Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017PC0128

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)

COM/2017/0128 final - 2017/056 (COD)

Brussel, 29.3.2017

COM(2017) 128 final

2017/0056(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)


TOELICHTING

1.    ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

   Motivering en doel van het voorstel

Het voorstel beoogt de omzetting in EU-recht van de instandhoudings-, controle- en handhavingsmaatregelen die zijn vastgesteld door de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), waarbij de Europese Unie als verdragsluitende partij is aangesloten. De SPRFMO is de regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB) die verantwoordelijk is voor het beheer van de visbestanden in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan en de aangrenzende zeeën, met uitzondering van tonijn en tonijnachtigen. De SPRFMO heeft sinds haar eerste vergadering in 2013 elk jaar nieuwe instandhoudings-, controle- en handhavingsmaatregelen vastgesteld. De meest recente in EU-recht om te zetten maatregelen die in dit voorstel zijn opgenomen, zijn in januari 2017 door de SPRFMO vastgesteld.

De SPRFMO heeft de bevoegdheid om voor de instandhouding en het beheer van de onder haar bevoegdheid vallende visserijen bindende besluiten vast te stellen, instandhoudings- en beheersmaatregelen (conservation and management measures – "CMM's") genoemd. Deze handelingen zijn in de eerste plaats gericht tot de verdragsluitende partijen bij de SPRFMO, maar bevatten tevens verplichtingen voor exploitanten (zoals de kapiteins van vissersvaartuigen). De CMM's van de SPRFMO treden negentig dagen na de kennisgeving ervan in werking, zijn bindend voor de verdragsluitende partijen en moeten in het geval van de EU worden omgezet in Europees recht, voor zover de EU-wetgeving er niet reeds in voorziet.

   Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Er zijn tot dusverre nog geen instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO omgezet. De belangrijkste beleidsbepalingen ter zake zijn Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, en Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid.

In artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de vaststelling van maatregelen voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden een bevoegdheid van de Raad is; daarom vallen de door de SPRFMO voor de EU vastgestelde vangstmogelijkheden niet onder dit voorstel.

   Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Niet van toepassing.

2.    RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

   Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 43, lid 2, VWEU aangezien het bepalingen bevat die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid na te streven.

   Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het subsidiariteitsbeginsel is in deze context niet van toepassing, aangezien het voorstel betrekking heeft op de duurzame exploitatie, het beheer en de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van de externe component van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

   Evenredigheid

Met de overwogen optie worden de SPRFMO-verplichtingen in de EU geïmplementeerd zonder dat verder wordt gegaan dan nodig is om het gestelde doel te bereiken.

   Keuze van het instrument

Omdat een verordening rechtstreeks toepasselijk en verbindend voor de lidstaten is, draagt de onderhavige verordening bij tot een uniforme toepassing van de voorgestelde regels in de gehele Unie, zodat een gelijk speelveld ontstaat voor alle exploitanten van de EU die visserijactiviteiten verrichten in het SPRFMO-verdragsgebied.

3.    RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

   Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

Niet van toepassing.

   Raadpleging van belanghebbenden

Met dit voorstel worden reeds bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO, die bindend zijn voor de verdragsluitende partijen, omgezet. Tijdens de voorbereiding van de SPRFMO-vergaderingen waar deze instandhoudings- en beheersmaatregelen worden vastgesteld, alsook gedurende de onderhandelingen daarover in de SPRFMO-jaarvergadering, worden zowel deskundigen van de lidstaten als belanghebbenden geraadpleegd. Daarom werd een raadpleging van de belanghebbenden voor deze omzettingsverordening niet nodig geacht.

   Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Niet van toepassing.

   Effectbeoordeling

Aangezien er geen nieuwe beleidsaspecten worden geformuleerd, is een effectbeoordeling niet relevant voor het onderhavige wetgevingsinitiatief. Dit initiatief betreft geldende internationale verplichtingen die al bindend zijn voor de EU en ten aanzien waarvan geen effectbeoordeling vereist is.

   Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

   Grondrechten

Niet van toepassing.

4.    GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.    OVERIGE ELEMENTEN

   Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportering

Niet van toepassing.

   Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

   Artikelsgewijze toelichting

Titel I bevat algemene bepalingen, zoals onderwerp, toepassingsgebied en definities. Het belangrijkst in dit verband is dat deze verordening van toepassing is op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in het SPRFMO-verdragsgebied en, in het geval van overladingen van in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen soorten, buiten het SPRFMO-verdragsgebied. Zij is ook van toepassing op vissersvaartuigen van derde landen die EU-havens aandoen en visserijproducten aan boord hebben die in het verdragsgebied zijn geoogst.

Titel II heeft betrekking op beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde soorten. Hoofdstuk I bevat SPRFMO-beheersmaatregelen voor Chileense horsmakreel. Hoofdstuk II bevat maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.

Titel III bevat bepalingen betreffende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde visserijmethoden. Hoofdstuk I heeft betrekking op bodemvisserij. Hoofdstuk II betreft experimentele visserij.

Titel IV bevat gemeenschappelijke controlemaatregelen. In hoofdstuk I worden machtigingen voor vissersvaartuigen en het vaartuigenregister van de SPRFMO behandeld. In hoofdstuk II worden bepalingen vastgesteld betreffende overlading, met inbegrip van algemene bepalingen, voorafgaande kennisgeving, overladingstoezicht en kennisgeving na overlading. Hoofdstuk III betreft de verzameling en rapportering van gegevens. Hoofdstuk IV bevat bepalingen inzake bewaking en waarnemersprogramma's. Hoofdstuk V heeft betrekking op de inspectie in EU-havens van vissersvaartuigen van derde landen die in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten aan boord hebben, met name de vaststelling van contactpunten en aangewezen havens, de procedure voor voorafgaande kennisgeving, de criteria voor inspecties en de inspectieprocedure. Het bevat tevens bepalingen betreffende de toepasselijke procedure in geval van kennelijke inbreuken tijdens haveninspecties. Hoofdstuk VI bevat regels inzake handhaving en naleving, met name de circulatie van informatie over illegale, ongereglementeerde en ongemelde (IOO) visserijactiviteiten, de implementatie van maatregelen ten aanzien van vissersvaartuigen die in de IOO-lijst van de SPRFMO zijn opgenomen en de behandeling van nalevingskwesties.

Titel V bevat slotbepalingen, zoals bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van elektronische verslagen en berichten, de procedure voor wijzigingen, de uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie, de uitvoering en de inwerktreding.

2017/0056 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 1 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 2 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 3 , is te garanderen dat de exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee bijdraagt tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn.

(2)De Unie heeft bij Besluit 98/392/EG van de Raad 4 het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee goedgekeurd, dat bepaalde principes en regels voor de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de zee bevat. De Europese Unie neemt in het kader van haar ruimere internationale verplichtingen deel aan de inspanningen die in internationale wateren worden geleverd om de visbestanden in stand te houden.

(3)Overeenkomstig Besluit 2012/130/EU van de Raad 5 is de Unie sinds 26 juli 2010 verdragsluitende partij bij het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (hierna "het SPRFMO-verdrag"), waarbij de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) is opgericht.

(4)Binnen de SPRFMO is de Commissie van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan bevoegd voor het vaststellen van maatregelen om de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van visbestanden te waarborgen door de voorzorgsbenadering en een ecosysteembenadering van visserijbeheer toe te passen en aldus de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen, te vrijwaren. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(5)Gewaarborgd moet worden dat de door de SPRFMO vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen volledig in het recht van de Unie worden omgezet en aldus op uniforme en doeltreffende wijze in de Unie worden toegepast.

(6)De SPRFMO heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de onder haar bevoegdheid vallende visserijen vast te stellen, die bindend zijn voor de verdragsluitende partijen. Deze handelingen zijn in de eerste plaats gericht tot de verdragsluitende partijen bij de SPRFMO, en voorzien in verplichtingen voor exploitanten zoals kapiteins van vissersvaartuigen.

(7)Deze verordening mag geen betrekking hebben op de door de SPRFMO vastgestelde vangstmogelijkheden, aangezien deze vangstmogelijkheden worden toegewezen in het kader van de jaarlijks krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag vastgestelde verordening inzake vangstmogelijkheden.

(8)Om de toekomstige bindende wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO snel in Unierecht op te nemen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen en de ter zake relevante artikelen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(9)Ter waarborging van de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid is Uniewetgeving vastgesteld om een systeem voor controle, inspectie en handhaving op te zetten, dat onder meer illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) activiteiten bestrijdt.

(10)In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld, die een alomvattende en geïntegreerde aanpak biedt en aldus naleving van alle regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid waarborgt. Ook zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad is een communautair systeem opgezet om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Met die verordeningen is reeds een aantal bepalingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO geïmplementeerd. Die bepalingen hoeven derhalve niet in de onderhavige verordening te worden opgenomen.

(11)Bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is een aanlandingsverplichting ingevoerd die met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is op visserij op kleine en grote pelagische soorten, visserij voor industriële doeleinden en visserij op zalm in de Oostzee. Overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening doet deze aanlandingsverplichting echter geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de Unie, zoals die welke voortvloeien uit de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Titel I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden beheers-, instandhoudings- en controlebepalingen inzake de visserij op grensoverschrijdende soorten in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) vastgesteld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

(a) vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in het in artikel 5 van het SPRFMO-verdrag vastgestelde verdragsgebied;

(b)vissersvaartuigen van de Unie die in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen visserijproducten overladen;

c) vissersvaartuigen van derde landen wanneer zij toegang vragen tot havens van de Unie of het voorwerp uitmaken van een inspectie in havens van de Unie en in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten aan boord hebben.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)"SPRFMO-verdragsgebied": het geografische gebied op volle zee ten zuiden van 10° NB, ten noorden van het CCAMLR-verdragsgebied zoals omschreven in het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren, ten oosten van het SIOFA-verdragsgebied zoals omschreven in de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en ten westen van de gebieden die onder de visserij-jurisdictie van de Zuid-Amerikaanse staten vallen;

(2)"vissersvaartuig": elk vaartuig, ongeacht de omvang, dat wordt ingezet of is bedoeld om te worden ingezet voor de commerciële exploitatie van visbestanden, met inbegrip van ondersteuningsvaartuigen, vaartuigen voor visverwerking, vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen en transportvaartuigen die zijn uitgerust voor het vervoer van visserijproducten, met uitzondering van containerschepen;

(3)"SPRFMO-visbestanden": alle biologische rijkdommen binnen het SPRFMO-verdragsgebied, met uitzondering van:

a) sedentaire soorten voor zover zij overeenkomstig artikel 77, lid 4, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (hierna "het verdrag van 1982" genoemd) onder de nationale jurisdictie van de kuststaten vallen;

b) de over grote afstanden trekkende soorten die zijn genoemd in bijlage I bij het verdrag van 1982;

c) anadrome en katadrome soorten;

d) zeezoogdieren, zeereptielen en zeevogels;

(4)"visserijproducten": in het kader van een visserijactiviteit in het SPRFMO-verdragsgebied verkregen aquatische organismen, of daarvan afgeleide producten;

(5)"visserijactiviteit": het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen en het aanlanden van vis en visserijproducten;

(6)"bodemvisserij": de visserij door een vissersvaartuig dat vistuig gebruikt dat bij de normale activiteiten waarschijnlijk met de zeebodem of met bentische organismen in aanraking komt;

(7)"voetafdruk van de bodemvisserij": het geografische gebied dat de bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied gedurende een bepaalde periode heeft bestreken;

(8)"SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen": de initiële lijst van vissersvaartuigen die ervan worden verdacht illegale, ongemelde of ongereguleerde (IOO) visserijactiviteiten te hebben bedreven, zoals opgesteld door het SPRFMO-secretariaat en ter overweging ingediend bij het nalevings- en technisch comité van de SPRFMO;

(9)"experimentele visserij": visserij waarbij de voorbije tien jaar geen visvangst of geen visvangst met een specifiek vistuigtype of een specifieke techniek heeft plaatsgevonden;

(10)"gevestigde visserij": visserij die de voorbije tien jaar niet is gesloten en waarbij in die periode visvangst of visvangst met een specifiek vistuigtype of een specifieke techniek heeft plaatsgevonden;

(11)"IOO-visserijactiviteiten": illegale, ongemelde of ongereguleerde visserijactiviteiten in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1005/2008;

(12)"met de SPRFMO samenwerkende niet-verdragsluitende partij": een staat of visserij-entiteit die geen partij is bij het SPRFMO-verdrag maar die ermee heeft ingestemd onverkort mee te werken aan de uitvoering van de door de SPRFMO vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen;

(13)"vaartuigenregister van de SPRFMO": de lijst van vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen; deze lijst wordt door het SPRFMO-secretariaat bijgehouden op basis van kennisgevingen door de bij de SPRFMO aangesloten verdragsluitende partijen en de met de SPRFMO samenwerkende niet-verdragsluitende partijen (CNCP's);

(14)"overlading": het lossen van alle visserijproducten aan boord van een vissersvaartuig of een gedeelte daarvan in een ander vissersvaartuig;

(15)"andere probleemsoorten": in bijlage XIII opgenomen soorten;

(16)"kwetsbaar marien ecosysteem": een marien ecosysteem waarvan de integriteit, volgens de beste beschikbare wetenschappelijke informatie en het voorzorgsbeginsel, wordt bedreigd door significante nadelige effecten als gevolg van fysiek contact met bodemvistuig tijdens de normale visserijactiviteiten, zoals riffen, onderzeese bergen, warmwaterkraters, koudwaterkoralen en koudwatersponsriffen.

Titel II

Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde soorten

Hoofdstuk I

Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi) 

Artikel 4

Beheer van de vangst van Chileense horsmakreel

1.    Overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1006/2008 sluit een lidstaat de visserij op Chileense horsmakreel voor onder zijn vlag varende vissersvaartuigen wanneer hun totale vangst gelijk is aan 100 procent van hun vangstbeperking.

2.    De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de datum van de sluiting. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 5

Aanwezigheid van waarnemers in de visserij op Chileense horsmakreel

De lidstaten zorgen ervoor dat bij minstens 10 procent van de reizen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen waarnemers aan boord zijn. Voor vissersvaartuigen die in totaal niet meer dan twee reizen ondernemen, wordt de aanwezigheid van waarnemers van 10 procent berekend op basis van het aantal actieve visdagen voor trawlers en op basis van het aantal trekken voor ringzegenvaartuigen.

Artikel 6

Rapportering van gegevens voor Chileense horsmakreel

1.    De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15e van elke maand de vangsten van Chileense horsmakreel in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.    In aanvulling op lid 1 delen de lidstaten aan de Commissie de volgende gegevens met betrekking tot de visserij op Chileense horsmakreel mee:

a) uiterlijk op de 5e van elke maand, de lijst van hun vissersvaartuigen die de voorbije maand bij overlading betrokken waren. De Commissie zendt die informatie binnen 20 dagen na het einde van die maand door aan het SPRFMO-secretariaat;

b) binnen 5 dagen na het einde van elk kwartaal, de VMS-gegevens van de vissersvaartuigen die het voorbije kwartaal actief hebben gevist of bij overlading betrokken waren. De Commissie zendt die informatie binnen 10 dagen na het einde van elk kwartaal door aan het SPRFMO-secretariaat.

c) 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO, het jaarlijkse wetenschappelijke rapport over het vorige jaar. De Commissie zendt die informatie uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.Uiterlijk op 30 september van elk jaar verstrekt de Commissie het SPRFMO-secretariaat de jaarlijkse vangstgegevens, uitgedrukt in levend gewicht, over de vangsten van het vorige kalenderjaar. 

Hoofdstuk II

Zeevogels

Artikel 7

Maatregelen om de impact van de beugvisserij op zeevogels te verminderen

1. Alle vissersvaartuigen van de Unie die beugen gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.

2. Alle vissersvaartuigen van de Unie met demersale beugen maken gebruik van lijngewichten en torilijnen.

3.Vissersvaartuigen van de Unie zetten geen beugen uit bij duisternis en lozen geen afval tijdens het uitzetten en het inhalen.

4. De lijngewichten worden aangebracht overeenkomstig bijlage I.

5. De vogelverschrikkerlijnen worden aangebracht overeenkomstig bijlage II.

6.Vissersvaartuigen van de Unie mogen geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen. Indien dit niet haalbaar is, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.

Artikel 8

Maatregelen om de impact van de trawlvisserij op zeevogels te verminderen

1.Alle vissersvaartuigen van de Unie die trawlnetten gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.

2.De vissersvaartuigen van de Unie zetten, tijdens het vissen, twee torilijnen in, of, indien de operationele praktijken de effectieve inzet van torilijnen verhinderen, een vogelscherm.

3.Vogelschermen worden aangebracht overeenkomstig bijlage III.

4.Vissersvaartuigen van de Unie mogen geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen.

5.Vissersvaartuigen van de Unie verwerken afval tot vismeel en houden al het afvalmateriaal aan boord; lozingen blijven beperkt tot lozingen van vloeibare afvalstoffen/afvalwater. Indien dit niet haalbaar is, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.

6.Netten worden na elke visserijactiviteit schoongemaakt om verstrikte vis en bentisch materiaal te verwijderen en zo interacties met vogels tijdens het uitzetten van vistuig te voorkomen.

7.De tijd dat het net zich tijdens het inhalen op het wateroppervlak bevindt, wordt door een gedegen onderhoud van de lieren en goede dekpraktijken zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 9

Rapportering van gegevens inzake zeevogels

In het jaarlijkse wetenschappelijke verslag dat de lidstaten uiterlijk 45 dagen vóór de jaarlijkse vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO aan de Commissie dienen te verstrekken, vermelden zij:

a)de maatregelen ter vermindering van de impact van de visserij op zeevogels die zijn toegepast door elk onder hun vlag varend vissersvaartuig dat in het SPRFMO-verdragsgebied vist; 

b)het niveau waarop waarnemers worden ingezet om de bijvangst van zeevogels te registreren.

Titel III

Beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen betreffende bepaalde visserijmethoden

Hoofdstuk I

Bodemvisserij

Artikel 10

Bodemvisserijmachtiging

1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe bodemvisserij te verrichten zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO.

2. Lidstaten die voornemens zijn in het verdragsgebied bodemvisserijactiviteiten te verrichten, dienen uiterlijk 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:

(a)de voetafdruk van de bodemvisserij, op basis van het door de betrokken lidstaat vastgestelde trackrecord op het gebied van bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;

(b)het gemiddelde vangstniveau in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;

(c)een effectbeoordeling van de bodemvisserij;

(d)een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen.

3.De in lid 2, onder c), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen.

4. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen.

5.De lidstaten waarborgen dat de in lid 2, onder c), bedoelde beoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op kwetsbare mariene ecosystemen heeft, en verstrekken die informatie, zodra zij beschikbaar is, aan de Commissie voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 11

Bodemvisserij buiten de voetafdruk of die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt

1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO bodemvisserij buiten de voetafdruk of bodemvisserij die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt, te verrichten.

2. Lidstaten die voornemens zijn buiten de voetafdruk voor de bodemvisserij te vissen of het in artikel 10, lid 2, onder b), bedoelde gemiddelde vangstniveau te overschrijden, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:

(a)een effectbeoordeling van de bodemvisserij;

(b)een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen.

3. De in lid 2, onder a), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen.

4. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen.

5.De lidstaten waarborgen dat de beoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op kwetsbare mariene ecosystemen heeft, en verstrekken die informatie, zodra zij beschikbaar is, aan de Commissie voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 12

Kwetsbare mariene ecosystemen in de bodemvisserij

1. Totdat het wetenschappelijk comité van de SPRFMO advies heeft geformuleerd inzake maximumniveaus, stellen de lidstaten, rekening houdend met punt 68 van de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de FAO, maximumniveaus voor contact met kwetsbare mariene ecosystemen vast voor onder hun vlag varende vissersvaartuigen.

2. De lidstaten verplichten de onder hun vlag varende vissersvaartuigen ertoe bodemvisserijactiviteiten stop te zetten binnen vijf zeemijl van een locatie in het SPRFMO-verdragsgebied waar het aantal contacten de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maximumniveaus overschrijdt. De lidstaten melden contact met kwetsbare mariene ecosystemen aan de Commissie op basis van de in bijlage IV vastgestelde richtsnoeren. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 13

Aanwezigheid van waarnemers in de bodemvisserij

De lidstaten zorgen ervoor dat op 100 %  van de onder hun vlag varende trawlers die bodemvisserij bedrijven en op ten minste 10 procent van de vissersvaartuigen die ander bodemvistuig inzetten, waarnemers aanwezig zijn.

Artikel 14

Rapportering van gegevens inzake bodemvisserij

1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15e van elke maand de maandelijkse vangsten van bodemvisserijsoorten in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.Binnen 15 dagen na het einde van elke maand verstrekken de lidstaten aan de Commissie een lijst van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die actief vissen en van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die bij overlading betrokken zijn. De Commissie zendt die informatie binnen 5 dagen na de ontvangst ervan door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.Binnen 5 dagen na het einde van elk kwartaal verstrekken de lidstaten alle VMS-data voor het vorige kwartaal aan de Commissie. De Commissie zendt die informatie binnen 10 dagen na het einde van elk kwartaal door aan het SPRFMO-secretariaat.

4.De lidstaten verbieden de onder hun vlag varende vissersvaartuigen deel te nemen aan bodemvisserij indien het vereiste minimum aan gegevens inzake vissersvaartuigidentificatie zoals beschreven in bijlage V niet is verstrekt.

Hoofdstuk II

Experimentele visserij

Artikel 15

Aanvraag voor experimentele visserij

1.Lidstaten die een onder hun vlag varend vissersvaartuig willen toestaan om in een experimentele visserij te vissen, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO bij de Commissie het volgende in:

a) een aanvraag met de in bijlage V beschreven informatie;

b) een visserijoperatieplan overeenkomstig bijlage VI, met inbegrip van een toezegging om het gegevensverzamelingsplan van artikel 16, leden 3, 4 en 5, in acht te nemen.

2. Uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO zendt de Commissie de aanvraag door aan de SPRFMO-commissie en het visserijoperatieplan aan het wetenschappelijk comité van de SPRFMO.

3. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de machtiging om in een experimentele visserij te vissen.

 

Artikel 16

Machtiging tot experimentele visserij

1. De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe in een experimentele visserij te vissen zonder voorafgaande machtiging van de SPRFMO.

2. De lidstaten waarborgen dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig uitsluitend in een experimentele visserij vist overeenkomstig het door de SPRFMO goedgekeurde visserijoperatieplan.

3. De lidstaten waarborgen dat de volgens het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan vereiste gegevens aan de Commissie worden verstrekt voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat.

4. Het wordt de vissersvaartuigen van de lidstaten die gemachtigd zijn om aan experimentele visserij deel te nemen, verboden in de betrokken experimentele visserij te blijven vissen tenzij de in het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan omschreven gegevens bij het SPRFMO-secretariaat zijn ingediend voor het meest recente seizoen waarin de visserij plaatsvond en het wetenschappelijk comité de gelegenheid heeft gehad die gegevens te beoordelen.

5. De lidstaten waarvan vissersvaartuigen deelnemen aan experimentele visserij, waarborgen dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig een of meer, maar in elk geval voldoende onafhankelijke waarnemers aan boord heeft om gegevens te verzamelen overeenkomstig het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan.

Artikel 17

Vervanging van vissersvaartuigen in een experimentele visserij

1. Onverminderd de artikelen 15 en 16 mogen de lidstaten een onder hun vlag varend vaartuig dat niet in het visserijoperatieplan is geïdentificeerd, toestaan in een experimentele visserij te vissen indien een in het visserijoperatieplan geïdentificeerd vissersvaartuig van de Unie door geldige operationele redenen of overmacht niet kan vissen. De betrokken lidstaat brengt in dat geval de Commissie onverwijld op de hoogte, met opgave van:

a)de volledige gegevens van het beoogde vervangvaartuig;

b)een uitgebreide uiteenzetting van de redenen voor de vervanging en eventuele bewijsstukken;

c)specificaties en een volledige beschrijving van de soorten vistuig die door het vervangvaartuig zullen worden gebruikt.

2. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Titel IV

Gemeenschappelijke controlemaatregelen

Hoofdstuk I

Machtigingen

Artikel 18

Vaartuigenregister

1. Uiterlijk op 15 november van elk jaar dienen de lidstaten, voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat, bij de Commissie een lijst in van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die voor het volgende jaar gemachtigd zijn om te vissen in het SPRFMO-verdragsgebied, met vermelding van de in bijlage V bedoelde informatie. De lidstaten houden rekening met de nalevingsvoorgeschiedenis van de vissersvaartuigen en exploitanten wanneer zij zich beraden over de afgifte van vismachtigingen voor het SPRFMO-verdragsgebied.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om te vissen in het verdragsgebied, en wel uiterlijk 20 dagen vóór de eerste binnenkomst van een dergelijk vaartuig in het SPRFMO-verdragsgebied. De Commissie zendt die informatie uiterlijk 15 dagen vóór de eerste binnenkomst in het SPRFMO-verdragsgebied door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.De lidstaten waarborgen dat de gegevens van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen, up-to-date zijn. Uiterlijk 10 dagen na een wijziging wordt deze gemeld aan de Commissie. De Commissie stelt binnen 5 dagen na de ontvangst van de melding het SPRFMO-secretariaat in kennis.

4. In het geval van intrekking, verzaking of om het even welke omstandigheden waardoor een machtiging ongeldig wordt, stellen de lidstaten de Commissie daarvan onverwijld in kennis zodat zij die informatie binnen een periode van 3 dagen na de datum van de ongeldigheid van de machtiging aan het SPRFMO-secretariaat kan verstrekken.

5. Onverminderd artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen vissersvaartuigen van de Unie die niet in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen, geen visserijactiviteiten verrichten met betrekking tot in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste soorten.

Hoofdstuk II

Overlading

Artikel 19

Algemene bepalingen inzake overlading

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overladingen:

a) overladingen binnen het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.

b)overladingen buiten het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.

2. Overladingen op zee en in de haven vinden enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.

3. Overbrenging op zee van brandstof, bemanning, vistuig of andere benodigdheden in het SPRFMO-verdragsgebied vindt enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.

4.    Dit artikel laat de artikelen 21 en 22 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 4, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1005/2008 onverlet.

5.    Overladingen op zee van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen, zijn verboden in de wateren van de Unie.

Artikel 20

Melding van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten

1. Ongeacht waar de overlading plaatsvindt, wordt bij elke overlading van Chileense horsmakrelen en demersale soorten die in het SPRFMO-verdragsgebied door onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen zijn gevangen, door de autoriteiten van die lidstaat gelijktijdig aan de Commissie en aan het SPRFMO-secretariaat de volgende informatie gemeld:

a) een melding van het voornemen om over te laden, met opgave van een periode van 14 dagen waarin de overlading van in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen Chileense horsmakreel en demersale soorten is gepland; deze melding wordt 7 dagen vóór de eerste dag van de periode van 14 dagen ontvangen;

b) een melding van de daadwerkelijke overlading, die ten minste 12 uur vóór het geraamde tijdstip van die activiteiten wordt ontvangen.

De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie toestaan deze informatie rechtstreeks aan het SPRFMO-secretariaat te verstrekken, op voorwaarde dat zij gelijktijdig aan de Commissie wordt doorgezonden.

2. De in lid 1 bedoelde meldingen omvatten de relevante beschikbare informatie inzake de overlading, met inbegrip van de verwachte datum en het verwachte tijdstip, de verwachte locatie, de visserij, en informatie over de betrokken vissersvaartuigen van de Unie, overeenkomstig bijlage VII.

Artikel 21

Monitoring van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten

1. Indien er een waarnemer aan boord is van het lossende of ontvangende vissersvaartuig van de Unie, monitort hij de overladingsactiviteiten. De waarnemer vult het SPRFMO-overladingslogblad in overeenkomstig bijlage VIII om de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, te verifiëren en hij verstrekt een kopie van het logblad aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het betrokken vaartuig de vlag voert.

2. De lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert, dient de waarnemersgegevens van het overladingslogblad binnen tien dagen nadat de waarnemer van boord gaat, bij de Commissie in. De Commissie zendt deze gegevens binnen 15 dagen na de datum van ontscheping door aan het SPRFMO-secretariaat.

3. Met het oog op de verificatie van de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, en om te waarborgen dat er behoorlijke verificatie kan plaatsvinden, heeft de waarnemer aan boord volledige toegang tot het betrokken vissersvaartuig van de Unie, met inbegrip van bemanning, vistuig, uitrusting, registers en visruimen.

Artikel 22

Na de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten te melden informatie

1. De bij de overlading betrokken lidstaten stellen het SPRFMO-secretariaat en de Commissie uiterlijk 7 dagen nadat de overlading is verricht, overeenkomstig bijlage IX gelijktijdig in kennis van de operationele gegevens.

2. De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig toestaan de in lid 1 bedoelde informatie rechtstreeks langs elektronische weg aan het SPRFMO-secretariaat te verstrekken, op voorwaarde dat zij gelijktijdig aan de Commissie wordt doorgezonden. Elk door de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie ontvangen verzoek om verduidelijking van het SPRFMO-secretariaat wordt doorgezonden aan de Commissie.

Hoofdstuk III

Verzameling en rapportering van gegevens

Artikel 23

Verzameling en rapportering van gegevens

1. In aanvulling op de in de artikelen 6, 9, 12, 14, 16, 21 en 22 vastgestelde vereisten inzake de rapportering van gegevens verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten aan de Commissie de in de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel vastgestelde gegevens.

2.Elk jaar rapporteren de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 september aan de Commissie het levend gewicht voor alle soorten/soortengroepen die in het vorige kalenderjaar zijn gevangen. De Commissie zendt die informatie vóór 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.Elk jaar rapporteren de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 juni aan de Commissie de gegevens inzake trawlvisserijactiviteiten per trek, de gegevens inzake de visserij met de grondbeug per uitzet, en de gegevens inzake aanlandingen, inclusief voor koelschepen, en overladingen. De Commissie zendt die informatie vóór 30 juni door aan het SPRFMO-secretariaat.

4. De Commissie kan, middels uitvoeringshandelingen, gedetailleerde vereisten voor de in dit artikel bedoelde gegevensrapportering vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 35 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Hoofdstuk IV

Bewaking

Artikel 24

Waarnemersprogramma's

1.De lidstaten die in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, stellen waarnemersprogramma's vast om de in bijlage X vastgestelde gegevens te verzamelen.

2. Elk jaar verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 september aan de Commissie de toepasselijke, in bijlage X vastgestelde waarnemersgegevens over het vorige kalenderjaar. De Commissie zendt die informatie vóór 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

3. Elk jaar verstrekken de in het SPRFMO-verdragsgebied vissende lidstaten uiterlijk op 15 augustus een jaarlijks verslag inzake de uitvoering van het waarnemersprogramma in het vorige jaar. Het verslag omvat de opleiding van de waarnemers, het ontwerp en de dekking van het programma, het soort verzamelde gegevens, en eventuele problemen die zich tijdens het jaar hebben voorgedaan. De Commissie zendt die informatie vóór 1 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

 

Hoofdstuk V

Controle van vissersvaartuigen van derde landen in havens van lidstaten

Artikel 25

Contactpunten en aangewezen havens

1. Een lidstaat die toegang tot zijn havens wil verlenen aan vissersvaartuigen van derde landen met aan boord SPRFMO-visserijproducten die in het SPRFMO-verdragsgebied zijn gevangen of van dergelijke bestanden afkomstige visserijproducten die niet eerder zijn aangeland of overgeladen in een haven of op zee:

a) wijst de havens aan waartoe vissersvaartuigen van derde landen overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad toegang mogen vragen;

b) wijst een contactpunt aan voor de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad;

c)wijst een contactpunt aan voor het doorzenden van de inspectieverslagen uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad.

2. De lidstaten zenden wijzigingen van de lijst van aangewezen havens en aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat zulke wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie stelt het SPRFMO-secretariaat ten minste 30 dagen voordat de wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.

Artikel 26

Voorafgaande kennisgeving

1. In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 verplichten havenlidstaten vissersvaartuigen van derde landen die in hun havens SPRFMO-visbestanden willen aanlanden of overladen die niet eerder zijn aangeland of overgeladen, om uiterlijk 48 uur vóór het vermoedelijke tijdstip van aankomst in de haven de volgende informatie te verstrekken overeenkomstig bijlage XI:

a) vaartuigidentificatie (externe identificatie, naam, vlag, nummer van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO-nummer), indien van toepassing, en internationale radioroepnaam (IRCS));

b) naam van de aangewezen haven waar het vissersvaartuig wil binnenvaren en het doel van de havenaanloop (aanlanding of overlading);

c) een kopie van de vismachtiging of, in voorkomend geval, elke andere door het vissersvaartuig gehouden machtiging om verrichtingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten te ondersteunen of om visserijproducten over te laden.

d) geschatte datum en geschat tijdstip van aankomst in de haven;

e) de geraamde hoeveelheden in kilogram van elk SPRFMO-visserijproduct aan boord, met de bijbehorende vangstgebieden. Indien er geen SPRFMO-visserijproducten aan boord zijn, wordt een "nulbericht" verzonden;

f) de geraamde hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram, voor elk SPRFMO-visserijproduct dat moet worden aangeland of overgeladen, met de bijbehorende vangstgebieden;

g) de bemanningslijst van het vissersvaartuig;

h) de datums van de visreis.

2. Als het vissersvaartuig van een derde land visserijproducten aan boord heeft, gaat de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld van een vangstcertificaat dat is gevalideerd overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1005/2008.

3. Havenlidstaten mogen ook om aanvullende informatie verzoeken om te bepalen of het vissersvaartuig zich met IOO-visserij of gerelateerde activiteiten heeft ingelaten.

4. Havenlidstaten mogen een langere of kortere kennisgevingstermijn voorschrijven dan die welk in lid 1 is vastgesteld, rekening houdend met onder meer het soort visserijproduct en de afstand tussen de visgronden en hun havens. In een dergelijk geval informeren de havenlidstaten de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt.

Artikel 27

Machtiging om aan te landen of over te laden in havens

Na ontvangst van de relevante informatie overeenkomstig artikel 26 besluit een havenlidstaat om het vissersvaartuig van een derde land toegang tot zijn haven te verlenen of te ontzeggen. Indien een vissersvaartuig van een derde land de toegang wordt ontzegd, informeert de havenlidstaat de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt. Havenlidstaten ontzeggen de in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuigen de toegang.

Artikel 27 bis

Haveninspecties

1. Havenlidstaten inspecteren ten minste 5 % van de aanlandingen en overladingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten die door vissersvaartuigen van derde landen in hun aangewezen havens worden verricht.

2. Onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 inspecteren de havenlidstaten de vissersvaartuigen van derde landen wanneer:

a) er een verzoek van een andere verdragsluitende partij, een CNCP of een betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer is om een bepaald vissersvaartuig te inspecteren, met name wanneer zulke verzoeken worden ondersteund door bewijs van IOO-visserij door het vissersvaartuig in kwestie en er duidelijke gronden zijn om een vissersvaartuig ervan te verdenken zich met IOO-visserij te hebben ingelaten;

b) een vissersvaartuig geen volledige informatie zoals vereist in artikel 26 heeft verstrekt;

c) het vissersvaartuig de toegang tot of het gebruik van een haven is ontzegd overeenkomstig bepalingen van de SPRFMO of van een andere ROVB.

Artikel 28

Inspectieprocedure

1.    De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing bovenop de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 vastgestelde regels inzake de inspectieprocedure.

2. De inspecteurs van de lidstaten hebben een geldig identiteitsdocument bij zich. Zij mogen een kopie nemen van alle documenten die zij relevant achten.

3. Inspecties worden op zodanige wijze verricht dat het vissersvaartuig van een derde land zo min mogelijk wordt opgehouden, de werkzaamheden ervan zo min mogelijk worden verstoord en kwaliteitsverlies van de vis voor zover mogelijk wordt voorkomen.

4. Wanneer de inspectie is voltooid, krijgt de kapitein van het geïnspecteerde buitenlandse vissersvaartuig de gelegenheid om met de bevoegde autoriteit van de betrokken havenlidstaat contact op te nemen met betrekking tot het inspectieverslag. Het model voor het inspectieverslag is opgenomen in bijlage XII.

5. Binnen 12 werkdagen na de datum van de voltooiing van de inspectie zenden de havenlidstaten de Commissie een kopie toe van het in artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde inspectieverslag, dat is ingevuld overeenkomstig bijlage XII. De Commissie zendt het verslag binnen 15 werkdagen na de datum van voltooiing van de inspectie door aan het ICCAT-secretariaat.

6. Indien het inspectieverslag niet binnen 15 werkdagen aan de Commissie kan worden toegezonden voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat, deelt de havenlidstaat de Commissie binnen de termijn van 15 werkdagen mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag wél zal worden ingediend.

Artikel 29

Procedure in geval van bij haveninspecties aangetoonde inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

1. Indien de tijdens de inspectie verzamelde informatie aantoont dat een vissersvaartuig van een derde land een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, gelden de bepalingen van dit artikel bovenop artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

2.De bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat zenden zo snel mogelijk en in elk geval binnen vijf werkdagen een kopie van het inspectieverslag aan de Commissie toe. De Commissie zendt dat verslag onverwijld door aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO en aan het contactpunt van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert.

3. De havenlidstaten melden de in het geval van inbreuken genomen maatregelen onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert, en aan de Commissie, die deze informatie doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO.

Hoofdstuk VI

Handhaving

Artikel 30

Door de lidstaten gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

De lidstaten dienen ten minste 120 dagen vóór de jaarvergadering bij de Commissie alle gedocumenteerde informatie in die wijst op mogelijke gevallen van niet-naleving door vissersvaartuigen van instandhoudings- en beheersmaatregelen in het SPRFMO-verdragsgebied in de voorbije twee jaar. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze in passende gevallen ten minste 90 dagen vóór de SPRFMO-jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 30 bis

Opneming van een onder de vlag van een lidstaat varend vissersvaartuig in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen

1.    Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat een officiële kennisgeving ontvangt dat een onder de vlag van een lidstaat varend vissersvaartuig op de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen wordt opgenomen, zendt zij die kennisgeving, met inbegrip van de bewijsstukken en alle andere door het SPRFMO-secretariaat verstrekte gedocumenteerde informatie, uiterlijk 45 dagen vóór de jaarvergadering van de SPRFMO-commissie voor opmerkingen aan de lidstaten door. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.

2.    De autoriteiten van de lidstaat die door de Commissie in kennis is gesteld van de opneming van een onder zijn vlag varend vissersvaartuig in de ontwerplijst van IOO-vaartuigen, stellen de eigenaar van het vaartuig in kennis van de opneming ervan in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen en van de gevolgen die de bekrachtiging van de opneming daarvan in de door de SPRFMO aangenomen lijst van IOO-vaartuigen kan hebben.

Artikel 31

Maatregelen ten aanzien van in de IOO-lijst van de SPRFMO opgenomen vissersvaartuigen

1. Bij de aanneming van de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen verzoekt de Commissie de vlaggenlidstaat de eigenaar van het in de IOO-lijst van vaartuigen geïdentificeerde vissersvaartuig in kennis te stellen van de opneming daarvan in de lijst en van de gevolgen van opneming in de lijst.

2. Een lidstaat die beschikt over informatie die erop wijst dat een in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuig van naam of van internationale radioroepnaam (IRCS) is veranderd, zendt die informatie zo snel mogelijk aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 32

Door het SPRFMO-secretariaat gerapporteerde vermeende gevallen van niet-naleving

1.Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat informatie ontvangt die wijst op vermoedelijke niet-naleving van het SPRFMO-verdrag en/of van de instandhoudings- en beheersmaatregelen door een lidstaat, zendt zij die informatie onverwijld aan de betrokken lidstaat toe.

2.De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 45 dagen vóór de jaarvergadering in kennis van de bevindingen van de in het kader van de vermeende niet-naleving ingestelde onderzoeken en van eventuele maatregelen die zijn genomen om nalevingskwesties aan te pakken. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan de SPRFMO-secretaris.

Artikel 32 bis

Door een verdragsluitende partij of CNCP gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

1.De lidstaten wijzen een contactpunt aan voor de ontvangst van haveninspectieverslagen van verdragsluitende partijen en CNCP's.

2.De lidstaten zenden wijzigingen van de aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie stelt het SPRFMO-secretariaat ten minste 30 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.

3. Indien het door een lidstaat aangewezen contactpunt een inspectieverslag ontvangt van een verdragsluitende partij of CNCP dat erop wijst dat een onder de vlag van de lidstaat varend vissersvaartuig een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, onderzoekt de vlaggenlidstaat onverwijld de vermeende inbreuk en stelt hij de Commissie binnen drie maanden na de ontvangst van de kennisgeving in kennis van de stand van het onderzoek en van eventuele handhavingsmaatregelen die zijn getroffen teneinde de Commissie in staat te stellen het SPRFMO-secretariaat op de hoogte te brengen. Indien de lidstaat de Commissie niet binnen drie maanden na de ontvangst van het inspectieverslag een verslag over de stand van het onderzoek kan verstrekken, deelt hij de Commissie binnen de termijn van drie maanden mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag over de stand van het onderzoek wél zal worden ingediend. De Commissie zendt de informatie betreffende de stand of de vertraging van het onderzoek door aan de uitvoerend secretaris van de SPRFMO.

Artikel 32 ter

Zegels van de satellietvolgapparatuur

1. Naast de in de artikelen 18 en 19 van Verordening (EU) nr. 404/2011 vastgestelde vereisten geldt dat elke lidstaat moet waarborgen dat satellietvolgapparatuur aan boord van onder zijn vlag varende vissersvaartuigen die niet door de fabrikant is verzegeld, is beveiligd met officiële en individueel identificeerbare zegels die door die lidstaat worden afgegeven. Zegels worden aangebracht op elke brug- of antennecomponent die alleen, of samen met een andere component, gegevens verstuurt.

2. De lidstaten houden een register bij van alle zegels die zijn afgegeven aan vissersvaartuigen die hun vlag voeren. Het register bevat het unieke referentienummer van elk zegel en gegevens over eventuele vervangzegels, met name de datum waarop het vervangzegel is afgegeven en geïnstalleerd, en de omstandigheden van de vervanging.

3. Uiterlijk op 1 januari 2019 hebben onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen enkel satellietvolgapparatuur aan boord die verzegeld is door de fabrikant.

Artikel 32 quater

Defecte satellietvolgapparatuur

1. In geval van defecte satellietvolgapparatuur rapporteren de vissersvaartuigen van de Unie elke vier uur de volgende gegevens via adequate telecommunicatiemiddelen aan het visserijcontrolecentrum van de lidstaat waarvan zij de vlag voeren:

a) IMO-nummer;

b) Internationale radioroepnaam;

c) Naam van het vaartuig;

d) Naam van de kapitein;

e) Positie, datum en tijdstip (UTC);

f) Activiteit (vissen/doorvaart/overladen).

2. De lidstaten waarborgen dat in geval van een defect van de satellietvolgapparatuur, onder hun vlag varende vissersvaartuigen ophouden met vissen, al het vistuig opbergen, en onverwijld havenen om hun satellietvolgapparatuur te herstellen binnen 60 dagen na aanvang van het effect.

3. De leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing bovenop de in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 404/2011 vastgestelde vereisten.

Titel V

Slotbepalingen

Artikel 33

Vertrouwelijkheid

In het kader van deze verordening verzamelde en uitgewisselde gegevens worden behandeld overeenkomstig de in de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde regels inzake vertrouwelijkheid.

Artikel 34

Procedure in geval van wijzigingen

Met het oog op de opneming van wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO in Unierecht wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a) de bijlagen bij deze verordening;

b) de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 9, artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 14, leden 1, 2 en 3, artikel 15, leden 1 en 2, artikel 18, leden 1, 2, 3 en 4, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 1, artikel 23, leden 2 en 3, artikel 24, leden 2 en 3, artikel 25, lid 2, artikel 26, lid 1, artikel 28, leden 5 en 6, artikel 29, leden 2 en 3, artikel 30, artikel 30 bis, lid 1, artikel 32, lid 2, artikel 32 bis, leden 2 en 3, artikel 32 ter, lid 3, en artikel 32 quater, leden 1 en 2.

c) de in de artikelen 5 en 13 vastgestelde aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers;

d) de in artikel 10, lid 2, bedoelde referentieperiode voor het bepalen van de voetafdruk van de bodemvisserij.

e) de inspectiedekking als bedoeld in artikel 27 bis, lid 1.

f) de in artikel 6, leden 2 en 3, artikel 9, artikel 10, leden 2 en 3, artikel 11, leden 2 en 3, artikel 12, lid 1, artikel 14, leden 1, 2 en 3, artikel 15, lid 1, artikel 16, leden 2 en 3, artikel 17, lid 1, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 2, artikel 23, leden 2 en 3, artikel 24, lid 3, artikel 26, lid 1, en artikel 32 quater, lid 1, vastgestelde soort informatie en gegevens.

Artikel 35

Uitoefening van de delegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 34 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 34 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3 bis.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

4.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.Een overeenkomstig artikel 34 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 36

Toepassing

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) PB C … van …, blz. ….
(2) PB C … van …, blz. ….
(3) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(4) Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).
(5) PB L 67 van 6.3.2012.
Top

Brussel, 29.3.2017

COM(2017) 128 final

BIJLAGEN

bij Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)


BIJLAGE I

Standaarden voor lijnverzwaring

Vaartuigen moeten een beugverzwaringsysteem gebruiken waarmee een aantoonbare minimale beugzinksnelheid van 0,3 meter/seconde tot 15 m diepte voor vistuig wordt bereikt. In het bijzonder:

a) voor extern verzwaarde lijnen in het Spaanse systeem en beugen met soepele lijn moet minimaal 8,5 kg worden gebruikt op intervallen van niet meer dan 40 m indien er stenen worden gebruikt, 6 kg op intervallen van niet meer dan 20 m voor betonnen gewichten en 5 kg op intervallen van niet meer dan 40 m voor massief metalen gewichten;

b) voor extern verzwaarde automatische lijnen moet minimaal 5 kg worden gebruikt op intervallen van niet meer dan 40 m, die op zodanige wijze uit het vaartuig moeten worden gezet dat spanning aan de achtersteven wordt voorkomen (door spanning aan de achtersteven kunnen delen van de beug die al zijn uitgezet, uit het water worden geheven).

c) intern verzwaarde lijnen moeten een loden kern van ten minste 50 g/m hebben.

 

BIJLAGE II

Specificaties voor vogelverschrikkerlijnen

Er moeten te allen tijde twee vogelverschrikkerlijnen aan boord zijn, die moeten worden ingezet wanneer er vistuig wordt uitgezet vanaf het vaartuig. Meer bepaald:

a) vogelverschrikkerlijnen moeten op zodanige wijze aan het vaartuig worden bevestigd dat het uitgezette aas door de wimpellijn wordt beschermd, zelfs bij zijwind;

b) vogelverschrikkerlijnen moeten gebruikmaken van felgekleurde wimpels die lang genoeg zijn om in kalme omstandigheden het zeeoppervlak te raken ("lange wimpels") en die op intervallen van niet meer dan 5 m voor ten minste de eerste 55 m wimpellijn worden aangebracht en aan de lijn worden bevestigd met wartels die voorkomen dat de wimpels en de lijn verwikkeld raken;

c) vogelverschrikkerlijnen mogen ook gebruikmaken van wimpels van minimaal 1 m lang ("korte wimpels") aangebracht op intervallen van niet meer dan 1m;

d) indien een vogelverschrikkerlijn tijdens het gebruik breekt of beschadigd raakt, moet zij worden hersteld of vervangen zodat het vaartuig voldoet aan deze specificaties vóórdat er nog haken in het water worden gezet;

e) vogelverschrikkerlijnen moeten op zodanige wijze worden ingezet dat

i. zij boven het wateroppervlak blijven wanneer de haken zijn gezonken tot een diepte van 15 m; of

ii. zij, in volle lengte, minstens 150 m lang zijn wanneer zij worden uitgehangen vanaf een punt op het vaartuig van ten minste 7 m boven het water bij afwezigheid van deining.

BIJLAGE III

Vogelschermspecificaties

Een vogelscherm bestaat uit twee of meer bomen bevestigd aan de achtersteven van het vaartuig, waarbij ten minste een boom aan de stuurboordachtersteven en ten minste een boom aan de bakboordachtersteven is bevestigd.

a) elke boom moet ten minste 4 m uitsteken vanaf de zijde of de achtersteven van het vaartuig.

b) aan de bomen moeten op maximaal 2 m van elkaar zinklijnen worden bevestigd;

c) aan de uiteinden van de zinklijnen moeten plastic kegels, staven of ander felgekleurd en duurzaam materiaal worden bevestigd zodat de afstand tussen de onderkant van de kegel, de staaf of het materiaal bij afwezigheid van wind en deining niet meer dan 500 millimeter bedraagt;

d) tussen de zinklijnen mogen lijnen of want worden aangebracht om verstrengeling te voorkomen.

BIJLAGE IV

Richtsnoeren voor de opstelling en indiening van kennisgevingen van contact met kwetsbare mariene ecosystemen (KME's)

1. Algemene informatie

Vermeld contactinformatie, nationaliteit, vaartuignaam (-namen) en datums van gegevensverzameling.

2. KME-locatie

Vermeld begin- en eindpositie van alle inzet van vistuig en alle waarnemingen.

Verstrek kaarten van de vislocaties, de dieptemeting of de habitat van het betrokken gebied en geef de geografische omvang van de visserij weer.

Vermeld de diepte(n) waarop is gevist.

3. Vistuig

Geef aan welk vistuig op elke locatie is gebruikt.

4. Verzamelde aanvullende gegevens

Vermeld indien mogelijk aanvullende gegevens die zijn verzameld op of nabij de beviste locaties.

Gegevens zoals dieptemeting met meervoudige golven, oceanografische gegevens zoals CTD-profielen, stroomprofielen, chemische eigenschappen van het water, substraattypes die zijn geregistreerd op of nabij deze locaties, andere waargenomen fauna, video-opnamen, akoestische profielen enz.

5. KME-taxa

Verstrek voor elke beviste plaats indien mogelijk bijzonderheden over de waargenomen KME-taxa, met inbegrip van hun relatieve dichtheid, absolute dichtheid, of het aantal organismen.

BIJLAGE V

Standaarden voor vaartuiggegevens

1.De volgende gegevens moeten worden verzameld overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 18.

i.    Huidige vlag en naam van het vaartuig

ii.    Registratienummer

iii.    Internationale radioroepnaam (indien van toepassing)

iv.    Unieke vaartuigidentificator (UVI)/IMO-nummer

v.    Vorige namen (indien bekend)

vi.    Haven van registratie

vii.    Vorige vlag

viii.    Vaartuigtype

ix.    Type vismethode(n)

x.    Lengte

xi.    Lengtetype bijvoorbeeld "LOA" (lengte over alles), "LBP" (lengte tussen de loodlijnen)

xii.    Brutotonnage – BT (te verstrekken als de geprefereerde tonnage-eenheid)

xiii.    Brutoregisterton – BRT (te verstrekken indien BT niet beschikbaar is; mag ook worden verstrekt in aanvulling op BT)

xiv.    Vermogen van de hoofdmotor(en) (kW)

xv.    Inhoud van de ruimen (m3)

xvi.    Type vriezer (indien van toepassing)

xvii.    Aantal vriezereenheden (indien van toepassing)

xviii.    Vriescapaciteit (indien van toepassing)

xix.    Communicatiemiddelen en -nummers van het vaartuig (INMARSAT-nummers A, B en C)

xx.    Gegevens over het VMS-systeem (merk, model, kenmerken en identificatie)

xxi.    Naam van de eigenaar(s)

xxii.    Adres van de eigenaar(s)

xxiii.    Aanvangsdatum vaartuigmachtiging

xxiv.    Einddatum vaartuigmachtiging

xxv.    Hogeresolutiefoto van goede kwaliteit van het vaartuig met passende helderheid en contrast, van niet ouder dan 5 jaar, die moet bestaan uit:

• één foto van minimaal 12 x 7 cm van de stuurboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte over alles en met alle structurele kenmerken;

• één foto van minimaal 12 x 7 cm van de bakboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte over alles en met alle structurele kenmerken;

• één foto van minimaal 12 x 7 cm van de achtersteven, recht van achteren gefotografeerd

2.Voor zover mogelijk moet de volgende informatie worden verstrekt, indien die beschikbaar is:

i.    Externe markeringen (zoals vaartuignaam, registratienummer of internationale radioroepnaam)

ii.    Soorten visverwerkingslijnen (indien van toepassing)

iii.    Bouwperiode

iv.    Bouwplaats

v.    Holte naar de mal

vi.    Breedte

vii.    Elektronische uitrusting aan boord (bijvoorbeeld radio, echolood, radar, netsonde)

viii.    Naam van de vergunningeigenaar (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

ix.    Adres van de vergunningeigenaar (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

x.    Naam van de exploitant(en) (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

xi.    Adres van de exploitant(en) (indien verschillende van vaartuigeigenaar)

xii.    Naam van de kapitein

xiii.    Nationaliteit van de kapitein

xiv.    Naam van de vangstkapitein

xv.    Nationaliteit van de vangstkapitein



BIJLAGE VI

Visserijoperatieplan voor experimentele visserij

Het visserijoperatieplan moet de volgende informatie omvatten, voor zover deze beschikbaar is:

i.    een beschrijving van de experimentele visserij, met inbegrip van gebied, doelsoort, voorgestelde vismethoden, voorgestelde maximale vangstbeperkingen en elke verdeling van die vangstbeperking over gebieden of soorten;

ii.    specificatie en volledige beschrijving van de te gebruiken soorten vistuig, met inbegrip van alle wijzigingen aan het vistuig ter vermindering van de impact van de voorgestelde visserij op niet-doelsoorten en op met de doelbestanden geassocieerde of daarvan afhankelijke soorten of op het mariene ecosysteem waarin de visserij plaatsvindt;

iii.    de door het visserijoperatieplan bestreken periode (maximaal drie jaar);

iv.    de biologische gegevens over de doelsoorten die tijdens uitgebreide onderzoeksreizen of bestandsopnamen zijn verkregen en die bijvoorbeeld betrekking hebben op de verspreiding, de omvang van de betrokken bestanden, de populatiestructuur en de identiteit van de bestanden;

v.    bijzonderheden over niet-doelsoorten of met de doelbestanden geassocieerde of daarvan afhankelijke soorten en het mariene ecosysteem waarin de visserij plaatsvindt, de mate waarin deze waarschijnlijk gevolgen zouden ondervinden van de voorgestelde visserijactiviteit en alle maatregelen die zullen worden genomen om die gevolgen te verzachten;

vi.    de verwachte cumulatieve impact van alle visserijactiviteit in het gebied van de experimentele visserij indien beschikbaar;

vii.    informatie van andere visserijen in de regio of soortgelijke visserijen elders die behulpzaam kan zijn bij de evaluatie van de potentiële opbrengst van de experimentele visserij, voor zover de lidstaat of CNCP in staat is deze informatie te verstrekken;

viii.    indien de voorgestelde visserijactiviteit bodemvisserij is, de beoordeling van de impact van de bodemvisserijactiviteiten van de onder hun vlag varende vaartuigen overeenkomstig de artikelen 10 en 11;

ix.    wanneer de doelsoort ook wordt beheerd door een regionale organisatie voor visserijbeheer of een soortgelijke organisatie waarvan het bevoegdheidsgebied grenst aan het verdragsgebied van de SPRFMO, een beschrijving van die naburige visserij die volstaat om het wetenschappelijk comité in staat te stellen zijn advies te formuleren.



BIJLAGE VII

Voorafgaande overladingskennisgeving

De lidstaten moeten de volgende informatie verstrekken overeenkomstig artikel 20, lid 1:

Gegevens over het lossende vaartuig

a.    Naam van het vaartuig

b.    Registratienummer

c.    Radioroepnaam

d.    Vlaggenstaat van het vaartuig

e.    IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

f.    Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

Gegevens van het ontvangende vaartuig

g.    Naam van het vaartuig

h.    Registratienummer

i.    Radioroepnaam

j.    Vlaggenstaat van het vaartuig

k.    IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

l.    Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

BIJLAGE VIII

Door de waarnemer te verstrekken overladingsinformatie

De waarnemer die de overlading monitort, moet overeenkomstig artikel 21, lid 1, de volgende informatie verstrekken.

I. Gegevens over het lossende vissersvaartuig

Naam van het vaartuig

Registratienummer

Radioroepnaam

Vlaggenstaat van het vaartuig

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

Naam en nationaliteit van de kapitein

II. Gegevens van het ontvangende vissersvaartuig

Naam van het vaartuig

Registratienummer

Radioroepnaam

Vlaggenstaat van het vaartuig

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

Naam en nationaliteit van de kapitein

III. Overlading

Datum en tijdstip van de aanvang van de overlading (UTC)

Datum en tijdstip van de voltooiing van de overlading (UTC)

In geval van overlading op zee: positie (naastgelegen 1/10e graad) bij aanvang van de overlading; in geval van overlading in een haven: naam, land en code 1 van de haven

In geval van overlading op zee: positie (naastgelegen 1/10e graad) bij voltooiing van de overlading

Beschrijving van het producttype per soort (bijvoorbeeld "hele, ingevroren vis in kartonnen dozen van 20 kg")

Soort

Producttype

Soort

Producttype

Soort

Producttype

Aantal kartonnen dozen, nettogewicht (kg) van het product, per soort.

Soort

Kartonnen dozen

Nettogewicht

Soort

Kartonnen dozen

Nettogewicht

Soort

Kartonnen dozen

Nettogewicht

Soort

Kartonnen dozen

Nettogewicht

Totaal nettogewicht van het overgeladen product (kg)

Nummer van het ruim in koelschepen waarin het product wordt opgeslagen

Haven en land van bestemming van het ontvangende vissersvaartuig

Verwachte datum van aankomst

Verwachte datum van aanlanding

IV. Waarnemingen (indien van toepassing)

V. Verificatie

Naam van de waarnemer

Autoriteit

Handtekening en stempel

BIJLAGE IX

Na de overlading te melden overladingsinformatie

Overeenkomstig artikel 22, lid 1, moeten de vlaggenlidstaten uiterlijk zeven dagen nadat de overlading is verricht, de volgende informatie aan de Commissie melden:

Gegevens over het lossende vaartuig

a.    Naam van het vaartuig

b.    Registratienummer

c.    Radioroepnaam

d.    Vlaggenstaat van het vaartuig

e.    IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

Gegevens van het ontvangende vaartuig

f.    Naam van het vaartuig

g.    Registratienummer

h.    Radioroepnaam

i.    Vlaggenstaat van het vaartuig

j.    IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

k.    Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

Gegevens over de overlading

a.Datum en tijdstip van de aanvang van de overlading (UTC)

b.Datum en tijdstip van de voltooiing van de overlading (UTC)

c.In geval van overlading in een haven:

Havenstaat, naam van de haven en havencode.

d.In geval van overlading op zee:

   1. positie (naastgelegen 1/10e graad) bij aanvang van de overlading (decimaal)

   2. positie (naastgelegen 1/10e graad) bij voltooiing van de overlading (decimaal)

e.Nummer van het ruim in het ontvangende vaartuig waarin het product wordt opgeslagen

f.Haven van bestemming van het ontvangende vaartuig

g.Verwachte datum van aankomst

h.Verwachte datum van aanlanding

Gegevens over de overgeladen visbestanden

i. Overgeladen soorten

1. Beschrijving van de vis, per producttype (bijvoorbeeld "hele, ingevroren vis")

2. Aantal kartonnen dozen en nettogewicht (kg) van het product, per soort.

3. Totaal nettogewicht van het overgeladen product (kg)

j. Gebruikt vistuig

Verificatie (indien van toepassing)

k. Naam van de waarnemer

l. Autoriteit

BIJLAGE X

Waarnemersgegevens

De gegevens over het vaartuig en de waarnemer hoeven voor elke waargenomen visreis slechts een keer te worden geregistreerd, en moeten op zodanige wijze worden gerapporteerd dat de vaartuiggegevens aan de in de secties A, B, C en D vereiste gegevens worden gekoppeld.

A. Voor elke waargenomen visreis te verzamelen vaartuig- en waarnemersgegevens

1.Voor elke waargenomen visreis moeten de volgende vaartuiggegevens worden verzameld:

(a) Vlag waaronder het vaartuig momenteel vaart

(b) Naam van het vaartuig

(c) Naam van de kapitein

(d) Naam van de vangstkapitein

(e) Registratienummer

(f) Internationale radioroepnaam (indien van toepassing)

(g) Lloyd's-nummer / IMO-nummer (indien toegewezen)

(h) Vorige namen (indien bekend)

(i) Haven van registratie

(j) Vorige vlag (indien van toepassing)

(k) Type vaartuig (gebruik toepasselijke ISSCFV-codes)

(l) Type vismethode(n) (gebruik toepasselijke ISSCFG-codes)

(m) Lengte (m)

(n) Lengtetype, bijvoorbeeld "LOA", "LBP"

(o) Breedte (m)

(p) Brutotonnage – BT (te verstrekken als de geprefereerde tonnage-eenheid)

(q) Brutoregistertonnage – BRT (te verstrekken indien BT niet beschikbaar is; mag ook worden verstrekt in aanvulling op BT)

(r) Vermogen van de hoofdmotor(en) (kilowatt)

(s) Inhoud van het ruim (kubieke meter)

(t) Register van de uitrusting aan boord die de vangstvermogenfactoren kan beïnvloeden

(navigatie-uitrusting, radar, sonarsystemen, weerfax of satellietweerontvanger, zeeoppervlaktemperatuurbeeldontvanger, dopplerstromingsmonitor, radiopeiltoestel), waar mogelijk

(u) Totaal aantal bemanningsleden (al het personeel, exclusief waarnemers)

2.Voor elke waargenomen visreis moeten de volgende waarnemersgegevens worden verzameld:

(a) Naam van de waarnemer

(b) Organisatie van de waarnemer

(c) Datum inscheping waarnemer (UTC-datum)

(d) Haven van inscheping

(e) Datum ontscheping waarnemer (UTC-datum)

(f) Haven van ontscheping

B. Voor trawlvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

De gegevens moeten voor alle waargenomen trawls op niet-geaggregeerde basis (trek per trek) worden verzameld.

1.Voor elke waargenomen trawltrek moeten de volgende gegevens worden verzameld:

(a) Aanvangsdatum en -tijdstip van de trek (het tijdstip waarop het vistuig begint te vissen – UTC)

(b) Einddatum en -tijdstip van de trek (het tijdstip waarop het ophalen aanvangt – UTC)

(c) Beginpositie trek (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – decimaal)

(d) Eindpositie trek (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – decimaal)

(e) Beoogde doelsoort (FAO-soortencode)

(f) Type trawler: bodem of midwatertrawl (gebruik de toepasselijke codes voor bodem of midwatertrawls van de ISCCFG-normen voor vistuig)

(g) Type trawl: enkel, dubbel of triple (S, D of T)

(h) Hoogte van de netopening

(i) Breedte van de netopening

(j) Maaswijdte van het kuilnet (gestrekte maas, mm) en maastype (ruitvormig, vierkant enz.)

(k) Diepte van het vistuig (van de grondpees) bij aanvang van de visserijactiviteit

(l) Diepte van de zeebodem bij aanvang van de visserijactiviteit

(m) Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram)

(n) Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Nee/Niet bekend)

a. Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

(o) Bevond er zich bentisch materiaal in de trawl? (Ja/Nee/Niet bekend)

a. Indien ja, registreer de gevoelige bentische soorten in de trawlvangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

(p) Schat de niet onder de punten 2m tot en met 2o geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon.

(q) Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen:

i. Zijn er vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) gebruikt? (nihil/uitrustingscode – zoals beschreven in sectie L)

ii. Zijn er vogelschermen gebruikt? (nihil/uitrustingscode – zoals beschreven in sectie N)

iii. Beschrijf het gehanteerde beheersplan voor afvallozing/teruggooi (selecteer alles wat van toepassing is): geen afvallozing/teruggooi tijdens het uitzetten en het inhalen/enkel lozing van vloeibare afvalstoffen/afvalgroepering > 2 uur/ander/geen).

iv. Zijn er andere maatregelen toegepast ter vermindering van de bijvangst van zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten? (Ja/Nee)

Zo ja, beschrijf.

C. Voor ringzegenvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

De gegevens moeten voor elke waargenomen uitzet van de ringzegen op niet-geaggregeerde basis (uitzet per uitzet) worden verzameld.

1.Voor elke waargenomen uitzet van de ringzegen moeten de volgende gegevens worden verzameld:

(a) Totale zoektijd vóór deze uitzet, sinds de laatste uitzet.

(b) Begindatum en -tijdstip van de uitzet (het tijdstip waarop het vistuig begint te vissen – UTC).

(b) Einddatum en -tijdstip van de uitzet (het tijdstip waarop het ophalen begint – UTC).

(d) Startpositie van de uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – decimaal).

(e) Lengte net (m).

(f) Hoogte net (m).

(g) Maaswijdte net (gestrekte maas, mm) en maastype (ruitvorming, vierkant enz.)

(h) Beoogde doelsoort (FAO-soortencode).

(i) Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram).

(j) Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Nee/Niet bekend)

a. Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

(k) Bevond er zich bentisch materiaal in het net? (Ja/Nee/Niet bekend)

a. Indien ja, registreer gevoelige bentische soorten in de vangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

(l) Schat de niet onder de punten 2i tot en met 2k geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon.

(m) Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen. 

Voor grondbeugvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

De gegevens moeten voor elke waargenomen uitzet van de beuglijn op niet-geaggregeerde basis (uitzet per uitzet) worden verzameld.

1.Voor elke uitzet moeten de volgende gegevens worden verzameld:

(a) Begindatum en -tijdstip van de uitzet (UTC-formaat).

(b) Einddatum en -tijdstip van de uitzet (UTC-formaat).

(c) Beginpositie uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – decimaal formaat).

(d) Eindpositie uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – decimaal formaat).

(e) Beoogde doelsoort (FAO-soortencode)

(f) Totale lengte van de uitgezette beug (km).

(g) Aantal haken van de uitgezette beug.

(h) Diepte van de zeebodem bij het begin van de uitzet.

(i) Aantal daadwerkelijk tijdens de haal waargenomen haken (inclusief voor gevangen zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten).

(j) Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram).

(k) Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Nee/Niet bekend)

a. Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

(l) Bevond er zich bentisch materiaal in de vangst? (Ja/Nee/Niet bekend)

Indien ja, registreer gevoelige bentische soorten in de vangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

(m) Schat de niet onder de punten 2j tot en met 2l geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon.

(n) Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen:

i.    Zijn er vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) gebruikt? (nihil/uitrustingscode – zoals beschreven in sectie L)

ii.    Was het uitzetten beperkt tot de tijd tussen de nautische schemering 's avonds en de nautische schemering 's ochtends? (Ja/Nee)

iii.    Welk type vistuig is gebruikt? (Extern verzwaringssysteem/intern verzwaringssysteem/beug met soepele lijn/ander)

iv.    In geval van een extern verzwaringssysteem, beschrijf het verzwarings- en drijfstelsel (aan de hand van het formulier in sectie M)

v.    In geval van een intern verzwaringssysteem, wat was het gewicht van de kern van de lijn (gram per meter)?

vi.    In het geval van een beug met soepele lijn, zijn er cachalotera-netten gebruikt? (Ja/Nee)

vii.    Indien andere, beschrijf

(o) Welke impactbeperkende maatregelen zijn tijdens het ophalen toegepast? (vogelverschrikkergordijnen/andere/geen)

Indien andere, beschrijf.

(p) Wat was het aastype? (vis/inktvis/gemengd; levend/dood/gemengd; bevroren/ontdooid/gemengd)

(q) Beschrijf de teruggooi van biologisch materiaal tijdens het uitzetten en het inhalen.

(Teruggooi niet twee uur of meer gegroepeerd/teruggooi twee uur of meer gegroepeerd/geen/niet bekend)

(r) Zijn er andere maatregelen toegepast ter vermindering van de bijvangst van zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten? (Ja/Nee)

Indien ja, beschrijf.

E. Te verzamelen lengtesamenstellingsgegevens

Er moeten representatieve en aselect geselecteerde lengtesamenstellingsgegevens worden verzameld voor de doelsoort en, als de tijd het toelaat, ook voor belangrijke bijvangstsoorten. De lengtegegevens moeten worden verzameld en geregistreerd op het meest nauwkeurige niveau dat passend is voor de soort (cm of mm en per naastgelegen eenheid), en ook het gebruikte type meting (totale lengte, vorklengte, of standaardlengte) moet worden geregistreerd. Indien mogelijk moet het totale gewicht van de lengtesamenstellingsmonsters worden geregistreerd of geschat en moet de schattingsmethode worden geregistreerd; waarnemers kunnen worden verplicht het geslacht van de gemeten vis te bepalen om naar geslacht uitgesplitste lengtesamenstellingsgegevens te genereren.

1.Protocol voor commerciële bemonstering

(a)    Andere vissoorten dan roggen en haaien:

i.    de vorklengte moet worden gemeten tot op de naastgelegen cm voor vis die een maximumlengte van meer dan 40 cm vorklengte bereikt;

ii.    de vorklengte moet worden gemeten tot op de naaste mm voor vis die een maximumlengte van minder dan 40 cm vorklengte bereikt.

(b)    Roggen:

i. de maximumspanwijdte moet worden gemeten.

(c)    Haaien:

i. er moet een passende te gebruiken lengtemeting worden geselecteerd voor elke soort (zie technisch verslag van de FAO 474 inzake de meting van haaien). Standaard moet de totale lengte worden gemeten.

2.Protocol voor wetenschappelijke bemonstering

Voor de wetenschappelijke bemonstering van soorten moeten mogelijk nauwkeuriger lengtemetingen worden gedaan dan gespecificeerd in sectie E, punt 1.

F. Te verrichten biologische bemonstering

1.    De volgende biologische gegevens moeten worden verzameld voor representatieve monsters van de belangrijkste doelsoort, en als de tijd het toelaat, voor andere belangrijke bijvangstsoorten die deel uitmaken van de vangst.

(a)    Soort

(b)    Lengte (mm of cm), met vermelding van het gebruikte type lengtemeting. De nauwkeurigheid en het type van de meting moeten per soort worden bepaald op een wijze die consistent is met die welke in sectie E is beschreven.

(c)    Geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onrijp, niet bepaald)

(d)    Rijpheidsstadium

2.    Waarnemers moeten weefsel, otolieten en/of maagmonsters verzamelen overeenkomstig vooraf bepaalde specifieke onderzoeksprogramma's die worden uitgevoerd door het wetenschappelijk comité of in het kader van ander nationaal wetenschappelijk onderzoek.

3.    Waarnemers moeten worden gebriefd en, indien passend, schriftelijke protocollen ontvangen voor de lengtesamenstellings- en biologische bemonstering, alsmede prioriteiten voor de bovenbedoelde bemonstering die specifiek zijn voor elke waarnemersreis.

G. Gegevens die moeten worden verzameld over incidentele vangsten van zeevogels, zoogdieren, schildpadden en andere probleemsoorten

1.    Voor alle tijdens visserijactiviteiten gevangen zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden) en andere probleemsoorten moeten de volgende gegevens worden verzameld:

(a)    Soort (zo precies mogelijk taxonomisch geclassificeerd, of vergezeld van foto's indien identificatie moeilijk is) en omvang.

(b)    Aantal van elke soort dat per trek of uitzet is gevangen.

(c)    Lot van bijgevangen dier(en) (aan boord gehouden of vrijgelaten/teruggegooid).

(d)    Indien vrijgelaten, toestand bij vrijlating (vitaal, levend, lethargisch, dood).

(e)    Indien dood, verzamel voldoende informatie of monsters voor identificatie aan land overeenkomstig de vooraf vastgestelde bemonsteringsprotocollen. Indien dit niet mogelijk is, kunnen waarnemers worden verzocht submonsters van identificerende delen te verzamelen, zoals gespecificeerd in de protocollen voor biologische bemonstering.

(f)    Registreer het type interactie (haak/verstrikking in de lijn/botsing met kabels of trossen/netvangst/andere).

Indien andere, beschrijf.

2.    Registreer het geslacht van elk individu voor de taxa waarvoor dit doenbaar is op basis van externe waarneming, zoals vinpotigen, kleine walvisachtigen of Elasmobranchii en andere probleemsoorten.

3.    Waren er omstandigheden of acties die kunnen hebben bijgedragen tot de bijvangst? (bijvoorbeeld verstrikking van de torilijn, groot aasverlies).

H. Opsporing van visserij in samenhang met kwetsbare mariene ecosystemen

1. Voor elke waargenomen trawl moeten de volgende gegevens worden verzameld over alle gevoelige bentische soorten die zijn gevangen, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers of koralen:

(a)    Soort (zo precies mogelijk taxonomisch geclassificeerd, of vergezeld van een foto indien identificatie moeilijk is);

(b)    Een schatting van de hoeveelheid (gewicht (kg) of volume (m3)) van elke vermelde bentische soort die bij de trek is gevangen;

(c)    Een globale schatting van de totale hoeveelheid (gewicht (kg) of het totale volume (m3)) van alle ongewervelde bentische soorten die bij de trek zijn gevangen;

(d)    Indien mogelijk, en met name voor nieuwe of zeldzame bentische soorten die niet voorkomen in identificatiegidsen, moeten gehele monsters worden verzameld en op passende wijze worden bewaard met het oog op identificatie aan land.

I. Voor alle gerecupereerde merkers te verzamelen gegevens

1. De volgende gegevens moeten worden verzameld voor alle gerecupereerde vis-, zeevogel-, zoogdier- of reptielmarkers, ongeacht of het organisme dood is, aan boord moet worden gehouden, dan wel levend is:

(a)    Naam van de waarnemer

(b)    Naam van het vaartuig

(c)    Radioroepnaam van het vaartuig

(d)    Vlag van het vaartuig

(e)    Verzamel, etiketteer (met alle onderstaande gegevens) en bewaar de eigenlijke merkers voor teruggave aan het merkingsagentschap

(f)    Soort waarvan de merker is gerecupereerd

(g)    Kleur en type van de merker (spaghetti, archivaal)

(h)    Merkernummer (het merkernummer moet worden verstrekt voor alle merkers wanneer meervoudige merkers aan een vis waren bevestigd. Indien slechts één merker is geregistreerd, is een verklaring vereist waarin wordt aangegeven of de andere merker al dan niet ontbrak.) Indien het organisme leeft en moet worden vrijgelaten, moet de merkerinformatie worden verzameld overeenkomstig de vooraf vastgestelde bemonsteringsprotocollen.

(i)    Datum en tijdstip van de vangst (UTC)

(j) Locatie van de vangst (breedte-/lengtegraad, tot op de naastgelegen minuut)

(k) Lengte/omvang van het dier (cm of mm) met een beschrijving van de gekozen meting (zoals totale lengte, vorklengte enz.). Lengtemetingen moeten worden verzameld overeenkomstig de in sectie E omschreven criteria.

(l) Geslacht (F=vrouwelijk, M=mannelijk, I=onbepaalbaar, D=niet onderzocht)

(m) Zijn de merkers gevonden tijdens een visperiode die het voorwerp van een waarneming vormde? (J/N)

(n) Beloningsinformatie (naam en adres waarnaar de beloning moet worden verzonden)

(Sommige van de hier geregistreerde gegevens overlappen met gegevens in de vorige informatiecategorieën. Dit is noodzakelijk omdat informatie over merkerrecuperatie afzonderlijk van andere waarnemersgegevens kan worden verstuurd.)

J. Hiërarchieën voor de verzameling van waarnemersgegevens

1.    Aangezien waarnemers mogelijk niet in staat zijn alle in deze standaarden beschreven gegevens tijdens elke reis te verzamelen, moet een hiërarchie van prioriteiten worden gevolgd voor de verzameling van waarnemersgegevens. Naar aanleiding van de specifieke vereisten van een onderzoeksprogramma kan voor een bepaalde reis of een bepaald onderzoeksprogramma een specifieke lijst van prioriteiten voor waarnemerstaken worden opgesteld, waar de waarnemers zich aan moeten houden.

2.    Bij afwezigheid van reis- of programmaspecifieke prioriteiten moeten de waarnemers de volgende algemene prioriteitenlijst hanteren:

(a)    Informatie over de visserijactiviteit

i. Alle informatie over het vaartuig en de trek / uitzet / inspanning;

(b)    Rapportering van vangsten

i.    Registratie van het tijdstip, het gewicht van de bemonsterde vangst ten opzichte van de totale vangst of inspanning (bijvoorbeeld aantal haken), en van de totale aantallen die van elke soort zijn gevangen;

ii.    Identificatie en aantallen van zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden), gevoelige bentische soorten en kwetsbare soorten;

iii.    Registratie van het aantal of het gewicht van elke aan boord gehouden of teruggegooide soort;

iv.    Registratie van gevallen van aanvreting door predatoren, indien van toepassing;

(c)    Biologische bemonstering

i.    Controle op de aanwezigheid van merkers;

ii.    Lengtesamenstellingsgegevens voor doelsoorten;

iii.    Biologische basisgegevens (geslacht, rijpheid) voor doelsoorten;

iv.    Lengtesamenstellingsgegevens voor de belangrijkste bijvangstsoorten;

v.    Otolieten (en maagmonsters, indien deze worden verzameld) voor doelsoorten;

vi.    Biologische basisgegevens voor bijvangstsoorten;

vii.    Biologische monsters van bijvangstsoorten (indien deze worden verzameld);

viii.    Foto's nemen;

(d) De rapportering van vangsten en de biologische bemonsteringsprocedures moeten voor de verschillende soortengroepen als volgt worden geprioriteerd:

Soort

Prioriteit (1 = hoogste)

Primaire doelsoort (bijvoorbeeld Chileense horsmakreel voor pelagische visserij, en Atlantische slijmkop voor demersale visserij)

1

Zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden) of andere probleemsoorten

2

Andere soorten die gewoonlijk tot de top 5 in de visserij behoren (bijvoorbeeld gevlekte makreel voor pelagische visserij, en Oreosomatidae en beryciden voor demersale visserij.

3

Alle overige soorten

4

De verdeling van de waarnemersinspanning over deze activiteiten hangt af van het type activiteit en uitzet. De omvang van de submonsters ten opzichte van de niet-waargenomen hoeveelheden (zoals het voor de soortensamenstelling onderzochte aantal haken ten opzichte van het aantal uitgezette haken) moet expliciet worden geregistreerd in het kader van de waarnemersprogramma's van de verdragsluitende partijen en CNCP's.

K. Voor de registratie van waarnemersgegevens te gebruiken coderingsspecificaties

1.    Tenzij voor specifieke soorten gegevens anders is bepaald, moeten waarnemersgegevens worden verstrekt overeenkomstig de in deze sectie vastgestelde coderingsspecificaties.

2.    Tijdstippen moeten in gecoördineerde universele tijd (UTC) worden genoteerd.

3.    Locaties moeten worden aangeduid met behulp van decimale graden.

4.    De volgende coderingssystemen moeten worden gebruikt:

(a)    soorten moeten worden beschreven aan de hand van de drieletterige FAO-soortencode;

(b)    vismethoden moeten worden beschreven aan de hand van de codes van de Internationale standaardclassificatie van vistuig (ISSCFG – 29 juli 1980);

(c)    vissersvaartuigtypes moeten worden beschreven aan de hand van de codes van de Internationale standaardclassificatie van vissersvaartuigen (ISSCFV).

5.    Er moeten metrische meeteenheden moeten worden gebruikt, meer bepaald:

(a)    vangstgewicht moet in kilogram worden uitgedrukt;

(b)    hoogte, wijdte, diepte, breedte of lengte moeten in meter worden uitgedrukt;

(c)    volume moet in kubieke meter worden uitgedrukt;

(d)    motorvermogen moet in kilowatt worden uitgedrukt.

L. Formulier voor de beschrijving van vogelverschrikkerlijnen

CODES VOOR VOGELVERSCHRIKKERLIJNEN / LIJST VAN DE OPTIES:

Positie

Ontwerp

Gesleept object

Materiaal

Kleur

Bakboord

Enkel

F = Omgekeerde trechter/plastic kegel

T = Plastic slang

P = Roze

Stuurboord

Dubbel

L = Lengte van dikke lijn

S = Plastic riemen

R = Rood

Achtersteven

K = Knoop of lus van dikke lijn

O = Overig

C = Wortel (oranje)

B = Boei

Y = Geel

N = Met een net bedekte boei

G = Groen

S = Zak

B = Blauw

W = Gewicht

W = Bruin

Z = Geen gesleept object

F = Vervaagde kleur (welke kleur dan ook)

O = Overig

O = Overig

M. Formulier voor de beschrijving van externe lijnverzwaring

N. Formulier voor de beschrijving van vogelschermen

Samenvatting van ingevoerde waarden

• Afstand tot de achtersteven

Zijboom

Achterdekboom

• Boomlengte

Boomlengte

• Aantal wimpels

Aantal wimpels

• Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

• Hoogte boven water

Hoogte boven water

• Kleur wimpels

Kleur wimpels

• Materiaal wimpels

Materiaal wimpels

Zij-/achterdekgordijn

Achterdekgordijn

• Gordijnlengte

Gordijnlengte

• Aantal wimpels

Aantal wimpels

• Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

• Hoogte boven water

Hoogte boven water

• Kleur wimpels

Kleur wimpels

• Materiaal wimpels

Materiaal wimpels

O. Standaard voor waarnemersgegevens verzameld tijdens een aanlanding of wanneer een vaartuig zich in de haven bevindt

Indien onder hun vlag varende vaartuigen onverwerkte (d.w.z. gehele vis waarvan geen delen zijn verwijderd), door de SPRFMO beheerde soorten aanlanden en deze aanlandingen het voorwerp van een waarneming vormen, mogen verdragsluitende partijen en CNCP's de volgende informatie verzamelen en verstrekken:

1. De volgende vaartuiggegevens voor elke waargenomen aanlanding:

(a)Huidige vlag van het vaartuig

(b)Naam van het vaartuig

(c)Registratienummer van het vissersvaartuig

(d)Internationale radioroepnaam (indien van toepassing)

(e)Lloyd's-/ IMO-nummer (indien toegewezen)

(f)Soort vaartuig (gebruik de toepasselijke ISSCFV-codes)

(g)Type vismethode(n) (gebruik de toepasselijke ISSCFG-codes)

2. De volgende waarnemersgegevens voor elke waargenomen aanlanding:

(a)Naam van de waarnemer

(b)Organisatie van de waarnemer

(c)Land van aanlanding (standaard drieletterige ISO-landencodes (alpha-3))

(d)Haven/plaats van aanlanding

3. De volgende gegevens voor elke waargenomen aanlanding:

(a)Datum en tijdstip van de aanlanding (UTC-formaat)

(b)Eerste dag van de reis – voor zover mogelijk

(c)Laatste dag van de reis – voor zover mogelijk

(d)Indicatief visserijgebied (decimale breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig – voor zover mogelijk)

(e)Belangrijkste doelsoort (FAO-soortencode).

(f)Toestand bij aanlanding per soort (FAO-soortencode)

(g)Aangeland (levend) gewicht per soort (kilogram) voor de waargenomen aanlanding

Daarnaast moeten lengtesamenstellingsgegevens, biologische gegevens, en/of merkerrecuperatiegegevens worden verzameld overeenkomstig de respectievelijk in de secties E, F en I van deze bijlage vastgestelde standaarden voor die soorten welke worden waargenomen tijdens aanlandingen of wanneer een vaartuig zich in de haven bevindt.

De secties G (Incidentele vangsten) en H (kwetsbare mariene ecosystemen) worden niet relevant geacht voor de waargenomen aanlandingen. De in de secties I (Recuperatie van merkers), J (Hiërarchieën) en K (Coderingsspecificaties) beschreven standaarden moeten echter steeds in acht worden genomen als zij van toepassing zijn.

BIJLAGE XI

Havenaanloopverzoek

Vaartuigidentificatie:

Naam van het vaartuig

Vlag van het vaartuig

IMO-vaartuig-nummer

Roepnaam

Externe identificatie

Havenaanloopgegevens:

Beoogde aanloophaven 2

Havenstaat

Doel 3 van de havenaanloop

Verwachte datum van aankomst

Verwacht tijdstip van aankomst

Huidige datum

Aan boord gehouden soorten onder SPRFMO-beheer:

Soort

FAO-vangst-

gebied

Staat product

Totaal aantal kilogram dat aan boord wordt gehouden

Over te laden/aan te landen hoeveelheid

Ontvanger van de overgeladen/

aangelande hoeveelheid

Indien er geen SPRFMO-soorten of van dergelijke soorten afkomstige visserijproducten aan boord worden gehouden, vul dan "nihil" in.

Relevante vismachtigingsgegevens:

Identificator

Afgegeven door

Geldigheid

Visserijgebied(en)

Soort

Vistuig 4

Is er een kopie van de bemanningslijst bijgevoegd? (JA/NEE)

BIJLAGE XII

Overzicht haveninspectieresultaten

Inspectiegegevens:

Nummer inspectieverslag

Naam hoofdinspecteur

Havenstaat

Inspecterende autoriteit

Haven van inspectie

Doel van de aanloop

Startdatum inspectie

Starttijdstip inspectie

Einddatum inspectie

Eindtijdstip inspectie

Voorafgaande kennisgeving ontvangen?

Gegevens voorafgaande kennisgeving in overeenstemming met inspectie?

Vaartuiggegevens:

Naam van het vaartuig

Vlag van het vaartuig

Vaartuigtype

IRCS

Externe identificatie

IMO-nummer

Eigenaar van het vaartuig

Exploitant van het vaartuig

Kapitein van het vaartuig
(en nationaliteit)

Gemachtigde van het vaartuig

VMS aanwezig?

VMS-type

Relevante vismachtigingen:

Identificator machtiging

Afgegeven door

Geldigheid

Visserijgebieden

Soort

Vistuig 5

Is het vaartuig in de SPRFMO-lijst van gemachtigde vaartuigen opgenomen?

Thans gemachtigd?

Soorten onder SPRFMO-beheer die zijn gelost (tijdens deze havenaanloop)

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde geloste hoeveelheid

Geloste hoeveelheid

Soorten onder SPRFMO-beheer die aan boord zijn gehouden

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde aan boord gehouden hoeveelheid

Aan boord gehouden hoeveelheid

Soorten onder SPRFMO-beheer die zijn ontvangen door overlading (tijdens deze havenaanloop):

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde ontvangen hoeveelheid

Ontvangen hoeveelheid

Onderzoeken en bevindingen:

Sectie

Opmerkingen

Onderzoek van logboeken
en andere documentatie

Type vistuig aan boord

Bevindingen door inspecteurs

Kennelijke inbreuken (neem een verwijzing naar de toepasselijke rechtsinstrumenten op)

Opmerkingen van de kapitein

Genomen maatregelen

Handtekening van de kapitein

Handtekening van de inspecteur

BIJLAGE XIII

Lijst van "andere probleemsoorten"

Wetenschappelijke naam

Gebruikelijke naam

Drielettercode

Carcharhinus longimanus

Oceanische witpunthaai

OCS

Carcharodon carcharias

Witte haai

WSH

Cetorhinus maximus

Reuzenhaai

BSK

Lamna nasus

Haringhaai

POR

Manta spp.

Mantaroggen

MNT

Mobula spp.

Mobula nei

RMV

Rhincodon typus

Walvishaai

RHN

(1)

   Code voor handels- en vervoerslocaties van de Verenigde Naties (UN/LOCODE).

(2) Moet een aangewezen haven zijn zoals opgenomen in het SPRFMO-havenregister.
(3) Bijvoorbeeld aanlanding, overlading, bijtanken.
(4) Indien de machtiging beperkt is tot overladingen, vul dan bij "vistuig" "overlading" in.
(5) Indien de machtiging betrekking heeft op overlading, vul dan bij "Vistuig" "overlading" in.
Top