Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52015PC0452

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU

COM/2015/0452 final - 2015/0211 (COD)

Brussel, 9.9.2015

COM(2015) 452 final

2015/0211(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

1.1.Motivering en doel van het voorstel

   Vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst

De Europese Commissie heeft op 13 mei 2015 een brede Europese migratieagenda 1 gepresenteerd. De agenda schetst, in aanvulling op de onmiddellijke maatregelen die de Commissie kort daarna heeft voorgesteld in reactie op de crisis in het Middellandse Zeegebied, verdere initiatieven die moeten worden genomen om structurele oplossingen te bieden met het oog op een in alle aspecten beter beheer van migratie. Als onderdeel van de onderzochte structurele initiatieven en in het licht van de huidige ongekende druk op de asielstelsels van de lidstaten heeft de Commissie de noodzaak benadrukt van een meer doeltreffende aanpak van misbruik en haar voornemen bekendgemaakt om de bepalingen inzake veilige landen van herkomst van Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna "Richtlijn 2013/32/EU") te versterken ter ondersteuning van een snelle behandeling van asielverzoeken van personen uit landen die als veilig zijn aangemerkt. Zoals benadrukt door de Europese Raad in zijn conclusies van 25 en 26 juni 2015 moet hiervoor onder meer een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst worden vastgesteld.

Richtlijn 2013/32/EU biedt lidstaten de mogelijkheid specifieke procedurele regels toe te passen, met name versnelde procedures en grensprocedures, wanneer de verzoeker onderdaan is van een land (of een staatloze persoon met betrekking tot een derde land waar deze vroeger gewoonlijk verbleef) dat door het nationale recht als veilig land van herkomst is aangemerkt en daarnaast ook voor de asielzoeker in het licht van zijn of haar bijzondere omstandigheden als veilig kan worden beschouwd. Slechts enkele lidstaten hebben een nationale lijst van veilige landen van herkomst vastgesteld. Bovendien vertonen deze nationale lijsten een aantal verschillen, die het gevolg kunnen zijn van verschillen in de beoordeling van de veiligheid van bepaalde derde landen of van verschillen in de aard van de stromen van onderdanen van derde landen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd.

In bijlage I bij Richtlijn 2013/32/EU zijn in de volgende bewoordingen gemeenschappelijke criteria vastgelegd voor het aanmerken van derde landen als veilige landen van herkomst:

"Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU 2 , noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;

c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève;

d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden."

Op dit moment voorziet het recht van de Unie niet in een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. Dit voorstel is bedoeld om, op basis van de gemeenschappelijke criteria van Richtlijn 2013/32/EU, een dergelijke gemeenschappelijke EU-lijst vast te stellen, aangezien dit de toepassing door alle lidstaten van de procedures waarbij het begrip "veilig land van herkomst" een rol speelt, zal vergemakkelijken, en beoogt zo de algemene efficiëntie van hun asielstelsels bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die waarschijnlijk ongegrond zijn, te verhogen. Een gemeenschappelijke EU-lijst zal ook de bestaande verschillen tussen lidstaten met betrekking tot hun nationale lijsten van veilige landen van herkomst verkleinen en zo de convergentie in de procedures bevorderen en het ontstaan van secundaire stromen van personen die om internationale bescherming verzoeken, ontmoedigen.

   Derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst moeten worden opgenomen

Op basis van alle relevante informatie waarover zij beschikt, met name verslagen van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en informatie van de lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO, European Asylum Support Office), de Raad van Europa, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR, United Nations High Commissioner for Refugees) en andere relevante internationale organisaties, is de Europese Commissie tot de conclusie gekomen dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo* 3 , Montenegro, Servië en Turkije veilige landen van herkomst zijn in de zin van Richtlijn 2013/32/EU en moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

De Europese Commissie gebruikte met name verslagen van de EDEO, waaronder speciale landenspecifieke verslagen van 31 augustus en 1 september 2015, informatie van de lidstaten, onder meer over de nationale wetgeving rond de aanmerking van veilige landen van herkomst, informatie van het EASO, waaronder schriftelijke verslagen en de resultaten van een op 2 september 2015 gehouden coördinatievergadering met deskundigen van de lidstaten inzake veilige landen van herkomst, en tevens openbaar beschikbare informatie van de Raad van Europa, de UNHCR en andere relevante internationale organisaties.

In Albanië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Geïsoleerde gevallen van bloedwraak, huiselijk geweld en discriminatie of geweld tegen personen die tot etnische minderheden of kwetsbare groepen behoren, zoals Roma, Balkan-Egyptenaren en leden van de LHBTI-gemeenschap 4 , komen in individuele gevallen nog steeds voor. Omdat Albanië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vier van de in totaal 150 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 7,8 % (1040) van de asielaanvragen van burgers van Albanië gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Albanië als veilig land van herkomst aangemerkt. Albanië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Albanië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Bosnië en Herzegovina bepaalt de grondwet de wijze waarop de verschillende bevolkingsgroepen van het land de macht onderling delen. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen op etnische of religieuze gronden of omwille van hun politieke overtuiging en tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals leden van de LHBTI-gemeenschap, journalisten en kinderen, komt in individuele gevallen nog steeds voor. Omdat Bosnië en Herzegovina is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vijf van de in totaal 1196 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 4,6 % (330) van de asielaanvragen van burgers van Bosnië en Herzegovina gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Bosnië en Herzegovina als veilig land van herkomst aangemerkt. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Bosnië en Herzegovina een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Geïsoleerde gevallen van discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals kinderen, personen met een handicap, Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komen nog steeds voor. Omdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in zes van de in totaal 502 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 0,9 % (70) van de asielaanvragen van burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië gegrond was. Ten minste zeven lidstaten hebben de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië als veilig land van herkomst aangemerkt. De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Kosovo* vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Het feit dat Kosovo* geen partij is bij relevante internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten, zoals het EVRM, vloeit voort uit het ontbreken van een internationale consensus over zijn status als soevereine staat. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals vrouwen, leden van de LHBTI-gemeenschap en personen die deel uitmaken van etnische minderheden, met inbegrip van etnische Serviërs, komt in individuele gevallen nog steeds voor. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 6,3 % (830) van de asielaanvragen van burgers van Kosovo* gegrond was. Ten minste zes lidstaten hebben Kosovo* als veilig land van herkomst aangemerkt. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Kosovo* een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Montenegro vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, journalisten, Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komt nog steeds voor. Omdat Montenegro is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in één van de in totaal 447 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 3,0 % (40) van de asielaanvragen van burgers van Montenegro gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Montenegro als veilig land van herkomst aangemerkt. Montenegro is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Montenegro een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Servië vormt de grondwet de basis voor zelfbestuur van minderheden op het gebied van onderwijs, taalgebruik, informatie en cultuur. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie van personen uit kwetsbare groepen, zoals etnische minderheden, waaronder etnische Albanezen, religieuze minderheden, waaronder moslims, en tegen Roma en leden van de LHBTI-gemeenschap, komt nog steeds voor. Omdat Servië is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 16 van de in totaal 11 490 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 1,8 % (400) van de asielaanvragen van burgers van Servië gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Servië als veilig land van herkomst aangemerkt. Servië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Servië een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

In Turkije vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie en schendingen van de mensenrechten van personen uit kwetsbare groepen, zoals minderheden, waaronder etnische Koerden, journalisten en leden van de LHBTI-gemeenschap, komen nog steeds voor. Omdat Turkije is aangesloten bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vormt de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een waarborg voor de doeltreffendheid van het stelsel van rechtsmiddelen tegen dergelijke schendingen van de mensenrechten. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 94 van de in totaal 2899 aanvragen sprake was van schendingen. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 23,1 % (310) van de asielaanvragen van burgers van Turkije gegrond was. Eén lidstaat heeft Turkije als veilig land van herkomst aangemerkt. Turkije is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorzieningen voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Turkije een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

Dit voorstel moet worden gezien als een eerste stap naar het vaststellen van een algemene gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie. Dit betekent dat de Commissie kan voorstellen andere derde landen in de gemeenschappelijke EU-lijst op te nemen als die voldoen aan de criteria om als veilig te worden aangemerkt, na goedkeuring door het Europees Parlement en de Raad. Daarbij zal prioriteit worden gegeven aan derde landen waaruit een significant aantal verzoekers om internationale bescherming in de EU afkomstig is, zoals Bangladesh, Pakistan en Senegal.

Zoals aangegeven in dit voorstel zal de Commissie, als de verordening door het Europees Parlement en de Raad wordt vastgesteld, na een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding ervan een verslag indienen over de mogelijkheid van verdere harmonisatiestappen die nationale lijsten van veilige landen van herkomst in de toekomst overbodig zouden kunnen maken.

1.2.Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel is in overeenstemming met de gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming die zijn vastgesteld in Richtlijn 2013/32/EU en met de andere instrumenten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel.

1.3.Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorstel om een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst vast te stellen en, in het bijzonder, daar derde landen in op te nemen die door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat zijn aangewezen, is in overeenstemming met het uitbreidingsbeleid van de Unie. Toen Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat werden aangewezen, was het oordeel dat zij voldeden aan de criteria die door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 waren vastgesteld met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen; zij moeten aan deze criteria blijven voldoen om in aanmerking te komen voor lidmaatschap. De geboekte vooruitgang ten aanzien van de politieke en economische criteria en de mate van aanpassing aan het acquis wordt elk jaar in het jaarlijkse voortgangsverslag van de Europese Commissie geëvalueerd. Het huidige voorstel om Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te nemen, heeft geen implicaties voor de komende jaarlijkse voortgangsverslagen die door de Europese Commissie met betrekking tot elk van deze derde landen zullen worden voorgelegd.

2.RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN

In zijn conclusies van 25 en 26 juni 2015 refereerde de Europese Raad, in verband met de noodzaak tot een snellere behandeling van asielaanvragen, aan het voornemen van de Commissie om de bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU inzake veilige landen van herkomst te versterken, onder meer door de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

De Raad Justitie en Binnenlandse Zaken heeft in zijn conclusies van 20 juli 2015 de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst met instemming ontvangen. De Raad tekende aan "wat de landen van de Westelijke Balkan betreft, dat deze landen opgenomen zijn in het merendeel van de nationale lijsten van veilige landen van herkomst, dat de Europese Raad herhaaldelijk heeft gewezen op het Europees perspectief van deze landen, en dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië zijn verplaatst naar de lijst van landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van de visumplicht met ingang van 19 december 2009, respectievelijk 15 december 2010. Bovendien lag in 2014 het gemiddelde EU-percentage ingewilligde asielverzoeken voor de landen van de Westelijke Balkan veeleer laag. Dit wijst erop dat de landen van de Westelijke Balkan door alle lidstaten als veilige landen van herkomst kunnen worden beschouwd."

Nadat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken zijn conclusies had bekendgemaakt, organiseerde het EASO op 2 september 2015 een vergadering van deskundigen met de lidstaten, waar er een brede consensus over werd bereikt dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo*, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië als veilige landen van herkomst in de zin van Richtlijn 2013/32/EU moeten worden beschouwd.

3.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT, EVENREDIGHEID, GRONDRECHTEN

3.1.Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 78, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de rechtsgrondslag vormt voor maatregelen met betrekking tot gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van de uniforme status voor asiel en subsidiaire bescherming. Het voorstel is gericht op het vaststellen van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU en tot wijziging van deze richtlijn, die was vastgesteld op basis van artikel 78, lid 2, onder d), VWEU.

3.2.Subsidiariteit

Titel V van het VWEU over de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht verleent de Europese Unie bepaalde bevoegdheden op dit gebied. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te weten indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Europese Unie kunnen worden verwezenlijkt.

Het voorstel heeft betrekking op het vaststellen van een gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op het niveau van de Unie, zodat het gebruik door alle lidstaten van de procedures waarbij het begrip "veilig land van herkomst" een rol speelt, wordt vereenvoudigd. Het voorstel is ook bedoeld om een aantal bestaande verschillen tussen lidstaten met betrekking tot hun nationale lijsten van veilige landen van herkomst aan te pakken, die tot gevolg hebben dat verzoekers om internationale bescherming uit dezelfde derde landen in de lidstaten niet altijd aan dezelfde procedures worden onderworpen. De algemene doelstelling van de voorgestelde actie wordt niet voldoende door de lidstaten verwezenlijkt en kan derhalve beter worden verwezenlijkt door de Europese Unie.

3.3.Evenredigheid

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen van het bestaande rechtskader niet verder dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. De gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst wordt vastgesteld in overeenstemming met de criteria voor de aanmerking van veilige landen van herkomst uit Richtlijn 2013/32/EU, en de landen op de gemeenschappelijke lijst zullen regelmatig opnieuw worden beoordeeld. Wat de voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2013/32/EU betreft: deze blijven beperkt tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat de bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU over de toepassing van het begrip "veilig land van herkomst" ook van toepassing zijn op de derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zijn opgenomen.

3.4.Keuze van het instrument

De keuze van een verordening voor de vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst is gerechtvaardigd door de aard van een dergelijke gemeenschappelijke lijst, die op het niveau van de Unie wordt vastgesteld en rechtstreeks toepasselijk moet zijn in de rechtsstelsels van de lidstaten.

3.5.Grondrechten

Dit voorstel is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen zoals vastgelegd in het Handvest, met inbegrip van het recht op asiel en bescherming tegen refoulement, zoals bepaald in de artikelen 18 en 19 van het Handvest.

Er wordt met name aan herinnerd dat, overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU, de omstandigheid dat een derde land deel uitmaakt van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst geen absolute waarborg kan vormen voor de veiligheid van de onderdanen van dat land en daarom een passende individuele beoordeling van hun verzoeken om internationale bescherming niet overbodig maakt. Er wordt ook aan herinnerd dat, wanneer een verzoeker geldige redenen aanvoert om het land in zijn bijzondere omstandigheden als niet-veilig te beschouwen, de aanmerking van het land als veilig land niet langer als voor hem ter zake doende kan worden beschouwd.

De derde landen waarvan wordt voorgesteld deze in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te nemen, voldoen aan de in Richtlijn 2013/32/EU vastgestelde voorwaarden om als veilig te worden aangemerkt. Dit betekent dat, op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er in deze landen algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU en zal naar verwachting geen gevolgen hebben voor de begroting van de lidstaten.

5.OVERIGE ELEMENTEN

5.1.Regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het voorstel voorziet erin dat de mogelijkheid om in de toekomst verdere harmonisatiestappen te nemen die ertoe zouden kunnen leiden dat nationale lijsten van veilige landen van herkomst niet meer nodig zijn, na een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening op basis van een door de Commissie opgesteld verslag in overweging moet worden genomen.

5.2.Artikelsgewijze toelichting

Dit voorstel voor een verordening behelst het vaststellen van een gemeenschappelijke EU-lijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2013/32/EU. Het voorstel behelst tevens een wijziging van Richtlijn 2013/32 om mogelijk te maken dat de bepalingen inzake veilige landen van herkomst van deze richtlijn ook van toepassing zijn op derde landen die in de gemeenschappelijke EU-lijst zijn opgenomen.

De gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst moet als bijlage I bij de voorgestelde verordening worden opgenomen. Derde landen die in deze bijlage worden opgenomen, moeten voldoen aan de voorwaarden in bijlage I bij Richtlijn 2013/32/EU voor de aanmerking van veilige landen van herkomst. De Commissie is van oordeel dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo*, Montenegro, Servië en Turkije aan deze voorwaarden voldoen en, als eerste stap, in de gemeenschappelijke EU-lijst moeten worden opgenomen.

In het voorstel is de Commissie ertoe verplicht de situatie in de derde landen op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst regelmatig te evalueren en zich daarbij te baseren op een reeks informatiebronnen, waaronder met name regelmatige verslagen van de EDEO en informatie van de lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

Het voorstel voorziet erin dat elke wijziging van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld. In geval van een plotselinge verslechtering van de situatie in een derde land op deze lijst is de Commissie echter gemachtigd tot het vaststellen van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 290 VWEU om de vermelding van dat derde land tijdelijk, voor een termijn van een jaar, van de lijst te schorsen indien zij op basis van een onderbouwde beoordeling meent dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden om dat derde land als veilig land van herkomst te beschouwen. De Commissie kan de schorsing verlengen met een termijn van hoogstens één jaar, wanneer zij een wijziging van de verordening heeft voorgesteld om dit derde land van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te schrappen. Het voorstel bevat gedetailleerde bepalingen over de voorwaarden voor de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie, onder meer met betrekking tot de looptijd, de mogelijkheid voor het Europees Parlement en de Raad om de bevoegdheid op elk moment in te trekken, de verplichting van de Commissie om het Europees Parlement en de Raad te informeren over de vaststelling van gedelegeerde handelingen en het feit dat de gedelegeerde handelingen pas in werking kunnen treden als door geen van beide instellingen binnen één maand na deze kennisgeving bezwaar is aangetekend.

2015/0211 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 78, lid 2, onder d),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 5 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 6 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad 7 biedt lidstaten de mogelijkheid om in welbepaalde omstandigheden specifieke procedurele regels toe te passen, met name versnelde procedures en grensprocedures, wanneer een verzoek om internationale bescherming waarschijnlijk ongegrond is, onder meer wanneer de verzoeker onderdaan is van een land dat door het nationale recht als veilig land van herkomst is aangemerkt en dat bovendien ook als veilig kan worden beschouwd voor de betrokken verzoeker in het licht van zijn bijzondere omstandigheden. Dezelfde voorschriften kunnen worden toegepast in het geval van staatlozen in relatie tot derde landen waar zij vroeger hun gewone verblijfplaats hadden.

(2)Richtlijn 2013/32/EU bevat gemeenschappelijke criteria voor de aanmerking van derde landen als veilige landen van herkomst op nationaal niveau. Het is echter zo dat slechts bepaalde lidstaten in hun nationale wetgeving landen als veilige landen van herkomst hebben aangemerkt, zodat niet alle lidstaten momenteel gebruik kunnen maken van de daarmee samenhangende procedurele voorzieningen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/32/EU. Voorts wordt – als gevolg van de bestaande verschillen tussen de nationale lijsten van veilige landen van herkomst die zijn vastgesteld door de lidstaten, die wellicht voortvloeien uit verschillen in de beoordeling van de veiligheid van bepaalde derde landen of uit verschillen in de aard van de stromen van onderdanen van derde landen waarmee zij worden geconfronteerd – het begrip veilig land van herkomst in de zin van Richtlijn 2013/32/EU momenteel niet altijd door de lidstaten toegepast ten aanzien van dezelfde derde landen.

(3)Gezien de zeer forse stijging sinds 2014 van het aantal verzoeken om internationale bescherming in de Unie, en de daaruit voortkomende ongekende druk op de asielstelsels van de lidstaten, onderkende de Unie de behoefte aan een stringentere toepassing van de bepalingen inzake het veilig land van herkomst van Richtlijn 2013/32/EU, als een essentieel hulpmiddel voor de snelle behandeling van verzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn. Met name refereerde de Europese Raad in zijn conclusies van 25 en 26 juni 2015, in samenhang met de noodzaak om de behandeling van asielverzoeken te versnellen, naar het voornemen van de Commissie zoals uiteengezet in haar mededeling over een Europese migratieagenda 8 om deze bepalingen te versterken, onder meer door de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. Bovendien toonde de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken zich in zijn conclusies over veilige landen van herkomst van 20 juli 2015 ingenomen met het voornemen van de Commissie om de bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU inzake veilige landen van herkomst te versterken, onder meer door de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

(4)Er moet een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst worden vastgesteld op basis van de gemeenschappelijke criteria van Richtlijn 2013/32/EU, aangezien dit de toepassing door alle lidstaten van de procedures waarbij het begrip "veilig land van herkomst" een rol speelt, zal vergemakkelijken, en zo de algemene efficiëntie van hun asielstelsels bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die waarschijnlijk ongegrond zijn, zal verhogen. De vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst zal ook enkele van de bestaande verschillen tussen lidstaten met betrekking tot hun nationale lijsten van veilige landen van herkomst aanpakken, die ertoe leiden dat verzoekers om internationale bescherming uit dezelfde derde landen in de lidstaten niet altijd aan dezelfde procedures worden onderworpen. Hoewel de lidstaten bevoegd moeten blijven tot het toepassen of invoeren van wetgeving die het mogelijk maakt om op nationaal niveau andere derde landen dan die op de gemeenschappelijke EU-lijst aan te merken als veilig land van herkomst, zal de vaststelling van een dergelijke gemeenschappelijke lijst ervoor zorgen dat het begrip door alle lidstaten op uniforme wijze wordt toegepast met betrekking tot verzoekers wier land van herkomst in deze lijst is opgenomen. Dit zal dan ook een eenvormige toepassing van de procedures vergemakkelijken en daardoor ook secundaire stromen van verzoekers om internationale bescherming tegengaan. In die context is het wenselijk dat de mogelijkheid tot het nemen van verdere harmonisatiestappen in de toekomst – die ertoe zouden kunnen leiden dat er geen behoefte meer is aan nationale lijsten van veilige landen van herkomst – na een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening op basis van een door de Commissie opgesteld verslag in overweging wordt genomen.

(5)De bepalingen van Richtlijn 2013/32/EU in verband met de toepassing van het begrip "veilig land van herkomst" moeten van toepassing zijn op derde landen op de bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke EU-lijst. Dit betekent met name dat de omstandigheid dat een derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst staat, geen absolute waarborg kan vormen voor de veiligheid van de onderdanen van dat land en daarom een passende individuele beoordeling van hun verzoeken om internationale bescherming niet overbodig maakt. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat wanneer een verzoeker geldige redenen aanvoert om het land in zijn bijzondere omstandigheden als niet-veilig te beschouwen, de aanmerking van het land als veilig land niet langer als voor hem ter zake doende kan worden beschouwd.

(6)De Commissie dient regelmatig de situatie te beoordelen in derde landen die op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst staan. In geval van een plotselinge verslechtering van de situatie in een derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst moet de bevoegdheid tot het vaststellen van handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU worden gedelegeerd aan de Commissie om de vermelding van dit derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst te schorsen voor een termijn van een jaar, wanneer zij op basis van een onderbouwde beoordeling van oordeel is dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van Richtlijn 2013/32/EU om een derde land aan te merken als veilig land van herkomst. Bij deze onderbouwde beoordeling moet de Commissie rekening houden met een reeks beschikbare informatiebronnen, waaronder met name de jaarlijkse voortgangsverslagen van de Commissie voor derde landen die door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat zijn aangewezen, regelmatige verslagen van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de informatie van de lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR), de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. De Commissie moet in staat zijn om de schorsing van de vermelding van een derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst te verlengen met een termijn van hoogstens één jaar wanneer zij een wijziging van de verordening heeft voorgesteld met het oog op de verwijdering van dit derde land van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(7)Naar aanleiding van de conclusies over veilige landen van herkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 20 juli 2015, tijdens welke de lidstaten zijn overeengekomen dat prioriteit moet worden gegeven aan een beoordeling door alle lidstaten van de veiligheid van de Westelijke Balkan, organiseerde het EASO op 2 september 2015 een vergadering van deskundigen met de lidstaten waar er een brede consensus over werd bereikt dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo* 9 , de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië zijn aan te merken als veilige landen van herkomst in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

(8)Overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU wordt een land als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees parlement en de Raad 10 , noch van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

(9)Op basis van een reeks informatiebronnen, waaronder met name verslagen van de EDEO en informatie van de lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties, wordt een aantal derde landen als veilig land van herkomst aangemerkt.

(10)In Albanië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vier van de in totaal 150 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 7,8 % (1040) van de asielaanvragen van burgers van Albanië gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Albanië als veilig land van herkomst aangemerkt. Albanië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. Op dat moment luidde het oordeel dat Albanië voldeed aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen, en Albanië moet aan deze criteria blijven voldoen om lid te worden in overeenstemming met de aanbevelingen in het jaarlijkse voortgangsverslag.

(11)In Bosnië en Herzegovina bepaalt de grondwet de wijze waarop de verschillende bevolkingsgroepen van het land de macht onderling delen. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in vijf van de in totaal 1196 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 4,6 % (330) van de asielaanvragen van burgers van Bosnië en Herzegovina gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Bosnië en Herzegovina als veilig land van herkomst aangemerkt.

(12)In de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in zes van de in totaal 502 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 0,9 % (70) van de asielaanvragen van burgers van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië gegrond was. Ten minste zeven lidstaten hebben de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië als veilig land van herkomst aangemerkt. De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen. Op dat moment luidde het oordeel dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voldeed aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië moet aan deze criteria blijven voldoen om lid te worden in overeenstemming met de aanbevelingen in het jaarlijkse voortgangsverslag.

(13)In Kosovo* vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Het feit dat Kosovo* geen partij is bij relevante internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten, zoals het EVRM, vloeit voort uit het ontbreken van een internationale consensus over zijn status als soevereine staat. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 6,3 % (830) van de asielaanvragen van burgers van Kosovo* gegrond was. Ten minste zes lidstaten hebben Kosovo* als veilig land van herkomst aangemerkt.

(14)In Montenegro vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in één van de in totaal 447 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 3,0 % (40) van de asielaanvragen van burgers van Montenegro gegrond was. Ten minste acht lidstaten hebben Montenegro als veilig land van herkomst aangemerkt. Montenegro is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. Op dat moment luidde het oordeel dat Montenegro voldeed aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen, en Montenegro moet aan deze criteria blijven voldoen om lid te worden in overeenstemming met de aanbevelingen in het jaarlijkse voortgangsverslag.

(15)In Servië vormt de grondwet de basis voor zelfbestuur van minderheden op het gebied van onderwijs, taalgebruik, informatie en cultuur. De materiële en procedurele wetgeving op het gebied van mensenrechten en antidiscriminatie, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, vormt een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 16 van de in totaal 11 490 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 1,8 % (400) van de asielaanvragen van burgers van Servië gegrond was. Ten minste negen lidstaten hebben Servië als veilig land van herkomst aangemerkt. Servië is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. Op dat moment luidde het oordeel dat Servië voldeed aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen, en Servië moet aan deze criteria blijven voldoen om lid te worden in overeenstemming met de aanbevelingen in het jaarlijkse voortgangsverslag.

(16)In Turkije vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en antidiscriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat in 94 van de in totaal 2899 aanvragen sprake was van schendingen. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 23,1 % (310) van de asielaanvragen van burgers van Turkije gegrond was. Eén lidstaat heeft Turkije als veilig land van herkomst aangemerkt. Turkije is door de Europese Raad als kandidaat-lidstaat aangewezen en de onderhandelingen zijn geopend. Op dat moment luidde het oordeel dat Turkije voldeed aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993 met betrekking tot de stabiliteit van de instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden waarborgen, en Turkije moet aan deze criteria blijven voldoen om lid te worden in overeenstemming met de aanbevelingen in het jaarlijkse voortgangsverslag.

(17)Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(18)Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen zoals vastgelegd in het Handvest.

(19)[Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, hebben deze lidstaten te kennen gegeven dat zij wensen deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze verordening.]

OF

[Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat Protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaten.]

OF

[Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt het Verenigd Koninkrijk niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.

Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, heeft Ierland (bij brief van ...) laten weten te willen deelnemen aan de vaststelling en toepassing van deze verordening.]

OF

[Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, heeft het Verenigd Koninkrijk (bij brief van ...) laten weten te willen deelnemen aan de vaststelling en toepassing van deze verordening.

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze verordening, en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.]

(20)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat,



HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening strekt tot het vaststellen van een gemeenschappelijke EU-lijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

Artikel 2

Gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst

1.    Derde landen die zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening zijn veilige landen van herkomst.

2.    De Commissie evalueert regelmatig de situatie in derde landen op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst, op basis van een reeks informatiebronnen, waaronder met name regelmatige verslagen van de EDEO en informatie van de lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

3.    Elke wijziging van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst wordt vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure.

4.    De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 3 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de vermelding van een derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te schorsen.

Artikel 3

Verwijdering van een derde land van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst in geval van plotselinge veranderingen in de situatie

1.    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.    In geval van plotselinge veranderingen in de situatie van een derde land dat is opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst, verricht de Commissie een onderbouwde beoordeling van de mate waarin dat land voldoet aan de voorwaarden van bijlage I bij Richtlijn 2013/32/EU en stelt, indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, overeenkomstig artikel 290 VWEU een besluit vast tot schorsing van de vermelding van dat derde land op de gemeenschappelijke EU-lijst voor de duur van één jaar.

3.    Indien de Commissie een wijziging van deze verordening heeft voorgesteld om een derde land van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te schrappen, kan zij op basis van een onderbouwde beoordeling zoals bedoeld in lid 2 de geldigheidstermijn van het gedelegeerde besluit dat is vastgesteld overeenkomstig lid 2 voor de duur van maximaal één jaar verlengen.

4.    De in dit artikel bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

5.    Het Europees Parlement of de Raad kan de in dit artikel bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

6.    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling op grond van dit artikel heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

7.    Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van een maand na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken.

Artikel 4

Wijzigingen van Richtlijn 2013/32/EU

Richtlijn 2013/32/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)    Artikel 36, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn door nationale wetgeving als veilig land van herkomst is aangemerkt of dat is opgenomen op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XXXX/2015 van het Europees-Parlement en de Raad* [deze verordening] kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:

a) hij de nationaliteit van dat land heeft; of

b)

hij staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had,

en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU."

2)    Artikel 37, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van andere veilige landen van herkomst dan die van de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst die is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XXXX/2015 [deze verordening]".

3)    De titel van bijlage I wordt vervangen door:

 "Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 36 en artikel 37, lid 1".

____________

*    Verordening (EU) nr. XXXX/2015 van het Europees Parlement en de Raad van [datum] tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) COM(2015) 240 final van 13 mei 2015.
(2) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).
(3) * Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/99 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(4) Lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen.
(5) PB C van , blz. .
(6) PB C van , blz. .
(7) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(8) COM(2015) 240 final van 13 mei 2015.
(9) * Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/99 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(10) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).
Top

Brussel, 9.9.2015

COM(2015) 452 final

BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU


BIJLAGE

Gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst bedoeld in artikel 2

Albanië,

Bosnië en Herzegovina,

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

Kosovo* 1 ,

Montenegro,

Servië,

Turkije.

(1) * Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/99 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
Top