This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52015DC0112
REPORT FROM THE COMMISSION Belgium Report prepared in accordance with Article 126(3) of the Treaty
VERSLAG VAN DE COMMISSIE België Verslag opgesteld in overeenstemming met artikel 126, lid 3, van het Verdrag
VERSLAG VAN DE COMMISSIE België Verslag opgesteld in overeenstemming met artikel 126, lid 3, van het Verdrag
/* COM/2015/0112 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE België Verslag opgesteld in overeenstemming met artikel 126, lid 3, van het Verdrag /* COM/2015/0112 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE België
Verslag opgesteld in overeenstemming met artikel 126, lid 3, van het
Verdrag 1. Achtergrond Artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU) voorziet in een buitensporigtekortprocedure (BTP). Deze
procedure wordt nader gepreciseerd in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad
"over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de
procedure bij buitensporige tekorten"[1], die
deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact (SGP). In Verordening (EU) nr.
473/2013[2] zijn specifieke voorschriften vastgelegd die in het kader van de BTP
op de lidstaten van de eurozone van toepassing zijn. Overeenkomstig artikel 126, lid 2, VWEU dient de Commissie
op basis van de volgende twee criteria na te gaan of de hand wordt gehouden aan
de begrotingsdiscipline: a) of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke
overheidstekort en het bruto binnenlands product (bbp) de referentiewaarde van
3% van het bbp overschrijdt (tenzij hetzij de verhouding in aanzienlijke mate
en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde
benadert, hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van
uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de
referentiewaarde blijft); en b) of de verhouding tussen de overheidsschuld
en het bbp de referentiewaarde van 60% van het bbp overschrijdt (tenzij de
verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend
tempo benadert). Artikel 126, lid 3, VWEU, bepaalt dat indien een lidstaat
niet voldoet aan één of beide bovenstaande criteria, de Commissie een verslag
dient op te stellen. Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij,
ook al is aan de vereisten ingevolge de criteria voldaan, van mening is dat er
gevaar voor een buitensporig tekort in een lidstaat aanwezig is, waarbij dat
laatste moet worden begrepen als de situatie omschreven in artikel 126, lid 2,
VWEU. In het verslag wordt er tevens "rekening mee gehouden of het
overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid en worden
alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de
economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn". In dit verslag, dat de eerste stap in de BTP vormt, wordt
de kwestie van de inachtneming door België van het tekort- en schuldcriterium
van het Verdrag onderzocht – waarbij met de economische achtergrond en met
andere relevante factoren rekening wordt gehouden – voordat een definitieve
conclusie in verband met de inachtneming wordt getrokken. Als gevolg van de wijzigingen die in het 2011 in het SGP
zijn aangebracht, staat het schuldcriterium thans op gelijke voet met het
tekortvereiste om te waarborgen dat bij landen met een schuldquote die hoger is
dan de referentiewaarde van 60 %, deze quote wordt teruggebracht tot onder
(of in voldoende mate afneemt in de richting van) deze waarde. In artikel 2,
lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad is
bepaald dat er voor lidstaten waartegen op 8 november 2011 een
buitensporigtekortprocedure liep, een overgangsperiode van drie jaar vanaf het
jaar na de correctie van het buitensporige tekort geldt gedurende welke zij
worden geacht voldoende vooruitgang in de richting van de naleving van de
schuldreductiebenchmark te boeken. In het geval van België bestrijkt de
overgangsperiode de periode 2014-2016 (d.w.z. 3 jaar na de correctie van het
buitensporige tekort[3]). In de "Specificaties inzake de uitvoering van het
stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van
stabiliteits- en convergentieprogramma's" van 3 september 2012 is
uiteengezet hoe het vereiste inzake het structurele saldo is gedefinieerd en
wordt beoordeeld. Er wordt met name een minimale lineaire structurele
aanpassing van het structurele saldo (MLSA) gedefinieerd, die garandeert dat
aan het einde van de overgangsperiode aan de schuldregel is voldaan. Op 13 januari 2015 heeft de Commissie een mededeling over
flexibiliteit gepresenteerd. Daarin worden nieuwe richtsnoeren verstrekt over
de wijze waarop de bestaande regels van het SGP moeten worden toegepast ter
versterking van de band tussen een effectieve tenuitvoerlegging van structurele
hervormingen, investeringen en budgettaire verantwoordelijkheid, met het oog op
de ondersteuning van groei en werkgelegenheid. De mededeling wijzigt geen enkel
voorschrift van het pact, maar is erop gericht de regels ervan doeltreffender
en begrijpelijker te maken en een groeivriendelijker begrotingskoers in de
eurozone te bewerkstelligen door de door het pact geboden flexibiliteit
optimaal te benutten en tegelijkertijd de geloofwaardigheid en de
doeltreffendheid ervan bij het handhaven van de budgettaire
verantwoordelijkheid te behouden. In de mededeling wordt in het bijzonder
verduidelijkt dat de Commissie – conform het bepaalde in artikel 2, lid 3, van
Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad – bij de beoordeling of een
BTP moet worden ingeleid (in de context van een verslag overeenkomstig artikel
126, lid 3, VWEU), zorgvuldig alle relevante middellangetermijnontwikkelingen
in de economische situatie, de begrotingssituatie en de schuldpositie zal
analyseren. Ook is verduidelijkt dat de tenuitvoerlegging van structurele
hervormingen in het kader van het Europees semester als één van deze relevante
factoren moet worden beschouwd[4]. Uit gegevens die de autoriteiten op 7 oktober 2014 hebben
ingediend[5] en die vervolgens door Eurostat zijn gevalideerd[6],
blijkt dat het overheidstekort in België in 2013 op 2,9 % van het bbp is
uitgekomen, terwijl de schuld met 104,5 % van het bbp hoger lag dan de
referentiewaarde van 60 % van het bbp. Voor 2014 wordt in het
ontwerpbegrotingsplan (OBP) en in de najaarskennisgeving van 2014 uitgegaan van
een tekort van 2,9 % van het bbp en een schuld van 105,6 % van het
bbp. Voorts wordt in het OBP voor 2015 gerekend op een tekort van 2,1 %
van het bbp en een schuldquote van 105,1 %. In de winterprognoses 2015 van de Commissie wordt
aangegeven dat België in 2014 en 2015 naar verwachting onvoldoende vooruitgang
zal boeken in de richting van de naleving van de schuldreductiebenchmark (zie
tabel 1), aangezien de verandering in het structurele saldo voor 2014 op
-0,1 % van het bbp is geraamd (tegen een vereiste minimale lineaire
structurele aanpassing (MLSA) van 0,7 % van het bbp[7]) en
in 2015 naar schatting 0,6 % van het bbp zal bedragen (tegen de vereiste
1,1 % van het bbp[8]). Bovendien zou het overheidstekort van België volgens de
winterprognoses 2015 van de Commissie in 2014 3,2 % van het bbp hebben
belopen (terwijl in het OBP 2015 van België een tekort van 2,9 % van het
bbp was aangekondigd), waarmee het boven de referentiewaarde van 3 % van
het bbp zou zijn uitgekomen. Tabel 1.
Overheidstekort en/of -schuld (% van het bbp) Het geraamde werkelijke tekort voor 2014 en de
naar verwachting onvoldoende vooruitgang in de richting van de naleving van de
schuldreductiebenchmark in 2014 en 2015 duiden erop dat er op het eerste
gezicht een risico lijkt te bestaan dat er in België sprake is van een buitensporig
tekort in de zin van het stabiliteits- en groeipact. Eerst moeten echter alle
hierna beschreven relevante factoren worden onderzocht. De Commissie heeft daarom het onderhavige
verslag opgesteld om de overschrijding van de referentiewaarde voor het tekort
en de afwijking van de overgangsregel voor de schuld grondig te beoordelen en
aldus uit te maken of de inleiding van een buitensporigtekortprocedure
gewettigd is nadat alle relevante factoren in aanmerking zijn genomen. In
afdeling 2 van het verslag wordt het tekortcriterium onder de loep genomen. In
afdeling 3 wordt het schuldcriterium onderzocht. Afdeling 4 heeft betrekking op
overheidsinvesteringen en andere relevante factoren en bevat onder meer een
beoordeling van de inachtneming van het vereiste aanpassingstraject in de
richting van de middellangetermijndoelstelling (MTD). In het verslag wordt
rekening gehouden met de op 5 februari 2015 gepubliceerde winterprognoses
2015 van de Commissie, alsook met de door de Commissie verrichte evaluatie van
de ontwikkelingen die daarna hebben plaatsgevonden. 2. Tekortcriterium Volgens de winterprognoses 2015 van de
Commissie is het overheidstekort in 2014 op naar schatting 3,2 % van het
bbp uitgekomen, tegen 2,9 % van het bbp in 2013. Het geraamde werkelijke
tekort ligt weliswaar hoger dan 3 % van het bbp, maar blijft dicht
bij de referentiewaarde van het Verdrag. De geraamde overschrijding van de
referentiewaarde van 3% van het bbp is van uitzonderlijke aard. Meer in het bijzonder geldt het volgende: · Zij is niet het gevolg van een ongewone gebeurtenis in de zin van het
stabiliteits- en groeipact, maar vloeit met name voort uit methodologische
wijzigingen in verband met de invoering van het ESR 2010 en statistische
verduidelijkingen. Algemeen genomen resulteerden de statistische wijzigingen in
de overheidsrekeningen in 2014 in een opwaartse herziening van het werkelijke
resultaat voor 2013 met 0,3 % van het bbp[9].
Deze statistische herzieningen houden hoofdzakelijk verband met de opname van
investeringssubsidies ter waarde van ongeveer 0,4 % van het bbp in de
overheidsuitgaven op het moment dat de investering plaatsvindt, in dit geval in
2013, terwijl deze subsidies voorheen over de looptijd van het activum (bv.
ziekenhuizen en bejaardentehuizen) werden uitgesmeerd. Aangenomen wordt dat
deze methodologische wijzigingen een soortgelijk effect op het werkelijke
resultaat voor 2014 hebben gesorteerd, maar zij waren niet bekend wanneer de
oorspronkelijke begroting voor 2014 is goedgekeurd. Deze herzieningen mogen
niet als een verslechtering van de financiële positie van de overheid worden
aangemerkt, maar moeten veeleer worden gezien als een wijziging in het tijdstip
van de registratie van bepaalde overheidsuitgaven. Bovendien werd pas in
oktober 2014 duidelijkheid over de registratie van dergelijke
investeringssubsidies verschaft. De herzieningen kwamen dus onverwacht en waren
niet ver van tevoren bekend. Daarom mogen zij geen procedurele gevolgen hebben
in het kader van de buitensporigtekortprocedure. ·
Daarnaast wordt het werkelijke begrotingsresultaat
voor 2014 volgens de winterprognoses 2015 van de Commissie ook beïnvloed door
tegenvallers aan de ontvangstenzijde, die aan een tijdelijke stijging van het
overheidstekort bijdragen. Sommige van deze tegenvallers waren echter te
voorzien, omdat zij met name samenhangen met geringere dividenden en
garantievergoedingen van de financiële sector. De geraamde overschrijding van de
referentiewaarde van 3 % van het bbp is van tijdelijke aard in de
zin van het stabiliteits- en groeipact. Uit de begrotingsprognoses van de
Commissie blijkt meer in het bijzonder dat het tekort vanaf 2015 tot onder de
referentiewaarde zal dalen. Bij ongewijzigd beleid
zal het tekort ook in 2016 onder deze waarde blijven. De bovenvermelde
methodologische wijzigingen zullen weliswaar naar verwachting nog steeds enig
effect sorteren, maar dat effect wordt gecompenseerd door de aanvullende
consolidatiemaatregelen die op de verschillende overheidsniveaus zijn genomen. Kortom, het geraamde werkelijke tekort ligt dicht
bij de referentiewaarde van 3 % van het bbp en de geraamde overschrijding
van de referentiewaarde is van uitzonderlijke en tijdelijke aard in de zin van
het stabiliteits- en groeipact. Deze analyse wijst uit dat, rekening houdend
met de bovenvermelde factoren, het tekortcriterium als omschreven in het
Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/97 momenteel als in acht genomen moet
worden beschouwd. Er zij op gewezen dat dit oordeel is gebaseerd op het in de
winterprognoses 2015 van de Commissie geraamde werkelijke begrotingsresultaat
voor 2014. De voor binnenkort (april 2015) door Eurostat geplande bekendmaking
van de ingediende en gevalideerde gegevens over de werkelijke resultaten voor
2014 kan ertoe leiden dat opnieuw moet worden beoordeeld of aan het tekortcriterium
is voldaan. 3. Schuldcriterium De bruto overheidsschuld is de afgelopen jaren
gestaag toegenomen van 87 % van het bbp in 2007 tot 104,5 % van het
bbp eind 2013 (+18 pp. van het bbp). De voornaamste oorzaken van deze stijging
waren de accumulatie van primaire begrotingstekorten als gevolg van de
economische en financiële crisis, ingrepen in het financiële stelsel en een
zwakke bbp-groei. Ondanks het oplopende schuldniveau zijn de rente-uitgaven
tijdens dezelfde periode continu afgenomen dankzij de dalende rente (afgezien
van een tijdelijke stijging van de risicopremies in 2012). In 2013 is het
schuldniveau vrijwel gestabiliseerd, mede dankzij de verkoop van
overheidsactiva. Volgens het OBP 2015 van België, dat op 15
oktober 2014 aan de Commissie is medegedeeld en op 22 oktober 2014 is
geactualiseerd, zou de schuldquote eind 2014 105,6 % bedragen en in 2015
dalen tot 105,1 %. Volgens de winterprognoses 2015 van de Commissie is de
schuldquote eind 2014 op 106,4 % van het bbp uitgekomen. Verwacht wordt
dat zij verder zal oplopen tot 106,8 % eind 2015 en zich vervolgens bij
ongewijzigd beleid in 2016 zal stabiliseren. Afgezien van het verwachte hogere
nominale tekort, is het vooral de lagere nominale bbp-groei die het verschil
ten opzichte van het OBP verklaart. Volgens de Commissieprognoses is de verwachte
nominale groei gezien de hoge schuld ontoereikend om het effect van de
rente-uitgaven op de schuldquote in 2014 en 2015 te neutraliseren, waardoor een
schuldverhogend sneeuwbaleffect ontstaat, terwijl van het licht positieve
primaire saldo slechts een gering neerwaarts effect op de schuldquote uitgaat.
Aangenomen wordt dat de stock-flow adjustments over de prognosehorizon geen
wezenlijk effect op het schuldverloop zullen sorteren. Tabel 2. Schulddynamiek Meer in het bijzonder zijn de in de
winterprognoses 2015 opgenomen projecties betreffende de nominale bbp-groei
voor 2014 en 2015 als gevolg van de lage inflatie en reële groei met
respectievelijk 1,7 % en 2,0 % (tegen 2,9 % in zowel 2014 als
2015 volgens de voorjaarsprognoses 2014) aan de lage kant. Deze groeicijfers
zouden resulteren in een daling van de schuldquote met 1,7 % in 2014 en
met 2,1 % in 2015, terwijl van de rente-uitgaven een schuldverhogend
effect van respectievelijk 3,0 % en 2,8 % van het bbp uitgaat. Dit
leidt tot een "sneeuwbaleffect" van 1,3 % van het bbp in 2014 en
een iets beperkter "sneeuwbaleffect" van 0,7 % van het bbp in
2015. Als specifiek naar het effect van de
ontwikkeling van de inflatie en de rente op het sneeuwbaleffect wordt gekeken,
dan blijkt dat de inflatiedaling, ondanks teruglopende nominale rentetarieven,
op korte termijn tot een hogere reële impliciete rente op de schuld[10] leidt. Dat komt doordat het effect van een lagere inflatie zich
onmiddellijk laat voelen, terwijl de lagere nominale rendementen slechts
geleidelijk doorsijpelen in de kosten van de uitstaande schuld, omdat het
schuldpapier met een looptijd van minder dan een jaar momenteel slechts
16 % van de uitstaande (centrale) overheidsschuld uitmaakt. Concreet
betekent dit dat de reële impliciete rente, die in 2013 1,5 % bedroeg, in
2014 tot 2,2 % is gestegen. Zij zal in 2015 naar verwachting wederom dalen
tot 1,8 %. Het schuldverhogende effect van de impliciete reële
financieringskosten van de schuld is dus tijdelijk sterker. Grafiek 1: Oorzaken van het
"sneeuwbaleffect" op de overheidsschuld Bron: Eurostat en winterprognoses 2015 van de Commissie. Na de stopzetting van de BTP in juni 2014
beschikt België over een in 2014 aanvangende overgangsperiode van drie jaar om
aan de schuldreductiebenchmark te voldoen. Om te garanderen dat gedurende de
overgangsperiode continu en daadwerkelijk vooruitgang in de richting van de
inachtneming van de benchmark wordt geboekt, moeten lidstaten aan beide
volgende voorwaarden voldoen: a. ten eerste mag de jaarlijkse structurele
aanpassing niet meer dan ¼ % van het bbp van de minimale lineaire
structurele aanpassing (MLSA) afwijken om ervoor te zorgen dat de schuldregel
aan het einde van de overgangsperiode wordt nageleefd; b. ten tweede mag de resterende jaarlijkse
structurele aanpassing op elk moment tijdens de overgangsperiode niet groter
zijn dan ¾ % van het bbp. Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op
België omdat de eerste voorwaarde een jaarlijkse inspanning van meer dan
¾ % van het bbp impliceert. De geraamde structurele inspanning door België
in 2014 en 2015 is ontoereikend om te voldoen aan de vereisten die tijdens de
overgangsperiode voor de schuldreductiebenchmark gelden (zie tabel 1). In 2014
is de vereiste MLSA, berekend op grond van de winterprognoses 2015 van de
Commissie, gelijk aan 0,7 % van het bbp, terwijl het structurele saldo in
België naar verwachting met 0,1 % van het bbp zal verslechteren. De
afwijking is derhalve groter dan de volgens de eerste voorwaarde maximaal
toegestane afwijking. Als gevolg van deze grotere afwijking in 2014 zal de
minimaal vereiste aanpassing oplopen tot naar schatting 1,1 % van het bbp
in 2015, terwijl wordt voorspeld dat het structurele saldo in België in dat
jaar met 0,6 % van het bbp zal verbeteren. Ook in 2015 is derhalve niet
aan de eerste voorwaarde voldaan. Uit de bovenstaande algemene analyse op basis
van de winterprognoses 2015 van de Commissie blijkt derhalve op het eerste
gezicht dat niet aan het schuldcriterium in de zin van het Verdrag en
Verordening (EG) nr. 1467/97 lijkt te zijn voldaan. Eerst moeten echter alle
hierna beschreven relevante factoren worden onderzocht. 4. Relevante factoren In artikel 126, lid 3, VWEU is het volgende
bepaald: "In het verslag van de Commissie wordt er tevens rekening mee
gehouden of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de
overheid en worden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met
inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op
middellange termijn." Deze factoren worden nader omschreven in artikel
2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad, waarin
ook wordt gepreciseerd dat terdege rekening moet worden gehouden met "alle
andere factoren die naar het oordeel van de betrokken lidstaat relevant zijn om
de naleving van de tekort- en schuldcriteria uitvoerig te kunnen beoordelen,
welke factoren die lidstaat aan de Raad en de Commissie kenbaar heeft gemaakt".
In geval van een vermoedelijke schending van
het schuldcriterium is een analyse van de relevante factoren des te meer
gerechtvaardigd omdat de schulddynamiek in sterkere mate dan het tekort wordt
beïnvloed door factoren die buiten de macht van de overheid vallen. Dit wordt erkend
in artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad,
waarin is bepaald dat de relevante factoren bij de nalevingsbeoordeling op
basis van het schuldcriterium in aanmerking moeten worden genomen, ongeacht de
omvang van de inbreuk. In dit verband moeten ten minste de volgende
drie belangrijke aspecten worden onderzocht bij de beoordeling van de naleving
van het schuldcriterium, gezien de invloed ervan op de dynamiek en de
houdbaarheid van de overheidsschuld. 1. Inachtneming van de MTD of van het
aanpassingstraject in de richting daarvan: De verwezenlijking van de MTD of
de vorderingen die in de richting daarvan zijn gemaakt, worden onder normale
macro-economische omstandigheden geacht de houdbaarheid te waarborgen of een
snelle vooruitgang in de richting daarvan te verzekeren. De landenspecifieke
MTD is zodanig opgevat dat daarin rekening wordt gehouden met het schuldniveau
en met de impliciete verplichtingen. De inachtneming van de MTD of van het
aanpassingstraject in de richting daarvan moet ervoor zorgen dat de
schuldquoten — op middellange termijn — naar een prudent niveau convergeren.
Wat meer in het bijzonder België betreft, zij erop gewezen dat het land in
normale economische omstandigheden aan de schuldreductiebenchmark zou voldoen wanneer
het zijn MTD verwezenlijkt. 2. Structurele hervormingen, reeds
doorgevoerd of uiteengezet in een plan voor structurele hervormingen: Met
dergelijke hervormingen wordt rekening gehouden omdat wordt verwacht dat zij
via hun effect op de groei de houdbaarheid op middellange termijn bevorderen en
er aldus toe bijdragen om de schuldquote op een bevredigend neerwaarts pad te
brengen. Aangenomen wordt dat de inachtneming van de
MTD (of van het aanpassingstraject in de richting daarvan), samen met het
doorvoeren van structurele hervormingen (in de context van het Europees
semester), de schulddynamiek op een houdbaar pad zal brengen wegens het
gecombineerde effect daarvan op het schuldniveau zelf (via het realiseren van
een gezonde begrotingssituatie die met de MTD overeenstemt) en op de
economische groei (via de hervormingen). 3. Naast deze twee belangrijke factoren,
moet ook rekening worden gehouden met de aanwezigheid van buitengewone
economische omstandigheden, die een beletsel kunnen vormen voor de verlaging
van de schuldquote en die de naleving van de voorschriften van het SGP
bijzonder moeilijk kunnen maken. In het huidige klimaat van lage inflatie —
bovenop de aanhoudende lage groei — moeten de betrokken lidstaten meer in het
bijzonder zeer lastige structurele aanpassingen doorvoeren om in het kader van
de overgangsregel voor de schuld de vereiste MLSA te realiseren. Daarbij komt
nog dat ook de verrassende negatieve inflatiecijfers tot opwaartse herzieningen
van de vereiste MLSA hebben geleid. Onder dergelijke omstandigheden is de
naleving van de MTD of van het aanpassingstraject in de richting daarvan (zoals
beschreven onder 1) een relevante factor die van essentieel belang is bij de
beoordeling van de naleving van de schuldregel. In het licht van het bovenstaande worden
hierna achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandeld: 1) de economische
situatie op middellange termijn; 2) de begrotingssituatie op middellange
termijn, met inbegrip van een beoordeling van de verwezenlijking van de
vereiste aanpassingsinspanning in de richting van de MTD en de ontwikkeling van
de overheidsinvesteringen; 3) de ontwikkeling, de dynamiek en de houdbaarheid
van de schuldpositie van de overheid op middellange termijn; 4) andere door de
Commissie relevant geachte factoren; en 5) andere door de lidstaat kenbaar
gemaakte factoren. Op basis van de voorjaarsprognoses 2014 van de
Commissie, waarop de Raad zijn budgettaire aanbeveling aan België heeft
gebaseerd, werd de vereiste MLSA in 2014 en 2015 op respectievelijk slechts
0,3 % en 0,5 % van het bbp geraamd[11]. De
vereiste MLSA is aanzienlijk hoger wanneer deze wordt berekend op basis van de
projecties van de winterprognoses 2015, die het uitgangspunt voor deze
beoordeling vormen: zij bedraagt 0,7 % van het bbp in 2014 en 1,1 %
van het bbp in 2015 (rekening houdend met het werkelijke resultaat van 2014).
Deze herziening is ten dele toe te schrijven aan de neerwaartse bijstelling van
de reële groei en de inflatie sinds de voorjaarsprognoses 2014, welke meer dan
de helft van de verhoging van de vereiste aanpassing verklaart. De rest van de
stijging van de MLSA sinds het voorjaar van 2014 is vooral terug te voeren op
een opwaartse herziening van het tekort voor 2013 als gevolg van
methodologische wijzigingen. Daartegenover staat dat de veranderingen in het
bbp naar aanleiding van de overschakeling op het ESR 2010 en de
wijzigingen in de semi-elasticiteit die voor de berekening van het structurele
saldo wordt gehanteerd, slechts een gering neerwaarts effect op de vereiste
aanpassing hadden. Deze factoren zullen meer in detail worden besproken in de
desbetreffende onderstaande afdelingen. Het OBP 2015 bevatte onvoldoende informatie
over de periode na 2015 om op basis van de aannamen en plannen van de regering
de vereiste MLSA te berekenen. Dat neemt niet weg dat in het OBP 2015 wordt
gemikt op een (herberekende) structurele verbetering[12] van
0,7 % van het bbp in 2015, wat meer is dan de inspanning die de Raad in de
landenspecifieke aanbevelingen aan België heeft aanbevolen en die eveneens werd
geacht de inachtneming van de MLSA te garanderen[13]. 4.1. Economische situatie op
middellange termijn Conjuncuurkimaat, potentiële groei en inflatie De Belgische economie bleek vrij veerkrachtig
te zijn na de wereldwijde economische recessie in 2009. Dankzij de krachtige
economische groei in 2010 en 2011 bereikte het bbp snel weer het peil van voor
de crisis. Daarna was er sprake van een periode van zwakke expansie met een
slechts licht positieve bbp-groei in 2012 en 2013. Volgens de winterprognoses
2015 van de Commissie is de bbp-groei in 2014 op 1 % uitgekomen. In 2015
zal hij naar verwachting rond hetzelfde niveau blijven, waarna hij in 2016
vermoedelijk licht zal aantrekken. De flauwe binnenlandse vraag, en met name de
zwakke particuliere en overheidsconsumptie, weegt op de groeivooruitzichten. De geraamde potentiële groei van België is met
gemiddeld 0,9 % over de periode 2012-2016 vrij laag. De bijdrage van
arbeid aan de potentiële groei is sinds de crisis scherp teruggelopen als
gevolg van een tragere groei van de bevolking in de werkende leeftijd en een
vermindering van de trendmatige participatiegraad. Ook de bijdrage van de
kapitaalvorming is afgenomen, terwijl de zich reeds geruime tijd aftekenende
dalende tendens van de bijdrage van de totale factorproductiviteit aanhield. De
negatieve output gap was in 2011 bijna verdwenen, maar is de laatste jaren
wederom toegenomen. Verwacht wordt dat hij over de prognosehorizon negatief zal
blijven. Net als andere lidstaten van de eurozone maakt
België momenteel een langdurige periode van lage inflatie door. De nominale
inflatie beliep in 2014 gemiddeld 0,6 % en was aan het einde van het jaar
tot nul gedaald als gevolg van afnemende energieprijzen. Volgens de
winterprognoses 2015 van de Commissie zal de neerwaartse tendens van de
inflatie in de eerste helft van 2015 naar verwachting aanhouden. Het algemene
prijsniveau zou in 2015 in totaal met slechts 0,1 % stijgen. Verwacht
wordt dat de inflatie in 2016 zal toenemen tot ongeveer 1 %, een
percentage dat nog steeds ver onder het langetermijngemiddelde ligt[14]. De bbp-deflator is in 2014 met naar raming 0,7 % gestegen, de
kleinste stijging sinds 1999. De voor 2015 en 2016 voorspelde toename blijft
met respectievelijk 0,8 % en 1,2 % vrij bescheiden. Deze geringe stijging van de bbp-deflator
heeft grote invloed op de ontwikkeling van de schuldquote. In het kader van een
meer gangbaar scenario van bijvoorbeeld een prijsverandering van 2 % per
jaar in de periode 2014-2016 zou de schuldquote, indien alle andere factoren
onveranderd blijven, in 2014 een piek van 105,1 % bereiken en vervolgens
vermoedelijk teruglopen tot 104,3 % in 2015 en 103,3 % in 2016 (tegen
106,6 % volgens de winterprognoses 2015 van de Commissie). De lage
inflatie heeft ook gewogen op de ontwikkeling van de belastingontvangsten,
hetgeen resulteerde in een lager dan verwachte structurele aanpassing in 2014.
Daartegenover staat dat ook de rente-uitgaven dankzij de lage rente sterker
zijn gedaald dan aanvankelijk verwacht, maar deze ontwikkeling heeft de andere
effecten slechts ten dele geneutraliseerd. Ook de vereiste MLSA is sterk afhankelijk van
de ontwikkeling van de reële groei en de inflatie. De gevolgen van de
neerwaartse bijstelling van de reële groei en, met name, van de inflatie sinds
het voorjaar van 2014 zijn slechts ten dele gecompenseerd door het hogere
bbp-niveau dat uit de overschakeling naar de ESR 2010-boekhoudregels
voortvloeide. Al met al is van de veranderingen in het macro-economische
scenario, zoals onder meer de lage inflatie, het hogere conjuncturele tekort en
de lagere potentiële groei, een sterk verhogend effect uitgegaan op de MLSA
voor 2014 en 2015 (van respectievelijk +0.2 pp. van het bbp en +0.3 pp.
van het bbp), waarmee deze groter was dan de in juli 2014 aanbevolen aanpassing
in de richting van de MTD (zie ook afdeling 4). De reële bbp-groei was
weliswaar zwak maar niet uitzonderlijk laag; de huidige periode van lage
inflatie kan daarentegen als een nieuwe factor van uitzonderlijke aard worden
beschouwd. De combinatie van deze ongunstige conjuncturele omstandigheden maken
het op dit moment bijzonder lastig om de vereiste MLSA te realiseren. Tabel 3. Macro-economische en budgettaire ontwikkelingena In dit verband moet worden opgemerkt dat het
in de begrotingswet 2015 opgenomen economisch middellangetermijnscenario een
lagere MLSA zou vergen, met name dankzij de hogere verwachte nominale groei. Op
grond van deze meer optimistische macro-economische aannamen zou het geplande
budgettaire traject van België wel in overeenstemming zijn met de
overgangsregelingen. Inmiddels lijken deze veronderstellingen echter te
optimistisch te zijn geworden[15]. Structurele hervormingen België wordt geconfronteerd met
macro-economische onevenwichtigheden die monitoring en beleidsactie vereisen[16]. In het landenverslag 2015 over België wordt tot de bevinding gekomen
dat de met het concurrentievermogen samenhangende macro-economische risico's
zijn verkleind omdat de afgelopen jaren corrigerende maatregelen zijn genomen.
De risico's die uit de hoge overheidsschuld voortvloeien, worden weliswaar
getemperd door de gezonde financiële situatie van de particuliere sector, maar
zij bemoeilijken niettemin de voortzetting van de consolidatie-inspanningen
door de Belgische regering. Met haar mededeling van 13 januari 2015 heeft
de Commissie de band versterkt tussen een effectieve tenuitvoerlegging van
structurele hervormingen, investeringen en budgettaire verantwoordelijkheid ter
ondersteuning van groei en werkgelegenheid, met inachtneming van de bestaande
voorschriften van het SGP. In deze context hebben de Belgische autoriteiten in
november 2014 in een brief aan de Commissie toegezegd om een aantal structurele
hervormingen door te voeren om gevolg te geven aan de in juli 2014 door de Raad
gedane landenspecifieke aanbevelingen van 2014. Deze structurele hervormingen
zijn nader omschreven in een verslag dat op 30 januari 2015 is ingediend.
In dit verslag wordt een overzicht gegeven van alle geplande maatregelen en is
tevens een tijdschema voor de tenuitvoerlegging ervan opgenomen. De meeste
maatregelen zullen geleidelijk worden uitgevoerd tijdens de ambtstermijn van de
regering (2015-2019), waarbij de eerste stappen voor de uitvoering van de
maatregelen vaak reeds zijn genomen. Het belangrijkste actieterrein betreft de pensioenhervormingen
door middel van maatregelen die de mogelijkheden verminderen om vervroegd uit
te treden. Deze maatregelen moeten de kloof tussen de werkelijke en de
wettelijke pensioenleeftijd helpen verkleinen. Ten eerste zijn na 2016 een
verdere verhoging van de minimumleeftijd en een verdere verlenging van de
minimumduur van de beroepsloopbaan gepland om voor vervroegde uittreding in
aanmerking te komen. De vorige regering had de minimumleeftijd verhoogd van 60
tot 62 jaar en de minimumduur van de beroepsloopbaan verlengd van 35 tot
40 jaar. Tegen 2019 zou de minimumleeftijd worden opgetrokken tot 63 jaar en
zou een beroepsloopbaan van 42 jaar zijn vereist. Voor zware beroepen of lange
loopbanen zouden uitzonderingen op deze algemene regel worden toegestaan. Ten
tweede worden geleidelijk strengere eisen qua leeftijd en qua duur van de
loopbaan gesteld om via het werkloosheidsstelsel voor ouderen voor vervroegd
pensioen in aanmerking te komen. Zo is de minimumleeftijd sinds januari 2015
opgetrokken tot 62 jaar. Voor zware beroepen, lange loopbanen en collectieve
ontslagen gelden overgangsregels en uitzonderingen. Ten derde zou de
pensioenregeling voor ambtenaren vanaf 2016 worden hervormd. Daarbij zouden
onder meer de regels voor de pensioenopbouw worden gewijzigd om tot een langere
gemiddelde loopbaan te komen. Ten slotte is over een langere tijdshorizon in
het regeerakkoord van oktober 2014 het voornemen aangekondigd om de wettelijke
pensioenleeftijd te verhogen van 65 jaar nu tot 66 jaar in 2025 en 67 jaar in
2030, alsook om over te stappen op een pensioenstelsel op basis van credits om
de band tussen pensioenleeftijd en levensverwachting te versterken. In een verslag dat op 5 februari is ingediend
(en op 13 februari 2015 is bijgewerkt), hebben de Belgische autoriteiten eerste
ramingen verstrekt over het langetermijneffect (2060) van deze geplande
pensioenhervormingen. De kwantificering heeft uitsluitend betrekking op het
effect van de nieuwe maatregelen: over de projectiehorizon is geen rekening
gehouden met de gevolgen van de pensioenhervorming van 2012. In vergelijking
met het basisscenario waarin de geplande hervormingen niet in aanmerking zijn
genomen, zou het aantal gepensioneerden met 312 000 personen dalen in
2060, terwijl de beroepsbevolking met 246 000 personen zou toenemen; het
verschil is vooral het gevolg van een stijgend aantal personen met een
handicap. Als gevolg daarvan zal de participatiegraad naar verwachting stijgen
tot meer dan 72 % in 2060, tegen 68 % zonder de hervorming.
Aangenomen wordt dat het nominale bbp in 2060 6,2 % hoger zal zijn ten
opzichte van het basisscenario. De geplande pensioenhervormingen zouden ertoe
leiden dat de pensioenuitgaven in 2060 1,9 % van het bbp lager uitkomen
dan bij ongewijzigd beleid het geval zou zijn, terwijl de werkloosheidsuitgaven
0,1 % van het bbp hoger zouden uitvallen. De projecties zijn afkomstig van het Belgisch
Federaal Planbureau, een onafhankelijk prognose-instituut met een gevestigde
reputatie op het gebied van macro-economische projecties op lange termijn,
bijvoorbeeld in het kader van de Belgische Studiecommissie voor de Vergrijzing.
De gehanteerde aannamen zijn beschreven in het verslag en zijn gedeeltelijk
gebaseerd op de methodologie van de Werkgroep Vergrijzing. In het verslag
worden alleen de resultaten op zeer lange termijn (2060) gepresenteerd, terwijl
de verwachte gevolgen van de hervormingen op middellange termijn niet zijn
medegedeeld. De resultaten liggen in dezelfde orde van grootte als die van
soortgelijke hervormingsscenario's die in het kader van het binnenkort
verschijnende Vergrijzingsverslag 2015 zijn gesimuleerd. De hervormingen
zouden ongeveer 60 % van de verwachte stijging van de pensioenuitgaven in
de periode tot 2060 neutraliseren. Dit gezegd zijnde, moet erop worden gewezen
dat niet alle hervormingsmaatregelen reeds daadwerkelijk zijn vastgesteld en
dat er dus een risico bestaat dat de hervormingen in de loop van de
wetgevingsprocedure worden afgezwakt, wat afbreuk kan doen aan het effect
ervan. Over het geheel genomen is de kwantificering van de geplande
hervormingen consistent en solide en lijken de geraamde gevolgen plausibel te
zijn. Bovendien kan een extra positief effect worden verwacht van
niet-pensioengerelateerde plannen die niet in deze prognoses zijn opgenomen,
zoals werkgelegenheidsmaatregelen, maatregelen in verband met het
werkloosheids- en het gezondheidszorgstelsel en fiscale maatregelen (zie
hieronder). Hervormingsplannen met een kortere
tijdshorizon omvatten onder meer maatregelen om het concurrentievermogen te
stimuleren. Er zijn meer in het bijzonder aanvullende corrigerende maatregelen
geschetst om de relatieve loonkostenkloof te verkleinen. Deze betreffen onder
meer een opschorting van de loonindexering en de geplande vermindering van de
werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid in 2016 en 2019. De in het
meerjarige begrotingsplan aangekondigde verschuiving van de belasting op arbeid
naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen blijft tot dusver echter
bescheiden in omvang. Ondanks de voorbereidende werkzaamheden die het afgelopen
jaar zijn verricht, en in weerwil van de publieke toezeggingen om verdere
maatregelen te nemen, zijn geen concrete plannen voor een ingrijpende
belastinghervorming ingediend. Wat de vergroting van de arbeidsparticipatie
en de verhoging van het groeipotentieel betreft, hebben de Belgische
autoriteiten maatregelen genomen ter versterking van de prikkels om aan het
werk te gaan. Enerzijds is het nettoloon voor alle werknemers gestegen doordat
sinds januari 2015 de verhoogde forfaitaire aftrek voor beroepskosten in
werking is getreden; voor laagbetaalden wordt met ingang van januari 2016 de
fiscale "werkbonus" opgetrokken. Anderzijds zijn sommige
werkloosheidsuitkeringen verlaagd (zoals de aanvullende werkloosheidsuitkering
voor gedeeltelijk werklozen en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen)
en zijn de criteria om voor de inschakelingsvergoeding voor jonge werklozen in
aanmerking te komen, aangescherpt. Algemeen genomen heeft België enige
vorderingen gemaakt bij het uitvoeren van de landenspecifieke aanbevelingen
voor 2014. Op het gebied van pensioenhervormingen is aanzienlijke vooruitgang
geboekt: er zijn maatregelen genomen om de kloof tussen de feitelijke en de
wettelijke pensioenleeftijd te verkleinen en het is tevens de bedoeling deze
laatste op langere termijn op te trekken. Er zijn ook vorderingen gemaakt bij
het herstellen van het concurrentievermogen, in die zin dat corrigerende
maatregelen zijn genomen die tot een vermindering van de relatieve loonkostenkloof
moeten leiden, en dat de eerste stappen zijn gezet om het
loonvormingsmechanisme te hervormen. Voorts is enige vooruitgang geboekt met
betrekking tot de werkgelegenheidsuitdagingen. De meest tastbare vorderingen
hebben betrekking op het verminderen van de negatieve financiële prikkels om te
werken en het aanpakken van de discrepanties tussen gevraagde en aangeboden
vaardigheden en van de schooluitval. Op andere beleidsgebieden is minder
vooruitgang geboekt, onder meer wat de toegang tot de arbeidsmarkt voor
kansarme groepen betreft. Tegelijkertijd zijn er beperkte vorderingen gemaakt
bij het doorvoeren van een ingrijpende belastinghervorming die met name in een
duidelijke verschuiving van belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende
belastinggrondslagen moet resulteren. Er is ook sprake van een beperkte
voortgang bij de werking van de detailhandelsmarkten en de deregulering van
vrije beroepen. Ten aanzien van de aanbeveling om ervoor te zorgen dat de
doelstellingen voor het terugdringen van de emissies van broeikasgassen worden
gehaald, moet de vooruitgang als beperkt worden beschouwd bij gebreke van een
intergouvernementele overeenkomst over de verdeling van de inspanningen en van
de veilingsopbrengsten. Ook de vorderingen om de bijdrage van het vervoer te
doen aansluiten bij de doelstelling om de verkeerscongestie te verminderen,
zijn beperkt uitgevallen. 4.2. Budgettaire situatie op
middellange termijn Nominaal en structureel saldo en aanpassing in de richting van de MTD Het zwakke conjunctuurklimaat heeft een
negatieve invloed gehad op het begrotingsresultaat voor 2014. Statistische
herzieningen in de overheidsrekeningen, ten dele als gevolg van de
overschakeling naar het ESR 2010 (zie hierboven), hebben geleid tot een
opwaartse herziening met circa 0,3 % van het bbp van zowel het nominale
als het structurele tekort ten opzichte van de voorjaarsprognoses 2014 van de
Commissie. Hoewel deze statistische bijstellingen vermoedelijk geen
aanzienlijke gevolgen hebben gehad voor de verandering in het structurele saldo
in 2014 en 2015, hebben zij ertoe bijgedragen dat de MLSA voor die jaren
opwaarts is herzien sinds de aanbeveling van de Raad van juli 2014 (met
respectievelijk +0.2 pp. van het bbp in 2014 en +0.3 pp. van het bbp in
2015). Het structurele saldo is in 2014 met naar
schatting 0,1 % van het bbp verslechterd (terwijl in het OBP 2015 van
België is uitgegaan van een verbetering van 0,3 %). Dit komt neer op een
aanzienlijke afwijking ten opzichte van de vereiste aanpassing van 0,5 %
van het bbp in de richting van de MTD in 2014. Ook de uitgavenbenchmark duidt
op een afwijking (een verschil van -0,2 % van het bbp). Dit rechtvaardigt
een algehele beoordeling. De structurele inspanning is geringer uitgevallen
omdat de ontvangsten in 2014 veel lager (0,25 % van het bbp) zijn
uitgekomen dan op basis van standaardelasticiteiten mocht worden aangenomen,
hetgeen onder andere te wijten is aan een verlies van dividendopbrengsten uit
aandelen van de financiële sector. Ook de lager dan verwachte inflatie in 2014 heeft
de overheidsinkomsten neerwaarts beïnvloed. Daartegenover staat dat de
beoordeling op basis van de uitgavenbenchmark negatief is beïnvloed door lagere
eenmalige ontvangsten. De algehele beoordeling wijst derhalve uit dat in 2014
enigszins van het aanpassingstraject richting de MTD (een structureel overschot
van 0,75 % van het bbp) is afgeweken. In 2015 is de over het gehele jaar geraamde
structurele inspanning in overeenstemming met het vereiste (0,6 % van het
bbp), al wordt er enigszins van de uitgavenbenchmark afgeweken (een verschil
van -0,2 % van het bbp). Het onderscheid tussen beide indicatoren valt
evenwel te verklaren door het feit dat de structurele verbetering ten dele
terug te voeren is op lagere rente-uitgaven en een vervanging van eenmalige
maatregelen[17] door structurele maatregelen in 2015, waardoor het structurele saldo
wel maar de uitgavenbenchmark niet is verbeterd. Uit de algehele beoordeling
blijkt derhalve dat in 2015 aan de vereisten zou worden voldaan. De gemiddelde afwijking van het structurele
saldo over 2014 en 2015 samen ligt met -0,3 % in de buurt van de
significantiedrempel (0,25 %), terwijl er gemiddeld ook sprake is van een
lichte afwijking van de uitgavenbenchmark (een verschil van 0,2 % van het
bbp). Een algehele beoordeling waarbij met de bovenbeschreven factoren rekening
wordt gehouden, wijst uit dat het risico bestaat dat er in de periode 2014-2015
enigszins van het aanpassingstraject in de richting van de MTD wordt afgeweken,
vooral als gevolg van de afwijking in 2014. Al met al kan op basis van de winterprognoses
2015 van de Commissie worden geconcludeerd dat België zich in grote lijnen
heeft gehouden aan de vereiste aanpassing in de richting van de MTD. In hun OBP hebben de Belgische autoriteiten
zich ertoe verbonden om uiterlijk in 2018 een structureel begrotingsevenwicht
te bewerkstelligen (tegen 2016 volgens het in het laatste stabiliteitsprogramma
aangegeven (indicatieve) traject), wat over de periode 2015-2018 een inspanning
van 2,3 % van het bbp zou vergen. Volgens de winterprognoses zou evenwel
een grotere inspanning (2,8 % van het bbp) zijn vereist, gezien de
uiteenlopende raming van het structurele saldo. Overheidsinvesteringen In 2012 hebben de overheidsinvesteringen een
piek bereikt van 2,3 % van het bbp als gevolg van de investeringscyclus op
lokaal niveau. Om dezelfde reden zijn deze in 2013 sterk teruggelopen tot
2,2 % van het bbp, een daling die zich in 2014 zou hebben voortgezet (tot
2,1 % van het bbp). In 2015 zullen de overheidsinvesteringen naar verwachting
wederom aantrekken tot 2,2 % van het bbp. De investeringssubsidies aan
niet-financiële vennootschappen (onder meer voor spoorweginfrastructuur,
ziekenhuizen, bejaardentehuizen en scholen), die niet in deze cijfers zijn
opgenomen, zijn de afgelopen jaren fors gestegen en bedroegen in 2013
1,1 % van het bbp. Aangenomen wordt dat deze in 2014 verder zijn
toegenomen, namelijk met 0,1 pp. van het bbp, wat de verslechtering van
het structurele saldo in 2014 in de hand heeft gewerkt. In 2015 zullen deze
investeringen naar verwachting gedurende de gehele prognoseperiode vrijwel
stabiel blijven. 4.3. Schuldpositie
van de overheid op middellange termijn Tussen 1998 en 2007 is de Belgische
schuldquote met 32 pp. afgenomen dankzij forse primaire overschotten (die weliswaar
geleidelijk terugliepen), een duurzame economische groei en dalende
rentelasten. Eind 2007 bedroeg de Belgische overheidsschuld 87 % van het
bbp. Sinds het uitbreken van de financiële en economische crisis in 2007 laat
de Belgische overheidsschuld wederom een opwaartse tendens zien. Ondanks
omvangrijke maatregelen in de financiële sector en een tekort dat sinds 2009
meer dan of ongeveer 3 % van het bbp bedroeg, is de recente toename van de
schuld (+20 pp. van het bbp tussen 2007 en 2014) toch minder groot dan in vele
andere lidstaten en dan in de eurozone (29 pp. van het bbp in de eurozone als
geheel). In weerwil van het oplopende schuldniveau zijn de rente-uitgaven
tijdens dezelfde periode continu afgenomen dankzij de verder dalende rente
(afgezien van een tijdelijke stijging van de risicopremies in 2012). Het terugdringen van de Belgische
overheidsschuld wordt momenteel bemoeilijkt door een laag blijvende groei en
vooral door een lage inflatie. De nominale bbp-groei volstaat niet om de
rente-uitgaven te compenseren, hetgeen tot een negatief sneeuwbaleffect leidt.
De rentedaling resulteert slechts geleidelijk in een lagere impliciete rente op
de uitstaande schuld. Bovendien is het primaire overheidssaldo verslechterd
wegens de bovengenoemde statistische bijstellingen en het heersende
conjunctuurklimaat. Verwacht wordt dat tijdens de prognoseperiode van de
stock-flow adjustments in 2015 een schuldverlagend effect ter grootte van 0,2
pp. van het bbp en in 2016 een schuldverhogend effect van ongeveer 0,1 %
van het bbp zal uitgaan. Al met al zal de overheidsschuld in 2015 vermoedelijk
een hoogtepunt van 106,8 % van het bbp bereiken en zich daarna
stabiliseren dankzij de verbetering van het primaire saldo en een sterkere
nominale bbp-groei. Er lijkt momenteel geen gevaar te zijn dat de
Belgische begroting op korte termijn onder druk zal komen te staan. De
gemiddelde looptijd van de federale schuldportefeuille[18] kan
met 7,8 jaar in oktober 2014[19] als vrij lang worden
aangemerkt. De Belgische regering heeft van het huidige lage rentepeil
gebruikgemaakt om de uitstaande schuld tegen lage rentetarieven te
herfinancieren en heeft reeds een deel van de financieringsbehoeften voor 2015
voorgefinancierd. Het herzettingsrisico[20] op 12 maanden
en op 60 maanden van de federale overheidsschuld is gedaald van
20,3 % en 56,8 % eind 2012 tot 16,1 % en 46,4 % eind 2014[21]. Net als overal in de eurozone het geval is, bevinden de rentevoeten
op Belgisch schuldpapier zich op een historisch laag peil. De spread tussen
Belgische en Duitse obligaties beliep in 2014 gemiddeld 55 basispunten,
tegen 84 basispunten in 2013 en een maximum van 366 basispunten op
25 november 2011. Eind 2014 bedroeg de spread 28 basispunten. De
impliciete rente is de afgelopen jaren gestaag gedaald, namelijk van 4,4 %
in 2007 tot naar schatting 2,6 % in 2015. België lijkt daarentegen te kampen met grote
budgettaire houdbaarheidsrisico's op middellange en lange termijn omdat wordt
verwacht dat het land met bovengemiddelde gevolgen van de vergrijzing zal
worden geconfronteerd. Bij ongewijzigd beleid[22]
zullen de kosten van de vergrijzing de schuld doen oplopen tot 111 % van
het bbp in 2025[23]. Een stijging met 1 pp. van het veronderstelde rentepercentage of
een 0,5 pp. lagere bbp-groei zou de overheidsschuld in 2025 op 117 %
van het bbp brengen. Daartegenover staat dat voldoende vooruitgang in de
richting van de MTD van België[24], zoals voorgeschreven door het SGP, de overheidsschuld op een duurzaam
neerwaarts pad zou brengen, waardoor zij in 2025 op ongeveer 80 % van het
bbp zou uitkomen. In dit verband moet worden opgemerkt dat België reeds een
relatief hoge belastingdruk kent. Er is dus weinig begrotingsruimte om door
middel van inkomstenverhogende maatregelen de verplichtingen uit hoofde van een
grotere schuldenlast na te komen of de schuldenlast te verlichten. Er is echter
wel ruimte om het belastingstelsel minder groeiverstorend te maken, met name
door een verschuiving weg van belastingen op arbeid (zie het landenverslag 2015
over België). Tot slot wordt de houdbaarheid van de
overheidsschuld ook bepaald door het groeipotentieel van de economie. Zoals
hierboven is beschreven, heeft een geleidelijke daling van de bijdrage van de
totale factorproductiviteit sinds het begin van de jaren negentig tot
aanzienlijk lagere potentiële groeivooruitzichten geleid, wat het belang
illustreert van de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen ter
bevordering van de potentiële groei. Ondanks de hoge overheidsschuld is de
financiële nettovermogenspositie van de Belgische economie als geheel zeer
positief (+42,5 % van het bbp in 2013), tegen een nettoschuldpositie van
10 % van het bbp voor de eurozone. Deze algemene gezonde situatie is met
name te danken aan het zeer hoge nettovermogen van de Belgische huishoudens
(224 % van het bbp, tegen 139 % in de eurozone), dat de
nettoverplichtingen van de overheidssector en de niet-financiële
vennootschappen ruimschoots compenseert. 4.4. Andere
door de Commissie relevant geachte factoren Wat de andere door de Commissie relevant
geachte factoren betreft, wordt vooral aandacht besteed aan de financiële
bijdragen ter bevordering van de internationale solidariteit en ter
verwezenlijking van de beleidsdoelen van de Unie, de schuld in de vorm van
bilaterale en multilaterale steun tussen lidstaten in het kader van het
waarborgen van de financiële stabiliteit, alsook de schuld die met financiële
stabilisatieoperaties tijdens ernstige financiële spanningen verband houdt
(artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1467/97). Bij de beoordeling of voldoende vooruitgang in
de richting van de naleving van de schuldreductiebenchmark is geboekt, is
rekening gehouden met het schuld- of tekortverhogend effect van de financiële
bijstand aan lidstaten van de eurozone. In de winterprognoses 2015 van de
Commissie wordt het cumulatieve effect van de Griekse leningfaciliteit, de
EFSF-uitbetalingen, de kapitaalbijdragen aan het ESM en de transacties in het
kader van het Griekse programma op de Belgische schuld over de periode
2010-2015 op 2,9 % van het bbp geraamd. Wanneer met het effect van deze
verrichtingen rekening wordt gehouden, zou de vereiste MLSA iets geringer
uitvallen, namelijk 0,7 % van het bbp in 2014, 1,0 % van het bbp in
2015 en 1,5 % in 2016. De toename van de schuld sinds 2008 is deels
te verklaren door reddingsoperaties in de financiële sector. Wat de recente
jaren betreft, bedroeg het rechtstreekse cumulatieve effect van deze
verrichtingen bijna 7 % van het bbp in 2011, maar daarna is het gedaald
tot ongeveer 4,4 % van het bbp in 2014 als gevolg van de verkoop van een
deel van de verworven activa en van de terugbetaling van toegekende leningen.
De latente verplichtingen in verband met garanties aan de financiële sector
worden geleidelijk afgebouwd en vertegenwoordigden eind 2014 9,4 % van het
bbp, waarbij Dexia thans de enige overblijvende begunstigde is. In artikel 12, lid 1, van
Verordening (EU) nr. 473/2013 is bepaald dat in dit verslag tevens
rekening moet worden gehouden met de mate waarin de betrokken lidstaat het in
artikel 7, lid 1, van genoemde verordening bedoelde advies van de
Commissie over het OBP in acht heeft genomen. Het advies van de Commissie over
het in november 2014 door België gepresenteerde OBP 2015 is gedeeltelijk in
aanmerking genomen in de begroting voor 2015. In het advies van de Commissie
over de begrotingsplannen voor 2015 werd gewezen op het risico van
niet-naleving van de voorschriften van het SGP. De autoriteiten werd verzocht
in het kader van de nationale begrotingsprocedure de nodige maatregelen te
nemen om ervoor te zorgen dat de begroting van 2015 aan het SGP voldoet. Sinds
de goedkeuring van het advies van de Commissie zijn de aangekondigde
maatregelen nader omschreven op federaal en regionaal niveau. Samen met het
budgettaire effect van de lagere rente heeft dit ertoe geleid dat de geraamde
structurele inspanning in 2015 is toegenomen van 0,4 % tot 0,6 % van
het bbp. 4.5. Andere
door de lidstaat kenbaar gemaakte factoren Op 13 februari 2015 hebben de Belgische
autoriteiten een brief doen toekomen met relevante factoren in de zin van
artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad.
In de analyse in de andere afdelingen van dit verslag is reeds grotendeels
ingegaan op de belangrijkste factoren die de autoriteiten kenbaar hebben
gemaakt. Met betrekking tot de niet-naleving van de
MLSA voert België aan dat tot de publicatie van de najaarsprognoses 2014 de
minimaal vereiste aanpassing was verwezenlijkt. Daarna is de MLSA sterk
opwaarts bijgesteld als gevolg van i) methodologische statistische
herzieningen die pas zeer laat in 2014 bekend geworden zijn, toen het bijna
onmogelijk was voor het begrotingsbeleid om daarop te reageren, en ii) het
ontstaan van semideflatoire tendensen in combinatie met een
conjunctuurvertraging. De Belgische autoriteiten stellen dan ook dat het feit
dat de vereiste MLSA extreem volatiel is geworden, hetgeen niet de bedoeling
was toen de regel is ingevoerd, in aanmerking moet worden genomen als relevante
factor. Voorts benadrukken de Belgische autoriteiten
de voor 2015 geplande ambitieuze budgettaire inspanningen van het land, die
afgaande op de winterprognoses 2015 van de Commissie de meest intensieve in de
eurozone zouden zijn. De Belgische autoriteiten wijzen daarnaast op de onlangs
door de regering goedgekeurde structurele hervormingen, die ook in een
aanzienlijke verbetering van de langetermijnhoudbaarheid van de Belgische
overheidsschuld zouden resulteren, in overeenstemming met wat in afdeling 4.1
van dit verslag is vermeld. Met betrekking tot de overschrijding van de
referentiewaarde van 3 % van het bbp in 2014 merken de Belgische
autoriteiten op dat moet worden gewacht op de BTP-kennisgeving aan Eurostat in
het voorjaar van 2015, al achten zij de projectie van de Commissie vrij
plausibel. Volgens de autoriteiten is de overschrijding van de referentiewaarde
grotendeels het gevolg van de laattijdige herziening door Eurostat van de
methodologie voor de nationale rekeningen. Deze herziening vond immers plaats
in het najaar van vorig jaar, toen het al te laat was om tijdens het lopende
begrotingsjaar nog corrigerende maatregelen te nemen. De Belgische autoriteiten
voeren aan dat het tekort volgens het ESR 95 waarschijnlijk op 2,9 %
van het bbp zou zijn uitgekomen. Maar dan hebben de methodologische wijzigingen
plaatsgevonden. Dit strookt met de conclusie van afdeling 2 van dit verslag. De
autoriteiten wijzen er verder op dat het teleurstellende resultaat deels aan
een onverwachte conjunctuurverzwakking toe te schrijven was, maar het
uiteindelijke groeicijfer sloot in feite wel grotendeels aan bij de
oorspronkelijke begrotingsaannamen. 5. Conclusies In België is het overheidstekort uitgekomen op
naar schatting 3,2 % van het bbp in 2014, wat hoger is dan, maar toch
dicht bij de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De geraamde
overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk
in de zin van het stabiliteits- en groeipact. Bovendien kan zij als tijdelijk
worden beschouwd. Dit duidt erop dat aan het tekortcriterium van het Verdrag is
voldaan. De bruto overheidsschuld is in 2013 op
104,5 % van het bbp uitgekomen en overtrof daarmee ruimschoots de
referentiewaarde van 60 % van het bbp. Volgens de winterprognoses 2015 van
de Commissie zal België naar verwachting onvoldoende vooruitgang boeken bij de
inachtneming van de schuldreductiebenchmark. Op het eerste gezicht lijkt
daardoor niet te zijn voldaan aan het schuldcriterium als omschreven in het
Verdrag, maar dat is voordat alle relevante factoren zijn onderzocht. Conform het Verdrag zijn
in dit verslag ook de relevante factoren onderzocht. Volgens het SGP kunnen
deze relevante factoren alleen in aanmerking worden genomen in de stappen die
tot het besluit over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort
leiden, indien het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en
indien de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is[25], wat hier het geval is. Tevens kan er met deze factoren
rekening worden gehouden bij de toetsing van het schuldcriterium. In 2014 en 2015 zal België naar verwachting
niet aanzienlijk afwijken van zijn pad in de richting van de MTD. Het land kan
derhalve worden geacht in grote lijnen te voldoen aan het preventieve deel van
het SGP. Zowel de nominale als de structurele verbetering in 2014 werd negatief
beïnvloed door lagere ontvangsten dan op basis van standaardelasticiteiten
mocht worden aangenomen, alsook door de lager dan verwachte inflatie. De
realisatie van de vereiste minimale lineaire structurele aanpassing in zowel
2014 als 2015 is verder in gevaar gebracht door wezenlijke veranderingen in de
groei- en inflatievooruitzichten op middellange termijn, alsook door
statistische herzieningen van historische tekortcijfers, twee factoren die
buiten de macht van de regering liggen. Als gevolg van deze veranderingen is de
op basis van de voorjaarsprognoses 2015 van de Commissie berekende MLSA voor
België aanzienlijk hoger dan de aanpassing die in juli 2014 was aanbevolen.
Gezien de lage groei- en inflatieverwachtingen vereist de verwezenlijking van
de MLSA dan ook een zware inspanning. In het licht van deze ongunstige
conjuncturele omstandigheden kan een dergelijke grote inspanning haalbaar noch
wenselijk zijn. In haar brieven van 30 januari 2015 en 5
februari 2015 (geactualiseerd op 13 februari 2015) heeft België een specifiek
plan voor structurele hervormingen gepresenteerd. De aangekondigde hervormingen
zijn ingrijpend en zullen naar verwachting bijdragen aan het versterken van het
groeipotentieel van de economie en aan het terugdringen van de risico's van
macro-economische onevenwichtigheden, waardoor zij een positief effect op de
houdbaarheid van de schuld zullen sorteren. In dit verband is de spoedige
tenuitvoerlegging van de lopende structurele hervormingen een noodzakelijk
onderdeel van een geloofwaardige strategie voor het terugdringen van de schuld. Al met al blijkt uit de in dit verslag
gepresenteerde analyse – waarin ook alle relevante factoren zijn beoordeeld, en
met name i) het huidige ongunstige economische klimaat dat de inachtneming van
de schuldregel sterk bemoeilijkt, ii) de verwachting dat de verwezenlijking van
de vereiste aanpassing in de richting van de MTD algemeen genomen is
gewaarborgd, en iii) de verwachte tenuitvoerlegging, conform de door de
autoriteiten gedane toezegging, van ambitieuze en groeibevorderende structurele
hervormingen, welke er naar verwachting toe zal bijdragen dat de schuld op
middellange/lange termijn wordt teruggedrongen – dat het schuldcriterium als
omschreven in het Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/97 momenteel als in
acht genomen moet worden beschouwd. [1] PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6. In het verslag
wordt ook rekening gehouden met de "Specificaties inzake de uitvoering van
het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van
stabiliteits- en convergentieprogramma's", die op 3 september 2012 door de
Raad (Ecofin) zijn bekrachtigd en te vinden zijn op: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/legal_texts/index_en.htm [2] PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11. Verordening
(EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende
"gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van
ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van
buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone". [3] Raadsbesluit op grond van artikel 126, lid 12, VWEU van
20 juni 2014. Alle BTP-documenten voor België zijn te vinden op de volgende
website: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/corrective_arm/index_en.htm
[4] In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1467/97 is het
volgende bepaald: "[…] Het verslag weerspiegelt in voorkomend geval:
[…] de uitvoering van beleidsmaatregelen in het kader van de preventie en
correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, de uitvoering
van beleidsmaatregelen in het kader van de gemeenschappelijke groeistrategie
van de Unie […]". [5] Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad
moeten de lidstaten de Commissie tweemaal per jaar in kennis stellen van hun
voorziene en feitelijke overheidstekorten en van de voorziene en feitelijke
omvang van hun overheidsschuld. De meest recente kennisgeving van België is te
vinden op: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/government_finance_statistics/excessive_deficit/edp_notification_tables. [6] Eurostat news release nr. 158/2014 van 21 oktober
2014. [7] Over de periode 2014-2016 wordt een jaarlijkse
structurele aanpassing ter grootte van 0,7 % van het bbp voorspeld om te
waarborgen dat – indien deze aanpassing wordt gerealiseerd – België aan het
einde van de overgangsperiode aan de schuldreductiebenchmark voldoet, in de
veronderstelling dat de groeiprojecties van de winterprognoses 2015 van de
Commissie bewaarheid worden. [8] Aangezien de in 2014 vereiste aanpassing niet is
gerealiseerd, bedraagt de vereiste jaarlijkse structurele aanpassing tijdens de
resterende jaren van de overgangsperiode (2015-2016) 1,1 % om aan het
einde van deze periode aan de schuldreductiebenchmark te voldoen, in de
veronderstelling dat de groeiprojecties van de winterprognoses 2015 van de
Commissie bewaarheid worden. [9] 0,4 pp. van het bbp is toe te schrijven aan de
herziening van het tekort en wordt ten dele gecompenseerd door de opwaartse
bijstelling van de noemer (bbp) als gevolg van de wijziging in het
ESR 2010. [10] De reële impliciete rente tijdens jaar t kan worden
gedefinieerd als het gemiddelde nominale rendement dat de overheid bij de
aflossingen en rentebetalingen op de uitstaande schuld aan het einde van jaar t-1
heeft betaald, exclusief het effect van de inflatie tijdens jaar t
(met gebruikmaking van de deflator van het bbp). [11] Over de periode 2014-2016 werd immers een jaarlijkse
structurele aanpassing ter grootte van 0,3 % van het bbp voorspeld
(0,5 % van het bbp over de periode 2015-2016 indien in 2014 geen verdere
vorderingen zouden worden gemaakt) om te waarborgen dat – indien deze
aanpassing wordt gerealiseerd – België aan het einde van de overgangsperiode
aan de schuldreductiebenchmark zou voldoen, in de veronderstelling dat de
groei- en begrotingsprojecties van de voorjaarsprognoses 2014 van de Commissie
bewaarheid werden. [12] Verandering in het conjunctuurgezuiverde saldo, ongerekend
eenmalige en tijdelijke maatregelen, dat door de Commissie op basis van de in
het OBP vervatte informatie is herberekend volgens de gezamenlijk
overeengekomen methode. [13] "[...] In 2015 de begrotingsstrategie die de vereiste
aanpassing van 0,6 % van het bbp in de richting van de middellangetermijndoelstelling
moet waarborgen, waarmee ook aan de schuldregel zou worden voldaan,
aanzienlijk te versterken. [...]". [14] Tussen 1999 en 2013 bedroeg de gemiddelde HICP-inflatie
2,1 %. [15] In
de actualisering van februari van de macro-economische projecties van het
Federaal Planbureau, dat de officiële prognoses verschaft die aan de begroting
en de latere begrotingsherzieningen ten grondslag liggen, is de nominale
bbp-groei aanzienlijk naar beneden bijgesteld, waardoor deze thans min of meer
aansluit bij de winterprognoses 2015 van de Commissie. [16] Zie Commissiemededeling COM(2015) 85. [17] Met
name omdat uitgavenverhogingen waartegenover discretionaire maatregelen aan de
ontvangstenzijde (inclusief eenmalige maatregelen) staan, worden uitgevlakt. [18] De federale overheidsschuld vertegenwoordigt 84 % van
de totale overheidsschuld. [19] Bron: Belgisch Agentschap van de Schuld, 2014. [20] Het aandeel van de uitstaande schuld dat binnen een
bepaalde periode vervalt of dat aan veranderingen in de rentetarieven
onderhevig is (omdat er sprake is van een variabele rentevoet). [21] Bron: Belgisch Agentschap van de Schuld, 2014. [22] Ongerekend de onlangs aangekondigde of vastgestelde
maatregelen besproken in afdeling 4.1. [23] Bij deze projecties is uitgegaan van de winterprognoses
2015 van de Europese Commissie, waarbij de veronderstelling dat het beleid
ongewijzigd blijft, resulteerde in een structureel primair saldo dat constant
wordt gehouden (exclusief de kosten van de vergrijzing) op het niveau van het
laatste prognosejaar (2016). In het basisscenario wordt van de volgende
macro-economische langetermijnveronderstellingen uitgegaan: de potentiële
bbp-groei blijft ongeveer 1 % bedragen; de inflatie en de verandering in
de bbp-deflator stabiliseren zich op middellange termijn op 2 %; de
langetermijnrente op nieuwe en vernieuwde schuld convergeert tegen 2025 naar
3 % in reële termen en de kortetermijnrente tot een waarde die
overeenstemt met de lange rente en de historische (voor de crisis bestaande)
rendementscurve voor de eurozone (zie ook Europese Commissie, 2012). De
geraamde kosten van de vergrijzing zijn gebaseerd op het Vergrijzingsverslag
2012. Deze ramingen zullen worden geactualiseerd in de editie van 2015 van het
Vergrijzingsverslag, die in de eerste helft van 2015 zal worden gepubliceerd. [24] De MTD van België is vastgesteld op een structureel
begrotingsoverschot van 0,75 % van het bbp. [25] Artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de
Raad.