Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023IP0218

Resolutie van het Europees Parlement van 1 juni 2023 over de versterking van de sociale dialoog (2023/2536(RSP))

PB C, C/2023/1225, 21.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1225/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1225/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2023/1225

21.12.2023

P9_TA(2023)0218

Versterking van de sociale dialoog

Resolutie van het Europees Parlement van 1 juni 2023 over de versterking van de sociale dialoog (2023/2536(RSP))

(C/2023/1225)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 9, 151, 152, 153, 154 en 155 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 12, 15, 16, 21, 23, 27, 28, 30, 31 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),

gezien het Europees Sociaal Handvest,

gezien het sociaal engagement van Porto van 7 mei 2021 en de Verklaring van Porto van 8 mei 2021,

gezien Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, Verdrag nr. 135 van de IAO betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten (Verdrag betreffende de vertegenwoordigers van de werknemers), Verdrag nr. 154 van de IAO betreffende de bevordering van het collectief overleg, Verdrag nr. 155 van de IAO betreffende gezondheid en veiligheid op het werk, Verdrag nr. 187 van de IAO betreffende een promotioneel raamwerk voor veiligheid en gezondheid op het werk, en Verdrag nr. 190 van de IAO inzake het uitbannen van geweld en pesterijen op de werkvloer,

gezien het Europees Semester, dat het EU-kader vormt voor de coördinatie van en het toezicht op het economisch en sociaal beleid, gebaseerd op de artikelen 121 en 148 VWEU,

gezien de kaderovereenkomst van de Europese sociale partners inzake digitalisering,

gezien de autonome kaderovereenkomst van de Europese sociale partners inzake actief ouder worden en een intergenerationele aanpak,

gezien Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (1),

gezien Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (2),

gezien Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (3),

gezien Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (4) (de “richtlijn inzake een Europese ondernemingsraad”),

gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (5),

gezien Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (6) (de “richtlijn toereikende minimumlonen”),

gezien zijn resolutie van 16 december 2021 getiteld “Democratie op het werk: een Europees kader voor de medezeggenschapsrechten van werknemers en de herziening van de richtlijn inzake een Europese ondernemingsraad”  (7),

gezien zijn resolutie van 2 februari 2023 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de herziening van de richtlijn inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad (8),

gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (COM(2023)0038),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 januari 2023 getiteld “Versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie: het volledige potentieel van de sociale dialoog benutten om de transities in goede banen te leiden” (COM(2023)0040),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 december 2013 getiteld “EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering” (COM(2013)0882),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten (9),

gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities (10),

gezien het Besluit (EU) 2022/2296 van de Raad van 21 november 2022 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (11),

gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 september 2022 over richtsnoeren voor de toepassing van het EU-mededingingsrecht op collectieve overeenkomsten met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van zelfstandigen zonder werknemers (C(2022)6846),

gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de versterking van de sociale dialoog (O-000019/2023 — B9-0020/2023 en O-00020/2023 — B9-0021/2023),

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

A.

overwegende dat het recht van werknemers op collectieve onderhandelingen, collectieve overeenkomsten, vrijheid van vereniging en collectieve actie grondrechten zijn in een democratie;

B.

overwegende dat sociaal partnerschap en collectieve onderhandelingen tussen vakbonden en werkgeversvertegenwoordigers op bedrijfs-, sectoraal, nationaal en EU-niveau essentiële aspecten zijn van het Europese sociale model, waarvan de gemeenschappelijke erfenis van sociale dialoog, werknemersparticipatie, collectieve onderhandelingen, vertegenwoordiging op het gebied van gezondheid en veiligheid en het tripartiete stelsel de bouwstenen vormen van een diverse en economisch, sociaal en ecologisch duurzame toekomst die zal bijdragen tot concurrentievermogen, economische en sociale veerkracht en een betere en meer inclusieve groei in de EU;

C.

overwegende dat collectieve onderhandelingen de sociale partners bijvoorbeeld de mogelijkheid bieden arbeidsomstandigheden op flexibele en zinvolle wijze aan te passen; overwegende dat stelsels voor collectieve onderhandelingen over het algemeen gebaseerd zijn op complexe regels en praktijken die zijn vastgesteld in de nationale rechtssystemen en dikwijls berusten op gevestigde tradities van de sociale partners;

D.

overwegende dat een goed functionerende sociale dialoog tussen autonome sociale partners essentieel is om evenwichtige oplossingen voor de huidige en toekomstige uitdagingen te vinden die op zodanige wijze aansluiten bij de veranderingen op de werkvloer dat zowel werkenden als werkgevers daar baat bij hebben, zoals onder meer de kaderovereenkomsten tussen de Europese sociale partners over actief ouder worden en digitalisering laten zien, evenals de lopende onderhandelingen over telewerken en het recht om offline te zijn; overwegende dat de sociale dialoog ook noodzakelijk is gebleken tijdens onverwachte crises, zoals toen de arbeidsomstandigheden moesten worden aangepast aan de pandemie; overwegende dat de sociale dialoog een belangrijke rol speelt bij de actieve ondersteuning van werknemers bij de overgang naar nieuwe banen door te anticiperen op structurele veranderingen met de ontwikkeling van vaardigheden, alsook bij de versterking van de veerkracht van de lidstaten; overwegende dat het succes van de sociale dialoog sterk afhankelijk is van het vermogen van de sociale partners om in vrijheid te onderhandelen op basis van een complexe reeks regels en praktijken, die veelal zijn vastgelegd in nationale rechtssystemen en juridische tradities; overwegende dat dit vereist dat de nationale en Europese wetgevers erop kunnen vertrouwen dat de sociale partners in staat zijn zich in te zetten voor goede arbeidsvoorwaarden, maar ook dat de sociale partners deze verantwoordelijkheid serieus nemen en zoeken naar compromissen die enerzijds tegemoet komen aan hun eigen belangen, maar anderzijds de samenleving als geheel ten goede komen;

E.

overwegende dat stelsels voor collectieve onderhandelingen waarin onafhankelijke sociale partners het recht hebben op autonome wijze te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten, bijdragen aan de voorspelbaarheid van de arbeidsmarkt op lange termijn; overwegende dat een voorwaarde voor de goede werking van een dergelijk stelsel voor collectieve onderhandelingen is dat de nationale en Europese wetgevers vertrouwen hebben in het vermogen van de sociale partners om verantwoordelijkheid te nemen voor goede arbeidsomstandigheden op de arbeidsmarkt en naar een evenwicht te streven tussen de belangen van de werknemers en de belangen van de werkgevers;

F.

overwegende dat in sommige lidstaten de collectieve onderhandelingen zowel op sectoraal als op bedrijfstakoverkoepelend niveau onder druk zijn komen te staan als gevolg van de nasleep van de financiële crisis van 2008; overwegende dat het percentage werknemers dat onder collectieve overeenkomsten valt de afgelopen 30 jaar in de meeste lidstaten aanzienlijk is gedaald, waarbij de gemiddelde dekking in de EU naar schatting is teruggelopen van ongeveer 66 % in 2000 tot ongeveer 56 % in 2018 (12) als gevolg van verschillende factoren, waaronder de daling van het aantal vakbondsleden en veranderingen in de regelgevingsaanpak van collectieve-onderhandelingspraktijken en -processen (13), met name in verband met de decentralisatie van collectieve onderhandelingen, het toenemende belang van onderhandelingsprocessen op bedrijfsniveau en de opkomst van onzekere arbeidsvormen en schijnzelfstandigheid; overwegende dat de situatie per lidstaat sterk verschilt; overwegende dat in de meeste lidstaten de dekkingspercentages bij collectieve onderhandelingen doorgaans hoger zijn voor werknemers met een vast contract en voor werknemers in grotere ondernemingen; overwegende dat de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen aanzienlijk hoger is in landen waar sectorale akkoorden worden gesloten en waar deze dikwijls worden uitgebreid naar niet bij de onderhandelingen betrokken bedrijven en werknemers;

G.

overwegende dat werknemers onder de 30 jaar zich maar half zo vaak aansluiten bij een vakbond als oudere werknemers (14), hoewel zij wel sterk voorstander zijn van collectieve onderhandelingen en grote mate van vertrouwen in vakbonden hebben;

H.

overwegende dat Europese werknemers en werkgevers momenteel voor grote uitdagingen staan die voortvloeien uit hardnekkige sociale en milieuproblemen zoals armoede, sociale exclusie, toenemende ongelijkheden, sociale crises en de noodsituatie met betrekking tot het klimaat en de biodiversiteit, die blijven toenemen en moeten worden aangepakt; overwegende dat die uitdagingen zijn verergerd door de gevolgen van de pandemie en, sinds 24 februari 2022, de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, en de daardoor ontstane crisis in verband met de kosten van levensonderhoud, crisis in verband met inflatie en energiecrisis; overwegende dat deze gebeurtenissen hebben aangetoond dat er dringend behoefte is aan een veel ruimere en sterkere participatie van de sociale partners, om de kansen te benutten die door een duurzame, billijke groene en digitale transitie worden geboden en te beantwoorden aan de noodzaak om niemand aan zijn lot over te laten; overwegende dat de sociale partners volgens de EU PolicyWatch-databank van Eurofound tijdens de pandemie betrokken waren bij bijna de helft van de op nationaal en/of Europees niveau geregistreerde beleidsmaatregelen, terwijl deze betrokkenheid enigszins afnam in 2022, toen nog meer beleidsmaatregelen in verband met de kosten van levensonderhoud in kaart werden gebracht;

I.

overwegende dat maatregelen ter handhaving en bevordering van collectieve onderhandelingen en collectieve overeenkomsten een doeltreffend antwoord kunnen bieden op de stijgende kosten van levensonderhoud en de dringend noodzakelijke reële loonsverhogingen over de gehele linie kunnen vergemakkelijken;

J.

overwegende dat de democratie op het werk een belangrijke rol speelt bij het versterken van de mensenrechten op de werkplek en in de samenleving, in het bijzonder wanneer werknemersvertegenwoordigers, met inbegrip van de vakbonden, actief betrokken zijn bij de zorgvuldigheidsprocessen van ondernemingen; overwegende dat de tijdige en zinvolle betrokkenheid van werknemers op het gepaste niveau bijdraagt aan duurzame corporate governance; overwegende dat de stem van de sociale partners een belangrijk onderdeel is van EU-initiatieven om te zorgen voor duurzame en democratische corporate governance en zorgvuldigheid met betrekking tot de feitelijke en potentiële schendingen van de mensenrechten, ook voor wat betreft arbeid en schadelijke milieueffecten, alsook van EU-initiatieven om het gebruik van onrechtmatige praktijken, zoals arbeidsuitbuiting en oneerlijke concurrentie op de interne markt, te verminderen;

K.

overwegende dat democratie op de werkplek verder gaat dan de formele deelname van vakbondsorganisaties aan de zogenaamde sociale dialoog of de loutere raadpleging van deze organen; overwegende dat de bevordering van de democratie op de werkplek de bescherming en handhaving van diverse rechten en beginselen vereist, waaronder het recht op organisatie, collectieve actie en collectieve onderhandelingen, vakbondsrechten, het stakingsrecht en de beginselen van het verbod op onrechtmatig ontslag en van gelijke beloning voor gelijk werk;

L.

overwegende dat in beginsel nr. 8 van de Europese pijler van sociale rechten staat dat de sociale partners met inachtneming van de nationale gebruiken worden geraadpleegd over de vormgeving en uitvoering van het economische, sociale en werkgelegenheidsbeleid; overwegende dat de sociale partners ook worden aangemoedigd om te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten op gebieden die voor hen van belang zijn, met behoud van hun autonomie en van het recht op collectieve actie; overwegende dat werknemers of hun vertegenwoordigers het recht hebben tijdig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over zaken die voor hen van belang zijn, in het bijzonder als het gaat om de overdracht, herstructurering en fusie van ondernemingen en om gevallen van collectief ontslag; overwegende dat in het sociaal engagement van Porto een beroep wordt gedaan op alle betrokken actoren om de autonome sociale dialoog als structurerend onderdeel van het Europees sociaal model te bevorderen en te versterken op Europees, nationaal, regionaal, sectoraal, lokaal en bedrijfsniveau, met bijzondere nadruk op het waarborgen van een kader dat collectieve onderhandelingen binnen de verschillende in de lidstaten bestaande modellen mogelijk maakt;

M.

overwegende dat de verordening inzake de herstel- en veerkrachtfaciliteit (15) een verplichting voor de lidstaten bevat om de sociale partners in meer gevallen te raadplegen bij de voorbereiding van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; overwegende dat de kwaliteit en de mate van de betrokkenheid echter wisselend is en behoorlijk laag in een relatief groot aantal lidstaten; overwegende dat in het evaluatieverslag van de Commissie over de herstel- en veerkrachtfaciliteit wordt gesteld dat het succes van de faciliteit afhankelijk is van de nauwe betrokkenheid van de sociale partners, maatschappelijke organisaties, lokale en regionale overheden, en andere belanghebbenden;

N.

overwegende dat sommige lidstaten zorgen voor een kader dat de sociale dialoog mogelijk maakt, terwijl in sommige andere lidstaten de sociale dialoog onder druk staat om redenen als laattijdige, ondoeltreffende raadplegingsprocedures, een gebrek aan capaciteit en strikte representatiecriteria, alsook door de beperkingen die worden gesteld aan de vrijheid van de sociale partners om zelfstandig te onderhandelen en compromissen te sluiten door middel van collectieve onderhandelingen; overwegende dat de lidstaten er overeenkomstig artikel 9 van de ESF+-verordening voor moeten zorgen dat sociale partners op zinvolle wijze worden betrokken bij de uitvoering van beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer worden ondersteund; overwegende dat de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen moeten toewijzen aan de capaciteitsopbouw van sociale partners, onder meer in de vorm van opleiding, netwerkmaatregelen en versterking van de sociale dialoog, alsook aan gezamenlijk door de sociale partners ondernomen activiteiten, dat in het geval dat zij een landspecifieke aanbeveling inzake capaciteitsopbouw van sociale partners hebben gekregen ten minste 0,25 % bedraagt;

O.

overwegende dat het begrip collectieve onderhandelingen verwijst naar alle onderhandelingen die overeenkomstig nationale wetgeving en praktijk in iedere lidstaat plaatsvinden tussen een werkgever, een groep werkgevers of een of meer werkgeversorganisaties enerzijds en een of meer vakbonden anderzijds, om de arbeidsomstandigheden en -voorwaarden vast te stellen; overwegende dat onder een vakbond een groep werknemers wordt verstaan die is opgericht om de belangen van de werknemers te bevorderen en te verdedigen, overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk; overwegende dat een werkgeversorganisatie een organisatie is waarvan de leden bestaan uit individuele werkgevers, andere werkgeversverenigingen of beide, die is opgericht om de belangen van haar leden te bevorderen en te verdedigen, overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk;

P.

overwegende dat overeenkomstig het Verdrag betreffende de werknemersvertegenwoordigers, dat door 24 lidstaten is geratificeerd, werknemersvertegenwoordigers personen kunnen zijn die: i) als zodanig in de nationale wetgeving of praktijk zijn erkend, ongeacht of zij al dan niet vakbondsvertegenwoordigers zijn, te weten vertegenwoordigers die door de vakbonden of door leden van die vakbonden zijn aangewezen of gekozen; of ii) verkozen vertegenwoordigers zijn, te weten vertegenwoordigers die vrij worden gekozen door de werknemers van de onderneming overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de nationale wetgeving of nationale voorschriften of overeenkomstig collectieve overeenkomsten, en wier functies geen activiteiten omvatten die in het betrokken land als de exclusieve bevoegdheid van vakbonden worden erkend; overwegende dat wanneer er in dezelfde onderneming zowel vakbondsvertegenwoordigers als gekozen vertegenwoordigers zijn, gekozen vertegenwoordigers niet mogen worden gebruikt om de positie van de betrokken vakbonden of hun vertegenwoordigers te ondermijnen, met name wat betreft de collectieve onderhandelingen, die het prerogatief van de vakbonden zijn;

Q.

overwegende dat de voorwaarden voor een goed functionerende sociale dialoog zijn: i) het bestaan van sterke, onafhankelijke vakbonden en technische capaciteit binnen de werkgeversorganisaties; ii) technische capaciteit voor de sociale partners; iii) toegang tot relevante en tijdige informatie om deel te nemen aan de sociale dialoog; iv) een engagement van alle partijen om op constructieve wijze en te goeder trouw een sociale dialoog aan te gaan, wat betekent dat de sociale partners worden betrokken bij de vaststelling van de relevante onderwerpen, het verzamelen van de relevante gegevens, de uitwisseling van informatie, het onderzoeken van de opties en het ontwikkelen van de gewenste oplossingen; v) eerbiediging van de grondrechten van vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen; vi) passende institutionele steun; vii) eerbiediging van de autonomie van de sociale partners, om hun de mogelijkheid te bieden zelfstandig te onderhandelen over collectieve overeenkomsten en deze aan te gaan; viii) aanpassing aan het digitale tijdperk en bevordering van collectieve onderhandelingen over “het nieuwe werken”; en ix) adequate bescherming tegen discriminatie van vakbonden en werknemersvertegenwoordigers;

R.

overwegende dat sterke collectieve onderhandelingen, met name op sectoraal of bedrijfstakoverkoepelend niveau, bijdragen tot de creatie en het behoud van hoogwaardige banen en een positief effect op de lonen hebben; overwegende dat vakbonden, werknemersvertegenwoordiging en -medezeggenschap, en de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen essentieel zijn voor de handhaving van de rechten van werknemers; overwegende dat er maatregelen en betere wetgeving voor de bescherming van rechten van werknemersvertegenwoordigers en vakbonden nodig zijn om te zorgen voor een evenwichtige onderhandelingspositie tussen werkgevers en werknemers, bijvoorbeeld door middel van het versterken van de democratie op het werk;

S.

overwegende dat de IAO in 1919 is opgericht vanuit de vaste overtuiging dat universele vrede alleen tot stand zou kunnen worden gebracht indien deze gestoeld is op sociale rechtvaardigheid (16); overwegende dat sociale dialoog, collectieve onderhandelingen en werknemersvertegenwoordiging kernwaarden en -rechten van de IAO zijn en in tal van IAO-verdragen en -aanbevelingen zijn vastgelegd; overwegende dat ook de Raad van Europa democratie op het werk tot zijn kernwaarden rekent, zoals verwoord in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Europees Sociaal Handvest;

T.

overwegende dat in de richtsnoeren van de IAO voor een rechtvaardige transitie naar een ecologisch duurzame economie en samenleving voor iedereen wordt opgeroepen tot de vaststelling van specifieke milieubepalingen door middel van collectieve onderhandelingen en collectieve overeenkomsten op alle niveaus;

U.

overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 24 oktober 2019, getiteld “De toekomst van werk: de Europese Unie propageert de eeuwfeestverklaring van de IAO”, de lidstaten heeft aangemoedigd hun inspanningen voort te zetten om de IAO-verdragen te ratificeren en daadwerkelijk uit te voeren; overwegende dat de Raad de lidstaten en de Commissie tevens heeft verzocht de sociale dialoog te versterken op alle niveaus, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking, teneinde de actieve deelname van de sociale partners aan de vormgeving van de toekomst van het werk en de totstandbrenging van sociale rechtvaardigheid en gedeelde welvaart te waarborgen;

V.

overwegende dat de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen voor werkgevers en vakbonden essentiële instrumenten zijn om te gebruiken met het oog op het tot stand brengen en handhaven van eerlijke lonen en goede werkomstandigheden en het dichten van de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen en de loonkloof tussen mannen en vrouwen, en het waarborgen van hoogwaardige arbeidsomstandigheden; overwegende dat sterke stelsels voor collectieve onderhandelingen de veerkracht van de lidstaten in tijden van economische crisis vergroten; overwegende dat samenlevingen met een sterk systeem voor collectieve onderhandelingen vaak meer concurrerende en veerkrachtige economieën hebben en meer welvaart en gelijkheid kennen; overwegende dat het recht op collectieve onderhandelingen een kwestie is die alle werknemers in Europa aangaat en die cruciale gevolgen kan hebben voor de democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van de eerbiediging van de fundamentele sociale rechten; overwegende dat collectieve onderhandeling een Europees grondrecht is en dat de EU-instellingen krachtens artikel 28 van het Handvest van de grondrechten verplicht zijn dit grondrecht te eerbiedigen; overwegende dat in dit verband beleidsmaatregelen die collectieve onderhandelingen en de positie van werknemers in stelsels voor loonvorming eerbiedigen, bevorderen en versterken een cruciale rol vervullen bij de totstandkoming van hoogwaardige arbeidsvoorwaarden en het waarborgen van betere levensomstandigheden;

W.

overwegende dat de informele economie wordt gekenmerkt door een hoog percentage onzichtbare en uiterst kwetsbare groepen werkenden; overwegende dat de COVID-19-pandemie een steeds groter aantal werkenden, met name vrouwen, heeft gedwongen om toe te treden tot de informele economie, waardoor reeds bestaande ongelijkheden nog erger zijn geworden; overwegende dat de sectoren die in de EU het sterkst vertegenwoordigd zijn in de informele economie, namelijk de gezondheidszorg, de zorgsector, welzijnswerk en de landbouw, tevens van vitaal belang zijn voor de goede werking van onze samenleving;

X.

overwegende dat sociale dialoog zowel de democratie als het maatschappelijk middenveld versterkt en een uitdrukking vormt van het subsidiariteitsbeginsel op grond waarvan regels worden vastgesteld op het niveau van degenen op wie deze betrekking hebben en die de gevolgen daarvan ondervinden;

Y.

overwegende dat volgens artikel 152 VWEU de Unie de “onderlinge dialoog” tussen de sociale partners bevordert, “met inachtneming van hun autonomie”; overwegende dat de Commissie bij Besluit 98/500/EG (17) van de Commissie comités voor de sectoriële dialoog heeft opgericht om de dialoog tussen de sociale partners in alle sectoren op EU-niveau te bevorderen, en nauwkeurige bepalingen heeft vastgesteld betreffende de oprichting, de representatieve samenstelling en de werking van nieuwe sectoriële comités, die bedoeld zijn als centrale organen voor overleg, gezamenlijke initiatieven en onderhandelingen die tot de sluiting van overeenkomsten en de omzetting daarvan in EU-wetgeving kunnen leiden in de vorm van richtlijnen, als de sociale partners hierom verzoeken; overwegende dat deze comités, zoals de Commissie in haar werkdocument over de werking en het potentieel van de Europese sectorale sociale dialoog (18) heeft erkend, hebben bijgedragen tot de verbetering van het Europese sociale en werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsomstandigheden in Europa en hebben geholpen bij het uitstippelen van een passend industriebeleid; overwegende dat de Commissie heeft geconcludeerd dat er een positieve correlatie bestaat tussen de doeltreffendheid van de nationale sociale dialoog en de doeltreffendheid op Europees niveau, en dat zij elkaar beïnvloeden;

Z.

overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 154 VWEU verantwoordelijk is voor het bevorderen en vergemakkelijken van de Europese sociale dialoog; overwegende dat de Europese sectorale sociale partners en hun nationale afdelingen steun moeten blijven ontvangen op het gebied van administratieve capaciteit, rechtsbijstand en vertegenwoordiging, alsook EU-financiering voor gezamenlijke activiteiten in de vorm van Europese projecten en initiatieven voor capaciteitsopbouw;

AA.

overwegende dat de toenemende digitalisering van de arbeidsmarkt en nieuwe vormen van werk een grote uitdaging kunnen vormen voor de vertegenwoordiging van kwetsbare werkenden en het Europees sociaal model in gevaar kan brengen; overwegende dat werknemers die atypische vormen van arbeid verrichten of in nieuwe beroepsvormen werkzaam zijn, te kampen kunnen krijgen met een gebrek aan vertegenwoordiging; overwegende dat de opkomst van nieuwe beroepsvormen het voor vakbonden moeilijker kan maken om nieuwe leden te werven; overwegende dat de Commissie onlangs nieuwe richtsnoeren heeft vastgesteld over de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie op collectieve overeenkomsten inzake de arbeidsvoorwaarden van zelfstandigen zonder personeel eindelijk duidelijk maakt dat bepaalde zelfstandigen zonder personeel collectief kunnen onderhandelen om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren zonder daarbij de mededingingsregels van de EU te schenden; overwegende dat het recht om deel te nemen aan collectieve acties en onderhandelingen is verduidelijkt en uitgebreid naar zelfstandigen zonder personeel; overwegende dat de sociale partners ervoor moeten zorgen dat zij openstaan en aantrekkelijk zijn voor alle soorten werkgevers en werkenden met verschillende arbeidscontracten en statussen in alle sectoren, zoals zelfstandigen zonder personeel of arbeidsmigranten, ook uit derde landen; overwegende dat het cruciaal is dat dit gepaard gaat met inclusie en diversiteit, zowel wat de leden als de koepels aangaat, als teken van erkenning dat de arbeidsmarkt van vandaag geglobaliseerd en intercultureel is;

AB.

overwegende dat werknemers in de zorgeconomie overwegend vrouwen en personen met een migratieachtergrond zijn, die door hun arbeidsomstandigheden en gebrek aan vertegenwoordiging vaak aangewezen zijn op precair en onveilig werk;

1.

wijst erop dat de sociale dialoog, waaronder collectieve onderhandelingen, een cruciaal en nuttig instrument vormt om een goed functionerende sociale markteconomie in stand te houden, een van de doelstellingen van het VEU, en bijdraagt aan economische en sociale veerkracht, concurrentievermogen, stabiliteit en duurzame en inclusieve groei en ontwikkeling; wijst erop dat de sociale dialoog bovendien een belangrijk democratisch aspect is bij het ontwerpen en uitvoeren van beleid en wetgeving die gevolgen hebben voor de personen die hierbij vertegenwoordigd worden, te weten werknemers en werkgevers; herhaalt dat de sociale dialoog, in overeenstemming met de Europese verdragen, die de autonomie van de sociale partners en de zelfregulerende systemen die in sommige lidstaten bestaan uitdrukkelijk beschermen, beschermd moeten worden, zodat de sociale partners zichzelf autonoom kunnen reguleren, waardoor volledige legitimiteit en krachtige vorderingen ten aanzien van de dekkingsgraad van de collectieve overeenkomsten worden gewaarborgd; is ingenomen met de mededeling en het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad over de versterking van de sociale dialoog in de EU; wijst erop dat de sociale dialoog op nationaal en Unieniveau verder moet worden ondersteund en dat er meer inspanningen nodig zijn om de dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen te ondersteunen en te bevorderen, te voorkomen dat het ledental en de organisatiedichtheid van de sociale partners afnemen en te waarborgen dat arbeid naar behoren wordt aangepast aan nieuwe vormen van werk om hoogwaardige banen te waarborgen; wijst er evenwel op dat er verdere inspanningen nodig zijn om duurzame oplossingen voor de organisatie en financiering van de comités voor de sectoriële sociale dialoog; verzoekt de Commissie haar logistieke steun aan de comités voor de sectoriële sociale dialoog te handhaven en haar financiële, juridische en technische steun te vergroten; verzoekt de Commissie de sectoriële sociale dialoog te blijven steunen en nauwlettend te blijven volgen om ervoor te zorgen dat de comités op elkaar worden afgestemd en dat de sociale dialoog een aanzienlijke bijdrage aan het EU-beleid kan leveren; dringt er bij de Commissie sterk op aan te waarborgen dat nieuwe voorstellen de autonomie van de sociale partners volledig eerbiedigen en te voorkomen dat deze negatieve effecten hebben op de Europese sectorale sociale dialoog; wijst erop dat de financiële crisis en de pandemie hebben laten zien dat landen met een solide kader voor sociale dialoog en een hoge collectieve onderhandelingsgraad doorgaans meer concurrerende en veerkrachtige economieën hebben, aangezien de sociale partners een belangrijke rol speelden bij het beheersen van de crisis en het verlichten van de negatieve economische en sociale gevolgen daarvan;

2.

dringt er bij de Commissie op aan om samen met de lidstaten en de betrokken sociale partners toe te zien op de uitvoering van de aanbeveling op sectoraal, nationaal en Unieniveau, en deze te ondersteunen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat dit toezicht de sociale partners onder meer in staat stelt situaties op te sporen waarvan zij zijn uitgesloten of waarin zij onvoldoende zijn betrokken bij het overleg op nationaal niveau over het beleid van de Unie en het nationale beleid, met inbegrip van de toegang tot de rechter en het recht op verhaal; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de verplichting om de sociale partners te raadplegen wordt nageleefd, wanneer de EU-wetgeving daarin voorziet, onder meer door handhavingsinstrumenten zoals inbreukprocedures te overwegen; benadrukt dat iedere vorm van toezicht ook moet waarborgen dat de sociale partners de vrijheid en de mogelijkheid hebben om op een constructieve manier te onderhandelen die voordelen biedt aan alle partijen, wanneer de onderhandelingen in bipartiet en tripartiet formaat plaatsvinden; stelt vast dat de EU PolicyWatch-databank van Eurofound, als uniek EU-breed instrument dat de betrokkenheid van de sociale partners bij de nationale beleidsvorming meet, voor dit doeleinde kan worden gebruikt;

3.

is van mening dat vrijheid van vergadering en vereniging en de rechten van werknemers om zich te organiseren, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten, alsook de rechten van werknemers op collectieve vakbondsvertegenwoordiging en om collectief op hervormingen op hun werkplek aan te dringen, fundamentele aspecten van het Europese project zijn en kernbeginselen van het Europese sociale model, die zijn bekrachtigd en wettelijk worden gehandhaafd door respectievelijk de EU-instellingen, de lidstaten en de sociale partners; benadrukt bovendien dat werknemers en werkgevers overeenkomstig het Unierecht en de nationale wetgeving en praktijken het recht hebben om op alle gepaste niveaus te onderhandelen over collectieve overeenkomsten en deze te sluiten;

4.

benadrukt verder dat iedere burger van de Unie vrij is in iedere lidstaat werk te zoeken, te werken, zich te vestigen en diensten te verrichten, en dat eenieder het recht heeft te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen; benadrukt bovendien dat werknemers en werkgevers overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht hebben op passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten;

5.

is van oordeel dat het naast de wettelijke bekrachtiging van deze rechten van essentieel belang is dat wordt gezorgd voor doeltreffende monitoring van de naleving ervan en dat wie in gebreke blijft wordt gestraft; dringt er bij de lidstaten dienovereenkomstig op aan om nationale inspectie- en toezichthoudende instanties toe te rusten met de technische en personele middelen die nodig zijn om hun belangrijke taken te kunnen vervullen, met name door de verhouding van een arbeidsinspecteur per 10 000 werknemers in acht te nemen, zoals aanbevolen door de IAO (19);

6.

is bezorgd dat de dichtheid van werkgeversorganisaties en vakbonden in de meeste lidstaten afneemt door verschillende oorzaken, zoals de verzwakking en ontmanteling van sectorale en sectoroverschrijdende structuren voor collectieve onderhandelingen alsook de uitbreiding van atypische vormen van werk en de achteruitgang van de industriële sectoren (20); waarschuwt dat de afname van de dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen ook te wijten is aan bewuste tegenwerking van vakbonden, een zwakke vertegenwoordiging binnen de werkgeversorganisaties en de moeilijkheden die ontstaan wanneer werknemers weigeren deel te nemen aan collectieve onderhandelingen; is bezorgd over de gevolgen die de afname van de dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen kan hebben voor de bescherming van werknemers en het concurrentievermogen, de inclusiviteit en de veerkracht van de Europese economieën;

7.

wijst op het belang van de bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen voor iedereen, waaronder personen met een handicap en arbeidsmigranten, ook uit derde landen, zowel met het oog op inclusieve en diverse vertegenwoordiging als horizontaal op alle beleidsgebieden; is bezorgd over het gebrek aan vertegenwoordiging van werknemers in onder andere de zorgsector, waar de meeste werknemers vrouwen en personen met een migratieachtergrond zijn, en wiens werk ondergewaardeerd, onderbetaald en onzeker is; verzoekt de Commissie en de lidstaten wettelijke en institutionele maatregelen te nemen om collectieve onderhandelingen te bevorderen in specifieke sectoren, beroepen of categorieën van werknemers waar de daadwerkelijke erkenning van dit recht nog steeds beperkt is; moedigt de lidstaten en de sociale partners aan de sociale dialoog te bevorderen om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen aan te pakken door gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid te waarborgen en te zorgen voor zwangerschaps-, vaderschaps-, ouderschaps- en gezinsverlof, alsook om gendergerelateerd geweld op de werkvloer aan te pakken; moedigt de sociale partners aan meer vrouwen en jongeren in hun koepels en onderhandelingsteams op te nemen;

8.

dringt er bij de lidstaten op aan kennis te nemen van het feit dat zowel de wederzijdse erkenning van de sociale partners als de wettelijke erkenning van vakbonden en werkgeversorganisaties door de autoriteiten van elke lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken elementen zijn die bijdragen aan een succesvol kader voor collectieve onderhandelingen, mits werkgevers en werknemers vrij kunnen kiezen welke organisatie(s) hen zullen vertegenwoordigen; benadrukt dat deze wettelijke erkenning op transparante wijze moet plaatsvinden op basis van objectieve representativiteitscriteria die worden vastgesteld in overleg met werkgeversorganisaties en vakbonden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de autonomie van de sociale partners om te onderhandelen en bij te dragen aan de goede werking van de arbeidsmarkt te beschermen;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale partners tijdig en op zinvolle wijze te betrekken bij en te raadplegen over de vormgeving en uitvoering van het sociale en werkgelegenheidsbeleid en waar nodig het economisch beleid en besluitvorming in open processen; dringt er bij de Commissie op aan collectieve onderhandelingen, democratie op het werk en sociale dialoog te bevorderen door middel van het Europees Semester, en met name in de landspecifieke aanbevelingen, om te zorgen voor fatsoenlijke lonen door middel van collectieve onderhandelingen; verzoekt de Commissie de sociale partners te raadplegen over voorstellen voor nieuwe indicatoren met betrekking tot de industriële verhoudingen in de lidstaten voor te stellen met het oog op het herziene Europees kader voor economisch bestuur, die kunnen worden gebruikt om de sociale dialoog verder te versterken; merkt op dat dergelijke indicatoren verwijzingen kunnen omvatten naar industriële democratie, concurrentievermogen van de industrie en kwaliteit van arbeid en werkgelegenheid, dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen en het percentage werknemers dat bij een vakbond is aangesloten, die reeds door Eurofound worden gebruikt in zijn index voor industriële verhoudingen;

10.

herinnert eraan dat de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen in de lidstaten aanzienlijk varieert als gevolg van een aantal factoren, waaronder nationale tradities en praktijken; verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen met de sociale partners een gunstig klimaat voor collectieve onderhandelingen te creëren; merkt op dat hoewel sterke collectieve onderhandelingen, met name op sectoraal of bedrijfstakoverkoepelend niveau, de bescherming door toereikende minimumlonen en goede arbeidsvoorwaarden helpen waarborgen, de traditionele structuren voor collectieve onderhandelingen de afgelopen decennia zijn uitgehold, onder meer als gevolg van structurele verschuivingen in de economie naar sectoren met minder vakbondsactiviteit, en van de daling van het aantal vakbondsleden wat met name te wijten is aan praktijken die vakbonden onderdrukken en de toename van onzekere en atypische banen; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen met de sociale partners te streven naar een dekkingsgraad van ten minste 80 % voor collectieve onderhandelingen in 2030, teneinde de levens- en arbeidsomstandigheden in de Unie te verbeteren, bij te dragen tot opwaartse sociale convergentie, armoede onder werkenden en sociale uitsluiting te bestrijden en loonongelijkheid en onzekerheid te verminderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de vooruitgang bij de verwezenlijking van deze doelstelling regelmatig te evalueren, samen met de sociale partners;

11.

verzoekt de lidstaten nationale wetgeving die collectieve onderhandelingen in de weg staat te herzien en in te trekken, met inbegrip van wetgeving die de toegang van vakbonden tot werkplekken om zich te kunnen organiseren en collectief te kunnen onderhandelen en om collectieve actie overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken voor te bereiden, beperkt; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de toegang tot de werkplek wordt gewaarborgd, wanneer het werk fysiek of digitaal wordt verricht, overeenkomstig de voorschriften inzake gegevensbescherming en met inachtneming van de rechten van eigendom en beheer (21); verzoekt de lidstaten en de Commissie wetsherzieningen te bevorderen op grond waarvan onderhandelingen op basis van goede trouw worden gewaarborgd, oneerlijke arbeidspraktijken en discriminatie van vakbonden worden verboden en stabiele dienstverbanden worden bevorderd, alsook stevige maatregelen worden genomen tegen precaire vormen van arbeid, waar met name jongeren onder te lijden hebben; roept de Commissie en de lidstaten op collectieve onderhandelingen op alle niveaus, en met name op sectoraal niveau, te bevorderen als een belangrijk instrument om de dekkingsgraad van collectieve overeenkomsten te vergroten, onder meer door de capaciteitsopbouw van de sociale partners te ondersteunen, ervoor te zorgen dat afwijkingen van op een hoger niveau gesloten collectieve overeenkomsten het non-regressiebeginsel eerbiedigen en ervoor te zorgen dat de gunstigere voorwaarden worden toegepast op werknemers, ongeacht het niveau waarop collectieve overeenkomsten zijn besproken; verzoekt de Commissie toe te zien op de effecten die het werkgelegenheids- en sociaal beleid en waar nodig het economisch beleid en de wetgeving op Unieniveau hebben op de bevordering en ondersteuning van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, met name in verband met de uitvoering daarvan in de lidstaten en de betrokkenheid van de sociale partners;

12.

benadrukt dat hervormingen in de lidstaten gericht moeten zijn op het bevorderen en versterken van collectieve onderhandelingen op alle niveaus, onder meer door de capaciteitsopbouw van de sociale partners te ondersteunen; wijst erop dat arbeidsmarkthervormingen op nationaal niveau de rechten van werknemers moeten bevorderen en moeten bijdragen aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, met inbegrip van beginsel 8 van die pijler inzake de sociale dialoog en de betrokkenheid van de werknemers, alsmede aan collectieve onderhandelingen en eerbiediging van de autonomie van de sociale partners en het recht op collectieve actie, en aan het recht tijdig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de overdracht, herstructurering en fusie van ondernemingen, en over collectieve ontslagen;

13.

verzoekt de Commissie eventuele arbeidshervormingen te analyseren, met name wanneer deze verband houden met arbeidsvoorwaarden en de voorlichting en raadpleging van werknemers in de nationale herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten te analyseren en met de nationale autoriteiten samen te werken om hen te helpen mogelijke tekortkomingen te corrigeren; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten het bereik en de relevantie van de gegevensverzameling op EU-niveau over de sociale dialoog en meer specifiek over collectieve onderhandelingen moeten verbeteren; dringt aan op het verzamelen van volledige, vergelijkbare en naar sector uitgesplitste gegevens, die onder meer betrekking hebben op het aantal collectieve overeenkomsten dat maatregelen bevat om tegemoet te komen aan de groene en digitale transitie, alsook aan tekorten aan vaardigheden en personeel, en op het profiel van de werkenden die op een eerlijke en inclusieve manier onder deze overeenkomsten vallen;

14.

benadrukt dat de lidstaten en sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken moeten worden aangemoedigd om uitbreidingsmechanismen te hanteren waarmee de werkingssfeer van collectieve overeenkomsten kan worden uitgebreid naar alle werknemers in een sector of bedrijf;

15.

maakt zich er zorgen over dat sommige werknemers die in nieuwe vormen van werk participeren, met name degenen wiens werk wordt georganiseerd door digitale platforms en op basis van beheer met algoritmen, geen effectieve vertegenwoordigings- of medezeggenschapsrechten op de werkplek genieten; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om het recht van werknemers op vrijheid van vereniging en participatie op het werk, voor alle vormen van arbeid, te waarborgen; is bezorgd over het verschijnsel van bedrijfsvakbonden of werknemersvertegenwoordigers die worden opgericht of beheerst door en werken in het belang van de werkgever in plaats van de werknemers; verzoekt de lidstaten de vakbonden en werkgeversorganisaties die aan collectieve onderhandelingen deelnemen of wensen deel te nemen, te beschermen tegen elke vorm van inmenging door elkaar of elkaars vertegenwoordigers of leden in hun oprichting, werking of bestuur; benadrukt dat hiertoe ook activiteiten behoren die worden ondernomen om de oprichting van vakbonden of hun pogingen om het ledental op een werkplek te doen toenemen, te verstoren of te verhinderen, alsmede alle acties van de bedrijfsleiding om werknemers te beletten hun vakverenigingsrecht uit te oefenen, die in strijd zijn met artikel 2 van IAO-Verdrag nr. 98 betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen en met Richtlijn 2002/14/EG (22); verzoekt de Commissie en de lidstaten om er samen met de sociale partners voor te zorgen dat werknemers de beschikking hebben over hoogwaardige vertegenwoordiging, permanente vormen van werknemersvertegenwoordiging niet worden vervangen door ad-hocvormen van vertegenwoordiging zonder permanente structuur, de verkiezingen voor werknemersvertegenwoordigers in overeenstemming zijn met het Verdrag betreffende werknemersvertegenwoordigers en dat werknemersvertegenwoordigers effectieve bescherming genieten tegen nadelige handelingen jegens hen, met inbegrip van ontslag, op grond van hun status of activiteiten als werknemersvertegenwoordiger of op grond van hun lidmaatschap van een vakbond of hun deelname aan vakbondsactiviteiten;

16.

herinnert eraan dat in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten de doelstelling is vastgesteld dat ten minste 60 % van alle volwassenen jaarlijks aan een opleiding moet deelnemen en ten minste 80 % van de bevolking tussen 16-74 jaar over elementaire digitale vaardigheden moet beschikken; wijst op de cruciale rol die de sociale partners kunnen spelen bij het behalen van deze streefdoelen en het wegwerken van tekorten aan vaardigheden en personeel, met name in regio’s die de grootste gevolgen ondervinden van de groene en digitale transitie; wijst erop dat de sociale partners door middel van tripartiete besprekingen moeten geraadpleegd over om- en bijscholing, beroepsonderwijs en -opleiding, en leerbeleid; moedigt de sociale partners aan om- en bijscholing, alsook digitale vaardigheden en geletterdheid te behandelen in de sociale dialoog over opleidingsbeleid;

17.

dringt erop aan dat de industriestrategie en de kmo-strategie van de EU de rol van de sociale partners bevordert en waarborgt dat de banen van de toekomst zowel groen als fatsoenlijk zijn, goed betaald zijn en op goede arbeidsvoorwaarden gebaseerd zijn, ook met betrekking tot gezondheid en veiligheid op de werkplek, degelijke sociale bescherming en gendergelijkheid; verzoekt de lidstaten om in de context van de Europese Green Deal en de herstel- en veerkrachtplannen, waaronder het REPowerEU-plan, in nauwe samenwerking met de sociale partners alomvattende en samenhangende beleidsmaatregelen aan te nemen en uit te voeren ten behoeve van alle maatschappelijke groepen en om optimaal gebruik te maken van publieke en particuliere financiering voor het scheppen van hoogwaardige banen met eerlijke arbeidsvoorwaarden en een goede beloning, het bevorderen van collectieve onderhandelingen en het eerbiedigen van collectieve overeenkomsten; is voorts van mening dat alle ontvangers van financiële steun van de EU, met inbegrip van de Europese Green Deal-programma’s voor industriële plannen, de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en/of verplichtingen van de werkgever, met inbegrip van eventuele toepasselijke collectieve overeenkomsten, moeten eerbiedigen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat ondernemingen die overheidssteun ontvangen maatregelen moeten nemen om collectieve ontslagen en verslechtering van de arbeidsomstandigheden te voorkomen en verplicht zijn collectieve onderhandelingen en het informatie- en overlegproces met de vakbonden over investeringen, herstructureringen en eventuele hervormingen te eerbiedigen;

18.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de sociale partners te raadplegen over ecologische zaken en de rechtvaardige transitie als standaardpraktijk in de hele beleidscyclus, van het opstellen van de agenda tot de uitvoering en van het toezicht tot de evaluatie; is van mening dat de standpunten van de sociale partners moeten worden meegenomen in alle plannings- en uitvoeringsfasen voor de rechtvaardige transitie; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor voorlichtingscampagnes, opleidingen en capaciteitsopbouw voor sociale partners, alsook voor relevante overheidsinstanties die hen kunnen helpen om zich vertrouwd te maken met klimaatgerelateerde onderwerpen, de mogelijke gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt en de maatregelen die deze kunnen compenseren;

19.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de sociale clausule in de bestaande EU-richtlijn inzake overheidsopdrachten (23) naar behoren wordt gehandhaafd en herinnert eraan dat volgens deze richtlijn ondernemers die betrokken zijn bij overheidsopdrachten, moeten voldoen aan alle toepasselijke verplichtingen op het gebied van milieu-, sociaal en arbeidsrecht die zijn vastgesteld in het Unierecht, het nationale recht of collectieve overeenkomsten, of in toepasselijke internationale milieu-, sociale of arbeidsrechtelijke bepalingen, met inbegrip van de eerbiediging van de vrijheid van vereniging en het recht zich te organiseren en collectieve onderhandelingen te voeren; herinnert er bovendien aan dat de lidstaten volgens deze richtlijn ondernemers die veroordeeld zijn wegens niet-naleving van bestaande wetgeving en collectieve overeenkomsten of wegens niet-nakoming van hun verplichtingen inzake de betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen, van deelname aan een aanbestedingsprocedure kunnen uitsluiten; wijst erop dat het belangrijk is de selectie van duurzaamheidscriteria te versterken om een optimaal gebruik van overheidsuitgaven, hoogwaardige werkgelegenheid en sociale inclusie te bevorderen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun gerechtelijke systemen over voldoende capaciteit beschikken om hun bevoegdheden uit te oefenen en hoofdelijk aansprakelijke hoofdcontractanten en onderaannemers die zich herhaaldelijk schuldig hebben gemaakt aan oneerlijke concurrentie, belastingfraude en belastingontwijking van aanbestedingen uit te sluiten; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor naleving van, toezicht op en handhaving van de richtlijn inzake overheidsopdrachten;

20.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld “Concurrentievermogen van de EU op lange termijn: blik op de periode na 2030” (COM(2023)0168), die beoogt de rapportagevereisten te rationaliseren en te vereenvoudigen en die lasten voor elk van de groene, digitale en economische thematische gebieden met 25 % te verminderen; is tevens ingenomen met de presentatie door de Commissie van een voorstel om deze doelstelling uiterlijk in het najaar van 2023 te verwezenlijken; verzoekt de Commissie deze toezegging snel uit te voeren en zo het concurrentievermogen van alle ondernemingen in de EU, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), te versterken en de basisvoorwaarden voor sociale rechtvaardigheid en welvaart te verbeteren; herinnert eraan dat kmo’s de ruggengraat zijn van de sociale cohesie in de EU;

21.

herinnert de Commissie en de lidstaten aan de dringende noodzaak van een “Protocol inzake sociale vooruitgang”;

22.

verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk de richtlijn toereikende minimumlonen om te zetten, die de lidstaten verplicht in voorkomend geval passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de economische actoren en hun onderaannemers bij de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten of concessieovereenkomsten voldoen aan de toepasselijke loonverplichtingen, aan het recht van organisatie en aan collectieve onderhandelingen over loonvorming op het gebied van sociaal en arbeidsrecht dat is vastgelegd in het recht van de Unie, het nationale recht, collectieve overeenkomsten en internationale sociale en arbeidsrechtelijke bepalingen, waaronder de IAO-Verdragen nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en nr. 98 betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen;

23.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie om vóór eind 2023 met een wetgevingsvoorstel te komen (24) en de resolutie van het Parlement van 2 februari 2023 (25) te beoordelen, en verwelkomt de aankondiging van de officiële start van de tweefasenraadpleging van de sociale partners in de EU; onderstreept het belang om de transparantie en het recht van werknemers op informatie en raadpleging bij alle soorten bedrijven te versterken, op een wijze waar zowel de werknemers als de werkgever baat bij hebben; wijst er in het bijzonder op dat speciale aandacht moet uitgaan naar complexe bedrijfsstructuren en leverings- of onderaannemingsketens, teneinde te bewerkstelligen dat de hiermee verband houdende verplichtingen met betrekking tot de sociale dialoog worden gerespecteerd; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om na de geplande effectbeoordeling en raadpleging van de sociale partners een algemeen kader inzake werknemersinformatie, raadpleging en participatie in te voeren voor ondernemingen die gebruikmaken van Europese instrumenten voor bedrijfsmobiliteit, teneinde minimumnormen vast te stellen, ook inzake aspecten als verwachte veranderingen en herstructureringen, met name op ondernemingsniveau;

24.

toont zich uiterst bezorgd over praktijken die gericht zijn op het onderdrukken van vakbonden; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat iedere Europese burger het recht krijgt om zich vrijwillig in een vakbond te organiseren, de werknemersvertegenwoordiging wordt versterkt en het recht van sociale partners om collectieve onderhandelen te voeren, wordt gewaarborgd;

25.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de respectieve corporategovernancemodellen van ondernemingen naar behoren rekening houden met de ecologische, sociale en economische ontwikkeling door middel van governancepraktijken en marktaanwezigheid, en corporategovernancepraktijken bevorderen die bijdragen tot de duurzaamheid van ondernemingen;

26.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de noodzakelijke voorwaarden en vereisten vast te stellen om uiterlijk in 2030 ten minste 80 % van de bedrijven onder duurzame corporategovernanceovereenkomsten te laten vallen, en tegelijkertijd de hiermee gepaard gaande bijzondere administratieve lasten voor kmo’s te erkennen, onder meer door met de werknemers overeengekomen strategieën vast te stellen om de ecologische, sociale en economische ontwikkeling positief te beïnvloeden door middel van governancepraktijken en marktaanwezigheid, de rol van bestuurders die de langetermijnbelangen van hun bedrijf nastreven, te versterken, de verantwoordingsplicht van bestuurders te verbeteren met betrekking tot de integratie van duurzaamheid in de besluitvorming van ondernemingen, en corporategovernancepraktijken te bevorderen die bijdragen tot de duurzaamheid van ondernemingen, zoals degene die verband houden met onder andere de verslaglegging van ondernemingen, de vergoeding van bestuursleden, de samenstelling van de bestuursraad en de betrokkenheid van de belanghebbenden;

27.

is ingenomen met het feit dat in de mededeling van de Commissie over de sociale dialoog staat dat de Commissie in elke dienst van de Commissie een coördinator voor de sociale dialoog zal aanstellen om een beter inzicht te krijgen in de sociale dialoog in de gehele instelling, zoals eerder door de sociale partners zelf was voorgesteld; benadrukt echter dat de sociale partners het beste inzicht hebben in de sociale dialoog en daarom de voorkeur verdienen als kandidaten voor deze coördinatorrol; is van mening dat deze coördinatoren een duidelijk mandaat moeten krijgen waarin hun rollen, rechten en verantwoordelijkheden goed zijn gedefinieerd en met voldoende financiële, technische en personele middelen; stelt voor dat de Commissie deze coördinatoren voor de sociale dialoog betrekt bij alle werkgelegenheidsgerelateerde aspecten van de EU-regelgeving en -beleidsvorming;

28.

verzoekt de Commissie het gebruik van het ESF+ verder te bevorderen voor de capaciteitsopbouw van de sociale partners met het oog op de versterking van collectieve arbeidsovereenkomsten in Europa;

29.

verzoekt de lidstaten om alle kernverdragen van de IAO te ratificeren en uit te voeren, met name nr. 155 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, nr. 187 betreffende een promotioneel raamwerk voor veiligheid en gezondheid op het werk, die beide onlangs zijn aangewezen als kernverdragen van de IAO en die nog niet door alle lidstaten zijn geratificeerd, alsook Verdrag nr. 190 van de IAO inzake het uitbannen van geweld en pesterijen op de werkvloer; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen alle kernverdragen van de IAO te ratificeren en uit te voeren;

30.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor de goede werking van nationale individuele en collectieve systemen voor de beslechting van arbeidsgeschillen overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijken, zoals aanbevolen in diverse IAO-verdragen en -aanbevelingen, met inbegrip van verzoenings-, bemiddelings- en arbitragediensten waarmee beide partijen hebben ingestemd, die over vereenvoudigde procedures en voldoende middelen moeten beschikken om zowel werknemers als werkgevers bij te staan en die betaalbaar moeten zijn; verzoekt de lidstaten met gedecentraliseerde arbeidsbemiddelingsdiensten ervoor te zorgen dat de regionale overheden deze diensten handhaven, zodat er een vergelijkbaar beschermingsniveau voor alle werknemers en werkgevers op het nationale grondgebied wordt gewaarborgd;

31.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen in de informele economie te bevorderen als een manier om de zichtbaarheid van werkenden te vergroten, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en sociale bescherming te waarborgen en zwartwerk te bestrijden;

32.

verzoekt de Commissie de overeenkomsten tussen Europese sociale partners op zowel sectoroverschrijdend als sectoraal niveau te respecteren en ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 155 VWEU volgens welke, wanneer de directie en werknemers dat wensen, de dialoog tussen hen op Unieniveau kan leiden tot contractuele betrekkingen, waaronder overeenkomsten, worden geëerbiedigd; benadrukt dat het respecteren van de overeenkomsten tussen Europese sociale partners ook betrekking heeft op de toepassing daarvan, hetzij overeenkomstig de procedures en praktijken die specifiek van toepassing zijn op werkgevers en werknemers in de betrokken lidstaat, of op gebieden die onder artikel 153 VWEU vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, middels een besluit van de Raad op basis van een voorstel van de Commissie; verzoekt de Commissie duidelijkheid te verschaffen over de procedure en criteria die bepalen hoe zij omgaat met collectief onderhandelde overeenkomsten met het oog op de verbindendverklaring daarvan;

33.

benadrukt dat in overweging 35 van Richtlijn (EU) 2019/2121 (26) staat dat “[i]n sommige omstandigheden […] het recht van vennootschappen om een grensoverschrijdende verrichting aan te gaan, [kan] worden gebruikt voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden, zoals het omzeilen van de rechten van werknemers, socialezekerheidsbetalingen of fiscale verplichtingen, of voor criminele doeleinden”; acht het in dit verband van essentieel belang dat de bepalingen van Richtlijn 2002/14/EG waarin EU-minimumnormen voor de informatie en raadpleging van werknemers zijn vastgelegd, alsook de bepalingen inzake vertegenwoordiging en medezeggenschap van werknemers voor gevallen waarin bedrijven over de grenzen heen worden geherstructureerd, worden gehandhaafd; verzoekt de Commissie in het kader van de door haar geplande evaluatie van Richtlijn (EU) 2019/2121 rekening te houden met bestaande goede praktijken en met de resultaten van de studies naar en beoordelingen van de positieve sociaal-economische gevolgen van de vertegenwoordiging van werknemers in bedrijfsorganen, hetgeen kan helpen om de corporate governance te verbeteren; verzoekt de Commissie initiatieven te ontwikkelen ter vergroting van het bewustzijn en de kennis over de nationale en EU-regels inzake de werknemersvertegenwoordiging in ondernemingsorganen in de verschillende lidstaten, de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen, onder meer door de verschillende vormen van werknemersparticipatie en de sociaal-economische gevolgen ervan te evalueren; herhaalt dat in verschillende EU-wetgevingshandelingen inzake de rechten van werknemers op vertegenwoordiging in bestuursraden geen minimumeisen vastgesteld zijn voor de vertegenwoordiging in bestuursraden in de verschillende soorten bedrijven in de EU of voor bedrijven die van instrumenten van het EU-vennootschapsrecht gebruikmaken om de grensoverschrijdende bedrijfsmobiliteit en wettelijke reorganisatie, zoals grensoverschrijdende fusies, omzettingen en splitsingen, mogelijk te maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten snel afdoende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat ondernemingen die EU-breed actief zijn het recht van werknemers op informatie, raadpleging en participatie eerbiedigen en dat zij zich, dienovereenkomstig, houden aan de bestaande Europese en nationale wettelijke vereisten;

34.

is ervan overtuigd dat nieuwe digitale technologieën, mits op vertrouwenwekkende manier geïmplementeerd en gemonitord, een positief effect op de werkomgeving zullen hebben, en dat hiervoor tijdige en zinvolle voorlichting en raadpleging van werknemersvertegenwoordigers, inclusief vakbonden, nodig is om ervoor te zorgen dat hun gezondheid en veiligheid, gegevensbescherming, gelijke behandeling, de stabiliteit van hun arbeidsverhouding, sociale bescherming en welzijn op het werk ten volle worden geëerbiedigd, en ongeoorloofde uitbuiting van en toezicht op werknemers, met inbegrip van discriminatie en stigmatisering, met name via beheer met behulp van algoritmen, wordt voorkomen; onderstreept het feit dat vakbonden en werknemersvertegenwoordigers moeten beschikken over de noodzakelijke toegang en middelen om digitale technologieën voor de invoering ervan te beoordelen en te evalueren; benadrukt dat nieuwe digitale technologieën en artificiële intelligentie geen afspiegeling mogen zijn van bestaande discriminatie en maatschappelijke vooroordelen, maar moeten bijdragen aan de sociale inclusie en deelname van diverse groepen; benadrukt dat gedurende de hele levenscyclus van de digitale technologieën het principe moet worden geëerbiedigd dat ethische beginselen standaard worden toegepast, om het volledige potentieel ervan te benutten en vooroordelen te voorkomen; benadrukt dat structuren voor sociale dialoog, sectorale collectieve onderhandelingen, informatieverstrekking aan vakbonden en werknemersvertegenwoordigers, en raadpleging en participatie daarvan van essentieel belang zijn om werknemers de nodige ondersteuning te bieden voor een betere opbouw van en deelname aan de invoering en monitoring van duurzame digitale technologie op de werkplek door de sociale partners;

35.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)   PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16.

(2)   PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16.

(3)   PB L 186 van 11.7.2019, blz. 105.

(4)   PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28.

(5)   PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21.

(6)   PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33.

(7)   PB C 251 van 30.6.2022, blz. 104.

(8)  Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0028.

(9)   PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.

(10)   PB C 445 van 29.10.2021, blz. 75.

(11)   PB L 304 van 24.11.2022, blz. 67.

(12)  Visser, Jelle, Amsterdam Institute for Advanced Labour Studies, Database on Institutional Characteristics of Trade Unions, Wage Setting, State Intervention and Social Pacts, versie 6.1, november 2019.

(13)  Rodriguez Contreras, Ricardo; Molina, Oscar, Moving with the times: Emerging practices and provisions in collective bargaining, Publicaties van Eurofound, augustus 2022.

(14)  Europese Commissie, Employment and Social Developments in Europe — Young Europeans: employment and social challenges ahead, Jaarlijkse beoordeling 2022.

(15)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

(16)  Zie het Statuut van de IAO van 1919 en de Verklaring van Philadelphia van de IAO van 1944.

(17)  Besluit 98/500/EG van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de oprichting van Comités voor de sectoriële dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 27).

(18)  Werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 juli 2010 over de werking en het potentieel van de Europese sectorale sociale dialoog (SEC(2010)0964).

(19)  The Informal Economy and Decent Work: A Policy Resource Guide supporting transitions to formality 978-92-2-126962-5[ISBN] 978-92-2-126963-2.

(20)  https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary/trade-union#:~:text=Decline%20in%20union%20density&text=In%20OECD%20(Organisation%20for%20Econo

(21)  Freedom of Association, Digest of Decisions, 5e editie, 2006, punten 1102, 1103 en 1106; 336e verslag van het Comité voor vakbondsvrijheid, 2005, punt 58; Aanbeveling betreffende de vertegenwoordigers van de werknemers, 1971 (nr. 143), deel IV, punten 9.3 en 17.

(22)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(23)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(24)  https://www.euractiv.com/section/economy-jobs/news/commissioner-new-european-works-council-proposal-by-end-of-2023/

(25)  Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0028.

(26)  Richtlijn (EU) 2019/2121 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (PB L 321 van 12.12.2019, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1225/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top