Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014SC0075

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Macro-economische onevenwichtigheden België 2014

/* SWD/2014/075 final */

52014SC0075

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Macro-economische onevenwichtigheden België 2014 /* SWD/2014/075 final */


Resultaten van diepgaande evaluaties op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

België blijft macro-economische onevenwichtigheden ondervinden die monitoring en beleidsactie vereisen. Met name de ontwikkelingen in verband met de externe competitiviteit van goederen blijven aandacht verdienen omdat een persistente afkalving de macro-economische stabiliteit zou bedreigen.

Meer specifiek kan een voortdurende verslechtering van de competitiviteit, inclusief de niet-kostendimensie ervan, negatieve gevolgen voor de economie hebben. Het vermogen van de industrie om internationaal te concurreren is belemmerd, hetgeen zich weerspiegelt in eroderende producentenmarges en in vernietiging van banen. Het doen aansluiten van hoge loonkosten bij duurzame banencreatie en hoge levensstandaarden vereist vol inzetten op producten hogerop in de mondiale waardeketens. Tegelijkertijd moet een verdere ontkoppeling tussen snelle loongroei en trage productiviteitsgroei worden voorkomen. In dat verband heeft België stappen ondernomen die naar verwachting de komende jaren effect zullen hebben. Toch vereist het in stand houden van de industriële basis ambitieuzere actie, te meer met de hervormingen die zich in de concurrerende landen ontwikkelen. Een en ander houdt verband met belastingen op arbeid en het bij de loonvorming meer inspelen op de economische en sectorale realiteiten, en het aanpakken van persistente problemen met betrekking tot de werking van de arbeidsmarkt. Belgiës hoge schuld blijft een probleem voor de houdbaarheid van de publieke financiën. Positief is dat België erin geslaagd is zijn schuldquote te stabiliseren, geacht wordt aan de aanbevolen tekortdoelstelling te hebben voldaan in 2013, en naar verwachting het tekort onder de 3 procent van het bbp zal houden. Bovendien temperen lange gemiddelde looptijden, een relatief beperkte onderlinge verwevenheid met de binnenlandse financiële sector en een relatief gezonde private sector de risico's voor de bredere economie.

COM(2014) 150 final van 5.3.2014

Samenvatting en conclusies 7

1.     Inleiding  11

2.     Macro-economische ontwikkelingen  13

3.     Onevenwichtigheden en risico's 19

3.1.     Concurrentievermogen  19

3.1.1.  Productspecialisatie  20

3.1.2.  Exportoriëntatie  22

3.1.3.  Kostencompetitiviteit 23

3.1.4.  Werking van de arbeidsmarkt 32

3.2.     Schuldenlast 41

3.2.1.  Recente ontwikkeling van de overheidsschuld   41

3.2.2.  Risico van druk op de begroting op korte termijn  42

3.2.3.  Houdbaarheidsrisico’s van de Belgische overheidsschuld op lange termijn  43

3.2.4.  Verbanden met de financiële sector 46

3.2.5.  De overheidsschuld en de totale schuldenlast van de Belgische economie  47

4.     Specifiek thema: het Belgische belastingstelsel in de context van macro-economische onevenwichtigheden  55

5.     Beleidstaken  63

Referenties 67

LIJST VAN TABELLEN

2.1.     Economische, financiële en sociale kernindicatoren - België  17

3.1.     Uitvoer van industrieproducten volgens type (in % van het totaal) 21

3.2.     Belangrijkste exportmarkten van België (in % van het totaal) 22

LIjST van Grafieken

2.1.     Decompositie van de potentiële groei 13

2.2.     Arbeidsparticipatiegraad (2012, in %, 15-64 jaar) 13

2.3.     Sectorale aandelen in de bruto toegevoegde waarde (in %) 14

2.4.     Decompositie van het saldo van de lopende rekening  14

2.5.     Decompositie van de NIIP naar sector 15

2.6.     Decompositie van de totale (geconsolideerde) schuldenlast 15

2.7.     Decompositie van de geconsolideerde kredietstromen  15

3.1.     Ontwikkeling van de exportmarktaandelen van goederen (2000=100) 19

3,2.     Decompositie van de veranderingen in exportmarktaandelen voor goederen  20

3.3.     Bedrijfsonderzoekers per 1000 werknemers 21

3.4.     Dynamiek en concurrentievermogen in de goederenuitvoer (top-10 bestemmingen, 2010-12) 22

3.5.     Meting van de REER volgens verschillende maatstaven  23

3.6.     Nominale loonkosten per eenheid product (2005 = 100) 24

3.7.     Ontwikkeling van de winstmarges in de verwerkende nijverheid   27

3.8.     Ingezette kapitaalgoederen/gewerkte uren (2000 = 100) 27

3.9a.  Toegevoegde waarde in de industrie (m.u.v. de bouw, in % van het totaal) 28

3.9b.  Toegevoegde waarde in de verwerkende nijverheid (in % van het totaal) 28

3.10.   HICP (%-verandering t.o.v. vorig jaar) 29

3.11.   RUEC-peil in België en de buurlanden  31

3.12.   Contrafeitelijke vergelijking van de RUEC in België en de buurlanden  32

3.13.   Werkgelegenheidsgraad (2012, in %) 32

3.14a.                                                    Werkgelegenheidsgraad 2012 (in %) volgens regio en NUTS2-regio  33

3.14b.                                                                         Werkloosheid 2012 (in %) volgens regio en NUTS2-regio  33

3.15.   Werkloosheidsvallen (2012) 35

3.16.   Beveridge-curve  36

3.17.   Werkgelegenheidsgraad volgens hoogste opleidingsniveau  37

3.18.   Brutomaandloon volgens kwalificatieniveau en leeftijd (2011) 38

3.19.   Bruto- en netto-overheidsschuld (% bbp), BE vs. EZ  41

3.20.   Bijdrage tot de verandering in de schuldquote van de overheid (procentpunten van het bbp) 41

3.21.   Rente-uitgaven van de overheid en impliciete rente  42

3.22.   Spread voor bepaalde overheidsobligaties ten opzichte van Duitse bunds (10 j) 43

3.23.   Brutoschuldprognoses (% van het bbp) - gevoeligheidsanalyse  44

3.24.   Uitsplitsing van de (niet-geconsolideerde) schulden, alle sectoren  46

3.25.   Uitsplitsing van de totale (geconsolideerde) schulden  49

3.26.   Uitsplitsing van de (geconsolideerde) schulden van de particuliere sector 50

3.27.   Verhouding geleend vermogen / eigen vermogen van huishoudens 50

3.28.   Verhouding schuldaflossing / inkomen (huishoudens met schulden) per inkomenscategorie  51

3.29.   Verhouding vreemd vermogen / eigen vermogen per inkomenscategorie  51

3.30.   Uitsplitsing van de (niet-geconsolideerde) nettoactiva, alle sectoren  53

4.1.     Verdeling van belastingen en totale belastingdruk (2011) 55

4.2.     Inkomsten uit onroerendgoedbelastingen (2011, % bbp) 56

4.3.     Inkomsten uit milieubelastingen (2011, % bbp) 58

LIJST van tekstkaders

3.1.     Rapport van de Expertengroep 'Concurrentievermogen en Werkgelegenheid   28

3.2.     Verlaging van de btw op elektriciteit voor de huishoudens 32

3.3.     Arbeidsbeschermingswetgeving: harmonisatie van de wetgeving voor arbeiders en bedienden  41

3.4.     Zesde Belgische staatshervorming  47

3.5.     De Belgische financiële sector 50

3.6.     De Belgische huizenmarkt 54

In april 2013 heeft de Commissie geconcludeerd dat België met macro-economische onevenwichtigheden werd geconfronteerd, met name wat de ontwikkelingen op het gebied van het externe concurrentievermogen en de schuldpositie van de overheid betrof. In het waarschuwingsmechanismeverslag van 13 november 2013 stelde de Commissie, mede in het licht van de vaststelling van onevenwichtigheden in april, dat het nuttig was over te gaan tot een verdere analyse van de hardnekkigheid van de onevenwichtigheden, dan wel van de reductie daarvan. In deze diepgaande evaluatie wordt de Belgische economie doorgelicht overeenkomstig het toezicht waarin de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO) voorziet. De belangrijkste bevindingen van de evaluatie zijn:

· De tweevoudige trend van een verslechterend saldo van de lopende rekening en zorgbarende verliezen van exportmarktaandelen duurt voort. De gerichtheid op minder dynamische, geografisch nabije exportmarkten en een afnemende kostencompetitiviteit blijven aan de grondslag daarvan liggen. Alhoewel productsamenstelling als een neutralere factor wordt beschouwd, heeft specialisatie in producten die zich in het midden van de waardeketen bevinden de verliezen niet kunnen goedmaken. Een verbreding van het innovatiespectrum en sterkere productpenetratie van technologie blijven daarom van essentieel belang om duurzame jobcreatie en de hoge loonkosten van België met elkaar te verzoenen. De fors positieve internationale netto-investeringspositie verzacht de risico's van een verslechterende externe positie.

· De opvatting is dat de arbeidskosten een belangrijke rol spelen in het verlies van externe kostencompetitiviteit. Men name de verwerkende nijverheid ondervindt de gevolgen van de snelle loongroei voor hun internationale concurrentiepositie, wat zich weerspiegelt in krimpende marges en vernietiging van arbeidsplaatsen. De Belgische overheid heeft een aantal maatregelen getroffen om verbreding van de relatieve loonkloof tegen te gaan, maar deze zullen slechts langzaamaan effect sorteren, terwijl de omvang van het probleem meer urgentie vereist. Het verkleinen van de kloof om de industriële basis van België in stand te houden, zou bijgevolg meer ambitieuze en onmiddellijke maatregelen vereisen, waaronder de langverwachte belastinghervorming met een vermindering van de fiscale druk op arbeid en een loonvorming die het mogelijk maakt rekening te houden met de economische realiteit en de verschillen tussen sectoren.

· Aanhoudende problemen met de werking en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt dragen bij tot het algemene concurrentieprobleem en hollen het groeipotentieel van de economie uit. De totale werkgelegenheidsgraad stagneert op een benedengemiddeld peil. Bovendien is de arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen en in sommige geografische gebieden bijzonder laag, waardoor ook de risico's van armoede en sociale uitsluiting toenemen. Als oorzaken daarvan kunnen worden aangewezen, de ontmoedigende fiscale behandeling van arbeid in combinatie met de werkloosheidsuitkeringen, de kwalificatie- en geografische onevenwichtigheden, het haperende activeringsbeleid, de wijdverspreide toepassing van vervroegd en brugpensioen en de loonrigiditeit als gevolg van de loonvormingsmechanismen. De overheid is er met haar optreden niet in geslaagd het aanhoudend gebrekkige functioneren van de arbeidsmarkt te verhelpen.

· De overheidsschuld blijft met 100% van het bbp hoog, maar een aantal factoren temperen de daarmee samenhangende macro-economische risico's en het overheidsoptreden sinds de vorige diepgaande evaluatie heeft een verdere stijging voorkomen. De latente verplichtingen in verband met garanties aan de financiële sector zijn afgebouwd, maar blijven aanzienlijk (12% van het bbp), en houden het risico in van spill-over van de financiële sector naar de overheid. Een groot deel van de Belgische overheidsschuld is in binnenlandse handen, wat de negatieve terugkoppelingseffecten zou vergroten mocht het Belgische schuldpapier onder druk komen te staan op de financiële markten. De financieringskosten zijn momenteel laag en het gevaar dat de Belgische begroting op korte termijn onder druk komt, lijkt gering vanwege de betrekkelijke lange gemiddelde looptijd van de staatsschuld. Een langere periode van hogere rentetarieven zou de begroting evenwel behoorlijk wat kosten en de plannen voor een geleidelijke terugkeer naar een begroting in evenwicht dwarsbomen. De met de hoge schuldenlast van de overheid samenhangende macro-economische risico's worden getemperd door de goede gezondheid van de privésector: de sterk positieve nettovermogenspositie van de huishoudens en de betrekkelijk geringe schuldenlast van de niet-financiële vennootschappen wanneer de leningen binnen groepen buiten beschouwing worden gelaten. Kortom, niettegenstaande de overheid een hoge schuldenlast torst, is de nettovermogenspositie van de Belgische economie (+45% van het bbp) gunstig in vergelijking met de positie van de eurozone, die negatief is (-24% van het bbp).

In de IDR wordt ook gekeken hoe beleidsmatig zou kunnen worden gereageerd op deze ontwikkelingen en wat de mogelijke beleidspistes zijn. In dit verband kan een aantal elementen in overweging worden genomen:

· Op het stuk van de loonvorming zou de Belgische overheid zou een ambitieuzere hervormingsagenda kunnen nastreven. Een eerste mogelijke stap is het aanscherpen van de Wet van 1996 om toekomstige ontsporingen te voorkomen, bijvoorbeeld door te voorzien in een rechtstreekse koppeling tussen de marges voor loonstijgingen en de productiviteit, en in een sterkere mate van sectorale differentiatie. Ten tweede zijn er verschillende opties denkbaar waardoor de automatische loonindexering minder schadelijk zou zijn in economisch moeilijke tijden en waardoor de kortetermijnzorg voor de koopkracht van de burgers zou kunnen worden verzoend met het langetermijnstreven om de totale werkgelegenheid te beschermen.

· In de plaats van de huidige benadering waarbij de parafiscale druk op arbeid wordt verminderd met telkens kleine ingrepen zou de algehele opzet van de Belgische fiscaliteit kunnen worden heroverwogen. Dit zou gepaard moeten gaan met een inkomstenneutrale verschuiving van de fiscale lasten op arbeid naar andere inkomstenbronnen, zowel op federaal als op regionaal niveau. Er is in de btw en de personenbelasting aanzienlijke ruimte om de belastinggrondslag te vergroten door de aanzienlijke fiscale aftrekken en voordelen te herzien. Daarnaast is een verhoging van het btw-standaardtarief te overwegen, omdat dit aanzienlijke extra inkomsten zou opleveren, met geringe overloopeffecten. Andere, in het kader van een algemene herverdeling van de fiscale lasten mogelijk te bekijken aspecten, zijn de (terugkerende) onroerende voorheffing, het gebruik van momenteel onderontwikkelde vormen van milieubelasting (inclusief de fiscale behandeling van bedrijfswagens) en de belasting van bepaalde types van financiële inkomsten.

· Om de hoge arbeidskosten in België te verzoenen met het duurzaam scheppen van banen en het op peil houden van een hoge levensstandaard, zal het niet-kostenconcurrentievermogen moeten worden versterkt door, meer dan momenteel gebeurt, om te schakelen op technologisch hoogwaardigere producten. Om het innovatieve potentieel van de Belgische economie aan te zwengelen en innoverende bedrijven gemakkelijker te laten doorgroeien, zou het beleid nog meer kunnen focussen op ondersteuning van clusters en de subsidiëring meer kunnen concentreren en administratief kunnen vereenvoudigen zodat de bedrijven meer investeren in onderzoek en ontwikkeling. Een andere cruciale factor om de overgang naar een kenniseconomie te bespoedigen, is ervoor te zorgen dat de onbalans tussen aangeboden en gevraagde kwalificaties wordt verkleind, zodat de arbeidsmarkt kan beschikken over voldoende arbeidskrachten met de juiste kwalificaties.

· Het terugdringen van de overheidsschuld blijft op middellange tot lange termijn een van de grote beleidsuitdagingen, a fortiori vanwege het geringere groeipotentieel van de Belgische economie, de voorspelde grote impact van de vergrijzing in België en de belastingdruk die al hoog is. De strategieën om de overheidsschuld te verkleinen, waren tot hiertoe gedeeltelijk gebaseerd op de verkoop van activa. Gelet op de toezegging van België om zijn middellangetermijndoelstelling in 2016 te halen, blijft verdere schuldafbouw via de uitgaven noodzakelijk om de schuldquote op een duurzaam neerwaarts traject te brengen. De verdere fiscale decentralisatie vereist in dit verband een stipte nakoming van de gemaakte fiscale coördinatie-afspraken en een evenwichtige bijdrage van alle bestuursniveaus aan de consolidatie. Ook de impliciete staatsschuld van de vergrijzing zou moeten worden aangepakt door nieuwe pensioenhervormingsmaatregelen om te voorkomen dat de schuldniveaus opnieuw de pan uit rijzen. Terzelfder tijd, naar analogie van het positieve effect op de werkgelegenheid en de groei, zou een verschuiving van de fiscale lasten op arbeid naar andere bronnen bevorderlijk zijn voor de afbouw van het tekort en de schuld. De belasting op spaartegoeden geleidelijk neutraler maken ten aanzien van het type financieel product, zou kunnen zorgen voor een diversifiëring van de kanalen waarlangs de aanzienlijke financiële activa van de Belgische huishoudens bij de reële economie terechtkomen.

Op 13 november 2013 heeft de Europese Commissie haar tweede Waarschuwingsmechanismeverslag (WMV) gepresenteerd, dat overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden was opgesteld. Het waarschuwingsmechanismeverslag doet dienst als een eerste doorlichtingsinstrument om te helpen bepalen voor welke lidstaten een verdere diepgaande analyse is vereist om uit te maken of er onevenwichtigheden bestaan of dreigen te ontstaan. Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 moeten bij een dergelijke landspecifieke "diepgaande evaluatie" ("In-Depth Review" - IDR) de aard, oorsprong en ernst van de in de betrokken lidstaat waargenomen macro-economische ontwikkelingen worden onderzocht die onevenwichtigheden zijn of tot onevenwichtigheden kunnen leiden. Op grond van deze analyse geeft de Commissie aan of zij van oordeel is dat er van een onevenwichtigheid in de zin van de wetgeving sprake is en welke vervolgmaatregelen zij aan de Raad zal aanbevelen.        

Dit is de derde diepgaande evaluatie voor België. Op grond van de vorige, bekendgemaakt op 10 april 2013, heeft de Commissie geconcludeerd dat België met macro-economische onevenwichtigheden werd geconfronteerd, met name wat de ontwikkelingen op het gebied van het externe concurrentievermogen en de schuldpositie betrof. In het waarschuwingsmechanismeverslag stelde de Commissie in het algemeen, mede in het licht van de vaststelling van een onevenwichtigheid in april, dat het nuttig was over te gaan tot een verdere analyse van de hardnekkigheid van de onevenwichtigheden, dan wel van de reductie daarvan. In deze diepgaande evaluatie wordt de Belgische economie in haar geheel doorgelicht overeenkomstig het toezicht waarin de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO) voorziet.

Tegen deze achtergrond wordt in deel 2 een overzicht gegeven van de macro-economische ontwikkelingen in het algemeen en wordt in deel 3 meer in detail bekeken hoe de eerder gesignaleerde onevenwichtigheden en de ermee samenhangende risico's zich hebben ontwikkeld. De daaropvolgende delen 4 en 5 bevatten respectievelijk een specifieke analyse van het belastingstelsel en beleidsoverwegingen.

Potentiële groei lager dan pre-crisisniveau

Niettegenstaande de economie in de tweede helft van 2013 iets beter presteerde, wordt niet verwacht dat weer met de groeicijfers van vóór de crisis zal worden aangeknoopt. Het groeipotentieel van de Belgische economie wordt momenteel geraamd op iets minder dan 1%, wat ongeveer de helft is van het niveau van vóór de crisis, en zou op middellange termijn slechts in beperkte mate toenemen. Alhoewel de bijdrage van alle componenten in het voorbije decennium is verminderd, moeten met name de zeer geringe winsten van de totale factorproductiviteit worden vermeld. Dit wijst op problemen met het vermogen om te innoveren en efficiëntiewinsten te realiseren.

 

De potentiële groei zou ook gebaat zijn bij een aanpak van de lage participatiegraad, die in 2012 66,9% bedroeg. De lage arbeidsparticipatiegraad in België heeft te maken met een aantal aanhoudende economische problemen waarop bij eerdere exercities van het Europees semester de vinger is gelegd. Factoren zoals de hoge belastingdruk op arbeid, de langdurige werkloosheid en werkloosheidsvallen, en de bescheiden resultaten van activeringsmaatregelen zijn een rem op het arbeidsaanbod. Aan de vraagzijde anderzijds, vormen de hoge arbeidskosten een obstakel voor het creëren van nieuwe banen. De arbeidskosten spelen eveneens een cruciale rol in de verslechtering van de externe kostencompetitiviteit, een probleem dat de jongste jaren nijpender is geworden en in punt 3.1 wordt behandeld. Om de onderliggende oorzaken aan te pakken, heeft de regering de voorbije jaren een eerste serie maatregelen getroffen. Deze omvatten het aanmoedigen van werken via wijzigingen in de werkloosheidsuitkeringen en de fiscaliteit van de laagste lonen, het beperken van de toegang tot vervroegd pensioen en verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen.

 

De sociale indicatoren zijn over het algemeen stabiel, maar sommige aspecten vergen aandacht. Het risico op armoede of sociale uitsluiting blijft voor Belgische senioren iets hoger dan gemiddeld in de EU. Ook voor kinderen is dit risico toegenomen. Tevens vertoont de schooluitval de jongste jaren een stijgende lijn. Het aantal mensen dat leeft in een huishouden met een geringe arbeidsintensiteit ligt boven het EU-gemiddelde en neemt toe. Daar staat tegenover dat het percentage werkenden die met armoede worden bedreigd, nog altijd laag is, wat benadrukt dat meer mensen aan het werk krijgen niet alleen bevorderlijk zou zijn voor het economisch potentieel, maar tevens de risico's van sociale uitsluiting zou verkleinen.

De Belgische economie maakt een heroriëntering op de dienstensector door. Tussen 2000 en 2012 zijn er in de industrie (exclusief de bouw) 110 000 arbeidsplaatsen verloren gegaan, terwijl er in de dienstensector 477 000 zijn bijgekomen, voornamelijk in de professionele diensten, wetenschappelijke en technische activiteiten, en in de administratie en de overheidsdiensten. Niets wijst erop dat deze ontwikkeling in de onmiddellijke toekomst zal vertragen. Deze transformatie van het economische landschap weerspiegelt zich ook in de decompositie van de bruto toegevoegde waarde naar sector: tussen 1996 en 2012 hebben de industriële sector en de dienstensector 7 procentpunten ingeleverd, respectievelijk gewonnen. Wat de inkomstendecompositie van de bruto toegevoegde waarde betreft, kan een stabiele verdeling over vergoeding van arbeid enerzijds en van kapitaal anderzijds worden vastgesteld, met respectievelijk om en bij de 58% en 42% van de bruto toegevoegde waarde.

 

De externe positie blijft sterk, ondanks een afnemend saldo van de lopende rekening

Het batige uitvoersaldo voorkwam een forse krimp in 2012-2013, maar maskeert een langetermijntrend van verslechterend saldo van de lopende rekening. Volgens ramingen van de diensten van de Commissie is het tekort op de lopende rekening (BB-definitie) in 2013 verder opgelopen. Naast dit tekort, loopt ook de evolutie van de lopende rekening op langere termijn in het oog. Het overschot van circa 5% van het bbp dat bij de eeuwwende werd opgetekend, kalfde geleidelijk af tot 2008, toen het negatief werd ([1]). Ramingen van het conjunctuurgezuiverde saldo van de lopende rekening (d.w.z. van het peil dat zou worden gehaald als zowel de binnenlandse economie als die van de handelspartners de potentiële output zouden realiseren) geven aan dat slechts een fractie van de verslechtering aan conjuncturele factoren kan worden toegeschreven.

De verslechtering van de lopende rekening is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de neerwaartse evolutie van de goederenbalans. Achter de achteruitgang van 6,5 procentpunten in de periode 2002-2012 gaat een combinatie van de factoren prijs en volume schuil. Het aanzienlijke overschot van omstreeks 2% van het bbp dat de handel in diensten andermaal laat optekenen, volstond niet om de dalende goederentrend op te vangen en lijkt nu af te vlakken na jaren van constante stijging. De trage verschuiving die zich de jongste jaren in de kapitaalontvangstenbalans heeft voorgedaan, van een bescheiden overschot naar een beperkt tekort, is hoofdzakelijk het gevolg van een hogere netto-uitstroom van directe investeringen en weerspiegelt het effect van een klimaat van laag rendement op de activastructuur.

 

De totale externe positie van België die, gemeten aan de hand van de NIIP, bijna 50% van het bnp bedraagt, kan onverminderd als gezond worden beschouwd. De netto internationale investeringspositie (NIIP) is de verhouding tussen de schuldvorderingen op en de schulden aan het buitenland. Daar waar het saldo van de lopende rekening stromen weergeeft, is de NIIP een indicator voor de externe positie van een land wat de stock betreft. Een stabilisatie van de lopende rekening op of rond het huidige niveau bij een nominale bbp-groei van circa 3,5% zou een geleidelijke vermindering van de NIIP – zij het op een nog steeds comfortabel niveau – tot gevolg hebben. Zelfs als de langetermijntrend zich voortzet en het tekort op de lopende rekening grotere proporties zou aannemen, zijn de gecumuleerde nettovorderingen op het buitenland momenteel van dien aard dat het Belgische tekort op de lopende rekening op middellange termijn als houdbaar kan worden beschouwd.

De houdbaarheid van de externe positie lijkt geen al te groot risico te vormen, maar bij nadere analyse van de sterke NIIP lijken de interne evenwichtsverhoudingen toch onder druk te staan. De sterk positieve NIIP is een weerspiegeling van de comfortabele crediteurstatus van de privésector, die de structurele debiteurstatus van de overheid compenseert. Omdat de lopende rekening samenhangt met het verschil van de binnenlandse besparingen en de binnenlandse investeringen, ging de achteruitgang gedurende de voorbije tien jaar gepaard met lagere besparingen en grosso modo gelijkblijvende investeringen. De afname van de totale besparingen was voornamelijk het gevolg van lagere besparingen door de huishoudens in combinatie met een consumptie die sneller groeide dan het beschikbare inkomen.

 

De binnenlandse schuld zit hoofdzakelijk bij de overheid

Na een gestage verlichting tot 2007, is de schuldenlast opnieuw toegenomen tot ongeveer 100% van het bbp. Oorzaken van deze ommekeer in de schulddynamiek zijn een verslechtering van de toestand van de overheidsfinanciën en de herhaalde interventies die nodig waren in de banksector. Niettegenstaande recentelijk weer primaire overschotten zijn opgetekend en ook de verkoop van activa tot een stabilisatie van de overheidsschuld zou moeten leiden, vormen de niet onaanzienlijke latente verplichtingen ten aanzien van de financiële sector en de voorziene hoge kosten van de vergrijzing nog steeds een bedreiging voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën op middellange termijn.

De schuldenlast van de privésector is op zich geen bron van bezorgheid, maar moet worden gezien tegen de achtergrond van de hoge overheidsschuld. De schuld van de niet-financiële vennootschappen is hoog in niet-geconsolideerde termen, maar komt overeen met het EU-gemiddelde wanneer de binnenlandse leningen binnen groepen buiten beschouwing worden gelaten. De schuld van de huishoudens – overwegend hypotheekleningen – ligt in de buurt van het EU-gemiddelde. In de diepgaande evaluatie van vorig jaar werd een grondige analyse gemaakt van de woningmarkt en geconcludeerd dat een eventuele correctie van de prijzen heel waarschijnlijk geen grote macro-economische consequenties zou teweegbrengen. De snelle stijging van de huizenprijzen tussen 2000 en 2011 is immers niet gepaard gegaan met hogere rentelasten voor de huishoudens, noch met een buitensporige groei van het aanbod van woningen. Bovendien zijn de gemiddelde jaarlijkse aflossingskosten van de huishoudens nagenoeg gelijk gebleven omdat de lonen sneller dan die kosten zijn gestegen en leningen met vaste rentevoet de meerderheid uitmaken. Ook is herfinanciering in België geen courante praktijk. Tot slot zijn de risico's voor de economie beperkt vanwege de lage standaardrente, die in 2013 1,2% bedroeg en daarmee op het peil van de jongste jaren bleef.

 

De consolidatie van de financiële sector wordt voortgezet

Na een voorzichtig herstel is de kredietgroei de afgelopen twee jaar wat afgezwakt, maar nog steeds groter dan het EU-gemiddelde, terwijl de aan niet-financiële vennootschappen berekende leningtarieven tot de laagste in de EU behoren. De zwakkere kredietgroei weerspiegelt enerzijds de afnemende financieringsbehoeften en anderzijds een verscherping van de kredietvoorwaarden in verband met de nieuwe regels en kapitaalvereisten in de financiële sector.

 

De financiële sector blijft zich beetje bij beetje versterken en de totale financiële activa zijn aanzienlijk afgebouwd. De voortgaande herstructurering in de sector heeft geleid tot een meer evenwichtige heroriëntatie, weg van externe en interbancaire activiteiten en in de richting van de meer traditionele activiteiten en de binnenlandse markt. Door kapitaalinjecties zijn de kapitaalratio's verbeterd, maar de winstgevendheid blijft laag en in een context van zwakke economische activiteit is het aantal niet-performante leningen gestegen.

In mei vinden in België federale en regionale verkiezingen plaats. Alhoewel hier voor de volgende regering hervormingskansen liggen, geeft de impasse die na de vorige twee verkiezingen (in 2007 en 2010) op federaal niveau ontstond – met een regering in lopende zaken die respectievelijk 6 en 18 maanden aan bleef – aanleiding tot de vrees dat België opnieuw een periode van politieke besluiteloosheid zou kunnen doormaken. Hierdoor zouden hervormingen andermaal kunnen worden uitgesteld en zou druk vanuit de financiële markten opnieuw de kop kunnen opsteken zoals het geval was eind 2011, toen de spread op 10-jarig Belgisch schatkistpapier ten opzichte van de Duitse obligaties tot 360 basispunten opliep.

 

3.1.      Concurrentievermogen

Zoals in deel 2 werd aangegeven, vertoont het saldo van de Belgische goederenbalans een geleidelijke verslechtering. Alhoewel het huidige tekort op zich niet als een onevenwichtigheid moet worden bestempeld, is de ontwikkeling symptomatisch voor het onderliggende probleem van verlies aan concurrentievermogen, dat in eerdere diepgaande evaluaties als onevenwichtigheid is aangemerkt en het voorwerp uitmaakt van dit punt 3.1. Het aanpakken van dit kernprobleem zou bijgevolg ook de negatieve trend van de lopende rekening afzwakken.

Een van de meest zichtbare uitingen van het verlies aan concurrentievermogen van België is de afkalving van de exportmarktaandelen in het voorbije decennium. Deze achteruitgang viel niet samen met de economische crisis van 2008. Van 2003 tot 2012 werd jaarlijks gemiddeld 3,2% ingeboet, en enkel in 2007 en 2009 waren er (bescheiden) winsten. Daarenboven is het tempo de jongste jaren toegenomen, met een gemiddeld jaarlijks verlies van 5,3% in de jaren 2009-2012 voor goederen en diensten en 5,9% voor goederen alleen. Zoals in de diepgaande evaluatie van vorig jaar werd benadrukt, zijn de marktaandelen voor diensten grosso modo stabiel gebleven, maar deze maken slechts een beperkt gedeelte van de totale uitvoer uit.

 

De meeste EU15-landen hebben exportmarktaandelen verloren, maar voor België zijn de verliezen meer uitgesproken geweest. België heeft zijn aandeel in de totale Europese uitvoer zien slinken (zie grafiek 3.1.). Deze ontwikkeling kan bijgevolg niet zonder meer worden verklaard aan de hand van de verschuiving van het economische gewicht op wereldwijde (of regionale) schaal. Het aandeel van België in de economische activiteit op wereldschaal, dat vanwege de open economie van het land als een indicator voor de te verwachten ontwikkeling van het exportaandeel kon worden gezien, is opmerkelijk stabiel gebleven en is de jongste jaren zelfs iets gegroeid. In het licht van de verslechterende externe positie waren de economische prestaties van de voorbije tien jaar waarschijnlijk geen getrouwe weerspiegeling van de onderliggende dynamiek.

 

Het verschil in exportgroei in vergelijking met de rest van de wereld kan grosso modo worden verklaard aan de hand van drie factoren: (i) een productspecialisatie in goederen waarvoor de vraag betrekkelijk traag groeit, (ii) een geografische oriëntatie op trager groeiende markten en (iii) het onvermogen om op internationaal vlak effectief te concurreren, m.a.w. een verlies aan concurrentievermogen. Het belang van deze verschillende factoren wordt inzichtelijk gemaakt door een decompositie van de exportgroei. De instructieve "constant market share"-benadering is hierbij gebruikelijk. De uitkomsten van deze basisanalyse van de verschuivingen in aandelen voor de Belgische goederenexport, respectievelijk voor de perioden 1997-02, 2002-07 en 2007-12, zijn weergegeven in grafiek 3.2.; De Belgische uitvoer van goederen nam in de periode 1997-02 sneller toe dan de wereldwijde invoer, maar verloor terrein in de daaropvolgende periodes. De aanvankelijke winst van exportmarktaandelen werd voornamelijk gedragen door het concurrentievermogen (in de ruime zin). Daarna werd de bijdrage van competitiviteitsfactoren negatief, wat vanaf de eeuwwende resulteerde in een gestage daling van de exportmarktaandelen. Ook de geografische oriëntatie lijkt een belangrijke oorzaak van de algemene achteruitgang van de uitvoer te zijn geworden, hetgeen wijst op een onevenredige gerichtheid op minder dynamische exportmarkten; De derde deelcomponent, de productsamenstelling, geeft voor alle onderzochte perioden een licht negatieve bijdrage te zien. Dit betekent dat de configuratie van de Belgische uitvoer in het algemeen overeenkomst met de op wereldschaal opgetekende patronen, maar tevens dat België er niet in slaagt zich te specialiseren in producten waarvoor een dynamische vraag bestaat, wat de verliezen van exportmarktaandelen had kunnen beperken.

In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de determinanten van de mindere prestaties van België op de internationale markten. Hierbij worden achtereenvolgens de aspecten productspecialisatie, exportoriëntatie, kostencompetitiviteit en arbeidsmarkt onder de loep genomen.

3.1.1.   Productspecialisatie

De factorprijzen spelen in de regel een belangrijke rol in het vermogen van bedrijven om met succes te concurreren op de internationale markten, maar het soort producten is evenzeer van belang. Het doorrekenen van de arbeidskosten in de uiteindelijke prijzen gaat gemakkelijker voor (afgewerkte) producten met een hogere toegevoegde waarde omdat bij de concurrentie voor dit soort producten vaak andere dan kostprijsaspecten, zoals kwaliteit, spelen (ECB, 2013). Zoals eerder gezegd, lijkt de productsamenstelling in het geval van België geen nijpend probleem, maar heeft zij evenmin voor een tegenwicht kunnen zorgen voor het verslechterde concurrentievermogen of de zwakke exportgroei. Recente gegevens bevestigen de bevinding in de diepgaande evaluatie van vorig jaar dat Belgische bedrijven betrekkelijk weinig kapitaalgoederen uitvoeren, met name minder dan de helft van het gemiddelde aandeel van de landen van de eurozone (zie tabel 3.1.). Intermediaire goederen daarentegen, hebben een groter aandeel in de uitvoer van industriële producten dan in andere landen van de eurozone, en dat geldt ook voor de invoer. De Belgische uitvoer is hierdoor meer blootgesteld aan internationale concurrentie op basis van kostprijsfactoren. Een groot deel van de intermediaire goederen wordt bijvoorbeeld uitgevoerd naar Duitsland ([2]), waar de Belgische exporteurs moeten concurreren met bedrijven uit de jongere EU-lidstaten en de opkomende markten. Deze landen zijn doorgaans beter gewapend om te concurreren op kostprijs en hebben, in tegenstelling tot België, hun aandeel in de Duitse invoer van intermediaire goederen dan ook zien stijgen gedurende het laatste decennium.

 

De genuanceerde bevindingen in het deel van vorig jaar betreffende het innovatievermogen van België blijven valabel. De totale O&O-uitgaven zijn de afgelopen jaren gestegen en bedroegen in 2012 2,2% van het bbp, wat meer is dan de 1,9% van 2002, maar nog altijd aanzienlijk minder dan de EU2020-doelstelling van 3%. De kloof met de Scandinavische landen en Duitsland blijft substantieel, omdat zowel het bedrijfsleven als de overheid in vergelijking minder in O&O investeren. Er zij echter opgemerkt dat de grotere overheidssteun voor O&O vruchten afwerpt (FPB, 2013), wat het beste laat verhopen voor de verdere ontwikkeling van de bedrijfsbestedingen in O&O. De bedrijfsuitgaven in O&O zijn evenwel zeer sterk geconcentreerd in een kleine aantal (internationale) ondernemingen, voornamelijk in één sector (farmaceutica), waardoor de basis voor innovatie smal is. Bij researchactiviteiten vormen de arbeidskosten gewoonlijk niet de belangrijkste factor. Bovendien is daaraan iets gedaan door middel van bijvoorbeeld de federale fiscale gunstmaatregel om de kosten van O&O-personeel te drukken. Voor industriële activiteiten die uit dat onderzoek kunnen voortkomen, zijn de arbeidskosten daarentegen een belangrijkere factor. Tot slot vormt de beschikbaarheid van de geschikte kwalificaties een belemmering voor O&O en de ontwikkeling van activiteiten met een hogere toegevoegde waarde, wat mede verklaart waarom researchers een betrekkelijk klein aandeel in de totale werkgelegenheid hebben (zie grafiek 3.3.). Niettegenstaande België in het algemeen goed geschoolde arbeidskrachten heeft, blijft het aantal gediplomeerden in wetenschappen, wiskunde, ingenieurswetenschappen en technologie aan de lage kant.([3]) De creatie van aanzienlijke werkgelegenheid in de high-techsector in België in het voorbije decennium (Vives, 2013) onderstreept het belang van een toereikende instroom van arbeidskrachten met de juiste kwalificaties, te meer daar onderzoek uitwijst dat high-techwerkgelegenheid een groot potentieel voor afgeleide werkgelegenheid heeft.

 

De concurrentie op het gebied van diensten wordt in België ingeperkt door een aantal barrières van regelgevende aard. Aanbieders van diensten ondervinden belemmeringen bij het betreden van de markt en wanneer zij effectief diensten willen aanbieden. Een voorbeeld daarvan zijn de per regio verschillende vergunningsstelsels. In de retailsector bestaan nog altijd regels en operationele beperkingen die de ontwikkeling van de sector hinderen en ervoor zorgen dat de detailhandelsprijzen in België ruim 10% boven het gemiddelde van de eurozone liggen.

3.1.2.   Exportoriëntatie

Zoals uit de bovenstaande analyse van de verschuiving in exportaandelen blijkt, is de gerichtheid van België op minder dynamische markten een rem op de exportprestaties. In eerdere analyses werd reeds gewezen op de hoge exportconcentratie op Europese landen, in het bijzonder de buurlanden. Grafiek 3.4. toont dat België hoofdzakelijk uitvoert naar markten die trager groeien dan de wereldwijde invoer en competitiviteitsverliezen heeft geleden ten opzicht van zijn concurrenten op die markten.

 

De traditionele afzetmarkten hebben evenwel geleidelijk aan belang ingeboet. Dat was met name het geval in de jongste jaren, waarin de uitvoer diverser is geworden en het directe belang van markten zoals India, China en Turkije snel is gestegen (zie tabel 3.2.). Hierin weerspiegelt zich enerzijds de groeivertraging van de uitvoer naar de traditionele markten, maar anderzijds ook de versnelling van de uitvoer naar de opkomende markten in het algemeen, wat betekent dat de geleidelijke heroriëntering niet alleen maar een verschuiving is als gevolg van de getemperde invoergroei overal in Europa.

 

Bovendien is het belang van de uitvoer naar Europese landen in het algemeen en buurlanden in het bijzonder kleiner wanneer de gegevens worden gezuiverd voor wederuitvoer. In landen met grote internationale havens zoals België en Nederland neemt deze laatste een belangrijke plaats in. Dit komt eveneens tot uiting wanneer de uitvoer wordt gemeten in termen van toegevoegde waarde (NBB, 2013). In 2009, het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, had de EU27 een aandeel in de totale uitvoer volgens de toegevoegde waarde van 64,6%, tegenover 75,5% in termen van bruto-uitvoer. Met name verkleint het belang van de drie buurlanden, terwijl de EU12-landen alsook Italië en het Verenigd Koninkrijk meer prominent worden, evenals bijvoorbeeld de Verenigde Staten wanneer wordt gekeken naar de uitvoer van derde landen waarin Belgische toegevoegde waarde een significant aandeel heeft.

Toch heeft de Belgische uitvoer, ook in termen van toegevoegde waarde, wereldwijd marktaandelen verloren. Tussen 1995 en 2009 bedroeg het verlies 26%. Ter vergelijking: de EZ12 en EU27 verloren in dezelfde periode respectievelijk maar 15% en 3%.([4]) 

3.1.3.   Kostencompetitiviteit

A. Arbeidskosten

Een oplopende reële effectieve wisselkoers (REER) duidt op een verlies van relatieve kostencompetitiviteit. Omdat de oorzaak van de verslechtering van de lopende rekening en het verlies van exportmarktaandelen bij de goederenuitvoer ligt, kan de met de arbeidskosten per eenheid product in de verwerkende industrie gedefleerde REER als de meest geschikte graadmeter voor de kostencompetitiviteit van België worden beschouwd.([5]) Grafiek 3.5. geeft sinds de eeuwwende een scherpe verslechtering te zien van het relatieve concurrentievermogen op arbeidskosten in de industriële sector, d.w.z. een stijgende REER.  Daarnaast komen in de grafiek 3.5. ook andere, minder restrictieve maatstaven van de kostencompetitiviteit aan bod: de met de consumentenprijzen en met de exportprijzen gedefleerde REER. De ontwikkeling van deze drie parameters verloopt min of meer parallel tot 2006 en loopt daarna uiteen. Om de bovenvermelde redenen lijkt de met de arbeidskosten per eenheid product in de industriële sector gedefleerde REER het meest relevant.

 

Bijsturing van de REER via de nominale wisselkoers is niet meer mogelijk want de eurowisselkoers is een afspiegeling van de dynamiek op het niveau van de eurozone als geheel. Zoals de recente ervaring van sommige landen heeft aangetoond, kan een te afwijkende ontwikkeling van de relatieve kostencompetitiviteit van een land aanleiding geven tot onevenwichtigheden die op hun beurt tot gedwongen correcties of welvaartsverliezen kunnen leiden als er niets aan wordt gedaan. Daarom is het van wezenlijk belang ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van het concurrentievermogen gelijke tred houdt met die van de handelspartners.

De loondynamiek is van doorslaggevende betekenis in de kostencompetitiviteit van België. Het loonvormingssysteem van België wordt gekenmerkt door twee elementen: een tweejaarlijkse, nationale loonnorm die het plafond aangeeft voor de reële loonstijgingen in de privésector en op basis waarvan op de onderliggende niveaus wordt onderhandeld, en de nagenoeg algemene praktijk van automatische loonindexering op basis van de zogeheten "gezondheidsindex".([6]) Zoals in eerdere diepgaande evaluaties is onderstreept, is er de jongste jaren sprake van een ontkoppeling van de loonkosten en de productiviteit. De arbeidsproductiviteit, die in absolute cijfers nog steeds hoog is, is in de periode 2007-12 gemiddeld genomen bijna niet meer gegroeid. Terzelfder tijd zijn de nominale lonen snel gestegen als gevolg van de loonindexering, die weer werd gevoed door de sterke druk op de prijzen. Zoals grafiek 3.6. toont, stegen de loonkosten per eenheid product in België vóór de crisis van 2008-09 sneller, zij het niet alarmerend meer, dan in de eurozone als geheel en bij de belangrijkste handelspartners. Vanaf 2009 echter, tekent zich een duidelijke deviatie af ten opzichte van de EZ17, en dit ondanks een versnelling van de LEP-groei bij de voornaamste handelspartner Duitsland. Dit komt doordat in andere landen, zoals Spanje, maatregelen zijn getroffen op die groei aan banden te leggen. Volgens de huidige projecties zouden de LEP in België in 2014-2015 minder stijgen dan de voorgaande jaren. Dit zal echter niet volstaan om de historisch gegroeide deviatie ongedaan te maken. Zonder tegenmaatregelen kan deze deviatie de voor de werkgelegenheid nefaste langetermijntrends van kapitaalverdieping door automatisering of volledige delocalisatie van activiteiten nog versterken en worden de minder productieve arbeidskrachten uit de arbeidsmarkt geduwd (zie hierna).

 

België is een van de lidstaten waar koppeling van de lonen aan de stijging van de kosten van levensonderhoud courante praktijk is. Het voordeel hiervan is het bewaren van de sociale vrede, maar er kleven ook economische nadelen aan. De ervaring leert dat de lonen in landen waar geen automatisch aanpassingsmechanisme bestaat en waar koopkrachtcorrecties het voorwerp uitmaken van loononderhandelingen, op middellange termijn bezien ook de binnenlandse prijsontwikkelingen volgen. Zoals Bodart & Shadman (2013) stellen, wordt de uitkomst van dergelijke onderhandelingen bepaald door de conjunctuur en de situatie op de arbeidsmarkt, waardoor het op korte termijn bijsturen doorgaans minder stroef verloopt dan in België. Dit verklaart mede waarom de uurlonen tussen 2007 en 2012 jaarlijks met gemiddeld 3,3% zijn gestegen in België, vergeleken met 2,3% in Duitsland en Nederland, en 2,6% in Frankrijk en de eurozone. De lonen zijn in België sneller aan de (fellere) prijsdruk aangepast, ondanks de economische omstandigheden. Op korte termijn kan de loonindexering in zijn huidige vorm dus het concurrentievermogen aantasten, met verliezen van arbeidsplaatsen en exportmarktaandelen tot gevolg die op langere termijn een permanent karakter kunnen aannemen wanneer een nieuw evenwicht tot stand komt (Bodart & Shadman). Bovendien, zoals Bogaert & Robette (2013) en Bodart & Hindriks (2013) aangeven, is de koopkracht van de lagere inkomens aanzienlijk achteruitgegaan ondanks het indexeringsmechanisme.

Toen de Belgische regering in november 2012 het voornemen bekendmaakte om de loonkloof met de belangrijkste handelspartners te dichten tegen 2018, was er geen eensgezindsheid over de precieze omvang van de kloof. Voor beleidsdoeleinden is het gebruikelijk deze te meten aan de hand van de ontwikkeling van de uurloonkosten in de privésector sinds 1996 (toen de Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot vrijwaring van het concurrentievermogen werd aangenomen) ten opzichte van Duitsland, Frankrijk en Nederland.([7]) In deze meting worden evenwel enkel de rechtstreekse verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen opgenomen en niet de "loonsubsidies" waartoe de Belgische autoriteiten het afgelopen decennium in toenemende mate hun toevlucht hebben genomen. Daarenboven wordt uitsluitend de totale loonkloof berekend, zonder rekening te houden met sectorale verschillen. Tot slot wordt in een geïsoleerde benadering van de uurloonkosten de dynamiek van de productiviteit buiten beschouwing gelaten. Deze manco's, alsook het arbitraire karakter van het referentiejaar, waren aanleiding tot discussie over de werkelijke omvang van de loonkloof. In een poging klaarheid te brengen in deze aanhoudende kwestie, riep de overheid een Expertengroep ‘Concurrentievermogen en Werkgelegenheid’ (EGCW) in het leven, die in juli 2013 een eerste rapport publiceerde. Alhoewel het rapport er niet in is geslaagd een eind te stellen aan de conceptuele verwarring die het debat over de loonkostenontwikkeling in België heeft vertroebeld, worden er heel wat relevante onderwerpen in aangesneden (zie tekstvak 3.1.). De Belgische regering heeft een follow-uprapport gevraagd tegen juni 2014.

 

Zoals in het rapport van de Expertengroep wordt gesteld, kampen in het bijzonder de Belgische industriële sectoren, en met name de verwerkende nijverheid, met een ernstig probleem van afkalvende kostencompetitiviteit. Dit wordt treffend geïllustreerd door de ontwikkeling van de winstmarges. De gemiddelde marge voor alle industriële sectoren schommelde de jongste jaren tussen 25 en 30%. Hiermee doet België beter dan Frankrijk, maar slechter dan Duitsland en Nederland, al is het verschil met deze laatste twee beperkt en constant. De stabiliteit van de gemiddelde marge verbergt echter een trend van verslechterende resultaten van de verwerkende nijverheid, met marges die aanmerkelijk kleiner zijn dan in Duitsland en Nederland, waar ze de jongste jaren zijn gegroeid (zie grafiek 3.7.). Als (alle) loonsubsidies worden meegeteld, zien de marges er ietwat beter uit, al houdt de negatieve trend aan, evenals de significante kloof met Nederland en Duitsland, waar loonsubsidies slechts een marginale factor zijn.

 

België combineert hoge uurloonkosten met een hoge productiviteit, vooral in de verwerkende nijverheid, waarbij de vraag rijst in hoeverre de hoge productiviteit is gestoeld op de hoge lonen. Indicatoren wijzen op kapitaalverdieping in België([8]), zoals ook kan worden afgeleid uit grafiek 3.8..([9]) Dit laat doorschemeren dat de hoge totale productiviteit tot op zekere hoogte het gevolg is van de vervanging van arbeid door kapitaalinputs en van een gestage verschuiving in de richting van activiteiten aan het hogere uiteinde van het loonspectrum, waarbij steeds meer kapitaalintensieve productietechnieken worden toegepast en het gemiddelde loon samen met het aandeel van hooggekwalificeerde arbeid stijgt. Dit heeft nadelige gevolgen voor de werkgelegenheid: lagergeschoolde arbeidskrachten worden uit de markt geduwd en het risico op mismatches neemt toe. De hogere productiviteit levert dus een gedeeltelijke verklaring voor de lagere arbeidsparticipatie in België, in het bijzonder onder laaggeschoolde werknemers (zie punt 3.1.4)

 

Wat meer is, is dat de kapitaalverdieping in de Belgische verwerkende nijverheid de langetermijntrend van desindustrialisatie kennelijk niet heeft afgeremd. Grafiek 3.9. laat zien hoe de (verwerkende) industrie volgens het criterium van de totale toegevoegde waarde relatief meer terrein heeft verloren in België dan in andere landen. Frankrijk laat een vergelijkbare achteruitgang optekenen, maar Nederland en Duitsland tonen dat het mogelijk is de neerwaardse trend te stoppen en zelfs om te keren. Het aandeel van België in de totale toegevoegde waarde in de eurozone is tussen 2000 en 2012 met 11% gedaald, waarmee het land beter deed dan Frankrijk (-20%), maar dat van Duitsland en Nederland is met respectievelijk +12% en +9% toegenomen.

De ruimte voor verdere productiviteitswinst wordt beperkt door de al hoge mate van kapitaalverdieping, wat de potentiële groei uitholt. Dit is met name een punt van zorg omdat de verhandelbare diensten geen sterke productiviteitswinst hebben kunnen realiseren en het niveau nog steeds lager ligt dan in de industrie (NBB, 2013). Een bijkomend risico is versnelde delocalisatie in de toekomst.

De krachtige ondersteuning van banenschepping in de niet-verhandelbare sector door middel van loonsubsidies en banen in de overheidssector heeft de gestage vernietiging van industriële jobs gecompenseerd. Het proces van netto banenverlies in de meeste industriële sectoren is door de crisisjaren alleen maar versneld. Dit was met name het geval voor de automobielassemblage, de textielsector, de metallurgie, de chemische sector en de non-ferrometalen, stuk voor stuk arbeidsintensieve bedrijfstakken (Vandekerckhove, Struyven & Heylen, 2013).

        

Overheidsmaatregelen op het vlak van de kostencompetitiviteit

Om een verdere verergering van de relatieve loonhandicap tegenover de buurlanden af te wenden, heeft de Belgische overheid voor 2013-14 aan de sociale partners een bevriezing van de reële lonen (de "zero-loonnorm") opgelegd, een maatregel die zeer waarschijnlijk zal moeten worden verlengd in 2015-16. Andere maatregelen om het loonverschil onder controle te houden, waren een reeks beperkte verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen voor werkgegevers – de hoge loonkosten vinden hun oorsprong in de hoge belastingdruk – en methodologische ingrepen in de meting van de prijsdruk door de gezondheidsindex.([10]) De prijsdruk, gemeten aan de hand van de HICP, bedroeg het voorbije decennium gemiddeld 0,4 pp. meer dan in de buurlanden (zie grafiek 3.10.). Dit verschil is in belangrijke mate toe te schrijven aan energieproducten, waarvoor het prijsverschil gedurende dezelfde periode gemiddeld 1,3 pp. bedroeg. Schommelingen van de internationale energieprijzen hebben doorgaans een meer uitgesproken effect op de Belgische economie([11]) en de impact van olieschokken op het concurrentievermogen is groter dan in de buurlanden (Bodart & Shadman, 2013).

 

Maatregelen van de regering om de concurrentie en de transparantie op de binnenlandse energiemarkten te vergroten, hebben het prijsdifferentieel sinds medio 2012 echter omgekeerd. Dit heeft geleid tot convergentie van de totale inflatie met de inflatie in de eurozone en met de gemiddelde prijsstijging in de buurlanden (zie grafiek 3.10.). De lagere inflatoire druk kan loonmatiging voor België iets gemakkelijker maken, gelet op de beperkte impact van de loonindexering op de totale loonstijging. Zoals in het verleden, blijft de kerninflatie evenwel hoger dan in de buurlanden. Dit kan worden toegeschreven, enerzijds, aan de suboptimale werking van sommige productmarkten (EC, 2013) en, anderzijds, aan tweede-ronde-effecten als gevolg van de wijdverspreide praktijk van prijsindexering in verschillende sectoren (bv. huurprijzen, verzekeringspremies).

Eind 2013 heeft de Belgische overheid een Interfederaal Pact voor Competitiviteit, Werkgelegenheid en Relance aangekondigd. Op federaal niveau omvatte dit pact een vermindering van de btw op elektriciteit (zie tekstvak 3,2) en drie bijkomende structurele verminderingen van de socialezekerheidsbijdragen (in 2015, 2017 en 2019) met telkens 450 miljoen EUR, waarvan een derde in de vorm van lineaire verminderingen, een derde voor de lage lonen en een derde voor sectoren die aan internationale concurrentie onderhevig zijn en waarvan het groeipotentieel wordt bedreigd door de ontwikkeling van de arbeidskosten in verhouding tot de productiviteit.  Deze (in het vooruitzicht gestelde) verminderingen zouden gepaard gaan met enkele kleinere maatregelen ten behoeve van o.a. kmo's, ploegenarbeid en jonge werklozen. Ook de regio's hebben in het kader van het pact enkele initiatieven aangekondigd, waaronder een budget van 125 miljoen EUR in Vlaanderen om de loonkosten voor werknemers jonger dan 30 jaar en ouder dan 55 jaar te drukken;

 

Heel wat van de aangekondigde maatregelen zullen een belangrijke impact op de begroting hebben, maar de financiering is niet geregeld. Dit is het geval voor de drievoudige vermindering met 450 miljoen EUR van de werkgeversbijdragen ([12]) en de verlaagde btw op elektriciteit, indien deze permanent zou worden. Het zou voor de geloofwaardigheid beter zijn geweest en, wat belangrijker is, de ambitie van de afscheidnemende coalitie om de kostencompetitiviteit te verbeteren in de volgende legislatuur – de drievoudige vermindering is immers bij wet vastgesteld – verenigbaar hebben gemaakt met de zeer krappe begrotingsmarges voor die periode indien was voorzien in flankerende financieringsmaatregelen.

Afgezien van maatregelen om de excessieve loongroei van het verleden te corrigeren, heeft de regering vruchteloos geprobeerd de Wet van 1996 aan te passen om een ontkoppeling van lonen en productiviteit in de toekomst te voorkomen. Verschillende hervormingsopties zijn naar verluidt besproken, maar de onderhandelingen zijn vastgelopen wegens meningsverschillen in de coalitieregering, zodat de hervorming uiteindelijk niet is opgenomen in het Competitiviteitspact van 2013. Zij zal waarschijnlijk worden uitgesteld tot na de verkiezingen van mei. Mocht er opnieuw een langdurige periode van regeringsonderhandelingen komen, dan zou de nieuwe wet wellicht niet op tijd aangenomen worden om van toepassing te zijn op het interprofessioneel akkoord 2015-16. Eén van de besproken opties is het aanscherpen van de methode om de loonnorm te bepalen, waarbij de sociale partners wettelijk verplicht zouden zijn om de relatieve loonontwikkelingen van het verleden in te calculeren en de norm zodanig te stellen dat de opgebouwde loonkloof geleidelijk zou verkleinen. Volgens een andere voorgestelde wijziging zou de regering wettelijk bindend moeten interveniëren wanneer de sociale partners niet tot een akkoord komen of zich niet aan de strengere wettelijke bepalingen houden. Er zouden ook strengere sancties komen voor werkgevers die in collectieve overeenkomsten op een lager niveau de loonnorm overschrijden.

Dergelijke hervormingen, gesteld dat zij worden goedgekeurd, zouden het bestaande onderhandelingskader dwingender maken, maar geen eind stellen aan alle belangrijke tekortkomingen. Een eerste manco is de afwezigheid van een koppeling tussen de loonvorming en de ontwikkeling van de productiviteit die de werkgelegenheid op langere termijn moet beschermen. Doordat er op het vlak van productiviteit grote sectorverschillen zijn, zou de inaanmerkingneming ervan op interprofessioneel, nationaal niveau de cijfers ernstig vertekenen. Daarom zou het meer aangewezen zijn om er op de lagere niveaus rekening mee te houden. Dit vereist een meer gedecentraliseerde procedure dan thans, met de bepaling van een nationale loonnorm, het geval is. Zulke decentralisatie zou de bedrijfstakken en de ondernemingen in staat stellen om het loonbeleid beter af te stemmen op hun prestaties en een meer geleidelijke herallocatie van arbeidsinputs van achteruitgaande activiteiten naar expansieve sectoren mogelijk maken.

Bovendien zou de loonkloof, zelfs bij een strengere nationale loonnorm, nog verder kunnen uitdijen vanwege de algemeen verspreide praktijk van automatische loonindexering op sectorniveau. Het huidige kader legt weliswaar een plafond voor de reële loonstijging op, maar laat de sociale partners de vrijheid om op het niveau van hun keuze loonindexeringsakkoorden te sluiten. Dit betekent dat een aanzienlijk deel van de loonstijgingsmarge buiten het toepassingsgebied van de loonnormwet en buiten de loononderhandelingen valt, wat de aanpassingscapaciteit van de economie hindert. Om het risico te beperken van inflatoire druk die de nominale lonen met meer dan de toename van de productiviteit ten opzichte van de buurlanden zou doen stijgen, kan worden gedacht aan een systeem waarbij de financiële tegenwaarde van stijgingen van de gezondheidsindex slechts gedeeltelijk naar nominale loonsverhogingen gaat en de rest naar andere vormen van (niet-loon)compensatie en/of investeringen in opleiding en personeel. "All-in"-overeenkomsten die de totale loonstijging plafonneren, zouden dezelfde uitkomst hebben.

C. Energiekosten([13])

De directe kosten van energie zijn een essentiële input bij talrijke productieprocessen en dus medebepalend voor het concurrentievermogen van de industrie. Daarom kan het geconstateerde verlies van kostencompetitiviteit niet alleen aan de kosten van arbeid, maar ook aan de energie-inputs te wijten zijn. Van belang daarbij is tevens de gebruiksintensiteit. Voor een alomvattende beoordeling van de rol van energie in het concurrentievermogen van de industrie moet rekening worden gehouden met beide factoren en gekeken naar de werkelijke kosten per energie-eenheid (Real Unit Energy Costs (RUEC)), d.w.z. het bedrag dat is uitgegeven aan energie (inclusief bv. taksen) om één eenheid toegevoegde waarde te verkrijgen. Voor de verwerkende nijverheid is het RUEC-niveau in België voor 2011 vergelijkbaar met dat in Nederland, maar hoger dan dat in Frankrijk en vooral in Duitsland (grafiek 3.11). Volgens ramingen was dat nog steeds zo in 2013.([14])

 

 Ontleding van de RUEC-verandering in de periode 1995-2011 door middel van een shift-share analyse laat zien dat de RUEC-stijging in de verwerkende nijverheid in België voor een verhoudingsgewijs groot deel het gevolg is van herstructurerings- en interactie-effecten. Dit duidt erop dat zich, meer dan in de buurlanden, een toename heeft voorgedaan van de aandelen van industriële sectoren met (i) betrekkelijk hoge initiële energiekosten of met (ii) energiekosten die behoorlijk sterk zijn toegenomen. Hier kan worden opgemaakt dat het niet zozeer de kosten van een eenheid energie zijn, maar wel de productiestructuur is die verantwoordelijk is voor de verhoudingsgewijs hoge RUEC in België. Dat wordt bevestigd door een contrafeitelijke analyse: in de veronderstelling dat de aandelen van de industriële sectoren in de buurlanden identiek zouden zijn met de werkelijke aandelen in België, zouden de RUEC in de industrie, voor 2011, de facto hoger liggen in de buurlanden dan in België (zie grafiek 3.12).

3.1.4.   Werking van de arbeidsmarkt

Het effect van de crisis op de werkgelegenheid is relatief beperkt gehouden. Voor een deel komt dat doordat de afgelopen jaren op grotere schaal is gebruikgemaakt van werktijdverkortingsregelingen, steun voor het scheppen van arbeidsplaatsen en activeringsmaatregelen. De werkloosheid is van 7,6% in 2012 gestegen tot 8,4% in 2013, tegenover gemiddeld 10,9% in de EU28. De arbeidsmarktparticipatie van sommige deelgroepen van de bevolking (zie grafiek 3.13) en in sommige gebieden (zie grafiek 3.14) worden echter gekenmerkt door grote verschillen.([15]) Dit heeft tot gevolg dat bepaalde gebieden en sectoren door krappe arbeidsmarkten en groeibelemmerende tekorten aan vaardigheden worden gekenmerkt, terwijl andere met een aanhoudend hoge werkloosheid worden geconfronteerd.

 

Deze diepgewortelde arbeidsmarktproblemen blijven voor een chronische onderbenutting van het arbeidspotentieel zorgen. De participatiegraad en het percentage werkenden blijven constant, maar onder het EU28-gemiddelde (respectievelijk 72,5% tegenover 76,5% en 67,2% tegenover 68,2% in 2012). De langdurige werkloosheid als percentage van de totale werkloosheid is onveranderlijk hoog en ligt sedert verschillende jaren boven het EU28-gemiddelde. Pas sedert kort, voornamelijk als gevolg van de hoge tol die de crisis op de arbeidsmarkt van een aantal lidstaten heeft geëist, is er sprake van convergentie van de langdurige werkloosheid met dat gemiddelde (in 2012, 45,9% tegenover 46,1%).

De deelgroepen laaggeschoolden, jongeren, ouderen en onderdanen van derde landen zijn het minst actief op de arbeidsmarkt, veel minder dan gemiddeld in de EU (zie grafiek 3.13). Volgens ramingen van de OESO (2013) zou het effect op de begroting van het op het niveau van eigen onderdanen brengen van de werkgelegenheidsgraad van onderdanen van derde landen, bijna 1% van het bbp bedragen, of het meeste van alle EU-lidstaten. Zoals uit grafiek 3.14 kan worden opgemaakt, blijven er grote geografische verschillen inzake werkgelegenheid en werkloosheid, waarbij bijvoorbeeld de werkloosheid in Brussel vier maal hoger ligt dan in de aangrenzende provincie Vlaams-Brabant.

Het matig presteren van de Belgische arbeidsmarkt vindt zijn oorsprong in diverse factoren. Met name: 1) de grootste (en nog groeiende) belastingwig in de EU, die in combinatie met het stelsel van werkloosheidsuitkeringen zorgt voor krachtige werkloosheids- en inactiviteitsvallen voor de meeste categorieën van de beroepsbevolking (zie onder); 2) aanzienlijke verticale en horizontale mismatches op het gebied van de vaardigheden ([16]), waardoor de middelenallocatie op de arbeidsmarkt niet altijd even doeltreffend verloopt; 3) slechts matig effectieve activeringsmaatregelen; 4) de grootschalige maar verminderende gebruikmaking van vervroegd pensioen en brugpensioen, en 5) het loonvormingssysteem dat weinig ruimte laat voor sectordifferentiatie en zodoende de meest productieve sectoren de mogelijkheid ontneemt de lonen te gebruiken als middel om gekwalificeerde arbeidskrachten aan te trekken. Daarnaast blijven sommige courante praktijken, zoals anciënniteitsbonussen, eventuele vertrekvergoedingen en mogelijkheden op vervroegde uittreding, de beroepsmobiliteit afremmen.

Deze verschillende factoren zijn verantwoordelijk voor de bescheiden potentiële groei doordat zij de benutting en de optimale allocatie van de factor arbeid hinderen, wat een ongunstige invloed heeft op de totale productiviteit, het aanpassingsvermogen en uiteindelijk op de creatie van arbeidsplaatsen. Daarenboven zet de inefficiënte werking van de arbeidsmarkt het socialezekerheidssysteem en de overheidsfinanciën in het algemeen onder zware druk. In het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden zal de klemtoon liggen op de werkloosheidsuitkeringen en de activeringsmaatregelen, die nauwer verband houden met de overheidsfinanciën en de potentiële groei.

 

Om de prikkels om werk te zoeken te versterken, hebben de Belgische autoriteiten een wettelijke hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen goedgekeurd en gerichte maatregelen genomen om de fiscale druk op arbeid te verlichten. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende verhogingen geweest van de "werkbonus" voor de laagste inkomens.([17]) Verwacht mag worden dat deze maatregelen de werkloosheids- en inactiviteitsvallen aan de onderkant van de loonschaal enigszins zullen afzwakken, maar het effect ervan komt nog niet tot uiting in de jongst beschikbare gegevens.([18]) Het lijdt echter geen twijfel dat de historisch gegroeide werkloosheidsvallen in België groot en hardnekkig zijn. Volgens de meest recente cijfers van het OESO "tax and benefits"-model([19]) behoren zij tot de grootste in de EU.

Op het gebied van de werkloosheidsval scoorde België op de 30 categorieën werkenden van het OESO-model beter dan of in lijn met het EU-gemiddelde voor vier categorieën in 2001, acht categorieën in 2006 en maar zes categorieën in 2012 (zie grafiek 3.15). In 2012 lag de werkloosheidsval voor de lage inkomens die bij herintreding 67% van het gemiddelde loon verdienden, boven het EU-gemiddelde voor alle gezinssamenstellingen, in het bijzonder voor alleenstaanden en voor gehuwde tweeverdieners waarbij de hoofdverdiener 100% van het gemiddelde loon verdient.

De sterke werkloosheidvallen hebben de nodige politieke aandacht gekregen. De beleidsmakers hebben de voorbije jaren pogingen ondernomen om het probleem aan te pakken door middel van doelgerichte maatregelen aan de onderkant van de loonschaal.  Deze initiatieven hebben effectief geleid tot een verkleining van de werkloosheidsvallen voor de allerlaagste lonen (tot 50% van het gemiddelde loon) voor alle types huishoudens. Daar staat tegenover dat de val is vergroot voor werknemers die 67% van het gemiddelde loon of meer verdienen, bij wie het andermaal de alleenstaande ouders of de alleenstaanden zijn die financieel het minst geprikkeld worden om te werken. De enige categorieën waarvoor België beter scoort dan het EU-gemiddelde zijn de huishoudens met de laagste inkomens (d.w.z. 33% van het gemiddelde loon of minder).

 

Vergelijking met de drie buurlanden geeft een meer gevarieerd beeld te zien. Volgens een studie van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (2012) varieert de netto vervangingsratio in België sterk volgens het salarisniveau, waarbij de laagste lonen beter beschermd zijn dan in de buurlanden en de lonen vanaf 100% van het gemiddelde loon minder dan in elk van de drie buurlanden.([20]) Als ook rekening wordt gehouden met de aanvullende sociale toelagen, is een gemiddeld gezin van vier in Duitsland en Nederland beter beschermd dan in België bij een inkomen van 67% van het gemiddelde loon. Bij 100% van het gemiddelde loon zijn dergelijke gezinnen aanvankelijk beter beschermd in de buurlanden dan in België, maar als gevolg van de dalende uitkeringen keert de situatie om na 23 maanden in Nederland en na 25 maanden in Frankrijk en Duitsland.

De recente hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen brengt enkele belangrijke nieuwigheden in de opzet van de werkloosheidsverzekering mee. Sinds november 2012 nemen de werkloosheidsuitkeringen na verloop van tijd sneller af dan tot dusverre het geval was. Daartoe is de netto vervangingsratio verhoogd voor de eerste zes maanden (tot 65% van het brutoloon met een maximum van een bruto referentieloon van 2370,8 EUR voor de eerste drie maanden en 60% van hetzelfde referentieloon voor de volgende drie maanden) en wordt hij op hetzelfde niveau als vóór de hervorming gehandhaafd voor de volgende zes maanden (60% van het brutoloon met een maximum van 2209,6 EUR). Na het eerste jaar wordt de werkloosheidsuitkering gefaseerd verlaagd, in een tempo dat afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden en de lengte van de voorafgaande bijdrageperiode. Na een periode die 16 tot 48 maanden bedraagt, vallen werkzoekenden terug op een vast bedrag dat iets hoger is dan het leefloon.([21]) Er zijn uitzonderingen voor tijdelijk werklozen, sommige categorieën oudere werklozen of vastbenoemden, en werklozen met een handicap.([22]) Terzelfder tijd zijn de uitkeringsvoorwaarden versoepeld, door voor de berekening van eerdere werkervaring langere referentieperioden te hanteren (21, 33 en 42 maanden in plaats van respectievelijk 18, 27 en 36) en door ook perioden van activiteit in het kader van programma's voor terugkeer naar de arbeidsmarkt met gewerkte perioden gelijk te stellen. Daarnaast zijn de activeringsmaatregelen en de vereisten inzake de beschikbaarheid voor werk aangescherpt. Voorts is de periode waarin jongeren ouder dan 18 die de arbeidsmarkt betreden een "wachtvergoeding" ontvangen, beperkt tot maximaal drie jaar.([23])

Cruciaal om de arbeidsparticipatie te verhogen, is het aanhouden van een goed evenwicht tussen, enerzijds, de combinatie van weldoordachte uitkeringen (met degressiviteit in de tijd) en adequate sollicitatieverplichtingen, en, anderzijds, daadwerkelijke begeleiding en opleidingsmogelijkheden.([24]) De wettelijke hervorming van de werkloosheidsuitkeringen door de Belgische autoriteiten is een stap in de richting van een dergelijk evenwicht. De complexiteit van de berekeningsmethode zou evenwel afbreuk kunnen doen aan de aanmoedigingseffecten die van het stelsel in zijn geheel moeten uitgaan. Ook is het zo dat de geleidelijke uitbreiding van de activeringsmaatregelen tot de oudere categorieën en stijgende werkloosheid de vraag naar follow-up, begeleiding en omscholingsdiensten doet toenemen, wat de bestaande capaciteitsproblemen zou kunnen verergeren.

Ook de inactiviteitsvallen zijn aanzienlijk en bij de grootste in de EU. Voor wie niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering of er geen toegang toe heeft maar wel door de sociale zekerheid wordt gedekt, zijn de inactiviteitsvallen beduidend groter dan het EU-gemiddelde, en dit voor alle categorieën van de beroepsbevolking en alle types huishoudens. Gegevens voor 2012 laten zien dat er voor mensen met een zeer laag inkomen, 30% van het gemiddelde loon, zeer zwakke financiële prikkels zijn om te werken, met name als zij alleenstaande ouder, alleenstaande of gehuwde met één inkomen en geen kinderen zijn.([25]) Een OCMW-studie van 2012 bevestigt dat alleenstaande ouders met kinderlast die ongeveer het minimumloon verdienen, nog steeds meer socialezekerheidsvergoedingen en -uitkeringen ontvangen dan wanneer zij zouden werken en dus in het geheel niet worden gestimuleerd om actief naar werk te zoeken. Bovendien bestaan er grote lagelonenvallen voor de meeste categorieën werknemers en gezinstypes, waardoor laaggeschoolde werknemers niet worden aangemoedigd om meer uren te werken of inspanningen te doen om hun vaardigheden uit te breiden, omdat zij bij een hoger loon hun toelagen zouden verliezen. Dit heeft ook een impact op het concurrentievermogen, in de vorm van een lagere productiviteitsgroei.

 

De Belgische arbeidsmarkt wordt eveneens gekenmerkt door een sterke mismatch tussen het aanbod van vaardigheden en van banen. Zoals het verloop van de Beveridge-curve (grafiek 3.16) laat zien, is de doeltreffendheid van de matching niet significant verslechterd na de crisis.([26]) In de periode 2008-09 liep het aantal vacatures terug en de werkloosheid op, waarna de mismatch in 2010 verergerde met een hoger aantal vacaturen en hogere werkloosheid. In 2011 en 2012 nam de werkloosheid af en steeg het aantal vacatures, waarna medio 2013 terug ongeveer het niveau van 2010 werd opgetekend.

Er blijft niettemin een hardnekkig grote mismatch tussen het aanbod van vaardigheden en van banen, waarbij de vraag naar de laatste zich toespitst op hooggeschoolde profielen terwijl er een aanbod van laaggeschoolden is dat grotendeels onbenut blijft. De mismatch doet zich weliswaar in het hele land voor, maar lijkt vooral in Brussel ernstige vormen aan te nemen (Zimmer, 2012). Zoals grafiek 3.17 toont, is meer dan 80% van de actieve bevolking met een diploma hoger onderwijs aan het werk  in België, tegenover 60% van de middelgeschoolden en minder dan 40% van de laaggeschoolden.

 

De regering heeft het probleem weliswaar onderkend, maar de initiatieven om het aantal afgestudeerden in wetenschappen en ingenieurswetenschappen te vergroten en jongeren naar technische beroepen te oriënteren hebben tot hiertoe nog geen vruchten afgeworpen. Het aantal afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologische richtingen ligt in België nog altijd onder het EU-gemiddelde (1,26% tegenover 1,68% van de 20-29-jarigen in 2011). Het zou zowel voor de werknemers als voor de economie een goede zaak zijn mochten meer studenten in die richting worden geöriënteerd aangezien het loonverschil tussen laag-/middelgeschoolden en hooggeschoolden voor dezelfde leeftijdscategorie aanzienlijk is (zie grafiek 3.18) en een groter aandeel van hooggeschoolde werknemers in de totale beroepsbevolking de arbeidsproductiviteit zou verhogen.

De activeringsmaatregelen zijn ook belangrijk om de matching tussen het aanbod van vaardigheden en van banen te verbeteren. Niettegenstaande België tot de landen behoort die in verhouding tot het bbp het meeste aan een actief arbeidsmarktbeleid uitgeven([27]), blijven de resultaten daarvan achterwege, zoals kan worden afgeleid uit de werkgelegenheidsgraad die nog steeds onder het gemiddelde ligt, terwijl de werkloosheidsgraad grosso modo constant is gebleven ondanks de financieel-economische crisis. De meest recente hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen omvatte eveneens activeringsmaatregelen waarbij werkzoekenden sneller en intensiever follow-up krijgen. Het is de bedoeling werklozen hierdoor sneller aan een baan te helpen en de afstemming tussen werkzoekenden en gevraagde vaardigheden te verbeteren.

 

De nadelige gevolgen van de werkloosheids- en inactiviteitsvallen voor de arbeidsmarktparticipatie worden door de Belgische autoriteiten erkend. Er worden de facto stappen ondernomen om de kwestie aan te pakken([28]), maar die moeten hun volle effect nog sorteren en het is twijfelachtig of de reeds goedgekeurde maatregelen ver genoeg gaan om het probleem volledig op te lossen. Alhoewel de werkloosheidsval aan de onderkant van de loonschaal feitelijk iets is verminderd, blijven er hardnekkig grote werkloosheidsvallen bestaan voor huishoudens met een iets hoger inkomen.

Omdat de socialezekerheidsbijdragen voor de laagste lonen reeds significant zijn verlaagd, is er weinig ruimte om de belastingwig langs deze weg extra te verkleinen. Een grondige hervorming van de fiscaliteit zou wat dat betreft wellicht effectiever zijn (zie deel 4). De belastingdruk verleggen van arbeid naar andere grondslagen zou daadwerkelijk ertoe kunnen bijdragen werk lonender te maken en werklozen ertoe aanzetten zich weer op de arbeidsmarkt te begeven. Tevens zouden additionele aanpassingen kunnen worden overwogen om de negatieve prikkels om te gaan werken voor tweede verdieners te beperken, bijvoorbeeld door het gemiddelde effectieve belastingtarief voor tweede verdieners te verlagen ten opzichte van alleenstaanden of door de kinderbijslag (gedeeltelijk) te vervangen door voordelen in natura om de arbeidsmarktparticipatie in de hand te werken. Tot slot zijn de tenuitvoerlegging van de zesde staatshervorming en de daarmee samenhangende verdere regionalisering van het activeringsbeleid een gelegenheid om de effectiviteit van de verschillende bestaande maatregelen grondig te evalueren. Dit biedt de kans om die activeringsmaatregelen en werkstimulansen te rationaliseren en te integreren in een coherent beleid dat aan de behoeften van de arbeidsmarkt van de regio's is aangepast.

Conclusies met betrekking tot het externe concurrentievermogen

België blijft in een zorgwekkend tempo en sneller dan de meeste andere EU-lidstaten exportmarktaandelen verliezen. Voor een deel is deze trend het gevolg van de traditionele focus op geografisch nabije markten, die met een tragere groei te kampen hebben. Alhoewel er tekenen zijn van verbetering wat deze laatste factor betreft, blijft de andere belangrijke factor – de ontwikkeling van de kosten – het vermogen aantasten van de Belgische industriiêle ondernemingen om internationaal met succes te concurreren. Dit verlies aan kostencompetitiviteit openbaart zich in indicatoren zoals de winstmarges en banenschepping, en bedreigt het duurzame groeipotentieel. Het verlies aan concurrentievermogen wordt bijgevolg nog steeds als een bedreiging voor de stabiliteit van de Belgische economie op middellange termijn beschouwd.

De afgelopen jaren hebben de Belgische autoriteiten een reeks acties in gang gezet om deze onevenwichtigheid aan te pakken, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van de loonkosten, maar bijvoorbeeld ook het stimuleren van innovatieve activiteiten om de productmix beter af te stemmen op de arbeidskosten. De mate waarin dit België's concurrentiepositie zal verbeteren, hangt evenwel af van de ontwikkelingen in andere landen. Gelet op de hervormingen die overal in Europa worden doorgevoerd, is het zaak voor België geen achterstand op te lopen. Daartoe is ambitieuzer en tijdig optreden geboden, onder ander een grondige hervorming van de fiscaliteit om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar andere bronnen, een hervorming van het loonvormingssysteem om meer differentiatie mogelijk te maken en rekening te houden met de conjunctuur, en het verhelpen van de hardnekkige manco's van de arbeidsmarkt.

 

3.2.      Schuldenlast

In april 2013 heeft de Commissie geconcludeerd dat België met macro-economische oneven­wichtigheden werd geconfronteerd met betrek­king tot de schulden­last, in het bijzonder wat de gevolgen van de hoge overheidsschuld voor de reële economie betrof. In dit punt kijken wij naar de recente ontwikkeling van de overheidsschuld en beoordelen wij de potentiële risico’s.

In de diepgaande evaluatie van vorig jaar werd ook geconcludeerd dat de schuldenlast van de particuliere sector, die in niet-geconsolideerde cijfers hoog is, niet op zich aandienende risico's duidde omdat zij in geconsolideerde termen nog altijd redelijk te noemen is. Het grote verschil tussen beide niveaus kon worden verklaard door de omvangrijke groepsinterne leningen van niet-financiële vennootschappen, die door fiscale gunstregelingen worden aangemoedigd en geen macro-economische onevenwichtigheden teweeg­brengen. In dit hoofdstuk zullen wij de geldigheid van deze conclusie opnieuw beoordelen.

3.2.1.   Recente ontwikkeling van de overheidsschuld

Volgens de winterprognoses 2014 van de Europese Commissie bedroeg de geconsolideerde overheidsschuld eind 2013 bijna 100 % van het bbp([29]), hetzelfde niveau als eind 2012. Dit is ruim boven de PMO-drempel van 60 % en ook meer dan het totaal in de eurozone (95 % van het bbp in 2013). Ondanks omvangrijke maatregelen in de financiële sector en een tekort dat in de periode 2009-2012 boven de drempel van 3 % van het bbp uitkwam, is de toename van de schuld sinds het begin van de financiële en economische crisis in België toch duidelijk minder groot dan in vele andere lidstaten en dan in de eurozone als geheel (zie grafiek 3.19).

Aangezien de stijging van de schulden gepaard ging met de accumulatie van activa in de financiële sector, was de nettoschuldtoename beperkter. Zij was sinds 2007 met 8 procent­punten van het bbp gestegen (in vergelijking met meer dan 20 procentpunten in de eurozone). De nettoschuldquote is sinds 2011 grosso modo stabiel gebleven en staat nu ongeveer op het niveau van 2005.

In 2013 werd het primaire overheidssaldo voor het eerst sinds het begin van de crisis weer positief. Het negatieve sneeuwbaleffect zette zich echter voort, met rente-uitgaven die – hoewel deze historisch laag waren – meer bedroegen dan de nominale bbp-groei (zie grafiek 3.20).

Om haar eigen verbintenis na te komen om de schuldquote in 2013 onder de 100 % van het bbp te houden([30]), heeft de overheid diverse activa verkocht, zoals de beleggingsportefeuille van Royal Park Investments (0,2 % van het bbp), de deelneming in BNP Paribas Fortis (0,8 % van het bbp) en de aanspraak op de toekomstige huur van het Berlaymontgebouw (0,2 % van het bbp). KBC heeft een lening ten bedrage van 0,5 % van het bbp terugbetaald. Het effect van deze transacties werd echter gedeeltelijk teniet gedaan door negatieve stock-flow adjustments, zoals de bijdrage aan de EFSF en het ESM (0,6 % van het bbp). Bovendien heeft de verkoop van activa enkel op de brutoschuld een positief effect, terwijl het effect op de nettoschuld neutraal is.

Bij ongewijzigd beleid zal de brutoschuldquote in 2014 naar verwachting verder stijgen tot 100,5 % van het bbp, vooral vanwege de stock-flow adjustments (bijdrage aan de EFSF en het ESM), en in 2015 beginnen te dalen. Indien de huidige verbintenissen inzake begrotings­consolidatie worden uitgevoerd, zouden zij de komende jaren een gestage daling van de Belgische overheidsschuld moeten bewerk­stelligen. De reductie van de schuldquote wordt echter nog steeds belemmerd door een lage inflatie, een zwakke bbp-groei en, op langere termijn, de gevolgen van de vergrijzing (zie punt 3.2.3).

In de volgende punten wordt de hoge overheidsschuld van België in perspectief geplaatst.

3.2.2.   Risico van druk op de begroting op korte termijn

Ondanks de hoge overheidsschuld lijkt België snel opnieuw het marktvertrouwen te hebben gewonnen na de plotselinge stijging van de risicopremies op Belgische overheidsobligaties eind 2011. Het land geniet momenteel relatief lage financieringskosten (zie grafiek 3.21). Door de herfinanciering van zijn schuld tegen lage rentevoeten heeft de Belgische staat zijn rentelasten drastisch kunnen verlagen, zelfs nadat de overheidsschuld weer begon te stijgen.

Momenteel staan de rentes op Belgische obligaties op een historisch laag peil en zijn de spreads ten opzichte van Duitse obligaties vergelijkbaar met die van de kernlanden (zie grafiek 3.22). Behalve aan de maatregelen van de ECB en de politieke vooruitgang op het gebied van de EMU-architectuur, kan het herwonnen marktvertrouwen waarschijnlijk ook worden toegeschreven aan de goede prestaties van België bij de uitvoering van omvangrijke plannen voor begrotingsconsolidatie in het verleden, met name in de jaren '80 en '90([31]). Ook de relatief gezonde situatie van de particuliere sector (zie hieronder) kan een rol hebben gespeeld. Als een soort kantelstaat tussen de kernlidstaten en de perifere lidstaten kan België echter geconfronteerd worden met een snel stijgende risicopremie wanneer de financiële onrust in de eurozone opnieuw toeneemt of bij binnenlandse politieke instabiliteit.

Er lijkt momenteel geen gevaar te zijn dat de Belgische begroting op korte termijn onder druk zal komen te staan. De gemiddelde looptijd van de (federale) schuldportefeuille([32]) is eind 2013 met 7,6 jaar relatief lang (Belgisch Agentschap van de Schuld, 2014). De Belgische regering heeft van de huidige situatie gebruik gemaakt om de uitstaande schuld tegen lage rentevoeten te herfinancieren en heeft een deel van de financieringsbehoeften voor 2014 voor­gefinancierd. Het herzettingsrisico([33]) op 12 maanden en op 60 maanden van de federale overheidsschuld daalde van 20,3 % en 56,8 % eind 2012 tot 15,8 % en 51,3 % eind 2013 (Belgisch Agentschap van de Schuld, 2014).

Hoewel het risico klein lijkt dat de begroting op korte termijn onder druk zal komen te staan, zou een langere periode van hogere rente op de overheidsschuld aanzienlijke gevolgen hebben voor de Belgische overheidsfinanciën (zie ook grafiek 3.23). Hogere rente-uitgaven zouden moeten worden gecompenseerd door een hogere belastingdruk of bezuinigingen elders, die op hun beurt weer invloed kunnen hebben op de economische activiteit. Bovendien zouden rente­betalingen aan niet-ingezetenen het saldo van het primair inkomen doen verslechteren en dus bijdragen aan de verslechtering van de externe positie van het land. Zoals in de voorgaande punten werd gezegd, oefenen concurrentie­problemen reeds druk uit op het saldo van de lopende rekening.

Hogere financieringskosten voor de overheid zouden ook overslaan op de particuliere sector en de financieringskosten de hoogte instuwen voor binnenlandse financiële instellingen en uiteindelijk ook voor niet-financiële onder­nemingen en huishoudens, met nadelige gevolgen voor de investeringen en de innovatie. Een ander kanaal naar de reële economie loopt via de kosten van hypothecaire leningen met een variabele rente, die bij wet gekoppeld is aan de marktrente van Belgische obligaties. Tot slot vermindert de hoge overheidsschuld ook het vermogen van de overheidsfinanciën om het hoofd te bieden aan eventuele ongunstige economische schokken, waardoor de kwetsbaarheid van de economie als geheel toeneemt.

3.2.3.   Houdbaarheidsrisico’s van de Belgische overheidsschuld op lange termijn

Naast de hoge overheidsschuld hebben de overheidsfinanciën van België ook te kampen met bovengemiddelde te verwachten gevolgen van de vergrijzing, waarbij de kosten van de vergrijzing tegen 2030 naar schatting met bijna 5 procentpunten van het bbp zullen toe­nemen.([34]) Bij ongewijzigd beleid([35]) zal dit de overheidsschuld in 2030 naar verwachting tot bijna 127 % van het bbp doen oplopen, terwijl op basis van vergelijkbare simulaties wordt verwacht dat de totale schuldquote in de eurozone zal afnemen. Bovendien zijn deze langetermijnprognoses zeer gevoelig voor veranderingen in het onderliggende macro-economische scenario. Een stijging van 1 procentpunt van het veronderstelde rente­percentage of een bbp-groei van 0,5 procentpunt minder zou de overheidsschuld op 136 % van het bbp brengen (zie grafiek 3.23). Anderzijds zou voldoende vooruitgang in de richting van de middellangetermijndoelstelling (MTD) van België([36]), zoals voorgeschreven door het stabiliteits- en groeipact, de overheidsschuld standvastig omlaag kunnen brengen, zodat deze aan het einde van de periode rond de drempel van 60 % zou uitkomen.

In dit verband moet worden opgemerkt dat België reeds een relatief hoge belastingdruk kent. Er is dus weinig begrotingsruimte om door middel van inkomstenverhogende maatregelen de verplichtingen uit een grotere schuldenlast na te komen of de schuldenlast te verlichten. Er is echter ruimte om het belastingstelsel minder groeiverstorend te maken, met name door een verschuiving weg van belastingen op arbeid (zie punt 4).

Anderzijds zijn de overheidsuitgaven in België sterk gedecentraliseerd. Dit is een bijzondere uitdaging voor de schuldvermindering, die hoofdzakelijk op federaal niveau plaatsvindt. Bovendien zal de stijging van de kosten van de vergrijzing zich vooral op federaal niveau voordoen. Met de recente staatshervorming en de hervorming van de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (zie kader 3.4) wordt geprobeerd een antwoord te bieden op deze uitdaging, onder meer door de financiële transfers van het federale naar het subfederale niveau slechtst gedeeltelijk aan de bbp-groei aan te passen.

 Kader 3.4: Zesde Belgische staatshervorming De laatste 40 jaar is België van een gecentraliseerde eenheidsstaat naar een federale staat geëvolueerd. Door middel van verschillende ronden van staatshervormingen zijn de territoriaal afgebakende gewesten en de op de taal gebaseerde gemeenschappen in grote mate bevoegd geworden voor het doen van uitgaven, die grotendeels worden gefinancierd met dotaties van het federale niveau die in de zogenaamde Bijzondere Financieringswet worden gedefinieerd. Momenteel wordt in België nog een staatshervorming doorgevoerd, die nieuwe bevoegdheden aan het subfederale niveau toekent en de financiële regelingen wijzigt. Deze zogenaamde "zesde staatshervorming" werd eind 2013 door het parlement goedgekeurd en zal vanaf midden 2014 worden uitgevoerd. De zesde staatshervorming hevelt extra bevoegdheden naar de deelstaten over, die momenteel met uitgaven ten bedrage van ongeveer 20 miljard EUR (5 % van het bbp) overeenkomen. De gewesten krijgen nieuwe bevoegdheden met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid, zoals het doelgroepenbeleid (met inbegrip van het systeem van de dienstencheques), activering en controle van de beschikbaarheid van werklozen, beroepsopleidingen en economische migratie. Het arbeidsrecht blijft volledig tot de federale bevoegdheden behoren. Voor het eerst wordt ook een aanzienlijk deel van de sociale zekerheid overgedragen door de overheveling van de bevoegdheid voor de kinderbijslag naar de deelstaten. Deze worden ook bevoegd voor een aantal onderdelen van de gezondheidszorg en de "long care"-zorgen (onder meer hulp aan bejaarden), waardoor een deel van de kosten van de vergrijzing naar de deelstaten wordt verschoven. Tot slot worden in deze hervorming ook bepaalde aspecten van het beleid inzake justitie, energie (distributietarieven) en concurrentie (vergunningen voor handelsvestigingen, toegang tot beroepen, prijzencontrole) geregionaliseerd. Met de huidige hervorming wordt een beter afgebakende verdeling van de taken beoogd, maar ook na de hervorming blijven de bevoegdheden vaak verspreid over verschillende beleidsniveaus. Parallel hiermee wordt in de zesde staatshervorming de Bijzondere Financieringswet, waarin de financiering van de gemeenschappen en gewesten wordt geregeld, herzien. Momenteel worden deze hoofdzakelijk gefinancierd door forfaitaire overdrachten van federale middelen, die worden verdeeld door middel van een combinatie van economische en demografische verdeelsleutels. Vanaf 2015 worden de overdrachten naar de regio's bijna volledig vervangen door zogenaamde gewestelijke aanvullende opcentiemen op de federale personenbelasting([37]) (ongeveer een vierde van de totale inkomsten uit de personenbelasting). De deelstaten worden bevoegd om de tarieven en belastingschijven van deze gewestelijke opcentiemen te bepalen, weliswaar binnen bepaalde grenzen, bijvoorbeeld met behoud van de regels inzake progressiviteit van de personenbelasting. De deelstaten worden eveneens bevoegd voor een aantal belastingverminderingen met betrekking tot de eigen beleidsterreinen (bv. voor huisvesting, energiebesparende maatregelen, dienstencheques). Het vaststellen van de belastbare basis en de belastinginning blijven federale bevoegdheden. De deelstaten zullen nog steeds gefinancierd worden door middel van dotaties uit federale belastinginkomsten. Een overgangsmechanisme zal ervoor zorgen dat de hervormde financiële regelingen geleidelijk worden ingevoerd. De nieuwe financiële regelingen omvatten ook enkele bepalingen om de fiscale situatie van het federale niveau en de deelstaten weer in evenwicht te brengen. Tussen 2014 en 2016 zullen de dotaties aan de gewesten en de gemeenschappen met een forfaitair bedrag worden verminderd, om de deelstaten zo te laten bijdragen aan de geplande begrotingsconsolidatie op federaal niveau, die wordt belemmerd door een beperktere ontvangsten- en kostenbasis als gevolg van de hervorming. De gewesten en gemeenschappen zullen ook een toenemende bijdrage leveren voor de pensioenen van hun ambtenaren. Tot slot zullen de transfers jaarlijks slechts gedeeltelijk aan de bbp-groei worden aangepast om het verlies aan inkomsten uit de geregionaliseerde personenbelasting – die gewoonlijk sneller toenemen dan het bbp – te compenseren.

Tot slot wordt de houdbaarheid van de overheidsschuld ook bepaald door het groeipotentieel van de economie. In punt 2 werd gewezen op de huidige lage potentiële groei van de Belgische economie, met name door een geleidelijke uitholling van de bijdrage van de totale factorproductiviteit sinds het begin van de jaren negentig. Het verlies aan concurrentie­vermogen en de inefficiënties op de arbeidsmarkt die eerder werden besproken, maken de hoge schuldenlast nog problematischer doordat zij de groeivooruitzichten temperen, waardoor het nog lastiger wordt om de schuldquote op een neerwaarts traject te brengen.

3.2.4.   Verbanden met de financiële sector

België heeft nog steeds omvangrijke latente verplichtingen als gevolg van de waarborgen die het aan de financiële sector heeft verstrekt, hoewel deze sinds de diepgaande evaluatie van vorig jaar aanzienlijk zijn verminderd. In december 2013 bedroegen de uitstaande waar­borgen 45,4 miljard EUR (12 % van het bbp), tegenover 59,6 miljard EUR in 2012([38]). Het maximumrisico bedraagt momenteel 56 miljard EUR (14 % van het bbp)([39]) en houdt hoofdzakelijk verband met de waarborgregeling voor Dexia. De verkoop van de beleggings­portefeuille van Royal Park Investments (een special purpose vehicle dat in het kader van de reddingsoperatie van Fortis was gecreëerd) en van de deelneming in BNP Paribas Fortis, evenals de vermindering van een lening aan KBC hebben ertoe geleid dat de staat minder aan de ontwikkelingen in de financiële sector was blootgesteld. Belfius, een van de vier grote banken op de Belgische markt, is nog steeds volledig in handen van de overheid.

De interactie tussen de overheidsschuld en de financiële sector speelt ook in de tegenover­gestelde richting, met name door de omvang­rijke staatsschuldportefeuille op de balans van de financiële sector. Tussen 2008 en 2012 was er een sterke toename van de portefeuilles Belgische obligaties van de binnenlandse financiële sector, ten koste van buitenlandse obligaties. Hoewel deze grotere concentratie op de binnenlandse markt op het hoogtepunt van de staatsschulden­crisis als buffer kan hebben gefungeerd, heeft deze ook de mogelijke overloopeffecten versterkt tussen de overheidsschuld en de financiële sector in geval van een daling van de marktwaarde van de overheidsobligaties.

De trend van een steeds grotere blootstelling aan de binnenlandse overheidssector werd in 2013 gedeeltelijk omgebogen. Sinds eind 2012 is de binnenlandse blootstelling van krediet­instellingen van 69 miljard EUR naar 62 miljard EUR gedaald en heeft zij zich gestabiliseerd op ongeveer 60 miljard EUR voor verzekeringsmaatschappijen. De hierboven beschreven negatieve terugkoppelingseffecten blijven echter een bron van kwetsbaarheid wanneer de financiële spanningen opnieuw toenemen.

De twee belangrijkste uitdagingen voor de Belgische financiële sector zijn het halen van de nieuwe regelgevingsvereisten en het verbeteren van de lage rentabiliteit (zie kader 3.5).

3.2.5.   De overheidsschuld en de totale schuldenlast van de Belgische economie

België kent niet alleen een hoge overheids­schuld, maar wordt ook gekenmerkt door een hoge schuldenlast van de particuliere sector, althans in niet-geconsolideerde termen. In 2013 bedroeg de niet-geconsolideerde schuld van de particuliere sector 243 % van het bbp, wat iets minder was dan de piek in 2012, maar nog steeds ruim boven het gemiddelde van de eurozone van 160 % van het bbp lag (zie grafiek 3.24). Dit hoge cijfer is voornamelijk toe te schrijven aan de grote schuldenlast van de niet-financiële vennoot­schappen (188 % van het bbp).

In de diepgaande evaluatie van vorig jaar werd geconcludeerd dat de schuldenlast van de particuliere sector weliswaar hoog was in niet-geconsolideerde termen, maar niet op zich aandienende risico's duidde omdat zij in geconsolideerde termen nog altijd redelijk te noemen was, vergelijkbaar met het gemiddelde van de eurozone (zie grafiek 3.25) en relatief stabiel sinds 2008.([40]) Het relatief grote verschil tussen beide ratio's in België (ongeveer 100 % van het bbp) kan worden verklaard door de omvangrijke groepsinterne leningen

Kader 3.5: De Belgische financiële sector Hoewel de Belgische financiële sector moeilijke tijden heeft gekend, is hij er beter aan toe dan voor de crisis en heeft de lokale kredietverlening aan de particuliere sector geen ernstige gevolgen van de crisis ondervonden. Hoewel bepaalde problemen met betrekking tot kredietinstellingen in moeilijk­heden zoals Dexia blijven bestaan, hebben banken die een tussenkomst van de overheid hebben genoten de verstrekte financiële steun vervroegd terugbetaald. Op sectorniveau zijn de banken minder afhankelijk geworden van de langerlopende herfinancieringstransacties (LTRO's) van de ECB. In 2013 is de schuldafbouw van de banksector gestabiliseerd, want de afname van de totale activa in 2013 is aan veranderingen in de waardering van derivaten toe te schrijven, terwijl andere balans­posten relatief stabiel zijn gebleven. Sinds 2007 hebben de Belgische banken hun portefeuilles binnenlandse obligaties geleidelijk uitgebreid, terwijl de blootstelling aan andere landen kleiner werd. In november 2013 bedroegen de totale activa in de Belgische financiële sector bijna 1 076 miljard EUR, dit is iets meer dan 2,5 keer het bbp. Te oordelen naar de omvang van de totale activa, zowel in verhouding tot het bbp als in absolute termen, is de Belgische financiële sector eerder klein in vergelijking met die in andere landen van de eurozone (grafiek 1a). De activa van de financiële sector zijn gelijkmatig verdeeld over de Belgische en buitenlandse banken (grafiek 1b). Vanuit dit oogpunt is België in dezelfde mate blootgesteld aan binnenlandse gebeurtenissen als aan exogene ontwikkelingen die de financiële stabiliteit kunnen bedreigen maar buiten de macht van de lokale autoriteiten vallen. Aan de passiefzijde heeft de verschuiving van wholesalefinanciering naar retailfinanciering geleid tot een toename van de deposito's en de finan­ciering door de centrale bank, terwijl de interbancaire kredietverlening en de uitgifte van kortlopende effecten zijn afgenomen. Omdat zij te afhankelijk waren van de wholesalemarkt stonden sommige kredietinstellingen op het hoogtepunt van de crisis op de rand van de afgrond, dus deze verschuiving is welkom. In 2013 is de wholesale­financiering stabiel geworden en is dankzij de gunstige marktomstandigheden zelfs enige beter­schap merkbaar wat betreft niet door zekerheden gedekte wholesalefinanciering. De LTRO's zijn gedeeltelijk terugbetaald en er werd geen gebruik meer gemaakt van noodliquiditeitssteun. Over het algemeen zijn de kredietnormen in de loop van 2013 iets versoepeld en is het zowel voor niet-financiële vennootschappen als voor huis­houdens makkelijker geworden om leningen te krijgen. Ondanks de stijging van de totale schuld is de groei van de kredieten voor niet-financiële vennootschappen en hypothecaire leningen vertraagd (grafiek 2). Hoewel de meeste hypothecaire leningen in België vastrentend zijn, heeft 40 % een variabele rentevoet. Stijgende rentevoeten zouden een risico kunnen vormen voor debiteuren met een variabele rentevoet, maar de praktijken van de banken zijn op dit gebied voorzichtig en de frequentie en omvang van rentestijgingen worden beperkt. Uit het percentage probleemkredieten van 5,05 % in 2012 blijkt vooral de wanbetalingsgraad bij ondernemingen, die door het sombere economische klimaat zijn getroffen, terwijl de huishoudens een beter totaalcijfer laten optekenen.

Het "twin peaks"-bankentoezicht valt in België onder de verantwoordelijkheid van de Nationale Bank van België (NBB) en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA). De NBB staat in voor het oversight en het prudentieel toezicht op financiëlemarktinfrastructuren voor transactieverwerking, alsook voor het micro- en macroprudentieel toezicht, terwijl de FSMA de marktinfrastructuren en transacties gebaseerd op internationale standaarden beoordeelt. De zich ontplooiende bankenunie waarin de ECB de enige toezichthouder voor systeembanken wordt, is een belangrijke stap in de richting van een geharmoniseerde aanpak en een gemeenschappelijk bankentoezicht.

De belangrijkste uitdagingen voor de Belgische financiële sector zijn het verbeteren van de lage rentabiliteit en het halen van de nieuwe regelgevingsvereisten. Om te voldoen aan de CRD IV-/CRR-kapitaalvereisten zullen de Belgische banken hun eigen vermogen moeten verhogen. Een middel daartoe zou ingehouden winst kunnen zijn, maar de recentste rentabiliteitsratio's laten op dit gebied een tegenvallende ontwikkeling zijn. De Belgische banken hebben te lijden onder de lage rentevoeten en de matige economische omstandigheden. De kosten-inkomstenverhouding van de Belgische banksector behoort ook tot de hoogste van de eurozone.

(vervolg op de volgende bladzijde)

Kader (vervolg)

van niet-financiële vennootschappen, die worden aangemoedigd door fiscale gunstregelingen zoals het stelsel van coördinatiecentra, dat in 2006 door een meer algemene aftrek voor het eigen vermogen van een onderneming werd vervangen. Deze aftrek maakt schuldfinanciering minder aantrekkelijk voor ondernemingen, wat de daling van de geconsolideerde schuldquote vóór de crisis kan verklaren, maar vormt ook een stimulans voor groepsinterne leningen, die zichtbaar zijn in de niet-geconsolideerde schuldquote.([41])

Opgemerkt zij dat ook de geconsolideerde schuldcijfers groepsinterne leningen omvatten, met name grensoverschrijdende leningen en leningen binnen multinationale groepen. Leningen van buitenlandse bedrijven (met uitzondering van MFI’s) aan Belgische niet-financiële vennootschappen, die in 2012 goed waren voor bijna 40 % van het bbp, zouden kunnen dienen als een indicator voor deze groepsinterne leningen. Zoals aangetoond door Bruggeman en Van Nieuwenhuyse (2013), kan de toename van het aantal dergelijke leningen tussen 2005 en 2012 (+17 procentpunten van het bbp) een groot deel van de stijging van de geconsolideerde schuldquote van de niet-financiële vennoot­schappen tussen 2005 en 2012 (+26 procentpunten van het bbp) verklaren. In dezelfde periode zijn de bankleningen aan niet-financiële vennootschappen slechts met 5 procentpunten van het bbp toegenomen.

Tot slot ging de gestage toename van de passiva van de niet-financiële vennootschappen vergezeld van een accumulatie van activa. De nettopassiva van deze sector bedragen ongeveer 90 % van het bbp, wat lager is dan het totaal van de eurozone van 95 % van het bbp. Ook volgens andere indicatoren voor de financiële gezondheid van de Belgische vennootschappen zijn er geen significante houdbaarheidsrisico’s. Zoals reeds werd aangetoond in de diepgaande evaluatie van vorig jaar, vertaalt de toename van de schuldquote zich niet in een toename van de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen of eigen vermogen/passiva van niet-financiële vennoot­schappen.

De risico’s die verbonden zijn aan de hoge overheidsschuld worden ook enigszins gematigd door de goede financiële positie van de Belgische huishoudens. De schuldenlast van de huishoudens is lager (55,8 % van het bbp) dan in de eurozone (63,9 % van het bbp). Hij is de laatste jaren echter voortdurend gestegen (zie grafiek 3.27), terwijl hij in de gehele eurozone sinds 2009 stabiel is gebleven. Aangezien de schulden van de huishoudens overwegend hypothecair zijn, kan deze afwijkende ontwik­keling worden verklaard door het feit dat zich op de Belgische huizenmarkt, in tegenstelling tot die in de meeste andere lidstaten van de eurozone, tot nu toe nog geen prijscorrectie heeft voorgedaan. In de diepgaande evaluatie van vorig jaar werd betoogd dat een eventuele neerwaartse correctie van de huizenprijzen slecht beperkte macro-economische gevolgen zou hebben (zie kader 3.6 voor actuele gegevens over de huizenmarkt).

Eind 2013 heeft de Nationale Bank van België een aantal maatregelen genomen om de potentiële risico's van een overwaardering van de huizenmarkt te beperken: een verhoging met 5 procentpunten van de eigen berekening door de banken van de risicogewogen activa voor Belgische hypothecaire leningen, een horizontale evaluatie van de interne risicogebaseerde modellen van de banken voor Belgische hypothecaire leningen, een zelfbeoordeling en rapportage door de banken over de mate waarin zij voldoen aan de adviezen van de Europese Bankautoriteit met betrekking tot goede praktijken voor hypothecaire kredieten en goede praktijken voor de behandeling van huiseigenaren met een hypothecaire lening met betalingsproblemen.

Minder dan de helft van de huishoudens heeft schulden en drie op de tien Belgische huis­houdens hebben een hypothecaire lening. In het laagste inkomenskwintiel heeft ongeveer 25 % van de huishoudens schulden en gaat 38,5 % van hun inkomen naar schuldaflossing, wat op Europese schaal relatief veel is (zie grafiek 3.28).

 

Tegenover de algemene toename van de schuldenlast van de huishoudens stonden de toenemende financiële activa, wat heeft geleid tot een relatief lage en stabiele verhouding schuld / financiële activa. Deze verhouding bedraagt 20,4 %, tegenover 31 % in de eurozone als geheel. Bovendien is de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen in België tamelijk gelijkmatig verdeeld (zie grafiek 3.29).

Over het algemeen zijn de netto financiële activa van de huishoudens zeer positief (ongeveer 220 % van het bbp) en benaderen zij nu het niveau van vóór de crisis. Het recente herstel houdt vooral verband met de stijging van de aandelenkoersen, terwijl het volume-effect minder een rol heeft gespeeld door de lichte heroriëntering van de "huishoudelijke" belegger naar minder risicovolle activa([42]). De netto financiële activa van de Belgische huishoudens bedragen aanzienlijk meer dan de 136 % van het bbp in de gehele eurozone en dan die van de drie belangrijkste handelspartners, waarbij het percentage in Nederland 192 % bedraagt, in Frankrijk 139,4 % en in Duitsland 126,5 %. Deze gunstige positie van de huishoudens kan op lange termijn echter veranderen, met name vanwege lagere besparingen als gevolg van de vergrijzing.

De netto financiële activa zijn iets gelijkmatiger verdeeld dan gemiddeld in de eurozone. Het hoogste inkomenskwintiel bezit 61,2 % van de netto financiële activa ten opzichte van 67,7 % in de gehele eurozone. Bovendien is het aandeel huishoudens met negatieve financiële activa kleiner in België.

Deze meer gelijkmatige verdeling van de financiële activa tussen de inkomensgroepen wordt echter niet volledig bevestigd in de verdeling van het totale nettovermogen. Terwijl 70 % van de Belgische huishoudens eigenaar is van de woning die hun hoofdverblijf is - tegenover 60 % in de eurozone (NL: 57,1 %, FR: 55,3 %, DE: 44,2%) - ligt het aandeel huiseigenaren in het laagste inkomenskwintiel (45 %) in de buurt van het gemiddelde in de eurozone (47 %) (Du Caju, 2013). Anderzijds is het aandeel van de huishoudens met een negatief vermogen kleiner in België (2,7 %) dan in de eurozone (4,8 %) en de drie belangrijkste handelspartners (NL: 11,7 %, DE: 7,4 %, FR: 3,9 %).

Concluderend kan worden gesteld dat, ondanks de aanzienlijke nettoschuldenlast van de overheidssector, de nettoactivapositie van de Belgische economie zeer positief is (+45 % van het bbp) en duidelijk meer bedraagt dan die van de gehele eurozone (-24 % van het bbp), met name dankzij de nettoactiva van de huishoudens, die de nettopassiva van de overheidssector en de niet-financiële vennootschappen ruimschoots compenseren (zie grafiek 3.30).

Het totale belastingniveau - of niveau van de overheidsuitgaven­ - weerspiegelt in grote mate de keuzes die de overheid maakt op het vlak van publieke voorzieningen, zoals de organisatie­ van de sociale zekerheid, het onderwijs en de openbare infrastructuur. Het niveau van de belastingen moet daarom worden beoordeeld in het licht van de publieke dienstverlening. Vergelijkbare niveaus van totale belastingdruk kunnen echter sterk uiteenlopende gevolgen voor de economische ontwikkeling hebben, omdat de mate waarin de druk over verschillende soorten belastingen is gespreid, de belastingplichtigen niet op dezelfde wijze beïnvloedt. In dit verband kunnen de verschillende soorten belastingen in oplopende volgorde van "groeivriendelijkheid" gerangschikt worden, waarbij de mogelijke concurrentieverstorende effecten toenemen naarmate de totale belastingdruk stijgt. Kort samengevat worden de belastingen in België gekenmerkt door een hoog algemeen niveau waarbij de fiscale lasten vooral op arbeid wegen (zie grafiek 4.1), en hoge nominale tarieven in combinatie met smalle belastinggrondslagen als gevolg van aanzienlijke fiscale tegemoetkomingen, met name in de btw en de personenbelasting.

 

De hoge belastingdruk op arbeid is te wijten aan de hoge werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid en de hoge tarieven in de personenbelasting, inclusief voor middelhoge inkomens. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van de loonwig. De hoge belastingdruk op arbeid gaat hand in hand met de tekortkomingen op de arbeidsmarkt die in deel 3.1.4. zijn besproken. Het is in deze context dat de EU de Belgische autoriteiten heeft aanbevolen de suboptimale inrichting van het belastingstelsel aan te pakken door een globale verschuiving van de belastingen ten gunste van arbeid[43]. Aangezien de loonkosten een van de oorzaken zijn van de hierboven beschreven verzwakking van het externe concurrentievermogen, kan zo'n fiscale verschuiving deze onevenwichtigheid helpen herstellen en de lage arbeidsparticipatie, die kenmerkend is voor de Belgische arbeidsmarkt, helpen verhogen. Op zijn beurt zou dit het groeipotentieel van het land ondersteunen, hetgeen aansluit bij de tweede algemene uitdaging, namelijk het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Eventuele begrotingsruimte die in de komende jaren wordt gecreëerd, zal in de eerste plaats moeten worden aangewend om het begrotingstekort naar omlaag te brengen; op de korte termijn betekent dit dat belasting­hervormingen min of meer inkomstenneutraal zullen moeten zijn en stabiele inkomstenstromen zullen moeten garanderen. Daarom is een fiscale verschuiving op dit moment de meest realistische weg om de belasting op arbeid te verlichten.

Ondanks de herhaalde oproep tot een algehele herziening van het belastingstelsel is er tot op heden geen noemenswaardige vooruitgang geboekt[44]. Bij de politieke partijen lijkt niettemin een consensus te groeien over de noodzaak om de belasting op arbeid ingrijpender aan te pakken — hoewel de financiering van de voorstellen die op tafel liggen, nadere uitwerking behoeft — en het ziet ernaar uit dat vooruitgang haalbaar is na de verkiezingen van mei 2014 op federaal en gewestelijk niveau. Met name de overheveling naar de gewesten van bepaalde fiscale bevoegdheden op het gebied van de personenbelasting en doelgerichte sociale­zekerheidsbijdragen in het kader van de zesde staatshervorming (zie kader 3.4) kan perspectieven openen. In deze bijdrage worden in dit verband verschillende opties bekeken.

Herinrichting van het Belgische belastingstelsel

Om de belasting op arbeid te verlagen, kunnen twee benaderingen (of een combinatie daarvan) worden overwogen. De belastingen kunnen upstream worden verlaagd door de sociale­zekerheidsbijdragen van de werkgevers te verminderen, of downstream door de personen­belasting of de socialezekerheidsbijdragen van de werknemers te verminderen[45]. Dit leidt tot een grotere vraag naar arbeid respectievelijk een groter aanbod van arbeid, die beide door hoge belastingen worden gehinderd. Het verlagen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid voor laaggekwalificeerde banen kan de grootste bijdrage leveren aan het creëren van werkgelegenheid volgens Breemersch & Konings (2013), die er ook op wezen dat voldoende flankerende maatregelen (bv. opleidingen) moeten worden genomen om mismatches op te lossen. Simulaties in QUEST leveren vergelijkbare bevindingen op voor doelgerichte verminderingen van de socialezekerheidsbijdragen (EC, 2013).

Welke benadering ook wordt gekozen, er zullen compenserende inkomsten uit alternatieve bronnen moeten worden gevonden om de inkomsten­neutraliteit te garanderen. Om de kosten op arbeid fors terug te dringen, zal een meersporenaanpak vereist zijn[46]. Een efficiëntere inrichting van het belastingstelsel is alleen mogelijk als de compenserende inkomsten afkomstig zijn uit belastinggrondslagen die stabiel zijn over de economische cyclus heen, breed genoeg zijn en economisch minder verstorend werken dan belasting op arbeid. Het is bekend dat de economische verstoringen toenemen volgens het soort belasting: belastingen op onroerend goed en op verbruik (btw, accijnzen, milieu) zijn minder verstorend dan die op inkomsten uit arbeid, die op hun beurt minder verstorend zijn dan die op inkomsten uit onderneming (Arnold, 2008).

Onroerendgoedbelastingen

Er lijkt ruimte te bestaan voor een herstructurering en eventuele verhoging van de belasting op onroerende goederen, die in België grotendeels een gewestbevoegdheid is. Hoewel de totale belasting op onroerend goed al relatief hoog is in vergelijking met andere landen (zie grafiek 4.2), wordt deze vorm van belastingheffing, met name de onroerende voorheffing of de meerwaardebelasting op grond, aangemerkt als een van de minst schadelijke voor de groei vanwege haar relatief onelastische belastinggrondslag (Johannesson Lindén & Gayer, 2012; OESO, 2010). Anderzijds staat zij ook bovenaan de lijst van minst populaire belastingen.

 

Enerzijds zou de onroerende voorheffing verhoogd kunnen worden. Zij is niet alleen een stabiele bron van inkomsten, ook haar verstorende effect is - zoals reeds werd aangegeven - beperkt. De onroerende voorheffing vertegenwoordigt momenteel slechts 40 % van de totale onroerendgoedbelastingen. In dit verband zullen de kadastrale waarden geactualiseerd moeten worden, aangezien deze huurwaardeschattingen (de netto jaarlijkse huurinkomsten uit een gebouw of een perceel grond) de basis vormen voor de onroerende voorheffing in België. Hoewel de Belgische wet voorschrijft dat de huurwaarde om de tien jaar opnieuw moet worden bepaald, is de heffing momenteel gebaseerd op geïndexeerde schattingen van de huurwaarde voor 1975. Hierdoor is de belastinggrondslag sterk ondergewaardeerd: de geschatte huurwaarde bedraagt gemiddeld minder dan de helft van de marktwaarde (Høj, 2009). Bovendien is de relatieve waarde van onroerend goed de afgelopen 40 jaar ingrijpend gewijzigd, zelfs binnen gemeenten, waardoor de heffing in sommige situaties degressief is geworden, onder meer ook doordat bij lage huurwaarden belasting­verminderingen worden toegestaan.

De verouderde huurwaarde is ook het ijkpunt om te bepalen of een goed in aanmerking komt voor lagere registratierechten. De verplichte registratie van huurcontracten voor particuliere woningen sinds 2007 kan voor de autoriteiten een goed aanknopingspunt vormen voor de herschatting van de huurwaarde. Aangezien de opbrengsten van de onroerende voorheffing naar de gewesten vloeien en deze geschatte inkomsten slechts van ondergeschikt belang zijn in de personenbelasting op federaal niveau, zou een regionalisering van de bevoegdheid tot herschatting de gewesten de mogelijkheid bieden om zowel de belastingtarieven als de belastinggrondslag[47] vast te stellen en deze elementen voor de ontwikkeling van een alomvattender huisvestingsbeleid te gebruiken.

Anderzijds kan dit lagere inkomsten uit belastingen op transacties (gewestelijke registratierechten in België) inhouden. Momenteel zijn deze het hoogste van alle EU27-landen, zoals blijkt uit grafiek 4.2. Een verdere verlaging of een veralgemening van de meeneembaarheid van betaalde rechten zoals dat reeds het geval is in Vlaanderen[48], kan de arbeidsmobiliteit stimuleren en zou het gemakkelijker maken om te verhuizen wanneer dat nodig is. Dit kan de goede werking van de vastgoedmarkt verbeteren, wat in de loop van de tijd ook prijscorrecties in bepaalde gebieden en markten in de hand kan werken. Een herziening van de registratiebelastingen zou deel moeten uitmaken van een breder opgezette herziening van de fiscale behandeling van bezit en verwerving van onroerend goed door de gewesten.

Milieubelastingen

Milieubelastingen zijn momenteel onder­ontwikkeld in België[49]. De opbrengsten behoren tot de laagste in de EU. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de lage opbrengsten uit energiebelasting (zie grafiek 4.3). Grens­overschrijdend tanktoerisme kan dit ten dele verklaren, maar er spelen ook andere elementen, namelijk de lagere accijns op diesel dan op benzine in combinatie met het grotere aandeel van dieselauto's, en de lage belastingen op verwarmingsbrandstoffen. De steun aan kwetsbare huishoudens op het gebied van verwarming zou efficiënter kunnen worden georganiseerd door middel van algemene uitkeringen in plaats van door de huidige globale ondersteuning van het energieverbruik­. België indexeert de milieu­belastingen ook niet automatisch[50]. Een aanpassing­ van de accijns aan de inflatie zou voorkomen dat de belastingopbrengsten worden uitgehold en zou het gedragsturende effect van de belasting helpen handhaven.

 

Een ander belangrijk milieuvraagstuk is de voorkeursbehandeling van bedrijfswagens (en tankkaarten) in het belastingstelsel. Ondanks maatregelen om de belastinggrondslag van bedrijfswagens (die op grotere schaal gebruikt worden dan in andere landen) CO2-afhankelijk te maken, wordt het privégebruik van bedrijfswagens­ nog altijd zwaar gesubsidieerd. Dit stimuleert het autobezit, beïnvloedt de rij- en pendelgewoonten en veroorzaakt welvaartskosten voor de samenleving. Ten slotte blijkt uit prognoses van broeikasgasemissies voor 2020 dat België zijn reductiedoelstelling van 15 % met 11 procent­punten zal missen (EC, 2013).

Hoewel dit het pleidooi voor fiscale vergroening ondersteunt en hogere opbrengsten een haalbare kaart lijken dankzij onder andere hogere accijnzen, rekeningrijden of kilometer­heffingen, moeten de verwachtingen toch enigszins worden getemperd. Milieubelastingen zijn immers "Pigouviaans", dat wil zeggen corrigerende verbruiksbelastingen die tot doel hebben externe kosten te internaliseren. Omdat deze belastingen maatschappelijk gewenst gedrag willen stimuleren, kunnen zij een verstikkend effect sorteren op een belastinggrondslag die al relatief smal is — ambities om over te stappen naar een "koolstofarme economie" zouden hetzelfde gevolg hebben. Daardoor kunnen de werkelijke inkomsten op de lange termijn tegenvallen en zullen voor de fiscale verschuiving aanvullende bronnen moeten worden gevonden. Bovendien moeten hogere belastingen op energieverbruik in balans worden gebracht met de noodzaak om het concurrentievermogen van de Belgische industrie, die qua samenstelling redelijk energie-intensief is zoals in deel 3.1.3 is benadrukt, te vrijwaren.

Btw

De efficiency van de btw-inkomsten in België lijkt voor verbetering vatbaar. In 2011 bedroeg de btw-inkomstenratio (de verhouding tussen werkelijke inkomsten en theoretische inkomsten als alle eindverbruik naar het normale btw-tarief werd belast) 47,9 %, vergeleken met een gemiddelde van 49,4 % voor de EU27, 55,6 % voor Duitsland en 55,1 % voor Nederland (EC, 2013). Uit studies blijkt dat deze efficiencykloof niet is toe te schrijven aan hogere btw-ontduiking in België in vergelijking met andere landen (CASE/CPB, 2013), maar een weerspiegeling is van de vrij ruime toepassing van btw-vrijstellingen en verlaagde tarieven. Deze fiscale tegemoetkomingen­ vertegenwoordigden in 2012[51] 2,4 % van het bbp en worden verleend voor een relatief grote groep van producten, wat gevolgen heeft voor bijna 30 % van de belastinggrondslag. Dit wijst erop dat er aanzienlijke ruimte voor efficiencywinsten is.

Het normale btw-tarief is 21 %, hetgeen vergelijkbaar is met de tarieven in de buurlanden. Daarnaast zijn er twee verlaagde tarieven van 6 % en 12 % en een nultarief.

- 0 %: van toepassing op kranten en tijdschriften;

- 6 %: van toepassing op essentiële en maatschappelijk belangrijke goederen en diensten. Dit zorgt voor­ een zekere mate van progressiviteit in de btw gelet op het grotere belang van dergelijke goederen in het totale verbruik van huishoudens met een lager inkomen­. De meeste andere Europese landen hanteren een vergelijkbaar verlaagd tarief voor basisgoederen;

- 12 %: van toepassing op bv. maaltijden in restaurants en sociale huisvesting.

Door het aantal tarieven te beperken en producten in de meest geschikte categorie in te delen zou de inning van de btw er al sterk op vooruitgaan. Een eerste stap in deze richting zou erin bestaan dat wordt bekeken of het verlaagde tarief van 12 % gehandhaafd moet blijven. Een aantal goederen en diensten die momenteel naar dit tarief worden belast (bv. sociale huisvesting), lijken in aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief, maar voor de meeste lijken er onvoldoende argumenten te bestaan om niet het normale tarief toe te passen[52]. Het grootste aandachtspunt is hier het verlaagde btw-tarief voor maaltijden in restaurants, dat pas in 2010 werd ingevoerd en een begrotingskost van 0,1 % van het bbp vertegenwoordigt[53]. Het nultarief voor kranten en tijdschriften zadelt de Belgische overheids­financiën met een vergelijkbare kost op. Tegelijkertijd kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij het essentiële of sociale karakter van bepaalde goederen en diensten die momenteel tegen 6 % worden belast (bv. verse bloemen, tickets voor sport en amusement, originele kunstvoorwerpen, antiquiteiten,...), wat mogelijkheden schept om deze prestaties naar het normale tarief te belasten.

Daarnaast kan ook een verhoging van het normale btw-tarief worden overwogen. De btw is in het verleden een stabiele bron van inkomsten gebleken, die in de periode 2004-11 goed was voor 6,9-7,1 % van het bbp. Een extra voordeel is de brede belastinggrondslag: een lichte verhoging van het normale tarief kan aanzienlijke extra inkomsten opleveren terwijl de consument zijn gedrag waarschijnlijk nauwelijks gaat veranderen. Bij de opstelling van de begroting voor 2013 heeft de Belgische regering al overwogen­ om het normale btw-tarief op te trekken van 21 % naar 22 % (in combinatie met een verlaging van het 6 %-tarief), maar uiteindelijk heeft zij dat niet gedaan. De vrijstellingen voor diensten van deurwaarders, notarissen en advocaten zijn de afgelopen jaren geschrapt, maar het besluit om het huishoudelijke elektriciteitsverbruik naar het verlaagde tarief van 6 % te belasten (zie kader 3.2), druist in tegen het idee van een verschuiving naar verbruiks­belastingen.

Apart bekeken kunnen de maatregelen om de btw efficiënter te maken, de progressiviteit beperken. Belastingen over de toegevoegde waarde kunnen evenwel worden beschouwd als een bot herverdelingsinstrument, omdat verlaagde tarieven niet kunnen worden gericht op lage inkomens door voor dezelfde consumptie een onderscheid te maken tussen lagere en hogere inkomensgroepen[54]. Hoe dan ook, uit billijkheidsoogpunt is het de herverdelingsgraad van het belastingstelsel als geheel die van belang is. Bovendien zou een verhoging van de btw-inkomsten met als doel de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid voor de lage lonen te verlagen[55], het scheppen van werkgelegenheid in dit segment stimuleren en het beschikbare inkomen vergroten.

Een fiscale verschuiving in deze richting zou onmiskenbaar het grootste effect hebben op het externe concurrentievermogen, op voorwaarde dat de resulterende prijseffecten niet (volledig) worden vertaald in een stijging van de lonen. Zoals De Mooij & Keen (2012) aangeven, kan een verschuiving­ naar de btw het herstel van het evenwicht versnellen, maar speelt het effect daarvan hoofdzakelijk op de korte tot de middellange termijn, aangezien het prijseffect over een langere tijdshorizon bekeken zou doorwerken in de lonen. Met name in de Belgische context van automatische loonindexering zou een (gedeeltelijke) neutralisering van een tijdelijke inflatieopstoot waarschijnlijk vereist zijn.

Personenbelasting

De personenbelasting wordt gekenmerkt door hoge marginale aanslagvoeten aangezien de toepasselijke tarieven al aan de onderkant van de loonschaal snel stijgen. Dit ontmoedigt mensen om (meer) te gaan werken en komt tot uiting in de hoge arbeidsmarktobstakels die zijn besproken in deel 3.1.4. Een verruiming van de belasting­schijven zou kunnen worden gefinancierd door een herziening van de talrijke fiscale tegemoetkomingen in de personenbelasting, die de belastinggrondslag uithollen.

Hoewel niet alle fiscale tegemoetkomingen ongegrond­ of inefficiënt zijn, lijkt het toch nodig­ deze­ te rationaliseren omdat België meer en hogere tegemoetkomingen heeft dan zijn buurlanden­. De tegemoetkomingen zijn het afgelopen decennium snel gestegen en vertegenwoordigden in 2012 2,4 % van het bbp. Een beperking van de fiscale tegemoetkomingen verbreedt niet alleen de belastinggrondslagen, maar draagt ook bij aan meer transparantie en billijkheid en minder verstoringen, en heeft een gunstige wisselwerking met de groei zowel op de korte als op de lange termijn (Carnot, 2013), gezien het verstorende effect dat dergelijke tegemoetkomingen vaak sorteren door de verspilling die zij veroorzaken. Hoewel fiscale tegemoetkomingen doorgaans gunstiger zijn voor hogere inkomens, wordt de progressiviteit van de Belgische personenbelasting als geheel er niet fundamenteel door beperkt (Decoster, 2013). Bij een algehele­ herziening zou voor iedere fiscale tegemoetkoming­ kunnen worden nagegaan of zij i) beantwoordt aan beleidsdoelstellingen, ii) effectief helpt deze doelstellingen te bereiken en iii) gerechtvaardigd is in het licht van de budgettaire gevolgen die zij heeft. Het ziet ernaar uit dat een dergelijke herziening hoe dan ook nodig zal zijn omdat verschillende belangrijke belasting­verminderingen een gewestbevoegdheid worden naar aanleiding van de zesde staatshervorming (zie kader 3.4), en des te meer omdat de begrotings­middelen slechts gedeeltelijk worden overgeheveld en de kosten van een aantal van deze verminderingen snel zijn gestegen. Voorbeelden van dure fiscale tegemoetkomingen waarvan een verstorend effect kan worden verwacht, zijn onder meer de aftrek voor hypotheekleningen (0,33 % van het bbp in 2012 in vergelijking met 0,11 % in 2008), individueel pensioensparen (0,14 % van het bbp) en dienstencheques (0,06 % van het bbp), maar er is ook een groot aantal kleinschalige maatregelen die bijdragen aan de complexiteit van de personenbelasting en eventueel opnieuw kunnen worden bekeken.

Een andere manier om de heffingsgrondslag van de personenbelasting te verbreden, is optreden tegen de "vermomming" van persoonlijke inkomsten als bedrijfs­inkomsten door in de personenbelasting progressieve tarieven te hanteren voor de inkomsten van (quasi-)eenmanszaken. Zoals reeds werd aangegeven door Valenduc (2011), heeft het aanzienlijke verschil in marginale belastingtarieven tussen de personenbelasting en de vennootschapsbelasting geleid tot de oprichting van talloze vehikels die, althans volgens hun juridische statuut, ondernemingen zijn maar in werkelijkheid vaak niet streven naar verdere groei en ook weinig of geen werkgelegenheid creëren.

De fiscale globalisering van alle inkomsten van particulieren zou een nog ingrijpender hervorming betekenen. Hierbij zouden alle inkomsten uit arbeid, kapitaal, onroerende goederen, sociale uitkeringen enz. aan een progressief belastingtarief worden onderworpen; dit is voorgesteld door Castanheira et al. (2014) omdat de oorspronkelijke globalisering van de inkomsten geleidelijk is uitgehold door overheidsmaatregelen, met als resultaat dat nu alleen het inkomen uit arbeid progressief wordt belast.

Vennootschapsbelasting

Zoals hierboven al werd aangegeven, worden vennootschapsbelastingen beschouwd als een van de meest schadelijke vormen van belasting voor de groei, en vormen zij dus geen alternatief­ voor de belasting van arbeid. Niettemin zou ook de grondslag van de vennootschapsbelasting kunnen worden verbreed om ruimte te creëren voor een aanzienlijke verlaging van het nominale vennootschaps­belastingtarief. Met 33,99 % behoort dit tot de hoogste in Europa. Dankzij een lange lijst van aftrekposten bedraagt het werkelijke belastingtarief echter slechts iets meer dan 26 %, vergeleken met 34,2 % in Frankrijk, 28,2 % in Duitsland, 27,5 % in Nederland en 24,9 % in Luxemburg (ZEW, 2012).

Een opmerkelijke fiscale tegemoetkoming in de Belgische vennootschapsbelasting is de aftrek voor risicokapitaal of de notionele interestaftrek. Deze is ingevoerd in 2006 om de zelffinancieringscapaciteit van ondernemingen en de aantrekkelijkheid van België voor multinationals te bevorderen na de ontmanteling van de regeling van de coördinatiecentra. De notionele interestaftrek heeft de solvabiliteit van niet-financiële ondernemingen verbeterd, maar het (bruto)begrotingseffect ervan is snel gestegen (van 1,1 % van het bbp in 2008 naar 1,6 % in 2012), terwijl 30 % van de aftrek op het conto komt van ondernemingen die geen werkgelegenheid creëren (Valenduc, 2013). Daarom hebben de Belgische autoriteiten de regeling de afgelopen jaren­ herhaaldelijk gewijzigd. Het toepasselijke rentetarief werd geleidelijk verlaagd (met een verhoging voor kmo's), zodat het meer in overeenstemming is met de markttarieven voor Belgische overheidsobligaties. De mogelijkheid om ongebruikte aftrekken mee te nemen naar het volgende jaar, is sinds 2013 afgeschaft. Ook werd er een minimale vennootschapsbelasting (de zogenaamde fairnesstaks) ingevoerd voor grote ondernemingen die dividenden uitkeren uit winst die onbelast is gebleven dankzij het gebruik van de notionele interestaftrek en/of de voorwaartse verrekening van verliezen. De houdbaarheid van de regeling zou niettemin worden verbeterd als de notionele interestaftrek werd gereserveerd voor nieuwe, geherinvesteerde kapitaalstromen. Ook de specifieke antimisbruikregels zouden kunnen worden herzien om hun doeltreffendheid te garanderen.

Overige belastingen

De belastingen op de meeste financiële inkomsten zijn tijdens de opeenvolgende begrotingsconsolidatieronden van de laatste jaren verhoogd en geharmoniseerd, maar er bestaat nog altijd een reeks vrijstellingen. Een daarvan is de vrijstelling voor spaarrekeningen (0,12 % van het bbp aan inkomstenverlies in 2012), waardoor de belasting op spaartegoeden met 0,2 % van het bbp tot de laagste in de EU behoort. Een andere is de vrijstelling voor de gerealiseerde meerwaarde op financiële activa die worden gehouden door huishoudens. Tot slot zouden de inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen aan particulieren belast kunnen worden op basis van de werkelijke inkomsten in plaats van de kadastrale waarde, gelet op de hierboven besproken problemen met deze heffingsgrondslag[56].

De accijnzen op alcohol en tabak, soms ook "zondebelastingen" genoemd, zijn de afgelopen jaren herhaaldelijk verhoogd. Gelet op de smalle belastinggrondslag, de mogelijkheden tot grensoverschrijdend winkelen en de te verwachten wijzigingen in het consumentengedrag als reactie op verhogingen, lijkt hier minder ruimte te bestaan om extra inkomsten te genereren.

Ten slotte bedroegen de inningskosten in 2011 1,36 EUR per 100 EUR aan belastingen (OESO, 2013). Zij behoren daarmee tot de hoogste in de EU. Als deze relatief hoge kosten worden teruggebracht tot het gemiddelde van de EU27 (namelijk 1,13 EUR), zou dit kunnen helpen om de belasting op arbeid te verlagen.

Conclusie

De omvangrijke fiscale tegemoetkomingen drukken zwaar op de complexiteit, de efficiency en de billijkheid van het Belgische belastingstelsel. Er is dan ook heel wat ruimte om de belastinggrondslagen in de btw en de personenbelasting te verbreden in het kader van een fiscale verschuiving ten gunste van arbeid om het verlies aan concurrentie­vermogen aan te pakken. Een algemene aanpak op basis van grondslag­verbreding biedt het voordeel van een efficiëntere middelenallocatie, wat op termijn weer ten goede zou komen aan het groeipotentieel van de economie. Daarnaast kan worden overwogen om het normale btw-tarief te verhogen, omdat dit aanzienlijke inkomsten zou opleveren terwijl de overloopeffecten beperkt blijven. Andere aandachtspunten die in het kader van een algemene inkomstenneutrale herverdeling van de belasting­druk aan de orde moeten komen, zijn de onroerende voorheffing, onderontwikkelde aspecten van milieu­belasting en bepaalde soorten financiële inkomsten.

Een algehele herinrichting van het Belgische belasting­stelsel kan worden bemoeilijkt door de versnippering van de fiscale bevoegdheden over het federale niveau en gewestelijke entiteiten. Binnen zijn respectieve bevoegdheden zou elk niveau evenwel belangrijke maatregelen­ kunnen nemen en deze op passende wijze kunnen coördineren met het andere niveau. In dit verband kan de zesde staatshervorming een fiscale verschuiving zelfs faciliteren, gezien de verhoging van de gewestelijke opcentiemen in de personenbelasting en de overheveling van een reeks belastingverminderingen, die beide kunnen worden gebruikt voor gerichte verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen, ook een nieuwe gewestbevoegdheid (zie kader 3.4).

De analyse in deel 3 bevestigt dat de Belgische economie op het gebied van concurrentie­vermogen en overheidsschuld met belangrijke macro-economische uitdagingen wordt geconfronteerd. Deze uitdagingen zijn al in kaart gebracht in eerdere diepgaande evaluaties die zijn verricht in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden en de desbetreffende beleidsmaatregelen zijn opgenomen in de land­specifieke aanbevelingen die de Raad in juli 2013 heeft goedgekeurd. De vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen zal worden beoordeeld bij de evaluatie van het nationaal hervormingsprogramma en het stabiliteitsprogramma in het kader van het Europees semester. Tegen deze achtergrond worden in dit deel verschillende opties onderzocht die in overweging kunnen worden genomen om de hierboven genoemde uitdagingen aan te pakken.

Extern concurrentievermogen

Ten aanzien van de eerste algemene uitdaging - het externe concurrentievermogen - moeten meerdere opties worden onderscheiden, gelet op de verschillende aspecten die bij de vastgestelde achteruitgang een rol hebben gespeeld.

Om de sterk geconcentreerde exportsector in staat te stellen zich te diversifiëren en te profiteren van sneller groeiende markten, kunnen de autoriteiten ernaar streven om de voorwaarden­ voor industriële ondernemingen die willen uitvoeren of hun exportactiviteiten willen uitbreiden, verder te verbeteren. Bij de talrijke Belgische kmo's lijkt nog heel wat ruimte te bestaan om actiever te worden op het gebied van export. Ook de grote regionale verschillen in grens­overschrijdende handel laten veronderstellen dat hier beter kan worden gescoord. Gewoonlijk zijn de belangrijkste obstakels voor bedrijven die over de grens actief willen worden, de toegang tot (langetermijn)financiering en het inherente risico van wanbetaling. Ondernemingen kunnen vaak onvoldoende middelen aanboren om hun uitbreiding met particulier kapitaal te financieren, terwijl er tegelijkertijd recordbedragen op Belgische spaarrekeningen ongebruikt blijven staan. Beleidsmakers zouden kunnen bekijken hoe dit slapende kapitaal kan worden gemobiliseerd om productiever te worden ingezet. Door bedrijven te helpen activiteiten te ontplooien buiten de kleine binnenlandse markt, wordt ook hun natuurlijke groei ondersteund, waardoor zij op hun beurt meer banen kunnen creëren.

Marktdiversificatie kan ook worden bewerkstelligd door de in België voorgebrachte productmix te wijzigen. Uit de analyses van de opeenvolgende diepgaande evaluaties is duidelijk geworden dat de uitvoer gericht is op het intermediaire niveau in termen van toegevoegde waarde. Als België een evenwicht wil vinden tussen de hoge loonkosten enerzijds en het scheppen van duurzame werkgelegenheid en het behoud van een hoge levensstandaard anderzijds, zal het zich moeten heroriënteren op producten met een hogere technologische inhoud dan momenteel het geval is. In de diepgaande evaluatie van vorig jaar zijn al een aantal mogelijkheden om de innovatiekracht van de Belgische economie te stimuleren, uiteengezet. Een eerste daarvan is een versterking van de ondersteuning van clusters. Gezien het belang van kmo's voor de Belgische economie en het feit dat zij op het gebied van de export in het algemeen ondervertegenwoordigd zijn, kan het samenbrengen van compatibele kmo's in gespecialiseerde clusters de achteruitgang bij de traditionele massaproductie ondervangen. De nodige voorwaarden scheppen om innovatieve ondernemingen in staat te stellen uit te breiden, blijft een andere algemene uitdaging. De financiële prikkels die de Belgische autoriteiten hebben gecreëerd (bv. de fiscale prikkel in de loonbelasting om de personeelskosten voor O&O te verminderen en het belastingkrediet om de kosten van O&O-investeringen te verlagen) zijn lovenswaardige initiatieven om innovatieve bedrijven te helpen groeien en België de doelstelling van 3,0 % van het bbp voor O&O-uitgaven tegen 2020 te helpen bereiken. De procedure om subsidies aan te vragen­, wordt echter nog altijd als complex en tijdrovend ervaren, en de beschikbare steun is zeer gefragmenteerd. Om ervoor te zorgen dat onderzoek dat in België wordt verricht, zich vertaalt in feitelijke product­ontwikkeling in het land, kan ook aandacht worden besteed aan de belasting op arbeid, omdat het hoge niveau daarvan productieactiviteiten ontmoedigt. Behalve financiële initiatieven zouden een verdere administratieve modernisering­ en vereenvoudiging kunnen worden nagestreefd door bijvoorbeeld een grotere verspreiding van ICT-oplossingen, rekening houdende met het feit dat administratieve lasten relatief zwaarder wegen op kleinere dan op grotere bedrijven.

Wat de uitholling van het concurrentie­vermogen betreft, speelt de relatieve dynamiek van op productiviteit afgestemde lonen een belangrijke rol. In dit verband is de loonvorming een aspect ten aanzien waarvan de Belgische autoriteiten ambitieuzer zouden kunnen optreden om het relatieve kosten­concurrentievermogen van het land te herstellen en een verdere verslechtering­ van de industriële basis te voorkomen.

Een eerste element dat in aanmerking moet worden genomen, is de wet van 1996 en de daarin vastgestelde loonnorm. Aangezien vruchteloos is gepoogd om de wet doeltreffender te maken, zou de volgende regering zich opnieuw over deze problematiek kunnen buigen. Tot dusver is het politieke debat over de mogelijke hervormingen gericht geweest op de methode voor de vaststelling van de norm, de juridische status van de norm, de automatische correctie­mechanismen in het huidige wettelijke kader en de rol van de regering in het hele proces. Overleg over een rechtstreekse koppeling tussen de marges voor loonstijgingen en de ontwikkelingen in de productiviteit staat blijkbaar niet op de agenda, hoewel het feit dat beide aspecten van elkaar losgekoppeld blijven, een bedreiging voor de werk­gelegenheid vormt.

Door de procedure van de loon­onderhandelingen meer te decentraliseren, zou de werking en het aanpassings­vermogen van de Belgische economie in het algemeen worden verbeterd. De vaststelling van een nationale loonnorm gaat voorbij aan belangrijke verschillen tussen sectoren. Als de lonen volledig zouden worden bepaald op een lager - namelijk sectoraal - niveau, zouden bedrijven hun loonbeleid beter kunnen afstemmen op hun prestaties. Een sterkere sectorale differentiatie zou ook de mogelijkheid bieden om de allocatie van arbeid geleidelijk te verschuiven van afnemende activiteiten naar dynamischere sectoren en om verstoringen te voorkomen. 

Zelfs als de wet van 1996 wordt hervormd, kan als gevolg van de loon­indexering niet worden uitgesloten dat de loonkloof opnieuw toeneemt. De wijdverbreide praktijk waarbij de lonen op een of andere wijze automatisch worden geïndexeerd, heeft een grote symboolwaarde, zowel bij voor- als tegenstanders. Voor­stellen om dit typisch Belgische mechanisme te hervormen, waar­onder herhaalde oproepen in die zin door Europese instellingen, stuitten op sterke weerstand bij een aantal actoren en worden gezien als een ontmanteling van de Belgische welvaartsstaat. Het tastbare voordeel van snelle koopkracht­correcties op de korte termijn wordt echter tenietgedaan door het risico van een sluipende uitholling van de werkgelegenheid op de lange termijn, met onvoldoende flexibiliteit in tijden van economische tegenspoed waardoor het concurrentievermogen wordt aangetast. 

Sommige her­vormingen zouden belangrijke voordelen opleveren en de houdbaarheid van het mechanisme verbeteren wat de werk­gelegenheid betreft. De indexering zou bijvoorbeeld beperkt kunnen worden tot een bepaald loonniveau (d.w.z. een indexering van de lonen in nominale termen in plaats van de huidige, regressieve proportionele aanpassing). Dit zou zowel de effectieve koop­kracht garanderen als de ont­wikkeling van de lonen beter afstemmen op de economische werkelijkheid. Een andere optie om de volledige marge te benutten en toch het kosten­concurrentie­vermogen strikter te bewaken, zou erin bestaan dat de werkgevers een deel van de indexstijging mogen gebruiken voor niet-looncompensatie zoals pensioenplannen of investeringen in menselijk kapitaal. Ook het sluiten van all-inovereenkomsten blijft een haalbare oplossing.

Gelet op de praktijk van automatische loon­indexering spelen binnenlandse prijs­ontwikkelingen een belangrijke rol in nominale loonstijgingen. De opmerkelijke inspanningen die de Belgische autoriteiten hebben geleverd om de werking van de product­markten te verbeteren, met name op het gebied van energie en telecommunicatie, lijken vrucht af te werpen, zoals blijkt uit de ontwikkeling van de prijzen. In dit verband is het zaak verder toezicht uit te oefenen om te vermijden dat de behaalde winst tenietgaat, met name rekening houdende met het feit dat non-commodity prijscomponenten (bv. energie­distributiekosten) in het verleden snel zijn gestegen. Het blijft daarom essentieel dat wordt gewaarborgd dat alle netwerktarieven de werkelijke kosten weerspiegelen en op stimulansen gebaseerd zijn. Een andere doelstelling kan erin bestaan dat ook aandacht wordt besteed aan het functioneren van de dienstensectoren.

In plaats van de huidige aanpak waarbij de para­fiscale druk op arbeid met telkens kleine ingrepen wordt verlaagd, zou een algehele herinrichting van het Belgische belasting­stelsel kunnen worden overwogen. De groei van de werkgelegenheid zou worden ondersteund door een bredere aanpak met lagere belasting op arbeid ten opzichte van de nadruk die thans ligt op loonkostbeperkende maatregelen voor een beperkt aantal werknemers in vaak niet-uitwisselbare sectoren zoals de cateringsector. Met een algehele herinrichting van het stelsel zou de belastingdruk kunnen verschuiven van arbeid naar andere bronnen van inkomsten, zowel op federaal als op gewestelijk niveau. Hoewel er een brede consensus is gegroeid over de noodzaak van een dergelijke bijsturing, is er nog geen effectieve actie ondernomen. Boven­dien bestaat er meer onenigheid over de vraag hoe inkomsten moeten worden gecompenseerd. In de btw en de personenbelasting bestaat er veel ruimte voor een verbreding van de grondslag. Daarnaast kan worden overwogen om het normale btw-tarief te verhogen, omdat dit aanzienlijke inkomsten zou opleveren terwijl de overloopeffecten beperkt blijven. Andere aandachtspunten die in het kader van een algehele herverdeling van de belastingdruk aan de orde moeten komen, zijn de onroerende voor­heffing, onderontwikkelde aspecten van milieubelasting (inclusief de behandeling van bedrijfswagens) en de belasting van bepaalde soorten financiële inkomsten. Punten waarmee rekening moet worden gehouden, zijn de verdelings­effecten waartoe een herinrichting van het belastingstelsel kan leiden, en de wijze waarop de progressiviteit van het stelsel als geheel kan worden gewaarborgd.

Om het groeipotentieel van de economie te stimuleren, zal het van cruciaal belang zijn om de arbeidsparticipatiegraad van onder­vertegenwoordigde groepen te verhogen. Hoewel de regering de afgelopen jaren maatregelen heeft genomen om het werken te stimuleren en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen, is het succes daarvan vooralsnog onduidelijk. Aanhoudend grote mismatches tussen vraag en aanbod laten veronderstellen dat het actieve arbeidsmarktbeleid niet aanslaat. In dit verband is het van cruciaal belang het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds uitkeringen die in de tijd evolueren, en passende eisen aan werkzoekenden, en anderzijds effectieve hulp bij het zoeken naar werk en opleidingsmogelijkheden. Daarnaast kan met de hierboven besproken fiscale herinrichting worden gestreefd naar een verlaging van de obstakels om (meer) te gaan werken, ook voor tweedeverdieners. Om deze laatste groep te ondersteunen bij de opstap naar werk, kan ook worden overwogen om de huidige kinderbijslag, die gebaseerd is op uitkeringen, te vervangen door een systeem dat gebaseerd is op diensten.

Wat opleidingen en hulp bij het zoeken naar werk betreft, zullen inspanningen moeten worden geleverd om het systeem minder complex te maken en te voorzien in een grotere capaciteit bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) om effectieve hulp te kunnen bieden. De laatste staatshervorming zal de gewesten de hefbomen bieden om de starheid van de regionale arbeidsmarkten doelgerichter aan te pakken, bijvoorbeeld door werkoriënterings-, bijscholings- en activerings­beleid. Daarom moet erop worden toegezien dat de ODA's over voldoende werk­middelen beschikken. Tot slot kunnen er meer concrete stappen worden ondernomen om STEM-studies te stimuleren en de spanningen op de arbeidsmarkt te verlichten.

Overheidsschuld

De hoge overheidsschuld en de mogelijke gevolgen ervan voor de reële economie vormen nog steeds een van de belangrijkste uitdagingen voor België. Schuldvermindering zou niet alleen de met de staatsschuld samenhangende risico's beperken, maar de autoriteiten ook meer speelruimte geven om een begrotingsbeleid te voeren dat gericht is op een verbetering van het concurrentie­vermogen van het land, én meer ruimte om het hoofd te bieden aan onverwachte ontwikkelingen in andere economische sectoren zoals de financiële markten. Tot dusver waren strategieën om het niveau van de overheidsschuld te verminderen, deels gebaseerd op de verkoop van activa.

Een verdere vermindering van het tekort zelf, in overeenstemming met de verbintenis van het land om zijn middellangetermijndoel in 2016 te bereiken, zal evenwel noodzakelijk blijven om de schuldquote op een duurzaam neerwaarts traject te brengen. Het tekort is naar schatting teruggedrongen tot onder de drempel van 3 % van het bbp overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact[57], maar er moet in de komende jaren nog altijd een grote begrotingsinspanning (3 % van het bbp) worden geleverd om de overeengekomen doelen te bereiken. Door de hoge totale belastingdruk en de hierboven beschreven uitdaging voor het concurrentievermogen beschikt België slechts over weinig ruimte om het tekort en de schuld te verminderen door een algemene belastingverhoging. Om die reden zal de tekortreductie voornamelijk gerealiseerd moeten worden door een uitgavenbeperking.

De Belgische staats­structuur is de afgelopen decennia geleidelijk gedecentraliseerd, maar de historisch opgebouwde overheidsschuld is grotendeels op het federale niveau blijven hangen. Met de recente staats­hervorming worden opnieuw uitgaven- en fiscale bevoegdheden overgedragen aan de gemeenschappen en gewesten. In dit verband zijn duidelijke en transparante begrotingsafspraken geboden. De zesde staatshervorming omvat een herziening van de Bijzondere Financieringswet, die zorgt voor een nieuw evenwicht in de financiële stromen tussen het federale en sub­federale niveau. Een recente samenwerkingsovereenkomst tot uitvoering van het Europese "begrotingspact" bevat een aantal mechanismen voor begrotingscoördinatie. De consolidatie­strategie kan evenwel pas succes­vol zijn als alle lagen van de overheid inzetten op een strikte uitvoering en een evenwichtige bijdrage leveren.

Ook de impliciete schuld in samenhang met de vergrijzing zal met verdere pensioen­hervormingen moeten worden aangepakt om te voorkomen dat het schuldniveau op de middellange termijn opnieuw stijgt. Maatregelen ter versterking van het groeipotentieel van de economie zouden ook bijdragen aan de houdbaarheid van de overheids­financiën.

De toekomstige consolidatiebehoeften, tot slot, beperken weliswaar de ruimte voor algehele belastingverlagingen, maar zij staan niet in de weg aan een inkomstenneutrale fiscale verschuiving (zie hoger). Een fiscale verschuiving ten gunste van arbeid kan de groei en werkgelegenheid bevorderen en op die manier zelfs het tekort en de schuld helpen verminderen. Een belastingheffing van spaartegoeden die minder onderscheid maakt tussen de verschillende soorten financiële producten, kan ook leiden tot een diversificatie van de kanalen waarlangs de omvangrijke financiële activa van de Belgische huishoudens aan de reële economie ter beschikking worden gesteld. Deze maatregel zou geleidelijk moeten worden uitgevoerd om verstoringen voor de financiële instellingen en het financiële systeem zoveel mogelijk te beperken.

Arnold, J., 'Do Tax Structures Affect Aggregate Economic Growth? Empirical Evidence from a Panel of OECD Countries', OECD Economics Department Working Papers, No. 643, OECD Publishing, 2008.

Agentschap van de Schuld, 'Financieringsbehoeften en financieringsplan', 10 december 2013.

Agentschap van de Schuld, 'Review 2013, 2014 Outlook', januari 2014.

Belgische regering, 'Het Stabiliteitsprogramma van België', april 2013.

Belgische regering, 'Verslag over de uitvoering van de begroting 2013 in antwoord op de beslissing van de Raad 2013/370', december 2013.

Bodart, V., Hindriks, J., 'Les inégalités d'inflation selon l'âge et le revenu', Regards économiques 102, IRES, 2013.

Bodart, V., Shadman, F., 'Indexation et compétitivité en Belgique', Regards économiques 107, IRES, 2013.

Bogaert, H., Robette, F., 'Effets d'un choc pétrolier sur la structure des revenues en présence du mécanisme belge d'indexation', 20e congres van Belgische Franstalige economen, CIFoP, 2013.

Breemersch K., Konings J., 'De terugverdieneffecten van een lastenverlaging op arbeid', Vives/KU Leuven, 2013.

Bruggeman, A., Van Nieuwenhuyze, Ch., 'Omvang en dynamiek van de schuldposities in België en in het eurogebied', NBB, 2013.

Carnot, N., 'The composition of fiscal adjustments: some principles', ECFIN Economic Brief, Europese Commissie, 2013.

CASE/CPB voor DG TAXUD, 'Study to quantify and analyse the VAT Gap in the EU-27 Member States, Final Report', Europese Commissie, 2013.

Castanheira, M., Colmant, B., de Callataÿ, E., de Streel, A., Pestieau, P., de Laminne, I. (red.), 'Pis­tes et éclairages économiques, Vers de nouvelles orientations structurelles pour la Belgique', 2014.

Onderzoeksforum van het Cedefop (Cedra), 'Skill mismatch - Identifying priorities for future research', Cedefop werkdocument nr. 3, 2009.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, 'Documentatienota: De inkomenssituatie van werklozen, DEEL I: Vergelijking van werkloosheidsstelsels in België en de buurlanden', 2013.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, 'Technisch verslag van het secretariaat over de maximale beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling', 2013.

Cherenti, R., 'Les pièges à l'emploi', Federatie van OCMW's, 2012.

'Aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma 2013 van België en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van België voor de periode 2012-2016', 2013.

Decoster A., Spiritus, K., 'Wie draagt de last van een btw-verhoging?' Flemosi, 2012.

Decoster, A., 'Vrijdenken over een belasting­hervorming', De Gids, 2013.

Du Caju, P., 'Structuur en verdeling van het gezinsvermogen : een analyse op basis van de HFCS', Economisch Tijdschrift, september 2013, NBB.

Dumont, M., 'The impact of subsidies and fiscal incentives on corporate R&D expenditures in Belgium (2001-2009)', Federaal Planbureau, Working Paper 1-13, 2013.

Duprez, C., Dresse, L., 'De Belgische economie in de mondiale ketens van de toegevoegde waarde', Economisch Tijdschrift, september 2013, NBB.

ECB, 'Going Beyond Labour Costs', Compnet Policy Brief 01/2013, 2013.

Europese Commissie, 'Beoordeling van het nationale hervormingsprogramma 2013 en het stabiliteitsprogramma voor België', werkdocument van de diensten van de Commissie, 2013

Europese Commissie, 'Benchmarking Unemploy­ment benefit Systems', DG ECFIN, 2012.

Europese Commissie, 'Employment and Social Developments in Europe 2013', DG EMPL, 2014.

Europese Commissie, 'Energy Economic Developments in Europe', DG ECFIN, 2014.

Europese Commissie, 'Fiscal Sustainability Report', DG ECFIN, 2012.

Europese Commissie, 'Diepgaande evaluatie van België', DG ECFIN, 2013.

Europese Commissie, 'Labour market developments in Europe', DG ECFIN, 2013.

Europese Commissie, 'Tax reforms in EU Member States 2012 - Tax policy challenges for economic growth and fiscal sustainability', 2012.

Europese Commissie, 'Tax reforms in EU Member States 2013 - Tax policy challenges for economic growth and fiscal sustainability', 2013.

Europese Commissie, 'Winter 2014 European Economic Forecast', DG ECFIN, 2014.

Eurostat, 'Arbeidskrachtenenquête', 2012.

Geens, K., 'Uitvoering begroting 2013', Presentatie 30 januari 2014.

Goos, M., Hathaway, I., Konings, J., Vandeweyer, M., 'Hightech tewerkstelling in de Europese Unie', Vives/KU Leuven, 2013.

Expertengroep "Concurrentievermogen en Werkgelegenheid", 'Analyse van de twee hervormings­voorstellen: verlaging van de btw op elektriciteit en verlaging van de loonlasten in de specifieke zones', Expertengroep "Concurrentievermogen en Werkgelegenheid" (EGCW), 2013.

Expertengroep "Concurrentievermogen en Werkgelegenheid", 'Arbeidskosten, loonsubsidies, arbeidsproductiviteit en opleidingsinspanningen van ondernemingen', Expertengroep "Concurrentievermogen en Werkgelegenheid" (EGCW), 2013.

Hoge Raad van Financiën, 'Het belastingsbeleid en het leefmilieu', 2009.

Høj, J., 'How to reform the Belgian Tax System to Enhance Economic Growth', OECD Working papers No. 741, 2009.

'Inventaris 2012 van de vrijstellingen, aftrekken en verminderingen die de ontvangsten van de staat beïnvloeden', bijlage bij de ontwerpbegroting 2014, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2013.

Johannesson Lindén, A., Gayer, C., 'Possible reforms of real estate taxation: criteria for successful policies', European Economy Occasional Papers, No. 114, Europese Commissie, 2012.

Keen, M., de Mooij, R., 'Fiscal devaluation as a cure for Eurozone ills – could it work?', bijdrage voor www.vox.eu, 2012.

LIME Working Group, 'Assessment of house price dynamics', 2013.

Nationale Bank van België, 'Jaarverslag 2012', 2013.

OESO, 'Detailed description of employment protection legislation, 2012-2013', EPL-databank OESO, update 2013.

OESO, 'International Migration Outlook 2013', 2013.

OESO, 'OECD Employment Outlook 2013', 2013.

OESO, 'Tax Policy Reform and Economic Growth', 2010.

OESO, 'Enhancing the inclusiveness of the labour market in Belgium', 2013.

Valenduc, C., 'Politique fiscale et réformes structurelles, Reflets et perspectives de la vie économique', 2011/3, Tome L, pp. 149-163, De Boeck Supérieur, 2011.

Valenduc, C., 'Réformes fiscales, soutenabilité budgétaire et croissance équitable', 20e congres van Belgische Franstalige economen, CIFoP, 2013.

van Ewijk, C., Lukkezen, J., Rojas-Romagosa, H., 'An early-warning indicator for debt sustainability', bijdrage voor www.vox.eu, 2013.

Vandekerckhove, S., Struyven, L., Heylen, V, 'Heeft tewerkstelling in de industrie nog toekomst? Over de arbeidsmarktdynamiek van een noodlijdende sector', Over.Werk 2/2013, Steunpunt WSE, 2013.

ZEW, 'Effective tax levels using the Devereux/Griffith methodology', project voor de Europese Commissie, TAXUD/2008/CC/099 2012. Situatie op 1.7.2012.

Zimmer, H., 'Mismatches op de arbeidsmarkt', Economisch Tijdschrift, september 2012, NBB.

([1])  Volgens de voor de nationale rekeningen (NR) toegepaste benadering was de lopende rekening de voorbije jaren bijna in evenwicht. Alhoewel de lopende rekening volgens de NR in de periode 2002-2012 gemiddeld 1,6 procentpunten positiever was dan de lopende rekening in de BB-benadering, geeft ook zij op langere termijn een dalende trend te zien.

([2])  In 2000 ging 16,9% van de intermediaire goederen naar DE, in 2006 18,7% en in 2012 18,9%.

([3])  In 2011 had 12,7% van de bevolking in de categorie 20-29 jaar een tertiaire graad in wetenschappen en technologie, tegenover een EU-gemiddelde van 15,2%. Bovendien is België een van de enige landen waar dit aandeel ten opzichte van 2007, toen het nog 14% bedroeg, verminderd is.

([4])  Op basis van OESO-/WTO-handelsgegevens volgens de toegevoegde waarde. Het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, is 2009.

([5])  Deze REER-meting maakt gebruik van de nominale effectieve wisselkoers ten opzichte van een groep van 36 landen die in 2012 80% van de Belgische uitvoer uitmaakten. DE, FR en NL zijn goed voor 45% van de Belgische uitvoer en worden vaak gebruikt als toetssteen voor de algemene ontwikkelingen.

([6])  De gezondheidsindex verschilt van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) doordat geen rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de prijzen van alcoholische dranken, tabaksproducten en motorbrandstoffen.

([7])  Zie vorige diepgaande evaluaties voor een uitvoerigere behandeling. Volgens het jongste Technisch Verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (december 2013) bedroeg de uurloonkloof eind 2012 4,8% en wordt voor eind 2014 uitgegaan van een vermindering tot 3,8%.

([8])  Bij kapitaalverdieping, de toename van de ingezette kapitaalgoederen per gewerkt uur, is er sprake van toenemende activiteit bij een stijgende productiviteit per werknemer.

([9])  In verband met de beschikbaarheid zijn de gebruikte gegevens de bruto-investeringen in vaste activa in de privésector en de gewerkte uren voor de economie als geheel. Ook als voor België wordt gebruikgemaakt van de gewerkte uren in de privésector blijft de trend zoals vastgesteld.

([10]) Een aantal aanpassingen werd reeds op 1 januari 2013 doorgevoerd (zie beoordeling van het NHP 2013 en het SP 2013 voor België). Een tweede reeks is van toepassing sinds 1 januari 2014 en heeft betrekking op de samenstelling van het goederenmandje, de berekeningswijze van de prijs van sommige producten en de berekeningswijze van de index als zodanig. Wat deze laatste betreft, wordt in de nationale inflatieberekeningen rekening gehouden met het gewicht van bepaalde ketens, zodat veranderingen in het consumentengedrag zich in de toekomst sneller zullen weerspiegelen in de gezondheidsindex.

([11]) Correlatie tussen de algemene HICP en de energieprijsinflatie in BE (2000-13): 0,89, tegenover 0,73 voor de EZ, 0,66 voor DE, 0,72 voor FR en 0,34 voor NL.

([12]) De impact van de opeenvolgende verlagingen van de werkgeversbijdragen op de socialezekerheidsbegroting zal worden gecompenseerd door grotere transfers uit de algemene begroting ("alternatieve financiering"), en is dus globaal bezien niet gefinancierd.

([13]) Dit deel steunt voor een groot deel op Energy Economic Developments in Europe, Europese Commissie, DG ECFIN, 2014.

([14]) De RUEC-ramingen voor 2013 worden als volgt verkregen: per land worden eerst twee ramingen gemaakt door middel van logaritmische extrapolatie van de ontwikkeling in respectievelijk de perioden 1995-2011 en 2007-11. De vermelde raming is het gemiddelde van de twee initiële ramingen.

([15]) Van 31,4% voor laaggeschoolde burgers van derde landen tot 82,7% voor hooggeschoolde Belgische ingezetenen (AKE, 2012, 20-64 jarigen).

([16]) Er is sprake van "verticale" mismatch wanneer de werknemer meer resp. minder gekwalificeerd is dan voor een job is vereist. "Horizontale" mismatch doet zich voor wanneer werknemers het geschikte kwalificatieniveau hebben, maar andere vaardigheden dan voor de job die zij bekleden vereist is (Cedefop, 2009).

([17]) De "werkbonus" bestaat uit een verlaging van de socialezekerheidsbijdragen van de werknemers en een personenbelastingkrediet voor de laagste lonen. Beide onderdelen zijn in verschillende fasen opgetrokken in januari en april 2013 en januari 2014.

([18]) De meest recente hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen (zie hierna voor nadere bijzonderheden) is in twee fasen in werking getreden:  sinds 1 januari 2012 geldt de gewijzigde regeling voor de "inschakelingsvergoeding" en sinds 1 november 2012 de nieuwe regeling voor de werkloosheidsuitkeringen. De meest recente OESO-gegevens houden bijgevolg nog niet volledig rekening met deze hervormingen. 

([19]) OESO "Tax and Benefits" database. 

([20]) Behalve voor een alleenstaande, die in België beter beschermd is dan in Duitsland tot 120% van het gemiddelde loon.

([21]) 474,4 EUR voor een samenwonende; 711,6 EUR voor een alleenstaande; 948,7 EUR voor kind ten laste. 

([22]) Meer bepaald gelden uitzonderingen voor de volgende categorieën: werklozen die minstens 20 jaar gewerkt hebben (23 jaar vanaf 1 januari 2014); werklozen met kinderen; alleenstaande werklozen vanaf 55 jaar; en werklozen die minstens 33% arbeidsongeschikt zijn.

([23]) Deze periode kan in sommige gevallen worden verlengd met ten hoogste zes maanden.

([24]) Zie „Employment and social developments in Europe 2013”, (2014).

([25]) OESO "Tax and Benefits" database.

([26]) De Beveridge-curve geeft de verhouding weer tussen de totale werkloosheid en de vacaturegraad.

([27]) Volgens de LMP-database van Eurostat spendeert België 3,7% van het bbp aan alle arbeidsmarktcategorieën – alleen Denemarken en Spanje geven meer uit –  waarvan 1,38% aan actieve maatregelen (categorieën 2-7: activeringsmaatregelen voor werklozen en andere doelgroepen, bestaande uit de categorieën opleiding, functiewisseling en duobanen, werkgelegenheidsprikkels, integratie van gehandicapten, creëren van banen en financiële prikkels om een eigen onderneming te starten).

([28]) Naast de reeds in de wet vastgelegde verhogingen van de werkbonus, zijn in het kader van het zogeheten Competitiviteitspact ook toekomstige verhogingen goedgekeurd. Meer in het bijzonder heeft de federale regering besloten om de fiscale dimensie van de werkbonus met telkens 50 miljoen EUR te versterken in 2015, 2017 en 2019.

([29]) Deze raming is in grote lijnen vergelijkbaar met de meest recente officiële raming van de nationale autoriteiten (Geens, 2014).

([30]) Stabiliteitsprogramma van België voor 2013.

([31]) Dit blijkt ook uit een CPB-paper door Van Ewijk e.a. (2013), die gebaseerd is op een "risico"-indicator waarbij rekening wordt gehouden met vroegere beleidsreacties. Volgens dit document is de "risico"-indicator voor België een van de laagste van de steekproef.

([32]) De federale overheidsschuld vertegenwoordigt 90 % van de algemene overheidsschuld.

([33]) Het aandeel van de uitstaande schuld dat binnen een bepaalde periode vervalt of wijzigingen in de rentetarieven zal kennen (wegens een variabele rentevoet).

([34]) Interne prognoses van DG ECFIN.

([35]) Deze prognoses vertrekken van de najaarsprognoses van de Europese Commissie van 2013, waarbij de veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, wordt omgezet in een structureel primair saldo dat constant wordt gehouden (exclusief de kosten van de vergrijzing) tot het laatste prognosejaar (2015). In het basisscenario wordt van de volgende macro-economische langetermijn­veronder­stellingen uitgegaan: er wordt aangenomen dat de potentiële bbp-groei tot 1,6 % zal toenemen, dat de inflatie en de wijziging van de bbp-deflator zich op middellange termijn op 2 % zullen stabiliseren, en dat de langetermijnrente tot 5,1 % en de kortetermijnrente tot 4,2 % zullen stijgen (zie ook Europese Commissie, 2012).

([36]) De MTD van België is vastgesteld op een structureel overschot op de overheidsbegroting van 0,75 % van het bbp.

([37]) Met uitzondering van de nieuwe bevoegdheden die aan de gewesten werden overgedragen, zoals werk en fiscale uitgaven, die gefinancierd worden met nieuwe dotaties op basis van federale inkomsten uit de personenbelasting.

([38]) Bron: BTP-rapportage door België van december 2013 en stabiliteitsprogramma van België voor 2013.

([39]) D.w.z. het gecombineerde maximum van alle aan financiële instellingen verstrekte waarborgen.

([40]) Een statistische breuk (in 2013) verklaart een deel van de sterke stijging in 2008.

([41]) Voor een gedetailleerde toelichting, zie de diepgaande evaluatie over België van 2013.

([42]) Op basis van gegevens van de Nationale Bank van België (Belgostat).

([43]) "Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden voorstellen uit te werken om een verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen te bewerkstelligen, met name door de mogelijkheden te onderzoeken die worden geboden door milieubelastingen (bijvoorbeeld op diesel en stookolie) en door de belastingheffing op het particuliere gebruik van bedrijfswagens." Aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma van België voor 2013, 2013.

([44]) Een parlementaire commissie heeft een reflectie over mogelijke belastinghervormingen verricht en daarover een verslag gepresenteerd in februari 2014. Daarin wordt de problematiek vanuit een brede invals­hoek belicht, maar er worden geen specifieke aanbevelingen gedaan voor mogelijke maatregelen die een toekomstige regering kan nemen.

([45]) Dit is de benadering die België heeft gekozen met de "werkbonus" voor lage lonen.

([46]) De totale loonkosten in de particuliere sector bedragen ongeveer 200 miljard EUR: een vermindering met 1% vereist dus 2 miljard EUR (0,5% van het bbp) aan compenserende inkomsten.

([47]) De gewesten stellen het basistarief van de onroerende voorheffing vast, terwijl de provincies en gemeenten een toeslag daarop (opcentiemen) heffen. Sinds de regionalisering van de onroerende voorheffing in 2002 kunnen de gewesten besluiten om een andere heffingsgrondslag te gebruiken. Zij zijn evenwel niet bevoegd om de bestaande heffingsgrondslag te herschatten.

([48]) Dit zou nog steeds suboptimaal zijn omdat de meeneembaarheid waarschijnlijk alleen zou gelden binnen de individuele gewesten.

([49]) De Hoge Raad van Financiën (2009) heeft verschillende aspecten van milieubelasting geanalyseerd en in dat verband beleidsadviezen verstrekt.

([50]) Bovendien zijn energieproducten uitgesloten van de accijnsverhoging met 8 % die sinds 1 augustus 2013 van toepassing is.

([51]) Zie de Inventaris 2012 van de vrijstellingen, aftrekken en verminderingen die de ontvangsten van de staat beïnvloeden, bijlage bij de ontwerpbegroting 2014, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2013.

([52]) Naast het verlaagde tarief van 12 % bestaat er ook een zogenaamd "parkeertarief" van 12 %, dat van toepassing is op producten zoals cokes, kool en bruinkool. Ondanks het beperkte inkomstenverlies rijst toch de vraag of dit uit oogpunt van efficiency een passend tarief is, des te meer gelet op het vervuilende effect van deze producten.

([53]) Voor andere landen is al aangetoond dat een verlaagd btw-tarief voor restaurantdiensten niet doeltreffend is.

([54]) Volgens schattingen van Decoster & Spiritus (2012) wordt een verhoging van het normale tarief van 21 % naar 22 %, zelfs zonder een lager verlaagd tarief, vooral gedragen door hogere (uitgaven)decielen.

([55]) Deze verschuiving van de socialezekerheids­bijdragen naar de btw heeft ook een voordeel op het gebied van coördinatie, in die zin dat - in tegenstelling tot bijvoorbeeld milieu­belastingen - de volledige bevoegdheid over de btw gesitueerd is op het federale niveau, dat na de zesde staatshervorming verantwoordelijk blijft voor de tenuitvoerlegging van structurele verlagingen van de socialezekerheids­bijdragen zoals voor de lage lonen.

([56]) Los hiervan, maar in dezelfde samenhang, dient te worden gewezen op het probleem dat zich voordoet ten aanzien van de verenigbaarheid met de Europese grondbeginselen doordat de methode die voor belastingdoeleinden wordt gebruikt om de onroerende inkomsten uit buitenlandse bron te bepalen (waarbij wordt uitgegaan van de werkelijke huur), minder gunstig is dan de methode die wordt toegepast voor soortgelijke inkomsten uit Belgische bron. Om een einde te maken aan deze situatie, heeft de Commissie België verzocht om het systeem van de onroerende voorheffing, volledig naar eigen inzicht, te herzien. Europese Commissie — IP/12/282 van 22.3.2012.

([57]) Najaarsprognose 2014 van de Europese Commissie

Top