EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 25.10.2017
COM(2017) 633 final
2015/0289(COD)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT
overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
over het
standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad
2015/0289 (COD)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT
overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
over het
standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad
1.Achtergrond
|
Indiening van het voorstel bij het Europees Parlement en de Raad
(document COM(2015) 636 final – 2015/0289 COD):
|
10 december 2015
|
|
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité:
|
25 mei 2016
|
|
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing:
|
2 februari 2017
|
|
Indiening gewijzigd voorstel:
|
14 juli 2017
|
|
Vaststelling van het standpunt van de Raad:
|
17 oktober 2017
|
2.Doel van het voorstel van de Commissie
Als integraal onderdeel van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) heeft de Commissie in 2011 een herziening van de verordening inzake vismachtigingen voorgesteld in haar mededeling inzake de externe dimensie van het GVB. Het voorstel voor een verordening inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten zal het toezicht op de externe visserijvloot van de EU versterken, overal waar die actief is.
Dit voorstel heeft ten doel de huidige regels van de verordening inzake vismachtigingen te herzien om de oceaangovernance te verbeteren, de doelstellingen van het nieuwe GVB te verwezenlijken en voor samenhang te zorgen met de controleverordening en met de verordening over illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij). Met het voorstel wordt eveneens beoogd een gelijk speelveld voor de verschillende vloten te creëren zodat voor de vissersvloot van de Unie die buiten de EU-wateren vist, dezelfde regels gelden als voor vaartuigen van derde landen die in de EU-wateren vissen.
Er zijn nieuwe regels inzake rechtstreekse machtigingen (ook "particuliere overeenkomsten" genoemd) om onrechtmatige omvlagging tegen te gaan, chartering te reguleren en een databank voor vismachtigingen aan te leggen met een beveiligd en een openbaar gedeelte.
Het voorstel is gebaseerd op het beginsel van de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat en bevat bepalingen op grond waarvan de vlaggenlidstaten eerst moeten nagaan of de vaartuigen aan bepaalde machtigingscriteria voldoen voordat aan die vaartuigen toestemming kan worden verleend om buiten de EU-wateren te vissen. Krachtige bepalingen betreffende de monitoring van de vloten zullen het mogelijk maken de visserijactiviteiten van EU-vaartuigen stop te zetten indien die vaartuigen de regels niet naleven.
3.Opmerkingen over het standpunt van de Raad
3.1
Algemene opmerkingen over het standpunt van de Raad
Het standpunt van de Raad weerspiegelt het politieke akkoord dat het Europees Parlement (hierna "EP" genoemd) en de Raad op 20 juni 2017 hebben bereikt. De Commissie steunt dit akkoord.
3.2
Amendementen van het Europees Parlement in eerste lezing
Het EP heeft ingestemd met nieuwe elementen die voortvloeien uit compromissen die tijdens de trialogen met de Raad zijn bereikt, maar het standpunt van het EP in eerste lezing is altijd behouden gebleven en wordt in het definitieve politieke akkoord weerspiegeld.
3.3
Nieuwe door de Raad ingevoerde bepalingen en standpunt van de Commissie daarover
Het standpunt van de Raad wijkt af van het voorstel van de Commissie wat betreft het toepassingsgebied van het voorstel, de gebruikte definities en de procedures voor de afgifte van vismachtigingen. Het standpunt van de Raad heeft de bepalingen inzake gelijke behandeling verder versterkt om te garanderen dat EU-vaartuigen die binnen de EU-wateren vissen en EU-vaartuigen die buiten de EU-wateren vissen, gelijk worden behandeld en dat vaartuigen van derde landen die in EU-wateren vissen, aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als EU-vaartuigen. Op die manier wordt een gelijk speelveld voor iedereen gewaarborgd.
De Commissie is van mening dat deze wijzigingen de samenhang van het voorstel versterken, de voorgeschreven procedures vereenvoudigen en stroomlijnen, de administratieve lasten beperken en zo veel als mogelijk verwijzen naar de bestaande regels van de regionale organisaties voor visserijbeheer en de internationale visserijovereenkomsten, waaronder de noordelijke overeenkomsten en de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij.
Derhalve is het voorstel van de Commissie gewijzigd om de volgende maatregelen in het politieke akkoord op te nemen:
Opname van een nieuwe afdeling 2 betreffende "visserijactiviteiten in het kader van overeenkomsten inzake uitwisseling of gezamenlijk beheer". Deze afdeling is opgenomen om het toepassingsgebied van het voorstel te verduidelijken en te waarborgen dat alle vissersvaartuigen van derde landen die in EU-wateren vissen, onder deze verordening vallen.
Artikel 5, lid 1, onder d), betreffende machtigingscriteria: "geen ernstige inbreuken gedurende de twaalf maanden vóór de aanvraag van de vismachtiging". Dit machtigingscriterium voor EU-vaartuigen die buiten de EU-wateren willen vissen, was voorgesteld als voorwaarde voor het krijgen van een vismachtigingsaanvraag. De Raad beschouwde dit machtigingscriterium echter als een dubbel sanctiesysteem en gaf aan er sterk tegen gekant te zijn. Het EP was evenwel voorstander van dit criterium. Als onderdeel van een algemeen compromis gaat de Commissie akkoord met de schrapping van dit machtigingscriterium op voorwaarde dat er wordt ingestemd met een rechtsgrondslag die de Commissie in staat stelt om op grond van artikel 7 te interveniëren om de visserijactiviteiten van een vaartuig stop te zetten.
Artikel 7, lid 6, betreffende "monitoring van visserijactiviteiten": volgens deze bepaling zou de Commissie in allerlaatste instantie kunnen interveniëren om de visserijactiviteiten van een vaartuig stop te zetten indien de vlaggenlidstaat geen maatregelen neemt (de zogenaamde "claw-back"-clausule). Het oorspronkelijk voorstel van de Commissie is voor de Raad niet aanvaardbaar omdat het kan worden beschouwd als een inmenging in de bevoegdheden van de vlaggenlidstaten. Het EP steunt een solide rechtsgrondslag op grond waarvan de Commissie kan interveniëren om de visserijactiviteiten van een vaartuig stop te zetten indien het de regels niet naleeft.
Als onderdeel van een algemeen compromis heeft de Commissie aanvaard dat haar mogelijkheid om te interveniëren om de visserijactiviteiten van een vaartuig stop te zetten, wordt beperkt tot gebieden waarvoor een internationale visserijovereenkomst bestaat die de Unie bindt ten aanzien van regionale organisaties voor visserijbeheer of derde landen waarmee een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij is gesloten.
Artikel 6, lid 2, betreffende omvlagging: overeenkomstig de artikelen 31 en 33 van de IOO-verordening mogen EU-vaartuigen niet vissen in de wateren van niet-meewerkende derde landen. Artikel 31 betreft de identificatie van niet-meewerkende derde landen door de Commissie en artikel 33 betreft de vaststelling van een lijst van die landen door de Raad. De Raad is van mening dat het aan hem is om (krachtens een besluit) een land als niet-meewerkend aan te merken en dat de identificatie door de Commissie in de context van dit voorstel geen enkel effect mag hebben.
Als onderdeel van een algemeen compromis heeft de Commissie aanvaard dat een vaartuig zes weken de tijd zou krijgen om de wateren van een derde land te verlaten zodra het derde land overeenkomstig artikel 31 van de IOO-verordening is aangemerkt als een niet-meewerkend land.
De artikelen 13 tot en met 15 betreffende "het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden": volgens de huidige regels (artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad) wijst de Commissie onbenutte vangstmogelijkheden opnieuw toe middels een besluit. Met het voorstel voor de externe vloten worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend voor deze nieuwe toewijzing. De Raad dringt erop aan artikel 43, lid 3, VWEU te gebruiken als basis voor de nieuwe toewijzing.
Als onderdeel van een algemeen compromis gaat de Commissie ermee akkoord deze rechtsgrondslag te gebruiken voor het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden.
Artikel 26 bis betreffende "overlading": het EP had moeite met de door de Raad in artikel 3, onder g), gegeven definitie van "visserijactiviteiten" en stelt dat de definitie niet zo veelomvattend is als de definitie in het kader van het GVB. Het komt er voor het EP vooral op aan "aanlandingen" en "overladingen" in de definitie op te nemen, wat echter zou leiden tot aanzienlijke administratieve lasten voor de afgifte van machtigingen voor de genoemde activiteiten. Bij wijze van compromis heeft de Raad ermee ingestemd het toepassingsgebied van artikel 26 bis uit te breiden naar overladingen op volle zee en voor rechtstreekse machtigingen, met inbegrip van een voorafgaande kennisgeving aan de vlaggenlidstaat en een jaarlijkse rapportage aan de Commissie door de lidstaten. De Commissie heeft dit compromis aanvaard omdat het haar zal helpen bij het verkrijgen van gegevens over overladingen.
Artikel 39, lid 2, betreffende openbare gegevens in de databank: overeenkomstig het voorstel van de Commissie en de algemene benadering van de Raad moeten de gegevens betreffende de naam en de vlag van het vaartuig, het type machtiging en de tijd en zone van de visserijactiviteit waarvoor een machtiging is verleend, openbaar worden gemaakt. Volgens het EP moeten hieraan de volgende gegevens worden toegevoegd: 1) CFR- en IMO-nummer; 2) naam, woonplaats en land van vestiging van de eigenaar van het bedrijf en van de begunstigde eigenaar; 3) het type machtiging en de vangstmogelijkheden.
Noch de Raad, noch de Commissie steunt het verzoek van het EP als zodanig wegens bezorgdheden over het recht op privacy, gegevensbescherming en bescherming van commerciële belangen. De medewetgevers hebben een compromis bereikt waarbij de gegevens over de eigenaar van het bedrijf en de begunstigde eigenaar in het beveiligde deel van de databank zullen worden bewaard. Daarnaast worden de volgende gegevens openbaar gemaakt: 1) het CFR- en het IMO-nummer; 2) het type machtiging, met inbegrip van de doelsoort of groep doelsoorten; 3) de tijd en zone van de visserijactiviteit waarvoor een machtiging is verleend. De Commissie aanvaardt dit compromis aangezien het de transparantie zal vergroten met volledige inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming.
In zijn op 17 oktober 2017 vastgestelde standpunt in eerste lezing onderstreept de Raad de belangrijkste elementen van het voorstel van de Commissie en stelt hij een evenwichtige tekst voor waarin rekening wordt gehouden met de voornaamste overwegingen van het Parlement, de Commissie en de Raad.
4.Conclusie
De juridische diensten en juristen-vertalers van het Europees Parlement en de Raad hebben de opdracht gekregen alle ter zake relevante aanpassingen in de tekst aan te brengen. Het resulterende document weerspiegelt dus het politieke akkoord dat de medewetgevers op 20 juni 2017 hebben bereikt.