Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021DC0599

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD OVER DE TOEPASSING EN DE EFFICIËNTE WERKING VAN RICHTLIJN 2012/18/EU BETREFFENDE DE BEHEERSING VAN DE GEVAREN VAN ZWARE ONGEVALLEN WAARBIJ GEVAARLIJKE STOFFEN ZIJN BETROKKEN IN DE PERIODE 2015-2018

COM/2021/599 final

Brussel, 29.9.2021

COM(2021) 599 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

OVER DE TOEPASSING EN DE EFFICIËNTE WERKING VAN RICHTLIJN 2012/18/EU BETREFFENDE DE BEHEERSING VAN DE GEVAREN VAN ZWARE ONGEVALLEN WAARBIJ GEVAARLIJKE STOFFEN ZIJN BETROKKEN IN DE PERIODE 2015-2018


Inhoudsopgave

Inleiding

1.Samenvatting van de verslagen van de lidstaten

1.1.Statistische gegevens van inrichtingen

1.1.1.Aantal inrichtingen

1.1.2.Externe noodplannen

1.1.3.Informatie voor het publiek

1.1.4.Inspecties

1.1.5.Exploitatieverbod, sancties en andere dwangmiddelen

1.2.Statistieken van zware ongevallen

2Verdere stappen om de preventie van industriële ongevallen te verbeteren

3Conclusies



Inleiding

Zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, vormen een ernstige bedreiging voor mens en milieu. Bovendien veroorzaken dergelijke ongevallen vaak aanzienlijke economische schade en verstoren zij duurzame groei. Tegelijkertijd spelen chemische stoffen een fundamentele rol in de meeste van onze dagelijkse activiteiten, aangezien zij onderdeel uitmaken van vrijwel elk apparaat dat we gebruiken en zo bijdragen tot ons welzijn en de bescherming van onze gezondheid en onze veiligheid of door middel van innovatie oplossingen bieden voor nieuwe uitdagingen. Om de daaraan verbonden risico’s te minimaliseren, zijn maatregelen noodzakelijk om zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, te voorkomen en om de juiste paraatheid, preventie en reactie te waarborgen mochten zulke ongevallen desondanks plaatsvinden.

In de mededeling over de Europese Green Deal wordt van de Commissie verlangd dat zij haar werkzaamheden met de lidstaten intensiveert om de preventie van industriële ongevallen te verbeteren 1 . Bovendien heeft de Commissie in het actieplan om alle verontreiniging tot nul terug te dringen 2 aangekondigd dat zij haar steun aan de lidstaten verder zal consolideren, bijvoorbeeld bij de beoordeling van de risico’s van inrichtingen, teneinde de preventiemaatregelen op te voeren, en bij de beoordeling van de gevolgen van mogelijke ongevallen.

Richtlijn 2012/18/EU 3 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (de “Seveso III-richtlijn”) voorziet in het relevante kader voor risicobeheersmaatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. De richtlijn is de laatste generatie van “Seveso-wetgeving” en is op 1 juni 2015 in werking getreden. In vergelijking met de voorgaande richtlijnen, worden in deze richtlijn de bepalingen inzake deelname en informatie van het publiek, ruimtelijke ordening en toegang van het publiek tot de rechter aangescherpt en worden strengere inspectienormen ingevoerd om ervoor te zorgen dat de veiligheidsvoorschriften effectief worden toegepast.

De lidstaten dienen overeenkomstig artikel 21, lid 2, om de vier jaar bij de Commissie een verslag in over de uitvoering. Dit verslag bevat een samenvatting van de bijdragen van de lidstaten voor de periode 2015‑2018, overeenkomstig artikel 29 (op dat moment was het Verenigd Koninkrijk nog lid van de Europese Unie).

Dit verslag bestaat uit twee delen:

-Deel I bevat een samenvatting van de door de lidstaten verstrekte informatie over de uitvoering van de Seveso-richtlijn. Punt 1.1 heeft betrekking op informatie die is verzameld door middel van een vragenlijst 4 , waarin de nadruk lag op eerder vastgestelde probleemgebieden. Het doel van deze samenvatting bestaat erin de uitvoeringsgraad te beoordelen en eventuele tekortkomingen vast te stellen die moeten worden aangepakt. In punt 1.2 wordt deze samenvatting aangevuld met gegevens over ongevallen, gebaseerd op een analyse van de databank voor zware ongevallen (eMARS 5 ), die wordt beheerd door het Bureau voor risico’s van grote ongevallen van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie.

-Deel II geeft een overzicht van de voorgenomen maatregelen in het kader waarvan de Commissie met de lidstaten zal samenwerken om de preventie van industriële ongevallen verder te verbeteren, onder meer door tekortkomingen in de uitvoering aan te pakken.

Zoals ook bij eerdere beoordelingen het geval was, heeft de Commissie een externe dienstverlener ingeschakeld om de door de lidstaten aangeleverd verslagen alsook andere relevante gegevens te analyseren. Het verslag 6 van de opdrachtnemer bevat een gedetailleerde analyse van de verstrekte informatie, waaronder een analyse per lidstaat, en andere beschikbare informatie.

De volledige bijdragen van de 28 lidstaten, de vragenlijst en de verslagen over de voorgaande verslagperioden zijn ook beschikbaar voor het publiek 7 .

1.Samenvatting van de verslagen van de lidstaten

Alle 28 lidstaten 8 hebben hun vierjaarlijkse verslagen voor de periode 2015‑2018 bij de Commissie ingediend.

1.1.Statistische gegevens van inrichtingen

1.1.1.Aantal inrichtingen

De lidstaten meldden dat in 2018 in totaal 11 776 inrichtingen onder het toepassingsgebied van de Seveso III-richtlijn vielen (zie figuur 1). Dit is een stijging (479) ten opzichte van de vorige verslagperiode (2012‑2014) aan het einde waarvan 11 297 inrichtingen werden gemeld. De landen met het grootste aandeel van deze inrichtingen waren Duitsland (31 %), Frankrijk (11 %), Italië (8 %), het Verenigd Koninkrijk (8 %) — tijdens de desbetreffende verslagperiode nog steeds een EU‑lidstaat — en Spanje (7 %).

Het aandeel van hogedrempelinrichtingen en lagedrempelinrichtingen 9 was bijna constant tijdens de verslagperiode, met gemiddeld 43 % (5 090 inrichtingen) hogedrempelinrichtingen en 57 % (6 686 inrichtingen) lagedrempelinrichtingen.

Figuur 1: Aantal Seveso-inrichtingen in 2018


Uit figuur 2 blijkt een langzame maar gestage toename in het aantal inrichtingen dat onder de richtlijn valt. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van drie uitbreidingsronden van de EU in deze periode (2004, 2007 en 2013) en een toename van de gevaarlijke stoffen die onder het toepassingsgebied van de Seveso III-richtlijn vallen na de herziening van de Seveso II-richtlijn in 2012. Gegevens over lagedrempelinrichtingen worden pas sinds de verslagperiode 2009‑2011 gerapporteerd.

Figuur 2: Ontwikkeling van het aantal gemelde inrichtingen 10

Onder de activiteiten die worden gebruikt om Seveso-inrichtingen in te delen, zijn vier activiteiten verantwoordelijk voor bijna 45 % van de inrichtingen:

1)Algemene productie en distributie van chemische stoffen (1 850 inrichtingen = 15,1 %)

2)Opwekking, levering en distributie van elektriciteit (1 606 inrichtingen = 13,2 %)

3)Brandstofopslag (1 190 inrichtingen = 9,8 %)

4)Groothandel en detailhandel (930 inrichtingen = 7,6 %)

1.1.2.Externe noodplannen

Volgens artikel 12 van de Seveso III-richtlijn moeten exploitanten de bevoegde autoriteiten de informatie verstrekken die zij nodig hebben om, voor hogedrempelinrichtingen, de externe noodplannen te kunnen opstellen. Deze plannen zijn van belang om snel en gecoördineerd optreden bij zware ongevallen mogelijk te maken en spelen een onmisbare rol bij het minimaliseren van de effecten ervan.

Zij moeten tevens met tussenpozen van hooguit drie jaar worden beoordeeld en getest.

1.1.2.1. Opstellen van externe noodplannen

Zoals uit figuur 3 blijkt, waren aan het einde van de verslagperiode voor de meeste hogedrempelinrichtingen externe noodplannen opgesteld. Gemiddeld beschikte 91 % van de hogedrempelinrichtingen aan het eind van de periode 2015‑2018 over een extern noodplan. 4 % van de inrichtingen beschikte niet over een extern noodplan, aangezien de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 12, lid 8, van de Seveso III-richtlijn hebben besloten dat, in het licht van de gegevens die zijn vervat in het veiligheidsrapport, de verplichting om een extern noodplan op te stellen niet van toepassing is.

De meest voorkomende reden die door de bevoegde autoriteiten wordt aangevoerd om het ontbreken van een extern noodplan te rechtvaardigen, is dat, op basis van hun beoordeling, de gevolgen van zware ongevallen niet buiten de grenzen van de vestiging reiken en/of geen potentieel risico voor de menselijke gezondheid en het milieu zouden inhouden. Een andere verklaring die werd gegeven, was dat scenario’s voor ongevallen in bepaalde gevallen onder andere rampenplannen vielen (bv. plannen voor noodsituaties op zee en aan de kust of een reactieplan van de bevoegde brandweer).

De overige 5 % van de hogedrempelinrichtingen (d.w.z. meer dan 200 hogedrempelinrichtingen in de EU) beschikte niet over een extern noodplan, wat wijst op niet-naleving van de bepalingen van de Seveso III-richtlijn. Dit is evenwel een verbetering ten opzichte van de vorige verslagperiode, waar 12 % van de hogedrempelinrichtingen geen extern noodplan had.

Figuur 3: Percentage hogedrempelinrichtingen waarvoor een extern noodplan werd opgesteld of niet vereist was tijdens de verslagperiode 11

1.1.2.2.Testen en beoordelen van externe noodplannen

Wat betreft artikel 12, lid 6, van de Seveso III-richtlijn en de verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun externe noodplannen worden beoordeeld, getest en zo nodig bijgewerkt met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar, vertoont de verslagperiode 2015‑2018 een lichte verbetering ten opzichte van de vorige. Tijdens de verslagperiode 2006‑2008 werd namelijk 60 % van de externe noodplannen beoordeeld en getest; tijdens de periode 2009‑2011 nam dit aandeel toe tot 73 % en bereikte het 75 % tegen het einde van 2014. In de verslagperiode 2015‑2018 werd van de in totaal 5 090 hogedrempelinrichtingen 77 % van de externe noodplannen getest.

De Commissie merkt op dat de situatie per lidstaat verschilt: de meeste lidstaten voldoen volledig aan de bepalingen van de Seveso III-richtlijn met betrekking tot het testen en beoordelen van de externe noodplannen, maar in enkele andere lidstaten is er sprake van een zeer hoog percentage gevallen van niet-naleving. De gerapporteerde informatie wordt weergegeven in figuur 4 .

Figuur 4: Externe noodplannen die tijdens 2015-2018 niet werden getest 12

1.1.3.Informatie voor het publiek

In overeenstemming met artikel 14, lid 1, moeten de lidstaten er zorg voor dragen dat de informatie als bedoeld in bijlage V permanent voor het publiek beschikbaar is, onder meer elektronisch.

De informatie over alle inrichtingen wordt permanent beschikbaar gehouden, onder meer elektronisch, en wordt waar nodig door 17 lidstaten bijgewerkt. De overige 11 lidstaten voldeden niet volledig aan artikel 14, lid 1 13 , zelfs in de gevallen waarin deze informatie op verzoek beschikbaar wordt gesteld aan het publiek.

De lidstaten werd verzocht verslag uit te brengen over het aantal inrichtingen waarvoor de in bijlage V bij de richtlijn vermelde informatie niet beschikbaar was. Deze informatie wordt weergegeven in figuur 5 .

Figuur 5: Percentage inrichtingen waarvoor de informatie in bijlage V niet permanent ter beschikking wordt gehouden 14

Bovendien is in artikel 14, lid 2, bepaald dat de lidstaten er, uitsluitend voor hogedrempelinrichtingen, zorg voor moeten dragen dat regelmatig, en zonder dat ze erom moeten vragen, informatie wordt verstrekt aan de personen die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen over de bij een zwaar ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn.

In totaal heeft 92 % van de hogedrempelinrichtingen dergelijke informatie openbaar gemaakt. Dit is een stijging van 11 % ten opzichte van 81 % van de hogedrempelinrichtingen die deze informatie in de verslagperiode 2012‑2014 ter beschikking hadden gesteld. Informatie over dit uitvoeringsaspect is te vinden in figuur 6 .

Figuur 6: Totaal en percentage (%) van de hogedrempelinrichtingen waarvoor informatie over veiligheidsmaatregelen en de vereiste gedragslijn niet actief openbaar is gemaakt 15

1.1.4.Inspecties

Op grond van artikel 20 van de Seveso III-richtlijn moeten de lidstaten een inspectiesysteem en een inspectieprogramma voor alle inrichtingen opzetten. Hogedrempelinrichtingen moeten om de twaalf maanden worden geïnspecteerd en lagedrempelinrichtingen om de 36 maanden, tenzij een inspectieprogramma op basis van een systematische beoordeling wordt uitgevoerd.

Overeenkomstig artikel 20, lid 5, moet de systematische beoordeling van de gevaren van de betrokken inrichtingen worden gebaseerd op ten minste de mogelijke effecten van de betrokken inrichtingen op de menselijke gezondheid en het milieu, alsmede op gegevens betreffende de naleving van de voorschriften van de Seveso III-richtlijn. Deze criteria waarborgen ten minste hetzelfde niveau van doeltreffendheid als inspecties die jaarlijks of driejaarlijks worden uitgevoerd. Zowel hoge- als lagedrempelinrichtingen vallen onder deze bepaling.

Voor zover passend, wordt rekening gehouden met relevante bevindingen van inspecties die zijn uitgevoerd krachtens andere Uniewetgeving.

Uit de gegevens die in deze laatste verslagperiode door de bevoegde autoriteiten zijn verstrekt, blijkt dat de meeste hogedrempelinrichtingen (3 556 van de in totaal 5 090 hogedrempelinrichtingen) nu jaarlijks worden geïnspecteerd (zie figuur 7 ). Voor de resterende inrichtingen is het inspectieprogramma, met inbegrip van de frequentie van de bezoeken ter plaatse, opgesteld op basis van een systematische beoordeling van de gevaren voor zware ongevallen in de betrokken inrichtingen.

Figuur 7: Percentage door de lidstaat geïnspecteerde hogedrempelinrichtingen

Wat de lagedrempelinrichtingen betreft, worden bijna alle inrichtingen (6 140 van de in totaal 6 686 lagedrempelinrichtingen) om de drie jaar geïnspecteerd (zie figuur 8 ). Voor de resterende inrichtingen is het inspectieprogramma, met inbegrip van de frequentie van de bezoeken ter plaatse, opgesteld op basis van een systematische beoordeling van de gevaren voor zware ongevallen in de betrokken inrichtingen.

Figuur 8: Percentage door de lidstaat geïnspecteerde lagedrempelinrichtingen



1.1.5.Exploitatieverbod, sancties en andere dwangmiddelen

Op grond van artikel 19 van de Seveso III-richtlijn verbieden de lidstaten de exploitatie van inrichtingen indien de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan duidelijk onvoldoende zijn, zoals onder meer ernstige tekortkomingen in het nemen van de noodzakelijke acties die in het inspectierapport zijn aangegeven. Bovendien is in artikel 28 bepaald dat de lidstaten sancties moeten vaststellen die van toepassing zijn bij schendingen van de nationale bepalingen die krachtens de Seveso III-richtlijn zijn vastgesteld. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De meeste lidstaten meldden geen exploitatieverbod voor enige inrichting omdat de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan tijdens de verslagperiode duidelijk onvoldoende waren (zie figuur 9 en figuur 10 ). Tijdens de verslagperiode werden in totaal 8 207 dwangmaatregelen geregistreerd. Nederland (4 023) en Roemenië (3 586) hebben veruit de meeste gevallen gemeld.

Sommige lidstaten hebben nadere gegevens verstrekt over het totale bedrag van de opgelegde sancties (bv. Slowakije met 25 250 EUR en Letland met 6 335 EUR).

In het algemeen wordt voorrang gegeven aan corrigerende maatregelen, zoals het geven van waarschuwingen, boven handhaving. Nauwere samenwerking met de exploitanten werkt over het algemeen goed, vandaar dat dwangmaatregelen en sancties vaak een uitzondering vormen.

Figuur 9: Totaal aantal inrichtingen waarvan de exploitatie tijdens de verslagperiode werd verboden

Figuur 10: Totaal aantal gerapporteerde dwangmaatregelen naar soort maatregel

1.2.Statistieken van zware ongevallen

Het aantal zware ongevallen is één van de belangrijkste indicatoren om de algemene doeltreffendheid van de Seveso III-richtlijn te meten voor wat betreft het tot een minimum beperken van zware ongevallen en de schadelijke gevolgen ervan. Op grond van artikel 18 moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van zware ongevallen die zich op hun grondgebied hebben voorgedaan en die beantwoorden aan de criteria van bijlage VI.

Tussen 2000 en 2018 zijn in totaal 518 ongevallen geregistreerd in de eMARS-databank. Van deze 518 ongevallen zijn er 442 (85 %) geïdentificeerd als zware ongevallen die beantwoorden aan de criteria van bijlage VI bij de Seveso III-richtlijn. Zoals wordt weergegeven in figuur 11 , vertoont het totale aantal zware ongevallen de afgelopen jaren een stabiele trend ondanks de toename van het aantal inrichtingen dat onder de Seveso III-richtlijn valt. Uit geverifieerde gegevens blijkt dat het aantal ongevallen in de periode 2005‑2015 minder dan 25 per jaar bedraagt voor de in totaal 11 776 inrichtingen die onder de voorschriften van de richtlijn vallen 16 .

De volgende gegevens tonen aan dat de Seveso III-richtlijn er in aanzienlijke mate toe bijdraagt dat zware ongevallen weinig voorkomen, gezien de zeer hoge industrialisatiegraad in de EU. De richtlijn wordt in brede kring ook gezien als ijkpunt op het gebied van industrieel ongevallenbeleid en heeft wereldwijd in veel landen als rolmodel gefungeerd.

Figuur 11: Aantal zware ongevallen dat voldoet aan minimaal één criterium van bijlage VI tijdens de periode 2000‑2018


Hoewel het aantal sterfgevallen als gevolg van zware chemische ongevallen de afgelopen jaren vrij laag was, was het aantal sterfgevallen in 2014 en 2015 nog veel hoger, hetgeen aantoont hoe belangrijk het is waakzaamheid te blijven betrachten in het licht van de risico’s van chemische ongevallen (zie
figuur   12 en figuur 13 ).

Figuur 12: Aantal sterfgevallen binnen of buiten inrichtingen in 2000-2018

Figuur 13: Aantal gewonden binnen of buiten inrichtingen in 2000‑2018

In de periode 2000‑2018 zijn de meest gemelde criteria — van de zes in bijlage VI vermelde criteria — voor de kennisgeving van een zwaar ongeval aan de Commissie, ongewijzigd gebleven. Het gaat hier om de volgende criteria:

-hoeveelheid betrokken gevaarlijke stoffen;

-schade aan personen;

-schade aan goederen.

Figuur 14: Criteria voor het melden van zware ongevallen in eMARS voor de periode 2000‑2018 17 ,  18

Wat de betrokken industriële activiteit betreft, blijkt uit de verzamelde gegevens dat de sector productie van chemische stoffen (114 zware ongevallen) en de sector petrochemie en olieraffinaderijen (105 zware ongevallen) het meest vatbaar zijn voor zware ongevallen (zie figuur 15 ).

Figuur 15: Aantal ongevallen en incidenten naar soort activiteit in de jaren 2000‑2018

2Verdere stappen om de preventie van industriële ongevallen te verbeteren

De door de lidstaten gerapporteerde gegevens over de uitvoering van de Seveso III-richtlijn bieden nuttige informatie om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn om de preventie van industriële ongevallen verder te verbeteren. Daartoe zijn drie belangrijke instrumenten geïdentificeerd die een zinvolle beoordeling van de reikwijdte ervan mogelijk maken:

1.verbetering van de uitvoering en naleving;

2.verbetering en stroomlijning van de rapportering;

3.intensivering van de uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie over geleerde lessen en goede praktijken.

Verbetering van de uitvoering en naleving van de Seveso III-richtlijn

De Seveso III-richtlijn moest uiterlijk op 1 juni 2015 in de wetgeving van de lidstaten zijn omgezet. De Commissie heeft in de periode 2015‑2017 inbreukprocedures ingeleid omdat 16 lidstaten de richtlijn niet tijdig hadden omgezet. Alle zaken werden afgesloten nadat de omzettingsmaatregelen waren meegedeeld.

De Commissie heeft ook nauwlettend toegezien op de correcte omzetting van de richtlijn. In 16 lidstaten werden omzettingsproblemen vastgesteld en er zijn of worden inbreukprocedures ingeleid om deze aan te pakken.

Hoewel de situatie over het algemeen verbetert, heeft de Commissie, zoals blijkt uit de analyse van de verslagen van de lidstaten, jaar na jaar bepaalde tekortkomingen vastgesteld en zal zij de onderliggende redenen voor niet-naleving onderzoeken (bv. met betrekking tot externe noodplannen en informatie voor het publiek).

Indien dergelijke tekortkomingen, die leiden tot een verhoogd risico op ongevallen, waardoor de doelstellingen van de richtlijn in het gedrang komen, eerder het gevolg zijn van structurele dan eenmalige problemen, zal de Commissie overwegen de nodige inbreukprocedures in te leiden 19 .

Verbeteringen en stroomlijning van de rapportering

De Commissie zal blijven werken aan de verbetering en de stroomlijning van het rapporteringsproces en aan maximale synergie door de verschillende databanken met gegevens over industriële inrichtingen aan elkaar te koppelen. Dit heeft tot doel de relevantie en de kwaliteit van de door de lidstaten verstrekte gegevens te verbeteren en tegelijkertijd de administratieve lasten te verminderen.

Ten eerste wil de Commissie de databank voor zware industriële ongevallen (eMARS 20 ) verbeteren. Momenteel bevat die slechts beperkte informatie over de bredere sociaal-economische gevolgen op langere termijn (bv. verloren of beschadigde eigendommen, milieuschade op lange termijn, banenverlies, imagoverlies, langetermijneffecten op de omgeving), aangezien de gerapporteerde informatie doorgaans betrekking heeft op de onmiddellijke gevolgen (bv. letsels en sterfgevallen). Een meer gedetailleerde beoordeling van de sociaal-economische en milieueffecten van ongevallen is relevant om de gevolgen op lange termijn van zware industriële ongevallen beter te beperken.

Ten tweede wil de Commissie de rapportage van “bijna-ongevallen” verbeteren. Dit zijn incidenten waarbij geen eigendom is beschadigd en er geen sprake is van lichamelijk letsel, maar waarbij schade of letsel gemakkelijk had kunnen optreden. Daarom is het een waardevolle bron van informatie voor het delen van ervaringen in de hele EU.

Ten derde is de rapportering van zware industriële ongevallen in de afgelopen jaren waarschijnlijk onvolledig vanwege de tijd die nodig is voor een volledig gerechtelijk onderzoek en de moeilijkheid om in het kader van het huidige rapporteringssysteem in twee stappen verslag uit te brengen. Het rapporteringssysteem moet in de toekomst worden verbeterd om de rapportering in twee stappen te vergemakkelijken, met 1) een kort voorlopig verslag dat kort na het ongeval wordt ingediend en 2) een volledig verslag dat wordt ingediend zodra alle relevante onderzoeken hebben plaatsgevonden.

Ten slotte zou het vaststellen van meer statistische indicatoren in de verslagen van de lidstaten (bv. over het aantal inspecteurs en inspecties) een betere follow-up van de voorschriften van de richtlijn mogelijk maken. Dit zou eveneens belangrijke informatie opleveren, met name voor de geleerde lessen om de preventie van industriële ongevallen te verbeteren, en zou een nuttige bijdrage kunnen leveren aan het geïntegreerde kader voor de monitoring van en vooruitzichten voor een samenleving zonder verontreiniging.

Intensivering van de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie

De werkzaamheden met betrekking tot de lessen die zijn geleerd van zware industriële ongevallen en van inspecties zijn essentiële elementen om de industriële veiligheidscultuur in de hele Europese Unie te handhaven en de preventie en beperking van ongevallen te verbeteren.

De Commissie voert belangrijke missies uit in verband met de preventie van industriële ongevallen. Dit is met name het geval voor het analyseren van industriële ongevallen, het verlenen van steun aan de lidstaten bij de analyse van risico’s en gevolgen, het leiden van de technische werkgroep inzake inspectie en het leveren van inspectiemiddelen. Deze werkzaamheden moeten worden voortgezet en versterkt om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken.

Tijdens de verslagperiode heeft de Commissie nauw samengewerkt met de lidstaten om waar nodig hun capaciteitsopbouw te verbeteren en een kader vast te stellen voor maatregelen ter verbetering van de preventie van industriële ongevallen. In de komende jaren zou dit ook verdere steun kunnen omvatten voor het melden van bijna-ongevallen, het opnemen van de langetermijngevolgen in de rapportering en het bevorderen van het inzicht in de sociaal-economische en milieueffecten van ongevallen.

De geleidelijke vooruitgang op het gebied van risicobeheer van chemische stoffen (bv. identificatie van zeer zorgwekkende stoffen, vaststelling van criteria voor essentiële toepassingen 21 , voorstel om de Commissie te belasten met de uitvoering van audits in de lidstaten) die naar verwachting zal worden geboekt bij de uitvoering van de Europese Green Deal, met name het actieplan om alle verontreiniging tot nul terug te dringen en de daarmee verband houdende Strategie voor duurzame chemische stoffen 22 , zal zorgen voor een verdere verbetering van de kennis die nodig is om industriële ongevallen beter te voorkomen.

3Conclusies

De Seveso III-richtlijn, die betrekking heeft op ongeveer 12 000 inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn, speelt een belangrijke rol bij het sturen van de sterk geïndustrialiseerde EU naar een ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen door industriële ongevallen te voorkomen. In de periode 2005‑2015 hebben zich in de EU jaarlijks gemiddeld minder dan 25 zware ongevallen voorgedaan, met steeds minder grote gevolgen. Deze richtlijn wordt in brede kring gezien als ijkpunt op het gebied van industrieel ongevallenbeleid en heeft wereldwijd in veel landen als rolmodel gefungeerd.

Uit de analyse van de verslagen van de lidstaten blijkt dat de uitvoering van de bepalingen van de Seveso III-richtlijn op vrijwel alle gebieden (informatie voor het publiek, opstelling van externe noodplannen, aantal letsels enz.) is verbeterd ten opzichte van de gegevens die in voorgaande perioden zijn gerapporteerd.

Elk ongeval is er echter een te veel en er zijn verdere inspanningen nodig om de preventie te verbeteren, zoals in de Europese Green Deal en het actieplan om alle verontreiniging tot nul terug te dringen wordt verlangd. Daarom zal de Commissie haar inspanningen opvoeren om de correcte uitvoering van de bepalingen van de Seveso III-richtlijn te ondersteunen en, indien nodig, handhavingsmaatregelen nemen om te waarborgen dat deze bepalingen daadwerkelijk worden nageleefd en de beoogde milieu- en gezondheidsvoordelen opleveren. Zij zal ook haar samenwerking met de lidstaten versterken om de preventie van industriële ongevallen te verbeteren.

In dit verband zullen DG ENV en DG ECHO synergieën ontwikkelen tussen de Seveso III-richtlijn en het Uniemechanisme voor civiele bescherming om de preventie, paraatheid en reactie in geval van een zwaar industrieel ongeval te verbeteren. Deze inspanningen omvatten de komende werkzaamheden om het elektronische Seveso Plants Retrieval System (eSPIRS) te kunnen integreren in het Global Disaster Alert and Coordination System 23 , zodat de exploitanten en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen worden gewaarschuwd in geval van een gebeurtenis die een zwaar industrieel ongeval kan veroorzaken. De Commissie (DG Milieu en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek) en het Europees Milieuagentschap zullen ook initiatieven nemen om de rapporteringsverplichtingen voor inrichtingen en zware ongevallen te verbeteren en te stroomlijnen. Voorts zal het Bureau voor risico’s van grote ongevallen van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek de lidstaten wetenschappelijke en technische ondersteuning blijven bieden, met name in het kader van de technische werkgroep inzake inspecties en het programma van wederzijdse gezamenlijke bezoeken.

Dit verslag bevat de meest recente verzamelde gegevens en heeft tot doel objectief te informeren over de huidige stand van zaken met betrekking tot de werking van de Seveso III-richtlijn en over de geboekte vooruitgang in het licht van de doelstellingen ervan. Samen met de informatie die zal worden verstrekt in het toekomstige verslag voor de periode 2019‑2022, zal het de Commissie in staat stellen te beoordelen of het nodig is het toepassingsgebied van de richtlijn in 2023 te herzien, zoals artikel 29, lid 1, voorschrijft.

(1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De Europese Green Deal ( COM/2019/640 final ).
(2) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul ( COM/2021/400 final ).
(3) Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1).
(4) 2014/896/EU: Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 10 december 2014 tot vaststelling van het formaat voor het mededelen van informatie van de lidstaten over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9335).
(5) Systeem voor het rapporteren van zware ongevallen ( https://emars.jrc.ec.europa.eu )
(6)   https://circabc.europa.eu/w/browse/df2c6a1c-99bb-4b13-b68c-b8a1e33c95c5
(7)   https://circabc.europa.eu/w/browse/4cc9ca17-0920-4d8a-8796-6ffa170612b7
(8) In de periode 2015‑2018 was het VK een lidstaat van de EU.
(9) De richtlijn heeft betrekking op inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn (bv. tijdens de verwerking of opslag) in hoeveelheden die bepaalde drempels overschrijden. Afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen worden inrichtingen ingedeeld in lagedrempelinrichtingen en hogedrempelinrichtingen, die aan strengere eisen zijn onderworpen.
(10) De gegevens over 1996 en 1999 zijn niet volledig vergelijkbaar door verschillen in de definities van inrichtingen en installaties. Verschillende installaties binnen dezelfde inrichting zijn mogelijk apart gemeld, wat de schijnbare afname in 2002 verklaart. Daarnaast is de indeling van gevaarlijke stoffen gewijzigd in de Seveso III-richtlijn.
(11) Opmerking: de lidstaten die niet in de figuur worden genoemd, hebben gemeld dat zij voldoen aan de verplichting om externe noodplannen voor hogedrempelinrichtingen op te stellen.
(12) Opmerking: de lidstaten die niet in de figuur worden genoemd, hebben gemeld dat zij alle externe noodplannen hebben getest in de periode 2015‑2018. Griekenland en Tsjechië hebben gemeld dat zij slechts een deel van alle externe noodplannen hebben getest, zonder echter aan te geven hoeveel er niet zijn getest. Daarom worden deze grijs weergegeven in de figuur.
(13) Er zijn of worden inbreukprocedures ingeleid tegen lidstaten waar de niet-naleving van artikel 14, lid 1, het gevolg is van een onjuiste omzetting. Voor andere gevallen van niet-naleving zal de Commissie de onderliggende redenen voor niet-naleving nader onderzoeken. Indien dergelijke tekortkomingen, die leiden tot een verhoogd risico op ongevallen, waardoor de doelstellingen van de richtlijn worden ondermijnd, eerder het gevolg zijn van structurele dan eenmalige problemen, zal de Commissie overwegen zo nodig een inbreukprocedure in te leiden.
(14) Opmerking: de lidstaten die niet in de grafiek zijn vermeld, hebben gemeld dat zij de informatie in bijlage V permanent beschikbaar hebben gehouden voor alle inrichtingen op hun grondgebied.
(15) Opmerking: de lidstaten die niet in de grafiek worden vermeld, hebben gemeld dat alle inrichtingen op hun grondgebied dergelijke informatie aan het publiek hebben verstrekt.
(16) Dit verslag heeft betrekking op de periode 2015‑2018, maar de door de lidstaten verstrekte informatie voor de jaren 2016‑2018 moet met de nodige omzichtigheid worden gelezen, aangezien de informatie in de eMARS-databank waarschijnlijk onvolledig is als gevolg van vertragingen in het onderzoek, interne evaluaties en vertalingen.
(17) De som van de criteria voor kennisgeving is hoger dan het totale aantal gemelde ongevallen omdat een ongeval aan meerdere criteria kan voldoen.
(18) De in bijlage VI genoemde criteria voor de kennisgeving van een zwaar ongeval aan de Commissie.
(19) In overeenstemming met de handhavingsprioriteiten zoals bepaald in de mededeling “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”; C(2016) 8600 final.
(20) The Minerva Portal of the Major Accident Hazards Bureau, A Collection of Technical Information and Tools Supporting EU Policy on Control of Major Chemical Hazards (Het Minerva-portaal van het Bureau voor risico’s van grote ongevallen, een verzameling van technische informatie en instrumenten ter ondersteuning van het EU-beleid inzake de beheersing van grote chemische gevaren), https://emars.jrc.ec.europa.eu/en/emars/accident/search
(21) Rekening houdend met de definitie van essentiële toepassingen in het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken , dat is ingevoerd om te beoordelen of het gebruik van bepaalde chemische stoffen werkelijk noodzakelijk is, waarbij wordt erkend dat de reeks chemische stoffen die onder het EU-regelgevingskader voor chemische stoffen vallen, veel ruimer is dan de specifieke reeks chemische stoffen die onder het Protocol van Montreal vallen.
(22) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Strategie voor duurzame chemische stoffen, Op weg naar een gifvrij milieu, COM(2020) 667 .
(23)   https://www.gdacs.org/  
Top