Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021PC0807

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971

COM/2021/807 final

Brussel, 16.12.2021

COM(2021) 807 final

2021/0417(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit betreffende het namens de Unie op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het opnemen van stoffen op de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. De vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen zal volgens plan plaatsvinden van 14 tot en met 18 maart 2022.

2.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

2.1.Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971

Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972 (hierna het “Verdrag inzake verdovende middelen” genoemd) 1 , is erop gericht drugsmisbruik te bestrijden met gecoördineerde internationale maatregelen. Er zijn twee vormen van interventie en controle, die in combinatie worden toegepast. In de eerste plaats wordt ernaar gestreefd het bezit en het gebruik van, de handel in, en de distributie, de invoer, de uitvoer, de vervaardiging en de productie van verdovende middelen te beperken tot uitsluitend medische en wetenschappelijke doeleinden. In de tweede plaats wordt de drugshandel bestreden door middel van internationale samenwerking om drugshandelaars af te schrikken en te ontmoedigen.

Bij het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake psychotrope stoffen van 1971 (hierna het “Verdrag inzake psychotrope stoffen” genoemd) 2 is een internationaal controlesysteem voor psychotrope stoffen ingesteld. Het Verdrag is tot stand gekomen naar aanleiding van de toegenomen omvang en diversiteit van het drugsmisbruik. Het voert controles in op een aantal synthetische drugs op basis van enerzijds hun misbruikpotentieel en anderzijds hun therapeutische waarde.

Alle EU-lidstaten zijn partij bij de bovengenoemde verdragen, maar de Unie is dat niet.

2.2.Commissie Verdovende Middelen

De Commissie Verdovende Middelen is een commissie van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (Ecosoc), waarvan de taken en bevoegdheden onder meer in de beide verdragen zijn vastgelegd. Zij wordt gevormd door 53 lidstaten van de VN die door de Ecosoc zijn gekozen. 11 EU-lidstaten zullen in maart 2022 stemrechtgerechtigd lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen 3 . De Unie heeft de status van waarnemer in de Commissie Verdovende Middelen.

2.3.Voorgenomen besluit van de Commissie Verdovende Middelen

De Commissie Verdovende Middelen wijzigt regelmatig de lijsten van stoffen die aan de verdragen zijn gehecht, op basis van aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die wordt geadviseerd door haar deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid.

De WHO heeft op 18 november 2021 aan de secretaris-generaal van de VN aanbevolen 4 om drie stoffen die kritisch zijn beoordeeld door het WHO-deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid, aan de lijsten bij de verdragen toe te voegen.

De Commissie Verdovende Middelen wordt verzocht om tijdens haar vijfenzestigste zitting, die gepland staat van 14 tot en met 18 maart 2022 in Wenen, besluiten vast te stellen over de toevoeging van deze stoffen aan de lijsten bij de verdragen.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Wijzigingen van de aan de verdragen gehechte lijsten hebben voor alle lidstaten directe gevolgen wat betreft het toepassingsgebied van het Unierecht op het gebied van drugscontrole. Artikel 1, punt 1), van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel 5 (hierna “het Kaderbesluit” genoemd) bepaalt dat voor de toepassing van het kaderbesluit onder “drug” een stof wordt verstaan die onder het Verdrag inzake verdovende middelen of het Verdrag inzake psychotrope stoffen valt, alsook elke in de bijlage bij het kaderbesluit opgenomen stof. Het kaderbesluit is bijgevolg van toepassing op de stoffen die zijn opgenomen in de lijsten bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Iedere wijziging van de aan deze verdragen gehechte lijsten heeft dus rechtstreeks gevolgen voor de gemeenschappelijke regelgeving van de EU en wijzigt de strekking daarvan, in de zin van artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit geldt ongeacht of de betrokken stof in de EU aan controle is onderworpen 6 .

De drie stoffen (brorfine, metonitazeen, eutyloon) die door de WHO worden aanbevolen voor internationale controle, staan onder intensief toezicht 7 van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving.

Het voorstel van de Commissie voor een standpunt van de Unie neemt de aanbevelingen van de WHO over, aangezien zij stroken met de huidige stand van de wetenschap. De toevoeging van deze nieuwe psychoactieve stoffen aan de lijsten bij de verdragen wordt ook ondersteund door informatie uit de Europese databank inzake nieuwe drugs van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving.

Het is noodzakelijk dat de Raad het standpunt van de Unie vaststelt voor de zitting van de Commissie Verdovende Middelen, waar een besluit zal moeten worden genomen over de toevoeging van stoffen aan de lijsten bij de verdragen. Een dergelijk standpunt zou, gezien de beperkingen die inherent zijn aan de waarnemersstatus van de Unie, moeten worden ingenomen door de lidstaten die in maart 2022 lid van de Commissie Verdovende Middelen zullen zijn, door daar gezamenlijk op te treden in het belang van de Unie. De Unie is geen partij bij deze verdragen, maar heeft op dit gebied exclusieve bevoegdheid.

Met het oog hierop stelt de Commissie een standpunt van de Unie voor dat door de lidstaten die in maart 2022 lid van de Commissie Verdovende Middelen zullen zijn, namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Dit is de zevende keer dat de Commissie een dergelijk voorstel voor een standpunt van de Unie indient 8 . De Raad stelde de desbetreffende standpunten van de Unie vast 9 , waardoor de EU op de vorige vergaderingen van de Commissie Verdovende Middelen met één stem kon spreken over het toevoegen van stoffen aan de internationale lijsten. De lidstaten die in de Commissie Verdovende Middelen zitting hebben, stemden namelijk overeenkomstig het vastgestelde standpunt van de Unie in met de toevoeging van de betrokken stoffen aan de lijsten 10 .

4.RECHTSGRONDSLAG

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten “tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Artikel 218, lid 9, VWEU, is van toepassing ongeacht of de Unie lid is van het betrokken lichaam dan wel partij is bij de betrokken overeenkomst 11 . Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke internationaalrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die internationaalrechtelijk niet bindend zijn, maar wel een “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 12 .

De Commissie Verdovende Middelen is “een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam” in de zin van dit artikel, aangezien het om een door de Ecosoc – een VN-orgaan – opgericht lichaam gaat en dit lichaam specifieke taken heeft gekregen op grond van het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen.

De besluiten van de Commissie Verdovende Middelen over het opnemen van stoffen in de lijsten zijn “handelingen met rechtsgevolgen” in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU. Volgens het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen worden de besluiten van de Commissie Verdovende Middelen automatisch van kracht, tenzij een partij het besluit binnen de voorgeschreven termijn ter beoordeling aan de Ecosoc heeft voorgelegd 13 . De besluiten van de Ecosoc daarover zijn definitief. De besluiten van de Commissie Verdovende Middelen over het toevoegen van stoffen aan de lijsten hebben ook rechtsgevolgen voor de rechtsorde van de EU uit hoofde van de Uniewetgeving, aangezien zij beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van de EU-wetgeving, te weten Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad. Wijzigingen van de lijsten bij de verdragen hebben rechtstreekse gevolgen voor het toepassingsgebied van dit rechtsinstrument van de Unie.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen.

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op illegale drugshandel.

De materiële rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is derhalve artikel 83, lid 1, VWEU, waarin illegale drugshandel vermeld wordt als een van de strafbare feiten met een grensoverschrijdende dimensie waarvoor het Europees Parlement en de Raad minimumvoorschriften kunnen vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties.

4.3.Variabele geometrie

Denemarken is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ zoals van toepassing tot 21 november 2018, waarvan artikel 1 bepaalt dat onder “drugs” alle stoffen worden verstaan die onder het Verdrag inzake verdovende middelen of het Verdrag inzake psychotrope stoffen vallen.

Aangezien besluiten van de Commissie Verdovende Middelen over het toevoegen van stoffen aan de lijsten gevolgen hebben voor de gemeenschappelijke regelgeving op het gebied van illegale drugshandel waardoor Denemarken is gebonden, neemt deze lidstaat deel aan de aanneming van een besluit van de Raad tot bepaling van het namens de Unie bij het aannemen van die besluiten in te nemen standpunt.

Ierland is gebonden door het kaderbesluit en neemt bijgevolg deel aan de aanneming van een besluit van de Raad tot bepaling van het namens de Unie bij het aannemen van die besluiten over het toevoegen van stoffen aan de lijsten in te nemen standpunt.

4.4.Conclusie

De rechtsgrondslag voor dit voorstel is artikel 83, lid 1, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Geen gevolgen voor de begroting.

2021/0417 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972 14 (hierna het “Verdrag inzake verdovende middelen” genoemd), is op 8 augustus 1975 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag inzake verdovende middelen kan de Commissie Verdovende Middelen besluiten bepaalde stoffen toe te voegen aan de aan dat verdrag gehechte lijsten. Zij kan de lijsten alleen wijzigen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), maar zij kan ook besluiten de door de WHO aanbevolen wijzigingen niet over te nemen.

(3)Het VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971 (hierna het “Verdrag inzake psychotrope stoffen” genoemd) 15 is op 16 augustus 1976 in werking getreden.

(4)Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag inzake psychotrope stoffen kan de Commissie Verdovende Middelen, op grond van aanbevelingen van de WHO, besluiten om bepaalde stoffen aan de aan dat Verdrag gehechte lijsten toe te voegen of daarvan af te voeren. Zij beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid om rekening te houden met economische, sociale, juridische, administratieve en andere factoren, maar mag niet willekeurig handelen.

(5)Wijzigingen van de aan beide verdragen gehechte lijsten hebben rechtstreekse gevolgen voor het toepassingsgebied van het Unierecht op het gebied van drugscontrole. Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad 16 is van toepassing op de stoffen die zijn opgenomen in de lijsten bij deze verdragen. Iedere wijziging van de aan de verdragen gehechte lijsten heeft dus rechtstreeks gevolgen voor de gemeenschappelijke regelgeving van de Unie en wijzigt de strekking ervan, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(6)De Commissie Verdovende Middelen zal op haar vijfenzestigste zitting, die gepland staat van 14 tot en met 18 maart 2022 in Wenen, besluiten vaststellen over de toevoeging van drie nieuwe stoffen aan de lijsten bij de VN-verdragen.

(7)De Unie is geen partij bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Zij heeft de status van waarnemer zonder stemrechten in de Commissie Verdovende Middelen, waarvan in maart 2022 elf lidstaten stemgerechtigd lid zullen zijn 17 . Daarom moet de Raad de lidstaten machtigen om het standpunt van de Unie over het toevoegen van stoffen aan de lijsten bij het Verdrag inzake verdovende middelen en het Verdrag inzake psychotrope stoffen tot uiting te brengen, aangezien de besluiten betreffende het toevoegen van nieuwe stoffen aan de lijsten bij die verdragen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen.

(8)De WHO heeft aanbevolen om twee nieuwe stoffen toe te voegen aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen en één nieuwe stof aan lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen 18 .

(9)Alle stoffen die door het WHO-deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid (hierna “deskundigencomité” genoemd) zijn beoordeeld en door de WHO worden aanbevolen voor toevoeging aan de lijsten, worden door het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving als nieuwe psychoactieve stof gemonitord op grond van Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad 19 .

(10)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is brorfine (chemische naam: 1-{1-[1-(4-bromophenyl)ethyl]piperidin-4-yl}-1,3-dihydro-2H-benzimidazol-2-one) een synthetische opioïde die gelijkt op andere synthetische opioïden zoals morfine en fentanyl. Brorfine kan worden omgezet in bezitramide, dat een opioïde is die op lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen staat. Brorfine heeft geen therapeutische toepassingen en heeft geen vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel verkregen. Er is voldoende bewijs voorhanden dat brorfine wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat brorfine wordt toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen.

(11)Brorfine is in 4 lidstaten aangetroffen en in ten minste 3 lidstaten aan controle onderworpen. Brorfine is in verband gebracht met één niet-dodelijke intoxicatie en staat momenteel onder intensief toezicht van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving.

(12)De lidstaten zouden daarom het standpunt moeten innemen dat brorfine aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen moet worden toegevoegd.

(13)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is metonitazeen (chemische naam: N,N-diethyl-2-[(4-methoxyphenyl)methyl]-5-nitro-1H-benzimidazole-1-ethanamine) een synthetische opioïde die structureel gelijkt op isotonitazeen en etonitazeen, die beide op lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen staan. Metonitazeen is bestudeerd in preklinische modellen vanwege zijn analgetische werking, maar er is geen therapeutisch gebruik van bekend. Er is voldoende bewijs voorhanden dat metonitazeen wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat metonitazeen wordt toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen.

(14)Metonitazeen is in 3 lidstaten aangetroffen en in ten minste 3 lidstaten aan controle onderworpen. Metonitazeen is in verband gebracht met één sterfgeval en staat momenteel onder intensief toezicht van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving.

(15)De lidstaten zouden daarom het standpunt moeten innemen dat metonitazeen aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen moet worden toegevoegd.

(16)Volgens de beoordeling van het deskundigencomité is eutyloon (chemische naam: 1-(1,3-benzodioxol-5-yl)-2-(ethylamino)butan-1-one) een synthetisch cathinon met een chemische structuur als en farmacologische gelijkenissen met amfetaminen en cathinonen die reeds onder internationale controle staan. Verwante cathinonen, zoals methyloon en N-ethylnorpentyloon, staan op lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen. Eutyloon heeft geen bekende therapeutische toepassingen en heeft geen vergunning voor het in de handel brengen als geneesmiddel verkregen. Er is voldoende bewijs voorhanden dat eutyloon wordt of kan worden misbruikt en een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem kan vormen, waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationale controle te brengen. Derhalve beveelt de WHO aan dat eutyloon wordt opgenomen in lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen.

(17)Eutyloon is in 20 lidstaten aangetroffen en in ten minste 2 lidstaten aan controle onderworpen. De stof is in verband gebracht met één niet-dodelijke intoxicatie en is aangetroffen in drie biologische monsters die verband houden met ernstige ongewenste voorvallen. Eutyloon staat momenteel onder intensief toezicht van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving.

(18)Daarom moeten de lidstaten het standpunt innemen dat eutyloon aan lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen moet worden toegevoegd.

(19)Het is wenselijk het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Commissie Verdovende Middelen, aangezien de besluiten over de toevoeging van 3 nieuwe stoffen aan de diverse lijsten een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het Unierecht, te weten Kaderbesluit 2004/757/JBZ.

(20)Het standpunt van de Unie moet tot uiting worden gebracht door de gezamenlijk optredende lidstaten die lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen.

(21)Denemarken is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit.

(22)Ierland is gebonden door Kaderbesluit 2004/757/JBZ en neemt derhalve deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in de van 14 tot en met 18 maart 2022 te houden vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen, waarop dat orgaan besluiten dient te nemen over de toevoeging van stoffen aan de lijsten bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, wordt in de bijlage bij dit besluit uiteengezet.

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoeld standpunt wordt tot uiting gebracht door de gezamenlijk optredende lidstaten die lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    United Nations Treaty Series, vol. 978, nr. 14152.
(2)    United Nations Treaty Series, vol. 1019, nr. 14956.
(3)    België, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Nederland, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden.
(4)    https://cdn.who.int/media/docs/default-source/controlled-substances/unsg-expert-committee-on-drug-dependence.pdf?sfvrsn=d608e00c_5
(5)    PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/2103 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van “drug” op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad (PB L 305 van 21.11.2017, blz. 12).
(6)    Zie de bijlage bij het kaderbesluit.
(7)    Voor meer informatie over de implicaties van “intensief toezicht”, zie https://www.emcdda.europa.eu/system/files/publications/12213/downloads/Guidance%20Note%206-%20Intensive%20monitoring.pdf .
(8)    COM(2017) 72 final; COM(2018) 31 final; COM(2018) 862 final; COM(2019) 631 final; COM(2019) 624 final; COM(2020) 659 final, COM(2020) 814 final.
(9)    Op respectievelijk 7 maart 2017, 27 februari 2018, 5 maart 2019, 11 februari 2020, 17 november 2020 en 8 maart 2021 vastgesteld door de Raad.
(10)    Met één enkele uitzondering die momenteel het voorwerp uitmaakt van een inbreukprocedure.
(11)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punt 64.
(12)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(13)    Artikel 3, lid 7, van het Verdrag inzake verdovende middelen en artikel 2, lid 7, van het Verdrag inzake psychotrope stoffen.
(14)    United Nations Treaty Series, vol. 978, nr. 14152.
(15)    United Nations Treaty Series, vol. 1019, nr. 14956.
(16)    Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8).
(17)    België, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Nederland, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden.
(18)    https://cdn.who.int/media/docs/default-source/controlled-substances/unsg-expert-committee-on-drug-dependence.pdf?sfvrsn=d608e00c_5
(19)    Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1).
Top

Brussel, 16.12.2021

COM(2021) 807 final

BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende het namens de Europese Unie op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen in te nemen standpunt over het toevoegen van stoffen aan de lijsten die gehecht zijn aan het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, en aan het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971




BIJLAGE

Standpunt dat op de vijfenzestigste zitting van de Commissie Verdovende Middelen, die gepland staat van 14 tot en met 18 maart 2022, ten aanzien van de wijzigingen in de reikwijdte van de controle van stoffen moet worden ingenomen door de lidstaten die lid zijn van de Commissie Verdovende Middelen en die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie:

(1)Brorfine moet worden toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen.

(2)Metonitazeen moet worden toegevoegd aan lijst I bij het Verdrag inzake verdovende middelen.

(3)Eutyloon moet worden toegevoegd aan lijst II bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen.

Top