Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017DC0768

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD JAARVERSLAG 2016 OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) Nr. 300/2008 INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART

COM/2017/0768 final

Brussel, 15.12.2017

COM(2017) 768 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

JAARVERSLAG 2016 OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) Nr. 300/2008 INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART


VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

JAARVERSLAG 2016 OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) Nr. 300/2008 INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART

Dit verslag betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december 2016

INLEIDING

2016 werd gekenmerkt door een sterke toename van de terroristische dreiging in het algemeen en voor de burgerluchtvaart in het bijzonder, met aanslagen op de luchthavens van Brussel en Istanbul. Onmiddellijk na de aanslag in Brussel heeft de Commissie een buitengewone vergadering van het Regelgevend Comité voor de beveiliging van de luchtvaart bijeengeroepen, waar de lidstaten tot de conclusie kwamen dat er weliswaar behoefte was aan bescherming van de publieke delen van luchthavens, waar de aanslagen plaatsvonden, maar dat maatregelen die ontworpen waren voor de bescherming van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van luchthavens niet geschikt waren om te worden toegepast aan de ingangen van terminalgebouwen. Deze zones moeten publiek toegankelijk blijven, en eventuele maatregelen moeten worden gebaseerd op lokale risicobeoordelingen, waar alle relevante autoriteiten en belanghebbenden bij worden betrokken. Zoals altijd het geval is voor het EU-luchtvaartbeveiligingsbeleid, moet een goed evenwicht in stand worden gehouden tussen beveiligingsbehoeften en andere belangrijke factoren, zoals reisgemak, privacy en bescherming van persoonsgegevens, en facilitering van operationele factoren. De uitwisseling van ervaringen en beste praktijken is belangrijk om de beveiliging met succes te kunnen versterken. De Commissie heeft haar voornemen uitgedrukt om deze uitwisseling te vergemakkelijken en om verdere maatregelen vast te stellen, voor zover passend. De Commissie heeft in november een workshop georganiseerd over de beveiliging van publieke vervoersruimten en heeft de opdracht gegeven voor een studie over de bescherming van zones aan de landzijde van luchthavens in de EU.

De VN-Veiligheidsraad heeft Resolutie 2309 (2016) inzake terroristische dreigingen voor de burgerluchtvaart goedgekeurd, waarin wordt opgeroepen om nauwer samen te werken om de veiligheid van luchtdiensten over de hele wereld te garanderen en terroristische aanslagen te voorkomen. In die resolutie worden alle landen ertoe opgeroepen om de internationale beveiligingsnormen van de ICAO opnieuw te bekijken en aan te passen aan terroristische dreigingen tegen de burgerluchtvaart, om de effectieve toepassing van de ICAO-normen en aanbevolen praktijken van bijlage 17 te versterken en te bevorderen, en om de ICAO te helpen haar programma's voor audit, capaciteitsontwikkeling en opleiding te blijven versterken, teneinde de toepassing ervan te ondersteunen. De Commissie draagt al bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen via haar reeds lang lopende samenwerking met de ICAO, en met name via haar initiatief voor capaciteitsopbouw CASE, dat tot doel heeft de beveiliging van de luchtvaart in Afrika en het Midden-Oosten te verbeteren.

Zoals in de voorbije jaren is de Commissie de wetgeving inzake de beveiliging van de luchtvaart blijven verduidelijken, harmoniseren en vereenvoudigen, overeenkomstig de doelstellingen van de EU op het gebied van betere regelgeving.

De Commissie is toezicht blijven houden op de tenuitvoerlegging van maatregelen voor de beveiliging van de luchtvaart door de lidstaten, zowel via EU-inspecties, die het hele jaar zijn uitgevoerd in nauwe samenwerking met de lidstaten, als via beoordelingen van de jaarlijkse kwaliteitscontroleverslagen van de lidstaten. De nalevingsniveaus zijn stabiel gebleven. In 2016 moest geen enkele EU-luchthaven tijdelijk worden uitgesloten van het "one stop security"-systeem van de EU om ernstige tekortkomingen te verhelpen.

DEEL EEN

De inspecties

1.Algemeen

Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart heeft tot doel wederrechtelijke daden tegen burgerluchtvaartuigen te voorkomen teneinde personen en goederen te beschermen.

De toepassing van het acquis inzake luchtvaartbeveiliging is gebaseerd op een twee-lagig systeem van toezicht op de naleving van de regelgeving: inspecties van de Commissie, aangevuld door de beoordeling van de jaarverslagen van de lidstaten, en nationale toezichtsactiviteiten (beveiligingsaudits, inspecties en tests) door elke lidstaat.

Bij artikel 15 van Verordening (EG) nr. 300/2008 is de Commissie verplicht inspecties uit te voeren, met inbegrip van inspecties van luchthavens, exploitanten en entiteiten die luchtvaartbeveiligingsnormen toepassen, teneinde toezicht te houden op de toepassing van de verordening door de lidstaten en, voor zover passend, aanbevelingen te doen ter verbetering van de beveiliging van de luchtvaart. Zwitserland is eveneens opgenomen in het EU-programma, terwijl Noorwegen en IJsland door de toezichthoudende autoriteit van de EVA worden geïnspecteerd op basis van parallelle bepalingen.

De Commissie beschikte in 2016 over een team van acht voltijdse luchtvaartbeveiligingsinspecteurs om haar inspectiewerkzaamheden uit te voeren. De inspectiewerkzaamheden worden ondersteund door een pool van bijna honderd nationale auditeurs die door de lidstaten, IJsland, Noorwegen en Zwitserland zijn aangewezen en die een opleiding van de Commissie hebben gevolgd om te mogen deelnemen aan inspecties van de Commissie. Sinds 2016 nemen ook inspecteurs van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Europese Burgerluchtvaartconferentie als volwaardige inspecteurs deel aan dit proces; het grote aantal nationale auditeurs die deelnemen aan inspecties van de Commissie zorgt voor een intercollegiale toetsing en maakt het mogelijk methoden en beste praktijken te verspreiden over de lidstaten. Bijlage 1 bevat een tabel met een overzicht van alle monitoringactiviteiten die de Commissie en de toezichthoudende autoriteit van de EVA in 2016 hebben uitgevoerd.

De inspecties van de Commissie zijn gebaseerd op Verordening (EU) nr. 72/2010, zoals gewijzigd, waarin de procedures zijn vastgesteld voor de uitvoering van inspecties van de Commissie op het gebied van luchtvaartbeveiliging. Deze verordening bevat onder meer bepalingen inzake de kwalificaties en bevoegdheden van inspecteurs van de Commissie en inzake het verloop van follow-upinspecties.

De methode voor het uitvoeren van deze inspecties is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de luchtvaartbeveiligingsautoriteiten van de lidstaten, en is gebaseerd op het onderzoek van de effectieve toepassing van beveiligingsmaatregelen. Om te garanderen dat de eisen en procedures voor de uitvoering van inspecties op een geharmoniseerde wijze worden geïnterpreteerd, zorgt de beveiligingseenheid van het DG MOVE voor de opstelling en actualisering van handboeken voor de inspectie van luchthavens en goederen. Deze handboeken bevatten ook gedetailleerde aanwijzingen en richtsnoeren voor alle luchtvaartbeveiligingsmaatregelen die vereist zijn uit hoofde van de EU-wetgeving. Voorts bevatten ze ook nadere informatie over alle organisatorische en praktische aspecten van inspecties van de Commissie. De handboeken zijn gerubriceerde EU-informatie en worden alleen ter beschikking gesteld van inspecteurs van de Commissie en de bevoegde autoriteit van elke lidstaat.

De Commissie voert inspecties uit van de luchtvaartbeveiligingsinstanties van de lidstaten (de "bevoegde autoriteiten") en van een beperkt aantal luchthavens, exploitanten en entiteiten die de luchtvaartbeveiligingsnormen toepassen. De inspecties van bevoegde autoriteiten hebben tot doel na te gaan of de lidstaten over de nodige instrumenten beschikken - met inbegrip van een nationaal kwaliteitscontroleprogramma, de nodige bevoegdheden en passende middelen - om de luchtvaartbeveiligingswetgeving van de Europese Unie goed te kunnen toepassen. De inspecties van luchthavens hebben tot doel na te gaan of de bevoegde autoriteit op passende wijze toezicht houdt op de effectieve toepassing van luchtvaartbeveiligingsmaatregelen en in staat is eventuele tekortkomingen snel op te sporen en te verhelpen. In beide gevallen moeten alle door de inspecteurs van de Commissie vastgestelde tekortkomingen binnen een vastgestelde termijn worden verholpen; de inspectieverslagen worden verspreid onder alle lidstaten.

Alle inspecties hebben plaatsgevonden zoals oorspronkelijk gepland; alleen de datum van één inspectie van een bevoegde autoriteit is licht gewijzigd.

Om de lidstaten feedback te geven over de inspecties, de transparantie te bevorderen en de methoden voor toezicht op de naleving te harmoniseren, heeft de Commissie in november een werkgroep met de hoofden van de afdelingen kwaliteitscontrole van de burgerluchtvaartbeveiliging van de lidstaten georganiseerd.

1.1    Meerjarig toezicht op de naleving door de Commissie

Om de Commissie passende garanties te bieden over het nalevingsniveau van de lidstaten, wordt gebruik gemaakt van een meerjarig monitoringprogramma. Om de twee jaar worden bewijzen verzameld over de toepassing van Verordening (EG) nr. 300/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan door elke lidstaat, ofwel aan de hand van een inspectie van de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat, ofwel aan de hand van een inspectie van minstens één luchthaven in die lidstaat. Om de vijf jaar worden bewijzen verzameld over de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen inzake luchtvaartbeveiliging aan de hand van een willekeurige selectie van EU-luchthavens die onder Verordening (EG) nr. 300/2008 vallen, met inbegrip van de grootste luchthaven in termen van passagiersaantallen in elke lidstaat.

Volgens de bepalingen van de kaderverordening hebben de lidstaten de primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de gemeenschappelijke basisnormen op luchthavens en door luchtvaartmaatschappijen en entiteiten die verantwoordelijk zijn beveiliging. De inspecties die de Commissie op willekeurig geselecteerde luchthavens heeft uitgevoerd, geven een goed beeld van het algemene nalevingsniveau in elke lidstaat.

De frequentie en het toepassingsgebied van de inspecties van de Commissie zijn vastgesteld in de strategie van het DG MOVE voor toezicht op de tenuitvoerlegging van de luchtvaartbeveiligingsnormen van de EU. In deze strategie wordt rekening gehouden met de omvang van de luchtvaartsector in elke lidstaat, een representatieve steekproef van het type luchthavenactiviteiten, de kwaliteit van de tenuitvoerlegging van de regelgeving inzake luchtvaartbeveiliging, resultaten van eerdere inspecties van de Commissie, beveiligingsincidenten (wederrechtelijke daden), dreigingsniveaus en andere factoren en beoordelingen die gevolgen hebben voor de frequentie en het toezicht.

Sinds 2010 ligt het nalevingspercentage dat is vastgesteld tijdens inspecties van de Commissie rond de 80 % (2010: 80 %, 2011: 80 %, 2012: 83 %, 2013: 80 %; 2014: 81 %, 2015: 80 %, 2016: 79 %) 1 ; dit relatief stabiele cijfer betekent echter niet dat de lidstaten hun inspanningen niet hebben opgedreven; integendeel, de lidstaten hebben hun inspanningen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart aanzienlijk opgedreven, mede omdat de eisen in de loop der jaren eveneens zijn toegenomen, met name op gebieden als vrachtbeveiliging, beveiligingsonderzoeken van vloeistoffen en gels of het gebruik van apparatuur voor de detectie van explosievensporen.

2.Inspecties van nationale bevoegde autoriteiten

De Commissie is in 2016 van start gegaan met de vijfde cyclus van inspecties van bevoegde autoriteiten. In totaal zijn acht bevoegde autoriteiten geïnspecteerd in de loop van het jaar. Voor de meeste lidstaten leverden deze inspecties aanzienlijke verbeteringen op in vergelijking met het verleden.

De tekortkomingen die in 2016 het vaakst werden vastgesteld, hadden betrekking op de tenuitvoerlegging van de nationale kwaliteitscontroleprogramma's. Sommige lidstaten hebben niet voldoende toezicht gehouden op de toereikendheid en tenuitvoerlegging van de beveiligingsprogramma’s van luchthavens, luchtvaartmaatschappijen en gereguleerde entiteiten, hebben niet regelmatig genoeg toezicht gehouden op buitenlandse luchtvaartmaatschappijen en hebben sommige uit hoofde van de verordening vereiste methoden voor toezicht op de naleving niet volledig toegepast, ten gevolge van de beperkte middelen en het stijgende aantal betrokken entiteiten. De meeste geïnspecteerde lidstaten hebben hun nationale programma’s voor de beveiliging van de luchtvaart wel in overeenstemming gebracht met de EU-wetgeving, hebben de meeste eisen met betrekking tot opleidingen op het gebied van beveiliging toegepast, voldeden aan de minimumfrequentie voor de inspectie van beveiligingsmaatregelen op luchthavens en hebben ervoor gezorgd dat vastgestelde tekortkomingen binnen de gestelde termijnen werden verholpen.

3.Eerste inspecties van luchthavens

In 2016 werden 26 luchthavens voor het eerst geïnspecteerd. Alle hoofdstukken werden behandeld overeenkomstig de toepasselijke beveiligingszones in elke luchthaven. Het totale percentage kernmaatregelen die in overeenstemming werden bevonden, bedroeg in 2016 79 %, ongeveer even veel als in de voorgaande jaren 2 .

Na het zevende jaar van de toepassing van Verordening (EG) nr. 300/2008, vormen de inspectieresultaten een weergave van de inspanningen van de bevoegde autoriteiten en entiteiten. De meeste beveiligingseisen die voortvloeien uit deze veeleisende wetgeving, werden correct ten uitvoer gelegd; het nalevingspercentage voor de belangrijkste gebieden van de beveiliging van de luchtvaart bleef stabiel rond 80 %. Wat de effectiviteit van de tenuitvoerlegging van bepaalde maatregelen betreft, is er echter nog ruimte voor verbetering.

Het merendeel van de geconstateerde tekortkomingen was nog steeds het gevolg van menselijke factoren. Ze deden zich vooral voor bij de praktische tenuitvoerlegging op gebieden waarop de eisen nieuw zijn of aanzienlijk zijn gewijzigd door de uitvoeringshandelingen van de verordening. Met name sommige bepalingen inzake toegangscontrole, beveiligingsonderzoeken van personeel en beveiligingsonderzoeken van handbagage vergen blijvende inspanningen door de bevoegde autoriteiten, belanghebbenden uit de sector en de Europese Commissie. Ook op het gebied van beveiligingsdoorzoekingen van luchtvaartuigen zijn verdere inspanningen noodzakelijk. Deze kwesties moeten worden aangepakt door verhoogde nationale kwaliteitscontrole op de betrokken gebieden.

Na de goede resultaten in 2014 en 2015 was ook in 2016 het nalevingsniveau opnieuw hoog met betrekking tot beveiligingsonderzoeken van ruimbagage, vlucht- en luchthavenbenodigdheden, opleiding en beveiligingsapparatuur; dit was het gevolg van het nog toegenomen bewustzijn en de praktische ervaring met de herziene uitvoeringswetgeving, die de duidelijkheid en samenhang van de maatregelen hebben verbeterd.

4.Follow-upinspecties

Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 72/2010 van de Commissie, zoals gewijzigd, behoort het tot de routinetaken van de Commissie om een beperkt aantal follow-upinspecties uit te voeren. Een dergelijke inspectie wordt gepland wanneer ernstige tekortkomingen zijn vastgesteld tijdens de eerste inspectie, maar ook op willekeurige basis, teneinde de nauwkeurigheid van de nationale activiteiten inzake rapportering en toezicht op de naleving te controleren. In 2016 zijn vier van dergelijke inspecties uitgevoerd; de conclusie luidde dat de meeste vastgestelde tekortkomingen waren rechtgezet.

5.Beoordelingen van de jaarlijkse kwaliteitscontroleverslagen van de lidstaten

Krachtens punt 18 van bijlage II van Verordening (EU) nr. 18/2010 van de Commissie van 8 januari 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat specificaties voor nationale kwaliteitscontroleprogramma’s op het gebied van beveiliging van de burgerluchtvaart betreft, moeten de lidstaten jaarlijks een verslag indienen bij de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening na te komen en over de luchtvaartbeveiligingssituatie op de luchthavens op hun grondgebied. De inhoud van het verslag moet beantwoorden aan aanhangsel III, waarbij gebruik moet worden gemaakt van een door de Commissie ter beschikking gesteld model.

De beoordeling van deze verslagen vormt, samen met de regelmatige inspecties van de Commissie, een instrument voor de Commissie om nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van robuuste nationale kwaliteitscontrolemaatregelen die het mogelijk maken tekortkomingen in elke lidstaat snel op te sporen en te verhelpen.

De beoordeling heeft betrekking op de analyse van regelmatig toezicht op luchthavens, luchtvaartmaatschappijen en andere entiteiten met verantwoordelijkheden op het gebied van luchtvaartbeveiliging, op het aantal mandagen dat wordt gespendeerd aan toezicht op het terrein, op het toepassingsgebied en de frequentie van een geschikte mix van activiteiten voor toezicht op de naleving, nationale nalevingsniveaus, follow-upactiviteiten en het gebruik van handhavingsbevoegdheden.

De resultaten van de evaluatie van de jaarverslagen van 2016 hebben belangrijke verbeteringen aan het licht gebracht ten opzichte van 2015 voor wat betreft het toepassingsgebied, de nalevingsniveaus, de follow-upactiviteiten en de handhavingsmaatregelen die worden gebruikt om ervoor te zorgen dat vastgestelde tekortkomingen worden verholpen en zich niet opnieuw voordoen in de meeste lidstaten. Uit de verslagen is echter ook gebleken dat sommige lidstaten nog steeds moeilijkheden ondervinden met de tenuitvoerlegging van het regelmatig toezicht op luchtvaartmaatschappijen en entiteiten, de frequentie van de inspecties van luchthavens met aanzienlijke passagiersaantallen en het testen van sommige aspecten die onder de verordening vallen.

In de toekomst zal de Commissie een formele uitgebreide evaluatie sturen naar elke lidstaat afzonderlijk, waarin wordt gewezen op de tekortkomingen of zwakke punten en de lidstaten worden verzocht passende corrigerende maatregelen in te dienen. De Commissie zal de uitvoering van deze actieplannen van nabij volgen; als de lidstaten het bestaan van de tekortkomingen of zwakke punten bevestigen en geen passende corrigerende maatregelen nemen, zal formele actie worden ondernomen. Ook bij de planning van de inspecties zal rekening worden gehouden met de resultaten van deze beoordeling; dit kan leiden tot een verhoging van de inspectiefrequentie.

6.Beoordelingen van luchthavens in derde landen

In de loop van het jaar is een beoordeling van één Amerikaanse luchthaven uitgevoerd in het kader van de werkafspraken (Working Arrangement) met de Transportation Security Administration van de VS, die zijn opgesteld in het kader van de EU-VS-luchtvervoersovereenkomst 3 . Dergelijke beoordelingen vinden regelmatig plaats in de context van "one stop security"; deze beoordeling bevestigde dat bij de toepassing van VS-beveiligingsmaatregelen nog steeds een norm wordt gehanteerd die gelijkwaardig is aan de normen van de luchtvaartbeveiligingswetgeving van de EU.

Op de luchthaven van Jakarta is een beoordeling van de toepassing van beveiligingscontroles van vracht uitgevoerd, op basis van een bilaterale overeenkomst.

7.Openstaande dossiers, "artikel 15"-gevallen en juridische procedures

Een inspectiedossier wordt pas gesloten wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat passende corrigerende maatregelen zijn genomen. De duur van een dossier is dus afhankelijk van de medewerking van de betrokken lidstaat. 28 inspectiedossiers (16 dossiers over luchthaveninspecties en 12 over inspecties van bevoegde autoriteiten) zijn gesloten. In totaal stonden aan het einde van het jaar acht dossiers over bevoegde autoriteiten en 13 over luchthavens nog steeds open.

Als de in een luchthaven vastgestelde tekortkomingen bij de toepassing van beveiligingsmaatregelen zo ernstig worden geacht dat ze een grote invloed hebben op het algemene niveau van de beveiliging van de burgerluchtvaart in de Unie, past de Commissie artikel 15 van Verordening (EU) nr. 72/2010 van de Commissie toe. Dit betekent dat alle andere bevoegde autoriteiten in kennis worden gesteld van de situatie en dat compensatiemaatregelen moeten worden overwogen met betrekking tot vluchten van of naar die luchthaven. In 2016 moest geen enkel "artikel 15"-geval worden ingeleid.

Ongeacht of artikel 15 wordt toegepast, beschikt de Commissie nog over een andere mogelijkheid, met name in gevallen waarin de tekortkoming langdurig aanhoudt of zich opnieuw voordoet, namelijk het inleiden van een inbreukprocedure. In 2016 is één inbreukprocedure, die in 2014 was ingeleid naar aanleiding van de inspectie van een nationale overheidsdienst en was voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie, gesloten. De lidstaat in kwestie had nagelaten regelmatig toezicht te houden op de naleving van bepaalde beveiligingsmaatregelen op een aantal luchthavens op zijn grondgebied. Nadat de lidstaat bewijzen had ingediend waaruit bleek dat hij de EU-wetgeving niet meer overtrad, heeft de Commissie de zaak, die hangende was bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingetrokken.

DEEL TWEE

Wetgeving en aanvullende instrumenten

1.Wetgeving

De burgerluchtvaart blijft een aantrekkelijk doelwit voor terroristische groepen. Om het hoofd te bieden aan deze bedreiging moeten evenredige en risicogebaseerde beschermingsmaatregelen worden toegepast. De Commissie en de lidstaten passen de risicobeperkende maatregelen voortdurend aan om een zo hoog mogelijk beveiligingsniveau te bereiken en tegelijk de nadelige effecten op de luchtvaartactiviteiten tot een minimum te beperken.

Verordening (EU) 2016/2096 van 30 november 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1254/2009 tot vaststelling van criteria waaraan lidstaten moeten voldoen om te mogen afwijken van de gemeenschappelijke basisnormen inzake beveiliging van de burgerluchtvaart en om alternatieve beveiligingsmaatregelen te mogen vaststellen, is in november 2016 door de Commissie vastgesteld. In deze verordening heeft de Commissie de eisen voor risicobeoordelingen verduidelijkt en de types activiteiten van bepaalde categorieën luchtverkeer die in deze verordening zijn opgesomd, gespecificeerd, teneinde de rechtszekerheid te verbeteren.

Om ten minste gedeeltelijk een oplossing te vinden voor het chronische tekort aan luchtvaartbeveiligingsinspecteurs en om wederzijdse uitwisselingen aan te moedigen, heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/472 van 31 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 72/2010 met betrekking tot de definitie van het begrip "inspecteur van de Commissie" (Voor de EER relevante tekst) vastgesteld. Bij deze verordening worden nu ook inspecteurs van de EVA-staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC) opgenomen in de groep van "inspecteurs van de Commissie".

2.EU-gegevensbank betreffende de beveiliging van de toeleveringsketen (UDSCS)

Sinds 1 juni 2010 is de gegevensbank van erkende agenten en bekende afzenders 4 het enige wettelijke primaire instrument dat erkende agenten moeten raadplegen bij het aanvaarden van zendingen van een andere erkende agent of bekende afzender. Sinds 1 februari 2012 is deze gegevensbank uitgebreid met de lijst van luchtvaartmaatschappijen die vracht en post vanaf luchthavens in derde landen naar de EU mogen vervoeren (ACC3). In 2013 is deze gegevensbank bij wet verder uitgebreid met de lijst van EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateurs die zijn erkend door de lidstaten. De gegevensbank werd ook omgedoopt tot "EU-gegevensbank betreffende de beveiliging van de toeleveringsketen" 5 , omdat dit beter aansluit bij het uitgebreide toepassingsgebied ervan. Eind 2016 bevatte de gegevensbank ongeveer 14 000 erkende agenten, bekende afzenders, onafhankelijke validateurs en ACC3-entiteiten. De beoogde beschikbaarheid van 99,5 % werd in 2016 steeds gehaald.

DEEL DRIE

Tests, studies en nieuwe initiatieven

1.Tests

In de zin van de EU-luchtvaartbeveiligingswetgeving wordt een "test" uitgevoerd wanneer een lidstaat met de Commissie overeenkomt dat hij gedurende een beperkte periode bepaalde niet in de wetgeving erkende middelen of methoden zal gebruiken ter vervanging van een erkende beveiligingsmethode, op voorwaarde dat dergelijke tests geen negatieve gevolgen hebben voor het algemene beveiligingsniveau. In juridische zin wordt niet van "test" gesproken wanneer een lidstaat of entiteit een evaluatie uitvoert van een nieuwe beveiligingsmethode die wordt gebruikt naast een of meer methoden die al onder de wetgeving vallen.

In de loop van 2016 zijn tests en evaluaties uitgevoerd in Nederland en Frankrijk. Deze hadden betrekking op het gebruik van een nieuwe generatie van apparatuur voor beveiligingsonderzoeken van handbagage, waarbij het niet meer nodig is laptops vóór het beveiligingsonderzoek uit de bagage te halen, en op het gebruik van schoenmetaaldetectoren in combinatie met metaaldetectiepoortjes en beveiligingsscanners. Beide tests hebben in de loop van 2016 positieve resultaten opgeleverd; de evaluatieperiode zal in 2017 worden stopgezet.

2.Studies en verslagen

In oktober 2016 heeft de Commissie een studie 6 ontvangen over de optimalisering van de beveiligingsonderzoeken van vloeistoffen op luchthavens, teneinde de beperkingen op vloeistoffen in de toekomst te kunnen opheffen. In 2006 hebben terroristen geprobeerd een vliegtuig op een trans-Atlantische vlucht op te blazen met vloeibare explosieven; in het daaropvolgende decennium zijn de beveiligingsmaatregelen op luchthavens over de hele wereld sterk opgedreven, met alle gevolgen vandien voor passagiers die vloeistoffen, spuitbussen en gels voor dagelijks gebruik wilden meenemen op hun reis. In de studie werd nagegaan hoe vaak passagiers dergelijke producten meenamen op hun reizen, welke gevolgen toekomstige technologische ontwikkelingen zouden hebben voor de screeningcapaciteit op luchthavens en of de beperkingen in de toekomst geheel of gedeeltelijk kunnen worden opgeheven.

3.Nieuwe initiatieven

Er werd ook verdere vooruitgang geboekt met betrekking tot het stappenplan voor de ontwikkeling van technologieën voor luchtvaartbeveiliging. Dit stappenplan bevat verschillende activiteiten met betrekking tot alle aspecten van beveiligingstechnologie en -methoden en dient als referentie voor alle Europese belanghebbenden die betrokken zijn bij onderzoek op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart.

Wat vracht betreft, is de Commissie nauw blijven samenwerken met de lidstaten om te onderhandelen over de uitvoering van een regeling voor vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen (pre-loading advance cargo information, PLACI). In deze context is de samenwerking met de douane voortgezet in het kader van de lopende internationale oefening binnen de gezamenlijke werkgroep van de ICAO/WCO inzake vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen; de DG's MOVE en TAXUD van de Commissie spelen een actieve rol in deze werkgroep. Het doel van deze oefening is om met staten en belanghebbenden afspraken te maken over gemeenschappelijke beginselen en mogelijke normen, alsook aanbevolen praktijken die kunnen worden vastgesteld en toegepast als een staat of regio beslist dit concept toe te passen in één of alle bedrijfsmodellen op het gebied van luchtvracht en -post.

EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateurs spelen een sleutelrol in de totstandbrenging en het onderhoud van een robuuste beveiligde toeleveringsketen voor binnenkomende vracht en post. In het kader van haar beleid inzake nauwe samenwerking met belanghebbenden heeft de Commissie op 17 en 18 oktober 2016 een workshop voor EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateurs georganiseerd; tijdens deze workshop werden de deelnemers in kennis gesteld van de recentste ontwikkelingen in het beleid voor de beveiliging van luchtvracht en werden beste praktijken uitgewisseld teneinde de gebruikte methoden te standaardiseren en de efficiëntie en effectiviteit van het valideringsproces te verbeteren.

De aanslagen van 2016 hebben de focus van de beveiliging van het vervoer doen verschuiven naar de bescherming van publiek toegankelijke ruimten, zoals luchthaventerminals 7 ; op 7 en 8 november 2016 heeft de Commissie een workshop georganiseerd om dit probleem te bespreken; daarbij werd rekening gehouden met de conclusies van de lidstaten na de aanslag op de luchthaven van Brussel, en werd benadrukt dat dergelijke ruimtes toegankelijk moeten blijven voor het publiek en dat maatregelen moeten worden genomen op basis van lokale risicobeoordelingen, waarbij moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen beveiligingbehoeften, de werking van de luchthaven en het gemak voor de reizigers. Aangezien de beveiliging van dergelijke ruimtes vaak onder de bevoegdheid van verschillende instanties en belanghebbenden valt, had de workshop ook tot doel de uitwisseling van informatie tussen afgevaardigden van ministeries van vervoer en binnenlandse zaken, de politie en andere belanghebbenden, zoals luchthavens, exploitanten en passagiersverenigingen, te bevorderen. Het werd duidelijk dat er voor dit probleem geen uniforme oplossing bestaat die op dezelfde wijze kan worden toegepast op alle luchthavens; de deelnemers aan de workshop benadrukten dat het belangrijk was lokale risicobeoordelingen uit te voeren en in elk afzonderlijk geval na te gaan welke zwakke punten aan het licht zijn gekomen door een specifieke combinatie van technologische, procedurele en methodologische oplossingen. Aan het einde van het jaar heeft de Commissie opdracht gegeven voor een studie die tot doel had beste praktijken te verzamelen bij Europese luchthavens en deze, voor zover mogelijk, te analyseren vanuit kosten-batenperspectief.

DEEL VIER

Overleg met internationale organen en derde landen

1.    Algemeen

De Commissie onderhoudt contacten met internationale organen en belangrijke handelspartners en neemt deel aan internationale bijeenkomsten, zoals de jaarlijkse vergadering van het Aviation Security Panel van de ICAO, en zorgt voor de coördinatie van de EU-standpunten. Met bepaalde landen, zoals de Verenigde Staten, Canada, Australië enz. worden bilaterale contacten onderhouden, zodat de Commissie inzicht kan krijgen in en een vertrouwensrelatie kan opbouwen met landen die luchtvaartbeveiliging op dezelfde wijze benaderen.

2.    Internationale organen

De Commissie heeft deelgenomen aan de jaarvergadering van het beveiligingspanel van de ICAO, dat van 14 tot en met 18 maart plaatsvond in Montreal; ze heeft er twee papers gepresenteerd over de ontwikkelingen op het gebied van luchtvaartbeveiliging in de Europese Unie en over het Europese project voor beveiliging van de burgerluchtvaart in Afrika en op het Arabisch schiereiland (het CASE-project). De eerste paper betrof de ontwikkelingen ter verbetering van de beveiliging van de burgerluchtvaart in de Europese Unie en de recente initiatieven om one-stop-shop-beveiliging tot stand te brengen. Op dit ogenblik bestaat one-stop-shop-beveiliging met de VS, Canada en Montenegro. De tweede paper gaf een beschrijving van het CASE-project, dat officieel van start is gegaan op 1 november 2015. Dit vier jaar durende project (2015-2019) heeft betrekking op activiteiten voor capaciteitsopbouw in partnerlanden in Afrika en op het Arabisch schiereiland. Het project wordt gefinancierd door de Europese Unie (EU) en uitgevoerd door de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC).

De Commissie heeft deelgenomen aan de driejaarlijkse algemene vergadering van de ICAO, die van 27 september tot en met 7 oktober 2016 plaatsvond in Montreal, en heeft er drie papers gepresenteerd. De eerste paper had betrekking op de prioriteiten op het gebied van luchtvaartbeveiliging en bevatte voorstellen die gebaseerd waren op de lessen die zijn getrokken uit de toepassing van resolutie A38-15 van de ICAO en het ICAO-werkprogramma voor de periode 2014-16. De tweede ging over cyberbestendigheid in de burgerluchtvaart, en werd mede gesponsord door de VS. In deze paper wordt beargumenteerd dat een burgerluchtvaartsysteem bestaat uit een lappendeken van onderling verbonden componenten, systemen en netwerken. Het risico op cyberincidenten die de communicatie en informatie-uitwisseling tussen de verschillende belanghebbenden in de luchtvaart in gevaar brengt en gevolgen heeft voor de veiligheid, beveiliging en de bedrijfscontinuïteit in de luchtvaart, is in de loop der jaren toegenomen. De ICAO heeft erkend dat het belangrijk is de cyberbeveiliging van de burgerluchtvaart op passende wijze aan te pakken, maar er zijn nog steeds extra inspanningen nodig om het mondiale bewustzijn te vergroten en een wereldwijd coherente aanpak van de cyberbestendigheid van het luchtvaartsysteem te ontwikkelen. De laatste paper had betrekking op de aanpak van uitdagingen op het gebied van capaciteitsopbouw. In die paper werd gesteld dat activiteiten voor capaciteitsopbouw, of ze nu door de ICAO, individuele landen, regionale organisaties of de sector zelf worden georganiseerd, een cruciale rol spelen ter ondersteuning van de inspanningen van de lidstaten om tot een effectieve en duurzame naleving van de normen en aanbevolen praktijken van de ICAO te komen. Het effectieve beheer van activiteiten voor capaciteitsopbouw is dan ook van cruciaal belang om concrete resultaten te boeken.

3.    Derde landen

Zoals in het verleden heeft de Commissie actief overleg gepleegd met de Verenigde Staten over luchtvaartbeveiligingskwesties, met name in de EU-VS-groep "samenwerking op het gebied van de beveiliging van vervoer" (Transportation Security Cooperation Group, TSCG). De TSCG heeft tot doel de samenwerking te bevorderen op een aantal gebieden van wederzijds belang en te garanderen dat de "one-stop security"-regelingen blijven werken en dat de respectieve regelingen van de EU en de VS inzake luchtvracht en -post wederzijds worden erkend. Beide initiatieven leveren luchtvervoersondernemingen tijds- en kostenbesparingen op en doen de operationele complexiteit afnemen.

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2426 van de Commissie van 18 december 2015 is op 29 februari 2016 in werking getreden; sinds die datum is one-stop-security dus effectief uitgebreid naar Canada en Montenegro. In die uitvoeringsverordening wordt erkend dat deze twee landen beveiligingsnormen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de gemeenschappelijke basisnormen inzake beveiliging van de burgerluchtvaart.

(1)      Om de verenigbaarheid van deze inspanningen te garanderen en de nalevingsniveau in de loop van de tijd te kunnen beoordelen, maakt de Commissie gebruik van een berekeningsmethode voor de nalevingsindicator waarin alleen de belangrijkste en meest geïnspecteerde beveiligingseisen worden opgenomen. Het gaat onder meer om de eisen met betrekking tot de beveiliging van luchthavens, luchtvaartuigen, passagiers, handbagage en ruimbagage. De beveiligingseisen worden gebundeld en in hun geheel beoordeeld, waarbij een vaste weegfactor wordt toegepast die het niveau van de tenuitvoerlegging per cluster weerspiegelt:De totale nalevingsindicator voor een bepaald jaar is de som van de gewogen factoren, gedeeld door het aantal geclassificeerde reeksen direct met elkaar verband houdende maatregelen.
(2)      Zie voetnoot 1.
(3)    PB L 134 van 25.5.2007, blz. 4.
(4)      Het gebruik van deze gegevensbank, die door de Commissie is opgezet, is krachtens Verordening (EG) nr. 185/2010 en Besluit C(2010) 774 verplicht voor alle actoren in de toeleveringsketen.
(5)      Verordening (EU) nr. 1116/2013 van de Commissie 6 november 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010, PB L 299 van 9.11.2013, blz. 1.
(6) De studie werd uitgevoerd door het adviesbureau Steer Davies Gleave.
(7) Andere types van openbare vervoersruimten zijn trein- en metrostations en multimodale platforms.
Top

Brussel, 15.12.2017

COM(2017) 768 final

BIJLAGEN

bij

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

JAARVERSLAG 2016 OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) Nr. 300/2008 INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART


Bijlage 1

Inspecties van bevoegde autoriteiten en luchthavens door de Commissie (eerste inspecties en follow-upinspecties), op 31.12.2016

Land

Aantal inspecties in de periode
01/2016-12/2016

Totaal aantal inspecties sinds 2004

Oostenrijk

2

14

België

1

17

Bulgarije

1

12

Kroatië

2

6

Cyprus

1

9

Tsjechië

0

11

Denemarken

1

16

Estland

0

8

Finland

1

14

Frankrijk

3

27

Duitsland

3

28

Griekenland

2

19

Hongarije

0

10

Ierland

2

15

Italië

3

25

Letland

0

8

Litouwen

1

8

Luxemburg

0

9

Malta

1

7

Nederland

2

15

Polen

1

16

Portugal

2

17

Roemenië

1

9

Slowakije

0

9

Slovenië

1

8

Spanje

2

25

Zweden

1

18

Verenigd Koninkrijk

2

28

Niet-EU-lidstaat: Zwitserland

2

10

TOTAAL

38

418



Inspecties van bevoegde autoriteiten en luchthavens door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (eerste inspecties en follow-upinspecties), op 31.12.2016

Land

Aantal inspecties in de periode 01/2016-12/2016

Totaal aantal inspecties sinds 2004

IJsland

2

13

Noorwegen

2

50

TOTAAL

4

63



Bijlage 2

Aanvullende wetgeving die in de loop van 2016 is vastgesteld

Verordening (EU) 2016/2096 van 30 november 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1254/2009 tot vaststelling van criteria waaraan lidstaten moeten voldoen om te mogen afwijken van de gemeenschappelijke basisnormen inzake beveiliging van de burgerluchtvaart en om alternatieve beveiligingsmaatregelen te mogen vaststellen , PB L 326 van 1.12.2016, blz. 7.

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/472 van 31 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 72/2010 met betrekking tot de definitie van het begrip "inspecteur van de Commissie" (Voor de EER relevante tekst), PB L 85 van 1.4.2016, blz. 28.

Top