EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 8.3.2019
COM(2019) 114 final
2019/0063(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Uitgebreide Commissie van het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CSBT-verdrag) en tot intrekking van Besluit 10125/14
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie in de vergaderingen van de Uitgebreide Commissie van het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn voor de periode 2019-2023 moet worden ingenomen in verband met de beoogde vaststelling van instandhoudings- en beheersmaatregelen.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn
Het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (het CSBT-verdrag) heeft met de oprichting van de Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CCSBT) tot doel de instandhouding en het optimale gebruik van zuidelijke blauwvintonijn te garanderen. Het verdrag is op 20 mei 1994 in werking getreden.
De Unie is verdragsluitende partij bij de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag, aangezien zij het verdrag uit hoofde van Besluit (EU) 2015/2437 van de Raad heeft goedgekeurd.
2.2.Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn
De CCSBT is het lichaam dat opgericht is krachtens het CSBT-verdrag en verantwoordelijk is voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het verspreidingsgebied van zuidelijke blauwvintonijn. Aangezien het verdrag slechts openstaat voor staten, heeft de CCSBT de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag opgericht, waarvan naast de CCSBT-leden ook visserijentiteiten en de Unie lid zijn. De Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag stelt besluiten op die de CCSBT vervolgens formeel goedkeurt. CCSBT-maatregelen voor de instandhouding, het beheer en het optimale gebruik van zuidelijke blauwvintonijn kunnen voor de Unie bindend worden.
Als lid van de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag heeft de Unie inspraak en stemrechten. De CCSBT neemt haar besluiten bij consensus.
2.3.CCSBT-besluiten
De CCSBT heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en handhavingsmaatregelen voor de onder haar bevoegdheid vallende visserijen vast te stellen, en die zijn bindend voor de verdragsluitende partijen.
Overeenkomstig artikel 8, lid 7, van het CSBT-verdrag treden de maatregelen na de goedkeuring door de CCSBT onmiddellijk in werking.
3.Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse vergaderingen van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), wordt momenteel bepaald volgens een tweeledige aanpak. In een besluit van de Raad worden de beginselen en richtsnoeren voor het standpunt van de Unie voor meerdere jaren vastgelegd, waarna het standpunt vóór elke jaarlijkse vergadering wordt aangepast via non-papers van de Commissie, die in de groep van de Raad worden besproken.
Voor de CCSBT is deze aanpak ten uitvoer gelegd bij Besluit 10125/14 van de Raad van 26 mei 2014, waarin het standpunt van de Unie binnen de CCSBT voor de periode 2014-2018 is vastgesteld. Het besluit bevat algemene beginselen en richtsnoeren, maar houdt ook zo veel mogelijk rekening met de specifieke kenmerken van de CCSBT. Daarnaast bevat het de standaardprocedure om elk jaar overeenkomstig het verzoek van de lidstaten het standpunt van de Unie vast te stellen.
Besluit 10125/14 voorziet in een herziening van het standpunt van de Unie vóór de jaarlijkse vergadering van 2019. Dit voorstel strekt er dan ook toe het standpunt van de Unie binnen de CCSBT voor de periode 2019-2023 uiteen te zetten, en vervangt Besluit 10125/14.
In Besluit 10125/14 zijn de beginselen en richtsnoeren van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), als vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, opgenomen, met inachtneming van de doelstellingen die zijn bepaald in de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het GVB. Voorts is in het besluit het standpunt van de Unie aangepast aan het Verdrag van Lissabon.
Bij de huidige herziening wordt, in verband met de impact van de visserij, rekening gehouden met de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen en met de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van "de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst".
Het begrip "handelingen met rechtsgevolgen" omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar wel een "beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de EU vaststelt".
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De CCSBT is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten het CSBT-verdrag.
De door de CCSBT aan te nemen handelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen. De handelingen zijn uit hoofde van het volkenrecht bindend overeenkomstig artikel 20 van het CSBT-verdrag en kunnen beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-wetgeving, waaronder:
·Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen;
·Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het GVB moet garanderen; en
·Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten.
De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het CSBT-verdrag.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een krachtens artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer die handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het krachtens artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op visserij. Verordening (EU) nr. 1380/2013 vormt de rechtsgrond voor de beginselen die in dit standpunt moeten worden weerspiegeld.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43, lid 2, VWEU. Het besluit dient ter vervanging van Besluit 10125/14, dat de periode 2014-2018 bestrijkt.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is artikel 43, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2019/0063 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Uitgebreide Commissie van het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CSBT-verdrag) en tot intrekking van Besluit 10125/14
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Bij Besluit (EU) 2015/2437 van de Raad heeft de Europese Unie het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (het CSBT-verdrag) gesloten, waarbij de Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CCSBT) is opgericht.
(2)De CCSBT is het lichaam dat opgericht is krachtens het CSBT-verdrag en verantwoordelijk is voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het verspreidingsgebied van zuidelijke blauwvintonijn. Aangezien het CSBT-verdrag slechts openstaat voor staten, heeft de CCSBT de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag opgericht, waarvan naast de CCSBT-leden ook visserijentiteiten en de Unie lid zijn. Binnen de CCSBT stelt de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag besluiten op die de CCSBT vervolgens formeel goedkeurt. De CCSBT neemt instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de instandhouding, het beheer en het optimale gebruik van zuidelijke blauwvintonijn. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.
(3)In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. De verordening bepaalt eveneens dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Daarnaast is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.
(4)Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.
(5)In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.
(6)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de CCSBT voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de CCSBT bindend zullen zijn voor de Unie en mogelijk een beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het recht van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad, Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad.
(7)Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de CCSBT is momenteel vastgesteld in Besluit 10125/14 van de Raad. Het is passend Besluit 10125/14 in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.
(8)In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het verspreidingsgebied van zuidelijke blauwvintonijn en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de CCSBT worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is neergelegd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Uitgebreide Commissie van het Verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CSBT-verdrag), is opgenomen in bijlage I.
Artikel 2
De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.
Artikel 3
Het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie wordt uiterlijk vóór de jaarlijkse vergadering van de Uitgebreide Commissie van het CSBT-verdrag in 2024 door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door hem herzien.
Artikel 4
Besluit 10125/14 van 26 mei 2014 wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter