This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014PC0748
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT pursuant to Article 294(6) of the Treaty on the Functioning of the European Union concerning the position of the Council at the first reading on the adoption of a Directive of the European Parliament and of the Council amending Directive 98/70/EC relating to the quality of petrol and diesel fuels and amending Directive 2009/28/EC on the promotion of the use of energy from renewable sources (COM(2012) 595 final- 2012/0288 (COD))
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad in eerste lezing over de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2012) 595 final - 2012/0288 (COD))
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad in eerste lezing over de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2012) 595 final - 2012/0288 (COD))
/* COM/2014/0748 final - 2012/0288 (COD) */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad in eerste lezing over de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2012) 595 final - 2012/0288 (COD)) /* COM/2014/0748 final - 2012/0288 (COD) */
2012/0288 (COD) MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT
overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie
over het standpunt van de Raad in eerste lezing over
de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement
en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit
van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG
ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2012)
595 final - 2012/0288 (COD)) 1. Achtergrond Indiening voorstel bij het Europees Parlement en de Raad || 18 oktober 2012 Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing || 11 september 2013 Advies van het Economisch en Sociaal Comité || 17 april 2013 Advies van het Comité van de Regio's || Geen advies uitgebracht Datum van politieke overeenkomst en formele goedkeuring van het standpunt in eerste lezing door de Raad (bij gekwalificeerde meerderheid) || 13 juni 2014 (politieke overeenkomst), 9 december 2014 (formele goedkeuring) 2. Doel van het voorstel van de
Commissie Het doel van het voorstel van de Commissie is om
een begin te maken met de overgang naar biobrandstoffen die, ook wanneer
indirecte veranderingen in het landgebruik (indirect land-use change - ILUC)
worden meegerekend, de broeikasgasuitstoot aanzienlijk terugdringen. Met
inachtneming van de bescherming van bestaande investeringen is het doel van het
onderhavige voorstel: –
de bijdrage van conventionele biobrandstoffen (met
het risico van ILUC-emissies) voor het bereiken van streefcijfers van de
richtlijn hernieuwbare energiebronnen te beperken; –
de broeikasgasprestaties van de
biobrandstofproductieprocessen te verbeteren (met een vermindering van de
gerelateerde emissies) door de drempel voor de reductie van broeikasgasemissies
voor nieuwe installaties[1]
te verhogen, met bescherming van investeringen in installaties die op 1 juli
2014 operationeel zijn; –
de marktpenetratie van geavanceerde biobrandstoffen
(met lage ILUC) te bevorderen door dergelijke biobrandstoffen een grotere
bijdrage te doen leveren aan het bereiken van de streefcijfers van de richtlijn
hernieuwbare energiebronnen dan conventionele biobrandstoffen; –
de rapportage inzake broeikasgasemissies te
verbeteren door de lidstaten en de leveranciers van brandstoffen ertoe te
verplichten te rapporteren over de geraamde emissies ten gevolge van indirecte
veranderingen in landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen. 3. Opmerkingen over het
standpunt van de Raad 3.1. Algemene opmerkingen over het
standpunt van de Raad De Commissie betreurt dat het
milieuambitieniveau op basis van het standpunt van de Raad in eerste lezing
aanzienlijk wordt verlaagd ten opzichte van het oorspronkelijke
Commissievoorstel. Bovendien voorziet de Raad niet in significante prikkels ten
aanzien van de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen en andere opties met
geen of slechts geringe indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) voor het
gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer. De elementen in de tekst van
de Raad die gezamenlijk tot een aanzienlijk lager milieuambitieniveau leiden
zijn: ·
verhoging van het maximum voor conventionele
biobrandstoffen tot 7 %[2]; ·
nieuwe vermenigvuldigingsfactoren voor hernieuwbare
elektriciteit in het spoorvervoer; ·
verminderde prikkels om geavanceerde
biobrandstoffen (met een lage ILUC) te gebruiken; ·
verzwakking van de ILUC-rapportage-eisen. De Commissie betreurt tevens, en maakt ernstig
bezwaar tegen, de door de Raad geïntroduceerde wijzigingen die het ambitieniveau
op milieugebied van de in de richtlijn hernieuwbare energie vastgelegde
algehele doelstelling inzake hernieuwbare energie aanzienlijk verlaagt. Bovendien worden in de tekst van de Raad een
reeks gedelegeerde handelingen geschrapt en worden een aantal andere omgewerkt
tot uitvoeringshandelingen, hetgeen de Commissie grote zorgen baart. 3.2. Amendementen van het Europees
Parlement in eerste lezing De Raad heeft sommige, maar niet alle
amendementen van het Europees Parlement uitdrukkelijk in overweging genomen. De
standpunten van de Commissie ten aanzien van de amendementen van het Europees
Parlement zijn hieronder vermeld en in voorkomend geval hebben we ook het
standpunt van de Raad aangegeven. 1. Gebruik,
vanaf 2020, van geschatte ILUC-waarden voor boekhouding in het kader van de
richtlijn brandstofkwaliteit; schrapping van ILUC-rapportage uit de richtlijn
hernieuwbare energie (amendementen 60 en 164). Verworpen door de Commissie Op de beste
beschikbare wetenschappelijke gegevens gebaseerde ILUC-waarden moeten worden
gerapporteerd in het kader van zowel de richtlijn hernieuwbare energie als de
richtlijn brandstofkwaliteit, maar mogen niet worden gebruikt voor de
boekhouding overeenkomstig de richtlijn brandstofkwaliteit. Zij moeten worden
gerapporteerd om de transparantie ten aanzien van de echte
broeikasgasprestaties van op voedings- en voedergewassen gebaseerde
biobrandstoffen te vergroten en de kennis over de reikwijdte van de
problematiek te verbeteren. De tekst van de Raad introduceert geen ILUC-waarden
voor boekhouding in het kader van de richtlijn brandstofkwaliteit en handhaaft
ILUC-rapportage voor zowel de richtlijn brandstofkwaliteit als de richtlijn
hernieuwbare energie, zij het in gewijzigde vorm. 2. Het
gebruik van conventionele biobrandstoffen aan een maximum binden door de
duurzaamheidsstatus ervan weg te nemen (Amendement 89). Verworpen door de
Commissie. De Commissie heeft
voorgesteld de bijdrage die biobrandstoffen die ILUC kunnen veroorzaken, kunnen
leveren aan het streefcijfer van de hernieuwbare-energierichtlijn, namelijk 10 %,
te beperken. Dit moedigt de lidstaten ertoe aan hun steunregelingen en mandaten
dienovereenkomstig te wijzigen, maar beperkt het algehele gebruik van
dergelijke biobrandstoffen niet, waardoor de lidstaten een zekere mate van
flexibiliteit krijgen. In de tekst van de Raad wordt ook bepaald dat slechts de
bijdrage aan het streefcijfer van 10 % moet worden beperkt en dat niet aan
de duurzaamheidsstatus van "aanvullende" conventionele
biobrandstoffen mag worden geraakt. 3. Het
gebruik van conventionele biobrandstoffen aan een maximum binden in het kader
van de brandstofkwaliteitsrichtlijn (Amendement 184/REV). Aanvaard door de
Commissie. Het parlement wil
het maximum ook toepassen op het streefcijfer van de brandstofkwaliteitsrichtlijn.
Hoewel de Commissie geen maximum heeft voorgesteld voor de
brandstofkwaliteitsrichtlijn, is deze bepaling een element dat kan bijdragen
tot verbetering van het milieuambitieniveau van de hele tekst. De tekst van de
Raad houdt in dat alleen de bijdrage aan het streefcijfer van 10 % van de
hernieuwbare-energierichtlijn beperkt moet worden. 4. De
reikwijdte van het maximum uitbreiden tot energiegewassen (Amendement 181).
Gedeeltelijk aanvaard door de Commissie. Op bouwland
geteelde energiegewassen kunnen ILUC-effecten hebben. Dit voorstel van het
Europees Parlement is derhalve een van de elementen die de milieuambitie en het
ILUC-mitigatie-effect van de tekst zouden kunnen versterken. De Commissie kan
de wijziging van de reikwijdte van het maximum aanvaarden. De Raad neemt de
dekking van het voorstel van de Commissie (voedings‑ en voedergewassen)
over. 5. Voer
een bindend substreefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen van 0,5 % in
2016 en 2,5 % in 2020 (Amendementen 181 en 152/REV). Gedeeltelijk
aanvaard door de Commissie. De Commissie staat
er in het kader van een algemeen compromis eventueel voor open om het beginsel
van de invoering van een bindend substreefcijfer te overwegen, aangezien dat
het milieuambitieniveau kan verhogen. Hoewel de Commissie in dit stadium nog
geen precies percentage kan noemen, lijkt 2,5 % extreem ambitieus,
aangezien biobrandstoffen met een laag ILUC-risico (afgewerkte bak‑ en
braadolie en talg), die momenteel op commerciële schaal beschikbaar zijn,
zouden worden uitgesloten en aangezien de biobrandstoffen die voor het
substreefcijfer in aanmerking komen, voor het bereiken van de streefcijfers
slechts één maal worden meegeteld. De Raad stelt een niet-bindend
substreefcijfer voor met veel lagere volumes (referentie 0,5 p.p.). 6. Substreefcijfer
van 7,5 % voor bio-ethanol (Amendement 152/REV). Verworpen door de
Commissie. Het Europees
Parlement heeft voorgesteld dat er een substreefcijfer komt van 7,5 % voor
in benzine bijgemengde ethanol. De Commissie is van mening dat dit de
lidstaten nodeloos beperkt in hun flexibiliteit om het vervoerstreefcijfer te
halen overeenkomstig hun nationale omstandigheden. Bovendien zouden er grotere
hoeveelheden moeten worden geleverd dan in brandstof voor conventionele
voertuigen kunnen worden bijgemengd, en dus zou daarvoor een soort gebruik met
"hoge bijmenging" moeten worden gevonden, waarvoor de lidstaten
wellicht geen infrastructuur hebben. 7. Amendementen
met betrekking tot de bijdrage die verschillende biobrandstoffen leveren aan
het substreefcijfer voor vervoer (Amendementen 185 en 186). Gedeeltelijk
aanvaard door de Commissie. In het
oorspronkelijke voorstel van de Commissie werd geprobeerd de productie van
geavanceerde biobrandstoffen (met een lage ILUC) te stimuleren door de bijdrage
die zij aan het substreefcijfer voor vervoer leveren, te verhogen. In het
kader van het voorstel zouden de meest geavanceerde biobrandstoffen vier keer
meetellen, terwijl afgewerkte bak‑ en braadolie en talg twee keer
meetellen. Het Europees Parlement wil dit wijzigen door de lijst van
grondstoffen voor biobrandstoffen die vier keer meetellen aanzienlijk te
beperken, en wil dat de meeste grondstoffen maar één keer meetellen. De
Commissie is van mening dat dit een tegenstrijdige stimuleringsregeling voor
geavanceerde biobrandstoffen zou vormen, aangezien het resultaat van de
wijziging zou zijn dat biobrandstoffen die nu reeds worden gemaakt met
gebruikmaking van afgewerkte bak‑ en braadolie en diervet, met
gebruikmaking van eenvoudige technologieën, twee keer zo sterk gestimuleerd
zouden worden als biobrandstoffen waarvoor nieuwe technologie wordt gebruikt en
die veel duurder zijn om te produceren. Bovendien zouden wijzigingen van de
lijsten volledig consistent moeten zijn met de algehele werkingssfeer van de
richtlijnen, met de reikwijdte van het maximum, met het introduceren of
verwijderen van boekhoudkundige vermenigvuldigingsfactoren, alsmede met de
definities van grondstoffen. 3.3. De Raad heeft een aantal nieuwe
bepalingen in de tekst ingebracht waarvan de Commissie een aantal kan
aanvaarden en waarvan andere het voorstel aanzienlijk verzwakken en waartegen
de Commissie dan ook bezwaar maakt. Het betreft de volgende wijzigingen: 1. Verhoging
van het maximum naar 7 %. Het
maximum van 5 % dat geldt voor de bijdrage van conventionele
biobrandstoffen aan de richtlijn hernieuwbare energie, is het centrale element
van het voorstel van de Commissie en de Commissie heeft het krachtig verdedigd,
aangezien een hoger maximum de ILUC-beperking zou verminderen. Dit gezegd
zijnde heeft de Commissie erkend dat enige flexibiliteit in de richting van een
hoger maximum nodig kan zijn om een alomvattend compromis tussen de Raad en het
Europees Parlement te bereiken. De Commissie heeft echter ook duidelijk
gesteld dat, als het nodig mocht zijn compromissen over het maximum te sluiten,
zij er dan wel naar zal streven het algemene milieuambitieniveau van het
voorstel te bewaren. Het maximum van 7 % dat door de Raad is voorgesteld
beperkt ILUC niet in voldoende mate en zorgt ook voor onvoldoende stimulansen
om in de vervoerssector te komen tot opties waarbij geringe indirecte
veranderingen in landgebruik plaatsvinden. De Commissie betreurt ook het
schrappen van overwegingen waarin zij haar standpunten voor de periode na 2020
kenbaar maakt. De Commissie kan eventueel instemmen met een maximum van 7 %,
als de tekst op de volgende punten wordt versterkt: i) de reikwijdte van het
maximum wijzigen in overeenstemming met de amendementen van het Europees
Parlement (181) die reeds door de Commissie zijn aanvaard om daarin alle land
gebruikende biobrandstoffen op te nemen, en het maximum ook opnemen in de
richtlijn brandstofkwaliteit (184/REV), ii) een duidelijke politieke boodschap
afgeven over de transitie naar geavanceerde biobrandstoffen (door de overweging
over de periode na 2020 weer in de tekst op te nemen en door een verplicht
substreefcijfer van 0,5 % voor geavanceerde biobrandstoffen toe te voegen
om ten minste de bestaande investeringen te dekken en te beschermen), iii) ten
behoeve van deze bepalingen bepaalde bevoegdheidsdelegaties herstellen of
overgangsclausules zekerstellen, iv) de vermenigvuldigingsfactor voor
hernieuwbare elektriciteit in het spoorvervoer schrappen, en v) het dubbel
meetellen voor het bereiken van de streefcijfers van de richtlijn hernieuwbare
energie schrappen. 2. Uitbreiding
van het meerdere malen meetellen van geavanceerde biobrandstoffen, wat
momenteel slechts geldt voor het streefcijfer van 10 % voor vervoer, tot
het algemene streefcijfer van de richtlijn hernieuwbare energie. De
Commissie is sterk gekant tegen het idee van de toepassing van dubbeltelling
voor geavanceerde biobrandstoffen tot het algemene streefcijfer van 20 %
uit de richtlijn hernieuwbare energie, en zij heeft dit standpunt opgenomen in
haar verklaringen bij de notulen (zie hieronder). Hoewel de effecten op de
ontwikkeling van hernieuwbare‑energiebronnen naar verwachting gering
zullen zijn, zoals hierboven reeds is aangegeven, zou dit een zeer
problematisch politiek precedent scheppen met het naderbij komen van 2020 - er
is geen reden om het ambitieniveau voor een belangrijke hoofddoelstelling van
het energie‑ en klimaatpakket uit 2008 te verlagen. Tijdens de Europese
Raad van maart van dit jaar hebben de lidstaten hun verbintenis om de 2020-streefcijfers
te halen, bevestigd. Het pakket uit 2008
biedt de lidstaten voldoende flexibiliteit om excessieve kosten in verband met
de naleving te vermijden. Door in verschillende situaties
vermenigvuldigingsfactoren toe te passen is minder "echte" energie
nodig waardoor het streefcijfer voor vervoer aanzienlijk daalt. Als daarentegen
de kosten voor de naleving verder moeten worden verlaagd en ILUC binnen het
streefcijfer voor vervoer toch moet worden beperkt, vindt de Commissie de
amendementen 153 en 154 van het Europees Parlement passender, omdat daarin
rekening wordt gehouden met extra inspanningen om de energie-efficiëntie en de
energiebesparingen in het vervoer te verbeteren. 3. Boekhoudkundige
vermenigvuldigingsfactor van 5 voor hernieuwbare elektriciteit in elektrisch
wegvervoer en van 2,5 voor elektrische treinen. De
Commissie heeft geen boekhoudkundige vermenigvuldigingsfactoren voor
elektrische wegvoertuigen en elektrische treinen in haar voorstel opgenomen. De
Commissie zou echter als onderdeel van een algemeen compromis kunnen instemmen
met de vaststelling van een boekhoudkundige vermenigvuldigingsfactor van 5 bij
wegvoertuigen. De Commissie is echter tegen de invoering van een
boekhoudkundige vermenigvuldigingsfactor voor hernieuwbare energie in treinen,
aangezien het ambitieniveau van de streefcijfers in de vervoerssector daardoor
zou worden verlaagd en dit geen extra stimulans zou vormen voor koolstofarm
vervoer. Het Europees Parlement introduceert geen nieuwe of hogere
vermenigvuldigingsfactoren ten opzichte van het voorstel van de Commissie. 4. Introductie
van een niet-bindend substreefcijfer voor biobrandstoffen die geproduceerd
worden uit grondstoffen die in deel A van bijlage IX voorkomen. Zoals hierboven
besproken heeft de tekst van de Raad een eis geïntroduceerd waaraan de
lidstaten zich moeten houden, namelijk om vóór 2020 een niet-bindend
substreefcijfer vast te stellen voor biobrandstoffen die uit bepaalde
grondstoffen worden geproduceerd, met een referentiewaarde van 0,5
procentpunten in energietermen, d.w.z. voorafgaand aan dubbeltelling. De
lidstaten kunnen echter van deze referentiewaarde afwijken door gebruik te
maken van een reeks rechtvaardigingsgronden, en er is geen sanctie voor
niet-naleving. In de algemene context van de tekst van de Raad biedt deze
bepaling slechts een geringe stimulans om over te schakelen op geavanceerde
biobrandstoffen als niet‑ILUC‑optie in de vervoerssector. De
Commissie staat juist positief tegenover versterking van dit element, en zij is
dan ook ingenomen met het dienovereenkomstige amendement van het Europees
Parlement (181), maar zij heeft er reeds op gewezen dat het substreefcijfer in
het amendement van het Europees Parlement te ambitieus lijkt en dat het
waarschijnlijk zeer duur zal zijn om dat te bereiken. 5. Extra
grondstoffen toegevoegd aan de lijst van bijlage IX. Het voorstel van de Commissie omvatte een lijst van grondstoffen die
extra stimulansen zouden moeten krijgen wanneer zij als biobrandstof zouden
worden geleverd. Het standpunt van de Raad omvat een aantal extra grondstoffen
en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat die als "geavanceerde
grondstoffen voor biobrandstof (met een lage ILUC)" kunnen worden
beschouwd en dat dit in overeenstemming is met de andere elementen van de
uiteindelijke tekst (d.w.z. welke stoffen onder het maximum vallen). 6. Extra
grondstoffen buiten de lijst van bijlage IX. In het standpunt van de
Raad is een bepaling opgenomen dat "biobrandstoffen die zijn geproduceerd
uit niet in de lijst van bijlage IX vermelde grondstoffen, welke vóór de
vaststelling van deze richtlijn door de bevoegde nationale autoriteiten werden
gedefinieerd als afval, residuen, non-foodcellulosemateriaal en
lignocellulosisch materiaal en in bestaande installaties worden gebruikt"
ook worden meegeteld voor het bereiken van het in bovenstaand punt 4 bedoelde
substreefcijfer. De Commissie is van mening dat deze bepaling een te ruime
toepassing heeft, het risico in zich bergt van inconsequente toepassing in de
EU en verder gaat dan het beschermen van bestaande investeringen, aangezien tot
aan de goedkeuring van de ILUC-richtlijn veranderingen worden toegestaan.
Bovendien geeft een dergelijke bepaling de "bevoegde nationale
autoriteiten" het recht om het dienovereenkomstige deel van de richtlijn
hernieuwbare energie in laatste instantie te interpreteren - geheel in
tegenspraak met de wettelijke regel die gewoonlijk van toepassing is op de
interpretatie van een richtlijn van de Europese Unie. 7. Verzwakte
ILUC-rapportage-eisen. Het voorstel van de
Commissie omvatte een eis dat de lidstaten de geraamde ILUC-emissies van de
biobrandstoffen die geleverd worden om hun binnenlandse streefcijfers te
bereiken, moesten rapporteren met gebruikmaking van geraamde waarden uit de
modellen van IFPRI (internationaal onderzoeksinstituut voor voedselbeleid). De
Raad heeft deze eis zodanig gewijzigd, dat de lidstaten alleen de grondstof
voor de biobrandstof hoeven te rapporteren en dat de Commissie een rapport
opstelt over het biobrandstofverbruik van de lidstaten en daar ILUC-waarden aan
toevoegt, wat ook betekent dat deze informatie op een later tijdstip wordt
verstrekt dan wanneer deze door de lidstaten wordt verstrekt. Bovendien heeft
de Raad bewoordingen gebruikt waarin de voorlopige en onzekere aard van de
ILUC-waarden wordt benadrukt. De Commissie ziet het liefst dat de
oorspronkelijke rapportage-eisen opnieuw in de tekst worden opgenomen. Zie ook
het standpunt van de Commissie over de amendementen 60 en 164 van het Europees
Parlement. 8. Uitbreiding
van de "statistische transfers" van hernieuwbare energie om het
substreefcijfer voor vervoer daarin op te nemen. De tekst van de Raad introduceert de
mogelijkheid om statistische transfers uit te voeren om het streefcijfer voor
de vervoerssector te halen, hetgeen reeds voor de hele richtlijn hernieuwbare
energie is toegestaan. De Commissie beschouwt deze wijziging weliswaar als
onnodig, aangezien brandstoffen voor vervoer eenvoudig tussen de lidstaten
onderling kunnen worden verhandeld, maar zij erkent wel dat de kosten om aan de
regel te voldoen erdoor kunnen worden verlaagd. 9. Wederzijdse
erkenning van vrijwillige regelingen. Volgens de Commissie is het begrip
"wederzijdse erkenning" van door de Commissie overeenkomstig artikel 18,
lid 6, van de richtlijn hernieuwbare energie goedgekeurde vrijwillige
regelingen redundant in het licht van artikel 18, lid 7. In bedoeld
lid 7 is namelijk bepaald dat verificatie via dergelijke vrijwillige
regelingen in lidstaten moet worden erkend zonder dat verder bewijs van de
naleving ervan vereist is. Wederzijdse erkenning van reeds door de Commissie
overeenkomstig artikel 18, lid 6, goedgekeurde vrijwillige regelingen doet ook
afbreuk aan het idee dat die regelingen overeenkomstig artikel 18, lid 4,
duurzaamheidsaspecten zouden kunnen certificeren die verder gaan dan de
geharmoniseerde criteria De Commissie kan zich in de tekst van de Raad vinden
voor zover de Commissie daarmee de mogelijkheid krijgt een nationale regeling
te beoordelen en expliciet goed te keuren. De juridische consequentie daarvan
zou echter eenzelfde mate van erkenning moeten zijn als bij vrijwillige
regelingen overeenkomstig artikel 18, lid 6. Zie ook amendement 102
van het Europees Parlement, waarbij wederzijdse erkenning tussen alle
verificatieregelingen zou worden ingesteld. De Commissie ondersteunt het idee
van wederzijdse erkenning van nationale stelsels; vrijwillige regelingen mogen
echter niet worden gedwongen nationale stelsels te erkennen. 10. Versterkte
rapportage door en over vrijwillige regelingen. Volgens de tekst
van de Raad moet van vrijwillige regelingen worden verlangd dat daarover
regelmatig wordt gerapporteerd, dat deze verslagen door de Commissie moeten
worden bekendgemaakt, en dat de Commissie moet evalueren hoe de vrijwillige
regelingen werken. Voor de Commissie is deze tekst aanvaardbaar, maar is
juridische verduidelijking nodig met betrekking tot de vraag of deze
wijzigingen ook op de bestaande vrijwillige regelingen kunnen worden toegepast.
Het Europees Parlement (amendementen 58 en 103) wil dat de Commissie
rapporteert over het functioneren van de vrijwillige regelingen en, indien
passend, een voorstel doet; de Commissie zou dit in principe kunnen aanvaarden
(nadere verbeteringen en verduidelijkingen nodig). 11. Bonus
voor aangetast land. In de tekst van de
Raad wordt de bonus voor aangetast land voor de berekening van
broeikasgasbesparingen gehandhaafd. De Commissie heeft dit element uit de
berekening van de broeikasgassen geschrapt aangezien het niet in
overeenstemming is met de broeikasgasmethodiek en de rapportage over ILUC en
aangezien het moeilijk lijkt dit type land aan te wijzen. De Commissie kan
handhaving van dit element aanvaarden in het kader van een algemeen bevredigend
compromis, maar zou er de voorkeur aan geven dat er bepalingen worden
vastgesteld met betrekking tot het veilig fysiek apart houden van gewassen die
op ernstig besmette grond zijn geteeld. Het Europees Parlement heeft de
schrapping van dit element in de tekst van de Commissie aanvaard. 12. Categorieën
landgebruik "bouwland" en "bouwland voor vaste gewassen"
samenvoegen. In de tekst van de Raad worden de categorieën landgebruik
"bouwland" en "bouwland voor vaste gewassen" samengevoegd
voor de berekening van de broeikasgasbesparingen. Dit is gedaan om een
mogelijk probleem met de boekhoudingsmethodiek voor broeikasgassen aan te
pakken wanneer "bouwland" wordt omgezet in "bouwland voor vaste
gewassen" en dan weer terug. Hoewel de Commissie de wijzigingen die de
Raad voorstelt, zou kunnen aanvaarden in het kader van een over de gehele linie
bevredigend compromis, blijft de Commissie ernstig bezorgd over de mogelijke
effecten op de duurzaamheid van biobrandstoffen uit derde landen en is zij van
mening dat dit probleem op een andere manier kan worden aangepakt. (Dit element
maakt geen deel uit van de tekst van de Commissie, noch van die van het
Europees Parlement). 13. Evaluatiebepaling
Volgens de tekst
van de Raad zou de Commissie één jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn moeten
rapporteren over geavanceerde biobrandstoffen, de ILUC-kennis en de
identificatie en certificering van biobrandstoffen met een lage ILUC. De
Commissie zou in 2017 over ILUC-maatregelen moeten rapporteren, en ook weer
over de certificering van biobrandstoffen met een lage ILUC, fraudepreventie en
vrijwillige regelingen. De Commissie pleit krachtig voor één evaluatie over al
die onderwerpen in 2017. De Commissie betwijfelt ook het nut van de introductie
van welke wettelijke definitie dan ook voor biobrandstoffen met een laag ILUC‑risico,
voordat zo'n evaluatie is uitgevoerd. Bovendien voegt de Raad een formulering
toe betreffende het "voorlopige" karakter van de geraamde, voor de
rapportage te gebruiken ILUC‑waarden. De evaluatieclausule zou moeten
verduidelijken wat de volgende stappen moeten zijn, d.w.z. of de
"voorlopige" waarden tot 2020 moeten worden aangehouden of dat
"definitieve" waarden moeten worden aanbevolen. Volgens de Commissie
zouden de amendementen 107, 189 en 190 van het Europees Parlement (indien
consistent gemaakt) een nuttige richtsnoer kunnen vormen. 14. Het
begrip biobrandstoffen "met een laag ILUC-risico" Zoals hierboven
vermeld, wordt in de tekst van de Raad een definitie geïntroduceerd van
biobrandstoffen "met een laag ILUC-risico", waarbij aan de Commissie
de eis wordt gesteld een verslag in te dienen waarin "criteria [worden]
geformuleerd ter bepaling en certificering van biobrandstoffen [...] met een
laag ILUC-risico". De definitie in de tekst van de Raad onderscheidt deze
soorten biobrandstoffen van biobrandstoffen die worden gemaakt van de in deel A
van bijlage IX genoemde grondstoffen. Terwijl de Commissie verdere
werkzaamheden op dit gebied zou kunnen accepteren (met dien verstande dat die
werkzaamheden dan wel zouden moeten uitmonden in één enkel verslag in 2017)
moet een voorzichtige aanpak worden gekozen om ervoor te zorgen dat
grondstoffen waarvan vastgesteld is dat zij "een laag ILUC-risico"
hebben, ook daadwerkelijk zo'n laag risico hebben. Noch de Commissie, noch het
Europees Parlement hebben naar deze categorie biobrandstoffen verwezen. 15. Fraudepreventie
De tekst van de
Raad roept op tot betere samenwerking tussen de nationale stelsels onderling en
tussen die stelsels en vrijwillige regelingen, tot bevordering door de
lidstaten van de ontwikkeling en het gebruik van tracerings- en
opsporingssystemen en tot rapportage betreffende de antifraudemaatregelen van
de lidstaten. In 2017 moet de Commissie de doeltreffendheid van deze
maatregelen evalueren en zo nodig een voorstel indienen. De Commissie kan de
door de Raad voorgestelde toevoegingen aanvaarden. Het Europees Parlement is
ook bezorgd om fraude (amendement 185). 16. Schrapping
van gedelegeerde handelingen In
de tekst van de Raad worden gedelegeerde handelingen met een beperkte
werkingssfeer alleen nog gehandhaafd om standaardwaarden aan bijlage IV bij de
richtlijn brandstofkwaliteit en bijlage V bij de richtlijn hernieuwbare energie
toe te voegen en om aan bijlage IX bij de richtlijn hernieuwbare energie grondstoffen
toe te voegen. De Raad heeft de "geen‑adviesclausule"
toegevoegd aan artikel 11, lid 4, van Richtlijn 98/70/EG en aan artikel 25,
leden 3 en 4, van Richtlijn 2009/28/EG voor de vaststelling van
uitvoeringshandelingen. (a)
De Commissie is van mening dat de richtlijnen
moeten worden bijgewerkt overeenkomstig de stand van de wetenschappelijke
vooruitgang en nieuwe technologische ontwikkelingen. Dit doen via de gewone
wetgevingsprocedure zou te omslachtig en te langzaam zijn en zou niet op
adequate wijze zorgen voor flexibiliteit en efficiëntie bij de aanpassing van
de strikt technische aspecten van de richtlijn brandstofkwaliteit en de
richtlijn hernieuwbare energie om daarin de wetenschappelijke vooruitgang te
weerspiegelen met het oog op het bereiken van hun milieudoelstellingen
(reductie van broeikasgassen in de vervoerssector). De meeste van de
voorgestelde gedelegeerde handelingen zijn bedoeld ter vervanging van
handelingen in het kader van de voorgaande regelgevingsprocedure met toetsing
die in de betrokken richtlijnen waren opgenomen ("lissabonisering").
Volgens de Commissie wordt, met de recent door het voorzitterschap voorgestelde
aanpak van de intrekking van aan de Commissie verleende bevoegdheden voor de
goedkeuring van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen en het opnemen van alle
bepalingen in de wetgevingshandeling, het risico gelopen dat het onderscheid
tussen wijziging en aanpassing van niet-essentiële en essentiële elementen van
de richtlijnen in gevaar wordt gebracht. De technische aanpassing behoort
overduidelijk tot de eerste categorie. Zo nodig zal de Commissie
compromisteksten onderzoeken, mits die consistent blijven met haar aanpak
inzake de toekenning van bevoegdheden in het kader van de regels van het
Verdrag, namelijk dat de werkingssfeer van de artikelen 290 en 291 VWEU elkaar
wederzijds uitsluiten. De Commissie is ingenomen met het standpunt van het
Europees Parlement, dat het standpunt van de Commissie volledig onderschrijft,
en blijft proberen compromissen te vinden die het gebruik van gedelegeerde
handelingen toestaan. (b)
De Commissie is sterk gekant tegen het wegnemen van
gedelegeerde bevoegdheden die van invloed zijn op de lopende procedures in het
kader van Besluit 1999/468/EG of op procedures die uiterlijk op [datum door de
Commissie vast te stellen] beginnen en die dienen ter aanvulling van beide
richtlijnen. Als alternatief zou in een overgangsperiode voor de toepassing
van procedures op grond van Verordening (EU) nr. 182/2011 moeten
worden voorzien. (c)
Bovendien heeft de Raad de geen‑adviesclausule
toegevoegd voor de goedkeuring van uitvoeringshandelingen. De Commissie is van
mening dat er geen specifieke rechtvaardiging is voor de opneming van de geen‑adviesclausule
en vraagt om een overweging ter rechtvaardiging van de opneming van zo'n
clausule. Als een dergelijke overweging aan het einde van de procedure niet
wordt aanvaard, zal de Commissie de standaardverklaring ten aanzien van dit
punt geven. 4. Conclusies/ Algemene
opmerkingen Hoewel de Commissie van mening is dat het
politieke akkoord van de Raad in eerste lezing niet voldoet aan enkele van de
belangrijkste doelstellingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel, is het
haar inschatting dat de enige manier om de gewone wetgevingsprocedure te kunnen
voortzetten, is om zich niet tegen dit politiek akkoord te verzetten. De
Commissie streeft naar handhaving van de elementen van het voorstel die kunnen
bijdragen tot het verzachten van de ILUC-effecten en die voorzien in het behoud
van het algehele ambitieniveau op milieugebied ten aanzien van biobrandstoffen
in het vervoer, waaronder een aantal elementen die deel uitmaken van het
standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing 5. Verklaringen van de
Commissie De Commissie heeft een verklaring opgesteld
die in de notulen van de Raad moet worden opgenomen en die als volgt luidt: Verklaring van de Commissie over het standpunt van de Raad in eerste
lezing met betrekking tot het ILUC-voorstel [Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot
wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en
van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter
bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen] COM(2012) 595 final - 2012/0288 (COD) De Commissie
betreurt dat, ten opzichte van haar oorspronkelijke voorstel, het standpunt van
de Raad in eerste lezing het ambitieniveau wat het verzachten van de
ILUC-effecten van conventionele biobrandstoffen betreft, aanzienlijk heeft
verlaagd. Bovendien voorziet de Raad niet in significante prikkels voor de
overgang naar geavanceerde biobrandstoffen en andere niet-ILUC-opties voor het
gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer. De Commissie betreurt ook dat
het ambitieniveau op milieugebied van de in de richtlijn hernieuwbare energie[3] vastgelegde algehele
doelstelling inzake hernieuwbare energie wordt verlaagd door de wijzigingen die
de Raad heeft aangebracht. Om ervoor te zorgen
dat het wetgevingsproces doorgaat, zal de Commissie echter geen bezwaar
aantekenen tegen het standpunt van de Raad in eerste lezing. De
Commissie zal derhalve tijdens de volgende stappen van de wetgevingsprocedure
nauw blijven samenwerken met de medewetgevers. De
Commissie streeft naar handhaving van de elementen van het voorstel die kunnen
bijdragen tot het verzachten van de ILUC-effecten en die voorzien in het behoud
van het algehele ambitieniveau op milieugebied ten aanzien van biobrandstoffen
in het vervoer, waaronder een aantal elementen die deel uitmaken van het
standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing. De Commissie hoopt
daarbij dat er een oplossing kan worden gevonden waarbij rekening wordt
gehouden met het belang dat de EU hecht aan de bestrijding van de negatieve
milieueffecten van conventionele biobrandstoffen. [1] Zoals gedefinieerd in paragraaf 3.1.1 van C 160 (2010) [2] De grens van de bijdrage die conventionele
biobrandstoffen leveren aan het bereiken van de streefcijfers in de richtlijn
hernieuwbare energiebronnen. [3] Richtlijn 2009/28/EG