EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 29.3.2017
COM(2017) 128 final
2017/0056(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)
TOELICHTING
1.
ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•
Motivering en doel van het voorstel
Het voorstel beoogt de omzetting in EU-recht van de instandhoudings-, controle- en handhavingsmaatregelen die zijn vastgesteld door de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), waarbij de Europese Unie als verdragsluitende partij is aangesloten. De SPRFMO is de regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB) die verantwoordelijk is voor het beheer van de visbestanden in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan en de aangrenzende zeeën, met uitzondering van tonijn en tonijnachtigen. De SPRFMO heeft sinds haar eerste vergadering in 2013 elk jaar nieuwe instandhoudings-, controle- en handhavingsmaatregelen vastgesteld. De meest recente in EU-recht om te zetten maatregelen die in dit voorstel zijn opgenomen, zijn in januari 2017 door de SPRFMO vastgesteld.
De SPRFMO heeft de bevoegdheid om voor de instandhouding en het beheer van de onder haar bevoegdheid vallende visserijen bindende besluiten vast te stellen, instandhoudings- en beheersmaatregelen (conservation and management measures – "CMM's") genoemd. Deze handelingen zijn in de eerste plaats gericht tot de verdragsluitende partijen bij de SPRFMO, maar bevatten tevens verplichtingen voor exploitanten (zoals de kapiteins van vissersvaartuigen). De CMM's van de SPRFMO treden negentig dagen na de kennisgeving ervan in werking, zijn bindend voor de verdragsluitende partijen en moeten in het geval van de EU worden omgezet in Europees recht, voor zover de EU-wetgeving er niet reeds in voorziet.
•
Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Er zijn tot dusverre nog geen instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO omgezet. De belangrijkste beleidsbepalingen ter zake zijn Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, en Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid.
In artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de vaststelling van maatregelen voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden een bevoegdheid van de Raad is; daarom vallen de door de SPRFMO voor de EU vastgestelde vangstmogelijkheden niet onder dit voorstel.
•
Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Niet van toepassing.
2.
RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•
Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 43, lid 2, VWEU aangezien het bepalingen bevat die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid na te streven.
•
Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Het subsidiariteitsbeginsel is in deze context niet van toepassing, aangezien het voorstel betrekking heeft op de duurzame exploitatie, het beheer en de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van de externe component van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
•
Evenredigheid
Met de overwogen optie worden de SPRFMO-verplichtingen in de EU geïmplementeerd zonder dat verder wordt gegaan dan nodig is om het gestelde doel te bereiken.
•
Keuze van het instrument
Omdat een verordening rechtstreeks toepasselijk en verbindend voor de lidstaten is, draagt de onderhavige verordening bij tot een uniforme toepassing van de voorgestelde regels in de gehele Unie, zodat een gelijk speelveld ontstaat voor alle exploitanten van de EU die visserijactiviteiten verrichten in het SPRFMO-verdragsgebied.
3.
RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN
•
Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving
Niet van toepassing.
•
Raadpleging van belanghebbenden
Met dit voorstel worden reeds bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO, die bindend zijn voor de verdragsluitende partijen, omgezet. Tijdens de voorbereiding van de SPRFMO-vergaderingen waar deze instandhoudings- en beheersmaatregelen worden vastgesteld, alsook gedurende de onderhandelingen daarover in de SPRFMO-jaarvergadering, worden zowel deskundigen van de lidstaten als belanghebbenden geraadpleegd. Daarom werd een raadpleging van de belanghebbenden voor deze omzettingsverordening niet nodig geacht.
•
Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid
Niet van toepassing.
•
Effectbeoordeling
Aangezien er geen nieuwe beleidsaspecten worden geformuleerd, is een effectbeoordeling niet relevant voor het onderhavige wetgevingsinitiatief. Dit initiatief betreft geldende internationale verplichtingen die al bindend zijn voor de EU en ten aanzien waarvan geen effectbeoordeling vereist is.
•
Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Niet van toepassing.
•
Grondrechten
Niet van toepassing.
4.
GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Niet van toepassing.
5.
OVERIGE ELEMENTEN
•
Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportering
Niet van toepassing.
•
Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Niet van toepassing.
•
Artikelsgewijze toelichting
Titel I bevat algemene bepalingen, zoals onderwerp, toepassingsgebied en definities. Het belangrijkst in dit verband is dat deze verordening van toepassing is op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in het SPRFMO-verdragsgebied en, in het geval van overladingen van in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen soorten, buiten het SPRFMO-verdragsgebied. Zij is ook van toepassing op vissersvaartuigen van derde landen die EU-havens aandoen en visserijproducten aan boord hebben die in het verdragsgebied zijn geoogst.
Titel II heeft betrekking op beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde soorten. Hoofdstuk I bevat SPRFMO-beheersmaatregelen voor Chileense horsmakreel. Hoofdstuk II bevat maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.
Titel III bevat bepalingen betreffende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde visserijmethoden. Hoofdstuk I heeft betrekking op bodemvisserij. Hoofdstuk II betreft experimentele visserij.
Titel IV bevat gemeenschappelijke controlemaatregelen. In hoofdstuk I worden machtigingen voor vissersvaartuigen en het vaartuigenregister van de SPRFMO behandeld. In hoofdstuk II worden bepalingen vastgesteld betreffende overlading, met inbegrip van algemene bepalingen, voorafgaande kennisgeving, overladingstoezicht en kennisgeving na overlading. Hoofdstuk III betreft de verzameling en rapportering van gegevens. Hoofdstuk IV bevat bepalingen inzake bewaking en waarnemersprogramma's. Hoofdstuk V heeft betrekking op de inspectie in EU-havens van vissersvaartuigen van derde landen die in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten aan boord hebben, met name de vaststelling van contactpunten en aangewezen havens, de procedure voor voorafgaande kennisgeving, de criteria voor inspecties en de inspectieprocedure. Het bevat tevens bepalingen betreffende de toepasselijke procedure in geval van kennelijke inbreuken tijdens haveninspecties. Hoofdstuk VI bevat regels inzake handhaving en naleving, met name de circulatie van informatie over illegale, ongereglementeerde en ongemelde (IOO) visserijactiviteiten, de implementatie van maatregelen ten aanzien van vissersvaartuigen die in de IOO-lijst van de SPRFMO zijn opgenomen en de behandeling van nalevingskwesties.
Titel V bevat slotbepalingen, zoals bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van elektronische verslagen en berichten, de procedure voor wijzigingen, de uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie, de uitvoering en de inwerktreding.
2017/0056 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, is te garanderen dat de exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee bijdraagt tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn.
(2)De Unie heeft bij Besluit 98/392/EG van de Raad het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee goedgekeurd, dat bepaalde principes en regels voor de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de zee bevat. De Europese Unie neemt in het kader van haar ruimere internationale verplichtingen deel aan de inspanningen die in internationale wateren worden geleverd om de visbestanden in stand te houden.
(3)Overeenkomstig Besluit 2012/130/EU van de Raad is de Unie sinds 26 juli 2010 verdragsluitende partij bij het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (hierna "het SPRFMO-verdrag"), waarbij de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) is opgericht.
(4)Binnen de SPRFMO is de Commissie van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan bevoegd voor het vaststellen van maatregelen om de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van visbestanden te waarborgen door de voorzorgsbenadering en een ecosysteembenadering van visserijbeheer toe te passen en aldus de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen, te vrijwaren. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.
(5)Gewaarborgd moet worden dat de door de SPRFMO vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen volledig in het recht van de Unie worden omgezet en aldus op uniforme en doeltreffende wijze in de Unie worden toegepast.
(6)De SPRFMO heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de onder haar bevoegdheid vallende visserijen vast te stellen, die bindend zijn voor de verdragsluitende partijen. Deze handelingen zijn in de eerste plaats gericht tot de verdragsluitende partijen bij de SPRFMO, en voorzien in verplichtingen voor exploitanten zoals kapiteins van vissersvaartuigen.
(7)Deze verordening mag geen betrekking hebben op de door de SPRFMO vastgestelde vangstmogelijkheden, aangezien deze vangstmogelijkheden worden toegewezen in het kader van de jaarlijks krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag vastgestelde verordening inzake vangstmogelijkheden.
(8)Om de toekomstige bindende wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO snel in Unierecht op te nemen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen en de ter zake relevante artikelen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
(9)Ter waarborging van de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid is Uniewetgeving vastgesteld om een systeem voor controle, inspectie en handhaving op te zetten, dat onder meer illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) activiteiten bestrijdt.
(10)In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld, die een alomvattende en geïntegreerde aanpak biedt en aldus naleving van alle regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid waarborgt. Ook zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad is een communautair systeem opgezet om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Met die verordeningen is reeds een aantal bepalingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO geïmplementeerd. Die bepalingen hoeven derhalve niet in de onderhavige verordening te worden opgenomen.
(11)Bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is een aanlandingsverplichting ingevoerd die met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is op visserij op kleine en grote pelagische soorten, visserij voor industriële doeleinden en visserij op zalm in de Oostzee. Overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening doet deze aanlandingsverplichting echter geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de Unie, zoals die welke voortvloeien uit de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Titel I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden beheers-, instandhoudings- en controlebepalingen inzake de visserij op grensoverschrijdende soorten in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) vastgesteld.
Artikel 2
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op:
(a) vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in het in artikel 5 van het SPRFMO-verdrag vastgestelde verdragsgebied;
(b)vissersvaartuigen van de Unie die in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen visserijproducten overladen;
c) vissersvaartuigen van derde landen wanneer zij toegang vragen tot havens van de Unie of het voorwerp uitmaken van een inspectie in havens van de Unie en in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten aan boord hebben.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1)"SPRFMO-verdragsgebied": het geografische gebied op volle zee ten zuiden van 10° NB, ten noorden van het CCAMLR-verdragsgebied zoals omschreven in het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren, ten oosten van het SIOFA-verdragsgebied zoals omschreven in de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en ten westen van de gebieden die onder de visserij-jurisdictie van de Zuid-Amerikaanse staten vallen;
(2)"vissersvaartuig": elk vaartuig, ongeacht de omvang, dat wordt ingezet of is bedoeld om te worden ingezet voor de commerciële exploitatie van visbestanden, met inbegrip van ondersteuningsvaartuigen, vaartuigen voor visverwerking, vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen en transportvaartuigen die zijn uitgerust voor het vervoer van visserijproducten, met uitzondering van containerschepen;
(3)"SPRFMO-visbestanden": alle biologische rijkdommen binnen het SPRFMO-verdragsgebied, met uitzondering van:
a) sedentaire soorten voor zover zij overeenkomstig artikel 77, lid 4, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (hierna "het verdrag van 1982" genoemd) onder de nationale jurisdictie van de kuststaten vallen;
b) de over grote afstanden trekkende soorten die zijn genoemd in bijlage I bij het verdrag van 1982;
c) anadrome en katadrome soorten;
d) zeezoogdieren, zeereptielen en zeevogels;
(4)"visserijproducten": in het kader van een visserijactiviteit in het SPRFMO-verdragsgebied verkregen aquatische organismen, of daarvan afgeleide producten;
(5)"visserijactiviteit": het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen en het aanlanden van vis en visserijproducten;
(6)"bodemvisserij": de visserij door een vissersvaartuig dat vistuig gebruikt dat bij de normale activiteiten waarschijnlijk met de zeebodem of met bentische organismen in aanraking komt;
(7)"voetafdruk van de bodemvisserij": het geografische gebied dat de bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied gedurende een bepaalde periode heeft bestreken;
(8)"SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen": de initiële lijst van vissersvaartuigen die ervan worden verdacht illegale, ongemelde of ongereguleerde (IOO) visserijactiviteiten te hebben bedreven, zoals opgesteld door het SPRFMO-secretariaat en ter overweging ingediend bij het nalevings- en technisch comité van de SPRFMO;
(9)"experimentele visserij": visserij waarbij de voorbije tien jaar geen visvangst of geen visvangst met een specifiek vistuigtype of een specifieke techniek heeft plaatsgevonden;
(10)"gevestigde visserij": visserij die de voorbije tien jaar niet is gesloten en waarbij in die periode visvangst of visvangst met een specifiek vistuigtype of een specifieke techniek heeft plaatsgevonden;
(11)"IOO-visserijactiviteiten": illegale, ongemelde of ongereguleerde visserijactiviteiten in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1005/2008;
(12)"met de SPRFMO samenwerkende niet-verdragsluitende partij": een staat of visserij-entiteit die geen partij is bij het SPRFMO-verdrag maar die ermee heeft ingestemd onverkort mee te werken aan de uitvoering van de door de SPRFMO vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen;
(13)"vaartuigenregister van de SPRFMO": de lijst van vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen; deze lijst wordt door het SPRFMO-secretariaat bijgehouden op basis van kennisgevingen door de bij de SPRFMO aangesloten verdragsluitende partijen en de met de SPRFMO samenwerkende niet-verdragsluitende partijen (CNCP's);
(14)"overlading": het lossen van alle visserijproducten aan boord van een vissersvaartuig of een gedeelte daarvan in een ander vissersvaartuig;
(15)"andere probleemsoorten": in bijlage XIII opgenomen soorten;
(16)"kwetsbaar marien ecosysteem": een marien ecosysteem waarvan de integriteit, volgens de beste beschikbare wetenschappelijke informatie en het voorzorgsbeginsel, wordt bedreigd door significante nadelige effecten als gevolg van fysiek contact met bodemvistuig tijdens de normale visserijactiviteiten, zoals riffen, onderzeese bergen, warmwaterkraters, koudwaterkoralen en koudwatersponsriffen.
Titel II
Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde soorten
Hoofdstuk I
Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi)
Artikel 4
Beheer van de vangst van Chileense horsmakreel
1.
Overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1006/2008 sluit een lidstaat de visserij op Chileense horsmakreel voor onder zijn vlag varende vissersvaartuigen wanneer hun totale vangst gelijk is aan 100 procent van hun vangstbeperking.
2.
De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de datum van de sluiting. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 5
Aanwezigheid van waarnemers in de visserij op Chileense horsmakreel
De lidstaten zorgen ervoor dat bij minstens 10 procent van de reizen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen waarnemers aan boord zijn. Voor vissersvaartuigen die in totaal niet meer dan twee reizen ondernemen, wordt de aanwezigheid van waarnemers van 10 procent berekend op basis van het aantal actieve visdagen voor trawlers en op basis van het aantal trekken voor ringzegenvaartuigen.
Artikel 6
Rapportering van gegevens voor Chileense horsmakreel
1.
De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15e van elke maand de vangsten van Chileense horsmakreel in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.
2.
In aanvulling op lid 1 delen de lidstaten aan de Commissie de volgende gegevens met betrekking tot de visserij op Chileense horsmakreel mee:
a) uiterlijk op de 5e van elke maand, de lijst van hun vissersvaartuigen die de voorbije maand bij overlading betrokken waren. De Commissie zendt die informatie binnen 20 dagen na het einde van die maand door aan het SPRFMO-secretariaat;
b) binnen 5 dagen na het einde van elk kwartaal, de VMS-gegevens van de vissersvaartuigen die het voorbije kwartaal actief hebben gevist of bij overlading betrokken waren. De Commissie zendt die informatie binnen 10 dagen na het einde van elk kwartaal door aan het SPRFMO-secretariaat.
c) 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO, het jaarlijkse wetenschappelijke rapport over het vorige jaar. De Commissie zendt die informatie uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat.
3.Uiterlijk op 30 september van elk jaar verstrekt de Commissie het SPRFMO-secretariaat de jaarlijkse vangstgegevens, uitgedrukt in levend gewicht, over de vangsten van het vorige kalenderjaar.
Hoofdstuk II
Zeevogels
Artikel 7
Maatregelen om de impact van de beugvisserij op zeevogels te verminderen
1. Alle vissersvaartuigen van de Unie die beugen gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.
2. Alle vissersvaartuigen van de Unie met demersale beugen maken gebruik van lijngewichten en torilijnen.
3.Vissersvaartuigen van de Unie zetten geen beugen uit bij duisternis en lozen geen afval tijdens het uitzetten en het inhalen.
4. De lijngewichten worden aangebracht overeenkomstig bijlage I.
5. De vogelverschrikkerlijnen worden aangebracht overeenkomstig bijlage II.
6.Vissersvaartuigen van de Unie mogen geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen. Indien dit niet haalbaar is, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.
Artikel 8
Maatregelen om de impact van de trawlvisserij op zeevogels te verminderen
1.Alle vissersvaartuigen van de Unie die trawlnetten gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.
2.De vissersvaartuigen van de Unie zetten, tijdens het vissen, twee torilijnen in, of, indien de operationele praktijken de effectieve inzet van torilijnen verhinderen, een vogelscherm.
3.Vogelschermen worden aangebracht overeenkomstig bijlage III.
4.Vissersvaartuigen van de Unie mogen geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen.
5.Vissersvaartuigen van de Unie verwerken afval tot vismeel en houden al het afvalmateriaal aan boord; lozingen blijven beperkt tot lozingen van vloeibare afvalstoffen/afvalwater. Indien dit niet haalbaar is, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.
6.Netten worden na elke visserijactiviteit schoongemaakt om verstrikte vis en bentisch materiaal te verwijderen en zo interacties met vogels tijdens het uitzetten van vistuig te voorkomen.
7.De tijd dat het net zich tijdens het inhalen op het wateroppervlak bevindt, wordt door een gedegen onderhoud van de lieren en goede dekpraktijken zo kort mogelijk gehouden.
Artikel 9
Rapportering van gegevens inzake zeevogels
In het jaarlijkse wetenschappelijke verslag dat de lidstaten uiterlijk 45 dagen vóór de jaarlijkse vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO aan de Commissie dienen te verstrekken, vermelden zij:
a)de maatregelen ter vermindering van de impact van de visserij op zeevogels die zijn toegepast door elk onder hun vlag varend vissersvaartuig dat in het SPRFMO-verdragsgebied vist;
b)het niveau waarop waarnemers worden ingezet om de bijvangst van zeevogels te registreren.
Titel III
Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde visserijmethoden
Hoofdstuk I
Bodemvisserij
Artikel 10
Bodemvisserijmachtiging
1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe bodemvisserij te verrichten zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO.
2. Lidstaten die voornemens zijn in het verdragsgebied bodemvisserijactiviteiten te verrichten, dienen uiterlijk 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:
(a)de voetafdruk van de bodemvisserij, op basis van het door de betrokken lidstaat vastgestelde trackrecord op het gebied van bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;
(b)het gemiddelde vangstniveau in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;
(c)een effectbeoordeling van de bodemvisserij;
(d)een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen.
3.De in lid 2, onder c), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen.
4. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen.
5.De lidstaten waarborgen dat de in lid 2, onder c), bedoelde beoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op kwetsbare mariene ecosystemen heeft, en verstrekken die informatie, zodra zij beschikbaar is, aan de Commissie voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 11
Bodemvisserij buiten de voetafdruk of die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt
1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO bodemvisserij buiten de voetafdruk of bodemvisserij die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt, te verrichten.
2. Lidstaten die voornemens zijn buiten de voetafdruk voor de bodemvisserij te vissen of het in artikel 10, lid 2, onder b), bedoelde gemiddelde vangstniveau te overschrijden, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:
(a)een effectbeoordeling van de bodemvisserij;
(b)een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen.
3. De in lid 2, onder a), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen.
4. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen.
5.De lidstaten waarborgen dat de beoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op kwetsbare mariene ecosystemen heeft, en verstrekken die informatie, zodra zij beschikbaar is, aan de Commissie voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 12
Kwetsbare mariene ecosystemen in de bodemvisserij
1. Totdat het wetenschappelijk comité van de SPRFMO advies heeft geformuleerd inzake maximumniveaus, stellen de lidstaten, rekening houdend met punt 68 van de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de FAO, maximumniveaus voor contact met kwetsbare mariene ecosystemen vast voor onder hun vlag varende vissersvaartuigen.
2. De lidstaten verplichten de onder hun vlag varende vissersvaartuigen ertoe bodemvisserijactiviteiten stop te zetten binnen vijf zeemijl van een locatie in het SPRFMO-verdragsgebied waar het aantal contacten de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maximumniveaus overschrijdt. De lidstaten melden contact met kwetsbare mariene ecosystemen aan de Commissie op basis van de in bijlage IV vastgestelde richtsnoeren. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 13
Aanwezigheid van waarnemers in de bodemvisserij
De lidstaten zorgen ervoor dat op 100 % van de onder hun vlag varende trawlers die bodemvisserij bedrijven en op ten minste 10 procent van de vissersvaartuigen die ander bodemvistuig inzetten, waarnemers aanwezig zijn.
Artikel 14
Rapportering van gegevens inzake bodemvisserij
1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15e van elke maand de maandelijkse vangsten van bodemvisserijsoorten in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.
2.Binnen 15 dagen na het einde van elke maand verstrekken de lidstaten aan de Commissie een lijst van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die actief vissen en van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die bij overlading betrokken zijn. De Commissie zendt die informatie binnen 5 dagen na de ontvangst ervan door aan het SPRFMO-secretariaat.
3.Binnen 5 dagen na het einde van elk kwartaal verstrekken de lidstaten alle VMS-data voor het vorige kwartaal aan de Commissie. De Commissie zendt die informatie binnen 10 dagen na het einde van elk kwartaal door aan het SPRFMO-secretariaat.
4.De lidstaten verbieden de onder hun vlag varende vissersvaartuigen deel te nemen aan bodemvisserij indien het vereiste minimum aan gegevens inzake vissersvaartuigidentificatie zoals beschreven in bijlage V niet is verstrekt.
Hoofdstuk II
Experimentele visserij
Artikel 15
Aanvraag voor experimentele visserij
1.Lidstaten die een onder hun vlag varend vissersvaartuig willen toestaan om in een experimentele visserij te vissen, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO bij de Commissie het volgende in:
a) een aanvraag met de in bijlage V beschreven informatie;
b) een visserijoperatieplan overeenkomstig bijlage VI, met inbegrip van een toezegging om het gegevensverzamelingsplan van artikel 16, leden 3, 4 en 5, in acht te nemen.
2. Uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO zendt de Commissie de aanvraag door aan de SPRFMO-commissie en het visserijoperatieplan aan het wetenschappelijk comité van de SPRFMO.
3. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging om in een experimentele visserij te vissen.
Artikel 16
Machtiging tot experimentele visserij
1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe in een experimentele visserij te vissen zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO.
2. De lidstaten waarborgen dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig uitsluitend in een experimentele visserij vist overeenkomstig het door de SPRFMO goedgekeurde visserijoperatieplan.
3. De lidstaten waarborgen dat de volgens het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan vereiste gegevens aan de Commissie worden verstrekt voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.
4. Het wordt de vissersvaartuigen van de lidstaten die gemachtigd zijn om aan experimentele visserij deel te nemen, verboden in de betrokken experimentele visserij te blijven vissen tenzij de in het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan omschreven gegevens bij het SPRFMO-secretariaat zijn ingediend voor het meest recente seizoen waarin de visserij plaatsvond en het wetenschappelijk comité de gelegenheid heeft gehad die gegevens te beoordelen.
5. De lidstaten waarvan vissersvaartuigen deelnemen aan experimentele visserij, waarborgen dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig een of meer, maar in elk geval voldoende onafhankelijke waarnemers aan boord heeft om gegevens te verzamelen overeenkomstig het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan.
Artikel 17
Vervanging van vissersvaartuigen in een experimentele visserij
1. Onverminderd de artikelen 15 en 16 mogen de lidstaten een onder hun vlag varend vaartuig dat niet in het visserijoperatieplan is geïdentificeerd, toestaan in een experimentele visserij te vissen indien een in het visserijoperatieplan geïdentificeerd vissersvaartuig van de Unie door geldige operationele redenen of overmacht niet kan vissen. De betrokken lidstaat brengt in dat geval de Commissie onverwijld op de hoogte, met opgave van:
a)de volledige gegevens van het beoogde vervangvaartuig;
b)een uitgebreide uiteenzetting van de redenen voor de vervanging en eventuele bewijsstukken;
c)specificaties en een volledige beschrijving van de soorten vistuig die door het vervangvaartuig zullen worden gebruikt.
2. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.
Titel IV
Gemeenschappelijke controlemaatregelen
Hoofdstuk I
Machtigingen
Artikel 18
Vaartuigenregister
1. Uiterlijk op 15 november van elk jaar dienen de lidstaten, voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat, bij de Commissie een lijst in van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die voor het volgende jaar gemachtigd zijn om te vissen in het SPRFMO-verdragsgebied, met vermelding van de in bijlage V bedoelde informatie. De lidstaten houden rekening met de nalevingsvoorgeschiedenis van de vissersvaartuigen en exploitanten wanneer zij zich beraden over de afgifte van vismachtigingen voor het SPRFMO-verdragsgebied.
2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om te vissen in het verdragsgebied, en wel uiterlijk 20 dagen vóór de eerste binnenkomst van een dergelijk vaartuig in het SPRFMO-verdragsgebied. De Commissie zendt die informatie uiterlijk 15 dagen vóór de eerste binnenkomst in het SPRFMO-verdragsgebied door aan het SPRFMO-secretariaat.
3.De lidstaten waarborgen dat de gegevens van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen, up-to-date zijn. Uiterlijk 10 dagen na een wijziging wordt deze gemeld aan de Commissie. De Commissie stelt binnen 5 dagen na de ontvangst van de melding het SPRFMO-secretariaat in kennis.
4. In het geval van intrekking, verzaking of om het even welke omstandigheden waardoor een machtiging ongeldig wordt, stellen de lidstaten de Commissie daarvan onverwijld in kennis zodat zij die informatie binnen een periode van 3 dagen na de datum van de ongeldigheid van de machtiging aan het SPRFMO-secretariaat kan verstrekken.
5. Onverminderd artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen vissersvaartuigen van de Unie die niet in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen, geen visserijactiviteiten verrichten met betrekking tot in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste soorten.
Hoofdstuk II
Overlading
Artikel 19
Algemene bepalingen inzake overlading
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overladingen:
a) overladingen binnen het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.
b)overladingen buiten het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.
2. Overladingen op zee en in de haven vinden enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.
3. Overbrenging op zee van brandstof, bemanning, vistuig of andere benodigdheden in het SPRFMO-verdragsgebied vindt enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.
4.
Dit artikel laat de artikelen 21 en 22 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 4, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1005/2008 onverlet.
5.
Overladingen op zee van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen, zijn verboden in de wateren van de Unie.
Artikel 20
Melding van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten
1. Ongeacht waar de overlading plaatsvindt, wordt bij elke overlading van Chileense horsmakrelen en demersale soorten die in het SPRFMO-verdragsgebied door onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen zijn gevangen, door de autoriteiten van die lidstaat gelijktijdig aan de Commissie en aan het SPRFMO-secretariaat de volgende informatie gemeld:
a) een melding van het voornemen om over te laden, met opgave van een periode van 14 dagen waarin de overlading van in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen Chileense horsmakreel en demersale soorten is gepland; deze melding wordt 7 dagen vóór de eerste dag van de periode van 14 dagen ontvangen;
b) een melding van de daadwerkelijke overlading, die ten minste 12 uur vóór het geraamde tijdstip van die activiteiten wordt ontvangen.
De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie toestaan deze informatie rechtstreeks aan het SPRFMO-secretariaat te verstrekken, op voorwaarde dat zij gelijktijdig aan de Commissie wordt doorgezonden.
2. De in lid 1 bedoelde meldingen omvatten de relevante beschikbare informatie inzake de overlading, met inbegrip van de verwachte datum en het verwachte tijdstip, de verwachte locatie, de visserij, en informatie over de betrokken vissersvaartuigen van de Unie, overeenkomstig bijlage VII.
Artikel 21
Monitoring van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten
1. Indien er een waarnemer aan boord is van het lossende of ontvangende vissersvaartuig van de Unie, monitort hij de overladingsactiviteiten. De waarnemer vult het SPRFMO-overladingslogblad in overeenkomstig bijlage VIII om de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, te verifiëren en hij verstrekt een kopie van het logblad aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het betrokken vaartuig de vlag voert.
2. De lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert, dient de waarnemersgegevens van het overladingslogblad binnen tien dagen nadat de waarnemer van boord gaat, bij de Commissie in. De Commissie zendt deze gegevens binnen 15 dagen na de datum van ontscheping door aan het SPRFMO-secretariaat.
3. Met het oog op de verificatie van de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, en om te waarborgen dat er behoorlijke verificatie kan plaatsvinden, heeft de waarnemer aan boord volledige toegang tot het betrokken vissersvaartuig van de Unie, met inbegrip van bemanning, vistuig, uitrusting, registers en visruimen.
Artikel 22
Na de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten te melden informatie
1. De bij de overlading betrokken lidstaten stellen het SPRFMO-secretariaat en de Commissie uiterlijk 7 dagen nadat de overlading is verricht, overeenkomstig bijlage IX gelijktijdig in kennis van de operationele gegevens.
2. De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig toestaan de in lid 1 bedoelde informatie rechtstreeks langs elektronische weg aan het SPRFMO-secretariaat te verstrekken, op voorwaarde dat zij gelijktijdig aan de Commissie wordt doorgezonden. Elk door de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie ontvangen verzoek om verduidelijking van het SPRFMO-secretariaat wordt doorgezonden aan de Commissie.
Hoofdstuk III
Verzameling en rapportering van gegevens
Artikel 23
Verzameling en rapportering van gegevens
1. In aanvulling op de in de artikelen 6, 9, 12, 14, 16, 21 en 22 vastgestelde vereisten inzake de rapportering van gegevens verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten aan de Commissie de in de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel vastgestelde gegevens.
2.Elk jaar rapporteren de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 september aan de Commissie het levend gewicht voor alle soorten/soortengroepen die in het vorige kalenderjaar zijn gevangen. De Commissie zendt die informatie vóór 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.
3.Elk jaar rapporteren de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 juni aan de Commissie de gegevens inzake trawlvisserijactiviteiten per trek, de gegevens inzake de visserij met de grondbeug per uitzet, en de gegevens inzake aanlandingen, inclusief voor koelschepen, en overladingen. De Commissie zendt die informatie vóór 30 juni door aan het SPRFMO-secretariaat.
4. De Commissie kan, middels uitvoeringshandelingen, gedetailleerde vereisten voor de in dit artikel bedoelde gegevensrapportering vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 35 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Hoofdstuk IV
Bewaking
Artikel 24
Waarnemersprogramma's
1.De lidstaten die in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, stellen waarnemersprogramma's vast om de in bijlage X vastgestelde gegevens te verzamelen.
2. Elk jaar verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 september aan de Commissie de toepasselijke, in bijlage X vastgestelde waarnemersgegevens over het vorige kalenderjaar. De Commissie zendt die informatie vóór 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.
3. Elk jaar verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 augustus een jaarlijks verslag inzake de uitvoering van het waarnemersprogramma in het vorige jaar. Het verslag omvat de opleiding van de waarnemers, het ontwerp en de dekking van het programma, het soort verzamelde gegevens, en eventuele problemen die zich tijdens het jaar hebben voorgedaan. De Commissie zendt die informatie vóór 1 september door aan het SPRFMO-secretariaat.
Hoofdstuk V
Controle van vissersvaartuigen van derde landen in havens van lidstaten
Artikel 25
Contactpunten en aangewezen havens
1. Een lidstaat die toegang tot zijn havens wil verlenen aan vissersvaartuigen van derde landen met aan boord SPRFMO-visserijproducten die in het SPRFMO-verdragsgebied zijn gevangen of van dergelijke bestanden afkomstige visserijproducten die niet eerder zijn aangeland of overgeladen in een haven of op zee:
a) wijst de havens aan waartoe vissersvaartuigen van derde landen overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad toegang mogen vragen;
b) wijst een contactpunt aan voor de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad;
c)wijst een contactpunt aan voor het doorzenden van de inspectieverslagen uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad.
2. De lidstaten zenden wijzigingen van de lijst van aangewezen havens en aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat zulke wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie stelt het SPRFMO-secretariaat ten minste 30 dagen voordat de wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.
Artikel 26
Voorafgaande kennisgeving
1. In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 verplichten havenlidstaten vissersvaartuigen van derde landen die in hun havens SPRFMO-visbestanden willen aanlanden of overladen die niet eerder zijn aangeland of overgeladen, om uiterlijk 48 uur vóór het vermoedelijke tijdstip van aankomst in de haven de volgende informatie te verstrekken overeenkomstig bijlage XI:
a) vaartuigidentificatie (externe identificatie, naam, vlag, nummer van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO-nummer), indien van toepassing, en internationale radioroepnaam (IRCS));
b) naam van de aangewezen haven waar het vissersvaartuig wil binnenvaren en het doel van de havenaanloop (aanlanding of overlading);
c) een kopie van de vismachtiging of, in voorkomend geval, elke andere door het vissersvaartuig gehouden machtiging om verrichtingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten te ondersteunen of om visserijproducten over te laden.
d) geschatte datum en geschat tijdstip van aankomst in de haven;
e) de geraamde hoeveelheden in kilogram van elk SPRFMO-visserijproduct aan boord, met de bijbehorende vangstgebieden. Indien er geen SPRFMO-visserijproducten aan boord zijn, wordt een "nulbericht" verzonden;
f) de geraamde hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram, voor elk SPRFMO-visserijproduct dat moet worden aangeland of overgeladen, met de bijbehorende vangstgebieden;
g) de bemanningslijst van het vissersvaartuig;
h) de datums van de visreis.
2. Als het vissersvaartuig van een derde land visserijproducten aan boord heeft, gaat de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld van een vangstcertificaat dat is gevalideerd overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1005/2008.
3. Havenlidstaten mogen ook om aanvullende informatie verzoeken om te bepalen of het vissersvaartuig zich met IOO-visserij of gerelateerde activiteiten heeft ingelaten.
4. Havenlidstaten mogen een langere of kortere kennisgevingstermijn voorschrijven dan die welk in lid 1 is vastgesteld, rekening houdend met onder meer het soort visserijproduct en de afstand tussen de visgronden en hun havens. In een dergelijk geval informeren de havenlidstaten de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt.
Artikel 27
Machtiging om aan te landen of over te laden in havens
Na ontvangst van de relevante informatie overeenkomstig artikel 26 besluit een havenlidstaat om het vissersvaartuig van een derde land toegang tot zijn haven te verlenen of te ontzeggen. Indien een vissersvaartuig van een derde land de toegang wordt ontzegd, informeert de havenlidstaat de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt. Havenlidstaten ontzeggen de in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuigen de toegang.
Artikel 27 bis
Haveninspecties
1. Havenlidstaten inspecteren ten minste 5 % van de aanlandingen en overladingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten die door vissersvaartuigen van derde landen in hun aangewezen havens worden verricht.
2. Onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 inspecteren de havenlidstaten de vissersvaartuigen van derde landen wanneer:
a) er een verzoek van een andere verdragsluitende partij, een CNCP of een betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer is om een bepaald vissersvaartuig te inspecteren, met name wanneer zulke verzoeken worden ondersteund door bewijs van IOO-visserij door het vissersvaartuig in kwestie en er duidelijke gronden zijn om een vissersvaartuig ervan te verdenken zich met IOO-visserij te hebben ingelaten;
b) een vissersvaartuig geen volledige informatie zoals vereist in artikel 26 heeft verstrekt;
c) het vissersvaartuig de toegang tot of het gebruik van een haven is ontzegd overeenkomstig bepalingen van de SPRFMO of van een andere ROVB.
Artikel 28
Inspectieprocedure
1.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing bovenop de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 vastgestelde regels inzake de inspectieprocedure.
2. De inspecteurs van de lidstaten hebben een geldig identiteitsdocument bij zich. Zij mogen een kopie nemen van alle documenten die zij relevant achten.
3. Inspecties worden op zodanige wijze verricht dat het vissersvaartuig van een derde land zo min mogelijk wordt opgehouden, de werkzaamheden ervan zo min mogelijk worden verstoord en kwaliteitsverlies van de vis voor zover mogelijk wordt voorkomen.
4. Wanneer de inspectie is voltooid, krijgt de kapitein van het geïnspecteerde buitenlandse vissersvaartuig de gelegenheid om met de bevoegde autoriteit van de betrokken havenlidstaat contact op te nemen met betrekking tot het inspectieverslag. Het model voor het inspectieverslag is opgenomen in bijlage XII.
5. Binnen 12 werkdagen na de datum van de voltooiing van de inspectie zenden de havenlidstaten de Commissie een kopie toe van het in artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde inspectieverslag, dat is ingevuld overeenkomstig bijlage XII. De Commissie zendt het verslag binnen 15 werkdagen na de datum van voltooiing van de inspectie door aan het ICCAT-secretariaat.
6. Indien het inspectieverslag niet binnen 15 werkdagen aan de Commissie kan worden toegezonden voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat, deelt de havenlidstaat de Commissie binnen de termijn van 15 werkdagen mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag wél zal worden ingediend.
Artikel 29
Procedure in geval van bij haveninspecties aangetoonde inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO
1. Indien de tijdens de inspectie verzamelde informatie aantoont dat een vissersvaartuig van een derde land een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, gelden de bepalingen van dit artikel bovenop artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1005/2008.
2.De bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat zenden zo snel mogelijk en in elk geval binnen vijf werkdagen een kopie van het inspectieverslag aan de Commissie toe. De Commissie zendt dat verslag onverwijld door aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO en aan het contactpunt van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert.
3. De havenlidstaten melden de in het geval van inbreuken genomen maatregelen onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert, en aan de Commissie, die deze informatie doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO.
Hoofdstuk VI
Handhaving
Artikel 30
Door de lidstaten gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO
De lidstaten dienen ten minste 120 dagen vóór de jaarvergadering bij de Commissie alle gedocumenteerde informatie in die wijst op mogelijke gevallen van niet-naleving door vissersvaartuigen van instandhoudings- en beheersmaatregelen in het SPRFMO-verdragsgebied in de voorbije twee jaar. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze in passende gevallen ten minste 90 dagen vóór de SPRFMO-jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 30 bis
Opneming van een onder de vlag van een lidstaat varend vissersvaartuig in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen
1.
Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat een officiële kennisgeving ontvangt dat een onder de vlag van een lidstaat varend vissersvaartuig op de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen wordt opgenomen, zendt zij die kennisgeving, met inbegrip van de bewijsstukken en alle andere door het SPRFMO-secretariaat verstrekte gedocumenteerde informatie, uiterlijk 45 dagen vóór de jaarvergadering van de SPRFMO-commissie voor opmerkingen aan de lidstaten door. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.
2.
De autoriteiten van de lidstaat die door de Commissie in kennis is gesteld van de opneming van een onder zijn vlag varend vissersvaartuig in de ontwerplijst van IOO-vaartuigen, stellen de eigenaar van het vaartuig in kennis van de opneming ervan in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen en van de gevolgen die de bekrachtiging van de opneming daarvan in de door de SPRFMO aangenomen lijst van IOO-vaartuigen kan hebben.
Artikel 31
Maatregelen ten aanzien van in de IOO-lijst van de SPRFMO opgenomen vissersvaartuigen
1. Bij de aanneming van de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen verzoekt de Commissie de vlaggenlidstaat de eigenaar van het in de IOO-lijst van vaartuigen geïdentificeerde vissersvaartuig in kennis te stellen van de opneming daarvan in de lijst en van de gevolgen van opneming in de lijst.
2. Een lidstaat die beschikt over informatie die erop wijst dat een in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuig van naam of van internationale radioroepnaam (IRCS) is veranderd, zendt die informatie zo snel mogelijk aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.
Artikel 32
Door het SPRFMO-secretariaat gerapporteerde vermeende gevallen van niet-naleving
1.Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat informatie ontvangt die wijst op vermoedelijke niet-naleving van het SPRFMO-verdrag en/of van de instandhoudings- en beheersmaatregelen door een lidstaat, zendt zij die informatie onverwijld aan de betrokken lidstaat toe.
2.De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 45 dagen vóór de jaarvergadering in kennis van de bevindingen van de in het kader van de vermeende niet-naleving ingestelde onderzoeken en van eventuele maatregelen die zijn genomen om nalevingskwesties aan te pakken. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan de SPRFMO-secretaris.
Artikel 32 bis
Door een verdragsluitende partij of CNCP gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO
1.De lidstaten wijzen een contactpunt aan voor de ontvangst van haveninspectieverslagen van verdragsluitende partijen en CNCP's.
2.De lidstaten zenden wijzigingen van de aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie stelt het SPRFMO-secretariaat ten minste 30 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.
3. Indien het door een lidstaat aangewezen contactpunt een inspectieverslag ontvangt van een verdragsluitende partij of CNCP dat erop wijst dat een onder de vlag van de lidstaat varend vissersvaartuig een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, onderzoekt de vlaggenlidstaat onverwijld de vermeende inbreuk en stelt hij de Commissie binnen drie maanden na de ontvangst van de kennisgeving in kennis van de stand van het onderzoek en van eventuele handhavingsmaatregelen die zijn getroffen teneinde de Commissie in staat te stellen het SPRFMO-secretariaat op de hoogte te brengen. Indien de lidstaat de Commissie niet binnen drie maanden na de ontvangst van het inspectieverslag een verslag over de stand van het onderzoek kan verstrekken, deelt hij de Commissie binnen de termijn van drie maanden mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag over de stand van het onderzoek wél zal worden ingediend. De Commissie zendt de informatie betreffende de stand of de vertraging van het onderzoek door aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO.
Artikel 32 ter
Zegels van de satellietvolgapparatuur
1. Naast de in de artikelen 18 en 19 van Verordening (EU) nr. 404/2011 vastgestelde vereisten geldt dat elke lidstaat moet waarborgen dat satellietvolgapparatuur aan boord van onder zijn vlag varende vissersvaartuigen die niet door de fabrikant is verzegeld, is beveiligd met officiële en individueel identificeerbare zegels die door die lidstaat worden afgegeven. Zegels worden aangebracht op elke brug- of antennecomponent die alleen, of samen met een andere component, gegevens verstuurt.
2. De lidstaten houden een register bij van alle zegels die zijn afgegeven aan vissersvaartuigen die hun vlag voeren. Het register bevat het unieke referentienummer van elk zegel en gegevens over eventuele vervangzegels, met name de datum waarop het vervangzegel is afgegeven en geïnstalleerd, en de omstandigheden van de vervanging.
3. Uiterlijk op 1 januari 2019 hebben onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen enkel satellietvolgapparatuur aan boord die verzegeld is door de fabrikant.
Artikel 32 quater
Defecte satellietvolgapparatuur
1. In geval van defecte satellietvolgapparatuur rapporteren de vissersvaartuigen van de Unie elke vier uur de volgende gegevens via adequate telecommunicatiemiddelen aan het visserijcontrolecentrum van de lidstaat waarvan zij de vlag voeren:
a) IMO-nummer;
b) Internationale radioroepnaam;
c) Naam van het vaartuig;
d) Naam van de kapitein;
e) Positie, datum en tijdstip (UTC);
f) Activiteit (vissen/doorvaart/overladen).
2. De lidstaten waarborgen dat in geval van een defect van de satellietvolgapparatuur, onder hun vlag varende vissersvaartuigen ophouden met vissen, al het vistuig opbergen, en onverwijld havenen om hun satellietvolgapparatuur te herstellen binnen 60 dagen na aanvang van het effect.
3. De leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing bovenop de in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 404/2011 vastgestelde vereisten.
Titel V
Slotbepalingen
Artikel 33
Vertrouwelijkheid
In het kader van deze verordening verzamelde en uitgewisselde gegevens worden behandeld overeenkomstig de in de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde regels inzake vertrouwelijkheid.
Artikel 34
Procedure in geval van wijzigingen
Met het oog op de opneming van wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO in Unierecht wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:
a) de bijlagen bij deze verordening;
b) de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 9, artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 14, leden 1, 2 en 3, artikel 15, leden 1 en 2, artikel 18, leden 1, 2, 3 en 4, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 1, artikel 23, leden 2 en 3, artikel 24, leden 2 en 3, artikel 25, lid 2, artikel 26, lid 1, artikel 28, leden 5 en 6, artikel 29, leden 2 en 3, artikel 30, artikel 30 bis, lid 1, artikel 32, lid 2, artikel 32 bis, leden 2 en 3, artikel 32 ter, lid 3, en artikel 32 quater, leden 1 en 2.
c) de in de artikelen 5 en 13 vastgestelde aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers;
d) de in artikel 10, lid 2, bedoelde referentieperiode voor het bepalen van de voetafdruk van de bodemvisserij.
e) de inspectiedekking als bedoeld in artikel 27 bis, lid 1.
f) de in artikel 6, leden 2 en 3, artikel 9, artikel 10, leden 2 en 3, artikel 11, leden 2 en 3, artikel 12, lid 1, artikel 14, leden 1, 2 en 3, artikel 15, lid 1, artikel 16, leden 2 en 3, artikel 17, lid 1, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 2, artikel 23, leden 2 en 3, artikel 24, lid 3, artikel 26, lid 1, en artikel 32 quater, lid 1, vastgestelde soort informatie en gegevens.
Artikel 35
Uitoefening van de delegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 34 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 34 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3 bis.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
4.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
5.Een overeenkomstig artikel 34 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 36
Toepassing
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 37
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter