Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0753

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD inzake het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam betreffende nalevingsprocedures

COM/2018/753 final

Brussel, 19.11.2018

COM(2018) 753 final

2018/0391(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam betreffende nalevingsprocedures


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de Conferentie van de Partijen (Conference of the Parties, CoP) bij het Verdrag van Rotterdam met betrekking tot het beoogde voorstel voor een procedurele bijlage inzake procedures en institutionele mechanismen voor de vaststelling van niet-naleving.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.Het Verdrag van Rotterdam

Het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel ("het Verdrag") beoogt gedeelde verantwoordelijkheid en gezamenlijke inspanningen te bevorderen onder de verdragsluitende partijen op het gebied van de internationale handel in gevaarlijke chemische stoffen, teneinde de gezondheid van mens en milieu te beschermen en bij te dragen tot een milieuverantwoord gebruik van die chemische stoffen. Het Verdrag schept juridisch bindende verplichtingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming (PIC) en beschermt landen, met name ontwikkelingslanden, tegen de ongewenste uitvoer van chemische stoffen uit producerende landen door partijen van uitvoer uitvoerverbintenissen op te leggen.

De Overeenkomst is op 24 februari 2004 in werking getreden.

De Europese Unie is partij bij de Overeenkomst 1 .

2.2.De Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam

De krachtens artikel 18 van het Verdrag opgerichte CoP is het bestuursorgaan van het Verdrag van Rotterdam. Dit orgaan komt normaalgezien om de twee jaar bijeen om toezicht te houden op de uitvoering van het Verdrag. Het beoordeelt tevens chemische stoffen op verzoek van de Commissie ter beoordeling van chemische stoffen.

Overeenkomstig de artikelen 44 en 45 van het reglement van orde van de CoP bij het Verdrag van Rotterdam heeft elke partij één stem. Regionale organisaties voor economische integratie zoals de EU oefenen echter hun stemrecht uit op basis van een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten van de organisatie die partij zijn bij het Verdrag.

2.3.De beoogde handeling van de Conferentie van de Partijen

Tijdens de 9e gewone bijeenkomst van de CoP, die plaatsvindt van 29 april tot en met 10 mei 2019, wordt de goedkeuring in overweging genomen van een aanvullende bijlage inzake procedures en institutionele mechanismen voor de vaststelling van niet-naleving. ("de beoogde handeling"). De voorgestelde nieuwe bijlage bevat mutatis mutandis dezelfde tekst die eerder werd besproken tijdens CoP7 en CoP8 en toen werd gesteund door een overgrote meerderheid van de partijen.

Deze bijlage zou vallen onder het toepassingsgebied van artikel 22.2 van het Verdrag, waarin is voorzien in een procedure voor de vaststelling van bijlagen met betrekking tot "aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijke, technische of administratieve aard". Deze beoogde handeling impliceert de toepassing van een bestaande overeenkomst, waardoor het toepassingsgebied of de inhoud van het Verdrag niet worden gewijzigd.

De beoogde handeling heeft tot doel de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam doeltreffender te maken door de invoeging van een regeling voor niet-naleving zoals vereist ingevolge artikel 17 van het Verdrag. In artikel 17 is bepaald dat "zodra dit uitvoerbaar is, [...] door de Conferentie van de partijen procedures en institutionele mechanismen [worden] ontwikkeld en goedgekeurd waarmee de naleving van de bepalingen van dit verdrag kan worden gecontroleerd en kan worden opgetreden tegen de partijen die het verdrag niet naleven".

De vaststelling van niet-naleving is beslissend voor het vergroten van de transparantie en de bereidheid van de partijen om aan hun internationale verplichtingen te voldoen. Het bijgevoegde voorstel stelt, gebruikmakend van reeds tijdens eerdere bijeenkomsten van de CoP voorbereide tekst, een ander middel ter beschikking om partijen te ondersteunen die nalevingsprocedures wensen vast te stellen. Het is de bedoeling om de vruchten te beginnen plukken van een werkend, faciliterend nalevingsmechanisme, dat zal helpen problemen en oplossingen met betrekking tot naleving vast te stellen en uiteindelijk zal leiden tot een grotere doeltreffendheid van het Verdrag.

Hoewel de tekst van het Verdrag duidelijk aangeeft dat procedures en mechanismen voor de aanpak van niet-naleving "zodra dit uitvoerbaar is" moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd, hebben de partijen 14 jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag en na onderhandelingen tijdens al de acht CoP's die sindsdien zijn gehouden dergelijke procedures en mechanismen nog steeds niet vastgesteld.

Overeenkomstig artikel 22.1 van de Overeenkomst zou de voorgestelde aanvullende bijlage "een integrerend deel uit[maken] van het Verdrag en [vormt] een verwijzing naar het Verdrag [...] tegelijkertijd een verwijzing naar de bijlagen daarbij, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald". De vaststelling van de bijlage vereist geen ratificering door de partijen om in werking te treden. Bovendien zou elke partij die tegen het voorstel gekant is, ervoor kunnen kiezen de nieuwe bijlage niet toe te passen overeenkomstig artikel 22.3, onder b), wat de staten die tegen stemmen een uitweg zou bieden. De beoogde handeling zal derhalve bindend zijn voor alle partijen die niet voor niet-toepassing van de bijlage hebben gekozen.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Het is voor de EU als een leider op het gebied van milieubeleidsvorming van cruciaal belang om haar internationale engagement voor de bevordering van een betere uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten en -normen opnieuw te bevestigen. De delegaties van de lidstaten hebben tijdens de bijeenkomst van de Groep internationale milieuvraagstukken (WPIEI) over internationale vraagstukken aangaande chemische stoffen op 7 juni 2018 namens de EU reeds uitdrukkelijk het initiatief gesteund voor een voorstel tot vaststelling van het nalevingsmechanisme in een aanvullende bijlage bij het Verdrag.

Dit initiatief is bovendien in overeenstemming met de beleidsprioriteit van voorzitter Juncker om op wereldvlak een sterkere rol te gaan spelen, met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's), met name de SDG's 3 (een goede gezondheid en welzijn voor mensen) en 12 (verantwoorde consumptie en productie), en met het zevende milieuactieprogramma.

De Unie moet derhalve de voorgestelde bijlage steunen en als mede-indiener ervan optreden in de aanloop naar CoP9.

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de CoP moet worden vastgesteld, aangezien de aanvullende bijlage bindend zal zijn voor de Unie. Dit standpunt moet zo spoedig mogelijk worden vastgesteld teneinde als mede-indiener van de aanvullende bijlage te kunnen optreden.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de procedures voor de vaststelling van besluiten tot bepaling van "de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst".

Het begrip "handelingen met rechtsgevolgen" omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die een "beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt" 2 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

De CoP is een lichaam dat is opgericht bij een overeenkomst, namelijk het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel.

De handeling die door de CoP moet worden vastgesteld, is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Rotterdam internationaalrechtelijk bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de Overeenkomst. Zij zal tevens geen beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-regelgeving.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de geplande handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de geplande handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De hoofddoelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het milieu. Hoewel de in het kader van het Verdrag van Rotterdam overeengekomen maatregelen een milieudoelstelling hebben, zijn zij tevens grotendeels handelsgerelateerd van aard.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslagen van het voorgestelde besluit moeten derhalve artikel 207, lid 3, en artikel 192, lid 1, VWEU zijn, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van de CoP het Verdrag van Rotterdam zal uitvoeren middels een nieuwe procedurele bijlage is het passend om deze bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie na de vaststelling ervan.

2018/0391 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam betreffende nalevingsprocedures

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, en artikel 207, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel ("het Verdrag") is namens de Unie bij Besluit 2006/730/EG van de Raad 3 gesloten en trad op 24 februari 2004 in werking.

(2)Krachtens artikel 22 van het Verdrag kan de Conferentie van de Partijen aanvullende bijlagen bij het Verdrag vaststellen die betrekking hebben op "aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijke, technische of administratieve aard".

(3)Tijdens de 9e gewone bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen, die plaatsvindt van 29 april tot en met 10 mei 2019, nemen de partijen de goedkeuring van een aanvullende procedurele bijlage in overweging ter invoering van een niet-nalevingsmechanisme zoals vereist op grond van artikel 17 van het Verdrag.

(4)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie op de Conferentie van de Partijen moet worden ingenomen, aangezien de aanvullende bijlage bindend zal zijn voor de Unie.

(5)De Unie bevestigt opnieuw dat het van cruciaal belang is om een betere uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten en normen te bevorderen en er zich op internationaal niveau voor te engageren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in de komende Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam bestaat erin het bij dit besluit gevoegde ontwerp van handeling ("de beoogde handeling") en/of eventuele verfijningen die resulteren in de vaststelling van procedures en institutionele mechanismen voor de vaststelling van niet-naleving, zoals vereist op grond van artikel 17 van het Verdrag, te steunen.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Artikel 3

De beoogde handeling wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie na de vaststelling ervan door de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    2006/730/EG: Besluit van de Raad van 25 september 2006 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel; PB L 299 van 28.10.2006, blz. 23–25 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV); PB L 335M van 13.12.2008, blz. 514–519 (MT).
(2)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(3)

   PB L 299 van 28.10.2006, blz. 2325.

Top

Brussel, 19.11.2018

COM(2018) 753 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Rotterdam betreffende nalevingsprocedures


BIJLAGE

Ontwerpbesluit RC-9/[ ]: Procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam

   

Indiening door …

Besluit om bijlage VII bij het Verdrag vast te stellen, waarin procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam zijn bepaald, zoals vervat in de bijlage bij het onderhavige besluit.

AANHANGSEL.

Bijlage VII: Procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam

1.Hierbij wordt een nalevingscomité (hierna "het Comité" genoemd) opgericht.

Leden

2.Het Comité telt 15 leden. Leden worden voorgedragen door de partijen en verkozen door de Conferentie van de Partijen op basis van gelijkwaardige geografische vertegenwoordiging van de vijf regionale groepen van de Verenigde Naties.

3.De leden beschikken over expertise en specifieke kwalificaties in de door het Verdrag bestreken onderwerpen. Zij nemen op objectieve wijze en in het belang van het Verdrag zitting.

Verkiezing van leden

4.Tijdens de eerste bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen na de inwerkingtreding van deze bijlage worden acht leden van het Comité voor één ambtstermijn en zeven leden voor twee ambtstermijnen verkozen. Tijdens elke gewone bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen daarna worden nieuwe leden verkozen voor twee volledige termijnen om de leden van wie de ambtstermijn geheel of bijna is vervuld, te vervangen. Leden vervullen niet meer dan twee opeenvolgende ambtstermijnen. In het kader van deze bijlage betekent "ambtstermijn" de periode die aanvangt aan het einde van een gewone bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen en eindigt aan het einde van de volgende gewone bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen.

5.Indien een lid van het Comité ontslag neemt of anderszins niet in staat is om zijn of haar ambtstermijn te voltooien of zijn of haar taken uit te voeren, benoemt de partij die dat lid benoemde een plaatsvervanger die zitting neemt voor de rest van de ambtstermijn.

Voorzitterschap

6.Het Comité kiest zelf zijn voorzitter. Een ondervoorzitter en een rapporteur worden bij toerbeurt verkozen door het Comité overeenkomstig regel 30 van het reglement van orde van de Conferentie van de Partijen.

Bijeenkomsten

7.Het Comité komt bijeen zoals nodig en indien mogelijk in samenhang met de bijeenkomsten van de Conferentie van de Partijen of andere organen van het Verdrag.

8.Onverminderd lid 9 staan de bijeenkomsten van het Comité open voor de partijen en het publiek tenzij het Comité anders beslist.

Indien het Comité indieningen krachtens lid 12 of 13 behandelt, staan de bijeenkomsten van het Comité open voor de partijen maar niet voor het publiek, tenzij de partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld anders overeenkomt.

De partijen en waarnemers waarvoor de bijeenkomst open staat hebben niet het recht om deel te nemen aan de bijeenkomst, tenzij het Comité en de partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld anders overeenkomen.

9.Indien een indiening wordt aangevoerd met betrekking tot de mogelijke niet-naleving van een partij, wordt deze partij uitgenodigd om deel te nemen aan de behandeling van de indiening door het Comité. Die partij mag evenwel niet deelnemen aan de opstelling en vaststelling van een aanbeveling of besluit van het Comité.

10.Het Comité stelt alles in het werk om bij consensus overeenkomst te bereiken over alle inhoudelijke aangelegenheden. Indien dit niet mogelijk is, weerspiegelt het verslag de standpunten van alle leden van het Comité. Indien alle inspanningen om een consensus te bereiken zijn uitgeput en er geen overeenstemming is bereikt, wordt als laatste redmiddel een eventueel besluit worden genomen door een viervijfde meerderheid van de aanwezige en stemmende leden of door acht leden indien dat meer is. Het quorum wordt gevormd door tien leden van het Comité.

11.Ieder lid van het Comité vermijdt met betrekking tot elke kwestie die door het Comité wordt behandeld rechtstreekse of onrechtstreekse belangenverstrengeling. Indien een lid zelf geconfronteerd wordt met rechtstreekse of onrechtstreekse belangenverstrengeling, of een burger is van een partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, brengt dat lid de kwestie onder de aandacht van het Comité vóór de behandeling van de zaak. Het betrokken lid neemt niet deel aan de opstelling en vaststelling van een aanbeveling van het Comité met betrekking tot die aangelegenheid.

12.Indieningen geschieden schriftelijk, via het Secretariaat indien de punten a) en b) van toepassing zijn, door:

a)Een partij die van oordeel is dat zij, hoewel zij zich tot het uiterste heeft ingespannen, niet in staat is of zal zijn om bepaalde verplichtingen uit hoofde van het Verdrag na te leven. Een dergelijke indiening moet details bevatten over de specifieke verplichtingen in kwestie en een analyse van de reden waarom de partij mogelijk niet in staat is deze verplichtingen na te leven. Indien mogelijk wordt verdere informatie of advies over waar dergelijke verdere informatie kan worden gevonden, verstrekt. In de indiening kunnen tevens suggesties gedaan worden voor oplossingen die de partij het meest passend vindt met het oog op haar specifieke behoeften.

b)Een partij die rechtstreeks wordt getroffen of waarschijnlijk rechtstreeks zal worden getroffen door de vermeende niet-naleving van de verplichtingen van het Verdrag. Een partij die voornemens is een indiening uit hoofde van dit punt te doen, moet alvorens zulks te doen met de partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld overleg plegen. De indiening moet details bevatten over de specifieke verplichtingen in kwestie en informatie ter ondersteuning van de indiening, met inbegrip van informatie over hoe de partij wordt getroffen of waarschijnlijk zal worden getroffen.

13.Teneinde mogelijke moeilijkheden waarmee de partijen worden geconfronteerd bij het naleven van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 1, artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 10 van het Verdrag te beoordelen, stelt het Comité, na ontvangst van informatie van het Secretariaat die is verstrekt door dergelijke partijen uit hoofde van die bepalingen, de partij schriftelijk in kennis van het punt van zorg. Indien de zaak niet is opgelost binnen 90 dagen middels overleg via het Secretariaat met de betrokken partij en het Comité de zaak verder behandelt, gebeurt dit in overeenstemming met de leden 16 tot en met 24.

14.Het Secretariaat stuurt krachtens lid 12, onder a), gedane indieningen binnen twee weken na ontvangst van dergelijke indieningen aan de leden van het Comité ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het Comité.

15.Het Secretariaat stuurt binnen twee weken na ontvangst van eventuele indieningen die zijn gedaan krachtens lid 12, onder b), of tot nakoming van lid 13 een kopie aan de partij waarvan de naleving van het Verdrag in vraag wordt gesteld en aan de leden van het Comité ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het Comité.

16.Partijen waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld kunnen in elke fase van de in het onderhavige besluit beschreven procedure antwoorden of opmerkingen indienen.

17.Onverminderd lid 16 moet aanvullende informatie die door een partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld als antwoord op een indiening wordt verstrekt, binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de indiening door die partij aan het Secretariaat worden gestuurd, tenzij de omstandigheden van een specifieke zaak een langere periode vereisen. Dergelijke informatie wordt onmiddellijk aan de leden van het Comité overgemaakt ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het Comité. Indien een indiening is gedaan uit hoofde van lid 12, onder b), wordt de informatie door het Secretariaat ook gestuurd aan de partij die de indiening deed.

18.Het Comité kan besluiten niet verder te gaan met indieningen die het beschouwt als zijnde:

a)de minimis;

b)kennelijk ongegrond.

Facilitering

19.Het Comité behandelt alle indieningen die zijn gedaan krachtens lid 12, onder b), of tot nakoming van lid 13 teneinde de feiten en onderliggende oorzaken van het punt van zorg vast te stellen en bij te dragen tot de oplossing ervan, rekening houdend met artikel 16 van het Verdrag. Daartoe kan het Comité een partij het volgende verstrekken:

a)advies;

b)niet-bindende aanbevelingen;

c)alle verdere informatie die de partij nodig heeft om een nalevingsplan op te stellen, met inbegrip van tijdschema’s en doelstellingen.

Mogelijke maatregelen voor de aanpak van nalevingskwesties

20.Indien het Comité na de in lid 19 beschreven faciliteringsprocedure te hebben ondernomen en rekening houdend met de oorzaak, de soort, de ernst en de frequentie van nalevingsmoeilijkheden, met inbegrip van de financiële en technische capaciteiten van de partijen waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, het noodzakelijk acht verdere maatregelen voor te stellen om de nalevingsproblemen van een partij aan te pakken, kan het Comité de Conferentie van de Partijen, rekening houdend met zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 18, lid 5, onder c), van het Verdrag, aanbevelen om de volgende maatregelen, die in overeenstemming met het internationaal recht moeten worden genomen, in overweging te nemen om naleving te bereiken:

a)    de betrokken partij op grond van het Verdrag verdere steun verlenen, met inbegrip van de facilitering, indien nodig, van toegang tot financiële middelen, technische bijstand en capaciteitsopbouw;

b)    advies over toekomstige naleving verstrekken teneinde partijen te helpen de bepalingen van het Verdrag ten uitvoer te leggen en samenwerking tussen alle partijen te bevorderen;

c)    de betrokken partij verzoeken een stand van zaken met betrekking tot haar inspanningen te verschaffen;

d)    een verklaring afleggen waarin uiting wordt gegeven aan de bezorgdheid van het Comité met betrekking tot mogelijke toekomstige niet-naleving;

e)    een verklaring afleggen waarin uiting wordt gegeven aan de bezorgdheid van het Comité met betrekking tot huidige niet-naleving;

f)    de uitvoerend secretaris verzoeken gevallen van niet-naleving openbaar te maken;

g)    aanbevelen dat een situatie van niet-naleving wordt aangepakt door de niet-nalevende partij teneinde de situatie op te lossen.

Behandeling van informatie

21.1. Het Comité kan via het Secretariaat relevante informatie ontvangen van:

a)de partijen;

b)relevante bronnen, zoals het noodzakelijk en passend acht, met de voorafgaande toestemming van de betrokken partij of zoals opgedragen door de Conferentie van de Partijen;

c)het uitwisselingsmechanisme van het Verdrag en relevante intergouvernementele organisaties. Het Comité verstrekt dergelijke informatie aan de betrokken partij en geeft haar de mogelijkheid opmerkingen erop in te dienen.

2. Het Comité kan tevens het Secretariaat om informatie verzoeken, in voorkomend geval in de vorm van een verslag, betreffende zaken die in behandeling zijn bij het Comité.

22.Teneinde systemische kwesties van algemene naleving te onderzoeken overeenkomstig lid 25 kan het Comité:

a)alle partijen om informatie verzoeken;

b)alle betrouwbare bronnen en externe deskundigen om relevante informatie verzoeken in overeenstemming met de relevante richtsnoeren van de Conferentie van de Partijen; alsook

c)overleg plegen met het Secretariaat en voortbouwen op zijn ervaring en kennis.

23.Onverminderd artikel 14 van het Verdrag beschermen het Comité, elke partij en iedere persoon die betrokken zijn bij de beraadslagingen van het Comité het vertrouwelijke karakter van in vertrouwen ontvangen informatie.

Toezicht

24.Het Nalevingscomité houdt toezicht op de gevolgen van krachtens de leden 19 of 20 ondernomen acties.

Algemene nalevingskwesties

25.Het Nalevingscomité kan systemische kwesties van algemene naleving die van belang zijn voor alle partijen onderzoeken indien:

a)de Conferentie van de Partijen hierom verzoekt;

b)het Comité op basis van door het Secretariaat bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van het Verdrag verkregen en aan het Comité doorgestuurde informatie van partijen besluit dat een kwestie van algemene niet-naleving moet worden onderzocht en een verslag erover moet worden uitgebracht aan de Conferentie van de Partijen.

Verslagen aan de Conferentie van de Partijen

26.Het Comité brengt aan elke gewone bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen verslag uit over:

a)het werk dat het Comité heeft verricht;

b)de conclusies of aanbevelingen van het comité;

c)het toekomstige werkprogramma van het Comité, met inbegrip van het schema van verwachte bijeenkomsten die het nodig acht voor de uitvoering van zijn werkprogramma, ter behandeling en goedkeuring van de Conferentie van de Partijen.

Andere ondersteunende organen

27.Indien de activiteiten van het Comité aangaande specifieke kwesties overlappen met de verantwoordelijkheden van een ander lichaam van het Verdrag van Rotterdam kan de Conferentie van de Partijen het Comité opdragen met dat lichaam overleg te plegen.

Informatie-uitwisseling met andere relevante multilaterale milieuovereenkomsten

28.Indien relevant kan het Comité op verzoek van de Conferentie van de Partijen of rechtstreeks specifieke informatie aanvragen bij nalevingscomités die zich onder auspiciën van andere relevante multilaterale milieuovereenkomsten bezighouden met gevaarlijke substanties en afvalstoffen en over deze activiteiten verslag uitbrengen aan de Conferentie van de Partijen.

Evaluatie van het nalevingsmechanisme

29.De Conferentie van de Partijen evalueert regelmatig de tenuitvoerlegging van de in deze bijlage uiteengezette procedures en mechanismen.

Verband met de beslechting van geschillen

30.Deze procedures en mechanismen doen geen afbreuk aan artikel 20 van het Verdrag.

Top