeten bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten de uitwisseling van informatie, met inbegrip van voorlopige informatie, opvoeren en de financiële situatie van de instelling of entiteit gezamenlijk monitoren.

(8)Het is noodzakelijk om tijdige maatregelen en een vroegtijdige coördinatie tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit te waarborgen wanneer een instelling of entiteit nog een going concern is, maar er een materieel risico bestaat dat de instelling of entiteit faalt. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit daarom zo snel mogelijk op de hoogte stellen van een dergelijk risico. Deze kennisgeving moet de redenen bevatten voor de beoordeling van de bevoegde autoriteit, evenals een overzicht van de alternatieve maatregelen van de particuliere sector, toezichtsmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen die beschikbaar zijn om het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen. Een dergelijke vroegtijdige kennisgeving mag niet leiden tot vooringenomenheid bij het bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. De voorafgaande kennisgeving door de bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsautoriteit van een materieel risico dat een instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, mag geen voorwaarde vormen voor een latere vaststelling dat een instelling of entiteit daadwerkelijk faalt of waarschijnlijk zal falen. Indien in een later stadium wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en er geen alternatieve oplossingen zijn om een dergelijk falen binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen, moet de afwikkelingsautoriteit bovendien beslissen of zij afwikkelingsmaatregelen neemt. In een dergelijk geval kan de tijdigheid van het besluit om afwikkelingsmaatregelen toe te passen voor een instelling of entiteit cruciaal zijn voor de succesvolle uitvoering van de afwikkelingsstrategie, met name omdat een eerdere interventie in de instelling of entiteit kan bijdragen tot het garanderen van een toereikende verliesabsorberende capaciteit en liquiditeit om die strategie uit te voeren. Het is derhalve passend om de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen om, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit, te beoordelen wat een redelijk tijdsbestek is voor de uitvoering van alternatieve maatregelen om het falen van de instelling of entiteit te voorkomen. Om een tijdige uitkomst te waarborgen en de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen zich naar behoren voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit, moeten de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit regelmatig bijeenkomen en moet de afwikkelingsautoriteit een beslissing nemen over de regelmaat van deze vergaderingen op basis van de omstandigheden van de zaak.

(9)Het afwikkelingskader moet op elke mogelijke instelling of entiteit kunnen worden toegepast, ongeacht de omvang en het bedrijfsmodel, indien de op grond van het interne recht beschikbare instrumenten niet toereikend zijn om het falen van deze instelling of entiteit te beheren. Om een dergelijke uitkomst te waarborgen, moeten er criteria worden gespecificeerd voor de uitvoering van de beoordeling van het openbaar belang in verband met een falende instelling of entiteit. Het is met name noodzakelijk dat wordt verduidelijkt dat bepaalde functies van de instelling of entiteit, naargelang de specifieke omstandigheden, als kritiek kunnen worden beschouwd, zelfs wanneer de stopzetting hiervan slechts op regionaal niveau gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit of kritieke diensten.

(10)In de beoordeling van de vraag of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is, moet tot uiting komen dat deposanten beter worden beschermd wanneer middelen van depositogarantiestelsels (“DGS’en”) efficiënter worden gebruikt en de verliezen voor deze fondsen tot een minimum worden beperkt. Daarom moet de afwikkelingsdoelstelling om deposanten te beschermen in de beoordeling van het openbaar belang beter verwezenlijkt worden geacht bij afwikkeling wanneer de keuze voor insolventie duurder zou zijn voor het depositogarantiestelsel.

(11)De beoordeling of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is moet ook, voor zover mogelijk, het verschil weerspiegelen tussen financiering uit door de bedrijfstak gefinancierde vangnetten (afwikkelingsfinancieringsregelingen of DGS’en) enerzijds en financiering door de lidstaten met belastinggeld anderzijds. Door de lidstaten verstrekte financiering brengt een groter moreel risico met zich mee, evenals een kleinere stimulans voor marktdiscipline. Bij de beoordeling van de doelstelling om het gebruik van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, moeten de afwikkelingsautoriteiten daarom de voorkeur geven aan financiering aan de hand van afwikkelingsfinancieringsregelingen of het depositogarantiestelsel boven financiering aan de hand van een gelijk bedrag aan begrotingsmiddelen van de lidstaten.

(12)Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsdoelstellingen op de doeltreffendste wijze worden behaald, mag de uitkomst van de beoordeling van het openbaar belang slechts negatief zijn wanneer de afwikkelingsdoelstellingen met de liquidatie van de falende instelling of entiteit in het kader van een gewone insolventieprocedure op doeltreffender wijze, en niet in dezelfde mate, zouden worden behaald als met afwikkeling.

(13)Indien een falende instelling of entiteit niet wordt afgewikkeld, moet deze worden geliquideerd in overeenstemming met de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn. Dergelijke procedures kunnen sterk verschillen tussen de lidstaten. Hoewel het passend is om voldoende flexibiliteit voor het gebruik van de bestaande nationale procedures toe te staan, moeten bepaalde aspecten worden verduidelijkt om te waarborgen dat de betrokken instellingen of entiteiten de markt verlaten.

(14)Er moet worden gewaarborgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit snel een procedure uit hoofde van het interne recht inleidt wanneer een instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen en niet wordt afgewikkeld. Indien een vrijwillige liquidatie van de instelling of entiteit bij besluit van aandeelhouders uit hoofde van het interne recht mogelijk is, moet een dergelijke optie beschikbaar blijven. Er moet echter voor worden gezorgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit optreedt wanneer de aandeelhouders niet snel actie ondernemen.

(15)Er moet ook worden vastgesteld dat de uiteindelijke uitkomst van dergelijke procedures bestaat in het verlaten van de markt door de falende instelling of entiteit of de stopzetting van haar bankdiensten. Afhankelijk van het interne recht kan deze doelstelling op verschillende manieren worden verwezenlijkt. Dit kan de verkoop van de instelling of entiteit of delen ervan, de verkoop van specifieke activa of passiva, een geleidelijke afschrijving of de stopzetting van de bankdiensten, met inbegrip van betalingen en het in ontvangst nemen van deposito’s, inhouden, met het oog op een geleidelijke verkoop van de activa van de instelling of entiteit om de getroffen crediteuren terug te betalen. Om de voorspelbaarheid van de procedures te verbeteren, moet deze uitkomst echter binnen een redelijk tijdsbestek worden verwezenlijkt.

(16)Aan de bevoegde autoriteiten moet de bevoegdheid worden verleend om de vergunning van een instelling of entiteit enkel op basis van het feit dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en niet wordt afgewikkeld, in te trekken. De bevoegde autoriteiten moeten de vergunning kunnen intrekken ter ondersteuning van de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit in overeenstemming met het interne recht, met name in gevallen waarin de beschikbare procedures uit hoofde van het interne recht niet kunnen worden ingeleid op het moment dat wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, met inbegrip van de gevallen waarin de instelling of entiteit nog niet balansmatig insolvent is. Om verder te waarborgen dat de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit kan worden behaald, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit ook wordt opgenomen onder de mogelijke voorwaarden voor het inleiden van ten minste een van de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn en die van toepassing zijn op instellingen of entiteiten die falen of waarschijnlijk zullen falen, maar niet worden afgewikkeld.

(17)In het licht van de ervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 2014/59/EU, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad 31 , is het noodzakelijk om de voorwaarden nader te specificeren waaronder maatregelen van preventieve aard die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering mogen worden toegekend. Teneinde verstoringen van de mededinging als gevolg van verschillen in de aard van depositogarantiestelsels in de Unie tot een minimum te beperken, moeten interventies van depositogarantiestelsels in het kader van preventieve maatregelen die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2014/49/EU en die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering worden toegestaan wanneer de begunstigde instelling of entiteit aan geen van de voorwaarden voldoet om te worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen. Er moet worden gewaarborgd dat preventieve maatregelen op tijd worden genomen. De Europese Centrale Bank (ECB) baseert haar oordeel dat een instelling of entiteit solvent is, met het oog op de preventieve herkapitalisatie, momenteel op een toekomstgerichte beoordeling voor de komende twaalf maanden van de vraag of de instelling of entiteit de vereisten voor de eigen middelen kan naleven, zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 32 of in Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad 33 , evenals het aanvullende vereiste voor de eigen middelen zoals vastgesteld in Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn (EU) 2019/2034. Deze praktijk moet worden vastgesteld in Richtlijn 2014/59/EU. Maatregelen ter ondersteuning van activa die aan een bijzondere waardevermindering onderhevig zijn, met inbegrip van vehikels voor activabeheer of garantiestelsels voor activa, kunnen bovendien doeltreffend en efficiënt zijn bij het aanpakken van oorzaken van mogelijke financiële problemen waarmee instellingen en entiteiten te maken hebben en bij het voorkomen van het falen ervan, en kunnen derhalve relevante preventieve maatregelen zijn. Daarom moet worden gespecificeerd dat dergelijke preventieve maatregelen de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa kunnen aannemen.

(18)Om de marktdiscipline in stand te houden, de overheidsmiddelen te beschermen en verstoringen van de mededinging te voorkomen, moeten preventieve maatregelen een uitzondering blijven en alleen worden genomen om ernstige verstoringen op de markt aan te pakken of de financiële stabiliteit te handhaven. Preventieve maatregelen mogen bovendien niet worden genomen om geleden of waarschijnlijke verliezen aan te pakken. Het betrouwbaarste instrument voor het vaststellen van verliezen of waarschijnlijke verliezen is een doorlichting van de kwaliteit van activa door de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit, EBA), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad 34 of door de nationale bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten moeten een dergelijke doorlichting gebruiken om verliezen of waarschijnlijke verliezen vast te stellen indien een dergelijke doorlichting binnen een redelijk tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten de bevoegde autoriteiten verliezen of waarschijnlijke verliezen op de betrouwbaarst mogelijke manier onder de heersende omstandigheden vaststellen, waar passend op basis van inspecties ter plaatse.

(19)Preventieve herkapitalisatie is gericht op de ondersteuning van levensvatbare instellingen en entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij in de nabije toekomst te maken zullen hebben met tijdelijke moeilijkheden, om te voorkomen dat hun situatie verder verslechtert. Om te voorkomen dat overheidssubsidies worden toegekend aan ondernemingen die reeds onrendabel zijn op het moment dat de steun wordt toegekend, mogen preventieve maatregelen die worden toegekend in de vorm van de verwerving van eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten of door middel van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa, niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is om de kapitaaltekorten te dekken, zoals vastgesteld in het ongunstige scenario van een stresstest of een soortgelijke exercitie. Teneinde te waarborgen dat de openbare financiering uiteindelijk wordt stopgezet, moeten deze preventieve maatregelen ook in de tijd beperkt zijn en een duidelijk tijdschema bevatten voor de beëindiging ervan (exitstrategie). Perpetuele instrumenten, zoals tier 1-kernkapitaal, mogen alleen in buitengewone omstandigheden worden gebruikt. Voor deze instrumenten moeten bepaalde kwantitatieve grenzen gelden, omdat zij vanwege hun aard niet geschikt zijn voor de naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard.

(20)Preventieve maatregelen moeten beperkt zijn tot het bedrag dat de instelling of entiteit nodig zou hebben om solvent te blijven in het geval van een ongunstige gebeurtenis, zoals bepaald in een stresstest of soortgelijke exercitie. In het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moet de begunstigde instelling of entiteit dat bedrag kunnen gebruiken om de verliezen op de overgedragen activa te dekken of in combinatie met een verwerving van kapitaalinstrumenten, mits de totale hoogte van het vastgestelde tekort niet wordt overschreden. Het is ook noodzakelijk om te waarborgen dat dergelijke preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in overeenstemming zijn met de bestaande regels inzake staatssteun en de beste praktijken, dat zij de levensvatbaarheid van de instelling of entiteit op de lange termijn herstellen, dat de staatssteun beperkt is tot het noodzakelijke minimum en dat verstoringen van de mededinging worden vermeden. Om deze redenen moeten de betrokken autoriteiten in het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa de specifieke richtsnoeren, waaronder de AMC-blauwdruk 35 en de mededeling over de aanpak van niet-renderende leningen 36 , in aanmerking nemen. Deze preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moeten altijd voldoen aan de zwaarderwegende voorwaarde van de tijdelijke aard ervan. Openbare garanties die voor een gespecificeerde periode worden toegekend in verband met de aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa van de betrokken instelling of entiteit zullen naar verwachting zorgen voor een betere naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard dan overdrachten van dergelijke activa aan een door de overheid ondersteunde entiteit. Om ervoor te zorgen dat instellingen en entiteiten die ondanks de ontvangen steun niet levensvatbaar blijken, de markt verlaten, moet worden vastgesteld dat niet-naleving door de betrokken instelling of entiteit van de voorwaarden voor de steunmaatregelen die werden vastgesteld op het moment dat deze maatregelen werden toegekend, ertoe moet leiden dat de betrokken instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen.

(21)Om materiële inbreuken op de prudentiële vereisten op te nemen, moeten de voorwaarden om te bepalen dat holdings falen of waarschijnlijk zullen falen, nader worden gespecificeerd. Een inbreuk op deze vereisten door een holding is materieel wanneer het type en de omvang van een dergelijke inbreuk vergelijkbaar zijn met een inbreuk die, indien zij door een kredietinstelling zou zijn gepleegd, de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit zou hebben gerechtvaardigd in overeenstemming met artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU.

(22)De lidstaten kunnen op grond van hun interne recht bevoegd zijn om betalings- of leveringsverplichtingen op te schorten die in aanmerking komende deposito’s omvatten. Indien de opschorting van de betalings- of leveringsverplichtingen niet rechtstreeks verband houdt met de financiële situatie van de kredietinstelling, mogen deposito’s niet onbeschikbaar zijn met het oog op Richtlijn 2014/49/EU. Het is mogelijk dat deposanten als gevolg hiervan voor een langere periode geen toegang tot hun deposito’s hebben. Om het vertrouwen van deposanten in de bankensector en de financiële stabiliteit in stand te houden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deposanten toegang hebben tot een passend dagelijks bedrag van hun deposito’s om met name de kosten van het levensonderhoud te dekken, in het geval dat hun deposito’s onbeschikbaar worden als gevolg van een opschorting van betalingen om andere redenen dan de uiteindelijke uitbetaling van deposanten. Een dergelijke procedure moet de uitzondering blijven en de lidstaten moeten waarborgen dat deposanten toegang hebben tot passende dagelijkse bedragen.

(23)Om de rechtszekerheid te vergroten en met het oog op de potentiële relevantie van passiva die kunnen voortvloeien uit toekomstige onzekere gebeurtenissen, met inbegrip van de uitkomst van gedingen die lopen op het moment van afwikkeling, is het noodzakelijk om vast te leggen welke behandeling voor deze passiva moet worden toegepast met het oog op de toepassing van het instrument van bail-in. De beginselen die zijn opgenomen in de boekhoudregels, en met name de boekhoudregels die zijn vastgesteld in de internationale standaard voor jaarrekeningen 37, zoals goedgekeurd bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie 37 , moeten in dit opzicht leidend zijn. Op basis hiervan moeten de afwikkelingsautoriteiten een onderscheid maken tussen voorzieningen en voorwaardelijke verplichtingen. Voorzieningen zijn passiva die verband houden met een waarschijnlijke uitstroom van middelen en die op betrouwbare wijze kunnen worden geraamd. Voorwaardelijke verplichtingen worden niet erkend als boekhoudkundige passiva, omdat zij verband houden met een verplichting die op het moment van de raming niet waarschijnlijk kan worden geacht of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd.

(24)Aangezien voorzieningen boekhoudkundige verplichtingen zijn, moet worden gespecificeerd dat deze voorzieningen op dezelfde wijze moeten worden behandeld als andere verplichtingen. Dergelijke bepalingen moeten bail-inbaar zijn, tenzij zij voldoen aan een van de specifieke criteria om van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in te worden uitgesloten. Gezien de potentiële relevantie van deze voorzieningen bij afwikkeling en om zekerheid te bieden bij de toepassing van het instrument van bail-in, moet worden gespecificeerd dat de voorzieningen deel uitmaken van de bail-inbare passiva en dat bijgevolg het instrument van bail-in erop van toepassing is. Er moet ook worden gewaarborgd dat deze passiva en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien na de toepassing van het instrument van bail-in als voldaan worden beschouwd voor alle doeleinden. Dit is met name relevant voor passiva en verplichtingen die voortvloeien uit rechtsvorderingen op de instelling in afwikkeling.

(25)Volgens de boekhoudkundige beginselen kunnen voorwaardelijke verplichtingen niet als passiva worden erkend en mogen deze derhalve niet bail-inbaar zijn. Er moet echter worden gewaarborgd dat een voorwaardelijke verplichting die zou voortvloeien uit een gebeurtenis die op het moment van afwikkeling onwaarschijnlijk is of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de afwikkelingsstrategie, en met name van het instrument van bail-in. Om deze doelstelling te verwezenlijken, moet de taxateur, als onderdeel van de waardering met het oog op afwikkeling, voorwaardelijke verplichtingen beoordelen die zijn opgenomen op de balans van de instelling in afwikkeling en de potentiële waarde van die passiva zo goed mogelijk kwantificeren. Om te waarborgen dat de instelling of entiteit na het afwikkelingsproces gedurende een passende periode voldoende marktvertrouwen kan wekken, moet de taxateur rekening houden met deze potentiële waarde bij het vaststellen van het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet om de kapitaalratio’s van de instelling in afwikkeling te herstellen. De afwikkelingsautoriteit moet zijn omzettingsbevoegdheden met name toepassen op bail-inbare passiva voor zover nodig om te waarborgen dat de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling toereikend is om potentiële verliezen te dekken die kunnen worden veroorzaakt door passiva als gevolg van een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Bij de beoordeling van het bedrag dat moet worden afgeschreven of omgezet, moet de afwikkelingsautoriteit de gevolgen van het potentiële verlies voor de instellingen in afwikkeling zorgvuldig in aanmerking nemen, op basis van een aantal factoren, waaronder de waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet, het tijdsbestek waarin dit gebeurt en de hoogte van de voorwaardelijke verplichting.

(26)In bepaalde omstandigheden kunnen afwikkelingsautoriteiten, nadat de afwikkelingsfinancieringsregeling heeft voorzien in een bijdrage van maximaal 5 % van de totale passiva van de instelling of entiteit, met inbegrip van haar eigen middelen, aanvullende financieringsbronnen gebruiken om hun afwikkelingsmaatregelen nader te ondersteunen. Er moet duidelijker worden gespecificeerd onder welke omstandigheden de afwikkelingsfinancieringsregeling in aanvullende steun kan voorzien wanneer alle passiva met een rang die lager is dan die van deposito’s die niet verplicht of discretionair van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.

(27)Bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad 38 , Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad 39 en Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad 40 is in de Unie de internationale “Total Loss-absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet”, die op 9 november 2015 door de Raad voor financiële stabiliteit werd gepubliceerd (de “TLAC-norm”), uitgevoerd voor mondiaal systeemrelevante banken, die in het Unierecht mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s) worden genoemd. Bij Verordening (EU) 2019/877 en Richtlijn (EU) 2019/879 werd ook het MREL, zoals vastgesteld Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014, gewijzigd. De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU inzake het MREL moeten in overeenstemming worden gebracht met de uitvoering van de TLAC-norm voor MSI’s wat betreft bepaalde passiva die zouden kunnen worden gebruikt om aan het deel van het MREL te voldoen waarvoor eigen middelen en andere achtergestelde passiva moeten worden gebruikt. Met name passiva die een gelijke rang (pari passu) hebben als bepaalde uitgesloten passiva moeten worden opgenomen onder de eigen middelen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van af te wikkelen entiteiten wanneer het bedrag van deze uitgesloten passiva op de balans van de af te wikkelen entiteit niet hoger is dan 5 % van het bedrag van de eigen middelen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit en deze opname geen risico’s oplevert in verband met het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn.

(28)De regels voor het bepalen van het MREL zijn hoofdzakelijk gericht op de vaststelling van het passende niveau voor het MREL, waarbij het instrument van bail-in als voorkeursstrategie voor de afwikkeling wordt beschouwd. Richtlijn 2014/59/EU staat de afwikkelingsautoriteiten echter toe andere afwikkelingsinstrumenten te gebruiken, dat wil zeggen instrumenten op basis van de overdracht van de activiteiten van de instelling in afwikkeling aan een particuliere koper of een overbruggingsinstelling. Er moet derhalve worden gespecificeerd dat de afwikkelingsautoriteiten, in het geval dat in het afwikkelingsplan het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt door de af te wikkelen entiteit wordt beoogd, het niveau van het MREL voor de betrokken af te wikkelen entiteit moeten bepalen op basis van de specifieke kenmerken van die afwikkelingsinstrumenten en van de verschillende behoeften aan verliesabsorptie en herkapitalisatie die deze instrumenten met zich meebrengen.

(29)Het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten is de som van het bedrag van de bij de afwikkeling verwachte verliezen en het herkapitalisatiebedrag, die de af te wikkelen entiteit in staat stellen aan de voorwaarden voor de vergunning te blijven voldoen en om haar activiteiten gedurende een passende periode te verrichten. Bepaalde voorkeursstrategieën voor afwikkeling omvatten de overdracht van activa, rechten en passiva aan een ontvanger en het verlaten van de markt, met name het instrument van verkoop van de onderneming. In deze gevallen is het mogelijk dat de met de herkapitalisatiecomponent nagestreefde doelstellingen niet in dezelfde mate van toepassing zijn, omdat de afwikkelingsautoriteit niet verplicht is te waarborgen dat de af te wikkelen entiteit de naleving van de vereisten voor de eigen middelen na de afwikkeling herstelt. De verliezen zullen in dergelijke gevallen naar verwachting echter hoger zijn dan de vereisten voor de eigen middelen van de af te wikkelen entiteit. Het is derhalve passend om vast te stellen dat het niveau van het MREL voor deze af te wikkelen entiteiten nog steeds een herkapitalisatiebedrag omvat, dat wordt aangepast op een wijze die evenredig is aan de afwikkelingsstrategie.

(30)Indien de afwikkelingsstrategie voorziet in het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten dan bail-in, zullen de herkapitalisatiebehoeften van de betrokken entiteit na afwikkeling doorgaans kleiner zijn dan in het geval van een open bail-in van banken. Bij de kalibratie van het MREL moet in een dergelijk geval met dat aspect rekening worden gehouden bij de raming van het herkapitalisatievereiste. Daarom moeten de afwikkelingsautoriteiten bij de aanpassing van het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan het afwikkelingsplan voorziet in het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt, rekening houden met de kenmerken van die instrumenten, met inbegrip van de verwachte omvang van de overdracht aan de particuliere koper of de overbruggingsinstelling, de soorten over te dragen instrumenten, de verwachte waarde en verhandelbaarheid van die instrumenten en de opzet van de voorkeursafwikkelingsstrategie, met inbegrip van het complementaire gebruik van het instrument van afsplitsing van activa. Omdat de afwikkelingsautoriteit per geval een beslissing moet nemen over een mogelijk gebruik bij de afwikkeling van middelen van de depositogarantiestelsels en aangezien een dergelijk besluit niet vooraf met zekerheid kan worden aangenomen, mogen de afwikkelingsautoriteiten bij het kalibreren van het niveau van het MREL geen rekening houden met de potentiële bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling.

(31)Er moet worden gezorgd voor gelijke stimulansen om toereikende MREL-bedragen op te bouwen voor instellingen en entiteiten die zowel binnen als buiten afwikkeling aan overdrachtsstrategieën onderworpen zouden zijn. Bij de vaststelling van het niveau van het MREL voor instellingen of entiteiten die onderworpen kunnen zijn aan maatregelen in het kader van nationale insolventieprocedures overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU, moeten daarom dezelfde regels worden gevolgd als bij de vaststelling van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de verkoop van de onderneming of de overdracht aan een overbruggingsinstelling die leidt tot het verlaten van de markt.

(32)Er is sprake van een wisselwerking tussen het afwikkelingskader en het kader aangaande marktmisbruik. Meer specifiek kunnen de ter voorbereiding van de afwikkeling genomen maatregelen als voorwetenschap worden aangemerkt in de zin van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad 41 , maar kan de voortijdige openbaarmaking ervan het afwikkelingsproces in gevaar te brengen. Instellingen in afwikkeling kunnen stappen nemen om dit probleem aan te pakken door op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap. Op het moment van de voorbereiding van de afwikkeling zijn echter niet altijd de juiste stimulansen aanwezig voor de instelling in afwikkeling om het initiatief te nemen om een dergelijk verzoek in te dienen. Om dergelijke situaties te vermijden, moeten de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om namens een instelling in afwikkeling rechtstreeks om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken.

(33)Met het oog op de vereenvoudiging van de afwikkelingsplanning, de beoordeling van de afwikkelbaarheid en de uitoefening van de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen en de uitwisseling van informatie te bevorderen, moet de afwikkelingsautoriteit van een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een afwikkelingscollege oprichten en voorzitten.

(34)Na de initiële opbouwperiode van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, kunnen hun respectieve beschikbare financiële middelen licht dalen tot onder hun streefbedrag, met name als gevolg van een toename van gedekte deposito’s. Het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen dat in die omstandigheden waarschijnlijk zal worden gebruikt, is dus waarschijnlijk laag. Het is dus mogelijk dat het bedrag van dergelijke vooraf te betalen bijdragen in sommige jaren niet meer in verhouding staat tot de kosten van de inning van die bijdragen. De afwikkelingsautoriteiten moeten daarom de inning van de vooraf te betalen bijdragen voor een of meer jaren kunnen uitstellen totdat het te innen bedrag een hoogte bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits een dergelijk uitstel geen wezenlijke invloed heeft op het vermogen van afwikkelingsautoriteiten om gebruik te maken van afwikkelingsfinancieringsregelingen.

(35)Onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn een van de componenten van de beschikbare financiële middelen van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Daarom moeten de omstandigheden worden gespecificeerd waarin die betalingsverplichtingen kunnen worden gebruikt, evenals de toepasselijke procedure bij het beëindigen van de toezeggingen ingeval een instelling of entiteit niet langer verplicht is om bijdragen aan een afwikkelingsfinancieringsregeling te betalen. Daarnaast moeten afwikkelingsautoriteiten, om te zorgen voor meer transparantie en zekerheid met betrekking tot het aandeel onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag aan vooraf te betalen bijdragen dat moet worden geïnd, een dergelijk aandeel jaarlijks bepalen, in overeenstemming met de toepasselijke grenzen.

(36)Het maximale jaarlijkse bedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen die mogen worden afgeroepen, is momenteel beperkt tot driemaal het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen. Na de in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde initiële opbouwperiode zullen dergelijke vooraf te betalen bijdragen, in andere omstandigheden dan het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, slechts afhangen van variaties in het niveau van de gedekte deposito’s en zullen zij derhalve waarschijnlijk laag worden. Het baseren van het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen op vooraf te betalen bijdragen zou dan tot gevolg kunnen hebben dat de mogelijkheid voor afwikkelingsfinancieringsregelingen om achteraf te betalen bijdragen te mobiliseren, drastisch wordt verkleind, waardoor hun actiecapaciteit wordt beperkt. Om een dergelijke uitkomst te voorkomen, moet een andere grens worden vastgesteld en moet het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen die mogen worden afgeroepen, worden vastgesteld op driemaal een achtste van het streefbedrag van de desbetreffende afwikkelingsfinancieringsregeling.

(37)Richtlijn 2014/59/EU heeft de rangorde van deposito’s in de nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures deels geharmoniseerd. Deze regels voorzagen een drievoudige rangorde van deposito’s, waarbij gedekte deposito’s de hoogste prioriteit hadden, gevolgd door in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleinere en middelgrote ondernemingen boven het dekkingsniveau. De resterende deposito’s, d.w.z. deposito’s van grote bedrijven die het dekkingsniveau overschrijden en deposito’s die niet in aanmerking komen voor terugbetaling door het depositogarantiestelsel, moesten een lagere rangorde hebben, maar hun positie was anders niet geharmoniseerd. Tot slot genoten de vorderingen van de depositogarantiestelsels dezelfde hogere rangorde als gedekte deposito’s. Toch bleek dit niet de optimale oplossing te zijn voor de bescherming van de deposanten. Een gedeeltelijke harmonisatie leidde tot verschillen in de behandeling van die resterende deposanten tussen de lidstaten, met name aangezien een toenemend aantal lidstaten hebben beslist een wettelijke voorkeur toe te kennen aan de resterende deposito’s. Die verschillen zorgden ook voor moeilijkheden bij het bepalen van het contrafeitelijke geval van insolventie voor grensoverschrijdende groepen tijdens de waarderingen van de afwikkelingen. Bovendien konden er door het gebrek aan algemene deposantenbevoorrechting, samen met de drievoudige rangorde van vorderingen van deposanten, wel eens problemen ontstaan in verband met de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn, vooral wanneer de deposito’s waarvan de rangorde niet was geharmoniseerd door Richtlijn 2014/59/EU op hetzelfde niveau gerangschikt waren als niet-achtergestelde vorderingen. Tot slot was het door de hoge rangorde die was gegeven aan de vorderingen van depositogarantiestelsels voor de beschikbare financieringsmiddelen van die programma’s niet mogelijk ze efficiënter en doelmatiger te gebruiken bij andere interventies dan de uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie, namelijk in de context van afwikkeling, alternatieve maatregelen bij insolventie of preventieve maatregelen. De bescherming van gedekte deposito’s hangt niet af van de rangorde van de vorderingen van het depositogarantiestelsel, maar is in plaats daarvan verzekerd via de verplichte uitsluitingen van bail-in bij afwikkeling en de onmiddellijke terugbetaling uit het depositogarantiestelsel in geval van onbeschikbaarheid van deposito’s. Daarom moet de rangorde van deposito’s in de huidige hiërarchie van vorderingen worden gewijzigd.

(38)De rangorde van alle deposito’s moet volledig geharmoniseerd zijn via de uitvoering van een algemene deposantenbevoorrechting met een enkelvoudige benadering, waarbij alle deposito’s een hogere rangorde genieten ten opzichte van gewone ongedekte vorderingen, zonder dat er onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten deposito’s. Tegelijkertijd moet bij het gebruik van de depositogarantiestelsels bij afwikkeling, insolventie en preventieve maatregelen altijd de desbetreffende conditionaliteit worden nageleefd, met name de zogenaamde ‘laagstekostentoets’.

(39)Een algemene deposantenbevoorrechting zal bijdragen tot het versterken van het vertrouwen van de deposanten en tot het verder voorkomen van het risico op bankruns. Een verbeterde deposantenbescherming is afgestemd op de centrale rol die deposito’s spelen in de reële economie, aangezien hij het voornaamste instrument is voor sparen en voor betalingen, en ook in de bankactiviteit, waar de deposito’s een belangrijke bron van financiering zijn en een cruciale rol spelen in het vertrouwen in het banksysteem, wat bijzonder relevant wordt als er sprake is van stress op de markt. Bovendien verbetert een algemene deposantenbevoorrechting de afwikkelbaarheid van instellingen en entiteiten door hen meer mogelijkheden te bieden om te voldoen aan de vereisten om toegang te krijgen tot financieringsregelingen voor de afwikkeling en de hoeveelheid financiering die van deze regelingen wordt gevraagd, te verminderen, door het lagere risico op schending van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn bij een bail-in van gewone ongedekte schuld. Met name de verwijdering van deposito’s uit de insolventieklasse van gewone ongedekte vorderingen zou de bail-inbaarheid van resterende gewone ongedekte vorderingen verhogen door het risico op inbreuken op het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn, te beperken. Door de kans te verkleinen dat deposito’s worden afgeschreven of omgezet om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, zou de algemene deposantenbevoorrechting bijdragen tot het doeltreffender en geloofwaardiger maken van het instrument van bail-in en leiden tot meer transparantie en rechtszekerheid van het afwikkelingskader. De algemene deposantenbevoorrechting zou ook bijdragen tot de geloofwaardigheid van transferstrategieën bij afwikkeling, aangezien ze de opname van het hele depositocontract in de perimeter van passiva die moeten worden overgedragen aan een particuliere koper of aan een bruginstelling zou vergemakkelijken, wat dan weer de klantenrelatie en de franchisewaarde van de instelling in afwikkeling ten goede komt. Tot slot zou een volledige harmonisatie van de insolventierangorde van deposanten gunstig zijn vanuit het grensoverschrijdende standpunt en vanuit het standpunt van het vlak speelveld.

(40)Een enkelvoudige benadering voor de rangorde van deposito’s in de nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures draagt bij tot een efficiëntere en minder dure bescherming van alle deposito’s. Voor gedekte deposito’s vergemakkelijkt die benadering de financiering door het depositogarantiestelsel van andere maatregelen dan de uitbetaling van gedekte deposito’s, wat mogelijk doeltreffender en minder ontwrichtend is bij de bescherming van de toegang tot de gedeponeerde fondsen aangezien zij niet leiden tot een onderbreking van de toegang tot bankrekeningen en betaaldiensten. Voor de deposito’s die niet gedekt zijn, vergemakkelijkt die benadering hun bescherming waar dat nodig is voor de bescherming van de financiële stabiliteit en het vertrouwen van de deposant. Tot slot beperkt die benadering de onmiddellijke bestedingsbehoeften van de depositogarantiestelsels door het gebruik van die potentieel minder dure mechanismen voor deposantenbescherming flexibeler te maken, waardoor een beter behoud van hun beschikbare financieringsmiddelen wordt gewaarborgd ingeval zich andere crises voordoen en de last voor de banksector, die wordt opgeroepen die fondsen aan te vullen, wordt verlicht.

(41)De veranderingen in de rangorde van deposito’s, met name de eliminatie van de hogere rangorde van gedekte deposito’s en de vorderingen van de depositogarantiestelsels in verband met alle andere deposito’s, zouden geen nadelige invloed hebben op de bescherming die in geval van faling wordt geboden aan gedekte deposito’s, aangezien die bescherming zou worden blijven gewaarborgd via de verplichte uitsluiting van gedekte deposito’s van verliesabsorptie in geval van afwikkeling en, uiteindelijk, door de uitbetaling die door het depositogarantiestelsel wordt verstrekt in geval van de onbeschikbaarheid van deposito’s.

(42)Financieringsregelingen voor de afwikkeling kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling, waarbij een reeks activa, rechten en passiva van de instelling in financieringsregelingen voor de afwikkeling aan een ontvanger worden overgedragen. In dat geval kan de financieringsregeling voor de afwikkeling een vordering hebben op de resterende instelling of entiteit bij de latere liquidatie ervan volgens een normale insolventieprocedure. Dat kan gebeuren wanneer de financieringsregeling voor de afwikkeling wordt gebruikt in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen, onder meer in de vorm van garanties voor activa en passiva, of dekking van het verschil tussen de overgedragen activa en passiva. Om te waarborgen dat de aandeelhouders en crediteuren die zijn achtergebleven in de resterende instelling of entiteit de verliezen van de instelling in afwikkeling daadwerkelijk absorberen en de mogelijkheid van terugbetalingen bij insolventie aan het resolutiespecifieke vangnet verbeteren, moeten die vorderingen van de financieringsregeling voor de afwikkeling tegen de resterende instelling of entiteit, en vorderingen die voortvloeien uit redelijke uitgaven die naar behoren zijn gedaan, wat insolventie betreft een hogere rangorde hebben dan de vorderingen van deposito’s en van het depositogarantiestelsel. Aangezien compensaties die aan aandeelhouders en crediteuren uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling worden betaald wegens inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, bedoeld zijn om de resultaten van de afwikkelingsmaatregel te compenseren, mogen deze compensaties geen aanleiding geven tot vorderingen van die regelingen.

(43)Om voldoende flexibiliteit te waarborgen en interventies van het depositogarantiestelsel ter ondersteuning van het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken, indien zij leiden tot het verlaten van de markt van de instelling in afwikkeling en indien nodig om te voorkomen dat verliezen worden gedragen door deposanten, moeten bepaalde aspecten van het gebruik van depositogarantiestelsels bij afwikkeling worden gespecificeerd. Het is met name noodzakelijk te specificeren dat het depositogarantiestelsel kan worden gebruikt om transfertransacties te ondersteunen waarin deposito’s zitten, met inbegrip van in aanmerking komende deposito’s buiten het door het depositogarantiestelsel geboden dekkingsniveau, en ook deposito’s die zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel, in bepaalde gevallen onder duidelijke voorwaarden. De bijdrage van het depositogarantiestelsel moet gericht zijn op het dekken van het tekort in de waarde van de activa die worden overgedragen aan een koper of bruginstelling in vergelijking met de waarde van de overgedragen deposito’s. Als een bijdrage door de koper vereist is als onderdeel van de transactie om de kapitaalneutraliteit ervan te waarborgen en naleving van de kapitaalvereisten van de koper te behouden, moet het depositogarantiestelsel ook de kans krijgen in die zin bij te dragen. De steun van het depositogarantiestelsel aan de afwikkelingsmaatregel moet de vorm aannemen van cash of andere vormen, zoals garanties of verliesdelingsregelingen die het effect van de steun op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel kunnen beperken en tegelijkertijd de bijdrage van het depositogarantiestelsel om zijn doelstellingen te behalen, mogelijk maken.

(44)Aan de bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling moeten bepaalde limieten worden opgelegd. Ten eerste moet worden gewaarborgd dat elk verlies dat het depositogarantiestelsel mogelijk kan dragen als gevolg van een interventie niet groter is dan het verlies dat het depositogarantiestelsel zou lijden bij insolventie als het gedekte deposanten zou uitbetalen en zou subrogeren in hun vorderingen over de activa van de instelling. Dat bedrag moet worden bepaald op basis van de laagstekostentoets, overeenkomstig de criteria en methode die is uiteengezet in Richtlijn 2014/49/EU. Die criteria en methode moeten ook worden gebruikt bij het bepalen van de behandeling die het depositogarantiestelsel zou hebben gekregen als de instelling de normale insolventieprocedures was opgestart door de uitvoering van de waardering achteraf ter beoordeling van de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn en ter bepaling van een eventuele compensatie die aan het depositogarantiestelsel verschuldigd is. Ten tweede mag het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel, bedoeld om het verschil tussen de activa en passiva die aan een koper of aan een bruginstelling moeten worden overgedragen, niet groter zijn dan het verschil tussen de overgedragen activa en de overgedragen deposito’s en passiva met dezelfde of een hogere rangorde bij insolventie dan die deposito’s. Op die manier zou worden gewaarborgd dat de bijdrage van het depositogarantiestelsel alleen wordt gebruikt om te vermijden dat verliezen worden afgewenteld op deposanten, indien passend, en niet ter bescherming van crediteuren die lager gerangschikt zijn dan deposito’s bij insolventie. Niettemin mag de som van de bijdrage van het depositogarantiestelsel om het verschil tussen activa en passiva met de bijdrage van het depositogarantiestelsel tot het eigen fonds van de ontvangende entiteit te dekken, niet hoger zijn dan de kost van het terugbetalen van de gedekte deposanten zoals berekend in het kader van de laagstekostentoets.

(45)Het moet worden gespecificeerd dat het depositogarantiestelsel alleen mag bijdragen tot een andere overdracht van passiva dan gedekte deposito’s in de context van een afwikkeling als de afwikkelingsautoriteit concludeert dat op andere deposito’s dan gedekte deposito’s het instrument van bail-in niet kan worden toegepast, noch worden achtergelaten in de resterende instelling in afwikkeling die zal worden geliquideerd. De afwikkelingsautoriteit moet met name de kans krijgen verliezen te vermijden op die deposito’s waar de uitsluiting strikt noodzakelijk en evenredig is om de continuïteit van de kritieke functies en cruciale bedrijfsonderdelen te behouden of indien dat nodig is om wijdverspreide besmetting en financiële instabiliteit te vermijden, zaken die zouden kunnen leiden tot een ernstige verstoring van de economie van de Unie of van een lidstaat. Dezelfde redenen moeten van toepassing zijn op de opname in de transfer naar een koper of naar een bruginstelling van bail-inbare passiva met een lagere rangorde dan die van deposito’s. In dat geval mag de transfer van die bail-inbare passiva niet worden ondersteund door de bijdrage van het depositogarantiestelsel. Als er financiële steun aan de transfer van die bail-inbare passiva vereist is, moet die steun worden verleend door de financieringsregeling voor de afwikkeling.

(46)Gezien de mogelijkheid om het depositogarantiestelsel te gebruiken bij afwikkeling is het noodzakelijk om de manier waarop de bijdrage van het depositogarantiestelsel kan meetellen bij de berekening van de vereisten om toegang te krijgen tot financieringsregelingen voor de afwikkeling, verder te specificeren. Als de bijdrage die is gedaan door aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling via verminderingen, afschrijving of omzetting van hun passiva, samen met de bijdrage die wordt gedaan door het depositogarantiestelsel, ten minste 8 % van de totale passiva van de instelling, met inbegrip van eigen fondsen, bedraagt, moet de instelling toegang kunnen krijgen tot de financieringsregeling voor de afwikkeling om verdere financiering te ontvangen als dat nodig is om effectieve afwikkeling te waarborgen overeenkomstig de afwikkelingsdoelstellingen. Als aan die voorwaarden is voldaan, moet de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is om toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling mogelijk te maken. Om ervoor te zorgen dat de afwikkeling in hoofdzaak gefinancierd blijft door de interne middelen van de instelling en om concurrentieverstoringen tot een minimum te beperken, mag de mogelijkheid om de bijdrage van het depositogarantiestelsel te gebruiken om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, alleen mogelijk zijn voor instellingen waarvoor het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan niet voorziet in hun liquidatie op ordelijke wijze in geval van faling, aangezien het MREL dat door de afwikkelingsautoriteiten is bepaald voor die instellingen was vastgelegd op een niveau dat zowel de verliesabsorptie als de herkapitalisatiebedragen omvat.

(47)Met het oog op de rol van de EBA bij het bevorderen van de convergentie van de praktijken van de autoriteiten, moet de EBA de opzet en uitvoering van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen van instellingen en groepen en de acties en voorbereidingen van afwikkelingsautoriteiten monitoren en er verslag over uitbrengen om een effectieve uitvoering van de afwikkelinginstrumenten en -bevoegdheden te waarborgen. In die verslagen moet de EBA ook het niveau van transparantie beoordelen van de maatregelen die door afwikkelingsautoriteiten worden genomen ten aanzien van relevante externe belanghebbenden en de omvang van hun bijdrage tot afwikkelingsbereidheid en de afwikkelbaarheid van instellingen. De EBA moet bovendien verslag uitbrengen over de maatregelen die door de lidstaten zijn aangenomen ter bescherming van niet-professionele beleggers voor wat betreft schuldinstrumenten die krachtens Richtlijn 2014/59/EU in aanmerking komen voor het MREL, waarbij de potentiële impact op grensoverschrijdende verrichtingen wordt vergeleken en beoordeeld. Het toepassingsgebied van bestaande regelgevende technische normen betreffende de bijkomende vereisten van eigen middelen en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten moet worden uitgebreid tot entiteiten die niet zijn geïdentificeerd als af te wikkelen entiteiten, indien die vereisten niet op dezelfde basis zijn vastgelegd als het MREL. In het jaarverslag over het MREL moet de EBA ook de beleidsuitvoering door afwikkelingsautoriteiten van de nieuwe regels voor de kalibratie van het MREL voor transferstrategieën beoordelen. In het kader van de taken van de EBA, namelijk bijdragen tot het waarborgen van een samenhangende en gecoördineerde regeling voor crisismanagement en -afwikkeling in de Unie, moet de EBA crisissimulatie-oefeningen coördineren en er toezicht op houden. Die simulaties moeten de coördinatie en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, afwikkelingsautoriteiten en depositogarantiestelsels dekken tijdens de verslechtering van de financiële situatie van instellingen en entiteiten, het testen van de toepassing van het instrumentarium bij herstel- en afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling op holistische wijze. Bij die oefeningen moeten met name de grensoverschrijdende dimensie in de interactie tussen de bevoegde autoriteiten en de toepassing van de beschikbare instrumenten en bevoegdheden in overweging worden genomen. Indien relevant moeten de crisissimulatie-oefeningen ook de goedkeuring en uitvoering van afwikkelingsregelingen binnen de bankenunie bevatten, krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014.

(48)Een kwalitatief hoogstaande effectbeoordeling is cruciaal voor de ontwikkeling van degelijke en empirisch onderbouwde wetgevingsvoorstellen, terwijl feiten en bewijs cruciaal zijn als grondslag voor de beslissingen die worden genomen tijdens de wetgevingsprocedure. Om die reden moeten de afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken en de EBA de Commissie op haar verzoek alle informatie verstrekken die zij nodig heeft voor haar taken in verband met beleidsontwikkeling, met inbegrip van de voorbereiding van effectbeoordelingen en de voorbereiding van en onderhandelingen over wetgevingsvoorstellen.

(49)Richtlijn 2014/59/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(50)Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van het herstel- en afwikkelingskader voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de risico’s dat uiteenlopende nationale benaderingen voor de integriteit van de interne markt met zich mee kunnen brengen, maar veeleer door het wijzigen van regels die reeds op Unieniveau zijn vastgesteld, op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in datzelfde artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU

Richtlijn 2014/59/EU wordt als volgt gewijzigd:

(1)artikel 2, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

(a)het volgende punt 29 bis wordt ingevoegd:

“29 bis) “alternatieve maatregel vanuit de particuliere sector”: elke steun die niet aangemerkt is als buitengewone openbare financiële steun;’;

(b)punt 35 wordt vervangen door:

“35) “kritieke functies”: activiteiten, diensten of bedrijfsactiviteiten waarvan de onderbreking naar alle waarschijnlijkheid in een of meer lidstaten tot een verstoring van essentiële diensten aan de reële economie zal leiden of, wegens de omvang of het marktaandeel van een instelling of groep, haar verwevenheid met entiteiten binnen en buiten een groep, haar complexiteit of haar grensoverschrijdende activiteiten, de financiële stabiliteit op nationaal of regionaal niveau zal verstoren, vooral wat de vervangbaarheid ervan betreft;”;

(c)punt 71 wordt vervangen door:

“71) “bail-inbare passiva”: de passiva, met inbegrip van die welke aanleiding geven tot boekhoudkundige voorzieningen, en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), en die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 44, lid 2;”;

(d)de volgende punten 83 quinquies en 83 sexies worden ingevoegd:

“83 quinquies) “niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling” of “niet-EU-MSI”: een niet-EU-MSI in de zin van artikel 4, lid 1, punt 134, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(83 sexies) “MSI-entiteit”: een entiteit uit de financiële sector in de zin van artikel 4, lid 1, punt 136, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;

(e)het volgende punt 93 bis wordt ingevoegd:

“93 bis) “deposito”: ten behoeve van artikelen 108 en 109, deposito zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 3), van Richtlijn 2014/49/EU;”;

(2)In artikel 5 worden de leden 2, 3 en 4 vervangen door:

“2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de instellingen hun herstelplannen ten minste een keer per jaar bijwerken of na een verandering in de juridische of organisatiestructuur van de instelling, haar bedrijfsactiviteiten of haar financiële positie, welke een wezenlijk effect op het herstelplan kan hebben of een materiële wijziging hierin noodzakelijk maakt. De bevoegde autoriteiten kunnen van de instellingen eisen dat deze hun herstelplannen vaker bijwerken.

In afwezigheid van veranderingen genoemd in het eerste lid in de 12 maanden volgend op de meest recente jaarlijkse update van het herstelplan kunnen de bevoegde autoriteiten uitzonderlijk afstand doen van de verplichting om het herstelplan te updaten tot de volgende periode van 12 maanden.

3. De herstelplannen gaan niet uit van toegang tot of ontvangst van een van de volgende zaken:

(a)buitengewone openbare financiële steun;

(b)noodliquiditeitssteun van een centrale bank;

(c)liquiditeitssteun van een centrale bank die is verleend onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd of rentevoet.

4. In de herstelplannen wordt, in voorkomend geval, geanalyseerd hoe en wanneer een instelling onder de in het plan vermelde omstandigheden een verzoek om het gebruik van centrale bankfaciliteiten die niet zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het herstelplan uit hoofde van lid 3 mag indienen, en wordt aangegeven welke activa naar verwachting als zekerheid in aanmerking zouden komen.”;

(3)In artikel 6 wordt lid 5 vervangen door:

“5. Indien de bevoegde autoriteit oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er wezenlijke belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de instelling of de moederonderneming van de groep in kennis van haar beoordeling en eist zij dat de instelling binnen 3 maanden, met de toestemming van de autoriteiten verlengbaar met 1 maand, een herzien plan indient waaruit blijkt hoe de tekortkomingen of belemmeringen worden aangepakt.”;

(4)In artikel 8, lid 2, wordt de derde alinea vervangen door:

“Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), Verordening (EU) nr. 1093/2010 de bevoegde autoriteiten helpen bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”;

(5)In artikel 10 wordt het volgende lid 8 bis ingevoegd:

“8 bis. Afwikkelingsautoriteiten keuren geen afwikkelingsplannen goed wanneer een instelling wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht uit hoofde van artikel 32 ter of wanneer artikel 37, lid 6, van toepassing is.”;

(6)Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

(a)aan lid 1 wordt de volgende derde alinea toegevoegd:

“De vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, kan door de af te wikkelen entiteiten aan een vereenvoudigde aanpak worden onderworpen indien een dergelijke aanpak de afwikkelbaarheid van de groep niet negatief beïnvloedt, rekening houdend met de omvang van de dochteronderneming, haar risicoprofiel, het ontbreken van kritieke functies en de afwikkelingsstrategie van de groep.”;

(b)het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:

“5 bis. Afwikkelingsautoriteiten keuren geen afwikkelingsplannen goed wanneer een entiteit wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht uit hoofde van artikel 32 ter of wanneer artikel 37, lid 6, van toepassing is.”;

(7)In artikel 13, lid 4, wordt de vierde alinea vervangen door:

“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”;

(8)Aan artikel 15 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

“5. De EBA controleert de opstelling van een intern beleid voor en de uitvoering van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen van instellingen of groepen die door de afwikkelingsautoriteiten voorzien waren in dit artikel en in artikel 16. De EBA brengt aan de Commissie verslag uit over de bestaande praktijken inzake afwikkelbaarheidsbeoordelingen en mogelijke verschillen tussen lidstaten tegen … [PB in te voegen datum = 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en controleert indien passend de uitvoering van aanbevelingen die in dat verslag staan.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag omvat ten minste het volgende:

(a)een beoordeling van de methoden die door afwikkelingsautoriteiten zijn ontwikkeld om afwikkelbaarheidsbeoordelingen te maken, waarbij ook mogelijke verschillen tussen lidstaten worden bekeken;

(b)een beoordeling van de testcapaciteiten die afwikkelingsautoriteiten nodig hebben om een effectieve uitvoering van de afwikkelingsstrategie te waarborgen;

(c)het niveau van transparantie ten aanzien van relevante belanghebbenden van de methoden die door afwikkelingsautoriteiten zijn ontwikkeld om afwikkelbaarheidsbeoordelingen te maken en de uitkomst daarvan.”;

(9)Aan artikel 16 bis wordt het volgende lid 7 toegevoegd:

“7. Wanneer een entiteit niet op dezelfde basis aan het gecombineerde buffervereiste is onderworpen als de basis waarop zij aan de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies bedoelde vereisten moet voldoen, passen de afwikkelingsautoriteiten de leden 1 tot en met 6 van dit artikel toe op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat is berekend overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118* van de Commissie. Artikel 128, vierde lid, van Richtlijn 2013/36/EU is van toepassing.

De afwikkelingsautoriteiten nemen het in de eerste alinea bedoelde geraamde gecombineerde buffervereiste op in het besluit tot vaststelling van de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van deze Richtlijn bedoelde vereisten. De entiteit maakt het geraamde gecombineerde buffervereiste samen met de in artikel 45 decies, lid 3 bedoelde informatie openbaar.

______________________________

* Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).;”

(10)In artikel 17, lid 4, wordt de volgende derde alinea toegevoegd:

“Als de door de betrokken autoriteit voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid effectief wegnemen, zal de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, een beslissing nemen. Uit die beslissing zal blijken dat de voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid effectief verminderen of wegnemen en van de entiteit vereisen dat zij de voorgestelde maatregelen uitvoert.”;

(11)Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 4 wordt vervangen door:

“4. De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt elke maatregel die wordt voorgesteld door de EU-moederonderneming, mee aan de consoliderende toezichthouder, de EBA, de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor. Na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn, doet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles wat in hun vermogen ligt om binnen het afwikkelingscollege tot een gezamenlijk besluit te komen met betrekking tot de vaststelling van de wezenlijke belemmeringen en, indien nodig, de beoordeling van de door de EU-moederonderneming voorgestelde maatregelen alsmede de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen aan te pakken of weg te nemen, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.”;

(b)lid 9 wordt vervangen door:

“9. Bij het uitblijven van een gezamenlijk besluit over het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 17, lid 5, punt g), h) of k), kan de EBA, op verzoek van een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig leden 6, 6 bis of 7 van dit artikel, de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 assistentie verlenen bij het bereiken van overeenstemming.”;

(12)De artikelen 27 en 28 worden vervangen door:

Artikel 27

Vroegtijdige-interventiemaatregelen

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat bevoegde autoriteiten vroegtijdige-interventiemaatregelen kunnen toepassen indien een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

(a)de instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 102 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 38 van Richtlijn (EU) 2019/2034, of de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de door de instelling of entiteit toegepaste regelingen, strategieën, processen en mechanismen en de eigen fondsen en liquiditeit die door die instelling of entiteit worden aangehouden, geen gezond beheer en gezonde dekking van haar risico’s waarborgt, en geen van de volgende zaken is van toepassing:

i)de instelling of entiteit heeft niet de door de bevoegde autoriteit vereiste corrigerende maatregelen genomen, waaronder de maatregelen bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 49 van Richtlijn (EU) 2019/2034;

ii)de bevoegde autoriteit oordeelt dat andere corrigerende maatregelen dan vroegtijdige-interventiemaatregelen onvoldoende zijn om de problemen aan te pakken, onder meer vanwege een snelle en aanzienlijke verslechtering van de financiële situatie van de instelling of entiteit;

(b)de instelling of entiteit schendt in de twaalf maanden na de beoordeling van de bevoegde autoriteit de vereisten die zijn vastgelegd in titel II van Richtlijn 2014/65/EU, in de artikelen 3 tot en met 7, de artikelen 14 tot en met 17, of de artikelen 24, 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014, of in de artikelen 45 sexies of 45 septies van deze verordening, of zal deze waarschijnlijk schenden.

De bevoegde autoriteit kan bepalen dat aan de in de eerste alinea, punt a), ii), bedoelde voorwaarde is voldaan zonder eerder andere corrigerende maatregelen te hebben genomen, waaronder de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel lid 39, Richtlijn (EU) nr. 2019/2034.

1 bis. Voor de toepassing van lid 1 omvatten de vroegtijdige-interventiemaatregelen het volgende:

(a)het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een van de volgende handelingen verricht:

i)een of meer regelingen of maatregelen van het herstelplan uitvoeren;

ii)het herstelplan overeenkomstig artikel 5, lid 2, bijwerken wanneer de omstandigheden die tot de vroegtijdige interventie hebben geleid, verschillen van de aannamen in het oorspronkelijke herstelplan en binnen een specifieke termijn een of meer van de in het bijgewerkte herstelplan opgenomen regelingen of maatregelen uitvoeren;

(b)het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een vergadering van aandeelhouders van de entiteit bijeenroept, of, indien het leidinggevend orgaan niet aan dat vereiste voldoet, zelf rechtstreeks een aandeelhoudersvergadering bijeenroepen, en in beide gevallen de agenda vaststellen en verlangen dat bepaalde besluiten ter aanneming door de aandeelhouders worden voorgelegd;

(c)het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een plan opstelt, in voorkomend geval in overeenstemming met het herstelplan, voor onderhandelingen over de herstructurering van de schuld met sommige of al haar crediteuren;

(d)het vereiste om de juridische structuur van de instelling te wijzigen;

(e)het vereiste om het hoger management of het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in zijn geheel of met betrekking tot individuele personen te ontslaan of te vervangen, overeenkomstig artikel 28;

(f)aanstelling van een of meer tijdelijk bewindvoerders in de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), overeenkomstig artikel 29.

2. De bevoegde autoriteiten kiezen de passende vroegtijdige-interventiemaatregelen op basis van wat evenredig is met de nagestreefde doelstellingen, gelet op de ernst van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk en de snelheid van de verslechtering van de financiële situatie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), naast andere relevante informatie.

3. Voor elk van de in lid 1 bis genoemde maatregelen stellen de bevoegde autoriteiten een termijn vast die passend is voor de voltooiing van die maatregel en die de bevoegde autoriteit in staat stelt de doeltreffendheid ervan te beoordelen.

4. De EBA vaardigt uiterlijk [PB in te voegen datum = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn] richtlijnen uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 om de consequente toepassing van de in lid 1 van dit artikel genoemde voorwaarden te stimuleren.

Artikel 28

Vervanging van het hoger management of het leidinggevend orgaan

Voor de toepassing van artikel 27, lid 1a, punt e), zorgen de lidstaten ervoor dat het nieuwe hoger management of leidinggevend orgaan, of worden individuele leden van die organen, benoemd overeenkomstig de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving en onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde autoriteit.”;

(13)Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

(a)de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

“1. Voor de toepassing van artikel 27, lid 1a, punt f), zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een tijdelijke bewindvoerder aanstellen om een van de volgende zaken te doen:

(a)het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), tijdelijk vervangen;

(b)tijdelijk werken met het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), .

De bevoegde autoriteit specificeert haar keuze onder de punten a) of b) bij de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de bevoegde autoriteit voorts op het tijdstip van de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder de rol, taken en bevoegdheden van die tijdelijke bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit om de tijdelijke bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijke bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.

De lidstaten eisen van de bevoegde autoriteit dat zij de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maakt, behalve indien de tijdelijke bewindvoerder niet de bevoegdheid heeft om de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit te vertegenwoordigen.

De lidstaten zorgen er voorts voor dat een tijdelijke bewindvoerder voldoet aan de vereisten van artikel 91, leden 1, 2 en 8, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door bevoegde autoriteiten of de tijdelijke bewindvoerder aan die vereisten voldoet, maakt integraal deel uit van het besluit tot benoeming van die tijdelijke bewindvoerder.

2. Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn of haar aanstelling door de bevoegde autoriteit naargelang van de omstandigheden bepaald. Deze bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), krachtens de statuten van de instelling of entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke taken van het bestuur van de instelling of entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de instelling of entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht.

3. De bevoegde autoriteit bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder diens rol en taken af. Die rollen en taken kunnen de volgende zaken omvatten:

(a)beoordelen van de financiële positie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d);

(b)beheren van het bedrijf of een deel van het bedrijf door de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), om haar financiële positie te behouden of te herstellen;

(c)maatregelen nemen om het gezonde en voorzichtige beheer van het bedrijf of de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te herstellen.

De bevoegde autoriteit specificeert beperkingen op de rol en taken van de tijdelijk bewindvoerder op het ogenblik van zijn of haar aanstelling.”;

(b)in lid 5 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen, alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit.”;

(c)Lid 6 wordt vervangen door:

“6. Op verzoek van de bevoegde autoriteit stelt de tijdelijke bewindvoerder met door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen en in elk geval aan het einde van zijn mandaat verslagen op over de financiële positie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), en over de handelingen die hij gedurende zijn mandaat heeft verricht.”;

(14)Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

(a)de titel wordt vervangen door:

“Coördinatie van vroegtijdige-interventiemaatregelen met betrekking tot groepen”;

(b)de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

“1. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 met betrekking tot een EU-moederonderneming, brengt de consoliderende toezichthouder de EBA op de hoogte en raadpleegt hij de andere bevoegde autoriteiten binnen het college van toezichthouders alvorens een vroegtijdige-interventiemaatregel toe te passen.

2. Ten vervolge op de in lid 1 genoemde kennisgeving en raadpleging beslist de consoliderende toezichthouder of de vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 voor de betrokken EU-moederonderneming zullen worden toegepast, rekening houdend met het effect van deze maatregelen op de groepsentiteiten in andere lidstaten. De consoliderende toezichthouder stelt de EBA binnen het toezichtcollege alsook de andere bevoegde autoriteiten van het besluit in kennis.

3. Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 is voldaan met betrekking tot een dochteronderneming van een EU-moederonderneming, stelt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor toezicht op individuele basis en die voornemens is in overeenstemming met deze artikelen een maatregel te nemen, de EBA in kennis en raadpleegt zij de consoliderende toezichthouder.

Na ontvangst van de kennisgeving kan de consoliderende toezichthouder beoordelen welke gevolgen het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 in de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in kwestie voor de groep of groepsentiteiten in andere lidstaten zal hebben. De bevoegde autoriteit wordt door de consoliderende toezichthouder binnen drie dagen van deze beoordeling in kennis gesteld.

Na die kennisgeving en dat overleg beslist de bevoegde autoriteit of er een vroegtijdige-interventiemaatregel moet worden toegepast. Daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met een eventuele beoordeling van de consoliderende toezichthouder. De bevoegde autoriteit stelt de EBA en andere bevoegde autoriteiten binnen het toezichtcollege van het besluit in kennis.

4. Indien meerdere bevoegde autoriteiten voornemens zijn een vroegtijdige-interventiemaatregel in hoofde van artikel 27 toe te passen voor meerdere instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in dezelfde groep, gaan de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten na of het de voorkeur verdient voor alle betrokken entiteiten dezelfde tijdelijk bewindvoerder aan te stellen, dan wel de toepassing van de maatregelen van artikel 27 op meerdere instellingen te coördineren teneinde oplossingen te faciliteren waarmee de financiële positie van de betrokken instelling wordt hersteld. De beoordeling neemt de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten. Het gezamenlijk besluit wordt binnen 5 dagen na de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving genomen. Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en vastgelegd in een document dat door de consoliderende toezichthouder wordt verstrekt aan de EU-moederonderneming.

Op verzoek van de bevoegde autoriteiten kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 een bevoegde autoriteit assistentie verlenen bij het bereiken van overeenstemming.

Indien niet binnen 5 dagen een gezamenlijk besluit is genomen, kunnen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen individuele besluiten nemen over de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder voor de instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), waarvoor zij verantwoordelijk zijn en over de toepassing van maatregelen van artikel 27.”;

(c)Lid 6 wordt vervangen door:

“6. De EBA kan op verzoek van een bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten die voornemens zijn een of meer van de maatregelen in artikel 27, lid 1 bis, van deze richtlijn met betrekking tot de punten 4, 10, 11 en 19 van deel A van de bijlage bij deze richtlijn, in artikel 27, lid 1 bis, punt c), van deze richtlijn of in artikel 27, lid 1 bis, punt d) van deze richtlijn toe te passen, helpen bij het bereiken van overeenstemming met artikel 19, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;

(15)Het volgende artikel 30 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 30 bis

Voorbereiding van de afwikkeling

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de afwikkelingsautoriteiten onverwijld in kennis stellen van al het volgende:

(a)alle in artikel 104, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU genoemde maatregelen waarvan zij eisen dat een in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), van deze Richtlijn genoemde instelling of entiteit ze neemt;

(b)wanneer uit de toezichtactiviteit blijkt dat met betrekking tot een in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), van deze Richtlijn genoemde instelling of entiteit aan de voorwaarden van artikel 27, lid 1, van deze verordening is voldaan, de beoordeling dat aan die voorwaarden is voldaan, ongeacht eventuele vroegtijdige-interventiemaatregelen;

(c)de toepassing van een van de in artikel 27 bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.

De bevoegde autoriteiten houden, in samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten, nauwlettend toezicht op de situatie van de instelling of entiteit en op hun naleving van de in de eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen die erop gericht zijn een verslechtering van de situatie van die instelling of entiteit aan te pakken en met de in de eerste alinea, punt c), bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.

2. De bevoegde autoriteiten stellen de afwikkelingsautoriteiten zo snel mogelijk in kennis als zij van mening zijn dat er een wezenlijk risico is dat een of meer van de omstandigheden in artikel 32, lid 4 van toepassing zouden zijn in verband met een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d). Die kennisgeving bevat:

(a)de redenen van de melding;

(b)een overzicht van de maatregelen die het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen, het verwachte effect daarvan op de instelling of entiteit wat betreft de in artikel 32, lid 4, bedoelde omstandigheden en het verwachte tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.

Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving beoordelen de afwikkelingsautoriteiten, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten, wat een redelijk tijdsbestek is voor de beoordeling van de in artikel 32, lid 1, punt b), bedoelde toestand, rekening houdend met de snelheid waarmee de omstandigheden van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), verslechteren, de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren en andere relevante overwegingen. De afwikkelingsautoriteiten delen die beoordeling zo snel mogelijk mee aan de bevoegde autoriteiten.

Na de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving controleren de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten, in nauwe samenwerking, de situatie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), de uitvoering van eventuele relevante maatregelen binnen hun verwachte termijn en alle andere relevante ontwikkelingen. Daartoe komen de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten regelmatig bijeen, met een door de afwikkelingsautoriteiten vastgestelde frequentie, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. De bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten verstrekken elkaar onverwijld alle relevante informatie.

3. De bevoegde autoriteiten verstrekken de afwikkelingsautoriteiten alle informatie die door de afwikkelingsautoriteiten wordt gevraagd en die nodig is voor de volgende zaken:

(a)actualiseren van het afwikkelingsplan en voorbereiden van de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d);

(b)uitvoeren van een de artikel 36 bedoelde waardering.

Indien de bevoegde autoriteiten nog niet over dergelijke informatie beschikken, werken de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten samen en coördineren zij hun werkzaamheden om die informatie te verkrijgen. Daartoe hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te vragen dat zij deze informatie verstrekken, met inbegrip van inspecties ter plaatse, en om die informatie te verstrekken aan de afwikkelingsautoriteiten.

4. De bevoegdheden van de afwikkelingsautoriteiten omvatten de bevoegdheid om de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te verkopen aan potentiële kopers, of om regelingen te treffen voor een dergelijke verkoop, of om van de instelling of entiteit te vragen dat zij dit doen, voor de volgende doeleinden:

(a)voorbereidingen treffen voor de afwikkeling van die instelling of entiteit, afhankelijk van de in artikel 39, lid 2 genoemde voorwaarden en de vertrouwelijkheidsbepalingen in artikel 84;

(b)de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit van de in artikel 32, lid 1, punt b) bedoelde voorwaarde mee te delen.

5. Voor de toepassing van lid 4 hebben de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid om de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te vragen een digitaal platform in te voeren waarop de informatie die noodzakelijk is voor de verkoop van die instelling of entiteit, wordt gedeeld met potentiële kopers of met adviseurs en schatters die door de afwikkelingsautoriteit zijn ingeschakeld.

6. De vaststelling dat aan de in artikel 27, lid 1 is voldaan en de voorafgaande goedkeuring van vroegtijdige-interventiemaatregelen zullen geen noodzakelijke voorwaarden zijn voor afwikkelingsautoriteiten om voorbereidingen te treffen voor de afwikkeling van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), of om de in de leden 4 en 5 van dit artikel genoemde bevoegdheid uit te oefenen.

7. De afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van elke maatregel die is genomen in hoofde van de leden 4 en 5.

8. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten nauw samenwerken:

(a)wanneer zij overwegen de in lid 1, eerste alinea, punt a), van dit artikel bedoelde maatregelen te nemen om een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), aan te pakken, alsmede de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde maatregelen van dit artikel;

(b)wanneer zij overwegen een van de in de leden 4 en 5 bedoelde maatregelen te nemen;

(c)tijdens de uitvoering van de in punten a) en b) van deze alinea bedoelde maatregelen.

De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten dragen er zorg voor dat die maatregelen en acties consistent, gecoördineerd en effectief zijn.”;

(16)in artikel 31, lid 2, worden de punten c) en d) vervangen door:

“c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, met name wanneer deze uit de begroting van een lidstaat komt;

d) deposanten beschermen en tegelijkertijd de verliezen voor depositogarantiestelsels tot een minimum beperken, en beleggers die onder Richtlijn 97/9/EG vallen, beschermen;”;

(17)Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

(a)leden 1 en 2 worden vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel nemen in verband met een instelling of entiteit als de afwikkelingsautoriteiten, na ontvangst van een mededeling in hoofde van lid 2 of op eigen initiatief volgens de procedure die is vastgelegd in lid 2, aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a)de instelling faalt of zal waarschijnlijk falen;

(b)gezien de timing, de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren en andere relevante omstandigheden valt het redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de instelling genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, maatregelen van een toezichthouder, vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva, als bedoeld in artikel 59, lid 2, het falen van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen;

(c)een afwikkelingsmaatregel is het algemeen belang als bedoeld in lid 5.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, een beoordeling maakt van de in lid 1, punt a) genoemde voorwaarde.

De lidstaten kunnen bepalen dat de beoordeling van de in lid 1, punt a) genoemde voorwaarde door de bevoegde autoriteit kan worden gemaakt, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, indien de afwikkelingsautoriteiten krachtens het nationale recht beschikken over de nodige instrumenten om die beoordeling te maken, en in het bijzonder een passende toegang tot de relevante informatie. In een dergelijk geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de afwikkelingsautoriteit onverwijld alle relevante informatie bezorgt die deze laatste vraagt om haar beoordeling te maken, voor- of nadat zij door de afwikkelingsautoriteit op de hoogte is gebracht van haar voornemen om die beoordeling te maken.

De beoordeling van de in lid 1, punt b) genoemde voorwaarde wordt gemaakt door de afwikkelingsautoriteit in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit onverwijld alle relevante informatie waarom de afwikkelingsautoriteit vraagt om haar beoordeling te kunnen maken. De bevoegde autoriteit kan de afwikkelingsautoriteit ook meedelen dat zij van mening is dat aan de in de lid 1, punt b), vastgelegde voorwaarde is voldaan.”;

(b)lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

i)in de eerste alinea wordt punt d) vervangen door:

“d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij deze steun wordt verleend in een van de in artikel 32 quater bedoelde vormen;

ii)de tweede tot vijfde alinea wordt geschrapt;

(c)Lid 5 wordt vervangen door:

“5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), is een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang indien die afwikkelingsmaatregel noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 31 genoemde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de instelling volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteit, bij de uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, op basis van de informatie waarover zij op het moment van die beoordeling beschikt, alle buitengewone openbare financiële steun overweegt en vergelijkt waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze aan de instelling zal worden verleend, zowel in geval van afwikkeling als in geval van liquidatie overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.”;

(18)De artikelen 32 bis en 32 ter worden vervangen door:

Artikel 32 bis

Afwikkelingsvoorwaarden ten aanzien van een centraal orgaan en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan

De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel vaststellen met betrekking tot een centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, het centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen, of de af te wikkelen groep waartoe zij behoren, als geheel aan de in artikel 32, lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.

Artikel 32 ter

Procedures ten aanzien van instellingen en entiteiten die niet aan een afwikkelingsmaatregel onderworpen zijn

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer een afwikkelingsautoriteit bepaalt dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de in artikel 32, lid 1, punten a) en b) bedoelde voorwaarden, maar niet aan de voorwaarde in artikel 32, lid 1, punt c), de bevoegde nationale bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit de bevoegdheid heeft om onverwijld de procedure op te starten om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die op ordelijke wijze wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht binnen een redelijke termijn de markt verlaat of haar bankactiviteiten beëindigt.

3. De lidstaten dragen er zorg voor dat wanneer een afwikkelingsautoriteit vaststelt dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de voorwaarden in artikel 32, lid 1, punten a) en b), maar niet aan de voorwaarden in artikel 32, lid 1, punt c), de vaststelling dat de instelling of entiteit falend is of waarschijnlijk zal falen krachtens artikel 32, lid 1, punt a) een voorwaarde is voor de intrekking van de toelating door de bevoegde autoriteit krachtens artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU.

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de intrekking van de toestemming van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een voldoende voorwaarde is voor een bevoegde nationale bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit om onverwijld de procedure op te kunnen starten om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.’:

(19)het volgende artikel 32 quater wordt ingevoegd:

“Artikel 32 quater

Buitengewone openbare financiële steun

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat buitengewone openbare financiële steun buiten afwikkelingsmaatregelen om alleen bij uitzondering in een van de volgende gevallen aan een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), kan worden verleend mits de buitengewone openbare financiële steun voldoet aan de voorwaarden en vereisten die in de staatssteunregels van de Unie zijn vastgelegd:

(a)wanneer de buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te verhelpen of de financiële stabiliteit te vrijwaren, één van de volgende vormen aanneemt:

i)een staatsgarantie ter dekking van liquiditeitsfaciliteiten die door centrale banken tegen de voor centrale banken geldende voorwaarden worden verschaft;

ii)een staatsgarantie met betrekking tot nieuwe verplichtingen;

iii)een verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten dan tier 1-kernkapitaalinstrumenten of van andere kapitaalinstrumenten, of een gebruik van maatregelen voor probleemactiva tegen prijzen, looptijd en andere voorwaarden die de betrokken instelling of entiteit geen onrechtmatig voordeel opleveren, waarbij geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 32, lid 4, punten a), b) of c), noch de omstandigheden als bedoeld in artikel 59, lid 3, zich voordoen op het tijdstip waarop de openbare steun wordt verleend;

(b)wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een interventie door een depositogarantiestelsel om de financiële soliditeit en de levensvatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling in stand te houden overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 11 bis en 11 ter van Richtlijn 2014/49/EU, mits geen van de in artikel 32, lid 4, bedoelde omstandigheden zich voordoet;

(c)wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een interventie door een depositogarantiestelsel in het kader van de liquidatie van een instelling overeenkomstig artikel 32 ter en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU;

(d)wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU die wordt verleend in het kader van de liquidatie van de instelling of entiteit overeenkomstig artikel 32 ter van deze Richtlijn, met uitzondering van de steun die wordt verleend door een depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU.

2. De in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen moeten aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

(a)de maatregelen zijn beperkt tot solvente instellingen of entiteiten, zoals bevestigd door de bevoegde autoriteit;

(b)de maatregelen hebben een preventief en tijdelijk karakter en zijn gebaseerd op een vooraf door of de bevoegde autoriteit goedgekeurde exitstrategie, met inbegrip van een duidelijk gespecificeerde einddatum, verkoopdatum of terugbetalingsschema voor de verstrekte maatregelen;

(c)de maatregelen zijn evenredig om de gevolgen van de ernstige verstoring op te heffen of de financiële stabiliteit in stand te houden;

(d)de maatregelen worden niet gebruikt ter compensatie van verliezen die de instelling of entiteit heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), wordt een instelling of entiteit geacht solvabel te zijn indien de bevoegde autoriteit heeft geconcludeerd dat er geen sprake is of kan zijn van een schending, in de twaalf volgende maanden, van een van de vereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU, artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, artikel 40 van Richtlijn (EU) 2019/2034 of de relevante toepasselijke vereisten krachtens nationaal of Unierecht.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), kwantificeert de betrokken bevoegde autoriteit de verliezen die de instelling of entiteit heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden. Die kwantificering is ten minste gebaseerd op de balans van de instelling of entiteit, mits de balans voldoet aan de toepasselijke boekhoudregels en -normen, zoals bevestigd door een onafhankelijke externe accountant en, indien beschikbaar, op door de Europese Centrale Bank, de EBA of de nationale autoriteiten verrichte beoordelingen van de kwaliteit van de activa of, in voorkomend geval, op door de bevoegde autoriteit verrichte inspecties ter plaatse.

De in lid 1, punt a), iii), bedoelde steunmaatregelen blijven beperkt tot maatregelen die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om de solvabiliteit van de instelling of entiteit te handhaven door het aanpakken van haar kapitaaltekort dat is vastgesteld in het ongunstige scenario van nationale, Unie- of GTM-brede stresstests of gelijkwaardige exercities die door de Europese Centrale Bank, de EBA of nationale autoriteiten zijn uitgevoerd, indien van toepassing, en die door de bevoegde autoriteit zijn bevestigd.

In afwijking van lid 1, punt a), iii), is de verwerving van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer het vastgestelde tekort van dien aard is dat de verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten de betrokken instelling of entiteit niet in staat zou stellen haar in het ongunstige scenario van de desbetreffende stresstest of soortgelijke exercitie vastgestelde kapitaaltekort aan te pakken. Het bedrag van de verworven tier 1-kernkapitaalinstrumenten mag niet hoger zijn dan 2 % van het totale risicobedrag van de betrokken instelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Ingeval een van de in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen niet wordt afgelost, terugbetaald of anderszins beëindigd overeenkomstig de voorwaarden van de bij de toekenning van een dergelijke maatregel vastgestelde exitstrategie, concludeert de bevoegde autoriteit dat met betrekking tot de instelling of entiteit die deze steunmaatregelen heeft ontvangen, is voldaan aan de in artikel 32, lid 1, punt a), vastgelegde voorwaarde en deelt zij die beoordeling mee aan de betrokken afwikkelingsautoriteit.”;

3. De EBA vaardigt uiterlijk [PB in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], richtlijnen uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over het soort tests, beoordelingen of oefeningen als bedoeld in lid 2, vierde alinea, die kunnen leiden tot de in lid 1, punt a), iii) bedoelde steunmaatregelen.”;

(20)In artikel 33 wordt lid 2 vervangen door:

“2. De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel kunnen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten c) of d), indien die entiteit voldoet aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden.

Daartoe wordt een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten c) en d), als falend of waarschijnlijk falend beschouwd in een van de volgende omstandigheden:

(a)de entiteit voldoet aan een of meer van de voorwaarden van artikel 32, lid 4, punten b), c) of d);

(b)de entiteit maakt wezenlijk inbreuk, of er zijn objectieve elementen waaruit blijkt dat de entiteit in de nabije toekomst wezenlijk inbreuk zal maken op de toepasselijke voorschriften van Verordening (EU) nr. 575/2013 of in Richtlijn 2013/36/EU.”;

(21)Artikel 33 bis wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instelling of entiteit en de in artikel 83, lid 2, punten a) tot en met h), bedoelde autoriteiten onverwijld ervan op de hoogte brengen wanneer zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid uitoefenen nadat op grond van artikel 32, lid 1, punt a), is vastgesteld dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, en voordat het afwikkelingsbesluit wordt genomen.

(b)Aan lid 9 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea dragen de lidstaten dragen er zorg voor dat indien dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende deposito's en die deposito's niet als onbeschikbaar worden beschouwd voor de toepassing van Richtlijn 2014/49/EU, deposanten toegang hebben tot een passend dagelijks bedrag uit die deposito’s.”;

(22)Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een speciale bestuurder kunnen aanstellen om het bestuursorgaan te vervangen van de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling of ermee samen te werken. De afwikkelingsautoriteiten maken de aanstelling van een bijzonder bestuurder openbaar. Afwikkelingsautoriteiten waarborgen dat de bijzonder bestuurder de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis heeft om zijn of haar functies uit te oefenen.

Artikel 91 van Richtlijn 2013/36/EU geldt niet voor de aanstelling van bijzondere bestuurders.”;

(b)in lid 2 wordt de eerste zin vervangen door:

“De bijzonder bestuurder heeft alle bevoegdheden van de aandeelhouders en het leidinggevend orgaan van de instelling.”;

(c)Lid 5 wordt vervangen door:

“5. De lidstaten eisen dat een bijzonder bestuurder met regelmatige tussenpozen die door de afwikkelingsautoriteit worden vastgesteld en aan het begin en einde van zijn mandaat verslagen ten behoeve van de aanstellende afwikkelingsautoriteit opstelt over de economische en financiële positie van de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling. instelling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht.”;

(23)Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt de eerste zin vervangen door:

“1. Alvorens te bepalen of aan de afwikkelingsvoorwaarden of de voorwaarden voor afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 59 is voldaan, dragen de afwikkelingsautoriteiten er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1 punten b), c) of d), wordt uitgevoerd door een persoon die onafhankelijk is van enige overheidsinstantie, daaronder begrepen de afwikkelingsautoriteit en de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1 punten b), c) of d).”;

(b)het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:

“7a. Wanneer zulks noodzakelijk is om de in lid 4, punten c) en d), bedoelde beslissingen te onderbouwen, vult de schatter de in lid 6, punt c), bedoelde informatie aan met een raming van de waarde van de activa en passiva buiten de balanstelling, met inbegrip van de voorwaardelijke verplichtingen en activa.”;

(24)Aan artikel 37 wordt het volgende lid 11 toegevoegd:

“11. De EBA controleert de maatregelen en voorbereiding van afwikkelingsautoriteiten om een effectieve uitvoering van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden in geval van afwikkeling te verzekeren. De EBA brengt uiterlijk … [PB in te voegen datum = 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] verslag uit aan de Commissie over de stand van zaken van bestaande praktijken en mogelijke verschillen tussen lidstaten en controleert indien nodig de uitvoering van elke in dat verslag vermelde aanbeveling.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag omvat ten minste het volgende:

(a)de regelingen die zijn getroffen om het instrument van bail-in uit te voeren en het niveau van betrokkenheid bij de infrastructuur op de financiële markten en autoriteiten in derde landen indien dat relevant is;

(b)de regelingen die zijn getroffen om het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten te operationaliseren;

(c)het niveau van transparantie ten aanzien van relevante belanghebbenden wat betreft de in punten a) en b) genoemde regelingen.”;

(25)Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“Teneinde uitvoering te geven aan het instrument van de overbruggingsinstelling en gelet op de noodzaak kritieke functies in de overbruggingsinstelling te handhaven of een van de afwikkelingsdoelstellingen na te streven, dragen de lidstaten er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om aan een overbruggingsinstelling het volgende over te dragen:”;

(b)in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

“De toepassing van het instrument van bail-in ter verwezenlijking van het in artikel 43, lid 2, punt b), bedoelde doel doet geen afbreuk aan het vermogen van de afwikkelingsautoriteit om zeggenschap uit te oefenen over de overbruggingsinstelling. Waar de toepassing van het instrument van bail-in het mogelijk maakt dat het kapitaal van de overbruggingsinstelling volledig wordt verstrekt via de omzetting van bail-inbare passiva naar aandelen of andere soorten kapitaalinstrumenten, kan afstand gedaan worden van het vereiste dat de overbruggingsinstelling volledig of deels eigendom is van een of meer overheden.”;

(26)in artikel 42, lid 5, wordt punt b) vervangen door:

“b) die overdracht noodzakelijk is om het goede functioneren van de instelling in afwikkeling, de overbruggingsinstelling of het vehikel voor activabeheer zelf te verzekeren; of”’;

(27)Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat het instrument van bail-in kan worden toegepast op alle passiva, met inbegrip van degene die aanleiding geven tot een boekhoudkundige voorziening, van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die niet op grond van lid 2 of 3 van dit artikel van het toepassingsgebied van dat instrument zijn uitgesloten.”;

(b)Lid 5 wordt vervangen door:

“5. De financieringsregeling voor de afwikkeling mag een in lid 4 bedoelde bijdrage enkel leveren indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a)een bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie ten belope van een bedrag van niet minder dan 8 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de in artikel 36 bedoelde waardering, is geleverd door de aandeelhouders en de houders van andere instrumenten van eigendom, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva door middel van vermindering, afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 48, lid 1, en artikel 60, lid 1, en door het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 109, indien van toepassing;

(b)de bijdrage van de financieringsregeling voor de afwikkeling niet hoger is dan 5 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de waardering waarin in artikel 36 is voorzien.”;

(c)Lid 7 wordt vervangen door:

“7. De financieringsregeling voor de afwikkeling kan een bijdrage leveren uit middelen die zijn bijeengebracht via in artikel 100, lid 6 en artikel 103 bedoelde vooraf te betalen bijdragen en die nog niet zijn gebruikt, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

(a)de financieringsregeling voor de afwikkeling heeft een bijdrage geleverd overeenkomstig lid 4 en de in lid 5, punt b), bedoelde limiet van 5 % is bereikt;

(b)alle passiva met een lagere rangorde dan deposito’s en die niet zijn uitgesloten van bail-in overeenkomstig de artikelen 44, lid 2 en 44, lid 3, zijn volledig afgeschreven of omgezet.

In buitengewone omstandigheden kan de afwikkelingsautoriteit, als alternatief afkomstig van in aanvulling op de eerste alinea bedoelde bijdrage van de financieringsregeling voor de afwikkeling, indien aan de voorwaarden van de eerste alinea is voldaan, verdere financiering uit alternatieve financieringsbronnen trachten te verkrijgen.”;

(28)Aan artikel 44 bis wordt het volgende lid 8 toegevoegd:

“8. Uiterlijk … [PB in te voegen datum = 24 maanden jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn] brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over de toepassing van dit artikel. In dat verslag worden de maatregelen die door de lidstaten zijn aangenomen om dit artikel na te leven, vergeleken, wordt hun doeltreffendheid bij de bescherming van niet-professionele beleggers geanalyseerd en wordt hun impact op grensoverschrijdende verrichtingen beoordeeld.

Op grond van dat verslag kan de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn indienen.”;

(29)In artikel 45 wordt lid 1 vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instellingen en entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien vereist en zoals bepaald door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig dit artikel en de artikelen 45 bis tot en met 45 decies.”;

(30)Artikel 12 ter wordt als volgt gewijzigd:

(a)in de leden 4, 5 en 7 wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;

(b)lid 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)in de eerste alinea wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;

ii)in de tweede alinea, punt c), wordt het woord “MSI” vervangen door de woorden “MSI-entiteit”;

iii)in de vierde alinea wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;

(c)het volgende lid 10 wordt toegevoegd:

“10. De afwikkelingsautoriteiten kunnen af te wikkelen entiteiten toestaan aan de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten te voldoen met gebruikmaking van eigen vermogen of passiva als bedoeld in de leden 1 en 3 wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

(a)voor entiteiten die MSI-entiteiten zijn of af te wikkelen entiteiten waarop artikel 45 quater, lid 5 of 6, van toepassing is, heeft de afwikkelingsautoriteit het in lid 4 van dit artikel bedoelde vereiste niet overeenkomstig de eerste alinea van dat lid verlaagd;

(b)de in lid 1 van dit artikel bedoelde passiva die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 72 ter, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 4, punten b) tot en met e), van die verordening.”;

(31)Artikel 45 quater wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 3, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de woorden “kritieke functies”;

(b)lid 4 wordt vervangen door:

“4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis bedoelde vereiste van Richtlijn 2013/36/EU en het gecombineerde buffervereiste voor:

(a)af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU;

(b)entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, indien de entiteit niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU op dezelfde basis als het vereiste als bedoeld in artikel 45 septies van deze Richtlijn.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk … [PB in te voegen datum = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.”;

(c)in lid 7, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de woorden “kritieke functies”;

(32)het volgende artikel 45 quater bis wordt ingevoegd:

artikel 45 quater bis

Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor overdrachtsstrategieën die tot terugtrekking uit de markt leiden

1. Bij de toepassing van artikel 45 quater op een af te wikkelen entiteit waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie hoofdzakelijk voorziet in het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt, stelt de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45 quater, lid 3, bedoelde herkapitalisatiebedrag op evenredige wijze vast op basis van de volgende criteria, al naargelang het geval:

(a)de omvang, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, en de diepte van de markt waarop de af te wikkelen entiteit actief is;

(b)de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die moeten worden overgedragen aan een ontvanger zoals aangegeven in het afwikkelingsplan, rekening houdend met:

i)de kernactiviteiten en kritieke functies van de af te wikkelen entiteit;

ii)de van bail-in uitgesloten passiva overeenkomstig artikel 44, lid 2;

iii)de in de artikelen 73 tot en met 80 bedoelde vrijwaringsmaatregelen;

(c)de verwachte waarde en verhandelbaarheid van de in punt b) bedoelde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva van de afwikkelingsentiteit, rekening houdend met:

i)alle door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde materiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid die rechtstreeks verband houden met de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling;

ii)de verliezen die voortvloeien uit de activa, rechten of passiva die in de resterende instelling zijn achtergebleven;

(d)of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de overdracht van door de af te wikkelen entiteit uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten, dan wel van alle of een deel van de activa, rechten en passiva van de af te wikkelen entiteit;

(e)of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de toepassing van het instrument van afsplitsing van activa.

2. Indien het afwikkelingsplan bepaalt dat de entiteit volgens een normale insolventieprocedure of een andere gelijkwaardige nationale procedure zal worden geliquideerd en voorziet in het gebruik van het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU, houdt de afwikkelingsautoriteit bij het uitvoeren van de in artikel 45 quater, lid 2 bis, tweede alinea, van deze Richtlijn bedoelde beoordeling ook rekening met lid 1 van dit artikel.

3. De toepassing van lid 1 mag niet leiden tot een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 45 quater, lid 3.”;

(33)in artikel 45 quinquies, lid 1, wordt het inleidend gedeelte vervangen door:

“Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI-entiteit is, bestaat uit het volgende:”;

(34)Artikel 45 sexies, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:

“In afwijking van de eerste en tweede alinea van dit lid voldoen EU-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn, op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies neergelegde vereisten.”;

(35)Artikel 45 terdecies wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt punt a) vervangen door:

“a) hoe het overeenkomstig artikel 45 sexies of artikel 45 septies vastgestelde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op nationaal niveau ten uitvoer is gelegd, met inbegrip van artikel 45 quater bis, en met name of er tussen de lidstaten verschillen in de voor vergelijkbare entiteiten vastgestelde niveaus zijn;”

(b)in lid 3, tweede alinea, wordt de volgende zin ingevoegd:

“De in lid 2 genoemde verplichtingen zal ophouden van toepassing te zijn nadat het tweede verslag is ingediend.”;

(36)in artikel 45 quaterdecies wordt lid 4 vervangen door:

“4. De vereisten, bedoeld in artikel 45 ter, leden 4 en 7, alsmede in artikel 45 quater, ;leden 5 en 6, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI of niet-EU-MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 45 quater, lid 5 of 6, bedoelde situatie bevindt.”;

(37)In artikel 46, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:

“De in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling stelt het bedrag vast waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet:

(a)om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling in afwikkeling te herstellen of voorkomend de ratio van de overbruggingsinstelling vast te rekening houdend met een eventuele kapitaalinbreng door de financieringsregeling voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101 1, punt d van deze richtlijn;

(b)om voldoende marktvertrouwen in de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven, rekening houdend met voorwaardelijke verplichtingen, en de instelling in afwikkeling in staat te stellen gedurende ten minste één jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend,”;

(38)in artikel 47, lid 1, wordt punt b) i), vervangen door:

“i)    relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva die door de instelling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 59, lid 2, bedoelde bevoegdheid; of”’;

(39)Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In uitzonderlijke omstandigheden kan de afwikkelingsautoriteit de termijn van 1 maand voor de indiening van het bedrijfssaneringsplan met nog een maand verlengen.”;

(b)in lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De afwikkelingsautoriteit kan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), vragen dat zij bijkomende elementen opneemt in het bedrijfssaneringsplan.”;

(40)In artikel 53 wordt lid 3 vervangen door:

“3. Indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot een verplichting, met inbegrip van een verplichting die aanleiding geeft tot een boekhoudkundige voorziening, met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, punt f), bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, dan worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de instelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.”;

(41)Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

“b) de aansprakelijkheid is geen deposito als bedoeld in artikel 108, lid 1, punten a) of b)’;

(b)in lid 2 worden de vijfde en zesde alinea vervangen door:

“Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij overeenkomstig de artikelen 15 en 16 de afwikkelbaarheid van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag aan passiva zonder het in lid 1 van dit artikel bedoelde contractueel beding, samen met de passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 2, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 44, lid 3, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die instelling of entiteit, onder meer de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 73 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende passiva.

Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in de vijfde alinea van de in dit lid bedoelde beoordeling concludeert dat de passiva die niet de in de lid 1 van dit artikel bedoelde contractuele bepaling bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij de in artikel 17 bepaalde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.”;

(42)Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 3 wordt punt e) vervangen door:

“e) buitengewone openbare financiële steun wordt vereist door de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit tenzij die steun wordt verleend in een van de in artikel 18 bis, lid 32c, bedoelde vormen.”;

(b)in lid 4 wordt punt b) vervangen door:

“b) gezien het tijdsbestek, de noodzaak om de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting of de afwikkelingsstrategie voor de af te wikkelen groep effectief uit te voeren en andere ter zake doende omstandigheden, valt redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel, inclusief alternatieve maatregelen van de particuliere sector, maatregelen van een toezichthouder of vroegtijdige-interventiemaatregelen, dan de afschrijving of omzetting van de kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis, het falen van de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen.”;

(43)Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)punt m) wordt vervangen door:

“m) de bevoegdheid om de bevoegde autoriteit opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming tijdig en in afwijking van de in artikel 22 van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 12 van Richtlijn 2014/65/EU vastgestelde termijnen te beoordelen;”;

ii)het volgende punt n) wordt ingevoegd:

“n) de bevoegdheid om verzoeken te doen krachtens artikel 17, lid 5 van Verordening (EU) nr. 596/2014 namens de instelling in afwikkeling;”;

(b)in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a) behoudens artikel 3, lid 6, en artikel 85, lid 1, vereisten om de goedkeuring of toestemming van een publieke of privépersoon, met inbegrip van aandeelhouders of schuldeisers van de instelling in afwikkeling en de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de artikelen 22 tot en met 27 van Richtlijn 2013/36/EU, te verkrijgen;”;

(44)Artikel 71 bis, lid 3, wordt vervangen door:

“3. Lid 1 is van toepassing op elk financieel contract dat voldoet aan het volgende:

(a)het contract creëert een nieuwe verplichting, of verandert een bestaande verplichting wezenlijk na de inwerkingtreding van de bepalingen die op nationaal niveau zijn vastgesteld tot omzetting van dit artikel;’

(b)het contract voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop de artikelen 33 bis, 68, 69, 70 of 71 van toepassing zouden zijn indien het financiële contract onder de wetgeving van een lidstaat zou vallen.”;

(45)In artikel 74, lid 3, wordt het volgende punt d) ingevoegd:

“d) bij het bepalen van de verliezen die het depositogarantiestelsel zou hebben geleden indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd, worden de criteria en methodologie toegepast als bedoeld in artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en in elke gedelegeerde handeling die overeenkomstig dat artikel is vastgesteld.”;

(46)In artikel 88 wordt het volgende lid 6 bis ingevoegd:

“6bis. Om de taken als bedoeld in de artikelen 10, lid 1, 15, lid 1 en 17, lid 1, te vergemakkelijken en alle relevante informatie uit te wisselen, stelt de afwikkelingsautoriteit van een instelling met belangrijke bijkantoren in andere lidstaten een afwikkelingscollege samen en zit zij dit voor.

De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling beslist welke autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het afwikkelingscollege, rekening houdend met de relevantie van de voor die autoriteiten te plannen of coördineren activiteit, met name de potentiële impact op de stabiliteit van het financiële systeem in de betrokken lidstaten de in de eerste alinea genoemde taken.

De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling houdt alle leden van het afwikkelingscollege college volledig en vooraf op de hoogte over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling houdt ook alle leden van het college tijdig en volledig op de hoogte over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.”;

(47)Artikel 91 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. Indien een afwikkelingsautoriteit besluit dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die een dochteronderneming in een groep is, voldoet aan de in de artikelen 32 of 33 gestelde voorwaarden, stelt de autoriteit de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien deze verschillend is, de consoliderende toezichthouder en de leden van het afwikkelingscollege voor de groep in kwestie onverwijld in kennis van de volgende informatie:

(a)de beslissing dat de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 32, lid 1, punten a) en b), of in artikel 33, lid 1 of 2 indien van toepassing, of aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 33, lid 4;

(b)het resultaat van de beoordeling van de voorwaarde als bedoeld in artikel 32, lid 1, punt c);

(c)de afwikkelingsmaatregelen of insolventiemaatregelen die de afwikkelingsautoriteit passend acht voor die instelling of entiteit.

De in de eerste alinea genoemde informatie kan worden opgenomen in de kennisgevingen die krachtens artikel 81, lid 3 ) zijn meegedeeld aan de in de eerste alinea van dit lid genoemde adressaten.”;

(b)in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”;

(48)In artikel 92, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”;

(49)In artikel 97 wordt lid 4 vervangen door:

“4. Afwikkelingsautoriteiten sluiten indien passend niet-bindende samenwerkingsregelingen met de in lid 2 genoemde bevoegde autoriteiten in derde landen. Die regelingen stemmen overeen met de EBA-kaderovereenkomst.

De bevoegde autoriteiten sluiten indien passend niet-bindende samenwerkingsregelingen met de in lid 2 genoemde bevoegde autoriteiten in derde landen. Die regelingen stemmen overeen met de EBA-kaderovereenkomst en waarborgen dat de informatie die aan de autoriteiten in derde landen openbaar worden gemaakt, onderworpen is aan een garantie dat vereisten inzake het beroepsgeheim worden nagekomen die ten minste gelijkwaardig zijn met de vereisten als bedoeld in artikel 53, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU.”

(50)in artikel 98 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

(a)de inleidende zin wordt vervangen door:

“De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten en bevoegde ministeries alleen vertrouwelijke informatie, met inbegrip van herstelplannen, met betrokken autoriteiten van derde landen uitwisselen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:”;

(b)de volgende tweede en derde alinea worden toegevoegd:

“De lidstaten dragen er zorg voor dat bevoegde autoriteiten alleen vertrouwelijke informatie met betrokken autoriteiten van derde landen uitwisselen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a)in verband met herstel- en afwikkelingsgerelateerde informatie, de in de eerste alinea genoemde voorwaarden;

(b)in verband met andere informatie die beschikbaar is voor de bevoegde autoriteiten, de voorwaarden als bedoeld in artikel 55 van Richtlijn 2013/36/EU.

Voor de toepassing van de tweede alinea omvat herstel- en afwikkelingsgerelateerde informatie alle informatie die rechtstreeks verband houdt met de taken van bevoegde autoriteiten in hoofde van deze richtlijn, met name herstelplanning en herstelplannen, vroegtijdige-interventiemaatregelen en uitwisselingen met afwikkelingsautoriteiten betreffende afwikkelingsplanning, afwikkelingsplannen en afwikkelingsmaatregelen.”;

(51)In artikel 101 wordt lid 2 vervangen door:

“2. Indien de afwikkelingsautoriteit bepaalt dat het gebruik van een financieringsregeling voor de afwikkeling voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde doeleinden er waarschijnlijk zal toe leiden dat een deel van de verliezen van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), ondergebracht wordt in de financieringsregeling voor de afwikkeling, gelden de beginselen betreffende het gebruik van de bij artikel 44 vastgestelde financieringsregeling voor de afwikkeling.”;

(52)In artikel 102, lid 3, wordt de eerste alinea vervangen door:

“Indien de beschikbare financiële middelen na de in lid 1 van dit artikel bedoelde initiële termijn dalen tot onder het in dat lid vermelde streefbedrag, worden opnieuw overeenkomstig artikel 103 normale bijdragen geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. Afwikkelingsautoriteiten kunnen de inning van de overeenkomstig artikel 103 geïnde regelmatige bijdragen gedurende één of meer jaren uitstellen indien het te innen bedrag een bedrag bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits dit uitstel geen wezenlijke gevolgen heeft voor het vermogen van de afwikkelingsautoriteit om de financieringsregelingen voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101 te gebruiken. Deze bijdragen worden vastgesteld op een niveau waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat het streefbedrag binnen zes jaar kan worden bereikt nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt en indien de beschikbare financiële middelen vervolgens zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag.”;

(53)Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 3 wordt vervangen door:

“3. De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 102 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook niet-herroepbare betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsautoriteiten voor de in artikel 101, lid 1, genoemde doeleinden. Het aandeel van onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 50 % van het totaalbedrag dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd. Binnen dat maximum bepaalt de afwikkelingsautoriteit jaarlijks het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de overeenkomstig dit artikel te heffen bijdragen.”;

(b)het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:

“3 bis. De afwikkelingsautoriteit vraagt de overeenkomstig lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen op wanneer het gebruik van de financieringsregelingen voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101 noodzakelijk is.

Indien een entiteit ophoudt onder het toepassingsgebied van artikel 1 te vallen en niet langer verplicht is bijdragen te betalen overeenkomstig lid 1 van dit artikel, vraagt de afwikkelingsautoriteit de onherroepelijke betalingsverplichtingen die krachtens lid 3 zijn gedaan en nog steeds verschuldigd zijn, op. Indien de aan de onherroepelijke betalingstoezegging verbonden bijdrage op eerste verzoek naar behoren wordt betaald, annuleert de afwikkelingsautoriteit de verplichting en geeft hij de zekerheid terug. Indien de bijdrage bij de eerste afroep niet naar behoren wordt betaald, legt de afwikkelingsautoriteit beslag op de zekerheid en annuleert hij de toezegging.”;

(54)In artikel 104, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

“Buitengewone achteraf te betalen bijdragen bedragen niet meer dan drie keer 12,5 % van het in artikel 102 vermelde streefbedrag.”;

(55)Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat in hun nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures de volgende onderdelen dezelfde rangorde hebben die hoger is dan de rangorde van vorderingen van gewone concurrente schuldeisers:

(a)deposito’s;

(b)deposito’s gedaan via dochterondernemingen gelegen buiten de Unie van instellingen die gevestigd zijn in de Unie;

(c)depositogarantiestelsels die middels subrogatie in de rechten en verplichtingen van de gedekte deposanten getreden zijn, bij insolventie.”;

(b)de volgende leden 8 en 9 worden ingevoegd:

“8. Indien de in artikel 37, lid 3, punt a) of b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, heeft de financieringsregeling voor de afwikkeling een vordering op de resterende instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voor alle kosten en verliezen die door de financieringsregeling voor de afwikkeling zijn gedragen als gevolg van eventuele bijdragen aan de afwikkeling overeenkomstig artikel 101, lid 1 in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen.

9. De lidstaten dragen er zorg voor dat de vorderingen van de financieringsregeling voor de afwikkeling als bedoeld in lid 8 van dit artikel en in artikel 37, lid 7, in hun nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures een voorkeursrangorde hebben die hoger is dan de rangorde die is voorzien voor de vorderingen van deposito’s en van depositogarantiestelsels in hoofde van lid 1 van dit artikel.”;

(56)Artikel 109 wordt als volgt gewijzigd:

(a)leden 1 en 2 worden vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer de afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een kredietinstelling nemen, en mits die maatregelen garanderen dat deposanten toegang blijven hebben tot hun deposito’s, om te voorkomen dat deposanten verliezen dragen, het depositogarantiestelsel waarbij die kredietinstelling is aangesloten, de volgende bedragen bijdraagt:

(a)indien het instrument van bail-in wordt toegepast, onafhankelijk of in combinatie met het instrument van afsplitsing van activa, het bedrag waarmee gedekte deposito’s zouden zijn afgeschreven of omgezet om de verliezen te absorberen en de instelling in afwikkeling te herkapitaliseren in hoofde van artikel 46, lid 1, deposito’s had gedekt die waren opgenomen in de reikwijdte van bail-in;

(b)indien het instrument van verkoop van onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling worden toegepast, onafhankelijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten:

i)het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen de waarde van de gedekte deposito’s en van de passiva met dezelfde of een hogere voorkeursrangorde dan deposito’s en de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die moeten worden overgedragen aan een ontvanger; alsmede

ii)indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de ontvanger na de overdracht te waarborgen.

In de gevallen genoemd in de eerste alinea, punt b), waarbij de overdracht naar de ontvanger deposito’s omvat die geen gedekte deposito’s of andere bail-inbare passiva zijn en de afwikkelingsautoriteit beoordeelt dat omstandigheden als bedoeld in artikel 44, lid 3, van toepassing zijn op die deposito’s of passiva, draagt het depositogarantiestelsel het volgende bij:

(a)het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen de waarde van de deposito’s, met inbegrip van deposito’s die niet gedekt zijn, en van de passiva met dezelfde of een hogere voorkeursrangorde dan deposito’s en de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die moeten worden overgedragen aan een ontvanger; alsmede

(b)indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de overdracht voor de ontvanger te waarborgen.

De lidstaten dragen er zorg voor dat, zodra het depositogarantiestelsel een bijdrage heeft gedaan in de gevallen als bedoeld in de tweede alinea, de instelling in afwikkeling zich onthoudt van het verwerven van belangen in andere ondernemingen alsmede uitkeringen in verband met tier 1-kapitaal of betalingen op aanvullende tier 1-instrumenten, of van andere activiteiten die kunnen leiden tot een uitstroom van fondsen.

In alle gevallen mogen de kosten van de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet groter zijn dan de kosten van de terugbetaling van deposanten zoals berekend door het depositogarantiestelsel in hoofde van artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU.

Indien bij een waardering uit hoofde van artikel 74 wordt vastgesteld dat de kosten van de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan de afwikkeling groter was dan de verliezen die het zou hebben geleden, indien de instelling zou zijn afgewikkeld op grond van een normale insolventieprocedure, heeft het depositogarantiestelsel recht op de betaling van het verschil met de financieringsregeling voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 75.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteit het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel bepaalt in overeenstemming met lid 1 na raadpleging van het depositogarantiestelsel over de geraamde kosten van terugbetaling aan deposanten overeenkomstig artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en met inachtneming van de voorwaarden als bedoeld in artikel 36 van deze Richtlijn.

De afwikkelingsautoriteit deelt haar in de eerste alinea genoemde beslissing mee aan het depositogarantiestelsel waarbij de instelling is aangesloten. Het depositogarantiestelsel voert dat besluit onverwijld uit.”;

(b)de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2a. Indien de fondsen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punt a), om bij te dragen tot de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling, dragen de lidstaten er zorg voor dat het depositogarantiestelsel zijn deelnemingen van aandelen of andere kapitaalinstrumenten in de instelling in afwikkeling zo snel als de commerciële en financiële omstandigheden het toelaten, overdraagt aan de particuliere sector.

De lidstaten dragen er zorg voor dat het depositogarantiestelsel de aandelen en andere in de eerste alinea genoemde kapitaalinstrumenten openlijk en op transparante wijze verkoopt en dat de verkoop ze niet verkeerd voorstelt of geen aanleiding geeft tot discriminatie tussen potentiële kopers. Een dergelijke verkoop vindt plaats onder commerciële voorwaarden.

2 ter. De bijdrage van het depositogarantiestelsel krachtens lid 1, tweede alinea, telt mee voor de drempels die zijn vastgelegd in artikel 44, lid 5, punt a), en in artikel 44, lid 8, punt a).

Indien het gebruik van het depositogarantiestelsel krachtens lid 1, tweede alinea, samen met de bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie die wordt gedaan door de aandeelhouders en de houders van andere instrumenten van eigendom, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva, het gebruik van de financieringsregeling voor de afwikkeling mogelijk maakt, is de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt tot het bedrag dat noodzakelijk is om de drempels te halen die zijn vastgelegd in artikel 44, lid 5, punt a), en in artikel 44, lid 8, punt a). Na de bijdrage van het depositogarantiestelsel wordt de financieringsregeling voor de afwikkeling gebruikt overeenkomstig de beginselen die van toepassing zijn op het gebruik van de financieringsregeling voor de afwikkeling als bedoeld in de artikelen 44 en 101.

De eerste en tweede alinea zullen evenwel niet van toepassing zijn op instellingen die zijn geïdentificeerd als entiteiten in liquidatie in het groepsafwikkelingsplan of in het afwikkelingsplan.”;

(c)lid 3 wordt geschrapt;

(d)in lid 5 worden de tweede en de derde alinea geschrapt;

(57)In artikel 111, lid 1, wordt het volgende punt e) toegevoegd:

“e) niet voldoen aan het minimumvereiste voor eigen fondsen en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 45 sexies of 45 septies.”;

(58)Artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:

(a)de titel wordt vervangen door:

Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen instellingen en autoriteiten”;

(b)het volgende lid wordt toegevoegd:

“De afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de EBA, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken verstrekken de Commissie, op haar verzoek en binnen het gespecificeerde tijdsbestek, alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken inzake beleidsontwikkeling, met inbegrip van de uitvoering van effectbeoordelingen, de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen en de deelname aan het wetgevingsproces. De Commissie en de personeelsleden van de Commissie moeten de vereisten van het beroepsgeheim naleven die zijn vastgelegd in artikel 88 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad* met inachtneming van de ontvangen informatie.”;

______________________________

* Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

(59)het volgende artikel 128 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 128 bis

Crisisbeheerssimulaties

1. De EBA coördineert regelmatige Uniebrede oefeningen om de toepassing van deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU te testen in grensoverschrijdende situaties op de volgende aspecten:

(a)samenwerking van de bevoegde autoriteiten tijdens herstelplanning;

(b)samenwerking tussen afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten vóór de faling en tijdens de afwikkeling van financiële instellingen, ook bij de uitvoering van afwikkelingsregelingen die zijn aangenomen in hoofde van artikel 18 van Verordening (EU) nr. 806/2014.

2. De EBA produceert een verslag waarin de voornaamste bevindingen en conclusies van de oefeningen worden uiteengezet. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.“.

Artikel 2

Omzetting

1.De lidstaten dragen er zorg voor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk …[PB: gelieve de datum 18 maanden na de inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn in te vullen] worden vastgesteld en bekendgemaakt. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van …[PB: gelieve de datum 1 dag na de omzettingsdatum van deze wijziging van richtlijn in te vullen].

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173, 12.6.2014, blz. 190).
(2)    Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
(3)    Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).
(4)    Er is bovendien nog steeds geen overeenstemming bereikt over een geloofwaardig en robuust mechanisme voor het verstrekken van liquiditeit bij afwikkelingen in de bankenunie, in lijn met de door internationale tegenhangers vastgestelde norm.
(5)    COM(2015) 586 final.
(6)    Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(7)    Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(8)    Het Bazels Comité voor bankentoezicht en de Raad voor financiële stabiliteit (FSB). Raad voor financiële stabiliteit (bijgewerkte versie van 2014), Key Attributes of effective resolution regimes for financial institutions en (2015), Principles on Loss-absorbing and Recapitalisation Capacity of Globally Systemically Important Banks (G-SIBs) in Resolution, Total Loss-absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet .
(9)    Eurogroep (30 november 2020), Statement of the Eurogroup in inclusive format on the ESM reform and the early introduction of the backstop to the Single Resolution Fund . De uitvoering zou in de periode 2022-2024 plaatsvinden. De Overeenkomst tot wijziging van het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteits­mechanisme is echter nog steeds niet geratificeerd.
(10)    Europese Commissie (2020), Werkprogramma van de Commissie voor 2021 , punt 2.3, blz. 5.
(11)    Europese Commissie (2023), Concurrentievermogen van de EU op lange termijn: blik op de periode na 2030 .
(12)    Eurogroep (16 juni 2022), Eurogroup statement on the future of the Banking Union.
(13)    Europees Parlement (2022), Verslag over de bankenunie – jaarverslag 2021 ; het Europees Parlement heeft sinds 2015 elk jaar een verslag over de bankenunie uitgebracht.
(14)    Bijeenkomst van de Eurotop (24 maart 2023), Verklaring van de Eurotop, bijeen in inclusieve samenstelling .
(15)    Nationale insolventieprocedures zijn niet geharmoniseerd. De beslissing van de afwikkelingsautoriteit om een falende bank af te wikkelen, wat een vergelijking tussen afwikkeling en nationale insolventieprocedures vereist (een beoordeling van het openbaar belang), maakt echter wel deel uit van het CMDI-kader. Indien een afwikkelingsautoriteit besluit een falende bank niet af te wikkelen, wordt de zaak vervolgens op nationaal niveau behandeld, waar de beoordeling van de inleiding van insolventieprocedures of andere liquidatieprocedures plaatsvindt, op basis van de specifieke kenmerken van de nationale insolventieregelingen.
(16)    De staatssteunregels zijn onlosmakelijk verbonden met en vormen een aanvulling op het CMDI-kader. Deze regels vallen niet onder deze evaluatie en effectbeoordeling. Om de samenhang tussen de twee kaders te waarborgen, heeft de Eurogroep de Commissie in november 2020 gevraagd een evaluatie van het staatssteunkader voor banken te verrichten en deze tegelijkertijd met de evaluatie van het CMDI-kader af te ronden en hierbij te zorgen voor een gelijktijdige inwerkingtreding met het bijgewerkte CMDI-kader.
(17)    EBA (22 oktober 2021), Call for advice regarding funding in resolution and insolvency .
(18)    Zie de verwijzingen naar SWD(2023) 226 (samenvatting van de effectbeoordeling) en SEC(2023) 230 (het positieve advies van de Raad voor regelgevingstoetsing).
(19)    Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).
(20)    Beschikking van 6 mei 2019, ABLV Bank/ECB, T-281/18, ECLI:EU:T:2019:296, punten 34 tot en met 36, en arrest van 6 mei 2021, ABLV Bank/ECB, C-551/19 P en C-552/19 P, ECLI:EU:C:2021:369, punten 62 tot en met 71.
(21)    ECB (oktober 2022), Protecting depositors and saving money - why DGS in the EU should be able to support transfers of assets and liabilities when a bank fails .
(22)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).
(23)    PB C , blz. .
(24)    PB C , blz. .
(25)    Raad voor financiële stabiliteit, “Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions”, 15 oktober 2014.
(26)    Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(27)    Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
(28)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).
(29)    Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(30)    Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).
(31)    Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).
(32)    Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(33)    Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).
(34)    Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(35)    COM(2018) 133 final.
(36)    COM(2020) 822 final.
(37)    Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).
(38)    Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
(39)    Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 226).
(40)    Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).
(41)    Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).
Top