Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016SC0458

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij Voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

SWD/2016/0458 final - 2016/0406 (CNS)

Brussel, 21.12.2016

SWD(2016) 458 final

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE

SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING

bij

Voorstel voor een Richtlijn van de Raad

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

{COM(2016) 811 final}
{SWD(2016) 457 final}


Samenvatting

Effectbeoordeling — veralgemeende verleggingsregeling

A. Behoefte aan actie

Waarom? Wat is het probleem?

Sommige lidstaten worden zwaarder getroffen door carrouselfraude (50 miljard EUR in de EU), die zijn oorsprong vindt in de inherente tekortkoming in het huidige btw-stelsel (dat als overgangsstelsel was bedoeld) waardoor goederen over de grenzen btw-vrij kunnen worden gekocht.

In het actieplan betreffende de btw wordt een langetermijnoplossing aangekondigd voor 2017. In afwachting daarvan heeft de Commissie zich bereid verklaard om, zoals voorgesteld door sommige lidstaten 1 , tijdelijke maatregelen te onderzoeken die afwijken van de  btw-richtlijn .

Wat is het doel van dit initiatief?

1)De btw-fraude, met name carrouselfraude, in bepaalde lidstaten terugdringen.

2)De algemene stijging van de administratieve lasten (voor ondernemingen en belastingdiensten) tot een minimum beperken.

3)De verschuiving van fraude tussen sectoren of lidstaten voorkomen.

Wat is de meerwaarde van maatregelen op EU-niveau? 

Lidstaten kunnen krachtens de huidige btw-wetgeving 2 niet worden gemachtigd om een veralgemeende verleggingsregeling toe te passen; hiervoor moet de btw-richtlijn worden gewijzigd.

B. Oplossingen

Welke wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen zijn overwogen? Heeft een bepaalde optie de voorkeur? Waarom?

1)Het basisscenario, dat een definitief stelsel voor de intra-EU-handel omvat, biedt een coherent en voor de hele EU geldend antwoord op carrouselfraude, maar positieve effecten kunnen pas op de middellange tot lange termijn worden verwacht.

2)Optie 2b: een derogatie voor het toepassen van een veralgemeende verleggingsregeling op vrijwillige basis in voorgeselecteerde lidstaten.

3)Optie 3b: een derogatie voor het toepassen van een veralgemeende verleggingsregeling op vrijwillige basis in iedere lidstaat en op basis van vooraf bepaalde criteria.

Afgewezen opties: een veralgemeende verleggingsregeling zonder drempelwaarde en opties 2a en 3a, gebaseerd op een sectorale/optionele benadering.

Optie 3b krijgt de voorkeur omdat deze een kortetermijnoplossing biedt voor lidstaten die bijzonder hard door carrouselfraude worden getroffen. Met deze optie blijven de negatieve gevolgen voor de interne markt minimaal doordat de verschuiving van fraude tussen de lidstaten wordt beperkt. De vrijwaringsclausule kan een oplossing bieden mocht het experiment nadelige gevolgen hebben voor de interne markt.

Wie steunt welke optie?

De meeste bedrijfsorganisaties zijn geen voorstander van de toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling in afzonderlijke lidstaten, omdat hierdoor de nalevingskosten aanzienlijk zouden toenemen 3 . De meningen van de lidstaten lopen uiteen: sommige zijn voorstander, terwijl andere twijfels hebben geuit over de doeltreffendheid ervan 4 .

C. Effecten van de voorkeursoptie

Wat zijn de voordelen van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders die van de belangrijkste opties)?

Optie 3b zal naar verwachting op korte termijn de carrouselfraude terugdringen in de lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, en een verschuiving van de fraude naar andere lidstaten beperken. Dit hangt evenwel af van de mate waarin de lidstaten de veralgemeende verleggingsregeling kunnen controleren en nieuwe vormen van fraude kunnen voorkomen.

Wat zijn de kosten van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders die van de belangrijkste opties)?

Op korte en langere termijn zullen de nalevingskosten van bedrijven naar verwachting toenemen. De administratieve kosten voor de belastingdiensten zullen in sterke mate afhangen van hun werkelijke efficiëntieniveau, die afhankelijk is van hun structuur, organisatie en informatiseringsniveau.

Wat zijn de gevolgen voor bedrijven, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen?

Bedrijven in een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling toepast, zullen zich moeten aanpassen en aan de nieuwe verplichtingen moeten voldoen. Indien zij ook actief zijn in een lidstaat die deze regeling niet toepast, zullen zij de normale btw-regels moeten naleven.

Bedrijven in een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling toepast, zullen een andere liquiditeitspositie 5 hebben dan bedrijven in andere lidstaten.

Zijn er significante gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden?

Op korte termijn kan een vermindering van de carrouselfraude worden verwacht in de lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, op voorwaarde dat er voldoende controles worden verricht. De verschuiving van de fraude naar andere lidstaten zou worden belemmerd. Indien er onvoldoende controles worden verricht, zullen in de lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, waarschijnlijk nieuwe frauderisico’s ontstaan. Hoe snel dit zou gaan, valt niet te voorspellen. Zonder praktijkervaring valt het uiteindelijke effect op fraude moeilijk te beoordelen.

Zijn er nog andere significante gevolgen? 

Nee.

D. Naleving

Wanneer wordt dit beleid geëvalueerd?

Het initiatief heeft een vervalbepaling (5 jaar). De Commissie kan het initiatief intrekken (vrijwaringsclausule) indien er negatieve gevolgen zijn voor de interne markt.

(1)  Zie de verklaring van de Commissie in de notulen van de Raad Ecofin van 17.6.16.
(2)  Aan de lidstaten kunnen wel “normale” derogaties worden toegekend (artikel 395 van de btw-richtlijn). Een veralgemeende verleggingsregeling kan evenwel niet worden aangemerkt als een “normale” derogatie, aangezien deze optie een ingrijpende wijziging van het btw-stelsel inhoudt.
(3)  Bijv. standpunt van de btw-deskundigengroep van 20.5.2016 en het Refit-platform.
(4)  Bijv. bijeenkomst van de groep over de toekomst van de btw van 5.2.2016.
(5)  In het kader van een veralgemeende verleggingsregeling wordt de btw pas aan het einde van de leveringsketen geïnd, in plaats van in elk stadium.
Top