This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014SC0075
COMMISSION STAFF WORKING DOCUMENT Macroeconomic Imbalances - Belgium 2014
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Macro-economische onevenwichtigheden België 2014
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Macro-economische onevenwichtigheden België 2014
/* SWD/2014/075 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Macro-economische onevenwichtigheden België 2014 /* SWD/2014/075 final */
Resultaten van
diepgaande evaluaties op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 betreffende
de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden België
blijft macro-economische
onevenwichtigheden ondervinden die monitoring en beleidsactie vereisen. Met
name de ontwikkelingen in verband met de externe competitiviteit van goederen
blijven aandacht verdienen omdat een persistente afkalving de macro-economische
stabiliteit zou bedreigen. Meer
specifiek kan een voortdurende verslechtering van de competitiviteit, inclusief
de niet-kostendimensie ervan, negatieve gevolgen voor de economie hebben. Het
vermogen van de industrie om internationaal te concurreren is belemmerd,
hetgeen zich weerspiegelt in eroderende producentenmarges en in vernietiging
van banen. Het doen aansluiten van hoge loonkosten bij duurzame banencreatie en
hoge levensstandaarden vereist vol inzetten op producten hogerop in de mondiale
waardeketens. Tegelijkertijd moet een verdere ontkoppeling tussen snelle
loongroei en trage productiviteitsgroei worden voorkomen. In dat verband heeft
België stappen ondernomen die naar verwachting de komende jaren effect zullen
hebben. Toch vereist het in stand houden van de industriële basis ambitieuzere
actie, te meer met de hervormingen die zich in de concurrerende landen
ontwikkelen. Een en ander houdt verband met belastingen op arbeid en het bij de
loonvorming meer inspelen op de economische en sectorale realiteiten, en het
aanpakken van persistente problemen met betrekking tot de werking van de
arbeidsmarkt. Belgiës hoge schuld blijft een probleem voor de houdbaarheid van
de publieke financiën. Positief is dat België erin geslaagd is zijn schuldquote
te stabiliseren, geacht wordt aan de aanbevolen tekortdoelstelling te hebben
voldaan in 2013, en naar verwachting het tekort onder de 3 procent van het bbp
zal houden. Bovendien temperen lange gemiddelde looptijden, een relatief
beperkte onderlinge verwevenheid met de binnenlandse financiële sector en een
relatief gezonde private sector de risico's voor de bredere economie. COM(2014) 150 final van 5.3.2014 Samenvatting
en conclusies 7 1. Inleiding 11 2. Macro-economische ontwikkelingen 13 3. Onevenwichtigheden en risico's 19 3.1. Concurrentievermogen 19 3.1.1. Productspecialisatie 20 3.1.2. Exportoriëntatie 22 3.1.3. Kostencompetitiviteit 23 3.1.4. Werking van de arbeidsmarkt 32 3.2. Schuldenlast 41 3.2.1. Recente ontwikkeling van de overheidsschuld 41 3.2.2. Risico van druk op de begroting op korte termijn 42 3.2.3. Houdbaarheidsrisico’s van de Belgische
overheidsschuld op lange termijn 43 3.2.4. Verbanden met de financiële sector 46 3.2.5. De overheidsschuld en de totale schuldenlast van
de Belgische economie 47 4. Specifiek thema: het Belgische belastingstelsel in
de context van macro-economische onevenwichtigheden 55 5. Beleidstaken 63 Referenties 67 LIJST VAN TABELLEN 2.1. Economische,
financiële en sociale kernindicatoren - België 17 3.1. Uitvoer van
industrieproducten volgens type (in % van het totaal) 21 3.2. Belangrijkste
exportmarkten van België (in % van het totaal) 22 LIjST van Grafieken 2.1. Decompositie
van de potentiële groei 13 2.2. Arbeidsparticipatiegraad
(2012, in %, 15-64 jaar) 13 2.3. Sectorale
aandelen in de bruto toegevoegde waarde (in %) 14 2.4. Decompositie
van het saldo van de lopende rekening 14 2.5. Decompositie
van de NIIP naar sector 15 2.6. Decompositie
van de totale (geconsolideerde) schuldenlast 15 2.7. Decompositie
van de geconsolideerde kredietstromen 15 3.1. Ontwikkeling
van de exportmarktaandelen van goederen (2000=100) 19 3,2. Decompositie
van de veranderingen in exportmarktaandelen voor goederen 20 3.3. Bedrijfsonderzoekers
per 1000 werknemers 21 3.4. Dynamiek en
concurrentievermogen in de goederenuitvoer (top-10 bestemmingen, 2010-12) 22 3.5. Meting van de
REER volgens verschillende maatstaven 23 3.6. Nominale
loonkosten per eenheid product (2005 = 100) 24 3.7. Ontwikkeling
van de winstmarges in de verwerkende nijverheid 27 3.8. Ingezette
kapitaalgoederen/gewerkte uren (2000 = 100) 27 3.9a. Toegevoegde
waarde in de industrie (m.u.v. de bouw, in % van het totaal) 28 3.9b. Toegevoegde
waarde in de verwerkende nijverheid (in % van het totaal) 28 3.10. HICP
(%-verandering t.o.v. vorig jaar) 29 3.11. RUEC-peil in
België en de buurlanden 31 3.12. Contrafeitelijke
vergelijking van de RUEC in België en de buurlanden 32 3.13. Werkgelegenheidsgraad
(2012, in %) 32 3.14a. Werkgelegenheidsgraad 2012 (in %) volgens regio en NUTS2-regio 33 3.14b. Werkloosheid 2012 (in %) volgens regio en NUTS2-regio 33 3.15. Werkloosheidsvallen
(2012) 35 3.16. Beveridge-curve 36 3.17. Werkgelegenheidsgraad
volgens hoogste opleidingsniveau 37 3.18. Brutomaandloon
volgens kwalificatieniveau en leeftijd (2011) 38 3.19. Bruto- en
netto-overheidsschuld (% bbp), BE vs. EZ 41 3.20. Bijdrage tot de
verandering in de schuldquote van de overheid (procentpunten van het bbp) 41 3.21. Rente-uitgaven
van de overheid en impliciete rente 42 3.22. Spread voor
bepaalde overheidsobligaties ten opzichte van Duitse bunds (10 j) 43 3.23. Brutoschuldprognoses
(% van het bbp) - gevoeligheidsanalyse 44 3.24. Uitsplitsing van
de (niet-geconsolideerde) schulden, alle sectoren 46 3.25. Uitsplitsing van
de totale (geconsolideerde) schulden 49 3.26. Uitsplitsing van
de (geconsolideerde) schulden van de particuliere sector 50 3.27. Verhouding
geleend vermogen / eigen vermogen van huishoudens 50 3.28. Verhouding
schuldaflossing / inkomen (huishoudens met schulden) per inkomenscategorie 51 3.29. Verhouding
vreemd vermogen / eigen vermogen per inkomenscategorie 51 3.30. Uitsplitsing van
de (niet-geconsolideerde) nettoactiva, alle sectoren 53 4.1. Verdeling van
belastingen en totale belastingdruk (2011) 55 4.2. Inkomsten uit
onroerendgoedbelastingen (2011, % bbp) 56 4.3. Inkomsten uit
milieubelastingen (2011, % bbp) 58 LIJST van tekstkaders 3.1. Rapport van de Expertengroep
'Concurrentievermogen en Werkgelegenheid 28 3.2. Verlaging van de btw op elektriciteit voor de
huishoudens 32 3.3. Arbeidsbeschermingswetgeving: harmonisatie van
de wetgeving voor arbeiders en bedienden 41 3.4. Zesde Belgische staatshervorming 47 3.5. De Belgische financiële sector 50 3.6. De Belgische huizenmarkt 54 In
april 2013 heeft de Commissie geconcludeerd dat België met macro-economische
onevenwichtigheden werd geconfronteerd, met name wat de ontwikkelingen op het
gebied van het externe concurrentievermogen en de schuldpositie van de overheid
betrof. In het waarschuwingsmechanismeverslag van 13 november 2013 stelde de
Commissie, mede in het licht van de vaststelling van onevenwichtigheden in
april, dat het nuttig was over te gaan tot een verdere analyse van de
hardnekkigheid van de onevenwichtigheden, dan wel van de reductie daarvan. In
deze diepgaande evaluatie wordt de Belgische economie doorgelicht
overeenkomstig het toezicht waarin de procedure bij macro-economische
onevenwichtigheden (PMO) voorziet. De belangrijkste bevindingen van de
evaluatie zijn: · De tweevoudige trend van een verslechterend saldo van de lopende
rekening en zorgbarende verliezen van exportmarktaandelen duurt voort. De gerichtheid op minder dynamische, geografisch nabije exportmarkten
en een afnemende kostencompetitiviteit blijven aan de grondslag daarvan liggen.
Alhoewel productsamenstelling als een neutralere factor wordt beschouwd, heeft
specialisatie in producten die zich in het midden van de waardeketen bevinden
de verliezen niet kunnen goedmaken. Een verbreding van het innovatiespectrum en
sterkere productpenetratie van technologie blijven daarom van essentieel belang
om duurzame jobcreatie en de hoge loonkosten van België met elkaar te
verzoenen. De fors positieve internationale netto-investeringspositie verzacht
de risico's van een verslechterende externe positie. · De opvatting is dat de arbeidskosten een belangrijke rol spelen in het
verlies van externe kostencompetitiviteit. Men name de
verwerkende nijverheid ondervindt de gevolgen van de snelle loongroei voor hun
internationale concurrentiepositie, wat zich weerspiegelt in krimpende marges
en vernietiging van arbeidsplaatsen. De Belgische overheid heeft een aantal
maatregelen getroffen om verbreding van de relatieve loonkloof tegen te gaan,
maar deze zullen slechts langzaamaan effect sorteren, terwijl de omvang van het
probleem meer urgentie vereist. Het verkleinen van de kloof om de industriële
basis van België in stand te houden, zou bijgevolg meer ambitieuze en
onmiddellijke maatregelen vereisen, waaronder de langverwachte
belastinghervorming met een vermindering van de fiscale druk op arbeid en een
loonvorming die het mogelijk maakt rekening te houden met de economische
realiteit en de verschillen tussen sectoren. · Aanhoudende problemen met de werking en het aanpassingsvermogen van de
arbeidsmarkt dragen bij tot het algemene concurrentieprobleem en hollen het
groeipotentieel van de economie uit. De totale
werkgelegenheidsgraad stagneert op een benedengemiddeld peil. Bovendien is de
arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen en in sommige geografische
gebieden bijzonder laag, waardoor ook de risico's van armoede en sociale
uitsluiting toenemen. Als oorzaken daarvan kunnen worden aangewezen, de
ontmoedigende fiscale behandeling van arbeid in combinatie met de
werkloosheidsuitkeringen, de kwalificatie- en geografische onevenwichtigheden,
het haperende activeringsbeleid, de wijdverspreide toepassing van vervroegd en
brugpensioen en de loonrigiditeit als gevolg van de loonvormingsmechanismen. De
overheid is er met haar optreden niet in geslaagd het aanhoudend gebrekkige
functioneren van de arbeidsmarkt te verhelpen. · De overheidsschuld blijft met 100% van het bbp hoog, maar een aantal
factoren temperen de daarmee samenhangende macro-economische risico's en het
overheidsoptreden sinds de vorige diepgaande evaluatie heeft een verdere
stijging voorkomen. De latente verplichtingen in
verband met garanties aan de financiële sector zijn afgebouwd, maar blijven
aanzienlijk (12% van het bbp), en houden het risico in van spill-over van de
financiële sector naar de overheid. Een groot deel van de Belgische
overheidsschuld is in binnenlandse handen, wat de negatieve
terugkoppelingseffecten zou vergroten mocht het Belgische schuldpapier onder
druk komen te staan op de financiële markten. De financieringskosten zijn
momenteel laag en het gevaar dat de Belgische begroting op korte termijn onder
druk komt, lijkt gering vanwege de betrekkelijke lange gemiddelde looptijd van
de staatsschuld. Een langere periode van hogere rentetarieven zou de begroting
evenwel behoorlijk wat kosten en de plannen voor een geleidelijke terugkeer
naar een begroting in evenwicht dwarsbomen. De met de hoge schuldenlast van de
overheid samenhangende macro-economische risico's worden getemperd door de
goede gezondheid van de privésector: de sterk positieve nettovermogenspositie
van de huishoudens en de betrekkelijk geringe schuldenlast van de
niet-financiële vennootschappen wanneer de leningen binnen groepen buiten
beschouwing worden gelaten. Kortom, niettegenstaande de overheid een hoge
schuldenlast torst, is de nettovermogenspositie van de Belgische economie (+45%
van het bbp) gunstig in vergelijking met de positie van de eurozone, die
negatief is (-24% van het bbp). In de IDR wordt ook gekeken hoe beleidsmatig
zou kunnen worden gereageerd op deze ontwikkelingen en wat de mogelijke
beleidspistes zijn. In dit verband kan een aantal elementen in overweging
worden genomen: · Op het stuk van de loonvorming zou de Belgische overheid zou een
ambitieuzere hervormingsagenda kunnen nastreven. Een
eerste mogelijke stap is het aanscherpen van de Wet van 1996 om toekomstige
ontsporingen te voorkomen, bijvoorbeeld door te voorzien in een rechtstreekse
koppeling tussen de marges voor loonstijgingen en de productiviteit, en in een
sterkere mate van sectorale differentiatie. Ten tweede zijn er verschillende
opties denkbaar waardoor de automatische loonindexering minder schadelijk zou
zijn in economisch moeilijke tijden en waardoor de kortetermijnzorg voor de
koopkracht van de burgers zou kunnen worden verzoend met het
langetermijnstreven om de totale werkgelegenheid te beschermen. · In de plaats van de huidige benadering waarbij de parafiscale druk op
arbeid wordt verminderd met telkens kleine ingrepen zou de algehele opzet van
de Belgische fiscaliteit kunnen worden heroverwogen.
Dit zou gepaard moeten gaan met een inkomstenneutrale verschuiving van de
fiscale lasten op arbeid naar andere inkomstenbronnen, zowel op federaal als op
regionaal niveau. Er is in de btw en de personenbelasting aanzienlijke ruimte
om de belastinggrondslag te vergroten door de aanzienlijke fiscale aftrekken en
voordelen te herzien. Daarnaast is een verhoging van het btw-standaardtarief te
overwegen, omdat dit aanzienlijke extra inkomsten zou opleveren, met geringe
overloopeffecten. Andere, in het kader van een algemene herverdeling van de
fiscale lasten mogelijk te bekijken aspecten, zijn de (terugkerende) onroerende
voorheffing, het gebruik van momenteel onderontwikkelde vormen van
milieubelasting (inclusief de fiscale behandeling van bedrijfswagens) en de
belasting van bepaalde types van financiële inkomsten. · Om de hoge arbeidskosten in België te verzoenen met het duurzaam
scheppen van banen en het op peil houden van een hoge levensstandaard, zal het
niet-kostenconcurrentievermogen moeten worden versterkt door, meer dan
momenteel gebeurt, om te schakelen op technologisch hoogwaardigere producten. Om het innovatieve potentieel van de Belgische economie aan te
zwengelen en innoverende bedrijven gemakkelijker te laten doorgroeien, zou het
beleid nog meer kunnen focussen op ondersteuning van clusters en de
subsidiëring meer kunnen concentreren en administratief kunnen vereenvoudigen
zodat de bedrijven meer investeren in onderzoek en ontwikkeling. Een andere
cruciale factor om de overgang naar een kenniseconomie te bespoedigen, is
ervoor te zorgen dat de onbalans tussen aangeboden en gevraagde kwalificaties
wordt verkleind, zodat de arbeidsmarkt kan beschikken over voldoende
arbeidskrachten met de juiste kwalificaties. · Het terugdringen van de overheidsschuld blijft op middellange tot lange
termijn een van de grote beleidsuitdagingen, a fortiori vanwege het geringere
groeipotentieel van de Belgische economie, de voorspelde grote impact van de
vergrijzing in België en de belastingdruk die al hoog is. De strategieën om de overheidsschuld te verkleinen, waren tot hiertoe
gedeeltelijk gebaseerd op de verkoop van activa. Gelet op de toezegging van
België om zijn middellangetermijndoelstelling in 2016 te halen, blijft verdere
schuldafbouw via de uitgaven noodzakelijk om de schuldquote op een duurzaam
neerwaarts traject te brengen. De verdere fiscale decentralisatie vereist in
dit verband een stipte nakoming van de gemaakte fiscale coördinatie-afspraken
en een evenwichtige bijdrage van alle bestuursniveaus aan de consolidatie. Ook
de impliciete staatsschuld van de vergrijzing zou moeten worden aangepakt door
nieuwe pensioenhervormingsmaatregelen om te voorkomen dat de schuldniveaus
opnieuw de pan uit rijzen. Terzelfder tijd, naar analogie van het positieve
effect op de werkgelegenheid en de groei, zou een verschuiving van de fiscale
lasten op arbeid naar andere bronnen bevorderlijk zijn voor de afbouw van het
tekort en de schuld. De belasting op spaartegoeden geleidelijk neutraler maken
ten aanzien van het type financieel product, zou kunnen zorgen voor een
diversifiëring van de kanalen waarlangs de aanzienlijke financiële activa van
de Belgische huishoudens bij de reële economie terechtkomen. Op
13 november 2013 heeft de Europese Commissie haar tweede
Waarschuwingsmechanismeverslag (WMV) gepresenteerd, dat overeenkomstig artikel
3 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 betreffende de preventie en correctie van
macro-economische onevenwichtigheden was opgesteld. Het waarschuwingsmechanismeverslag
doet dienst als een eerste doorlichtingsinstrument om te helpen bepalen voor
welke lidstaten een verdere diepgaande analyse is vereist om uit te maken of er
onevenwichtigheden bestaan of dreigen te ontstaan. Overeenkomstig artikel 5 van
Verordening (EU) nr. 1176/2011 moeten bij een dergelijke landspecifieke
"diepgaande evaluatie" ("In-Depth Review" - IDR) de aard,
oorsprong en ernst van de in de betrokken lidstaat waargenomen
macro-economische ontwikkelingen worden onderzocht die onevenwichtigheden zijn
of tot onevenwichtigheden kunnen leiden. Op grond van deze analyse geeft de
Commissie aan of zij van oordeel is dat er van een onevenwichtigheid in de zin
van de wetgeving sprake is en welke vervolgmaatregelen zij aan de Raad zal aanbevelen. Dit is de derde diepgaande evaluatie voor
België. Op grond van de vorige, bekendgemaakt op 10 april 2013, heeft de
Commissie geconcludeerd dat België met macro-economische onevenwichtigheden
werd geconfronteerd, met name wat de ontwikkelingen op het gebied van het
externe concurrentievermogen en de schuldpositie betrof. In het
waarschuwingsmechanismeverslag stelde de Commissie in het algemeen, mede in het
licht van de vaststelling van een onevenwichtigheid in april, dat het nuttig
was over te gaan tot een verdere analyse van de hardnekkigheid van de
onevenwichtigheden, dan wel van de reductie daarvan. In deze diepgaande
evaluatie wordt de Belgische economie in haar geheel doorgelicht overeenkomstig
het toezicht waarin de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO)
voorziet. Tegen deze achtergrond wordt in deel 2 een
overzicht gegeven van de macro-economische ontwikkelingen in het algemeen en
wordt in deel 3 meer in detail bekeken hoe de eerder gesignaleerde
onevenwichtigheden en de ermee samenhangende risico's zich hebben ontwikkeld.
De daaropvolgende delen 4 en 5 bevatten respectievelijk een specifieke analyse
van het belastingstelsel en beleidsoverwegingen. Potentiële
groei lager dan pre-crisisniveau Niettegenstaande de economie in de tweede
helft van 2013 iets beter presteerde, wordt niet verwacht dat weer met de
groeicijfers van vóór de crisis zal worden aangeknoopt. Het groeipotentieel van de Belgische economie wordt momenteel geraamd
op iets minder dan 1%, wat ongeveer de helft is van het niveau van vóór de
crisis, en zou op middellange termijn slechts in beperkte mate toenemen.
Alhoewel de bijdrage van alle componenten in het voorbije decennium is
verminderd, moeten met name de zeer geringe winsten van de totale
factorproductiviteit worden vermeld. Dit wijst op problemen met het vermogen om
te innoveren en efficiëntiewinsten te realiseren. De potentiële groei zou ook gebaat zijn bij
een aanpak van de lage participatiegraad, die in 2012 66,9% bedroeg. De lage arbeidsparticipatiegraad in België heeft te maken met een
aantal aanhoudende economische problemen waarop bij eerdere exercities van het
Europees semester de vinger is gelegd. Factoren zoals de hoge belastingdruk op
arbeid, de langdurige werkloosheid en werkloosheidsvallen, en de bescheiden
resultaten van activeringsmaatregelen zijn een rem op het arbeidsaanbod. Aan de
vraagzijde anderzijds, vormen de hoge arbeidskosten een obstakel voor het
creëren van nieuwe banen. De arbeidskosten spelen eveneens een cruciale rol in
de verslechtering van de externe kostencompetitiviteit, een probleem dat de
jongste jaren nijpender is geworden en in punt 3.1 wordt behandeld. Om de
onderliggende oorzaken aan te pakken, heeft de regering de voorbije jaren een
eerste serie maatregelen getroffen. Deze omvatten het aanmoedigen van werken
via wijzigingen in de werkloosheidsuitkeringen en de fiscaliteit van de laagste
lonen, het beperken van de toegang tot vervroegd pensioen en verlagingen van de
socialezekerheidsbijdragen. De sociale indicatoren zijn over het
algemeen stabiel, maar sommige aspecten vergen aandacht. Het risico op armoede of sociale uitsluiting blijft voor Belgische
senioren iets hoger dan gemiddeld in de EU. Ook voor kinderen is dit risico
toegenomen. Tevens vertoont de schooluitval de jongste jaren een stijgende
lijn. Het aantal mensen dat leeft in een huishouden met een geringe
arbeidsintensiteit ligt boven het EU-gemiddelde en neemt toe. Daar staat
tegenover dat het percentage werkenden die met armoede worden bedreigd, nog
altijd laag is, wat benadrukt dat meer mensen aan het werk krijgen niet alleen
bevorderlijk zou zijn voor het economisch potentieel, maar tevens de risico's
van sociale uitsluiting zou verkleinen. De Belgische economie maakt een
heroriëntering op de dienstensector door. Tussen 2000
en 2012 zijn er in de industrie (exclusief de bouw) 110 000
arbeidsplaatsen verloren gegaan, terwijl er in de dienstensector 477 000
zijn bijgekomen, voornamelijk in de professionele diensten, wetenschappelijke
en technische activiteiten, en in de administratie en de overheidsdiensten.
Niets wijst erop dat deze ontwikkeling in de onmiddellijke toekomst zal
vertragen. Deze transformatie van het economische landschap weerspiegelt zich
ook in de decompositie van de bruto toegevoegde waarde naar sector: tussen 1996
en 2012 hebben de industriële sector en de dienstensector 7 procentpunten
ingeleverd, respectievelijk gewonnen. Wat de inkomstendecompositie van de bruto
toegevoegde waarde betreft, kan een stabiele verdeling over vergoeding van
arbeid enerzijds en van kapitaal anderzijds worden vastgesteld, met
respectievelijk om en bij de 58% en 42% van de bruto toegevoegde waarde. De externe positie blijft sterk, ondanks een
afnemend saldo van de lopende rekening Het batige uitvoersaldo voorkwam een forse
krimp in 2012-2013, maar maskeert een langetermijntrend van verslechterend
saldo van de lopende rekening. Volgens ramingen van de
diensten van de Commissie is het tekort op de lopende rekening (BB-definitie)
in 2013 verder opgelopen. Naast dit tekort, loopt ook de evolutie van de
lopende rekening op langere termijn in het oog. Het overschot van circa 5% van
het bbp dat bij de eeuwwende werd opgetekend, kalfde geleidelijk af tot 2008,
toen het negatief werd ([1]). Ramingen van
het conjunctuurgezuiverde saldo van de lopende rekening (d.w.z. van het peil
dat zou worden gehaald als zowel de binnenlandse economie als die van de
handelspartners de potentiële output zouden realiseren) geven aan dat slechts
een fractie van de verslechtering aan conjuncturele factoren kan worden
toegeschreven. De verslechtering van de lopende rekening
is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de neerwaartse evolutie van de
goederenbalans. Achter de achteruitgang van 6,5 procentpunten
in de periode 2002-2012 gaat een combinatie van de factoren prijs en volume
schuil. Het aanzienlijke overschot van omstreeks 2% van het bbp dat de handel
in diensten andermaal laat optekenen, volstond niet om de dalende goederentrend
op te vangen en lijkt nu af te vlakken na jaren van constante stijging. De
trage verschuiving die zich de jongste jaren in de kapitaalontvangstenbalans
heeft voorgedaan, van een bescheiden overschot naar een beperkt tekort, is
hoofdzakelijk het gevolg van een hogere netto-uitstroom van directe
investeringen en weerspiegelt het effect van een klimaat van laag rendement op
de activastructuur. De totale externe positie van België die, gemeten
aan de hand van de NIIP, bijna 50% van het bnp bedraagt, kan onverminderd als
gezond worden beschouwd. De netto internationale
investeringspositie (NIIP) is de verhouding tussen de schuldvorderingen op en
de schulden aan het buitenland. Daar waar het saldo van de lopende rekening
stromen weergeeft, is de NIIP een indicator voor de externe positie van een
land wat de stock betreft. Een stabilisatie van de lopende rekening op of rond
het huidige niveau bij een nominale bbp-groei van circa 3,5% zou een geleidelijke
vermindering van de NIIP – zij het op een nog steeds comfortabel niveau – tot
gevolg hebben. Zelfs als de langetermijntrend zich voortzet en het tekort op de
lopende rekening grotere proporties zou aannemen, zijn de gecumuleerde
nettovorderingen op het buitenland momenteel van dien aard dat het Belgische
tekort op de lopende rekening op middellange termijn als houdbaar kan worden
beschouwd. De houdbaarheid van de externe positie
lijkt geen al te groot risico te vormen, maar bij nadere analyse van de sterke
NIIP lijken de interne evenwichtsverhoudingen toch onder druk te staan. De sterk positieve NIIP is een weerspiegeling van de comfortabele
crediteurstatus van de privésector, die de structurele debiteurstatus van de
overheid compenseert. Omdat de lopende rekening samenhangt met het verschil van
de binnenlandse besparingen en de binnenlandse investeringen, ging de
achteruitgang gedurende de voorbije tien jaar gepaard met lagere besparingen en
grosso modo gelijkblijvende investeringen. De afname van de totale besparingen
was voornamelijk het gevolg van lagere besparingen door de huishoudens in
combinatie met een consumptie die sneller groeide dan het beschikbare inkomen. De binnenlandse schuld zit hoofdzakelijk bij de
overheid Na een gestage verlichting tot 2007, is de
schuldenlast opnieuw toegenomen tot ongeveer 100% van het bbp. Oorzaken van deze ommekeer in de schulddynamiek zijn een
verslechtering van de toestand van de overheidsfinanciën en de herhaalde
interventies die nodig waren in de banksector. Niettegenstaande recentelijk
weer primaire overschotten zijn opgetekend en ook de verkoop van activa tot een
stabilisatie van de overheidsschuld zou moeten leiden, vormen de niet onaanzienlijke
latente verplichtingen ten aanzien van de financiële sector en de voorziene
hoge kosten van de vergrijzing nog steeds een bedreiging voor de ontwikkeling
van de overheidsfinanciën op middellange termijn. De schuldenlast van de privésector is op
zich geen bron van bezorgheid, maar moet worden gezien tegen de achtergrond van
de hoge overheidsschuld. De schuld van de
niet-financiële vennootschappen is hoog in niet-geconsolideerde termen, maar
komt overeen met het EU-gemiddelde wanneer de binnenlandse leningen binnen
groepen buiten beschouwing worden gelaten. De schuld van de huishoudens –
overwegend hypotheekleningen – ligt in de buurt van het EU-gemiddelde. In de
diepgaande evaluatie van vorig jaar werd een grondige analyse gemaakt van de
woningmarkt en geconcludeerd dat een eventuele correctie van de prijzen heel
waarschijnlijk geen grote macro-economische consequenties zou teweegbrengen. De
snelle stijging van de huizenprijzen tussen 2000 en 2011 is immers niet gepaard
gegaan met hogere rentelasten voor de huishoudens, noch met een buitensporige
groei van het aanbod van woningen. Bovendien zijn de gemiddelde jaarlijkse
aflossingskosten van de huishoudens nagenoeg gelijk gebleven omdat de lonen
sneller dan die kosten zijn gestegen en leningen met vaste rentevoet de
meerderheid uitmaken. Ook is herfinanciering in België geen courante praktijk.
Tot slot zijn de risico's voor de economie beperkt vanwege de lage
standaardrente, die in 2013 1,2% bedroeg en daarmee op het peil van de jongste
jaren bleef. De consolidatie van de financiële sector wordt
voortgezet Na een voorzichtig herstel is de
kredietgroei de afgelopen twee jaar wat afgezwakt, maar nog steeds groter dan het
EU-gemiddelde, terwijl de aan niet-financiële vennootschappen berekende
leningtarieven tot de laagste in de EU behoren. De
zwakkere kredietgroei weerspiegelt enerzijds de afnemende
financieringsbehoeften en anderzijds een verscherping van de kredietvoorwaarden
in verband met de nieuwe regels en kapitaalvereisten in de financiële sector. De financiële sector blijft zich beetje bij
beetje versterken en de totale financiële activa zijn aanzienlijk afgebouwd. De voortgaande herstructurering in de sector heeft geleid tot een meer
evenwichtige heroriëntatie, weg van externe en interbancaire activiteiten en in
de richting van de meer traditionele activiteiten en de binnenlandse markt.
Door kapitaalinjecties zijn de kapitaalratio's verbeterd, maar de
winstgevendheid blijft laag en in een context van zwakke economische activiteit
is het aantal niet-performante leningen gestegen. In mei vinden in België federale en
regionale verkiezingen plaats. Alhoewel hier voor de
volgende regering hervormingskansen liggen, geeft de impasse die na de vorige
twee verkiezingen (in 2007 en 2010) op federaal niveau ontstond – met een
regering in lopende zaken die respectievelijk 6 en 18 maanden aan bleef –
aanleiding tot de vrees dat België opnieuw een periode van politieke
besluiteloosheid zou kunnen doormaken. Hierdoor zouden hervormingen andermaal
kunnen worden uitgesteld en zou druk vanuit de financiële markten opnieuw de
kop kunnen opsteken zoals het geval was eind 2011, toen de spread op 10-jarig
Belgisch schatkistpapier ten opzichte van de Duitse obligaties tot 360
basispunten opliep. 3.1. Concurrentievermogen Zoals in deel 2 werd aangegeven, vertoont het
saldo van de Belgische goederenbalans een geleidelijke verslechtering. Alhoewel
het huidige tekort op zich niet als een onevenwichtigheid moet worden
bestempeld, is de ontwikkeling symptomatisch voor het onderliggende probleem
van verlies aan concurrentievermogen, dat in eerdere diepgaande evaluaties als
onevenwichtigheid is aangemerkt en het voorwerp uitmaakt van dit punt 3.1. Het
aanpakken van dit kernprobleem zou bijgevolg ook de negatieve trend van de
lopende rekening afzwakken. Een van de meest zichtbare uitingen van het
verlies aan concurrentievermogen van België is de afkalving van de
exportmarktaandelen in het voorbije decennium. Deze
achteruitgang viel niet samen met de economische crisis van 2008. Van 2003 tot
2012 werd jaarlijks gemiddeld 3,2% ingeboet, en enkel in 2007 en 2009 waren er
(bescheiden) winsten. Daarenboven is het tempo de jongste jaren toegenomen, met
een gemiddeld jaarlijks verlies van 5,3% in de jaren 2009-2012 voor goederen en
diensten en 5,9% voor goederen alleen. Zoals in de diepgaande evaluatie van
vorig jaar werd benadrukt, zijn de marktaandelen voor diensten grosso modo
stabiel gebleven, maar deze maken slechts een beperkt gedeelte van de totale
uitvoer uit. De meeste EU15-landen hebben
exportmarktaandelen verloren, maar voor België zijn de verliezen meer
uitgesproken geweest. België heeft zijn aandeel in de
totale Europese uitvoer zien slinken (zie grafiek 3.1.). Deze ontwikkeling kan bijgevolg niet zonder
meer worden verklaard aan de hand van de verschuiving van het economische
gewicht op wereldwijde (of regionale) schaal. Het aandeel van België in de
economische activiteit op wereldschaal, dat vanwege de open economie van het
land als een indicator voor de te verwachten ontwikkeling van het exportaandeel
kon worden gezien, is opmerkelijk stabiel gebleven en is de jongste jaren zelfs
iets gegroeid. In het licht van de verslechterende externe positie waren de
economische prestaties van de voorbije tien jaar waarschijnlijk geen getrouwe
weerspiegeling van de onderliggende dynamiek. Het verschil in exportgroei in vergelijking
met de rest van de wereld kan grosso modo worden verklaard aan de hand van drie
factoren: (i) een productspecialisatie in goederen
waarvoor de vraag betrekkelijk traag groeit, (ii) een geografische oriëntatie
op trager groeiende markten en (iii) het onvermogen om op internationaal vlak
effectief te concurreren, m.a.w. een verlies aan concurrentievermogen. Het
belang van deze verschillende factoren wordt inzichtelijk gemaakt door een
decompositie van de exportgroei. De instructieve "constant market
share"-benadering is hierbij gebruikelijk. De uitkomsten van deze
basisanalyse van de verschuivingen in aandelen voor de Belgische goederenexport,
respectievelijk voor de perioden 1997-02, 2002-07 en 2007-12, zijn weergegeven
in grafiek 3.2.; De Belgische uitvoer
van goederen nam in de periode 1997-02 sneller toe dan de wereldwijde invoer,
maar verloor terrein in de daaropvolgende periodes. De aanvankelijke winst van
exportmarktaandelen werd voornamelijk gedragen door het concurrentievermogen
(in de ruime zin). Daarna werd de bijdrage van competitiviteitsfactoren
negatief, wat vanaf de eeuwwende resulteerde in een gestage daling van de
exportmarktaandelen. Ook de geografische oriëntatie lijkt een belangrijke
oorzaak van de algemene achteruitgang van de uitvoer te zijn geworden, hetgeen
wijst op een onevenredige gerichtheid op minder dynamische exportmarkten; De
derde deelcomponent, de productsamenstelling, geeft voor alle onderzochte
perioden een licht negatieve bijdrage te zien. Dit betekent dat de configuratie
van de Belgische uitvoer in het algemeen overeenkomst met de op wereldschaal
opgetekende patronen, maar tevens dat België er niet in slaagt zich te
specialiseren in producten waarvoor een dynamische vraag bestaat, wat de
verliezen van exportmarktaandelen had kunnen beperken. In de navolgende paragrafen wordt nader
ingegaan op de determinanten van de mindere prestaties van België op de
internationale markten. Hierbij worden achtereenvolgens de aspecten
productspecialisatie, exportoriëntatie, kostencompetitiviteit en arbeidsmarkt
onder de loep genomen. 3.1.1. Productspecialisatie De factorprijzen spelen in de regel een
belangrijke rol in het vermogen van bedrijven om met succes te concurreren op
de internationale markten, maar het soort producten is evenzeer van belang. Het doorrekenen van de arbeidskosten in de uiteindelijke prijzen gaat
gemakkelijker voor (afgewerkte) producten met een hogere toegevoegde waarde
omdat bij de concurrentie voor dit soort producten vaak andere dan
kostprijsaspecten, zoals kwaliteit, spelen (ECB, 2013). Zoals eerder gezegd,
lijkt de productsamenstelling in het geval van België geen nijpend probleem,
maar heeft zij evenmin voor een tegenwicht kunnen zorgen voor het verslechterde
concurrentievermogen of de zwakke exportgroei. Recente gegevens bevestigen de
bevinding in de diepgaande evaluatie van vorig jaar dat Belgische bedrijven
betrekkelijk weinig kapitaalgoederen uitvoeren, met name minder dan de helft
van het gemiddelde aandeel van de landen van de eurozone (zie tabel 3.1.). Intermediaire goederen daarentegen, hebben
een groter aandeel in de uitvoer van industriële producten dan in andere landen
van de eurozone, en dat geldt ook voor de invoer. De Belgische uitvoer is
hierdoor meer blootgesteld aan internationale concurrentie op basis van
kostprijsfactoren. Een groot deel van de intermediaire goederen wordt
bijvoorbeeld uitgevoerd naar Duitsland ([2]), waar de Belgische exporteurs moeten concurreren met bedrijven uit de
jongere EU-lidstaten en de opkomende markten. Deze landen zijn doorgaans beter
gewapend om te concurreren op kostprijs en hebben, in tegenstelling tot België,
hun aandeel in de Duitse invoer van intermediaire goederen dan ook zien stijgen
gedurende het laatste decennium. De genuanceerde bevindingen in het deel van
vorig jaar betreffende het innovatievermogen van België blijven valabel. De totale O&O-uitgaven zijn de afgelopen jaren gestegen en
bedroegen in 2012 2,2% van het bbp, wat meer is dan de 1,9% van 2002, maar nog
altijd aanzienlijk minder dan de EU2020-doelstelling van 3%. De kloof met de
Scandinavische landen en Duitsland blijft substantieel, omdat zowel het
bedrijfsleven als de overheid in vergelijking minder in O&O investeren. Er
zij echter opgemerkt dat de grotere overheidssteun voor O&O vruchten afwerpt
(FPB, 2013), wat het beste laat verhopen voor de verdere ontwikkeling van de
bedrijfsbestedingen in O&O. De bedrijfsuitgaven in O&O zijn evenwel
zeer sterk geconcentreerd in een kleine aantal (internationale) ondernemingen,
voornamelijk in één sector (farmaceutica), waardoor de basis voor innovatie
smal is. Bij researchactiviteiten vormen de arbeidskosten gewoonlijk niet de
belangrijkste factor. Bovendien is daaraan iets gedaan door middel van
bijvoorbeeld de federale fiscale gunstmaatregel om de kosten van O&O-personeel
te drukken. Voor industriële activiteiten die uit dat onderzoek kunnen
voortkomen, zijn de arbeidskosten daarentegen een belangrijkere factor. Tot
slot vormt de beschikbaarheid van de geschikte kwalificaties een belemmering
voor O&O en de ontwikkeling van activiteiten met een hogere toegevoegde
waarde, wat mede verklaart waarom researchers een betrekkelijk klein aandeel in
de totale werkgelegenheid hebben (zie grafiek 3.3.). Niettegenstaande België in het algemeen
goed geschoolde arbeidskrachten heeft, blijft het aantal gediplomeerden in
wetenschappen, wiskunde, ingenieurswetenschappen en technologie aan de lage
kant.([3]) De creatie van
aanzienlijke werkgelegenheid in de high-techsector in België in het voorbije
decennium (Vives, 2013) onderstreept het belang van een toereikende instroom
van arbeidskrachten met de juiste kwalificaties, te meer daar onderzoek
uitwijst dat high-techwerkgelegenheid een groot potentieel voor afgeleide
werkgelegenheid heeft. De concurrentie op het gebied van diensten
wordt in België ingeperkt door een aantal barrières van regelgevende aard. Aanbieders van diensten ondervinden belemmeringen bij het betreden
van de markt en wanneer zij effectief diensten willen aanbieden. Een voorbeeld
daarvan zijn de per regio verschillende vergunningsstelsels. In de retailsector
bestaan nog altijd regels en operationele beperkingen die de ontwikkeling van
de sector hinderen en ervoor zorgen dat de detailhandelsprijzen in België ruim
10% boven het gemiddelde van de eurozone liggen. 3.1.2. Exportoriëntatie Zoals uit de bovenstaande analyse van de
verschuiving in exportaandelen blijkt, is de gerichtheid van België op minder
dynamische markten een rem op de exportprestaties. In
eerdere analyses werd reeds gewezen op de hoge exportconcentratie op Europese
landen, in het bijzonder de buurlanden. Grafiek 3.4. toont dat België hoofdzakelijk uitvoert naar
markten die trager groeien dan de wereldwijde invoer en
competitiviteitsverliezen heeft geleden ten opzicht van zijn concurrenten op
die markten. De traditionele afzetmarkten hebben evenwel
geleidelijk aan belang ingeboet. Dat was met name het
geval in de jongste jaren, waarin de uitvoer diverser is geworden en het
directe belang van markten zoals India, China en Turkije snel is gestegen (zie
tabel 3.2.). Hierin weerspiegelt zich
enerzijds de groeivertraging van de uitvoer naar de traditionele markten, maar
anderzijds ook de versnelling van de uitvoer naar de opkomende markten in het
algemeen, wat betekent dat de geleidelijke heroriëntering niet alleen maar een
verschuiving is als gevolg van de getemperde invoergroei overal in Europa. Bovendien is het belang van de uitvoer naar
Europese landen in het algemeen en buurlanden in het bijzonder kleiner wanneer
de gegevens worden gezuiverd voor wederuitvoer. In
landen met grote internationale havens zoals België en Nederland neemt deze
laatste een belangrijke plaats in. Dit komt eveneens tot uiting wanneer de
uitvoer wordt gemeten in termen van toegevoegde waarde (NBB, 2013). In 2009,
het laatste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, had de EU27 een aandeel in
de totale uitvoer volgens de toegevoegde waarde van 64,6%, tegenover 75,5% in
termen van bruto-uitvoer. Met name verkleint het belang van de drie buurlanden,
terwijl de EU12-landen alsook Italië en het Verenigd Koninkrijk meer prominent
worden, evenals bijvoorbeeld de Verenigde Staten wanneer wordt gekeken naar de
uitvoer van derde landen waarin Belgische toegevoegde waarde een significant
aandeel heeft. Toch heeft de Belgische uitvoer, ook in
termen van toegevoegde waarde, wereldwijd marktaandelen verloren. Tussen 1995 en 2009 bedroeg het verlies 26%. Ter vergelijking: de EZ12
en EU27 verloren in dezelfde periode respectievelijk maar 15% en 3%.([4]) 3.1.3. Kostencompetitiviteit A. Arbeidskosten Een oplopende reële effectieve wisselkoers
(REER) duidt op een verlies van relatieve kostencompetitiviteit. Omdat de oorzaak van de verslechtering van de lopende rekening en het
verlies van exportmarktaandelen bij de goederenuitvoer ligt, kan de met de
arbeidskosten per eenheid product in de verwerkende industrie gedefleerde REER
als de meest geschikte graadmeter voor de kostencompetitiviteit van België
worden beschouwd.([5]) Grafiek 3.5. geeft sinds de eeuwwende een scherpe
verslechtering te zien van het relatieve concurrentievermogen op arbeidskosten
in de industriële sector, d.w.z. een stijgende REER. Daarnaast komen in de
grafiek 3.5. ook andere, minder
restrictieve maatstaven van de kostencompetitiviteit aan bod: de met de
consumentenprijzen en met de exportprijzen gedefleerde REER. De ontwikkeling
van deze drie parameters verloopt min of meer parallel tot 2006 en loopt daarna
uiteen. Om de bovenvermelde redenen lijkt de met de arbeidskosten per eenheid
product in de industriële sector gedefleerde REER het meest relevant. Bijsturing van de REER via de nominale wisselkoers
is niet meer mogelijk want de eurowisselkoers is een afspiegeling van de
dynamiek op het niveau van de eurozone als geheel.
Zoals de recente ervaring van sommige landen heeft aangetoond, kan een te
afwijkende ontwikkeling van de relatieve kostencompetitiviteit van een land
aanleiding geven tot onevenwichtigheden die op hun beurt tot gedwongen
correcties of welvaartsverliezen kunnen leiden als er niets aan wordt gedaan.
Daarom is het van wezenlijk belang ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van het
concurrentievermogen gelijke tred houdt met die van de handelspartners. De loondynamiek is van doorslaggevende
betekenis in de kostencompetitiviteit van België. Het
loonvormingssysteem van België wordt gekenmerkt door twee elementen: een
tweejaarlijkse, nationale loonnorm die het plafond aangeeft voor de reële
loonstijgingen in de privésector en op basis waarvan op de onderliggende
niveaus wordt onderhandeld, en de nagenoeg algemene praktijk van automatische
loonindexering op basis van de zogeheten "gezondheidsindex".([6]) Zoals in eerdere diepgaande evaluaties is onderstreept, is er de
jongste jaren sprake van een ontkoppeling van de loonkosten en de
productiviteit. De arbeidsproductiviteit, die in absolute cijfers nog steeds
hoog is, is in de periode 2007-12 gemiddeld genomen bijna niet meer gegroeid.
Terzelfder tijd zijn de nominale lonen snel gestegen als gevolg van de
loonindexering, die weer werd gevoed door de sterke druk op de prijzen. Zoals
grafiek 3.6. toont, stegen de
loonkosten per eenheid product in België vóór de crisis van 2008-09 sneller,
zij het niet alarmerend meer, dan in de eurozone als geheel en bij de
belangrijkste handelspartners. Vanaf 2009 echter, tekent zich een duidelijke
deviatie af ten opzichte van de EZ17, en dit ondanks een versnelling van de
LEP-groei bij de voornaamste handelspartner Duitsland. Dit komt doordat in
andere landen, zoals Spanje, maatregelen zijn getroffen op die groei aan banden
te leggen. Volgens de huidige projecties zouden de LEP in België in 2014-2015
minder stijgen dan de voorgaande jaren. Dit zal echter niet volstaan om de
historisch gegroeide deviatie ongedaan te maken. Zonder tegenmaatregelen kan
deze deviatie de voor de werkgelegenheid nefaste langetermijntrends van
kapitaalverdieping door automatisering of volledige delocalisatie van
activiteiten nog versterken en worden de minder productieve arbeidskrachten uit
de arbeidsmarkt geduwd (zie hierna). België is een van de lidstaten waar
koppeling van de lonen aan de stijging van de kosten van levensonderhoud
courante praktijk is. Het voordeel hiervan is het
bewaren van de sociale vrede, maar er kleven ook economische nadelen aan. De
ervaring leert dat de lonen in landen waar geen automatisch
aanpassingsmechanisme bestaat en waar koopkrachtcorrecties het voorwerp
uitmaken van loononderhandelingen, op middellange termijn bezien ook de
binnenlandse prijsontwikkelingen volgen. Zoals Bodart & Shadman (2013)
stellen, wordt de uitkomst van dergelijke onderhandelingen bepaald door de
conjunctuur en de situatie op de arbeidsmarkt, waardoor het op korte termijn
bijsturen doorgaans minder stroef verloopt dan in België. Dit verklaart mede
waarom de uurlonen tussen 2007 en 2012 jaarlijks met gemiddeld 3,3% zijn
gestegen in België, vergeleken met 2,3% in Duitsland en Nederland, en 2,6% in
Frankrijk en de eurozone. De lonen zijn in België sneller aan de (fellere)
prijsdruk aangepast, ondanks de economische omstandigheden. Op korte termijn
kan de loonindexering in zijn huidige vorm dus het concurrentievermogen
aantasten, met verliezen van arbeidsplaatsen en exportmarktaandelen tot gevolg
die op langere termijn een permanent karakter kunnen aannemen wanneer een nieuw
evenwicht tot stand komt (Bodart & Shadman). Bovendien, zoals Bogaert &
Robette (2013) en Bodart & Hindriks (2013) aangeven, is de koopkracht van
de lagere inkomens aanzienlijk achteruitgegaan ondanks het
indexeringsmechanisme. Toen de Belgische regering in november 2012
het voornemen bekendmaakte om de loonkloof met de belangrijkste handelspartners
te dichten tegen 2018, was er geen eensgezindsheid over de precieze omvang van
de kloof. Voor beleidsdoeleinden is het gebruikelijk
deze te meten aan de hand van de ontwikkeling van de uurloonkosten in de
privésector sinds 1996 (toen de Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en
tot vrijwaring van het concurrentievermogen werd aangenomen) ten opzichte van
Duitsland, Frankrijk en Nederland.([7]) In deze meting worden evenwel enkel de rechtstreekse verlagingen van
de socialezekerheidsbijdragen opgenomen en niet de "loonsubsidies"
waartoe de Belgische autoriteiten het afgelopen decennium in toenemende mate
hun toevlucht hebben genomen. Daarenboven wordt uitsluitend de totale loonkloof
berekend, zonder rekening te houden met sectorale verschillen. Tot slot wordt
in een geïsoleerde benadering van de uurloonkosten de dynamiek van de
productiviteit buiten beschouwing gelaten. Deze manco's, alsook het arbitraire
karakter van het referentiejaar, waren aanleiding tot discussie over de
werkelijke omvang van de loonkloof. In een poging klaarheid te brengen in deze
aanhoudende kwestie, riep de overheid een Expertengroep ‘Concurrentievermogen
en Werkgelegenheid’ (EGCW) in het leven, die in juli 2013 een eerste rapport
publiceerde. Alhoewel het rapport er niet in is geslaagd een eind te stellen
aan de conceptuele verwarring die het debat over de loonkostenontwikkeling in
België heeft vertroebeld, worden er heel wat relevante onderwerpen in aangesneden
(zie tekstvak 3.1.). De Belgische
regering heeft een follow-uprapport gevraagd tegen juni 2014. Zoals in het rapport van de Expertengroep
wordt gesteld, kampen in het bijzonder de Belgische industriële sectoren, en
met name de verwerkende nijverheid, met een ernstig probleem van afkalvende
kostencompetitiviteit. Dit wordt treffend
geïllustreerd door de ontwikkeling van de winstmarges. De gemiddelde marge voor
alle industriële sectoren schommelde de jongste jaren tussen 25 en 30%. Hiermee
doet België beter dan Frankrijk, maar slechter dan Duitsland en Nederland, al
is het verschil met deze laatste twee beperkt en constant. De stabiliteit van
de gemiddelde marge verbergt echter een trend van verslechterende resultaten
van de verwerkende nijverheid, met marges die aanmerkelijk kleiner zijn dan in
Duitsland en Nederland, waar ze de jongste jaren zijn gegroeid (zie grafiek 3.7.). Als (alle) loonsubsidies worden meegeteld,
zien de marges er ietwat beter uit, al houdt de negatieve trend aan, evenals de
significante kloof met Nederland en Duitsland, waar loonsubsidies slechts een
marginale factor zijn. België combineert hoge uurloonkosten met
een hoge productiviteit, vooral in de verwerkende nijverheid, waarbij de vraag
rijst in hoeverre de hoge productiviteit is gestoeld op de hoge lonen. Indicatoren wijzen op kapitaalverdieping in België([8]), zoals ook kan worden afgeleid uit grafiek 3.8..([9]) Dit laat doorschemeren dat de hoge totale productiviteit tot op
zekere hoogte het gevolg is van de vervanging van arbeid door kapitaalinputs en
van een gestage verschuiving in de richting van activiteiten aan het hogere
uiteinde van het loonspectrum, waarbij steeds meer kapitaalintensieve
productietechnieken worden toegepast en het gemiddelde loon samen met het
aandeel van hooggekwalificeerde arbeid stijgt. Dit heeft nadelige gevolgen voor
de werkgelegenheid: lagergeschoolde arbeidskrachten worden uit de markt geduwd
en het risico op mismatches neemt toe. De hogere productiviteit levert dus een
gedeeltelijke verklaring voor de lagere arbeidsparticipatie in België, in het
bijzonder onder laaggeschoolde werknemers (zie punt 3.1.4) Wat meer is, is dat de kapitaalverdieping
in de Belgische verwerkende nijverheid de langetermijntrend van
desindustrialisatie kennelijk niet heeft afgeremd.
Grafiek 3.9. laat zien hoe de
(verwerkende) industrie volgens het criterium van de totale toegevoegde waarde
relatief meer terrein heeft verloren in België dan in andere landen. Frankrijk
laat een vergelijkbare achteruitgang optekenen, maar Nederland en Duitsland
tonen dat het mogelijk is de neerwaardse trend te stoppen en zelfs om te keren.
Het aandeel van België in de totale toegevoegde waarde in de eurozone is tussen
2000 en 2012 met 11% gedaald, waarmee het land beter deed dan Frankrijk (-20%),
maar dat van Duitsland en Nederland is met respectievelijk +12% en +9%
toegenomen. De ruimte voor verdere productiviteitswinst
wordt beperkt door de al hoge mate van kapitaalverdieping, wat de potentiële
groei uitholt. Dit is met name een punt van zorg omdat
de verhandelbare diensten geen sterke productiviteitswinst hebben kunnen
realiseren en het niveau nog steeds lager ligt dan in de industrie (NBB, 2013).
Een bijkomend risico is versnelde delocalisatie in de toekomst. De krachtige ondersteuning van
banenschepping in de niet-verhandelbare sector door middel van loonsubsidies en
banen in de overheidssector heeft de gestage vernietiging van industriële jobs
gecompenseerd. Het proces van netto banenverlies in de
meeste industriële sectoren is door de crisisjaren alleen maar versneld. Dit
was met name het geval voor de automobielassemblage, de textielsector, de
metallurgie, de chemische sector en de non-ferrometalen, stuk voor stuk
arbeidsintensieve bedrijfstakken (Vandekerckhove, Struyven & Heylen, 2013). Overheidsmaatregelen op het vlak van de
kostencompetitiviteit Om een verdere verergering van de relatieve
loonhandicap tegenover de buurlanden af te wenden, heeft de Belgische overheid
voor 2013-14 aan de sociale partners een bevriezing van de reële lonen (de
"zero-loonnorm") opgelegd, een maatregel die zeer waarschijnlijk zal
moeten worden verlengd in 2015-16. Andere maatregelen
om het loonverschil onder controle te houden, waren een reeks beperkte
verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen voor werkgegevers – de hoge
loonkosten vinden hun oorsprong in de hoge belastingdruk – en methodologische
ingrepen in de meting van de prijsdruk door de gezondheidsindex.([10]) De prijsdruk, gemeten aan de hand van de HICP, bedroeg het voorbije
decennium gemiddeld 0,4 pp. meer dan in de buurlanden (zie grafiek 3.10.). Dit verschil is in belangrijke mate toe te
schrijven aan energieproducten, waarvoor het prijsverschil gedurende dezelfde
periode gemiddeld 1,3 pp. bedroeg. Schommelingen van de internationale
energieprijzen hebben doorgaans een meer uitgesproken effect op de Belgische
economie([11]) en de impact
van olieschokken op het concurrentievermogen is groter dan in de buurlanden
(Bodart & Shadman, 2013). Maatregelen van de regering om de
concurrentie en de transparantie op de binnenlandse energiemarkten te
vergroten, hebben het prijsdifferentieel sinds medio 2012 echter omgekeerd. Dit heeft geleid tot convergentie van de totale inflatie met de
inflatie in de eurozone en met de gemiddelde prijsstijging in de buurlanden
(zie grafiek 3.10.). De lagere
inflatoire druk kan loonmatiging voor België iets gemakkelijker maken, gelet op
de beperkte impact van de loonindexering op de totale loonstijging. Zoals in
het verleden, blijft de kerninflatie evenwel hoger dan in de buurlanden. Dit
kan worden toegeschreven, enerzijds, aan de suboptimale werking van sommige
productmarkten (EC, 2013) en, anderzijds, aan tweede-ronde-effecten als gevolg
van de wijdverspreide praktijk van prijsindexering in verschillende sectoren
(bv. huurprijzen, verzekeringspremies). Eind 2013 heeft de Belgische overheid een
Interfederaal Pact voor Competitiviteit, Werkgelegenheid en Relance
aangekondigd. Op federaal niveau omvatte dit pact een
vermindering van de btw op elektriciteit (zie tekstvak 3,2) en drie bijkomende structurele verminderingen
van de socialezekerheidsbijdragen (in 2015, 2017 en 2019) met telkens 450
miljoen EUR, waarvan een derde in de vorm van lineaire verminderingen, een
derde voor de lage lonen en een derde voor sectoren die aan internationale
concurrentie onderhevig zijn en waarvan het groeipotentieel wordt bedreigd door
de ontwikkeling van de arbeidskosten in verhouding tot de productiviteit. Deze
(in het vooruitzicht gestelde) verminderingen zouden gepaard gaan met enkele
kleinere maatregelen ten behoeve van o.a. kmo's, ploegenarbeid en jonge
werklozen. Ook de regio's hebben in het kader van het pact enkele initiatieven
aangekondigd, waaronder een budget van 125 miljoen EUR in Vlaanderen om de
loonkosten voor werknemers jonger dan 30 jaar en ouder dan 55 jaar te drukken; Heel wat van de aangekondigde maatregelen
zullen een belangrijke impact op de begroting hebben, maar de financiering is
niet geregeld. Dit is het geval voor de drievoudige
vermindering met 450 miljoen EUR van de werkgeversbijdragen ([12]) en de verlaagde btw op elektriciteit, indien deze permanent zou
worden. Het zou voor de geloofwaardigheid beter zijn geweest en, wat
belangrijker is, de ambitie van de afscheidnemende coalitie om de
kostencompetitiviteit te verbeteren in de volgende legislatuur – de
drievoudige vermindering is immers bij wet vastgesteld – verenigbaar hebben
gemaakt met de zeer krappe begrotingsmarges voor die periode indien was
voorzien in flankerende financieringsmaatregelen. Afgezien van maatregelen om de excessieve loongroei
van het verleden te corrigeren, heeft de regering vruchteloos geprobeerd de Wet
van 1996 aan te passen om een ontkoppeling van lonen en productiviteit in de
toekomst te voorkomen. Verschillende hervormingsopties
zijn naar verluidt besproken, maar de onderhandelingen zijn vastgelopen wegens
meningsverschillen in de coalitieregering, zodat de hervorming uiteindelijk
niet is opgenomen in het Competitiviteitspact van 2013. Zij zal waarschijnlijk
worden uitgesteld tot na de verkiezingen van mei. Mocht er opnieuw een
langdurige periode van regeringsonderhandelingen komen, dan zou de nieuwe wet
wellicht niet op tijd aangenomen worden om van toepassing te zijn op het
interprofessioneel akkoord 2015-16. Eén van de besproken opties is het
aanscherpen van de methode om de loonnorm te bepalen, waarbij de sociale
partners wettelijk verplicht zouden zijn om de relatieve loonontwikkelingen van
het verleden in te calculeren en de norm zodanig te stellen dat de opgebouwde
loonkloof geleidelijk zou verkleinen. Volgens een andere voorgestelde wijziging
zou de regering wettelijk bindend moeten interveniëren wanneer de sociale
partners niet tot een akkoord komen of zich niet aan de strengere wettelijke
bepalingen houden. Er zouden ook strengere sancties komen voor werkgevers die
in collectieve overeenkomsten op een lager niveau de loonnorm overschrijden. Dergelijke hervormingen, gesteld dat zij
worden goedgekeurd, zouden het bestaande onderhandelingskader dwingender maken,
maar geen eind stellen aan alle belangrijke tekortkomingen. Een eerste manco is de afwezigheid van een koppeling tussen de
loonvorming en de ontwikkeling van de productiviteit die de werkgelegenheid op
langere termijn moet beschermen. Doordat er op het vlak van productiviteit
grote sectorverschillen zijn, zou de inaanmerkingneming ervan op
interprofessioneel, nationaal niveau de cijfers ernstig vertekenen. Daarom zou
het meer aangewezen zijn om er op de lagere niveaus rekening mee te houden. Dit
vereist een meer gedecentraliseerde procedure dan thans, met de bepaling van
een nationale loonnorm, het geval is. Zulke decentralisatie zou de
bedrijfstakken en de ondernemingen in staat stellen om het loonbeleid beter af
te stemmen op hun prestaties en een meer geleidelijke herallocatie van
arbeidsinputs van achteruitgaande activiteiten naar expansieve sectoren
mogelijk maken. Bovendien zou de loonkloof, zelfs bij een
strengere nationale loonnorm, nog verder kunnen uitdijen vanwege de algemeen
verspreide praktijk van automatische loonindexering op sectorniveau. Het huidige kader legt weliswaar een plafond voor de reële
loonstijging op, maar laat de sociale partners de vrijheid om op het niveau van
hun keuze loonindexeringsakkoorden te sluiten. Dit betekent dat een aanzienlijk
deel van de loonstijgingsmarge buiten het toepassingsgebied van de loonnormwet
en buiten de loononderhandelingen valt, wat de aanpassingscapaciteit van de
economie hindert. Om het risico te beperken van inflatoire druk die de nominale
lonen met meer dan de toename van de productiviteit ten opzichte van de
buurlanden zou doen stijgen, kan worden gedacht aan een systeem waarbij de
financiële tegenwaarde van stijgingen van de gezondheidsindex slechts
gedeeltelijk naar nominale loonsverhogingen gaat en de rest naar andere vormen
van (niet-loon)compensatie en/of investeringen in opleiding en personeel.
"All-in"-overeenkomsten die de totale loonstijging plafonneren,
zouden dezelfde uitkomst hebben. C. Energiekosten([13]) De directe kosten van energie zijn een
essentiële input bij talrijke productieprocessen en dus medebepalend voor het
concurrentievermogen van de industrie. Daarom kan het
geconstateerde verlies van kostencompetitiviteit niet alleen aan de kosten van
arbeid, maar ook aan de energie-inputs te wijten zijn. Van belang daarbij is
tevens de gebruiksintensiteit. Voor een alomvattende beoordeling van de rol van
energie in het concurrentievermogen van de industrie moet rekening worden
gehouden met beide factoren en gekeken naar de werkelijke kosten per
energie-eenheid (Real Unit Energy Costs (RUEC)), d.w.z. het bedrag dat is
uitgegeven aan energie (inclusief bv. taksen) om één eenheid toegevoegde waarde
te verkrijgen. Voor de verwerkende nijverheid is het RUEC-niveau in België voor
2011 vergelijkbaar met dat in Nederland, maar hoger dan dat in Frankrijk en
vooral in Duitsland (grafiek 3.11).
Volgens ramingen was dat nog steeds zo in 2013.([14]) Ontleding van de RUEC-verandering in de periode 1995-2011 door middel
van een shift-share analyse laat zien dat de RUEC-stijging in de verwerkende
nijverheid in België voor een verhoudingsgewijs groot deel het gevolg is van herstructurerings-
en interactie-effecten. Dit duidt erop dat zich, meer
dan in de buurlanden, een toename heeft voorgedaan van de aandelen van
industriële sectoren met (i) betrekkelijk hoge initiële energiekosten of met
(ii) energiekosten die behoorlijk sterk zijn toegenomen. Hier kan worden
opgemaakt dat het niet zozeer de kosten van een eenheid energie zijn, maar wel
de productiestructuur is die verantwoordelijk is voor de verhoudingsgewijs hoge
RUEC in België. Dat wordt bevestigd door een contrafeitelijke analyse: in de
veronderstelling dat de aandelen van de industriële sectoren in de buurlanden
identiek zouden zijn met de werkelijke aandelen in België, zouden de RUEC in de
industrie, voor 2011, de facto hoger liggen in de buurlanden dan in België (zie
grafiek 3.12). 3.1.4. Werking
van de arbeidsmarkt Het effect van de crisis op de
werkgelegenheid is relatief beperkt gehouden. Voor een
deel komt dat doordat de afgelopen jaren op grotere schaal is gebruikgemaakt
van werktijdverkortingsregelingen, steun voor het scheppen van arbeidsplaatsen
en activeringsmaatregelen. De werkloosheid is van 7,6% in 2012 gestegen tot
8,4% in 2013, tegenover gemiddeld 10,9% in de EU28. De arbeidsmarktparticipatie
van sommige deelgroepen van de bevolking (zie grafiek 3.13) en in sommige gebieden (zie grafiek 3.14) worden echter gekenmerkt door grote
verschillen.([15]) Dit heeft tot
gevolg dat bepaalde gebieden en sectoren door krappe arbeidsmarkten en
groeibelemmerende tekorten aan vaardigheden worden gekenmerkt, terwijl andere
met een aanhoudend hoge werkloosheid worden geconfronteerd. Deze diepgewortelde arbeidsmarktproblemen
blijven voor een chronische onderbenutting van het arbeidspotentieel zorgen. De participatiegraad en het percentage werkenden blijven constant,
maar onder het EU28-gemiddelde (respectievelijk 72,5% tegenover 76,5% en 67,2%
tegenover 68,2% in 2012). De langdurige werkloosheid als percentage van de
totale werkloosheid is onveranderlijk hoog en ligt sedert verschillende jaren
boven het EU28-gemiddelde. Pas sedert kort, voornamelijk als gevolg van de hoge
tol die de crisis op de arbeidsmarkt van een aantal lidstaten heeft geëist, is
er sprake van convergentie van de langdurige werkloosheid met dat gemiddelde
(in 2012, 45,9% tegenover 46,1%). De deelgroepen laaggeschoolden, jongeren,
ouderen en onderdanen van derde landen zijn het minst actief op de
arbeidsmarkt, veel minder dan gemiddeld in de EU (zie
grafiek 3.13). Volgens ramingen van
de OESO (2013) zou het effect op de begroting van het op het niveau van eigen
onderdanen brengen van de werkgelegenheidsgraad van onderdanen van derde
landen, bijna 1% van het bbp bedragen, of het meeste van alle EU-lidstaten.
Zoals uit grafiek 3.14 kan worden
opgemaakt, blijven er grote geografische verschillen inzake werkgelegenheid en
werkloosheid, waarbij bijvoorbeeld de werkloosheid in Brussel vier maal hoger
ligt dan in de aangrenzende provincie Vlaams-Brabant. Het matig presteren van de Belgische
arbeidsmarkt vindt zijn oorsprong in diverse factoren.
Met name: 1) de grootste (en nog groeiende) belastingwig in de EU, die in
combinatie met het stelsel van werkloosheidsuitkeringen zorgt voor krachtige
werkloosheids- en inactiviteitsvallen voor de meeste categorieën van de
beroepsbevolking (zie onder); 2) aanzienlijke verticale en horizontale
mismatches op het gebied van de vaardigheden ([16]), waardoor de middelenallocatie op de arbeidsmarkt niet altijd even
doeltreffend verloopt; 3) slechts matig effectieve activeringsmaatregelen; 4)
de grootschalige maar verminderende gebruikmaking van vervroegd pensioen en
brugpensioen, en 5) het loonvormingssysteem dat weinig ruimte laat voor
sectordifferentiatie en zodoende de meest productieve sectoren de mogelijkheid
ontneemt de lonen te gebruiken als middel om gekwalificeerde arbeidskrachten
aan te trekken. Daarnaast blijven sommige courante praktijken, zoals
anciënniteitsbonussen, eventuele vertrekvergoedingen en mogelijkheden op
vervroegde uittreding, de beroepsmobiliteit afremmen. Deze verschillende factoren zijn
verantwoordelijk voor de bescheiden potentiële groei doordat zij de benutting
en de optimale allocatie van de factor arbeid hinderen, wat een ongunstige
invloed heeft op de totale productiviteit, het aanpassingsvermogen en
uiteindelijk op de creatie van arbeidsplaatsen.
Daarenboven zet de inefficiënte werking van de arbeidsmarkt het
socialezekerheidssysteem en de overheidsfinanciën in het algemeen onder zware
druk. In het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden
zal de klemtoon liggen op de werkloosheidsuitkeringen en de
activeringsmaatregelen, die nauwer verband houden met de overheidsfinanciën en
de potentiële groei. Om de prikkels om werk te zoeken te
versterken, hebben de Belgische autoriteiten een wettelijke hervorming van het
stelsel van werkloosheidsuitkeringen goedgekeurd en gerichte maatregelen
genomen om de fiscale druk op arbeid te verlichten. Zo
zijn er bijvoorbeeld verschillende verhogingen geweest van de
"werkbonus" voor de laagste inkomens.([17]) Verwacht mag worden dat deze maatregelen de werkloosheids- en
inactiviteitsvallen aan de onderkant van de loonschaal enigszins zullen
afzwakken, maar het effect ervan komt nog niet tot uiting in de jongst
beschikbare gegevens.([18]) Het lijdt
echter geen twijfel dat de historisch gegroeide werkloosheidsvallen in België
groot en hardnekkig zijn. Volgens de meest recente cijfers van het OESO
"tax and benefits"-model([19]) behoren zij tot de grootste in de EU. Op het gebied van de werkloosheidsval
scoorde België op de 30 categorieën werkenden van het OESO-model beter dan of
in lijn met het EU-gemiddelde voor vier categorieën in 2001, acht categorieën
in 2006 en maar zes categorieën in 2012 (zie grafiek 3.15). In 2012 lag de werkloosheidsval voor de lage
inkomens die bij herintreding 67% van het gemiddelde loon verdienden, boven het
EU-gemiddelde voor alle gezinssamenstellingen, in het bijzonder voor
alleenstaanden en voor gehuwde tweeverdieners waarbij de hoofdverdiener 100%
van het gemiddelde loon verdient. De sterke werkloosheidvallen hebben de
nodige politieke aandacht gekregen. De beleidsmakers
hebben de voorbije jaren pogingen ondernomen om het probleem aan te pakken door
middel van doelgerichte maatregelen aan de onderkant van de loonschaal. Deze
initiatieven hebben effectief geleid tot een verkleining van de
werkloosheidsvallen voor de allerlaagste lonen (tot 50% van het gemiddelde
loon) voor alle types huishoudens. Daar staat tegenover dat de val is vergroot
voor werknemers die 67% van het gemiddelde loon of meer verdienen, bij wie het
andermaal de alleenstaande ouders of de alleenstaanden zijn die financieel het
minst geprikkeld worden om te werken. De enige categorieën waarvoor België
beter scoort dan het EU-gemiddelde zijn de huishoudens met de laagste inkomens
(d.w.z. 33% van het gemiddelde loon of minder). Vergelijking met de drie buurlanden geeft
een meer gevarieerd beeld te zien. Volgens een studie
van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (2012) varieert de netto
vervangingsratio in België sterk volgens het salarisniveau, waarbij de laagste
lonen beter beschermd zijn dan in de buurlanden en de lonen vanaf 100% van het
gemiddelde loon minder dan in elk van de drie buurlanden.([20]) Als ook rekening wordt gehouden met de aanvullende sociale toelagen,
is een gemiddeld gezin van vier in Duitsland en Nederland beter beschermd dan
in België bij een inkomen van 67% van het gemiddelde loon. Bij 100% van het
gemiddelde loon zijn dergelijke gezinnen aanvankelijk beter beschermd in de
buurlanden dan in België, maar als gevolg van de dalende uitkeringen keert de
situatie om na 23 maanden in Nederland en na 25 maanden in Frankrijk en
Duitsland. De recente hervorming van het stelsel van
werkloosheidsuitkeringen brengt enkele belangrijke nieuwigheden in de opzet van
de werkloosheidsverzekering mee. Sinds november 2012
nemen de werkloosheidsuitkeringen na verloop van tijd sneller af dan tot
dusverre het geval was. Daartoe is de netto vervangingsratio verhoogd voor de
eerste zes maanden (tot 65% van het brutoloon met een maximum van een bruto
referentieloon van 2370,8 EUR voor de eerste drie maanden en 60% van hetzelfde
referentieloon voor de volgende drie maanden) en wordt hij op hetzelfde niveau
als vóór de hervorming gehandhaafd voor de volgende zes maanden (60% van het
brutoloon met een maximum van 2209,6 EUR). Na het eerste jaar wordt de
werkloosheidsuitkering gefaseerd verlaagd, in een tempo dat afhankelijk is van
de samenstelling van het huishouden en de lengte van de voorafgaande
bijdrageperiode. Na een periode die 16 tot 48 maanden bedraagt, vallen
werkzoekenden terug op een vast bedrag dat iets hoger is dan het leefloon.([21]) Er zijn uitzonderingen voor tijdelijk werklozen, sommige categorieën
oudere werklozen of vastbenoemden, en werklozen met een handicap.([22]) Terzelfder tijd zijn de uitkeringsvoorwaarden versoepeld, door voor
de berekening van eerdere werkervaring langere referentieperioden te hanteren
(21, 33 en 42 maanden in plaats van respectievelijk 18, 27 en 36) en door ook
perioden van activiteit in het kader van programma's voor terugkeer naar de
arbeidsmarkt met gewerkte perioden gelijk te stellen. Daarnaast zijn de
activeringsmaatregelen en de vereisten inzake de beschikbaarheid voor werk
aangescherpt. Voorts is de periode waarin jongeren ouder dan 18 die de
arbeidsmarkt betreden een "wachtvergoeding" ontvangen, beperkt tot
maximaal drie jaar.([23]) Cruciaal om de arbeidsparticipatie te
verhogen, is het aanhouden van een goed evenwicht tussen, enerzijds, de
combinatie van weldoordachte uitkeringen (met degressiviteit in de tijd) en
adequate sollicitatieverplichtingen, en, anderzijds, daadwerkelijke begeleiding
en opleidingsmogelijkheden.([24]) De wettelijke hervorming van de werkloosheidsuitkeringen door de
Belgische autoriteiten is een stap in de richting van een dergelijk evenwicht.
De complexiteit van de berekeningsmethode zou evenwel afbreuk kunnen doen aan
de aanmoedigingseffecten die van het stelsel in zijn geheel moeten uitgaan. Ook
is het zo dat de geleidelijke uitbreiding van de activeringsmaatregelen tot de
oudere categorieën en stijgende werkloosheid de vraag naar follow-up,
begeleiding en omscholingsdiensten doet toenemen, wat de bestaande
capaciteitsproblemen zou kunnen verergeren. Ook de inactiviteitsvallen zijn aanzienlijk
en bij de grootste in de EU. Voor wie niet in
aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering of er geen toegang toe heeft
maar wel door de sociale zekerheid wordt gedekt, zijn de inactiviteitsvallen
beduidend groter dan het EU-gemiddelde, en dit voor alle categorieën van de
beroepsbevolking en alle types huishoudens. Gegevens voor 2012 laten zien dat
er voor mensen met een zeer laag inkomen, 30% van het gemiddelde loon, zeer
zwakke financiële prikkels zijn om te werken, met name als zij alleenstaande
ouder, alleenstaande of gehuwde met één inkomen en geen kinderen zijn.([25]) Een OCMW-studie van 2012 bevestigt dat alleenstaande ouders met
kinderlast die ongeveer het minimumloon verdienen, nog steeds meer socialezekerheidsvergoedingen
en -uitkeringen ontvangen dan wanneer zij zouden werken en dus in het geheel
niet worden gestimuleerd om actief naar werk te zoeken. Bovendien bestaan er
grote lagelonenvallen voor de meeste categorieën werknemers en gezinstypes,
waardoor laaggeschoolde werknemers niet worden aangemoedigd om meer uren te
werken of inspanningen te doen om hun vaardigheden uit te breiden, omdat zij
bij een hoger loon hun toelagen zouden verliezen. Dit heeft ook een impact op
het concurrentievermogen, in de vorm van een lagere productiviteitsgroei. De Belgische arbeidsmarkt wordt eveneens
gekenmerkt door een sterke mismatch tussen het aanbod van vaardigheden en van
banen. Zoals het verloop van de Beveridge-curve
(grafiek 3.16) laat zien, is de
doeltreffendheid van de matching niet significant verslechterd na de crisis.([26]) In de periode 2008-09 liep het aantal vacatures terug en de
werkloosheid op, waarna de mismatch in 2010 verergerde met een hoger aantal
vacaturen en hogere werkloosheid. In 2011 en 2012 nam de werkloosheid af en
steeg het aantal vacatures, waarna medio 2013 terug ongeveer het niveau van
2010 werd opgetekend. Er blijft niettemin een hardnekkig grote
mismatch tussen het aanbod van vaardigheden en van banen, waarbij de vraag naar
de laatste zich toespitst op hooggeschoolde profielen terwijl er een aanbod van
laaggeschoolden is dat grotendeels onbenut blijft. De
mismatch doet zich weliswaar in het hele land voor, maar lijkt vooral in Brussel
ernstige vormen aan te nemen (Zimmer, 2012). Zoals grafiek 3.17 toont, is meer dan 80% van de actieve
bevolking met een diploma hoger onderwijs aan het werk in België, tegenover
60% van de middelgeschoolden en minder dan 40% van de laaggeschoolden. De regering heeft het probleem weliswaar
onderkend, maar de initiatieven om het aantal afgestudeerden in wetenschappen
en ingenieurswetenschappen te vergroten en jongeren naar technische beroepen te
oriënteren hebben tot hiertoe nog geen vruchten afgeworpen. Het aantal afgestudeerden in wiskunde, wetenschappen en technologische
richtingen ligt in België nog altijd onder het EU-gemiddelde (1,26% tegenover
1,68% van de 20-29-jarigen in 2011). Het zou zowel voor de werknemers als voor
de economie een goede zaak zijn mochten meer studenten in die richting worden
geöriënteerd aangezien het loonverschil tussen laag-/middelgeschoolden en
hooggeschoolden voor dezelfde leeftijdscategorie aanzienlijk is (zie grafiek 3.18) en een groter aandeel van hooggeschoolde
werknemers in de totale beroepsbevolking de arbeidsproductiviteit zou verhogen.
De activeringsmaatregelen zijn ook
belangrijk om de matching tussen het aanbod van vaardigheden en van banen te
verbeteren. Niettegenstaande België tot de landen
behoort die in verhouding tot het bbp het meeste aan een actief
arbeidsmarktbeleid uitgeven([27]), blijven de
resultaten daarvan achterwege, zoals kan worden afgeleid uit de
werkgelegenheidsgraad die nog steeds onder het gemiddelde ligt, terwijl de
werkloosheidsgraad grosso modo constant is gebleven ondanks de
financieel-economische crisis. De meest recente hervorming van het stelsel van
werkloosheidsuitkeringen omvatte eveneens activeringsmaatregelen waarbij
werkzoekenden sneller en intensiever follow-up krijgen. Het is de bedoeling
werklozen hierdoor sneller aan een baan te helpen en de afstemming tussen
werkzoekenden en gevraagde vaardigheden te verbeteren. De nadelige gevolgen van de werkloosheids-
en inactiviteitsvallen voor de arbeidsmarktparticipatie worden door de
Belgische autoriteiten erkend. Er worden de facto stappen
ondernomen om de kwestie aan te pakken([28]), maar die moeten hun volle effect nog sorteren en het is
twijfelachtig of de reeds goedgekeurde maatregelen ver genoeg gaan om het
probleem volledig op te lossen. Alhoewel de werkloosheidsval aan de onderkant van
de loonschaal feitelijk iets is verminderd, blijven er hardnekkig grote
werkloosheidsvallen bestaan voor huishoudens met een iets hoger inkomen. Omdat de socialezekerheidsbijdragen voor de
laagste lonen reeds significant zijn verlaagd, is er weinig ruimte om de
belastingwig langs deze weg extra te verkleinen. Een
grondige hervorming van de fiscaliteit zou wat dat betreft wellicht effectiever
zijn (zie deel 4). De belastingdruk verleggen van arbeid naar andere
grondslagen zou daadwerkelijk ertoe kunnen bijdragen werk lonender te maken en
werklozen ertoe aanzetten zich weer op de arbeidsmarkt te begeven. Tevens
zouden additionele aanpassingen kunnen worden overwogen om de negatieve
prikkels om te gaan werken voor tweede verdieners te beperken, bijvoorbeeld
door het gemiddelde effectieve belastingtarief voor tweede verdieners te
verlagen ten opzichte van alleenstaanden of door de kinderbijslag
(gedeeltelijk) te vervangen door voordelen in natura om de
arbeidsmarktparticipatie in de hand te werken. Tot slot zijn de
tenuitvoerlegging van de zesde staatshervorming en de daarmee samenhangende
verdere regionalisering van het activeringsbeleid een gelegenheid om de
effectiviteit van de verschillende bestaande maatregelen grondig te evalueren.
Dit biedt de kans om die activeringsmaatregelen en werkstimulansen te
rationaliseren en te integreren in een coherent beleid dat aan de behoeften van
de arbeidsmarkt van de regio's is aangepast. Conclusies met betrekking tot het externe
concurrentievermogen België blijft in een zorgwekkend tempo en
sneller dan de meeste andere EU-lidstaten exportmarktaandelen verliezen. Voor
een deel is deze trend het gevolg van de traditionele focus op geografisch
nabije markten, die met een tragere groei te kampen hebben. Alhoewel er tekenen
zijn van verbetering wat deze laatste factor betreft, blijft de andere
belangrijke factor – de ontwikkeling van de kosten – het vermogen aantasten van
de Belgische industriiêle ondernemingen om internationaal met succes te
concurreren. Dit verlies aan kostencompetitiviteit openbaart zich in
indicatoren zoals de winstmarges en banenschepping, en bedreigt het duurzame
groeipotentieel. Het verlies aan concurrentievermogen wordt bijgevolg nog
steeds als een bedreiging voor de stabiliteit van de Belgische economie op
middellange termijn beschouwd. De afgelopen jaren hebben de Belgische
autoriteiten een reeks acties in gang gezet om deze onevenwichtigheid aan te
pakken, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van de loonkosten, maar
bijvoorbeeld ook het stimuleren van innovatieve activiteiten om de productmix
beter af te stemmen op de arbeidskosten. De mate waarin dit België's
concurrentiepositie zal verbeteren, hangt evenwel af van de ontwikkelingen in
andere landen. Gelet op de hervormingen die overal in Europa worden
doorgevoerd, is het zaak voor België geen achterstand op te lopen. Daartoe is
ambitieuzer en tijdig optreden geboden, onder ander een grondige hervorming van
de fiscaliteit om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar andere
bronnen, een hervorming van het loonvormingssysteem om meer differentiatie
mogelijk te maken en rekening te houden met de conjunctuur, en het verhelpen
van de hardnekkige manco's van de arbeidsmarkt. 3.2. Schuldenlast In april 2013 heeft de Commissie
geconcludeerd dat België met macro-economische onevenwichtigheden
werd geconfronteerd met betrekking tot de schuldenlast, in het
bijzonder wat de gevolgen van de hoge overheidsschuld voor de reële economie
betrof. In dit punt kijken wij naar de recente ontwikkeling van de
overheidsschuld en beoordelen wij de potentiële risico’s. In de diepgaande evaluatie van vorig jaar
werd ook geconcludeerd dat de schuldenlast van de particuliere sector, die in
niet-geconsolideerde cijfers hoog is, niet op zich aandienende risico's duidde
omdat zij in geconsolideerde termen nog altijd redelijk te noemen is. Het grote verschil tussen beide niveaus kon worden verklaard door de
omvangrijke groepsinterne leningen van niet-financiële vennootschappen, die
door fiscale gunstregelingen worden aangemoedigd en geen macro-economische
onevenwichtigheden teweegbrengen. In dit hoofdstuk zullen wij de geldigheid
van deze conclusie opnieuw beoordelen. 3.2.1. Recente
ontwikkeling van de overheidsschuld Volgens de winterprognoses 2014 van de
Europese Commissie bedroeg de geconsolideerde overheidsschuld eind 2013 bijna
100 % van het bbp([29]), hetzelfde
niveau als eind 2012. Dit is ruim boven de PMO-drempel
van 60 % en ook meer dan het totaal in de eurozone (95 % van het bbp
in 2013). Ondanks omvangrijke maatregelen in de financiële sector en een tekort
dat in de periode 2009-2012 boven de drempel van 3 % van het bbp uitkwam,
is de toename van de schuld sinds het begin van de financiële en economische
crisis in België toch duidelijk minder groot dan in vele andere lidstaten en
dan in de eurozone als geheel (zie grafiek 3.19). Aangezien de stijging van de schulden
gepaard ging met de accumulatie van activa in de financiële sector, was de
nettoschuldtoename beperkter. Zij was sinds 2007 met
8 procentpunten van het bbp gestegen (in vergelijking met meer dan
20 procentpunten in de eurozone). De nettoschuldquote is sinds 2011 grosso
modo stabiel gebleven en staat nu ongeveer op het niveau van 2005. In 2013 werd het primaire overheidssaldo
voor het eerst sinds het begin van de crisis weer positief. Het negatieve sneeuwbaleffect zette zich echter voort, met
rente-uitgaven die – hoewel deze historisch laag waren – meer bedroegen dan de
nominale bbp-groei (zie grafiek 3.20). Om haar eigen verbintenis na te komen om de
schuldquote in 2013 onder de 100 % van het bbp te houden([30]), heeft de overheid diverse activa verkocht,
zoals de beleggingsportefeuille van Royal Park Investments (0,2 % van het
bbp), de deelneming in BNP Paribas Fortis (0,8 % van het bbp) en de
aanspraak op de toekomstige huur van het Berlaymontgebouw (0,2 % van het
bbp). KBC heeft een lening ten bedrage van 0,5 % van het bbp terugbetaald.
Het effect van deze transacties werd echter gedeeltelijk teniet gedaan door
negatieve stock-flow adjustments, zoals de bijdrage aan de EFSF en het
ESM (0,6 % van het bbp). Bovendien heeft de verkoop van activa enkel op de
brutoschuld een positief effect, terwijl het effect op de nettoschuld neutraal
is. Bij ongewijzigd beleid zal de
brutoschuldquote in 2014 naar verwachting verder stijgen tot 100,5 % van
het bbp, vooral vanwege de stock-flow adjustments (bijdrage aan de EFSF
en het ESM), en in 2015 beginnen te dalen. Indien de
huidige verbintenissen inzake begrotingsconsolidatie worden uitgevoerd, zouden
zij de komende jaren een gestage daling van de Belgische overheidsschuld moeten
bewerkstelligen. De reductie van de schuldquote wordt echter nog steeds
belemmerd door een lage inflatie, een zwakke bbp-groei en, op langere termijn,
de gevolgen van de vergrijzing (zie punt 3.2.3). In de volgende punten wordt de hoge
overheidsschuld van België in perspectief geplaatst. 3.2.2. Risico
van druk op de begroting op korte termijn Ondanks de hoge overheidsschuld lijkt
België snel opnieuw het marktvertrouwen te hebben gewonnen na de plotselinge
stijging van de risicopremies op Belgische overheidsobligaties eind 2011. Het land geniet momenteel relatief lage financieringskosten (zie grafiek
3.21). Door de herfinanciering van
zijn schuld tegen lage rentevoeten heeft de Belgische staat zijn rentelasten
drastisch kunnen verlagen, zelfs nadat de overheidsschuld weer begon te
stijgen. Momenteel staan de rentes op Belgische
obligaties op een historisch laag peil en zijn de spreads ten opzichte van
Duitse obligaties vergelijkbaar met die van de kernlanden (zie grafiek 3.22). Behalve
aan de maatregelen van de ECB en de politieke vooruitgang op het gebied van de
EMU-architectuur, kan het herwonnen marktvertrouwen waarschijnlijk ook worden
toegeschreven aan de goede prestaties van België bij de uitvoering van
omvangrijke plannen voor begrotingsconsolidatie in het verleden, met name in de
jaren '80 en '90([31]). Ook de
relatief gezonde situatie van de particuliere sector (zie hieronder) kan een
rol hebben gespeeld. Als een soort kantelstaat tussen de kernlidstaten en de
perifere lidstaten kan België echter geconfronteerd worden met een snel
stijgende risicopremie wanneer de financiële onrust in de eurozone opnieuw
toeneemt of bij binnenlandse politieke instabiliteit. Er lijkt momenteel geen gevaar te zijn dat
de Belgische begroting op korte termijn onder druk zal komen te staan. De gemiddelde looptijd van de (federale) schuldportefeuille([32]) is eind 2013 met 7,6 jaar relatief lang (Belgisch Agentschap van
de Schuld, 2014). De Belgische regering heeft van de huidige situatie gebruik
gemaakt om de uitstaande schuld tegen lage rentevoeten te herfinancieren en
heeft een deel van de financieringsbehoeften voor 2014 voorgefinancierd. Het
herzettingsrisico([33]) op
12 maanden en op 60 maanden van de federale overheidsschuld daalde
van 20,3 % en 56,8 % eind 2012 tot 15,8 % en 51,3 % eind
2013 (Belgisch Agentschap van de Schuld, 2014). Hoewel het risico klein lijkt dat de
begroting op korte termijn onder druk zal komen te staan, zou een langere
periode van hogere rente op de overheidsschuld aanzienlijke gevolgen hebben
voor de Belgische overheidsfinanciën (zie ook grafiek 3.23). Hogere rente-uitgaven zouden moeten worden
gecompenseerd door een hogere belastingdruk of bezuinigingen elders, die op hun
beurt weer invloed kunnen hebben op de economische activiteit. Bovendien zouden
rentebetalingen aan niet-ingezetenen het saldo van het primair inkomen doen
verslechteren en dus bijdragen aan de verslechtering van de externe positie van
het land. Zoals in de voorgaande punten werd gezegd, oefenen concurrentieproblemen
reeds druk uit op het saldo van de lopende rekening. Hogere financieringskosten voor de overheid
zouden ook overslaan op de particuliere sector en de financieringskosten de
hoogte instuwen voor binnenlandse financiële instellingen en uiteindelijk ook
voor niet-financiële ondernemingen en huishoudens,
met nadelige gevolgen voor de investeringen en de innovatie. Een ander
kanaal naar de reële economie loopt via de kosten van hypothecaire leningen met
een variabele rente, die bij wet gekoppeld is aan de marktrente van Belgische
obligaties. Tot slot vermindert de hoge overheidsschuld ook het vermogen van de
overheidsfinanciën om het hoofd te bieden aan eventuele ongunstige economische
schokken, waardoor de kwetsbaarheid van de economie als geheel toeneemt. 3.2.3. Houdbaarheidsrisico’s
van de Belgische overheidsschuld op lange termijn Naast de hoge overheidsschuld hebben de
overheidsfinanciën van België ook te kampen met bovengemiddelde te verwachten
gevolgen van de vergrijzing, waarbij de kosten van de vergrijzing tegen 2030
naar schatting met bijna 5 procentpunten van het bbp zullen toenemen.([34]) Bij
ongewijzigd beleid([35]) zal dit de overheidsschuld
in 2030 naar verwachting tot bijna 127 % van het bbp doen oplopen, terwijl
op basis van vergelijkbare simulaties wordt verwacht dat de totale schuldquote
in de eurozone zal afnemen. Bovendien zijn deze langetermijnprognoses zeer
gevoelig voor veranderingen in het onderliggende macro-economische scenario.
Een stijging van 1 procentpunt van het veronderstelde rentepercentage of
een bbp-groei van 0,5 procentpunt minder zou de overheidsschuld op
136 % van het bbp brengen (zie grafiek 3.23). Anderzijds zou voldoende vooruitgang in de
richting van de middellangetermijndoelstelling (MTD) van België([36]), zoals voorgeschreven door het stabiliteits- en groeipact, de
overheidsschuld standvastig omlaag kunnen brengen, zodat deze aan het einde van
de periode rond de drempel van 60 % zou uitkomen. In dit verband moet worden opgemerkt dat
België reeds een relatief hoge belastingdruk kent. Er
is dus weinig begrotingsruimte om door middel van inkomstenverhogende
maatregelen de verplichtingen uit een grotere schuldenlast na te komen of de
schuldenlast te verlichten. Er is echter ruimte om het belastingstelsel minder
groeiverstorend te maken, met name door een verschuiving weg van belastingen op
arbeid (zie punt 4). Anderzijds zijn de overheidsuitgaven in
België sterk gedecentraliseerd. Dit is een bijzondere uitdaging voor de
schuldvermindering, die hoofdzakelijk op federaal niveau plaatsvindt. Bovendien zal de stijging van de kosten van de vergrijzing zich vooral
op federaal niveau voordoen. Met de recente staatshervorming en de hervorming
van de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de
gewesten (zie kader 3.4) wordt geprobeerd
een antwoord te bieden op deze uitdaging, onder meer door de financiële
transfers van het federale naar het subfederale niveau slechtst gedeeltelijk
aan de bbp-groei aan te passen. Kader 3.4: Zesde Belgische staatshervorming De laatste 40 jaar is België van een gecentraliseerde eenheidsstaat naar een federale staat geëvolueerd. Door middel van verschillende ronden van staatshervormingen zijn de territoriaal afgebakende gewesten en de op de taal gebaseerde gemeenschappen in grote mate bevoegd geworden voor het doen van uitgaven, die grotendeels worden gefinancierd met dotaties van het federale niveau die in de zogenaamde Bijzondere Financieringswet worden gedefinieerd. Momenteel wordt in België nog een staatshervorming doorgevoerd, die nieuwe bevoegdheden aan het subfederale niveau toekent en de financiële regelingen wijzigt. Deze zogenaamde "zesde staatshervorming" werd eind 2013 door het parlement goedgekeurd en zal vanaf midden 2014 worden uitgevoerd. De zesde staatshervorming hevelt extra bevoegdheden naar de deelstaten over, die momenteel met uitgaven ten bedrage van ongeveer 20 miljard EUR (5 % van het bbp) overeenkomen. De gewesten krijgen nieuwe bevoegdheden met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid, zoals het doelgroepenbeleid (met inbegrip van het systeem van de dienstencheques), activering en controle van de beschikbaarheid van werklozen, beroepsopleidingen en economische migratie. Het arbeidsrecht blijft volledig tot de federale bevoegdheden behoren. Voor het eerst wordt ook een aanzienlijk deel van de sociale zekerheid overgedragen door de overheveling van de bevoegdheid voor de kinderbijslag naar de deelstaten. Deze worden ook bevoegd voor een aantal onderdelen van de gezondheidszorg en de "long care"-zorgen (onder meer hulp aan bejaarden), waardoor een deel van de kosten van de vergrijzing naar de deelstaten wordt verschoven. Tot slot worden in deze hervorming ook bepaalde aspecten van het beleid inzake justitie, energie (distributietarieven) en concurrentie (vergunningen voor handelsvestigingen, toegang tot beroepen, prijzencontrole) geregionaliseerd. Met de huidige hervorming wordt een beter afgebakende verdeling van de taken beoogd, maar ook na de hervorming blijven de bevoegdheden vaak verspreid over verschillende beleidsniveaus. Parallel hiermee wordt in de zesde staatshervorming de Bijzondere Financieringswet, waarin de financiering van de gemeenschappen en gewesten wordt geregeld, herzien. Momenteel worden deze hoofdzakelijk gefinancierd door forfaitaire overdrachten van federale middelen, die worden verdeeld door middel van een combinatie van economische en demografische verdeelsleutels. Vanaf 2015 worden de overdrachten naar de regio's bijna volledig vervangen door zogenaamde gewestelijke aanvullende opcentiemen op de federale personenbelasting([37]) (ongeveer een vierde van de totale inkomsten uit de personenbelasting). De deelstaten worden bevoegd om de tarieven en belastingschijven van deze gewestelijke opcentiemen te bepalen, weliswaar binnen bepaalde grenzen, bijvoorbeeld met behoud van de regels inzake progressiviteit van de personenbelasting. De deelstaten worden eveneens bevoegd voor een aantal belastingverminderingen met betrekking tot de eigen beleidsterreinen (bv. voor huisvesting, energiebesparende maatregelen, dienstencheques). Het vaststellen van de belastbare basis en de belastinginning blijven federale bevoegdheden. De deelstaten zullen nog steeds gefinancierd worden door middel van dotaties uit federale belastinginkomsten. Een overgangsmechanisme zal ervoor zorgen dat de hervormde financiële regelingen geleidelijk worden ingevoerd. De nieuwe financiële regelingen omvatten ook enkele bepalingen om de fiscale situatie van het federale niveau en de deelstaten weer in evenwicht te brengen. Tussen 2014 en 2016 zullen de dotaties aan de gewesten en de gemeenschappen met een forfaitair bedrag worden verminderd, om de deelstaten zo te laten bijdragen aan de geplande begrotingsconsolidatie op federaal niveau, die wordt belemmerd door een beperktere ontvangsten- en kostenbasis als gevolg van de hervorming. De gewesten en gemeenschappen zullen ook een toenemende bijdrage leveren voor de pensioenen van hun ambtenaren. Tot slot zullen de transfers jaarlijks slechts gedeeltelijk aan de bbp-groei worden aangepast om het verlies aan inkomsten uit de geregionaliseerde personenbelasting – die gewoonlijk sneller toenemen dan het bbp – te compenseren. Tot slot wordt de houdbaarheid van de
overheidsschuld ook bepaald door het groeipotentieel van de economie. In punt 2 werd gewezen op de huidige lage potentiële groei van de
Belgische economie, met name door een geleidelijke uitholling van de bijdrage
van de totale factorproductiviteit sinds het begin van de jaren negentig. Het
verlies aan concurrentievermogen en de inefficiënties op de arbeidsmarkt die
eerder werden besproken, maken de hoge schuldenlast nog problematischer doordat
zij de groeivooruitzichten temperen, waardoor het nog lastiger wordt om de
schuldquote op een neerwaarts traject te brengen. 3.2.4. Verbanden
met de financiële sector België heeft nog steeds omvangrijke latente
verplichtingen als gevolg van de waarborgen die het aan de financiële sector
heeft verstrekt, hoewel deze sinds de diepgaande evaluatie van vorig jaar
aanzienlijk zijn verminderd. In december 2013
bedroegen de uitstaande waarborgen 45,4 miljard EUR (12 % van
het bbp), tegenover 59,6 miljard EUR in 2012([38]). Het maximumrisico bedraagt momenteel 56 miljard EUR
(14 % van het bbp)([39]) en houdt
hoofdzakelijk verband met de waarborgregeling voor Dexia. De verkoop van de
beleggingsportefeuille van Royal Park Investments (een special purpose
vehicle dat in het kader van de reddingsoperatie van Fortis was gecreëerd)
en van de deelneming in BNP Paribas Fortis, evenals de vermindering van een
lening aan KBC hebben ertoe geleid dat de staat minder aan de ontwikkelingen in
de financiële sector was blootgesteld. Belfius, een van de vier grote banken op
de Belgische markt, is nog steeds volledig in handen van de overheid. De interactie tussen de overheidsschuld en
de financiële sector speelt ook in de tegenovergestelde
richting, met name door de omvangrijke staatsschuldportefeuille op de
balans van de financiële sector. Tussen 2008 en 2012 was er een sterke
toename van de portefeuilles Belgische obligaties van de binnenlandse
financiële sector, ten koste van buitenlandse obligaties. Hoewel deze grotere
concentratie op de binnenlandse markt op het hoogtepunt van de staatsschuldencrisis
als buffer kan hebben gefungeerd, heeft deze ook de mogelijke overloopeffecten
versterkt tussen de overheidsschuld en de financiële sector in geval van een
daling van de marktwaarde van de overheidsobligaties. De trend van een steeds grotere
blootstelling aan de binnenlandse overheidssector werd in 2013 gedeeltelijk
omgebogen. Sinds eind 2012 is de binnenlandse
blootstelling van kredietinstellingen van 69 miljard EUR naar
62 miljard EUR gedaald en heeft zij zich gestabiliseerd op ongeveer
60 miljard EUR voor verzekeringsmaatschappijen. De hierboven
beschreven negatieve terugkoppelingseffecten blijven echter een bron van
kwetsbaarheid wanneer de financiële spanningen opnieuw toenemen. De twee belangrijkste uitdagingen voor de
Belgische financiële sector zijn het halen van de nieuwe regelgevingsvereisten
en het verbeteren van de lage rentabiliteit (zie kader
3.5). 3.2.5. De
overheidsschuld en de totale schuldenlast van de Belgische economie België kent niet alleen een hoge overheidsschuld, maar wordt ook gekenmerkt door een hoge schuldenlast van de
particuliere sector, althans in niet-geconsolideerde termen. In 2013
bedroeg de niet-geconsolideerde schuld van de particuliere sector 243 %
van het bbp, wat iets minder was dan de piek in 2012, maar nog steeds ruim
boven het gemiddelde van de eurozone van 160 % van het bbp lag (zie
grafiek 3.24). Dit hoge cijfer is
voornamelijk toe te schrijven aan de grote schuldenlast van de niet-financiële
vennootschappen (188 % van het bbp). In de diepgaande evaluatie van vorig jaar
werd geconcludeerd dat de schuldenlast van de particuliere sector weliswaar
hoog was in niet-geconsolideerde termen, maar niet op zich aandienende risico's
duidde omdat zij in geconsolideerde termen nog altijd redelijk te noemen was,
vergelijkbaar met het gemiddelde van de eurozone (zie grafiek 3.25) en relatief stabiel sinds 2008.([40]) Het relatief grote verschil tussen beide ratio's in België (ongeveer
100 % van het bbp) kan worden verklaard door de omvangrijke groepsinterne
leningen Kader 3.5: De Belgische financiële sector Hoewel de Belgische financiële sector moeilijke tijden heeft gekend, is hij er beter aan toe dan voor de crisis en heeft de lokale kredietverlening aan de particuliere sector geen ernstige gevolgen van de crisis ondervonden. Hoewel bepaalde problemen met betrekking tot kredietinstellingen in moeilijkheden zoals Dexia blijven bestaan, hebben banken die een tussenkomst van de overheid hebben genoten de verstrekte financiële steun vervroegd terugbetaald. Op sectorniveau zijn de banken minder afhankelijk geworden van de langerlopende herfinancieringstransacties (LTRO's) van de ECB. In 2013 is de schuldafbouw van de banksector gestabiliseerd, want de afname van de totale activa in 2013 is aan veranderingen in de waardering van derivaten toe te schrijven, terwijl andere balansposten relatief stabiel zijn gebleven. Sinds 2007 hebben de Belgische banken hun portefeuilles binnenlandse obligaties geleidelijk uitgebreid, terwijl de blootstelling aan andere landen kleiner werd. In november 2013 bedroegen de totale activa in de Belgische financiële sector bijna 1 076 miljard EUR, dit is iets meer dan 2,5 keer het bbp. Te oordelen naar de omvang van de totale activa, zowel in verhouding tot het bbp als in absolute termen, is de Belgische financiële sector eerder klein in vergelijking met die in andere landen van de eurozone (grafiek 1a). De activa van de financiële sector zijn gelijkmatig verdeeld over de Belgische en buitenlandse banken (grafiek 1b). Vanuit dit oogpunt is België in dezelfde mate blootgesteld aan binnenlandse gebeurtenissen als aan exogene ontwikkelingen die de financiële stabiliteit kunnen bedreigen maar buiten de macht van de lokale autoriteiten vallen. Aan de passiefzijde heeft de verschuiving van wholesalefinanciering naar retailfinanciering geleid tot een toename van de deposito's en de financiering door de centrale bank, terwijl de interbancaire kredietverlening en de uitgifte van kortlopende effecten zijn afgenomen. Omdat zij te afhankelijk waren van de wholesalemarkt stonden sommige kredietinstellingen op het hoogtepunt van de crisis op de rand van de afgrond, dus deze verschuiving is welkom. In 2013 is de wholesalefinanciering stabiel geworden en is dankzij de gunstige marktomstandigheden zelfs enige beterschap merkbaar wat betreft niet door zekerheden gedekte wholesalefinanciering. De LTRO's zijn gedeeltelijk terugbetaald en er werd geen gebruik meer gemaakt van noodliquiditeitssteun. Over het algemeen zijn de kredietnormen in de loop van 2013 iets versoepeld en is het zowel voor niet-financiële vennootschappen als voor huishoudens makkelijker geworden om leningen te krijgen. Ondanks de stijging van de totale schuld is de groei van de kredieten voor niet-financiële vennootschappen en hypothecaire leningen vertraagd (grafiek 2). Hoewel de meeste hypothecaire leningen in België vastrentend zijn, heeft 40 % een variabele rentevoet. Stijgende rentevoeten zouden een risico kunnen vormen voor debiteuren met een variabele rentevoet, maar de praktijken van de banken zijn op dit gebied voorzichtig en de frequentie en omvang van rentestijgingen worden beperkt. Uit het percentage probleemkredieten van 5,05 % in 2012 blijkt vooral de wanbetalingsgraad bij ondernemingen, die door het sombere economische klimaat zijn getroffen, terwijl de huishoudens een beter totaalcijfer laten optekenen. Het "twin peaks"-bankentoezicht
valt in België onder de verantwoordelijkheid van de Nationale Bank van België
(NBB) en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA). De NBB staat in voor het oversight en het prudentieel toezicht op
financiëlemarktinfrastructuren voor transactieverwerking, alsook voor het
micro- en macroprudentieel toezicht, terwijl de FSMA de marktinfrastructuren
en transacties gebaseerd op internationale standaarden beoordeelt. De zich
ontplooiende bankenunie waarin de ECB de enige toezichthouder voor
systeembanken wordt, is een belangrijke stap in de richting van een
geharmoniseerde aanpak en een gemeenschappelijk bankentoezicht. De belangrijkste uitdagingen voor de
Belgische financiële sector zijn het verbeteren van de lage rentabiliteit en
het halen van de nieuwe regelgevingsvereisten. Om te voldoen aan de
CRD IV-/CRR-kapitaalvereisten zullen de Belgische banken hun eigen
vermogen moeten verhogen. Een middel daartoe zou ingehouden winst kunnen
zijn, maar de recentste rentabiliteitsratio's laten op dit gebied een
tegenvallende ontwikkeling zijn. De Belgische banken hebben te lijden onder
de lage rentevoeten en de matige economische omstandigheden. De
kosten-inkomstenverhouding van de Belgische banksector behoort ook tot de
hoogste van de eurozone. (vervolg op de volgende bladzijde) Kader (vervolg) van niet-financiële vennootschappen, die
worden aangemoedigd door fiscale gunstregelingen zoals het stelsel van
coördinatiecentra, dat in 2006 door een meer algemene aftrek voor het eigen
vermogen van een onderneming werd vervangen. Deze aftrek maakt
schuldfinanciering minder aantrekkelijk voor ondernemingen, wat de daling van
de geconsolideerde schuldquote vóór de crisis kan verklaren, maar vormt ook een
stimulans voor groepsinterne leningen, die zichtbaar zijn in de
niet-geconsolideerde schuldquote.([41]) Opgemerkt zij dat ook de geconsolideerde
schuldcijfers groepsinterne leningen omvatten, met name grensoverschrijdende
leningen en leningen binnen multinationale groepen.
Leningen van buitenlandse bedrijven (met uitzondering van MFI’s) aan Belgische
niet-financiële vennootschappen, die in 2012 goed waren voor bijna 40 %
van het bbp, zouden kunnen dienen als een indicator voor deze groepsinterne
leningen. Zoals aangetoond door Bruggeman en Van Nieuwenhuyse (2013), kan de
toename van het aantal dergelijke leningen tussen 2005 en 2012
(+17 procentpunten van het bbp) een groot deel van de stijging van de
geconsolideerde schuldquote van de niet-financiële vennootschappen tussen 2005
en 2012 (+26 procentpunten van het bbp) verklaren. In dezelfde periode
zijn de bankleningen aan niet-financiële vennootschappen slechts met
5 procentpunten van het bbp toegenomen. Tot slot ging de gestage toename van de
passiva van de niet-financiële vennootschappen vergezeld van een accumulatie
van activa. De nettopassiva van deze sector bedragen
ongeveer 90 % van het bbp, wat lager is dan het totaal van de eurozone van
95 % van het bbp. Ook volgens andere indicatoren voor de financiële
gezondheid van de Belgische vennootschappen zijn er geen significante
houdbaarheidsrisico’s. Zoals reeds werd aangetoond in de diepgaande evaluatie
van vorig jaar, vertaalt de toename van de schuldquote zich niet in een toename
van de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen of eigen vermogen/passiva van
niet-financiële vennootschappen. De risico’s die verbonden zijn aan de hoge
overheidsschuld worden ook enigszins gematigd door de goede financiële positie
van de Belgische huishoudens. De schuldenlast van de
huishoudens is lager (55,8 % van het bbp) dan in de eurozone (63,9 %
van het bbp). Hij is de laatste jaren echter voortdurend gestegen (zie
grafiek 3.27), terwijl hij in de
gehele eurozone sinds 2009 stabiel is gebleven. Aangezien de schulden van de
huishoudens overwegend hypothecair zijn, kan deze afwijkende ontwikkeling
worden verklaard door het feit dat zich op de Belgische huizenmarkt, in
tegenstelling tot die in de meeste andere lidstaten van de eurozone, tot nu toe
nog geen prijscorrectie heeft voorgedaan. In de diepgaande evaluatie van vorig
jaar werd betoogd dat een eventuele neerwaartse correctie van de huizenprijzen
slecht beperkte macro-economische gevolgen zou hebben (zie kader 3.6 voor actuele gegevens over de huizenmarkt). Eind 2013 heeft de Nationale Bank van
België een aantal maatregelen genomen om de potentiële risico's van een
overwaardering van de huizenmarkt te beperken: een
verhoging met 5 procentpunten van de eigen berekening door de banken van
de risicogewogen activa voor Belgische hypothecaire leningen, een horizontale
evaluatie van de interne risicogebaseerde modellen van de banken voor Belgische
hypothecaire leningen, een zelfbeoordeling en rapportage door de banken over de
mate waarin zij voldoen aan de adviezen van de Europese Bankautoriteit met
betrekking tot goede praktijken voor hypothecaire kredieten en goede praktijken
voor de behandeling van huiseigenaren met een hypothecaire lening met
betalingsproblemen. Minder dan de helft van de huishoudens
heeft schulden en drie op de tien Belgische huishoudens
hebben een hypothecaire lening. In het laagste inkomenskwintiel heeft
ongeveer 25 % van de huishoudens schulden en gaat 38,5 % van hun
inkomen naar schuldaflossing, wat op Europese schaal relatief veel is (zie
grafiek 3.28). Tegenover de algemene toename van de
schuldenlast van de huishoudens stonden de toenemende financiële activa, wat
heeft geleid tot een relatief lage en stabiele verhouding schuld / financiële
activa. Deze verhouding bedraagt 20,4 %,
tegenover 31 % in de eurozone als geheel. Bovendien is de verhouding
tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen in België tamelijk gelijkmatig
verdeeld (zie grafiek 3.29). Over het algemeen zijn de netto financiële
activa van de huishoudens zeer positief (ongeveer 220 % van het bbp) en
benaderen zij nu het niveau van vóór de crisis. Het
recente herstel houdt vooral verband met de stijging van de aandelenkoersen,
terwijl het volume-effect minder een rol heeft gespeeld door de lichte
heroriëntering van de "huishoudelijke" belegger naar minder
risicovolle activa([42]). De netto
financiële activa van de Belgische huishoudens bedragen aanzienlijk meer dan de
136 % van het bbp in de gehele eurozone en dan die van de drie
belangrijkste handelspartners, waarbij het percentage in Nederland 192 %
bedraagt, in Frankrijk 139,4 % en in Duitsland 126,5 %. Deze gunstige
positie van de huishoudens kan op lange termijn echter veranderen, met name
vanwege lagere besparingen als gevolg van de vergrijzing. De netto financiële activa zijn iets
gelijkmatiger verdeeld dan gemiddeld in de eurozone.
Het hoogste inkomenskwintiel bezit 61,2 % van de netto financiële activa
ten opzichte van 67,7 % in de gehele eurozone. Bovendien is het aandeel
huishoudens met negatieve financiële activa kleiner in België. Deze meer gelijkmatige verdeling van de
financiële activa tussen de inkomensgroepen wordt echter niet volledig bevestigd
in de verdeling van het totale nettovermogen. Terwijl
70 % van de Belgische huishoudens eigenaar is van de woning die hun
hoofdverblijf is - tegenover 60 % in de eurozone (NL: 57,1 %, FR:
55,3 %, DE: 44,2%) - ligt het aandeel huiseigenaren in het laagste
inkomenskwintiel (45 %) in de buurt van het gemiddelde in de eurozone
(47 %) (Du Caju, 2013). Anderzijds is het aandeel van de huishoudens met
een negatief vermogen kleiner in België (2,7 %) dan in de eurozone
(4,8 %) en de drie belangrijkste handelspartners (NL: 11,7 %, DE:
7,4 %, FR: 3,9 %). Concluderend kan worden gesteld dat,
ondanks de aanzienlijke nettoschuldenlast van de overheidssector, de nettoactivapositie
van de Belgische economie zeer positief is (+45 % van het bbp) en
duidelijk meer bedraagt dan die van de gehele eurozone (-24 % van het
bbp), met name dankzij de nettoactiva van de huishoudens, die de nettopassiva
van de overheidssector en de niet-financiële vennootschappen ruimschoots
compenseren (zie grafiek 3.30). Het totale belastingniveau - of niveau van de overheidsuitgaven - weerspiegelt in grote mate de keuzes die de overheid maakt op
het vlak van publieke voorzieningen, zoals de organisatie van de
sociale zekerheid, het onderwijs en de openbare infrastructuur. Het niveau
van de belastingen moet daarom worden beoordeeld in het licht van de publieke
dienstverlening. Vergelijkbare niveaus van totale belastingdruk kunnen echter
sterk uiteenlopende gevolgen voor de economische ontwikkeling hebben, omdat de
mate waarin de druk over verschillende soorten belastingen is gespreid, de
belastingplichtigen niet op dezelfde wijze beïnvloedt. In dit verband kunnen de
verschillende soorten belastingen in oplopende volgorde van
"groeivriendelijkheid" gerangschikt worden, waarbij de mogelijke
concurrentieverstorende effecten toenemen naarmate de totale belastingdruk
stijgt. Kort samengevat worden de belastingen in België gekenmerkt door een
hoog algemeen niveau waarbij de fiscale lasten vooral op arbeid wegen (zie
grafiek 4.1), en hoge nominale
tarieven in combinatie met smalle belastinggrondslagen als gevolg van
aanzienlijke fiscale tegemoetkomingen, met name in de btw en de
personenbelasting. De hoge belastingdruk op arbeid is te
wijten aan de hoge werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid en de hoge
tarieven in de personenbelasting, inclusief voor middelhoge inkomens. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid zijn verantwoordelijk
voor het grootste deel van de loonwig. De hoge belastingdruk op arbeid gaat
hand in hand met de tekortkomingen op de arbeidsmarkt die in deel 3.1.4. zijn
besproken. Het is in deze context dat de EU de Belgische autoriteiten heeft
aanbevolen de suboptimale inrichting van het belastingstelsel aan te pakken
door een globale verschuiving van de belastingen ten gunste van arbeid[43]. Aangezien de loonkosten een van de oorzaken zijn van de hierboven
beschreven verzwakking van het externe concurrentievermogen, kan zo'n fiscale
verschuiving deze onevenwichtigheid helpen herstellen en de lage
arbeidsparticipatie, die kenmerkend is voor de Belgische arbeidsmarkt, helpen
verhogen. Op zijn beurt zou dit het groeipotentieel van het land ondersteunen,
hetgeen aansluit bij de tweede algemene uitdaging, namelijk het waarborgen van
de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Eventuele begrotingsruimte die in de
komende jaren wordt gecreëerd, zal in de eerste plaats moeten worden aangewend
om het begrotingstekort naar omlaag te brengen; op de korte termijn betekent
dit dat belastinghervormingen min of meer inkomstenneutraal zullen moeten zijn
en stabiele inkomstenstromen zullen moeten garanderen. Daarom is een fiscale
verschuiving op dit moment de meest realistische weg om de belasting op arbeid
te verlichten. Ondanks de herhaalde oproep tot een
algehele herziening van het belastingstelsel is er tot op heden geen noemenswaardige
vooruitgang geboekt[44]. Bij de politieke partijen lijkt niettemin een consensus te groeien
over de noodzaak om de belasting op arbeid ingrijpender aan te pakken — hoewel
de financiering van de voorstellen die op tafel liggen, nadere uitwerking behoeft
— en het ziet ernaar uit dat vooruitgang haalbaar is na de verkiezingen van mei
2014 op federaal en gewestelijk niveau. Met name de overheveling naar de
gewesten van bepaalde fiscale bevoegdheden op het gebied van de
personenbelasting en doelgerichte socialezekerheidsbijdragen in het kader van
de zesde staatshervorming (zie kader 3.4) kan perspectieven openen. In deze
bijdrage worden in dit verband verschillende opties bekeken. Herinrichting van het Belgische belastingstelsel Om de belasting op arbeid te verlagen,
kunnen twee benaderingen (of een combinatie daarvan) worden overwogen. De belastingen kunnen upstream worden verlaagd door de socialezekerheidsbijdragen
van de werkgevers te verminderen, of downstream door de personenbelasting
of de socialezekerheidsbijdragen van de werknemers te verminderen[45]. Dit leidt tot een grotere vraag naar arbeid respectievelijk een
groter aanbod van arbeid, die beide door hoge belastingen worden gehinderd. Het
verlagen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid voor
laaggekwalificeerde banen kan de grootste bijdrage leveren aan het creëren van
werkgelegenheid volgens Breemersch & Konings (2013), die er ook op wezen
dat voldoende flankerende maatregelen (bv. opleidingen) moeten worden genomen
om mismatches op te lossen. Simulaties in QUEST leveren vergelijkbare
bevindingen op voor doelgerichte verminderingen van de
socialezekerheidsbijdragen (EC, 2013). Welke benadering ook wordt gekozen, er
zullen compenserende inkomsten uit alternatieve bronnen moeten worden gevonden
om de inkomstenneutraliteit te garanderen. Om
de kosten op arbeid fors terug te dringen, zal een meersporenaanpak vereist
zijn[46]. Een
efficiëntere inrichting van het belastingstelsel is alleen mogelijk als de
compenserende inkomsten afkomstig zijn uit belastinggrondslagen die stabiel
zijn over de economische cyclus heen, breed genoeg zijn en economisch minder
verstorend werken dan belasting op arbeid. Het is bekend dat de economische
verstoringen toenemen volgens het soort belasting: belastingen op onroerend
goed en op verbruik (btw, accijnzen, milieu) zijn minder verstorend dan die op
inkomsten uit arbeid, die op hun beurt minder verstorend zijn dan die op
inkomsten uit onderneming (Arnold, 2008). Onroerendgoedbelastingen Er lijkt ruimte te bestaan voor een
herstructurering en eventuele verhoging van de belasting op onroerende
goederen, die in België grotendeels een gewestbevoegdheid is. Hoewel de totale belasting op onroerend goed al relatief hoog is in
vergelijking met andere landen (zie grafiek 4.2), wordt deze vorm van belastingheffing, met
name de onroerende voorheffing of de meerwaardebelasting op grond, aangemerkt
als een van de minst schadelijke voor de groei vanwege haar relatief
onelastische belastinggrondslag (Johannesson Lindén & Gayer, 2012; OESO,
2010). Anderzijds staat zij ook bovenaan de lijst van minst populaire
belastingen. Enerzijds zou de onroerende voorheffing
verhoogd kunnen worden. Zij is niet alleen een
stabiele bron van inkomsten, ook haar verstorende effect is - zoals reeds werd
aangegeven - beperkt. De onroerende voorheffing vertegenwoordigt momenteel
slechts 40 % van de totale onroerendgoedbelastingen. In dit verband zullen
de kadastrale waarden geactualiseerd moeten worden, aangezien deze
huurwaardeschattingen (de netto jaarlijkse huurinkomsten uit een gebouw of een
perceel grond) de basis vormen voor de onroerende voorheffing in België. Hoewel
de Belgische wet voorschrijft dat de huurwaarde om de tien jaar opnieuw moet
worden bepaald, is de heffing momenteel gebaseerd op geïndexeerde schattingen
van de huurwaarde voor 1975. Hierdoor is de belastinggrondslag sterk
ondergewaardeerd: de geschatte huurwaarde bedraagt gemiddeld minder dan de
helft van de marktwaarde (Høj, 2009). Bovendien is de relatieve waarde van
onroerend goed de afgelopen 40 jaar ingrijpend gewijzigd, zelfs binnen
gemeenten, waardoor de heffing in sommige situaties degressief is geworden,
onder meer ook doordat bij lage huurwaarden belastingverminderingen worden
toegestaan. De verouderde huurwaarde is ook het ijkpunt
om te bepalen of een goed in aanmerking komt voor lagere registratierechten. De verplichte registratie van huurcontracten voor particuliere woningen
sinds 2007 kan voor de autoriteiten een goed aanknopingspunt vormen voor de
herschatting van de huurwaarde. Aangezien de opbrengsten van de onroerende
voorheffing naar de gewesten vloeien en deze geschatte inkomsten slechts van
ondergeschikt belang zijn in de personenbelasting op federaal niveau, zou een
regionalisering van de bevoegdheid tot herschatting de gewesten de mogelijkheid
bieden om zowel de belastingtarieven als de belastinggrondslag[47] vast te stellen en deze elementen voor de ontwikkeling van een
alomvattender huisvestingsbeleid te gebruiken. Anderzijds kan dit lagere inkomsten uit
belastingen op transacties (gewestelijke registratierechten in België)
inhouden. Momenteel zijn deze het hoogste van alle
EU27-landen, zoals blijkt uit grafiek 4.2. Een verdere verlaging of een veralgemening
van de meeneembaarheid van betaalde rechten zoals dat reeds het geval is in
Vlaanderen[48], kan de
arbeidsmobiliteit stimuleren en zou het gemakkelijker maken om te verhuizen
wanneer dat nodig is. Dit kan de goede werking van de vastgoedmarkt verbeteren,
wat in de loop van de tijd ook prijscorrecties in bepaalde gebieden en markten
in de hand kan werken. Een herziening van de registratiebelastingen zou deel
moeten uitmaken van een breder opgezette herziening van de fiscale behandeling
van bezit en verwerving van onroerend goed door de gewesten. Milieubelastingen Milieubelastingen zijn momenteel onderontwikkeld
in België[49]. De opbrengsten behoren tot de laagste in de EU. Dit is voornamelijk
toe te schrijven aan de lage opbrengsten uit energiebelasting (zie grafiek 4.3). Grensoverschrijdend tanktoerisme kan dit ten
dele verklaren, maar er spelen ook andere elementen, namelijk de lagere accijns
op diesel dan op benzine in combinatie met het grotere aandeel van
dieselauto's, en de lage belastingen op verwarmingsbrandstoffen. De steun aan
kwetsbare huishoudens op het gebied van verwarming zou efficiënter kunnen
worden georganiseerd door middel van algemene uitkeringen in plaats van door de
huidige globale ondersteuning van het energieverbruik. België indexeert de
milieubelastingen ook niet automatisch[50]. Een aanpassing van de accijns aan de inflatie zou voorkomen dat de
belastingopbrengsten worden uitgehold en zou het gedragsturende effect van de
belasting helpen handhaven. Een ander belangrijk milieuvraagstuk is de
voorkeursbehandeling van bedrijfswagens (en tankkaarten) in het
belastingstelsel. Ondanks maatregelen om de
belastinggrondslag van bedrijfswagens (die op grotere schaal gebruikt worden
dan in andere landen) CO2-afhankelijk te maken, wordt het
privégebruik van bedrijfswagens nog altijd zwaar gesubsidieerd. Dit stimuleert
het autobezit, beïnvloedt de rij- en pendelgewoonten en veroorzaakt
welvaartskosten voor de samenleving. Ten slotte blijkt uit prognoses van
broeikasgasemissies voor 2020 dat België zijn reductiedoelstelling van 15 % met
11 procentpunten zal missen (EC, 2013). Hoewel dit het pleidooi voor fiscale
vergroening ondersteunt en hogere opbrengsten een haalbare kaart lijken dankzij
onder andere hogere accijnzen, rekeningrijden of kilometerheffingen, moeten de
verwachtingen toch enigszins worden getemperd.
Milieubelastingen zijn immers "Pigouviaans", dat wil zeggen
corrigerende verbruiksbelastingen die tot doel hebben externe kosten te
internaliseren. Omdat deze belastingen maatschappelijk gewenst gedrag willen
stimuleren, kunnen zij een verstikkend effect sorteren op een
belastinggrondslag die al relatief smal is — ambities om over te stappen naar
een "koolstofarme economie" zouden hetzelfde gevolg hebben. Daardoor
kunnen de werkelijke inkomsten op de lange termijn tegenvallen en zullen voor
de fiscale verschuiving aanvullende bronnen moeten worden gevonden. Bovendien
moeten hogere belastingen op energieverbruik in balans worden gebracht met de
noodzaak om het concurrentievermogen van de Belgische industrie, die qua
samenstelling redelijk energie-intensief is zoals in deel 3.1.3 is benadrukt,
te vrijwaren. Btw De efficiency van de btw-inkomsten in
België lijkt voor verbetering vatbaar. In 2011 bedroeg
de btw-inkomstenratio (de verhouding tussen werkelijke inkomsten en
theoretische inkomsten als alle eindverbruik naar het normale btw-tarief werd
belast) 47,9 %, vergeleken met een gemiddelde van 49,4 % voor de
EU27, 55,6 % voor Duitsland en 55,1 % voor Nederland (EC, 2013). Uit
studies blijkt dat deze efficiencykloof niet is toe te schrijven aan hogere
btw-ontduiking in België in vergelijking met andere landen (CASE/CPB, 2013),
maar een weerspiegeling is van de vrij ruime toepassing van btw-vrijstellingen
en verlaagde tarieven. Deze fiscale tegemoetkomingen vertegenwoordigden in
2012[51] 2,4 % van
het bbp en worden verleend voor een relatief grote groep van producten, wat
gevolgen heeft voor bijna 30 % van de belastinggrondslag. Dit wijst erop
dat er aanzienlijke ruimte voor efficiencywinsten is. Het normale btw-tarief is 21 %, hetgeen
vergelijkbaar is met de tarieven in de buurlanden. Daarnaast zijn er twee
verlaagde tarieven van 6 % en 12 % en een nultarief. - 0 %: van toepassing op kranten en tijdschriften; - 6 %: van toepassing op essentiële en maatschappelijk belangrijke
goederen en diensten. Dit zorgt voor een zekere mate van progressiviteit in de
btw gelet op het grotere belang van dergelijke goederen in het totale verbruik
van huishoudens met een lager inkomen. De meeste andere Europese landen
hanteren een vergelijkbaar verlaagd tarief voor basisgoederen; - 12 %: van toepassing op bv. maaltijden in restaurants en sociale
huisvesting. Door het aantal tarieven te beperken en
producten in de meest geschikte categorie in te delen zou de inning van de btw
er al sterk op vooruitgaan. Een eerste stap in deze
richting zou erin bestaan dat wordt bekeken of het verlaagde tarief van
12 % gehandhaafd moet blijven. Een aantal goederen en diensten die
momenteel naar dit tarief worden belast (bv. sociale huisvesting), lijken in
aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief, maar voor de meeste lijken
er onvoldoende argumenten te bestaan om niet het normale tarief toe te passen[52]. Het grootste aandachtspunt is hier het verlaagde btw-tarief voor
maaltijden in restaurants, dat pas in 2010 werd ingevoerd en een begrotingskost
van 0,1 % van het bbp vertegenwoordigt[53]. Het nultarief voor kranten en tijdschriften zadelt de Belgische
overheidsfinanciën met een vergelijkbare kost op. Tegelijkertijd kunnen er
vraagtekens worden geplaatst bij het essentiële of sociale karakter van
bepaalde goederen en diensten die momenteel tegen 6 % worden belast (bv.
verse bloemen, tickets voor sport en amusement, originele kunstvoorwerpen,
antiquiteiten,...), wat mogelijkheden schept om deze prestaties naar het
normale tarief te belasten. Daarnaast kan ook een verhoging van het
normale btw-tarief worden overwogen. De btw is in het
verleden een stabiele bron van inkomsten gebleken, die in de periode 2004-11
goed was voor 6,9-7,1 % van het bbp. Een extra voordeel is de brede
belastinggrondslag: een lichte verhoging van het normale tarief kan aanzienlijke
extra inkomsten opleveren terwijl de consument zijn gedrag waarschijnlijk
nauwelijks gaat veranderen. Bij de opstelling van de begroting voor 2013 heeft
de Belgische regering al overwogen om het normale btw-tarief op te trekken van
21 % naar 22 % (in combinatie met een verlaging van het
6 %-tarief), maar uiteindelijk heeft zij dat niet gedaan. De
vrijstellingen voor diensten van deurwaarders, notarissen en advocaten zijn de
afgelopen jaren geschrapt, maar het besluit om het huishoudelijke elektriciteitsverbruik
naar het verlaagde tarief van 6 % te belasten (zie kader 3.2), druist in
tegen het idee van een verschuiving naar verbruiksbelastingen. Apart bekeken kunnen de maatregelen om de
btw efficiënter te maken, de progressiviteit beperken.
Belastingen over de toegevoegde waarde kunnen evenwel worden beschouwd als een
bot herverdelingsinstrument, omdat verlaagde tarieven niet kunnen worden
gericht op lage inkomens door voor dezelfde consumptie een onderscheid te maken
tussen lagere en hogere inkomensgroepen[54]. Hoe dan ook, uit billijkheidsoogpunt is het de herverdelingsgraad van
het belastingstelsel als geheel die van belang is. Bovendien zou een verhoging
van de btw-inkomsten met als doel de werkgeversbijdragen voor de sociale
zekerheid voor de lage lonen te verlagen[55], het scheppen van werkgelegenheid in dit segment stimuleren en het
beschikbare inkomen vergroten. Een fiscale verschuiving in deze richting
zou onmiskenbaar het grootste effect hebben op het externe
concurrentievermogen, op voorwaarde dat de resulterende prijseffecten niet
(volledig) worden vertaald in een stijging van de lonen. Zoals De Mooij & Keen (2012) aangeven, kan een verschuiving naar
de btw het herstel van het evenwicht versnellen, maar speelt het effect daarvan
hoofdzakelijk op de korte tot de middellange termijn, aangezien het prijseffect
over een langere tijdshorizon bekeken zou doorwerken in de lonen. Met name in
de Belgische context van automatische loonindexering zou een (gedeeltelijke)
neutralisering van een tijdelijke inflatieopstoot waarschijnlijk vereist zijn. Personenbelasting De personenbelasting wordt gekenmerkt door
hoge marginale aanslagvoeten aangezien de toepasselijke tarieven al aan de
onderkant van de loonschaal snel stijgen. Dit
ontmoedigt mensen om (meer) te gaan werken en komt tot uiting in de hoge
arbeidsmarktobstakels die zijn besproken in deel 3.1.4. Een verruiming van de
belastingschijven zou kunnen worden gefinancierd door een herziening van de
talrijke fiscale tegemoetkomingen in de personenbelasting, die de
belastinggrondslag uithollen. Hoewel niet alle fiscale tegemoetkomingen
ongegrond of inefficiënt zijn, lijkt het toch
nodig deze te rationaliseren omdat België meer en hogere
tegemoetkomingen heeft dan zijn buurlanden. De tegemoetkomingen
zijn het afgelopen decennium snel gestegen en vertegenwoordigden in 2012
2,4 % van het bbp. Een beperking van de fiscale tegemoetkomingen verbreedt
niet alleen de belastinggrondslagen, maar draagt ook bij aan meer transparantie
en billijkheid en minder verstoringen, en heeft een gunstige wisselwerking met
de groei zowel op de korte als op de lange termijn (Carnot, 2013), gezien het
verstorende effect dat dergelijke tegemoetkomingen vaak sorteren door de
verspilling die zij veroorzaken. Hoewel fiscale tegemoetkomingen doorgaans
gunstiger zijn voor hogere inkomens, wordt de progressiviteit van de Belgische
personenbelasting als geheel er niet fundamenteel door beperkt (Decoster,
2013). Bij een algehele herziening zou voor iedere fiscale tegemoetkoming
kunnen worden nagegaan of zij i) beantwoordt aan beleidsdoelstellingen, ii)
effectief helpt deze doelstellingen te bereiken en iii) gerechtvaardigd is in
het licht van de budgettaire gevolgen die zij heeft. Het ziet ernaar uit dat
een dergelijke herziening hoe dan ook nodig zal zijn omdat verschillende
belangrijke belastingverminderingen een gewestbevoegdheid worden naar
aanleiding van de zesde staatshervorming (zie kader 3.4), en des te meer omdat
de begrotingsmiddelen slechts gedeeltelijk worden overgeheveld en de kosten
van een aantal van deze verminderingen snel zijn gestegen. Voorbeelden van dure
fiscale tegemoetkomingen waarvan een verstorend effect kan worden verwacht,
zijn onder meer de aftrek voor hypotheekleningen (0,33 % van het bbp in
2012 in vergelijking met 0,11 % in 2008), individueel pensioensparen
(0,14 % van het bbp) en dienstencheques (0,06 % van het bbp), maar er
is ook een groot aantal kleinschalige maatregelen die bijdragen aan de
complexiteit van de personenbelasting en eventueel opnieuw kunnen worden
bekeken. Een andere manier om de heffingsgrondslag
van de personenbelasting te verbreden, is optreden tegen de
"vermomming" van persoonlijke inkomsten als bedrijfsinkomsten door in de personenbelasting progressieve tarieven te
hanteren voor de inkomsten van (quasi-)eenmanszaken. Zoals reeds werd
aangegeven door Valenduc (2011), heeft het aanzienlijke verschil in marginale
belastingtarieven tussen de personenbelasting en de vennootschapsbelasting
geleid tot de oprichting van talloze vehikels die, althans volgens hun
juridische statuut, ondernemingen zijn maar in werkelijkheid vaak niet streven
naar verdere groei en ook weinig of geen werkgelegenheid creëren. De fiscale globalisering van alle inkomsten
van particulieren zou een nog ingrijpender hervorming betekenen. Hierbij zouden alle inkomsten uit arbeid, kapitaal, onroerende
goederen, sociale uitkeringen enz. aan een progressief belastingtarief worden
onderworpen; dit is voorgesteld door Castanheira et al. (2014) omdat de
oorspronkelijke globalisering van de inkomsten geleidelijk is uitgehold door
overheidsmaatregelen, met als resultaat dat nu alleen het inkomen uit arbeid
progressief wordt belast. Vennootschapsbelasting Zoals hierboven al werd aangegeven, worden
vennootschapsbelastingen beschouwd als een van de meest schadelijke vormen van
belasting voor de groei, en vormen zij dus geen alternatief voor de belasting van arbeid. Niettemin zou ook de grondslag
van de vennootschapsbelasting kunnen worden verbreed om ruimte te creëren voor
een aanzienlijke verlaging van het nominale vennootschapsbelastingtarief. Met
33,99 % behoort dit tot de hoogste in Europa. Dankzij een lange lijst van
aftrekposten bedraagt het werkelijke belastingtarief echter slechts iets meer
dan 26 %, vergeleken met 34,2 % in Frankrijk, 28,2 % in
Duitsland, 27,5 % in Nederland en 24,9 % in Luxemburg (ZEW, 2012). Een opmerkelijke fiscale tegemoetkoming in
de Belgische vennootschapsbelasting is de aftrek voor risicokapitaal of de
notionele interestaftrek. Deze is ingevoerd in 2006 om
de zelffinancieringscapaciteit van ondernemingen en de aantrekkelijkheid van
België voor multinationals te bevorderen na de ontmanteling van de regeling van
de coördinatiecentra. De notionele interestaftrek heeft de solvabiliteit van
niet-financiële ondernemingen verbeterd, maar het (bruto)begrotingseffect ervan
is snel gestegen (van 1,1 % van het bbp in 2008 naar 1,6 % in 2012),
terwijl 30 % van de aftrek op het conto komt van ondernemingen die geen
werkgelegenheid creëren (Valenduc, 2013). Daarom hebben de Belgische
autoriteiten de regeling de afgelopen jaren herhaaldelijk gewijzigd. Het
toepasselijke rentetarief werd geleidelijk verlaagd (met een verhoging voor
kmo's), zodat het meer in overeenstemming is met de markttarieven voor
Belgische overheidsobligaties. De mogelijkheid om ongebruikte aftrekken mee te
nemen naar het volgende jaar, is sinds 2013 afgeschaft. Ook werd er een
minimale vennootschapsbelasting (de zogenaamde fairnesstaks) ingevoerd voor
grote ondernemingen die dividenden uitkeren uit winst die onbelast is gebleven
dankzij het gebruik van de notionele interestaftrek en/of de voorwaartse
verrekening van verliezen. De houdbaarheid van de regeling zou niettemin worden
verbeterd als de notionele interestaftrek werd gereserveerd voor nieuwe, geherinvesteerde
kapitaalstromen. Ook de specifieke antimisbruikregels zouden kunnen worden
herzien om hun doeltreffendheid te garanderen. Overige belastingen De belastingen op de meeste financiële
inkomsten zijn tijdens de opeenvolgende begrotingsconsolidatieronden van de
laatste jaren verhoogd en geharmoniseerd, maar er bestaat nog altijd een reeks
vrijstellingen. Een daarvan is de vrijstelling voor
spaarrekeningen (0,12 % van het bbp aan inkomstenverlies in 2012),
waardoor de belasting op spaartegoeden met 0,2 % van het bbp tot de
laagste in de EU behoort. Een andere is de vrijstelling voor de gerealiseerde
meerwaarde op financiële activa die worden gehouden door huishoudens. Tot slot
zouden de inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen aan particulieren
belast kunnen worden op basis van de werkelijke inkomsten in plaats van de
kadastrale waarde, gelet op de hierboven besproken problemen met deze
heffingsgrondslag[56]. De accijnzen op alcohol en tabak, soms ook
"zondebelastingen" genoemd, zijn de afgelopen jaren herhaaldelijk
verhoogd. Gelet op de smalle belastinggrondslag, de
mogelijkheden tot grensoverschrijdend winkelen en de te verwachten wijzigingen
in het consumentengedrag als reactie op verhogingen, lijkt hier minder ruimte
te bestaan om extra inkomsten te genereren. Ten slotte bedroegen de inningskosten in
2011 1,36 EUR per 100 EUR aan belastingen (OESO, 2013). Zij behoren daarmee tot de hoogste in de EU. Als deze relatief hoge
kosten worden teruggebracht tot het gemiddelde van de EU27 (namelijk 1,13 EUR),
zou dit kunnen helpen om de belasting op arbeid te verlagen. Conclusie De omvangrijke fiscale tegemoetkomingen
drukken zwaar op de complexiteit, de efficiency en de billijkheid van het
Belgische belastingstelsel. Er is dan ook heel wat
ruimte om de belastinggrondslagen in de btw en de personenbelasting te
verbreden in het kader van een fiscale verschuiving ten gunste van arbeid om
het verlies aan concurrentievermogen aan te pakken. Een algemene aanpak op
basis van grondslagverbreding biedt het voordeel van een efficiëntere
middelenallocatie, wat op termijn weer ten goede zou komen aan het
groeipotentieel van de economie. Daarnaast kan worden overwogen om het normale
btw-tarief te verhogen, omdat dit aanzienlijke inkomsten zou opleveren terwijl
de overloopeffecten beperkt blijven. Andere aandachtspunten die in het kader
van een algemene inkomstenneutrale herverdeling van de belastingdruk aan de
orde moeten komen, zijn de onroerende voorheffing, onderontwikkelde aspecten
van milieubelasting en bepaalde soorten financiële inkomsten. Een algehele herinrichting van het
Belgische belastingstelsel kan worden bemoeilijkt
door de versnippering van de fiscale bevoegdheden over het federale niveau en
gewestelijke entiteiten. Binnen zijn respectieve bevoegdheden zou elk
niveau evenwel belangrijke maatregelen kunnen nemen en deze op passende wijze
kunnen coördineren met het andere niveau. In dit verband kan de zesde
staatshervorming een fiscale verschuiving zelfs faciliteren, gezien de
verhoging van de gewestelijke opcentiemen in de personenbelasting en de
overheveling van een reeks belastingverminderingen, die beide kunnen worden
gebruikt voor gerichte verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen, ook een
nieuwe gewestbevoegdheid (zie kader 3.4). De analyse in deel 3 bevestigt dat de Belgische economie op het gebied
van concurrentievermogen en overheidsschuld met belangrijke macro-economische
uitdagingen wordt geconfronteerd. Deze uitdagingen
zijn al in kaart gebracht in eerdere diepgaande evaluaties die zijn verricht in
het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden en de
desbetreffende beleidsmaatregelen zijn opgenomen in de landspecifieke
aanbevelingen die de Raad in juli 2013 heeft goedgekeurd. De vooruitgang bij de
tenuitvoerlegging van die aanbevelingen zal worden beoordeeld bij de evaluatie
van het nationaal hervormingsprogramma en het stabiliteitsprogramma in het
kader van het Europees semester. Tegen deze achtergrond worden in dit deel
verschillende opties onderzocht die in overweging kunnen worden genomen om de
hierboven genoemde uitdagingen aan te pakken. Extern concurrentievermogen Ten aanzien van de eerste algemene uitdaging -
het externe concurrentievermogen - moeten meerdere opties worden onderscheiden,
gelet op de verschillende aspecten die bij de vastgestelde achteruitgang een
rol hebben gespeeld. Om de sterk geconcentreerde exportsector in
staat te stellen zich te diversifiëren en te profiteren van sneller groeiende
markten, kunnen de autoriteiten ernaar streven om de voorwaarden voor industriële ondernemingen die willen uitvoeren of hun
exportactiviteiten willen uitbreiden, verder te verbeteren. Bij de talrijke
Belgische kmo's lijkt nog heel wat ruimte te bestaan om actiever te worden op
het gebied van export. Ook de grote regionale verschillen in grensoverschrijdende
handel laten veronderstellen dat hier beter kan worden gescoord. Gewoonlijk
zijn de belangrijkste obstakels voor bedrijven die over de grens actief willen
worden, de toegang tot (langetermijn)financiering en het inherente risico van
wanbetaling. Ondernemingen kunnen vaak onvoldoende middelen aanboren om hun
uitbreiding met particulier kapitaal te financieren, terwijl er tegelijkertijd
recordbedragen op Belgische spaarrekeningen ongebruikt blijven staan. Beleidsmakers
zouden kunnen bekijken hoe dit slapende kapitaal kan worden gemobiliseerd om
productiever te worden ingezet. Door bedrijven te helpen activiteiten te
ontplooien buiten de kleine binnenlandse markt, wordt ook hun natuurlijke groei
ondersteund, waardoor zij op hun beurt meer banen kunnen creëren. Marktdiversificatie kan ook worden
bewerkstelligd door de in België voorgebrachte productmix te wijzigen. Uit de analyses van de opeenvolgende diepgaande evaluaties is
duidelijk geworden dat de uitvoer gericht is op het intermediaire niveau in
termen van toegevoegde waarde. Als België een evenwicht wil vinden tussen de
hoge loonkosten enerzijds en het scheppen van duurzame werkgelegenheid en het
behoud van een hoge levensstandaard anderzijds, zal het zich moeten
heroriënteren op producten met een hogere technologische inhoud dan momenteel
het geval is. In de diepgaande evaluatie van vorig jaar zijn al een aantal
mogelijkheden om de innovatiekracht van de Belgische economie te stimuleren,
uiteengezet. Een eerste daarvan is een versterking van de ondersteuning van
clusters. Gezien het belang van kmo's voor de Belgische economie en het feit
dat zij op het gebied van de export in het algemeen ondervertegenwoordigd zijn,
kan het samenbrengen van compatibele kmo's in gespecialiseerde clusters de
achteruitgang bij de traditionele massaproductie ondervangen. De nodige
voorwaarden scheppen om innovatieve ondernemingen in staat te stellen uit te
breiden, blijft een andere algemene uitdaging. De financiële prikkels die de
Belgische autoriteiten hebben gecreëerd (bv. de fiscale prikkel in de
loonbelasting om de personeelskosten voor O&O te verminderen en het
belastingkrediet om de kosten van O&O-investeringen te verlagen) zijn
lovenswaardige initiatieven om innovatieve bedrijven te helpen groeien en
België de doelstelling van 3,0 % van het bbp voor O&O-uitgaven tegen
2020 te helpen bereiken. De procedure om subsidies aan te vragen, wordt echter
nog altijd als complex en tijdrovend ervaren, en de beschikbare steun is zeer
gefragmenteerd. Om ervoor te zorgen dat onderzoek dat in België wordt verricht,
zich vertaalt in feitelijke productontwikkeling in het land, kan ook aandacht
worden besteed aan de belasting op arbeid, omdat het hoge niveau daarvan
productieactiviteiten ontmoedigt. Behalve financiële initiatieven zouden een
verdere administratieve modernisering en vereenvoudiging kunnen worden
nagestreefd door bijvoorbeeld een grotere verspreiding van ICT-oplossingen,
rekening houdende met het feit dat administratieve lasten relatief zwaarder
wegen op kleinere dan op grotere bedrijven. Wat de uitholling van het concurrentievermogen
betreft, speelt de relatieve dynamiek van op productiviteit afgestemde lonen
een belangrijke rol. In dit verband is de loonvorming
een aspect ten aanzien waarvan de Belgische autoriteiten ambitieuzer zouden
kunnen optreden om het relatieve kostenconcurrentievermogen van het land te
herstellen en een verdere verslechtering van de industriële basis te
voorkomen. Een eerste element dat in aanmerking moet
worden genomen, is de wet van 1996 en de daarin vastgestelde loonnorm. Aangezien vruchteloos is gepoogd om de wet doeltreffender te maken,
zou de volgende regering zich opnieuw over deze problematiek kunnen buigen. Tot
dusver is het politieke debat over de mogelijke hervormingen gericht geweest op
de methode voor de vaststelling van de norm, de juridische status van de norm,
de automatische correctiemechanismen in het huidige wettelijke kader en de rol
van de regering in het hele proces. Overleg over een rechtstreekse koppeling
tussen de marges voor loonstijgingen en de ontwikkelingen in de productiviteit
staat blijkbaar niet op de agenda, hoewel het feit dat beide aspecten van
elkaar losgekoppeld blijven, een bedreiging voor de werkgelegenheid vormt. Door de procedure van de loononderhandelingen
meer te decentraliseren, zou de werking en het aanpassingsvermogen van de Belgische economie in het algemeen worden
verbeterd. De vaststelling van een nationale loonnorm gaat voorbij aan
belangrijke verschillen tussen sectoren. Als de lonen volledig zouden worden
bepaald op een lager - namelijk sectoraal - niveau, zouden bedrijven hun
loonbeleid beter kunnen afstemmen op hun prestaties. Een sterkere sectorale
differentiatie zou ook de mogelijkheid bieden om de allocatie van arbeid
geleidelijk te verschuiven van afnemende activiteiten naar dynamischere
sectoren en om verstoringen te voorkomen. Zelfs als de wet van 1996 wordt hervormd,
kan als gevolg van de loonindexering niet worden
uitgesloten dat de loonkloof opnieuw toeneemt. De wijdverbreide praktijk
waarbij de lonen op een of andere wijze automatisch worden geïndexeerd, heeft
een grote symboolwaarde, zowel bij voor- als tegenstanders. Voorstellen om dit
typisch Belgische mechanisme te hervormen, waaronder herhaalde oproepen in die
zin door Europese instellingen, stuitten op sterke weerstand bij een aantal
actoren en worden gezien als een ontmanteling van de Belgische welvaartsstaat.
Het tastbare voordeel van snelle koopkrachtcorrecties op de korte termijn
wordt echter tenietgedaan door het risico van een sluipende uitholling van de
werkgelegenheid op de lange termijn, met onvoldoende flexibiliteit in tijden
van economische tegenspoed waardoor het concurrentievermogen wordt aangetast. Sommige hervormingen
zouden belangrijke voordelen opleveren en de houdbaarheid van het mechanisme
verbeteren wat de werkgelegenheid betreft. De indexering zou
bijvoorbeeld beperkt kunnen worden tot een bepaald loonniveau (d.w.z. een
indexering van de lonen in nominale termen in plaats van de huidige,
regressieve proportionele aanpassing). Dit zou zowel de effectieve koopkracht
garanderen als de ontwikkeling van de lonen beter afstemmen op de economische
werkelijkheid. Een andere optie om de volledige marge te benutten en toch het
kostenconcurrentievermogen strikter te bewaken, zou erin bestaan dat de
werkgevers een deel van de indexstijging mogen gebruiken voor
niet-looncompensatie zoals pensioenplannen of investeringen in menselijk
kapitaal. Ook het sluiten van all-inovereenkomsten blijft een haalbare
oplossing. Gelet op de praktijk van automatische loonindexering spelen binnenlandse prijsontwikkelingen een belangrijke
rol in nominale loonstijgingen. De opmerkelijke inspanningen die de
Belgische autoriteiten hebben geleverd om de werking van de productmarkten te
verbeteren, met name op het gebied van energie en telecommunicatie, lijken
vrucht af te werpen, zoals blijkt uit de ontwikkeling van de prijzen. In dit
verband is het zaak verder toezicht uit te oefenen om te vermijden dat de
behaalde winst tenietgaat, met name rekening houdende met het feit dat
non-commodity prijscomponenten (bv. energiedistributiekosten) in het verleden
snel zijn gestegen. Het blijft daarom essentieel dat wordt gewaarborgd dat alle
netwerktarieven de werkelijke kosten weerspiegelen en op stimulansen gebaseerd
zijn. Een andere doelstelling kan erin bestaan dat ook aandacht wordt besteed
aan het functioneren van de dienstensectoren. In plaats van de huidige aanpak waarbij de
parafiscale druk op arbeid met telkens kleine
ingrepen wordt verlaagd, zou een algehele herinrichting van het Belgische
belastingstelsel kunnen worden overwogen. De groei van de
werkgelegenheid zou worden ondersteund door een bredere aanpak met lagere
belasting op arbeid ten opzichte van de nadruk die thans ligt op
loonkostbeperkende maatregelen voor een beperkt aantal werknemers in vaak
niet-uitwisselbare sectoren zoals de cateringsector. Met een algehele
herinrichting van het stelsel zou de belastingdruk kunnen verschuiven van
arbeid naar andere bronnen van inkomsten, zowel op federaal als op gewestelijk
niveau. Hoewel er een brede consensus is gegroeid over de noodzaak van een
dergelijke bijsturing, is er nog geen effectieve actie ondernomen. Bovendien
bestaat er meer onenigheid over de vraag hoe inkomsten moeten worden
gecompenseerd. In de btw en de personenbelasting bestaat er veel ruimte voor
een verbreding van de grondslag. Daarnaast kan worden overwogen om het normale
btw-tarief te verhogen, omdat dit aanzienlijke inkomsten zou opleveren terwijl
de overloopeffecten beperkt blijven. Andere aandachtspunten die in het kader
van een algehele herverdeling van de belastingdruk aan de orde moeten komen,
zijn de onroerende voorheffing, onderontwikkelde aspecten van milieubelasting
(inclusief de behandeling van bedrijfswagens) en de belasting van bepaalde
soorten financiële inkomsten. Punten waarmee rekening moet worden gehouden,
zijn de verdelingseffecten waartoe een herinrichting van het belastingstelsel
kan leiden, en de wijze waarop de progressiviteit van het stelsel als geheel
kan worden gewaarborgd. Om het groeipotentieel van de economie te
stimuleren, zal het van cruciaal belang zijn om de arbeidsparticipatiegraad van
ondervertegenwoordigde groepen te verhogen. Hoewel de
regering de afgelopen jaren maatregelen heeft genomen om het werken te
stimuleren en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen,
is het succes daarvan vooralsnog onduidelijk. Aanhoudend grote mismatches
tussen vraag en aanbod laten veronderstellen dat het actieve arbeidsmarktbeleid
niet aanslaat. In dit verband is het van cruciaal belang het juiste evenwicht
te vinden tussen enerzijds uitkeringen die in de tijd evolueren, en passende
eisen aan werkzoekenden, en anderzijds effectieve hulp bij het zoeken naar werk
en opleidingsmogelijkheden. Daarnaast kan met de hierboven besproken fiscale
herinrichting worden gestreefd naar een verlaging van de obstakels om (meer) te
gaan werken, ook voor tweedeverdieners. Om deze laatste groep te ondersteunen
bij de opstap naar werk, kan ook worden overwogen om de huidige kinderbijslag,
die gebaseerd is op uitkeringen, te vervangen door een systeem dat gebaseerd is
op diensten. Wat opleidingen en hulp bij het zoeken naar
werk betreft, zullen inspanningen moeten worden geleverd om het systeem minder
complex te maken en te voorzien in een grotere capaciteit bij de openbare
diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) om effectieve hulp te kunnen bieden. De laatste staatshervorming zal de gewesten de hefbomen bieden om de
starheid van de regionale arbeidsmarkten doelgerichter aan te pakken,
bijvoorbeeld door werkoriënterings-, bijscholings- en activeringsbeleid.
Daarom moet erop worden toegezien dat de ODA's over voldoende werkmiddelen
beschikken. Tot slot kunnen er meer concrete stappen worden ondernomen om
STEM-studies te stimuleren en de spanningen op de arbeidsmarkt te verlichten. Overheidsschuld De hoge overheidsschuld en de mogelijke
gevolgen ervan voor de reële economie vormen nog steeds een van de
belangrijkste uitdagingen voor België.
Schuldvermindering zou niet alleen de met de staatsschuld samenhangende
risico's beperken, maar de autoriteiten ook meer speelruimte geven om een
begrotingsbeleid te voeren dat gericht is op een verbetering van het
concurrentievermogen van het land, én meer ruimte om het hoofd te bieden aan
onverwachte ontwikkelingen in andere economische sectoren zoals de financiële
markten. Tot dusver waren strategieën om het niveau van de overheidsschuld te
verminderen, deels gebaseerd op de verkoop van activa. Een verdere vermindering van het tekort
zelf, in overeenstemming met de verbintenis van het land om zijn
middellangetermijndoel in 2016 te bereiken, zal evenwel noodzakelijk blijven om
de schuldquote op een duurzaam neerwaarts traject te brengen. Het tekort is naar schatting teruggedrongen tot onder de drempel van
3 % van het bbp overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact[57], maar er moet in de komende jaren nog altijd een grote
begrotingsinspanning (3 % van het bbp) worden geleverd om de
overeengekomen doelen te bereiken. Door de hoge totale belastingdruk en de
hierboven beschreven uitdaging voor het concurrentievermogen beschikt België
slechts over weinig ruimte om het tekort en de schuld te verminderen door een algemene
belastingverhoging. Om die reden zal de tekortreductie voornamelijk
gerealiseerd moeten worden door een uitgavenbeperking. De Belgische staatsstructuur is de afgelopen decennia geleidelijk gedecentraliseerd,
maar de historisch opgebouwde overheidsschuld is grotendeels op het federale
niveau blijven hangen. Met de recente staatshervorming worden opnieuw
uitgaven- en fiscale bevoegdheden overgedragen aan de gemeenschappen en
gewesten. In dit verband zijn duidelijke en transparante begrotingsafspraken
geboden. De zesde staatshervorming omvat een herziening van de Bijzondere
Financieringswet, die zorgt voor een nieuw evenwicht in de financiële stromen
tussen het federale en subfederale niveau. Een recente
samenwerkingsovereenkomst tot uitvoering van het Europese
"begrotingspact" bevat een aantal mechanismen voor
begrotingscoördinatie. De consolidatiestrategie kan evenwel pas succesvol
zijn als alle lagen van de overheid inzetten op een strikte uitvoering en een
evenwichtige bijdrage leveren. Ook de impliciete schuld in samenhang met
de vergrijzing zal met verdere pensioenhervormingen moeten worden aangepakt om
te voorkomen dat het schuldniveau op de middellange termijn opnieuw stijgt. Maatregelen ter versterking van het groeipotentieel van de economie
zouden ook bijdragen aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. De toekomstige consolidatiebehoeften, tot
slot, beperken weliswaar de ruimte voor algehele belastingverlagingen, maar zij
staan niet in de weg aan een inkomstenneutrale fiscale verschuiving (zie
hoger). Een fiscale verschuiving ten gunste van arbeid
kan de groei en werkgelegenheid bevorderen en op die manier zelfs het tekort en
de schuld helpen verminderen. Een belastingheffing van spaartegoeden die minder
onderscheid maakt tussen de verschillende soorten financiële producten, kan ook
leiden tot een diversificatie van de kanalen waarlangs de omvangrijke
financiële activa van de Belgische huishoudens aan de reële economie ter
beschikking worden gesteld. Deze maatregel zou geleidelijk moeten worden
uitgevoerd om verstoringen voor de financiële instellingen en het financiële
systeem zoveel mogelijk te beperken. Arnold, J., 'Do Tax Structures Affect Aggregate Economic Growth?
Empirical Evidence from a Panel of OECD Countries', OECD Economics Department
Working Papers, No. 643, OECD Publishing, 2008. Agentschap van de Schuld,
'Financieringsbehoeften en financieringsplan', 10 december 2013. Agentschap van de Schuld, 'Review 2013, 2014
Outlook', januari 2014. Belgische regering, 'Het Stabiliteitsprogramma
van België', april 2013. Belgische regering, 'Verslag over de
uitvoering van de begroting 2013 in antwoord op de beslissing van de Raad
2013/370', december 2013. Bodart, V., Hindriks, J., 'Les inégalités
d'inflation selon l'âge et le revenu', Regards économiques 102, IRES, 2013. Bodart, V., Shadman, F., 'Indexation et
compétitivité en Belgique', Regards économiques 107, IRES, 2013. Bogaert, H., Robette, F., 'Effets d'un choc
pétrolier sur la structure des revenues en présence du mécanisme belge d'indexation',
20e congres van Belgische Franstalige economen, CIFoP, 2013. Breemersch K., Konings J., 'De
terugverdieneffecten van een lastenverlaging op arbeid', Vives/KU Leuven, 2013.
Bruggeman, A., Van Nieuwenhuyze, Ch., 'Omvang
en dynamiek van de schuldposities in België en in het eurogebied', NBB, 2013. Carnot, N., 'The composition of fiscal
adjustments: some principles', ECFIN Economic Brief, Europese Commissie, 2013. CASE/CPB voor DG TAXUD, 'Study to quantify
and analyse the VAT Gap in the EU-27 Member States, Final Report', Europese
Commissie, 2013. Castanheira, M., Colmant, B., de Callataÿ, E.,
de Streel, A., Pestieau, P., de Laminne, I. (red.), 'Pistes et éclairages
économiques, Vers de nouvelles orientations structurelles pour la Belgique',
2014. Onderzoeksforum van het Cedefop (Cedra),
'Skill mismatch - Identifying priorities for future research', Cedefop
werkdocument nr. 3, 2009. Centrale Raad voor het Bedrijfsleven,
'Documentatienota: De inkomenssituatie van werklozen, DEEL I: Vergelijking van werkloosheidsstelsels
in België en de buurlanden', 2013. Centrale Raad voor het Bedrijfsleven,
'Technisch verslag van het secretariaat over de maximale beschikbare marges
voor de loonkostenontwikkeling', 2013. Cherenti, R., 'Les pièges à l'emploi', Federatie
van OCMW's, 2012. 'Aanbeveling van de Raad over het nationale
hervormingsprogramma 2013 van België en met een advies van de Raad over het
stabiliteitsprogramma van België voor de periode 2012-2016', 2013. Decoster A., Spiritus, K., 'Wie draagt de last
van een btw-verhoging?' Flemosi, 2012. Decoster, A., 'Vrijdenken over een belastinghervorming',
De Gids, 2013. Du Caju, P., 'Structuur en verdeling van het
gezinsvermogen : een analyse op basis van de HFCS', Economisch Tijdschrift,
september 2013, NBB. Dumont, M., 'The impact of subsidies and
fiscal incentives on corporate R&D expenditures in Belgium (2001-2009)',
Federaal Planbureau, Working Paper 1-13, 2013. Duprez, C., Dresse, L., 'De Belgische economie
in de mondiale ketens van de toegevoegde waarde', Economisch Tijdschrift,
september 2013, NBB. ECB, 'Going Beyond Labour Costs', Compnet
Policy Brief 01/2013, 2013. Europese Commissie, 'Beoordeling van het
nationale hervormingsprogramma 2013 en het stabiliteitsprogramma voor België',
werkdocument van de diensten van de Commissie, 2013 Europese Commissie, 'Benchmarking Unemployment
benefit Systems', DG ECFIN, 2012. Europese Commissie, 'Employment and Social
Developments in Europe 2013', DG EMPL, 2014. Europese Commissie, 'Energy Economic
Developments in Europe', DG ECFIN, 2014. Europese Commissie, 'Fiscal Sustainability
Report', DG ECFIN, 2012. Europese Commissie, 'Diepgaande evaluatie van
België', DG ECFIN, 2013. Europese Commissie, 'Labour market
developments in Europe', DG ECFIN, 2013. Europese Commissie, 'Tax reforms in EU
Member States 2012 - Tax policy challenges for economic growth and fiscal
sustainability', 2012. Europese Commissie, 'Tax reforms in EU
Member States 2013 - Tax policy challenges for economic growth and fiscal
sustainability', 2013. Europese Commissie, 'Winter 2014 European
Economic Forecast', DG ECFIN, 2014. Eurostat, 'Arbeidskrachtenenquête', 2012. Geens, K., 'Uitvoering begroting 2013',
Presentatie 30 januari 2014. Goos, M., Hathaway, I., Konings, J.,
Vandeweyer, M., 'Hightech tewerkstelling in de Europese Unie', Vives/KU Leuven,
2013. Expertengroep "Concurrentievermogen en
Werkgelegenheid", 'Analyse van de twee hervormingsvoorstellen: verlaging
van de btw op elektriciteit en verlaging van de loonlasten in de specifieke
zones', Expertengroep "Concurrentievermogen en Werkgelegenheid"
(EGCW), 2013. Expertengroep "Concurrentievermogen en
Werkgelegenheid", 'Arbeidskosten, loonsubsidies, arbeidsproductiviteit en
opleidingsinspanningen van ondernemingen', Expertengroep
"Concurrentievermogen en Werkgelegenheid" (EGCW), 2013. Hoge Raad van Financiën, 'Het belastingsbeleid
en het leefmilieu', 2009. Høj, J., 'How to reform the Belgian Tax
System to Enhance Economic Growth', OECD Working papers No. 741, 2009. 'Inventaris 2012 van de vrijstellingen,
aftrekken en verminderingen die de ontvangsten van de staat beïnvloeden',
bijlage bij de ontwerpbegroting 2014, Belgische Kamer van
Volksvertegenwoordigers, 2013. Johannesson Lindén, A., Gayer, C.,
'Possible reforms of real estate taxation: criteria for successful policies',
European Economy Occasional Papers, No. 114, Europese Commissie, 2012. Keen, M., de Mooij, R., 'Fiscal devaluation
as a cure for Eurozone ills – could it work?', bijdrage voor www.vox.eu, 2012. LIME Working Group, 'Assessment of house
price dynamics', 2013. Nationale Bank van België, 'Jaarverslag 2012',
2013. OESO, 'Detailed description of employment
protection legislation, 2012-2013', EPL-databank OESO, update 2013. OESO, 'International Migration Outlook
2013', 2013. OESO, 'OECD Employment Outlook 2013', 2013. OESO, 'Tax Policy Reform and Economic
Growth', 2010. OESO, 'Enhancing the inclusiveness of the
labour market in Belgium', 2013. Valenduc, C., 'Politique fiscale et réformes
structurelles, Reflets et perspectives de la vie économique', 2011/3, Tome L,
pp. 149-163, De Boeck Supérieur, 2011. Valenduc, C., 'Réformes fiscales,
soutenabilité budgétaire et croissance équitable', 20e congres van Belgische
Franstalige economen, CIFoP, 2013. van Ewijk, C., Lukkezen, J., Rojas-Romagosa, H.,
'An early-warning indicator for debt sustainability', bijdrage voor www.vox.eu,
2013. Vandekerckhove, S., Struyven, L., Heylen, V,
'Heeft tewerkstelling in de industrie nog toekomst? Over de
arbeidsmarktdynamiek van een noodlijdende sector', Over.Werk 2/2013, Steunpunt
WSE, 2013. ZEW, 'Effective tax levels using the
Devereux/Griffith methodology', project voor de Europese Commissie,
TAXUD/2008/CC/099 2012. Situatie op 1.7.2012. Zimmer, H., 'Mismatches op de arbeidsmarkt',
Economisch Tijdschrift, september 2012, NBB. ([1]) Volgens de voor de nationale rekeningen
(NR) toegepaste benadering was de lopende rekening de voorbije jaren bijna in
evenwicht. Alhoewel de lopende rekening volgens de NR in de periode 2002-2012
gemiddeld 1,6 procentpunten positiever was dan de lopende rekening in de
BB-benadering, geeft ook zij op langere termijn een dalende trend te zien. ([2]) In 2000 ging 16,9% van de intermediaire
goederen naar DE, in 2006 18,7% en in 2012 18,9%. ([3]) In 2011 had 12,7% van de bevolking in
de categorie 20-29 jaar een tertiaire graad in wetenschappen en technologie,
tegenover een EU-gemiddelde van 15,2%. Bovendien is België een van de enige
landen waar dit aandeel ten opzichte van 2007, toen het nog 14% bedroeg,
verminderd is. ([4]) Op basis van OESO-/WTO-handelsgegevens
volgens de toegevoegde waarde. Het meest recente jaar waarvoor gegevens
beschikbaar zijn, is 2009. ([5]) Deze REER-meting maakt gebruik van de
nominale effectieve wisselkoers ten opzichte van een groep van 36 landen die in
2012 80% van de Belgische uitvoer uitmaakten. DE, FR en NL zijn goed voor 45%
van de Belgische uitvoer en worden vaak gebruikt als toetssteen voor de
algemene ontwikkelingen. ([6]) De gezondheidsindex verschilt van de
geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP) doordat geen rekening wordt
gehouden met de ontwikkeling van de prijzen van alcoholische dranken,
tabaksproducten en motorbrandstoffen. ([7]) Zie vorige diepgaande evaluaties voor
een uitvoerigere behandeling. Volgens het jongste Technisch Verslag van de
Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (december 2013) bedroeg de uurloonkloof
eind 2012 4,8% en wordt voor eind 2014 uitgegaan van een vermindering tot 3,8%. ([8]) Bij kapitaalverdieping, de toename van
de ingezette kapitaalgoederen per gewerkt uur, is er sprake van toenemende activiteit
bij een stijgende productiviteit per werknemer. ([9]) In verband met de beschikbaarheid zijn
de gebruikte gegevens de bruto-investeringen in vaste activa in de privésector
en de gewerkte uren voor de economie als geheel. Ook als voor België wordt
gebruikgemaakt van de gewerkte uren in de privésector blijft de trend zoals
vastgesteld. ([10]) Een aantal aanpassingen werd reeds op 1
januari 2013 doorgevoerd (zie beoordeling van het NHP 2013 en het SP 2013 voor
België). Een tweede reeks is van toepassing sinds 1 januari 2014 en heeft
betrekking op de samenstelling van het goederenmandje, de berekeningswijze van
de prijs van sommige producten en de berekeningswijze van de index als zodanig.
Wat deze laatste betreft, wordt in de nationale inflatieberekeningen rekening
gehouden met het gewicht van bepaalde ketens, zodat veranderingen in het
consumentengedrag zich in de toekomst sneller zullen weerspiegelen in de
gezondheidsindex. ([11]) Correlatie tussen de algemene HICP en
de energieprijsinflatie in BE (2000-13): 0,89, tegenover 0,73 voor de EZ, 0,66
voor DE, 0,72 voor FR en 0,34 voor NL. ([12]) De impact van de opeenvolgende
verlagingen van de werkgeversbijdragen op de socialezekerheidsbegroting zal
worden gecompenseerd door grotere transfers uit de algemene begroting
("alternatieve financiering"), en is dus globaal bezien niet
gefinancierd. ([13]) Dit deel steunt voor een groot deel op Energy
Economic Developments in Europe, Europese Commissie, DG ECFIN, 2014. ([14]) De RUEC-ramingen voor 2013 worden als
volgt verkregen: per land worden eerst twee ramingen gemaakt door middel van
logaritmische extrapolatie van de ontwikkeling in respectievelijk de perioden
1995-2011 en 2007-11. De vermelde raming is het gemiddelde van de twee initiële
ramingen. ([15]) Van 31,4% voor laaggeschoolde burgers
van derde landen tot 82,7% voor hooggeschoolde Belgische ingezetenen (AKE,
2012, 20-64 jarigen). ([16]) Er is sprake van "verticale"
mismatch wanneer de werknemer meer resp. minder gekwalificeerd is dan voor een
job is vereist. "Horizontale" mismatch doet zich voor wanneer
werknemers het geschikte kwalificatieniveau hebben, maar andere vaardigheden
dan voor de job die zij bekleden vereist is (Cedefop, 2009). ([17]) De "werkbonus" bestaat uit
een verlaging van de socialezekerheidsbijdragen van de werknemers en een
personenbelastingkrediet voor de laagste lonen. Beide onderdelen zijn in
verschillende fasen opgetrokken in januari en april 2013 en januari 2014. ([18]) De meest recente hervorming van het
stelsel van werkloosheidsuitkeringen (zie hierna voor nadere bijzonderheden) is
in twee fasen in werking getreden: sinds 1 januari 2012 geldt de gewijzigde
regeling voor de "inschakelingsvergoeding" en sinds 1 november 2012
de nieuwe regeling voor de werkloosheidsuitkeringen. De meest recente
OESO-gegevens houden bijgevolg nog niet volledig rekening met deze
hervormingen. ([19]) OESO "Tax and Benefits" database. ([20]) Behalve voor een alleenstaande, die in
België beter beschermd is dan in Duitsland tot 120% van het gemiddelde loon. ([21]) 474,4 EUR voor een samenwonende; 711,6
EUR voor een alleenstaande; 948,7 EUR voor kind ten laste. ([22]) Meer bepaald gelden uitzonderingen voor
de volgende categorieën: werklozen die minstens 20 jaar gewerkt hebben (23 jaar
vanaf 1 januari 2014); werklozen met kinderen; alleenstaande werklozen vanaf 55
jaar; en werklozen die minstens 33% arbeidsongeschikt zijn. ([23]) Deze periode kan in sommige gevallen
worden verlengd met ten hoogste zes maanden. ([24]) Zie „Employment and social developments in Europe 2013”,
(2014). ([25]) OESO "Tax and Benefits" database. ([26]) De Beveridge-curve geeft de verhouding
weer tussen de totale werkloosheid en de vacaturegraad. ([27]) Volgens de LMP-database van Eurostat
spendeert België 3,7% van het bbp aan alle arbeidsmarktcategorieën – alleen
Denemarken en Spanje geven meer uit – waarvan 1,38% aan actieve maatregelen
(categorieën 2-7: activeringsmaatregelen voor werklozen en andere doelgroepen,
bestaande uit de categorieën opleiding, functiewisseling en duobanen,
werkgelegenheidsprikkels, integratie van gehandicapten, creëren van banen en
financiële prikkels om een eigen onderneming te starten). ([28]) Naast de reeds in de wet vastgelegde
verhogingen van de werkbonus, zijn in het kader van het zogeheten
Competitiviteitspact ook toekomstige verhogingen goedgekeurd. Meer in het
bijzonder heeft de federale regering besloten om de fiscale dimensie van de
werkbonus met telkens 50 miljoen EUR te versterken in 2015, 2017 en 2019. ([29]) Deze raming is in grote lijnen
vergelijkbaar met de meest recente officiële raming van de nationale
autoriteiten (Geens, 2014). ([30]) Stabiliteitsprogramma van België voor
2013. ([31]) Dit blijkt ook uit een CPB-paper door
Van Ewijk e.a. (2013), die gebaseerd is op een "risico"-indicator
waarbij rekening wordt gehouden met vroegere beleidsreacties. Volgens dit
document is de "risico"-indicator voor België een van de laagste van
de steekproef. ([32]) De federale overheidsschuld
vertegenwoordigt 90 % van de algemene overheidsschuld. ([33]) Het aandeel van de uitstaande schuld
dat binnen een bepaalde periode vervalt of wijzigingen in de rentetarieven zal
kennen (wegens een variabele rentevoet). ([34]) Interne prognoses van DG ECFIN. ([35]) Deze prognoses vertrekken van de
najaarsprognoses van de Europese Commissie van 2013, waarbij de
veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, wordt omgezet in een
structureel primair saldo dat constant wordt gehouden (exclusief de kosten van
de vergrijzing) tot het laatste prognosejaar (2015). In het basisscenario wordt
van de volgende macro-economische langetermijnveronderstellingen uitgegaan:
er wordt aangenomen dat de potentiële bbp-groei tot 1,6 % zal toenemen,
dat de inflatie en de wijziging van de bbp-deflator zich op middellange termijn
op 2 % zullen stabiliseren, en dat de langetermijnrente tot 5,1 % en
de kortetermijnrente tot 4,2 % zullen stijgen (zie ook Europese Commissie,
2012). ([36]) De MTD van België is vastgesteld op een
structureel overschot op de overheidsbegroting van 0,75 % van het bbp. ([37]) Met uitzondering van de nieuwe
bevoegdheden die aan de gewesten werden overgedragen, zoals werk en fiscale
uitgaven, die gefinancierd worden met nieuwe dotaties op basis van federale
inkomsten uit de personenbelasting. ([38]) Bron: BTP-rapportage door België van
december 2013 en stabiliteitsprogramma van België voor 2013. ([39]) D.w.z. het gecombineerde maximum van
alle aan financiële instellingen verstrekte waarborgen. ([40]) Een statistische breuk (in 2013)
verklaart een deel van de sterke stijging in 2008. ([41]) Voor een gedetailleerde toelichting,
zie de diepgaande evaluatie over België van 2013. ([42]) Op basis van gegevens van de Nationale
Bank van België (Belgostat). ([43]) "Concrete en aan een specifiek
tijdschema gebonden voorstellen uit te werken om een verschuiving van de
belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen te
bewerkstelligen, met name door de mogelijkheden te onderzoeken die worden
geboden door milieubelastingen (bijvoorbeeld op diesel en stookolie) en door de
belastingheffing op het particuliere gebruik van bedrijfswagens." Aanbeveling
van de Raad over het nationale hervormingsprogramma van België voor 2013, 2013. ([44]) Een parlementaire commissie heeft een
reflectie over mogelijke belastinghervormingen verricht en daarover een verslag
gepresenteerd in februari 2014. Daarin wordt de problematiek vanuit een brede
invalshoek belicht, maar er worden geen specifieke aanbevelingen gedaan voor
mogelijke maatregelen die een toekomstige regering kan nemen. ([45]) Dit is de benadering die België heeft
gekozen met de "werkbonus" voor lage lonen. ([46]) De totale loonkosten in de particuliere
sector bedragen ongeveer 200 miljard EUR: een vermindering met 1% vereist dus 2
miljard EUR (0,5% van het bbp) aan compenserende inkomsten. ([47]) De gewesten stellen het basistarief van
de onroerende voorheffing vast, terwijl de provincies en gemeenten een toeslag
daarop (opcentiemen) heffen. Sinds de regionalisering van de onroerende
voorheffing in 2002 kunnen de gewesten besluiten om een andere
heffingsgrondslag te gebruiken. Zij zijn evenwel niet bevoegd om de bestaande
heffingsgrondslag te herschatten. ([48]) Dit zou nog steeds suboptimaal zijn
omdat de meeneembaarheid waarschijnlijk alleen zou gelden binnen de individuele
gewesten. ([49]) De Hoge Raad van Financiën (2009) heeft
verschillende aspecten van milieubelasting geanalyseerd en in dat verband
beleidsadviezen verstrekt. ([50]) Bovendien zijn energieproducten
uitgesloten van de accijnsverhoging met 8 % die sinds 1 augustus 2013 van
toepassing is. ([51]) Zie de Inventaris 2012 van de
vrijstellingen, aftrekken en verminderingen die de ontvangsten van de staat
beïnvloeden, bijlage bij de ontwerpbegroting 2014, Belgische Kamer van
Volksvertegenwoordigers, 2013. ([52]) Naast het verlaagde tarief van
12 % bestaat er ook een zogenaamd "parkeertarief" van 12 %,
dat van toepassing is op producten zoals cokes, kool en bruinkool. Ondanks het
beperkte inkomstenverlies rijst toch de vraag of dit uit oogpunt van efficiency
een passend tarief is, des te meer gelet op het vervuilende effect van deze
producten. ([53]) Voor andere landen is al aangetoond dat
een verlaagd btw-tarief voor restaurantdiensten niet doeltreffend is. ([54]) Volgens schattingen van Decoster &
Spiritus (2012) wordt een verhoging van het normale tarief van 21 % naar
22 %, zelfs zonder een lager verlaagd tarief, vooral gedragen door hogere
(uitgaven)decielen. ([55]) Deze verschuiving van de
socialezekerheidsbijdragen naar de btw heeft ook een voordeel op het gebied
van coördinatie, in die zin dat - in tegenstelling tot bijvoorbeeld milieubelastingen
- de volledige bevoegdheid over de btw gesitueerd is op het federale niveau,
dat na de zesde staatshervorming verantwoordelijk blijft voor de
tenuitvoerlegging van structurele verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen
zoals voor de lage lonen. ([56]) Los hiervan, maar in dezelfde samenhang,
dient te worden gewezen op het probleem dat zich voordoet ten aanzien van de
verenigbaarheid met de Europese grondbeginselen doordat de
methode die voor belastingdoeleinden wordt gebruikt om de onroerende inkomsten
uit buitenlandse bron te bepalen (waarbij wordt uitgegaan van de werkelijke
huur), minder gunstig is dan de methode die wordt toegepast voor soortgelijke
inkomsten uit Belgische bron. Om een einde te maken aan deze situatie,
heeft de Commissie België verzocht om het systeem van de onroerende
voorheffing, volledig naar eigen inzicht, te herzien. Europese Commissie —
IP/12/282 van 22.3.2012. ([57]) Najaarsprognose 2014 van de Europese
Commissie