Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52022IP0022

Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over de uitdagingen voor stedelijke gebieden na COVID-19 (2021/2075(INI))

PB C 342 van 6.9.2022, pp. 2–13 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 342/2


P9_TA(2022)0022

Uitdagingen voor stedelijke gebieden na COVID-19

Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2022 over de uitdagingen voor stedelijke gebieden na COVID-19 (2021/2075(INI))

(2022/C 342/01)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name titel XVIII,

gezien Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (1),

gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (2) (de verordening gemeenschappelijke bepalingen),

gezien Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (3),

gezien Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (4),

gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (5),

gezien het Pact van Amsterdam tot vaststelling van de stedenagenda voor de EU, dat op 30 mei 2016 door de voor stedelijke aangelegenheden verantwoordelijke EU-ministers werd gesloten,

gezien de Overeenkomst die op 12 december 2015 is goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) in Parijs (Overeenkomst van Parijs),

gezien de VN-agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder duurzameontwikkelingsdoelstelling 11 (SDG 11) inzake duurzame steden en gemeenschappen,

gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid (6),

gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over de rol van regio’s en steden van de EU bij de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over klimaatverandering (7),

gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over de rol van steden in het institutioneel kader van de Unie (8),

gezien zijn resolutie van 17 september 2020 over het Europees Jaar van groenere steden 2022 (9),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen (10),

gezien de verklaring over de stedenagenda voor de EU, die de voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden verantwoordelijke ministers op 10 juni 2015 overeenkwamen,

gezien de conclusies van de Raad van 24 juni 2016 over de stedenagenda voor de EU,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014, getiteld “De stedelijke dimensie van het Europees beleid — Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda” (COM(2014)0490),

gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2021, getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” (COM(2021)0345),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021, getiteld “Een Unie van gelijkheid: Strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),

gezien de mededeling van de Commissie van 7 oktober 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma” (COM(2020)0620),

gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

gezien het nieuwe Handvest van Leipzig betreffende de transformatieve kracht van steden voor het algemeen belang, goedgekeurd tijdens de informele ministeriële bijeenkomst van 30 november 2020,

gezien de Nieuwe Stedenagenda, die tijdens de VN-conferentie over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling (Habitat III) van 20 oktober 2016 in Quito, Ecuador, werd goedgekeurd,

gezien het rapport “De stand van zaken in Europese steden” van de Commissie van 2016,

gezien het mondiale vlaggenschipinitiatief van de VN-Entiteit voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen, getiteld “Safe Cities and Safe Public Spaces for Women and Girls”,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul voor ondertekening werd opengesteld (het Verdrag van Istanbul),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie vervoer en toerisme,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A9-0352/2021),

A.

overwegende dat steden nog steeds in de frontlinie staan van de COVID-19-crisis, met teruglopende economische activiteit, hoge besmettingscijfers, een lage vaccinatiegraad en vaak ontoereikende middelen; overwegende dat de pandemie ook de heersende tekortkomingen in stedelijke gebieden heeft aangewakkerd, waardoor hun kwetsbaarheden aan het licht zijn gekomen;

B.

overwegende dat de reeds lang bestaande ongelijkheden in de steden en gemeenten door de pandemie nog groter zijn geworden; overwegende dat mensen in kwetsbare situaties nu kwetsbaarder zijn dan ooit; overwegende dat steden worden geconfronteerd met uitdagingen als gebrekkige toegang tot betaalbare huisvesting, dakloosheid, sociale uitsluiting, armoede en gebrekkige toegang tot overheids-, gezondheids- en andere essentiële diensten;

C.

overwegende dat 72 % van de EU-bevolking in steden en gemeenten woont; overwegende dat steden en gemeenten rechtstreeks betrokken moeten worden bij het herstel van COVID-19; overwegende dat met de herstelmaatregelen de reeds lang bestaande kwetsbaarheden moeten worden aangepakt en niet alleen een antwoord moet worden geboden op de gezondheidsgevolgen van COVID-19, maar ook de aanhoudende ongelijkheden moeten worden weggewerkt;

D.

overwegende dat uit de pandemie genderspecifieke gevolgen zijn voortgevloeid waarmee steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden rekening zullen moeten houden; overwegende dat door quarantaines en voorschriften inzake social distancing vrouwen meer risico lopen op gendergerelateerd geweld, terwijl tegelijkertijd de toegang van vrouwen tot ondersteuningsnetwerken, maatschappelijke dienstverlening en voorzieningen voor seksuele en reproductieve gezondheid is afgenomen;

E.

overwegende dat de grootste ongelijkheden op het gebied van toegang tot essentiële middelen als gezondheid, onderwijs en digitalisering, zich in de metropolen voordoen, met name voor mensen in kwetsbare situaties; overwegende dat meer aanhoudende inspanningen nodig zijn om allerlei vormen van discriminatie en ongelijkheid te bestrijden;

F.

overwegende dat de digitale kloof een intersectionele kloof is die de genderkloof, de generatiekloof en de sociale kloof omvat, en dat die kloof tijdens de COVID-19-pandemie nog groter is geworden; overwegende dat in een groot aantal huishoudens en onderwijsinstellingen sprake is van ontoereikende toegang tot geschikte, moderne digitale apparatuur;

G.

overwegende dat het banenverlies naar schatting in steden hoger is dan elders, en met name laaggeschoolden, zelfstandigen, migrerende werknemers en mensen met atypische arbeidscontracten zwaar treft; overwegende dat jongeren waarvan de onderwijs- en opleidingstrajecten en de persoonlijke ontwikkeling zijn onderbroken het hoogste risico op werkloosheid lopen, en dat veel jongeren niet de stage- of leerlingplaats hebben gevonden die zij nodig hebben voor het afronden van hun studie;

H.

overwegende dat de COVID-19-pandemie enorme gevolgen heeft gehad voor de culturele en de sportsector, wat heeft geleid tot een economische recessie en banenverlies; overwegende dat stedelijke gebieden, met name metropolen, toereikende middelen nodig hebben voor de culturele en creatieve sector ter bevordering van de persoonlijke ontwikkeling van hun inwoners;

I.

overwegende dat steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden, zoals metropolen, belangrijke economische pijlers zijn voor het op gang brengen van groei, het scheppen van banen en het vergroten van het concurrentievermogen van de Unie in een geglobaliseerde economie; overwegende dat functionele stedelijke gebieden en middelgrote steden, ondanks de grote verschillen in de kwaliteit van de dienstverlening tussen stedelijke en plattelandsgebieden, kunnen fungeren als drijvende krachten achter het aantrekkelijker maken en ontwikkelen van het platteland en de omliggende plattelands- en ontvolkte gebieden toegang kunnen verschaffen tot een aantal diensten;

J.

overwegende dat stedelijke gebieden, naast de lijst van bestaande uitdagingen, ook te kampen hebben met de klimaatnoodtoestand en demografische uitdagingen; overwegende dat de veelheid aan uitdagingen een reactie vereist op basis van een geïntegreerde aanpak waarin verschillende sectoren worden samengebracht en naar oplossingen wordt gezocht die aan de sectorale behoeften tegemoetkomen;

K.

overwegende dat het door de regels voor het houden van fysieke afstand duidelijk is geworden dat er in en rondom functionele stedelijke gebieden sprake is van een gebrek aan geschikte parken, groenvoorzieningen en recreatievoorzieningen in de openlucht, alsmede aan een toereikende infrastructuur voor veilig vervoer en alternatief vervoer;

L.

overwegende dat de COVID-19-crisis uitdagingen zoals het vervoer van voedsel en geneesmiddelen en de verlening van gezondheidsdiensten heeft verergerd, en ernstige tekortkomingen aan het licht heeft gebracht in de medische infrastructuur en de beroepsopleiding van zorgverleners bij het reageren op pandemieën of andere medische noodsituaties;

M.

overwegende dat huisvesting een universeel recht is en dat de lidstaten daarom specifieke strategieën en passende maatregelen moeten vaststellen om belemmeringen met betrekking tot het recht op huisvesting weg te nemen; overwegende dat er in betaalbare huisvesting moet worden geïnvesteerd;

N.

overwegende dat stedelijke gebieden verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen in de EU en een sleutelrol spelen in de strijd van de Unie tegen klimaatverandering; overwegende dat steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden grootschalige stedenbouwkundige projecten en een circulaire economie in het leven moeten roepen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de opwarming van de aarde te beperken, congestie te verminderen, afval te recyclen en economische duurzaamheid te waarborgen;

O.

overwegende dat de wereldwijde stedelijke bevolking tegen 2050 naar verwachting met drie miljard mensen zal zijn toegenomen en dat twee derde van de wereldbevolking in steden zal wonen, en dat deze stadsbewoners 75 % van de mondiale natuurlijke hulpbronnen zullen verbruiken, 50 % van het wereldwijde afval zullen produceren en meer dan 60 % van de broeikasgassen zullen uitstoten;

P.

overwegende dat het openbaar vervoer een belangrijke rol speelt bij de bestrijding van vervoersarmoede; overwegende dat er dringend meer moet worden geïnvesteerd in duurzaam openbaar vervoer en in het toegankelijker maken daarvan, alsook in een betere infrastructuur voor voetgangers en fietsers met het oog op de veiligheid van weggebruikers, met name van weggebruikers met verminderde mobiliteit en andere beperkingen;

Q.

overwegende dat alle Europese steden te kampen hebben met een ongekende stijging van de energietarieven en dat deze stijging het economisch herstel na de pandemie in het gedrang dreigt te brengen;

R.

overwegende dat zowel bestuur op verschillende niveaus als de actieve betrokkenheid van stedelijke autoriteiten, op basis van coördinerend optreden door de EU, de lidstaten en lokale en regionale overheden, en in overeenstemming met het beginsel van partnerschap zoals vastgelegd in de verordening gemeenschappelijke bepalingen, van essentieel belang zijn voor het ontwerp en de uitvoering van alle EU-programma’s; overwegende dat de stedelijke autoriteiten bevoegd zijn om projecten te selecteren in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor duurzame stedelijke ontwikkeling en in het kader van het nieuwe Stedelijk Europa-initiatief, dat de stedelijke innovatieve acties voor de nieuwe programmeringsperiode vervangt en verdere kansen biedt om nieuwe oplossingen en benaderingen uit te testen, waaronder die ter ondersteuning van stedelijke gebieden in het tijdperk na COVID-19;

Inclusieve steden

1.

onderkent de sociale, economische, territoriale, culturele en historische diversiteit van stedelijke gebieden in de Unie, en wijst erop dat uitdagingen als segregatie en armoede moeten worden aangepakt;

2.

wijst erop dat de bevolkingsdichtheid in steden weliswaar een groot aantal voordelen biedt met betrekking tot duurzaam wonen, maar dat een hoge bevolkingsconcentratie in bepaalde stedelijke gebieden mogelijk ook tot onaangename gevolgen leidt met betrekking tot de betaalbaarheid van huisvesting, de verontreinigingsgraad, de levenskwaliteit en het risico op discriminatie, armoede, ongelijkheid en sociale uitsluiting;

3.

benadrukt dat de COVID-19-pandemie de trend van ontvolking heeft versterkt in onderontwikkelde stedelijke gebieden, die vaak over onvoldoende inkomsten beschikken om hun inwoners van hoogwaardige openbare diensten te voorzien; moedigt de Commissie aan aanbevelingen te verstrekken en de lidstaten aan te sporen beste praktijken met betrekking tot administratieve territoriale indeling en hervormingen uit te wisselen;

4.

verzoekt de lidstaten maatregelen in de vorm van positieve acties in het leven te roepen teneinde de inclusie te bevorderen van gemarginaliseerde gemeenschappen, zoals personen met een handicap, meer geïsoleerde ouderen, daklozen, migranten, vluchtelingen en etnische minderheden, waaronder de Roma; dringt erop aan dat de financieringsbehoeften zowel op lokaal niveau, met inbegrip van die van stedelijke gebieden, met name metropolen, als op regionaal, nationaal en EU-niveau, gericht worden op de duurzame ondersteuning van deze gemarginaliseerde gemeenschappen; herinnert eraan dat de structuurfondsen, naast voldoende nationale middelen, van cruciaal belang zijn voor de succesvolle uitvoering van beleidsmaatregelen die worden voorgesteld in het strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma; wijst op de rol van stedelijke autoriteiten bij het waarborgen dat deze maatregelen de daadwerkelijke behoeften van de Romagemeenschappen weerspiegelen;

5.

onderstreept dat voor personen met een handicap de toegankelijkheid van steden van essentieel belang is om hun recht op mobiliteit, studie en werk ten volle te kunnen uitoefenen; verzoekt de Commissie volledige inclusie te bevorderen en toegang te verlenen tot de voor stedelijke ontwikkeling vrijgemaakte middelen om steden toegankelijk te maken voor personen met een handicap;

6.

wijst erop dat het voor het herstel van stedelijke economieën waarbij niemand achter wordt gelaten, nodig is dat investeringen en hervormingen leiden tot stabiele en hoogwaardige banen, versterkte openbare infrastructuur en diensten, betere sociale dialoog en steun voor de inclusie en integratie van kansarme groepen, onder meer door het versterken van de stelsels van sociale bescherming en sociale voorzieningen;

7.

benadrukt dat het van belang is een EU-kader tot stand te brengen ter ondersteuning van lokale en nationale strategieën voor het bestrijden van dakloosheid en het verzekeren van gelijke toegang tot fatsoenlijke huisvesting voor iedereen, door een geïntegreerde benadering te stimuleren waarin bijstand voor huisvesting, sociale dienstverlening, gezondheidszorg en actieve insluiting samen worden gebracht;

8.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden specifieke strategieën en passende maatregelen te ontwikkelen om belemmeringen weg te nemen met betrekking tot het recht op huisvesting, zoals discriminatie, financialisering, speculatie, toeristificatie, onrechtmatige kredietverleningspraktijken en gedwongen uitzettingen;

9.

benadrukt dat diensten van algemeen economisch belang op het gebied van huisvesting voornamelijk moeten inspelen op specifieke, door de nationale, regionale of lokale overheden vastgestelde vereisten, aangezien deze overheden de huisvestingsbehoeften en levensomstandigheden van verschillende groepen — die sterk kunnen verschillen tussen landelijke en stedelijke gebieden — in kaart kunnen brengen en aan kunnen pakken, en aangezien deze overheden een cruciale rol spelen bij een doelgerichte besluitvorming; verzoekt de Commissie met klem de definitie van de doelgroep voor sociale en met openbare middelen gefinancierde huisvesting in de regels inzake diensten van algemeen economisch belang aan te passen, teneinde de nationale, regionale en lokale overheden in staat te stellen steun te verlenen voor huisvesting voor alle groepen wier behoefte aan fatsoenlijke en betaalbare huisvesting niet door de markt kan worden ingevuld, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er voldoende financiering wordt uitgetrokken voor de meest achtergestelde groepen, teneinde investeringen aan te zwengelen, voor betaalbare huisvesting, neutraliteit tussen huur- en koopwoningen en duurzame stadsontwikkeling te zorgen, sociaal diverse wijken te creëren en sociale cohesie te bevorderen;

10.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor nog meer investeringen in sociale, openbare, energie-efficiënte, adequate en betaalbare huisvesting en in het tegengaan van dakloosheid en uitsluiting van huisvesting in de EU; vraagt in dit verband om investeringen via het EFRO, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, InvestEU, ESF+, Horizon Europa en NextGenerationEU, en in het bijzonder via de herstel- en veerkrachtfaciliteit, het investeringsinitiatief coronavirusrespons en het investeringsinitiatief coronavirusrespons plus; dringt aan op meer samenwerking tussen deze instrumenten; is ingenomen met de financiering van leningen voor sociale en betaalbare huisvesting via InvestEU en de ruimere portefeuille van de Europese Investeringsbank (EIB); verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale vooruitgang, samen met de groene en de digitale transitie, op te nemen als investeringsprioriteit in de herstel- en veerkrachtfaciliteit, teneinde kwetsbare personen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van de huidige crisis, en socialevooruitgangsplannen op te nemen in de herstel- en veerkrachtplannen om aan te geven hoe de beginselen van de Europese Pijler van sociale rechten in de praktijk zullen worden gebracht en waar de sociale investeringen, met inbegrip van investeringen in sociale huisvesting, op gericht zullen zijn; vraagt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat de financiering van de EU en de EIB toegankelijker wordt voor lokale en regionale aanbieders van sociale en openbare betaalbare huisvesting; vraagt de EIB te trachten de betreffende financiering te verhogen via gerichte technische bijstand en nauwere samenwerking met financiële intermediairs en de lidstaten;

11.

wijst op de sociaal-economische uitdagingen waarvoor stedelijke centra, met name metropolen, met grote migranten- en vluchtelingenpopulaties en andere mensen in kwetsbare situaties zich geplaatst zien; brengt in herinnering dat steden een sleutelrol spelen bij het opbouwen van inclusieve, toegankelijke en gastvrije gemeenschappen, waarbij niemand achter wordt gelaten;

12.

merkt op dat migratie rechtstreekse gevolgen heeft voor het inclusieve karakter van steden en beleidsmaatregelen op maat vergt; wijst op het potentieel van het EU-actieplan voor integratie en inclusie 2021-2027 om inclusieve en hechte samenlevingen tot stand te brengen en programma’s toe te snijden op de meest achtergestelde wijken; merkt tevens op dat vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkelingsstrategieën een essentieel instrument vormen om banen te scheppen, armoede terug te dringen en diensten in stedelijke gebieden toegankelijker te maken;

13.

wijst erop dat kinderen in achtergestelde wijken vaak aan verschillende risicofactoren worden blootgesteld, zoals slechte huisvesting, discriminatie, geweld en ongelijke toegang tot diensten als kinderopvang, gezondheidszorg en onderwijs; verzoekt de lidstaten hun steun te verlenen aan lokale kindergarantiestelsels teneinde de specifieke uitdagingen met betrekking tot kinderarmoede in stedelijke gebieden aan te kunnen pakken;

14.

wijst op de rol die steden vervullen bij het nastreven van gendergelijkheid en herinnert eraan dat, in overeenstemming met de verordening gemeenschappelijke bepalingen, bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring, verslaglegging en evaluatie van alle in het kader van het cohesiebeleid genomen maatregelen het begrip gendergelijkheid als richtsnoer moet worden gehanteerd; onderstreept dat bij acties ter overbrugging van de genderkloof in het kader van het cohesiebeleid een intersectionele aanpak moet worden gevolgd, waarbij passende maatregelen worden genomen ter voorkoming van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of genderoriëntatie, en waarbij wordt voortgebouwd op nationale strategische kaders voor gendergelijkheid; wijst er bovendien op dat de begunstigden van de cohesiebeleidsprogramma’s geen discriminerend beleid mogen invoeren, al helemaal niet gericht tegen minderheden, zoals de lhbti-gemeenschap; spoort ertoe aan om aanvragen af te wijzen van mogelijke begunstigden, waaronder regionale of lokale overheden, die discriminerend beleid hebben ingevoerd tegen leden van de lhbti-gemeenschap, zoals het uitroepen van “lhbt-vrije zones”;

15.

benadrukt dat vrouwen niet alleen kwetsbaarder zijn voor bovengenoemde gezondheidsrisico’s, maar ook voor de met de COVID-19-pandemie gepaard gaande economische risico’s; erkent dat het voor het herstel van de stedelijke economieën van essentieel belang is dat vrouwen in de formele en de informele sector na de pandemie worden ondersteund en beter worden geïntegreerd in de beleidsplanning op het gebied van regionale en stedelijke ontwikkeling, waarbij de nadruk op het ontwerpen van genderinclusieve steden en gemeenschappen wordt gelegd;

16.

vestigt de aandacht op de wijdverspreide gendergegevenskloof op het gebied van cohesiebeleid en stadsplanning en roept de lidstaten op gegevensverzamelingsmethoden in te voeren die gebruikmaken van naar gender uitgesplitste gegevens;

17.

wijst erop dat de COVID-19-pandemie enorme pieken in huiselijk geweld heeft veroorzaakt; verzoekt de lidstaten middelen van het cohesiebeleid toe te wijzen en stedelijke autoriteiten te bewegen om de globale toename van gendergerelateerd geweld aan te pakken; spoort de steden in de EU aan een alomvattende aanpak te ontwikkelen, toe te passen en te evalueren, voor het voorkomen van en reageren op seksuele intimidatie en gendergerelateerd geweld in openbare ruimten door zich te verbinden tot de beginselen van het mondiale vlaggenschipinitiatief van de VN-Entiteit voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen, getiteld “Safe Cities and Safe Public Spaces for Women and Girls”;

18.

verzoekt alle lidstaten het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen zo spoedig mogelijk te ratificeren; verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld aan te pakken en de nodige stappen te ondernemen om gendergerelateerd geweld aan te merken als een nieuwe vorm van criminaliteit die moet worden opgenomen in artikel 83, lid 1, VWEU;

19.

erkent de last die op de schouders van vrouwen rust als voornaamste verzorgers in formele en informele situaties, en de sociale waarde van die zorg, met name tijdens de COVID-19-crisis; wijst erop dat 80 % van alle zorg die in de EU wordt verleend, wordt verleend door (onbetaalde) mantelzorgers, waarvan 75 % vrouwen; wijst op de relevante rol die de Europese structuurfondsen spelen in het aantrekken van investeringen in zorgdiensten; is verheugd over het voornemen van de Commissie om een Europese zorgstrategie voor te stellen;

20.

vestigt de aandacht op werkloosheid en met name jeugdwerkloosheid, die als gevolg van de COVID-19-pandemie flink is toegenomen; roept de lidstaten op stedelijke autoriteiten actief te betrekken bij het opstellen van programma’s waarin wordt ingespeeld op de behoeften van jongeren in steden, alsmede bij het tot stand brengen van beleid gericht op de geestelijke gezondheid en het geestelijk welzijn van jongeren, hetgeen met name in de periode na COVID-19 van cruciaal belang zal zijn;

Duurzame steden

21.

wijst op het belang van duurzame stadsontwikkeling, met inbegrip van duurzaam en betaalbaar openbaar vervoer, voor de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie en de levenskwaliteit van haar inwoners, alsmede voor het verwezenlijken van de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit tegen 2050; herinnert aan de mogelijkheden voor stedelijke gebieden uit hoofde van het Nieuw Europees Bauhaus-initiatief en de leidende beginselen ervan, die onder meer duurzaamheid, bestuur op verschillende niveaus, esthetische aspecten en inclusie bestrijken;

22.

erkent dat een gesynchroniseerde strategie ten uitvoer moet worden gelegd om het hoofd te bieden aan COVID-19 en de groene en de digitale transitie, zodat een economisch herstel kan worden ingeluid waardoor de duurzame transitie wordt versneld;

23.

verzoekt de Unie en de lidstaten overeenkomstig de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs en de SDG’s van de VN, prioriteit en steun te verlenen aan kaders voor de circulaire economie, investeringen in hernieuwbare energie, duurzame en betaalbare (voor)stedelijke mobiliteit (met name fietspadennetwerken), infrastructuur voor alternatief vervoer in en rondom stedelijke gebieden, fatsoenlijk onderhoud van bestaande infrastructuur en snelle investeringen in groene infrastructuur, parken, groen- en recreatievoorzieningen in de openlucht, met eerbiediging van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en het energie-efficiëntie-eerstbeginsel; merkt op dat initiatieven als het Nieuw Europees Bauhaus steden de kans geven de renovatiegolf (11) voor het voetlicht te brengen, alsmede projecten waarbij de circulaire economie, duurzaamheid en biodiversiteit centraal staan; is verheugd over het feit dat het Nieuw Europees Bauhaus specifiek gericht is op een participatieve en disciplineoverschrijdende benadering voor het tot stand brengen van een duurzame leefomgeving;

24.

is van mening dat door de COVID-19-crisis is gebleken dat er behoefte is aan een nieuwe vorm van stadsplanning en nieuwe mobiliteitsoplossingen om ervoor te zorgen dat stedelijke gebieden veerkrachtiger zijn en zich beter kunnen aanpassen aan de vraag naar mobiliteit, en dat de crisis moet worden aangegrepen voor het terugdringen van de vervoersgerelateerde congestie en broeikasgasemissies; pleit voor investeringen ter bevordering van stedelijke mobiliteit door middel van milieuvriendelijke vervoerssystemen; benadrukt dat het nodig is duurzame openbaarvervoersystemen in stedelijke gebieden te bevorderen en te ontwikkelen, en de capaciteit van het openbaar vervoer aan te passen aan de toenemende vraag die zich voordoet in het dagelijkse forensenverkeer van en naar stadscentra; verzoekt de lidstaten hun investeringen in stedelijke mobiliteit opnieuw te beoordelen en prioriteit te geven aan digitale infrastructuur die ten goede zal komen aan alle passagiers, ook passagiers met beperkte mobiliteit;

25.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om er samen met de steden en de lidstaten voor te zorgen dat alle grote steden en stedelijke knooppunten in het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) tegen 2030 duurzame stedelijke mobiliteitsplanningen (SUMP — sustainable urban mobility plan) opstellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband nauw samen te werken met regio’s en steden, met name grensoverschrijdend, om de ontbrekende infrastructuur voor de laatste kilometers en de multimodale en grensoverschrijdende verbindingen in het gehele TEN-T te verbeteren en af te werken; wijst erop dat veel Europese havens in de buurt van stedelijke centra liggen en belangrijke vervoersknooppunten in het TEN-T zijn;

26.

is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de toegang tot EU-financieringsprogramma’s voor stedelijke mobiliteit, zoals het EFRO, het Cohesiefonds en de Connecting Europe Facility, afhankelijk wordt gesteld van bestaande of toekomstige SUMP’s; benadrukt dat het cohesiebeleid kan helpen om het potentieel van zowel artificiële intelligentie als het “slimme steden”-model te benutten, bijvoorbeeld door administratieve capaciteit en digitale vaardigheden te verbeteren, en dat het een verschuiving van het experimenteren met initiatieven voor slimme steden naar het opschalen daarvan moet stimuleren door middel van financiering en daarmee samenhangende ondersteuning; verzoekt de Commissie na te denken over manieren om steden te ondersteunen bij het opstellen van hun SUMP’s aan de hand van de hoogste normen; benadrukt dat de Commissie, de lidstaten en de regio’s lokale overheden waar mogelijk moeten bijstaan bij het bereiken van dit doel; is bovendien ingenomen met het voornemen van de EIB om samen te werken met overheidsinstanties ter ondersteuning van ambitieuze investeringsprogramma’s voor het bevorderen van duurzame mobiliteit op lokaal en regionaal niveau, onder meer via SUMP’s en openbaarvervoersprojecten;

27.

benadrukt dat de lockdown en de sanitaire maatregelen een aanzienlijke invloed hebben gehad op de vraag naar mobiliteit en de keuze van het vervoermiddel, als gevolg waarvan mensen minder gebruik hebben gemaakt van het openbaar vervoer; pleit voor het uitwisselen van beste praktijken met betrekking tot de invoering van een centraal en multimodaal ticketsysteem waarmee mensen op een gebruiksvriendelijkere en veiligere wijze tussen en binnen stedelijke gebieden in de EU kunnen reizen;

28.

moedigt de Commissie aan maatregelen te nemen ter bevordering van de uitwisseling van beste praktijken tussen stedelijke gebieden met betrekking tot duurzame stadsontwikkeling en infrastructuur, groene stadsplanning, schone energie, energie-efficiëntie, emissievrij openbaar vervoer, de mobiliteit van voetgangers en fietsers, efficiënt waterbeheer en duurzaam en circulair afvalbeheer;

29.

dringt aan op een herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor de ontwikkeling en uitvoering van SUMP’s; vraagt dat met die plannen multimodaliteit wordt bevorderd en een aantal onaangename gevolgen wordt aangepakt van de te grote bevolkingsconcentratie in bepaalde stedelijke gebieden, zoals congestie en stijgende vervoerskosten, bijvoorbeeld door middel van evenwichtige sociaal-economische maatregelen om te garanderen dat de plannen niet-discriminerend zijn;

30.

verzoekt de Commissie, in samenhang met de komende herziening van het pakket stedelijke mobiliteit, om de coördinatie te bevorderen tussen veiligheids- en duurzaamheidsmaatregelen in stedelijke gebieden; moedigt parkeermogelijkheden aan aan de rand van stedelijke gebieden (zoals park-and-ride-systemen), om gemakkelijk toegang te bieden tot verschillende vormen van openbaar vervoer, teneinde de stedelijke congestie, de CO2-emissies en het boven- en ondergronds parkeren in binnensteden aanzienlijk te verminderen, en ook om stadscentra te herbouwen en aantrekkelijker te maken, en potentiële klanten aan te trekken om de verzwakte detailhandel na de pandemie te ondersteunen en de lokale waarde te vergroten;

31.

benadrukt dat het economisch herstel van steden zal worden belemmerd door de sterk stijgende energieprijzen; dringt aan op passende maatregelen ter bevordering van de energie-unie en ter versterking van de weerbaarheid van de Europese energiemarkt; benadrukt dat goedkopere energie voor iedereen in stedelijke gebieden een absolute vereiste is; spoort daarom aan tot het opzetten van grootschalige programma’s om gebouwen te isoleren en zonnepanelen op daken te plaatsen; benadrukt dat lokale hernieuwbare-energiegemeenschappen moeten worden versterkt om het energieverbruik terug te dringen, de decarbonisatie van de energiesystemen te bevorderen en te kunnen profiteren van de maatschappelijke voordelen van een lokale energiemarkt;

32.

pleit voor maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit in steden om de risico’s voor de menselijke gezondheid tot een minimum te beperken en maatregelen om het niveau van het omgevingslawaai aan te pakken, dat in stedelijke gebieden toeneemt;

33.

merkt op dat nieuwe apparaten voor persoonlijke mobiliteit (waaronder e-scooters en elektrische fietsen) in stedelijke gebieden een aantal veiligheidsproblemen veroorzaken; moedigt de Commissie aan richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen om deze veiligheidskwesties aan te pakken;

34.

merkt op dat de COVID-19-pandemie heeft geleid tot de groei van de thuisbezorgingssector, hetgeen in stedelijke gebieden nieuwe soorten platformwerk en bedrijfsmodellen heeft doen ontstaan; erkent dat er aanbevelingen nodig zijn voor de veiligheid van bezorgers en voor opleiding in de digitale instrumenten die zij gebruiken, zoals toepassingen en interactieve platforms;

35.

herinnert eraan dat bijna 40 % van alle dodelijke verkeersongevallen in Europa plaatsvindt in stedelijke gebieden; herhaalt dat te hard rijden een essentiële factor is bij ongeveer 30 % van de dodelijke verkeersongevallen en een verzwarende factor bij de meeste ongevallen; verzoekt de Commissie haar aanbeveling inzake snelheid, waarnaar wordt uitgekeken, te gebruiken om van 30 km/u standaard de maximumsnelheid te maken in woonwijken en gebieden met een groot aantal voetgangers en fietsers, met de mogelijkheid van hogere grenswaarden op de belangrijkste verkeersaders en passende bescherming voor kwetsbare weggebruikers; is ingenomen met het feit dat de EU haar strategische langetermijndoelstelling heeft bevestigd om uiterlijk in 2050 het aantal verkeersdoden en zwaargewonden op de Europese wegen terug te brengen tot nagenoeg nul (Vision Zero), evenals haar middellangetermijndoelstelling om het aantal doden en zwaargewonden te verminderen met 50 % tegen 2030; verzoekt de Commissie daarom verkeersveiligheid beter te integreren in de SUMP-richtsnoeren en verzoekt lokale overheden de verkeersveiligheid te bevorderen door middel van bewustmakingsinitiatieven, passende maatregelen en financieringsmogelijkheden;

36.

waarschuwt ervoor dat steden en gemeenten ernstig bedreigd worden door de gevolgen van de klimaatverandering; maakt zich grote zorgen over het feit dat hittegolven, die in steden al extremer zijn als gevolg van het stedelijk warmte-eilandeffect, zowel intenser worden als zich vaker voordoen, terwijl extreme neerslag en stormvloeden waarschijnlijk zullen leiden tot meer overstromingen, zoals degene die plaatshadden in Europa in de zomer van 2021, of hevige sneeuwstormen, zoals in de winter van 2020-2021, hetgeen duidelijk maakt dat de weerbaarheid van steden tegen rampen sterk moet worden vergroot; verzoekt de Commissie haar samenwerking met lokale overheden indien nodig te intensiveren door middel van bestaande structuren, zoals het EU-Burgemeestersconvenant, het Green City Accord en de Mayors Alliance for the Green Deal, om de behoeften en uitdagingen in verband met de klimaatverandering waar stedelijke gebieden mee te maken hebben te identificeren, gezamenlijk oplossingen te ontwerpen om steden groener te maken en investeringen te richten op lokale acties; dringt er bij de nationale, regionale en lokale autoriteiten op aan om naast hun nationale energie- en klimaatplannen ook stedelijke strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering vast te stellen die investeringen aanmoedigen om steden om te vormen en aan te passen aan de bedreigingen van de klimaatverandering;

37.

herhaalt dat 30 % van het meerjarig financieel kader en 37 % van NextGenerationEU bestemd zijn voor klimaatactie, terwijl 20 % van NextGenerationEU wordt toegewezen aan de digitale transitie; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de lidstaten en hen van richtsnoeren en aanbevelingen te voorzien om te waarborgen dat de nodige vaardigheden worden ontwikkeld om de dubbele groene en digitale transitie te verwezenlijken; betreurt de uitsluiting van stedelijke gebieden in de context van NextGenerationEU en dringt daarom aan op een grotere betrokkenheid en participatie van steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden bij de planning en uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen;

38.

benadrukt het feit dat meer bomen moeten worden aangeplant en groene daken moeten worden aangelegd, aangezien de vergroening van steden aanzienlijke recreatieve waarde oplevert voor mensen, alsmede de temperatuur doet dalen en ervoor zorgt dat overtollig regenwater wordt geabsorbeerd, zodat de gevolgen van de klimaatverandering en het biodiversiteitsverlies worden tegengegaan; benadrukt dat het renoveren van gebouwen met het oog op een lager energiegebruik en het herontwerpen van steden met het oog op een uitbreiding van de groene ruimte en het stimuleren van wandelen en fietsen, besparingen zullen opleveren, banen zullen creëren, energiearmoede zullen helpen te bestrijden en klimaatvoordelen zullen opleveren;

39.

wijst erop dat het engagement van stedelijke gebieden van cruciaal belang is voor de transitie naar een klimaatneutrale maatschappij en een welvarende, eerlijke, duurzame en concurrerende economie; merkt op dat lokale overheden in sommige gevallen niet beschikken over de knowhow, het personeel en de toegang tot hoogwaardige gegevens die nodig zijn om acties te starten en vooruitgang te boeken; is daarom van mening dat capaciteitsopbouw, technische ondersteuning en financiering ten volle moeten worden benut, zoals overeengekomen in de verordening gemeenschappelijke bepalingen, om ervoor te zorgen dat autoriteiten in steden en voorsteden de doelstellingen van de Europese Green Deal verwezenlijken, en is van mening dat stedelijke autoriteiten in de toekomst rechtstreeks toegang moeten krijgen tot EU-financiering;

Innovatieve steden

40.

benadrukt dat de digitalisering heeft geholpen bij het aanpakken van een aantal onmiddellijke uitdagingen als gevolg van de pandemie, met name tijdens de lockdownperioden, en dat van de vele ongelijkheden die door de COVID-19-pandemie aan het licht zijn gebracht, de digitale kloof er een ernstige is; merkt op dat de pandemie de digitalisering heeft versneld en dat technologie een noodzaak is geworden voor telewerken, thuisonderwijs, e-handel, e-gezondheid, e-overheid, digitale democratie en digitaal entertainment; verzoekt de Commissie deze ontwikkelingen op de voet te volgen en te waarborgen dat zij volledig in overeenstemming zijn met het acquis van de Unie, met name wat werknemers- en sociale rechten betreft; brengt in herinnering dat digitalisering en digitale connectiviteit een prioriteit moeten zijn voor lokale gemeenschappen bij hun herstel; wijst nogmaals op het belang van een adequaat mededingingsrecht en een adequaat kader voor staatssteun, dat de lidstaten in het kader van de staatssteunregels volledige flexibiliteit biedt om de economie tijdens de coronacrisis te ondersteunen, met name door de aanleg van hogesnelheidsbreedband- en 5G-infrastructuur in alle steden, ongeacht hun omvang; verzoekt de lidstaten connectiviteit te ondersteunen, apparatuur ter beschikking te stellen en te zorgen voor de aanwezigheid van opgeleid personeel in openbare, sociale en onderwijsinstellingen;

41.

dringt aan op acties en maatregelen voor een rechtvaardige digitale transitie, die moeten worden ondernomen op alle niveaus, van steden tot de EU zelf; pleit ervoor dat digitale inclusie wordt erkend als een recht voor alle generaties en dringt aan op een duidelijk engagement om in steden universele internetconnectiviteit te realiseren;

42.

wijst erop dat de digitale geletterdheid moet worden versterkt om meer toegang te bieden tot nieuwe mogelijkheden; is van mening dat investering in onderwijs en opleiding moet worden gestimuleerd door middel van alomvattende programma’s, zowel in de publieke als in de privésector, voor de bij- en omscholing van werknemers en een leven lang leren die inspelen op de verschuivingen in de vraag naar vaardigheden; dringt aan op de bevordering van vrouwen en meisjes in onderwijs en loopbanen op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM);

43.

herinnert eraan dat stadstoerisme een essentiële rol heeft gespeeld voor de ontwikkeling van het stedelijk beleid; wijst erop dat de meeste steden in de EU hebben geleden onder een daling van het toerisme als gevolg van de pandemie en hebben moeten zoeken naar nieuwe, duurzamere modi operandi om het toerisme te herstellen, wat heeft geleid tot een toegenomen gebruik van nieuwe, digitale technologieën, die het mogelijk hebben gemaakt stedelijke ruimten en het verkeer van stadstoeristen beter te beheren om de vorming van grote groepen en risicovolle situaties in het licht van de pandemie te voorkomen;

44.

benadrukt dat bibliotheken en culturele centra bevorderlijk zijn voor het faciliteren van digitale en sociale inclusie, een leven lang leren en trajecten naar werk voor stedelijke gemeenschappen en achtergestelde groepen; vestigt bovendien de aandacht op de behoefte aan extra plaatsen voor persoonlijke en politieke uitwisseling;

45.

herinnert eraan dat artificiële intelligentie slimme oplossingen voor steden mogelijk maakt, waaronder een efficiënter energiegebruik en een efficiënter water- en afvalbeheer en minder vervuiling, lawaai en verkeerscongestie; is bezorgd over het feit dat lokale overheden te maken zullen krijgen met talloze digitale uitdagingen, zoals de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van datatechnologie, afhankelijkheid van particuliere derden en een gebrek aan vaardigheden; benadrukt dat opkomende technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, moeten voldoen aan ethische criteria om te voorkomen dat bestaande sociale ongelijkheden worden overgenomen;

46.

is van mening dat de bestaande stedelijke infrastructuur op het gebied van primaire gezondheidszorg zowel fysiek als financieel moet worden versterkt; merkt op dat de veranderingen op het gebied van de verlening van gezondheidszorg ook de digitale innovatie moeten versnellen en de integratie van de zorg moeten verbeteren door middel van geactualiseerde informatiekanalen, met het oog op het verstrekken van gerichtere, gepersonaliseerde, doeltreffende en efficiënte gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten om samen met de lokale, de regionale en met name de stedelijke autoriteiten netwerken te ontwikkelen om mensen op te leiden in het gebruik van digitale gezondheidszorg en digitale overheidsdiensten, teneinde universele en gelijke toegang mogelijk te maken, terwijl gevoelige gegevens optimaal beschermd worden en cybercriminaliteit wordt voorkomen; wijst daarom op de cruciale rol van de lidstaten bij het ondersteunen van de inspanningen van stedelijke autoriteiten om digitale inclusie vorm te geven en te garanderen, door persoonsgegevens te beschermen en mensen en lokale ondernemingen controle te geven via de toegang tot gegevens;

Lerende steden

47.

wijst op de negatieve gevolgen van de COVID-19-pandemie voor het onderwijs en benadrukt dat inclusie en toegang tot onderwijs moeten worden gewaarborgd;

48.

benadrukt dat de culturele sector ondersteund moet worden, aangezien cultuur en cultureel erfgoed van essentieel belang zijn voor het regionale concurrentievermogen en de sociale cohesie en helpen de identiteit van steden en regio’s vorm te geven; wijst erop dat het belangrijk is meer culturele locaties te creëren en te zorgen voor het herstel van deze locaties na COVID-19 en benadrukt dat zij meer jongeren moeten aantrekken;

49.

benadrukt de economische en sociale bijdrage en impact van de culturele en sportsector ten aanzien van de maatschappij; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken en voldoende nationale en EU-middelen toe te wijzen om een solide culturele en sportinfrastructuur tot stand te brengen en onderwijs voor de economische en recreatieve sectoren te bevorderen, met name voor breedtecultuur en niet-professionele sport in stedelijke en voorstedelijke gebieden; moedigt de lidstaten aan een actieplan voor te leggen om beide sectoren, die belangrijke onderdelen zijn van de economie op lokaal, nationaal en EU-niveau, herop te starten en de veerkracht ervan te vergroten;

50.

wijst erop dat het belangrijk is de rechten te beschermen van kinderen en jongeren en dat onderwijs- en opleidingssystemen in het leven moeten worden geroepen die solide, inclusief en functioneel zijn, voldoen aan de reële behoeften van mensen in hun respectieve stedelijke gebieden en toegerust zijn om het hoofd te bieden aan eventuele gezondheidscrises of natuurrampen die zich in de toekomst kunnen voordoen;

51.

stelt met bezorgdheid vast dat de COVID-19-crisis dramatische gevolgen heeft voor een aanzienlijk deel van de Europese jongeren, hetgeen zich met name uit in een zorgwekkend isolement, een hoog banenverlies en onderbroken onderwijs- en opleidingstrajecten; benadrukt dat deze situatie heeft geleid tot veranderingen zowel in de samenstelling als in de omvang van de populatie van jongeren die werkloos zijn en geen onderwijs of opleiding volgen, een situatie die behoorlijk moet worden geëvalueerd en beschreven om de specifieke uitdagingen als gevolg van de crisis aan te pakken en de lidstaten te helpen bij het ontwikkelen van doeltreffende strategieën om jongeren te bereiken; suggereert in dit kader dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om gemeenschappelijke Europese instrumenten te ontwikkelen om jongeren die werkloos zijn en geen onderwijs of opleiding volgen, te identificeren en te volgen met het oog op een passende beleidsrepons ter ondersteuning van deze groep, die in de context van de COVID-19-crisis uiterst kwetsbaar is;

52.

benadrukt dat er nieuwe oplossingen moeten worden ontwikkeld om nieuw leven in te blazen aan stadscentra, aangezien deze te lijden hebben onder de sluiting van bedrijven en culturele locaties, vacatures, een verminderde aantrekkelijkheid en een toegenomen onlinehandel tijdens en na de pandemie;

53.

verzoekt de lidstaten en de regio’s de onderwijsinfrastructuur te herbekijken en op een nieuwe leest te schoeien, aansluitend bij de nieuwe ontwikkelingen in de beroepen in de onderwijssector; verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende middelen toe te wijzen voor de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en voor het opleiden van zowel leerkrachten als leerlingen van alle leeftijden in de ontwikkeling van groene en digitale vaardigheden om hen voor te bereiden op de toekomst; herinnert eraan dat digitalisering hand in hand moet gaan met het verstrekken van toegang niet alleen tot internet, maar ook tot de voor internetgebruik vereiste apparatuur;

54.

is van mening dat een reeks innovatieve concepten, met name het hybride gebruik en de multifunctionaliteit van stedelijke ruimten, een rechtvaardig grondgebruik en de 15-minutenstad, een cruciale rol zullen spelen in het nieuwe model voor stedelijke gebieden in de EU;

Op maat gesneden beleidsinitiatieven

55.

wijst op de noodzaak om zich aan te passen aan de nieuwe realiteit als gevolg van de COVID-19-pandemie en om na te denken over een nieuw model voor stedelijke gebieden in de EU, waarbij meer ruimte moet worden gelaten voor creativiteit, maatschappelijke betrokkenheid en experimenten; is van mening dat de Conferentie over de toekomst van Europa een kans biedt om steden een prominentere plaats te geven in de besluitvormingsprocessen van de EU en om hun een essentiële rol toe te bedelen bij het opbouwen van een sterkere participerende democratie en dialoog met de burgers, waarbij een bottom-upbenadering moet worden gevolgd en de stedelijke governance moet worden herbekeken, benadrukt het feit dat het belangrijk is alomvattende strategieën te ontwikkelen op basis van de Europese Green Deal, de Europese digitale strategie (12) en de langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU; herinnert aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden overeenkomstig artikel 349 VWEU;

56.

erkent dat, ondanks het gebrek aan expliciete EU-bevoegdheden op het gebied van stedelijke ontwikkeling, een breed scala aan EU-initiatieven haar stempel drukt op steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden; erkent de noodzaak van intensievere samenwerking met betrekking tot EU-programma’s en -beleid tussen en binnen stedelijke gebieden; maakt zich zorgen over het feit dat de laatste jaren weliswaar diverse initiatieven zijn gegroeid, maar dat de coördinatie beperkt blijft en het risico van overlapping en een onduidelijk effect blijft bestaan;

57.

is ingenomen met de stedenagenda voor de EU als nieuw model voor bestuur op verschillende niveaus; betreurt het feit dat dit een vrijwillig proces blijft en dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan zich ertoe te verplichten de aanbevelingen uit te voeren; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld nauwer betrokken moet worden bij de besluitvormingsprocessen en dat bottom-upbenaderingen bevorderd moeten worden met het oog op het aanpakken van de lokale en regionale behoeften; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat lokale kmo’s en startende ondernemingen hun medewerking verlenen in het kader van de ontwikkelingsstrategieën en -plannen voor steden en wijken;

58.

erkent de belangrijke rol die stedelijke gebieden vervullen bij de concrete uitvoering van programma’s en projecten uit hoofde van de EU-wetgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten krachtige steun te verlenen aan lokale en regionale overheden en hun projectbeheerteams met betrekking tot programma’s en financieringsmogelijkheden van de EU en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er in steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden adequate administratieve faciliteiten bestaan, met inbegrip van behoorlijk opgeleid personeel;

59.

onderstreept dat regionale en lokale overheden een belangrijke rol te spelen hebben in alle stadia van de EU-besluitvorming: planning, voorbereiding en uitvoering; vraagt dat er meer directe EU-financiering beschikbaar wordt gesteld aan lokale en regionale overheden om de efficiëntie te verbeteren, de consistentie te waarborgen en de administratieve lasten te verminderen; verzoekt de Commissie bovendien de lidstaten alle nodige richtsnoeren te verstrekken en de toegang tot financiering te vergemakkelijken, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen steden en regio’s op basis van hun niveau van digitalisering;

60.

herhaalt dat steden in de toekomst passende en direct toegankelijke financiële mogelijkheden nodig hebben om programma’s lokaal uit te voeren; herinnert eraan dat 400 miljoen EUR van de middelen voor investeringen in banen en groei moet worden toegewezen aan het Stedelijk Europa-initiatief onder direct of indirect beheer door de Commissie, zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/1058; verzoekt de Commissie in haar tussentijdse evaluatie van de huidige programmeringsperiode de doeltreffendheid van het Stedelijk Europa-initiatief te onderzoeken, met name de begroting en het toepassingsgebied ervan, en de lidstaten aan te moedigen meer middelen ter beschikking te stellen ter ondersteuning van de uitvoering van de stedenagenda;

61.

dringt erop aan dat het Stedelijk Europa-initiatief beschikking krijgt over een ruimere begroting en dat het toepassingsgebied ervan wordt uitgebreid, en dat daarbij wordt gewaarborgd dat steden in de ultraperifere gebieden er effectief en vlot toegang toe hebben; merkt op dat het de uitvoering moet ondersteunen van de stedenagenda in de huidige programmeringsperiode; beschouwt stedelijke gemeenschappen als essentiële actoren en belanghebbenden bij de succesvolle tenuitvoerlegging van de door de EU gefinancierde beleidsmaatregelen in het kader van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; verzoekt de Raad en de lidstaten tot 15 % toe te wijzen aan stedelijke gebieden voor het aanpakken van de uitdagingen na de COVID-19-crisis;

62.

wijst op het belang van EU-financiering voor het verwezenlijken van sociale inclusie op lokaal niveau; pleit ervoor dat het effect ervan wordt versterkt door middel van een gemeenschappelijk kader voor beheer en verslaglegging;

63.

erkent de cruciale en unieke rol die lokale en regionale overheden vervullen bij het aanpakken van kwesties in verband met de COVID-19-pandemie; betreurt het feit dat het momenteel niet mogelijk is een gestructureerde dialoog tot stand te brengen tussen de Commissie en steden met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit om de betrokkenheid van stedelijke autoriteiten bij de uitvoering van nationale herstel- en veerkrachtplannen te monitoren; verzoekt de Commissie in haar evaluatie verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de faciliteit, de rol te onderzoeken die functionele stedelijke gebieden kunnen spelen en zo nodig deze rol te versterken teneinde een doeltreffende uitvoering van de faciliteit te waarborgen; benadrukt dat stedelijke autoriteiten van de nodige steun moeten worden voorzien om de nationale herstel- en veerkrachtplannen doeltreffend uit te voeren door middel van capaciteitsopbouw, uitwisselingen en technische bijstand;

64.

is van mening dat de steun uit de fondsen in het kader van het cohesiebeleid de participatieprocessen moet versterken met het oog op het testen van nieuwe concepten en het uitwisselen van ervaringen door het bevorderen van de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van alle soorten gebieden en lokale initiatieven; is van mening dat capaciteitsopbouw van stedelijke actoren een belangrijke factor is voor de totstandbrenging van veerkrachtigere en duurzamere steden; moedigt steden, gemeenten en functionele stedelijke gebieden aan burgerinitiatieven te ondersteunen; benadrukt dat steden fungeren als stedelijke laboratoria, aangezien het plaatsen zijn waar concepten en beleid voor een duurzame toekomst kunnen worden uitgetest en waar oplossingen voor slimme en inclusieve gemeenschappen kunnen worden ontwikkeld;

65.

herinnert alle lidstaten eraan dat zij een partnerschapsovereenkomst moeten opstellen, overeenkomstig de gedragscode inzake partnerschappen, waarin minimumnormen worden vastgesteld voor de betrokkenheid van regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden, economische, sociale en andere partners, zoals bepaald in artikel 8, lid 1, van de verordening gemeenschappelijke bepalingen; pleit voor een grotere betrokkenheid van de partners, inclusief in de academische wereld en de wereld van innovatie en onderzoek, bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van EU-programma’s, bijvoorbeeld in toezichtcomités;

66.

verzoekt de lidstaten en regio’s te zorgen voor een alomvattend partnerschap, onder andere met stedelijke autoriteiten, met het oog op het ontwerpen en uitvoeren van het cohesiebeleid en verzoekt hen stedelijke autoriteiten in kennis te stellen van de redenen waarom financieringsaanvragen zijn afgewezen; verzoekt de Commissie klachten van belanghebbenden zoals stedelijke autoriteiten te onderzoeken, onder andere wanneer geen geldige reden is opgegeven waarom een financieringsaanvraag is afgewezen;

67.

verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen voor functionele stedelijke gebieden en middelgrote steden, met inbegrip van financieringsmogelijkheden voor acties zoals innovatiepartnerschappen en gezamenlijke aanbestedingsregelingen tussen EU-steden en samenwerking tussen EU-steden en -regio’s;

o

o o

68.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten en hun parlementen.

(1)  PB L 437 van 28.12.2020, blz. 30.

(2)  PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159.

(3)  PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60.

(4)  PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94.

(5)  PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1.

(6)  PB C 316 van 22.9.2017, blz. 124.

(7)  PB C 162 van 10.5.2019, blz. 31.

(8)  PB C 118 van 8.4.2020, blz. 2.

(9)  PB C 385 van 22.9.2021, blz. 167.

(10)  PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.

(11)  COM(2020)0662.

(12)  COM(2020)0067.


Top