Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017AR1995

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Actieplan voor een maritieme strategie in het Atlantische gebied — Totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei

PB C 164 van 8.5.2018, pp. 77–81 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 164/77


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Actieplan voor een maritieme strategie in het Atlantische gebied — Totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei

(2018/C 164/13)

Rapporteur:

Jerry LUNDY (IE/ALDE), lid van de graafschapsraad van Sligo

Referentiedocument:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Actieplan voor een maritieme strategie in het Atlantische gebied — Totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei

COM(2013) 279 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is ingenomen met de tussentijdse beoordeling van het actieplan voor een Atlantische strategie, die zoals de Europese Commissie had voorgesteld eind 2017 moet zijn afgerond, en met het feit dat het Comité werd geraadpleegd door de Europese Commissie met een verzoek om advies uit te brengen over de tussentijdse beoordeling, waarvan de uitkomst zal worden meegenomen in de algemene beoordeling die met de lidstaten en regio’s zal worden besproken.

2.

Het CvdR wijst op zijn eerdere werkzaamheden op het gebied van de blauwe economie (zoals NAT-VI-018; NAT-VI-019; NAT-V-21, NAT-V-44 en COTER-VI-022) (1).

3.

De problemen van in het Atlantische gebied gelegen regio’s en landen kunnen nog beter worden aangepakt en meer concrete resultaten opleveren wanneer dit gebeurt in het kader van een actieplan, en de lidstaten en regio’s kunnen meer concrete resultaten bereiken door nauwer samen te werken.

4.

Het actieplan kan ervoor zorgen dat de verschillende EU-beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten een grotere impact hebben door deze nauwer op elkaar af te stemmen. Maar als de financieringsinstrumenten van de EU worden uitgevoerd via nationale instrumenten en/of regionale programma’s, dan is de rol van de nationale en regionale beleidsmakers van cruciaal belang.

5.

Het CvdR wijst op het kwetsbare karakter van veel kustgemeenschappen in het Atlantische gebied. Het is dan ook zaak dat meer wordt ingezet op het aantrekken van investeringen en particuliere bedrijvigheid in de blauwe economie, om bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van deze gebieden.

6.

Een doeltreffend gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) is cruciaal om de doelstellingen van de strategie te verwezenlijken. Het CvdR stelt echter met bezorgdheid vast dat er momenteel geen goed mechanisme voorhanden is om de impact van de blauwe economie in deze gebieden te meten (2).

7.

Als gevolg van de keuze voor een ecosysteemaanpak en de goedkeuring van de richtlijn inzake maritieme ruimtelijke ordening, hebben de autoriteiten nu volledig rekening te houden met alle soorten activiteiten bij de toewijzing van ruimte in hun wateren. Wel merkt het CvdR op dat de relevante plannen wellicht pas in maart 2021 definitief worden goedgekeurd. Deze verplichting heeft tot nu toe als grootste verdienste gehad dat de productie van offshorewindenergie hiermee is vergemakkelijkt. Het Comité wijst bovendien op de bijdrage van verschillende Interreg-programma’s aan dit proces, en de steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) aan grensoverschrijdende projecten in de periode 2014-2016 om te helpen bij het maritieme ruimtelijke ordeningsproces.

8.

Het CvdR stelt vast dat de maatregelen in het kader van het LeaderSHIP 2020-initiatief van de Europese Commissie om de beschikbare vaardigheden af te stemmen op de vraag van de arbeidsmarkt, met name in de scheepsbouw, hernieuwbare offshore-energiebronnen en nieuwe innovatieve maritieme vaardigheden, hun vruchten beginnen af te werpen. Het stelt tevens vast dat ook innovatie en partnerschappen aan bod komen in Horizon 2020, maar het schaart zich achter de oproep van de Conferentie van perifere en maritieme regio’s (CPMR) om een hoger budget uit te trekken voor de oproep van het EFMZV om projectvoorstellen in te dienen in het kader van „Blue Careers in Europe,” dat betrekking heeft op de opleidingsbehoeften in de Europese zeegebieden, met name als het gaat om beroepen in de zeevisserijsector, die met ernstige problemen in verband met de generatieopvolging worden geconfronteerd.

9.

Het CvdR is het eens met het standpunt in het Commissiedocument „Report of the Blue Growth Strategy — Towards more sustainable growth and jobs in the blue economy” SWD(2017) 128 final (Verslag over de strategie voor blauwe groei — Duurzamere groei en werkgelegenheid in de blauwe economie), namelijk dat kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG’s) ervoor kunnen zorgen dat innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld, maar merkt op dat er nog geen enkele KIG is die zich specifiek bezighoudt met maritieme en mariene aangelegenheden. Het herhaalt daarom zijn oproep om een speciale KIG voor de blauwe economie op te richten, als extra maatregel voor het ontwikkelen van vaardigheden en het overdragen van ideeën uit het mariene onderzoek naar het bedrijfsleven (3).

10.

Mariene technologie kan potentieel zorgen voor nieuwe werkgelegenheid en extra inkomsten, en de sector kan nog verder groeien op terreinen zoals hernieuwbare energie en demonstratie van mariene technologieën. Wel kleeft er een risico aan dit soort investeringen, en het gebrek aan kennis en relevante gegevens bemoeilijken de toegang tot deze sector. Het CvdR vindt het een goede zaak dat in het kader van Horizon 2020 prioriteit wordt gegeven aan blauwe groei, maar erkent dat er meer inspanningen moeten worden gedaan om de toegang tot financiering voor innovatieve bedrijven en initiatieven op dit gebied te vergemakkelijken.

11.

Erkend moet worden dat de visserijactiviteiten in het Atlantische gebied nog altijd bijdragen aan de instandhouding van het economisch en sociaal potentieel, dat zij van groot belang zijn en dat de vangstactiviteiten geleidelijk moeten worden aangepast met het oog op de ecologische duurzaamheid. Ook wordt er nadrukkelijk op gewezen dat zij kunnen bijdragen tot een herverdeling van de welvaart en tot sociale samenhang, dat de verwerkings- en de afzetsector van visserijproducten kunnen helpen om toegevoegde waarde te creëren en dat zij van cruciaal belang blijven voor de levering van kwaliteitsvolle voedselproducten.

12.

Het CvdR is bezorgd over het feit dat de beheersmaatregelen die door de EU worden genomen om kwetsbare ecosystemen in stand te houden, in het bijzonder de diepzeevisserij, tot dusverre gemengde resultaten hebben opgeleverd, en dat de termijn voor het rapporteren van een goede milieutoestand uit hoofde van de kaderrichtlijn mariene strategie gestaag dichterbij komt.

13.

Het CvdR erkent dat nu beter kan worden gereageerd op dreigingen en noodsituaties, met name dankzij de goedkeuring van het Copernicusprogramma in 2014, dat solidere gegevens heeft opgeleverd voor het meten van de oppervlaktetemperatuur van de oceanen, en een meer doeltreffende operationele basisdienst voor oceaanprognoses. Het in kaart brengen van de zeebodem is vooralsnog het meest concrete samenwerkingsresultaat dat voortvloeit uit de Verklaring van Galway van 2013 ter lancering van een trans-Atlantische alliantie voor oceaanonderzoek tussen de EU, de VS en Canada.

Het belang van gegevens voor de methodologische ontwikkeling van de blauwe economie op lokaal en regionaal niveau

14.

Het Comité merkt op dat de impact van de blauwe economie op regionaal en lokaal niveau nog niet ten volle kan worden gemeten, aangezien een systeem van indicatoren op grond van betrouwbare gegevens, om de precieze gevolgen in kaart te brengen van activiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op de zee, nog moet worden ontwikkeld; dit vraagt om een verregaande samenwerking tussen de Europese Commissie en de betrokken lidstaten (4). Het Comité wijst in dit verband op het werk van de commissie-Coter met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen op de NUTS-verordening, met name de suggestie om kustgebieden en eilanden op te nemen in de toekomstige territoriale typologieën. Dit zou bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van passende indicatoren (die verder gaan dan het bbp) voor het meten van blauwe economische bedrijvigheid.

15.

Vanwege de complexiteit en de omvang van de middelen die vereist zijn om de blauwe economie op lokaal en regionaal niveau te ontwikkelen, beveelt het CvdR aan om bestaande regionale strategieën voor slimme specialisatie als uitgangspunt te gebruiken voor het aanwijzen van nieuwe kansen in de sectoren van de blauwe economie. In combinatie met gerichte effectbeoordelingen zouden dergelijke strategieën de lokale en regionale overheden kunnen helpen om te bepalen wat de meest geschikte sectoren zijn.

Slimmere inzet van financieringsinstrumenten

16.

Het CvdR dringt er bij de lidstaten op aan om de doelstellingen van het actieplan op te nemen in hun operationele programma’s van het ERDF. Het succes van de Atlantische strategie en het actieplan valt of staat met de wil van de in het Atlantische gebied gelegen lidstaten om hun inspanningen op de in het actieplan beschreven samenwerkingsgebieden te coördineren.

17.

Het CvdR kan zich vinden in de volgende opmerking in het werkdocument van de Commissie „Report on the Blue Growth Strategy Towards more sustainable growth and jobs in the blue economy” (SWD(2017) 128 final):

„Over het algemeen lijken er in de verschillende operationele programma’s relatief weinig financiële middelen specifiek te worden uitgetrokken voor de prioriteiten van de Atlantische strategie, terwijl er potentieel veel financiële middelen beschikbaar zouden kunnen worden gesteld voor acties en prioriteiten die niet specifiek zijn voor de maritieme sector. Hierin ligt een grote uitdaging voor nationale en regionale beheersautoriteiten. Daarentegen worden de financiële middelen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij wel degelijk gericht op de doelstelling van de Atlantische strategie” (document niet beschikbaar in het NL, eigen vertaling).

18.

Om geloofwaardig te zijn, moet de gemeenschappelijke strategie voor de ontwikkeling van het Europese Atlantische Oceaangebied en de Atlantische regio’s worden uitgerust met een eigen financieringsinstrument. De oprichting van een adequaat fonds om de uitvoering van het actieplan mogelijk te maken, zou onderwerp moeten zijn van het debat over het meerjarig financieel kader, dat de basis zal vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU voor de periode na 2020. De integratie van de doelstellingen voor het Atlantische actieplan en de Atlantische strategie in het MFK is bijzonder relevant gezien het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de Unie te verlaten en de negatieve gevolgen van dat besluit voor de algemene EU-begroting.

19.

In dit verband verwijst het CvdR naar zijn advies over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020, waarin het opmerkte dat macroregionale en maritieme strategieën voor de deelnemende regio’s en burgers een belangrijke meerwaarde vormen, mits de bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten gecoördineerd voor de strategieën gebruikt kunnen worden.

20.

Het CvdR herinnert aan zijn voorstel in advies NAT-VI/019 om regionale of interregionale platforms voor de blauwe economie op te richten. Het wijst erop dat verschillende regio’s in het Atlantische gebied goede kandidaten zouden kunnen zijn voor de oprichting van dit type platform, om mogelijke projecten in kaart te brengen, te bekijken welke steun nodig zou zijn om een en ander te verwezenlijken, en de nodige financiële middelen vrij te maken op lokaal, nationaal en Europees niveau. Deze platforms zouden worden aangestuurd door de regio’s, en de geselecteerde projecten zouden worden gefinancierd in het kader van het plan-Juncker 2.0.

21.

Het CvdR verzoekt de Commissie en de lidstaten te streven naar een verdere verbetering van de coördinatie, monitoring en ondersteuning van projecten en de uitwisseling van beste praktijken, rekening houdend met de succesvolle voorbeelden die de Atlantische strategie tot nu toe heeft opgeleverd.

22.

Tijdens de huidige programmeringsperiode was het cohesiebeleid, via het EFRO en het ESF, het belangrijkste investeringsinstrument van de EU. De maximale inzet van deze middelen, samen met de beschikbare financieringsmogelijkheden via het EFMZV en Elfpo, zullen van essentieel belang zijn voor het toekomstige succes van projecten in het kader van de Atlantische strategie. Indien het beheer en de administratie van de ESI-fondsen verder worden vereenvoudigd zal de capaciteit van lokale gemeenschappen om gebruik te maken van financiering voor lokale projecten toenemen.

23.

Tijdens de huidige programmeringsperiode hebben veel operationele programma’s aanzienlijke vertraging opgelopen; het CvdR roept de lidstaten en de Europese Commissie op om hun voorstellen voor de periode na 2020 zo snel mogelijk af te ronden om een naadloze overgang tussen de programmeringsperioden mogelijk te maken.

24.

Het zou mogelijk moeten zijn de interregionale, nationale en transnationale projecten die aansluiten bij de strategieën voor zeegebieden en de strategieën voor slimme specialisatie, te financieren door de regionale, nationale en Europese middelen samen te brengen in een vereenvoudigd kader; ook zou voor deze projecten een Europese premie moeten worden ingesteld, zonder dat nieuwe projectvoorstellen nodig zijn.

25.

Het CvdR verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om, met name daar waar dat nog niet is gebeurd, passende plaatsgebonden bottom-up-strategieën voor slimme specialisatie te ontwikkelen en uit te voeren. Dergelijke strategieën zouden de basis moeten vormen voor de toekomstige uitgaven, en zouden gefocust moeten zijn op de sterke punten en specifieke kenmerken van elke regio. Een succesvolle uitvoering van regionale strategieën voor slimme specialisatie, die aansluiten bij de economische realiteit ter plaatse, zou helpen om de absorptiegraad van de beschikbare middelen in de regio’s te vergroten.

26.

Gezien het feit dat zowel de nationale als de Europese financiering publieke uitgaven zijn, roept het CvdR de lidstaten en de Commissie op om gezamenlijk te werken aan een betere kwaliteit van de verslaglegging en feedback over projecten die onder het actieplan vallen, en om het ondersteuningsmechanisme te ontwikkelen, dat een transparant overzicht zal geven van succesvolle initiatieven en beschikbare financieringsmogelijkheden.

27.

Met betrekking tot slimme regionale specialisatie dringt het CvdR er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de thematische component van het uitgevoerde beleid (in tegenstelling tot de geografische component) verder te verbeteren, als een manier om de gemeenschappelijke Europese waarden en doelstellingen te versterken.

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)

28.

De CLLD-benadering dient te worden behouden en uitgebreid, aangezien dit instrument van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) aantoonbaar een van de meest doeltreffende manieren is voor gemeenschappen om EU-financiering te verkrijgen voor lokale projecten. CLLD-steun is van bijzonder belang voor de meer afgelegen en perifere regio’s, zoals kleine kustgemeenschappen, regio’s en eilanden met weinig alternatieve financieringsmogelijkheden.

29.

De lokale gemeenschappen van de eilanden en de kustgebieden moeten gebruik kunnen maken van alle Europese fondsen, met inbegrip van het EFMZV, zodat zij beschikken over een gemeenschappelijk kader voor de financiering van hun strategieën voor maritieme ontwikkeling, naar analogie van het Leaderprogramma en het CLLD-instrument.

30.

Het CvdR verzoekt de begrotingsautoriteit gebruik te maken van de bestaande flexibiliteit in de ESI-fondsen om te voorzien in geleidelijke verhogingen van de voor CLLD beschikbare financiering binnen het EFMZV ten behoeve van de Europese kustgemeenschappen.

Het ondersteuningsmechanisme voor de Atlantische strategie en het actieplan

31.

Het CvdR wijst erop dat de structuur van het ondersteuningsmechanisme (5), met nationale eenheden en een centraal kantoor in Brussel, goed is toegesneden op de communicatiebehoeften van het Atlantisch actieplan. Wel moet zijn taak om de kennis over het plan te vergroten worden versterkt, en moet meer bekendheid worden gegeven aan zijn adviserende, coördinerende en ondersteunende functie.

32.

Het CvdR steunt de voortzetting van het ondersteuningsmechanisme voor de Atlantische strategie aangezien dit momenteel de enige specifieke begrotingslijn is voor het toezicht op en de tenuitvoerlegging van het actieplan.

33.

De Europese Commissie zou een oplossing op langere termijn moeten uitwerken om de continuïteit van het ondersteuningsmechanisme te waarborgen.

34.

De nationale eenheden zouden zo nauw mogelijk moeten samenwerken met nationale en regionale beheersautoriteiten, om ervoor te zorgen dat de mogelijkheden van de verschillende financieringsinstrumenten duidelijk worden uitgelegd aan potentiële begunstigden.

De gevolgen van de beslissing van het Verenigd Koninkrijk, n.a.v. het referendum van 23 juni 2016, om artikel 50 van het VEU in te roepen en de EU te verlaten voor de financieringsmogelijkheden en de structuur van het MFK na 2020

35.

Ongeacht de uitkomst van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk verliest de EU een van de vijf Atlantische lidstaten, een belangrijke zeevaartnatie en een van de landen die het meeste investeert in de mariene economie en onderzoek. Bovendien is het Verenigd Koninkrijk een van de grootste exporteurs van visserijproducten.

36.

Het Verenigd Koninkrijk is een van de belangrijkste bijdragers aan de EU-begroting. Het feit dat het VK niet meer zal bijdragen aan de EU-begroting, maakt dat alle beschikbare opties voor de toekomstige financiering van het cohesiebeleid tot in detail moeten worden onderzocht.

37.

De praktische gevolgen van de brexit kunnen samenvallen met het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) vanaf 2021. Daarom verzoekt het CvdR de begrotingsautoriteit om voldoende financiële middelen toe te wijzen voor beleidsterreinen die momenteel niet als eerste prioriteit worden beschouwd, zoals de ontwikkeling van de blauwe economie.

38.

Het CvdR herhaalt de oproep in zijn advies over de toekomst van het cohesiebeleid na 2020, namelijk dat het VK en de EU overeen moeten komen dat Britse regionale en lokale overheden kunnen blijven deelnemen aan de territoriale samenwerking en andere EU-programma’s, vergelijkbaar met de deelname van derde landen zoals Noorwegen en IJsland.

39.

Het resultaat van de brexit-onderhandelingen zal moeten worden bekeken in het licht van de mogelijke gevolgen voor de toekomst van de maritieme strategie en het actieplan voor het Atlantische gebied. In het kader van de brexit is het des te belangrijker voor de overblijvende Atlantische lidstaten om prioriteit toe te kennen aan nauwere samenwerking en integratie van maritieme activiteiten: als het Verenigd Koninkrijk niet meer meedoet ontstaan er leemten op het gebied van wetenschap en innovatie, bewaking, defensie, oceaanenergie en maritieme investeringen, die moeten worden opgevuld.

40.

Het CvdR is gealarmeerd over de mogelijke gevolgen van de brexit voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), vooral wat betreft de toegang tot de Britse wateren, iets wat van bijzonder belang zal zijn voor de visserijsector van de buurlanden. Dit kan leiden tot minder vangsten en een daling van de werkgelegenheid, in een sector die nu al kwetsbaar is, boven op de concurrentievervalsing als het gaat om quota, teruggooiverboden, maximumaantal dagen op zee, regels voor staatssteun aan de sector en het behoud van de biodiversiteit (6).

Territoriale samenwerkingsprogramma’s

41.

Het CvdR wijst op de belangrijke rol die de territoriale samenwerkingsprogramma’s kunnen spelen bij de bevordering van de doelstellingen van de Atlantische strategie, zoals meer nadruk op samenwerking tussen regio’s voor een versterking van de Atlantische ruimte, overeenkomstig de opdracht van de strategie.

42.

Het CvdR is van mening dat de punten 27 tot en met 30 van advies NAT-V-021 (2012) nog steeds geldig zijn, met name de opmerking over de potentiële rol van de tien programma’s die momenteel lopen in het gebied dat de strategie bestrijkt.

43.

Het wijst in het bijzonder op de mogelijk cruciale rol van het programma voor samenwerking in het Atlantisch gebied, vanwege de gerichtheid op maritieme zaken en de geografische spreiding ervan over de Atlantische ruimte.

44.

Het CvdR stemt in met de argumenten van de Atlantic Arc Commission in haar slotverklaring tot de algemene vergadering van de CPMR in Les Sables d’Olonne (3 maart 2017), vooral wat betreft de vereenvoudigingsmaatregelen in het kader van de tussentijdse herziening en meer flexibele financieringspercentages (5 % bonus) om projecten in het kader van de Atlantische strategie aan te moedigen.

Brussel, 1 december 2017.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Eerdere adviezen van het CvdR:

CDR 6621/2016 NAT-VI-018 „Internationale oceaangovernance, een agenda voor de toekomst van onze oceanen”;

CDR 6622/2016 NAT-VI-019: „Een nieuwe fase in het Europees beleid voor blauwe groei”;

PB C 391 van 18.12.2012, blz. 1, NAT-V-21: „Ontwikkeling van een maritieme strategie voor het gebied van de Atlantische Oceaan”;

PB C 19 van 21.1.2015, blz. 24, NAT-V-44: „Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten”;

CDR 0019/2017 COTER-VI-22: „Ondernemerschap op eilanden: bijdragen tot territoriale cohesie”.

(2)  Het Marnet-project dat wordt gefinancierd door het Interreg-programma voor het Atlantisch gebied 2007-2014, heeft een reeks mariene sociaal-economische indicatoren ontwikkeld om de impact te meten van kust- en mariene activiteiten in de vijf lidstaten.

(3)  NAT-V-44

(4)  Het Marnet-project dat een reeks mariene sociaal-economische indicatoren voor de Atlantische regio’s heeft ontwikkeld, kan een nuttige toevoeging aan dit proces zijn.

(5)  Financiering die wordt toegewezen aan een dienstverlener om sturing te geven aan publieke en particuliere organisaties, onderzoeksinstellingen en universiteiten, institutionele en particuliere investeerders evenals promotors en andere belanghebbende partijen die projecten wensen voor te stellen en te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging van het Atlantisch Actieplan.

(6)  CPMR, technische nota voor regio’s van de Atlantische boog, februari 2017.


Top