Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014PC0340

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 in verband met de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen

/* COM/2014/0340 final - 2014/0173 (COD) */

52014PC0340

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 in verband met de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen /* COM/2014/0340 final - 2014/0173 (COD) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel

Met het voorstel wordt beoogd de procedurewaarborgen die elke door het Europees Bureau voor fraudebestrijding onderzochte persoon ("betrokkenen" in de verordening) geniet, uit te breiden en rekening te houden met de bijzondere manier waarop leden van EU-instellingen zijn verkozen of aangesteld, alsook met hun bijzondere bevoegdheden die specifieke regels kunnen rechtvaardigen om te garanderen dat de instellingen waarvan zij deel uitmaken naar behoren kunnen functioneren. Daartoe dient Verordening nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door OLAF te worden gewijzigd.

Deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt door instelling van een functie van Toezichthouder op de procedurewaarborgen, belast met twee taken:

· het behandelen van klachten, ingediend door personen tegen wie een onderzoek loopt, wegens schending van hun procedurerechten;

· het machtigen van OLAF om onderzoekingen te verrichten ten aanzien van leden van EU-instellingen.

Algemene context

In 2013 zijn de instellingen het na jaren van intensief onderhandelen eens geworden over een nieuw wettelijk kader voor OLAF-onderzoeken. Het resultaat daarvan is Verordening 883/2013 betreffende onderzoeken door OLAF, die op 1 oktober 2013 in werking is getreden. Dit bracht wezenlijke veranderingen mee voor de organisatie en de onderzoeksprocedures van OLAF, in het bijzonder een versterking van de OLAF-governance en een uitbreiding van de procedurewaarborgen van personen die in een OLAF-onderzoek zijn betrokken. Deze veranderingen krijgen momenteel hun beslag.

In juli 2013 heeft de Commissie haar voorstel voor een Europees Openbaar Ministerie (EOM) ingediend dat een aantal procedurewaarborgen op Unieniveau omvat. Tegelijk met dat voorstel heeft de Commissie de mededeling "De governance van OLAF en de procedurewaarborgen bij onderzoeken versterken" aangenomen (COM(2013)533 final). Daarin werd een pleidooi gehouden voor een stapsgewijze benadering ter flankering van de oprichting van het EOM en aanvullende maatregelen ter versterking van de OLAF-governance en uitbreiding van de procedurewaarborgen bij onderzoeken, nog voordat het EOM er is.

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Het voorstel heeft tot doel Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) te wijzigen. Andere rechtshandelingen die de bescherming van de financiële belangen van de EU regelen, zijn:

– Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/1996 van de Raad betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden,

– Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,

– Het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding OLAF.

2.           RESULTATEN VAN DE ANALYSE VAN DE GEVOLGEN

Analyse van de gevolgen

Dit voorstel gaat vergezeld van een werkdocument ("Analysis of Impacts") waarin verschillende mogelijke scenario's om de met dit initiatief beoogde beleidsdoelen te verwezenlijken, tegen elkaar worden afgewogen. Die beleidsdoelen zijn: het hoogst mogelijke niveau van bescherming van de grondrechten van EU-burgers tot stand te brengen en tegelijkertijd het hoogst mogelijke niveau van bescherming van de financiële belangen van de EU te waarborgen en de reputatie van de EU-instellingen te beschermen. Bij de analyse wordt gekeken hoe effectief elke optie is waar het gaat om het verwezenlijken van de beleidsdoelen, naar de financiële aspecten, naar de gevolgen voor het institutionele kader en naar het draagvlak bij de belanghebbenden.

De uitkomst van deze analyse is dat de meest effectieve manier om de beleidsdoelen te bereiken, erin bestaat een externe Toezichthouder op de procedurewaarborgen aan te stellen die klachten in behandeling neemt en toestemming geeft om bepaalde onderzoeksmaatregelen ten aanzien van leden van de instellingen te nemen. Dit zou het mogelijk maken om tegen een aanvaardbare kostprijs voor de begroting de procedurewaarborgen te versterken zonder afbreuk te doen aan de effectieve bescherming van de financiële belangen van de EU.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en)

Het voorstel voorziet erin een Toezichthouder op de procedurewaarborgen aan te stellen die tot taak zou hebben klachten te behandelen van personen die betrokken zijn in een onderzoek door OLAF, met betrekking tot de inachtneming van de procedurewaarborgen. De Toezichthouder zou ook toestemming moeten geven om bepaalde onderzoeksmaatregelen ten aanzien van leden van de instellingen te nemen.

Bij de behandeling van een klacht zou de Toezichthouder nagaan of de procedurewaarborgen waarin artikel 9 van Verordening nr. 883/2013 voorziet, in acht zijn genomen. Hij zou bijvoorbeeld moeten nagaan of de termijn is gerespecteerd waarbinnen betrokkenen voor een onderhoud moeten worden uitgenodigd, zonder een standpunt in te nemen over de grond of de manier waarop het onderhoud verloopt. Hij zou beide partijen horen alvorens een niet-bindende aanbeveling te doen aan de directeur-generaal van OLAF. Als de directeur-generaal besluit geen gevolg te geven aan de aanbeveling, dient hij de redenen daarvoor toe te lichten in een nota bij het afsluitende onderzoeksverslag aan de nationale autoriteiten of in voorkomend geval aan de betrokken instelling, de instantie of het orgaan van de Europese Unie. Vanwege de aard van de opgedragen taken, dient de Toezichthouder iemand te zijn met een grote deskundigheid op het vlak van de grondrechten en het strafrecht, en geschikt te zijn om het ambt van rechter te bekleden in ten minste één lidstaat of een rechtscollege van de EU. Hij dient zijn taken in volledige onafhankelijkheid en binnen de in deze verordening gestelde termijnen te kunnen uitvoeren.

Deze nieuwe klachtenprocedure doet geen afbreuk aan andere klachtenprocedures, zoals die waarin het Statuut van de EU-ambtenaren voorziet of bij de Europese Ombudsman of de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. De Toezichthouder zal ook onderworpen zijn aan Verordening 45/2001 inzake de bescherming van persoonsgegevens, en met name de artikelen 2, 4, 25 en 26.

Wat het nemen van sommige onderzoeksmaatregelen ten aanzien van leden van de EU-instellingen betreft, wordt een nieuwe maatregel voorgesteld, waarbij de directeur-generaal van OLAF de voorafgaande toestemming van de Toezichthouder moet vragen om de kantoren van de betrokken leden te doorzoeken. Dit omvat het maken van afschriften van documenten of andere gegevensdragers die zich in die kantoren bevinden. Dit vereiste is geïnspireerd op het voorstel voor een Europees Openbaar Ministerie, dat een analoge toestemming zal moeten verkrijgen van de bevoegde gerechtelijke autoriteiten in de lidstaten. Het is de bedoeling hiermee de bijzondere manier waarop leden van de EU-instellingen zijn benoemd of verkozen tot uiting te brengen, alsmede hun bijzondere bevoegdheden en status, die specifieke regels kunnen rechtvaardigen om te garanderen dat de instellingen waarvan zij deel uitmaken naar behoren kunnen functioneren.

Rechtsgrondslag

De grondslag voor het voorstel is artikel 325 VWEU inzake de bestrijding van fraude.

Subsidiariteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel

Het voorstel doet niets af aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake bestrijding van fraude ten nadele van de financiële belangen van de EU. Het heeft uitsluitend betrekking op onderzoeken door OLAF, die momenteel door een EU-verordening worden geregeld. De hierboven beschreven maatregelen blijven bovendien beperkt tot wat noodzakelijk is om de beoogde doelen te bereiken en zijn dus in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel.

4.           GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De budgettaire gevolgen van het voorstel betreffen voornamelijk de personele middelen. Het vereist de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen en leden van zijn secretariaat. Het idee is om de Toezichthouder de titel van bijzonder adviseur te geven, met een bezoldiging van de rang AD15, wat in het licht van de opgedragen taken het meest passend wordt geacht. Wat de ambtstermijn van vijf jaar betreft, zouden de onderliggende arbeidsovereenkomsten in casu om administratieve redenen worden opgesteld overeenkomstig artikel 123, lid 1, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. Aan de vereisten van artikel 123, lid 2, van die regeling zou worden voldaan door middel van de aanstellingsprocedure. De Toezichthouder zou deeltijds werken (25% in het eerste jaar en 50% daarna) en worden bijgestaan door een secretariaat dat aanvankelijk zou bestaan uit twee medewerkers van de functiegroep "administrateurs" en één assistent van de functiegroep "secretariaat- en kantoormedewerkers", en dat afhankelijk van de werkbelasting zou worden uitgebreid of ingekrompen. De Toezichthouder zou ook een plaatsvervanger hebben, met dezelfde titel en rang als de Toezichthouder, op wie enkel een beroep zou worden gedaan bij verhindering van de Toezichthouder. Administratief zouden alle medewerkers bij de Commissie worden ingedeeld, met bijzondere waarborgen voor een volledig onafhankelijke uitoefening van hun taken.

2014/0173 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 in verband met de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 325,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer,[1]

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)       De instellingen van de Unie en de lidstaten hechten groot belang aan de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en aan de bescherming van de grondrechten van de burgers. De procedurewaarborgen voor personen die betrokken zijn in een administratief onderzoek door OLAF moeten worden versterkt zonder dat OLAF bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden wordt gehinderd.

(2)       Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad heeft substantiële wijzigingen aangebracht in de wijze waarop OLAF onderzoeken verricht, in het bijzonder de OLAF-procedures verduidelijkt, de procedurewaarborgen voor in OLAF-onderzoeken betrokken personen versterkt en de algemene toezichthoudende rol van het Comité van toezicht verduidelijkt.

(3)       In haar Mededeling COM(2013)533 van 17 juli 2013 "De governance van OLAF en de procedurewaarborgen bij onderzoeken versterken" heeft de Commissie ideeën geopperd om de procedurewaarborgen voor in OLAF-onderzoeken betrokken personen verder te versterken, nog voordat een Europees Openbaar Ministerie, waarover de Commissie een voorstel voor een verordening heeft ingediend[2], wordt ingesteld.

(4)       In zijn advies nr. 2/2013 van december 2013 heeft het Comité van toezicht van OLAF te kennen gegeven dat de middelen die in OLAF-onderzoeken betrokken personen hebben om zich te verweren tegen mogelijke schendingen van hun rechten en procedurewaarborgen zouden moeten worden uitgebreid en dat binnen OLAF een transparante en doeltreffende klachtenprocedure zou moeten worden ingesteld.

(5)       Om een consistent hoog niveau van bescherming van de procedurewaarborgen te garanderen, moeten alle in OLAF-onderzoeken betrokken personen meer middelen krijgen om zich te verweren tegen mogelijke schendingen van hun rechten. Een externe, onafhankelijk van OLAF werkende Toezichthouder op de procedurewaarborgen zou daarom in het leven moeten worden geroepen om na te gaan of OLAF de bij artikel 9 van Verordening nr. 883/2013 voorziene procedurewaarborgen voor in OLAF-onderzoeken betrokken personen in acht heeft genomen.

(6)       Met het oog op een tijdige behandeling van klachten en een effectieve bescherming van de rechten van de verdediging, dienen klachten betreffende de kennisgevings- of andere termijnen waarin de verordening voorziet, zoals de termijn voor de uitnodiging voor een onderhoud, te worden ingediend vóór het verstrijken van de normale termijn waarin de verordening voorziet.

(7)       De Toezichthouder moet afkomstig zijn van buiten de EU-instellingen. Administratief dient de Toezichthouder evenwel bij de Commissie te worden ingedeeld, met de nodige garanties voor volledige onafhankelijkheid. De Commissie zorgt in overleg met de Toezichthouder voor een secretariaat. In de oproep aan kandidaten worden de voorwaarden om in aanmerking te komen en de toepasselijke selectiecriteria vermeld. Het ambt houdt taken in die gewoonlijk aan een rechter worden toevertrouwd en de kandidaten dienen deze in volledige onafhankelijkheid en binnen de termijnen waarin de verordening voorziet te kunnen uitoefenen.

(8)       Het ambt van toezichthouder doet geen afbreuk aan de bestaande klachtenbehandelingsmechanismen. Met het oog op stroomlijning van de procedures in het geval dat een ambtenaar of een ander personeelslid van de EU een klacht indient bij de Toezichthouder terwijl over dezelfde kwestie een klacht op grond van artikel 90 bis van het Statuut in behandeling is, zal de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder afwachten voordat hij een besluit neemt overeenkomstig artikel 90 bis. De termijnen van artikel 90 bis dienen van toepassing te zijn.

(9)       Om onnodige klachtenprocedures te vermijden, dient OLAF door de Toezichthouder onmiddellijk in kennis te worden gesteld van de ontvangen klachten en de gelegenheid te krijgen om de zaak op te lossen of toe te lichten waarom niet aan het verzoek van de klager kan worden voldaan.

(10)     De Toezichthouder dient de klacht af te handelen in een snelle procedure waarbij beide partijen worden gehoord en die in principe niet meer dan vijftien werkdagen in beslag mag nemen, en waarbij de wettigheid van de betrokken onderzoeksmaatregel wordt beoordeeld. Hij dient daarbij evenwel rekening te houden met de beoordelingsbevoegdheid van OLAF om het lopende onderzoek in volledige onafhankelijkheid te verrichten. Om de Toezichthouder in staat te stellen zijn taak uit te oefenen, dient OLAF hem alle voor de behandeling van de klacht dienstige informatie mee te delen. De Toezichthouder dient de klager en het Bureau in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over de hem voorgelegde kwestie. Terwijl een klacht in behandeling is, dient OLAF het lopende onderzoek gewoon te kunnen voortzetten zoals het geacht wordt te doen. De behandeling van een klacht mag de onderzoeken en procedures van OLAF niet nodeloos langer maken.

(11)     In de onderzoeksprocedures van OLAF dient recht te worden gedaan aan het bijzondere statuut van de leden van de EU-instellingen zoals omschreven in het Verdrag betreffende de Europese Unie, wat tot uiting moet komen in specifieke regels om te garanderen dat de instellingen waarvan zij deel uitmaken naar behoren kunnen functioneren. Vanwege het politieke mandaat, de onafhankelijkheid, de bijzondere verantwoordelijkheden en/of de bijzondere procedure van verkiezing of aanstelling onderscheiden de leden van de EU-instellingen zich, niet als persoon maar uit hoofde van hun functie, van andere in OLAF-onderzoeken betrokken personen. Daarom dient voor het doorzoeken van de kantoren van leden van instellingen van de EU en het maken van afschriften van documenten of alle andere gegevensdragers de voorafgaande toestemming van de Toezichthouder te worden gevraagd. De Toezichthouder dient objectief te beoordelen of de voorgenomen onderzoeksmaatregel van OLAF wettig is en of hetzelfde doel met minder intrusieve middelen kan worden bereikt.

(12)     Verordening (EG) nr. 45/2001 van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening.

(13)     Deze verordening doet op generlei wijze afbreuk aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten om maatregelen te treffen ter bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschappen worden geschaad. Bijgevolg wordt bij de toekenning van de opdracht om klachten te onderzoeken en voorafgaande toestemming aan OLAF te geven aan een onafhankelijke Toezichthouder, het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vervatte subsidiariteitsbeginsel volledig geëerbiedigd. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is met het oog op een krachtiger bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) nr. 883/2013

Verordening (EG) nr. 883/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1) Aan artikel 2 wordt, na lid 7, het volgende lid toegevoegd:

"8. "lid van een instelling van de EU": een lid van het Europees Parlement, een lid van de Europese Raad, een vertegenwoordiger van een lidstaat op ministerniveau in de Raad, een lid van de Europese Commissie, een lid van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een lid van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank en een lid van de Rekenkamer."

2) In artikel 9, lid 2, vierde alinea, wordt de volgende tweede zin ingevoegd:

"De betrokken persoon wordt bij het begin van het afnemen van verklaringen evenwel geïnformeerd over zijn rechten, met name het recht om door een persoon van zijn keuze te worden bijgestaan."

3) Na artikel 9 worden de volgende artikelen 9 bis, 9 ter en 9 quater ingevoegd:

"Artikel 9 bis

De Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.           Elke in een onderzoek door het Bureau betrokken persoon heeft het recht bij de Toezichthouder op de procedurewaarborgen (hierna "de Toezichthouder" genoemd) een klacht in te dienen met betrekking tot de inachtneming door het Bureau van de procedurewaarborgen waarin artikel 9 voorziet.

2.           De betrokken persoon beschikt over een termijn van uiterlijk één maand nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die de vermoedelijke schending van de procedurewaarborgen vormen om een klacht hierover in te dienen. Er kan geen klacht meer worden ingediend als het onderzoek langer dan één maand is afgesloten. Klachten met betrekking tot de in artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde uitnodigingstermijn dienen te worden ingediend vóór het verstrijken van de desbetreffende termijn.

3.           De Toezichthouder stelt de directeur-generaal van het Bureau onmiddellijk ervan in kennis wanneer hij een klacht ontvangt en geeft het Bureau vijftien werkdagen de tijd om een oplossing te vinden.

4.           Het Bureau deelt de Toezichthouder, onverminderd artikel 10 van deze verordening, alle voor het uitbrengen van een aanbeveling nodige informatie mee.

5.           De Toezichthouder brengt een aanbeveling over de klacht uit binnen één maand nadat het Bureau hem kennis heeft gegeven van de actie die is ondernomen om de kwestie te regelen of nadat de termijn van artikel 9 bis, lid 3, is verstreken. De aanbeveling wordt aan het Bureau gedaan en aan de klager ter kennis gegeven. In uitzonderlijke, in een brief aan de directeur-generaal gemotiveerde gevallen kan de Toezichthouder besluiten de termijn voor het uitbrengen van een aanbeveling met vijftien dagen te verlengen. Indien de Toezichthouder binnen de in dit lid bepaalde termijnen geen aanbeveling uitbrengt, zal worden aangenomen dat de klacht is afgesloten zonder aanbeveling.

6.           Zonder inmenging in het lopende onderzoek, beoordeelt de Toezichthouder de klacht in een procedure waarbij beide partijen worden gehoord. De Toezichthouder kan getuigen verzoeken om schriftelijk of mondeling toelichtingen te verstrekken die hij relevant acht om de feiten te beoordelen.

7.           De aanbeveling van de Toezichthouder is niet bindend voor de directeur-generaal. Onverminderd artikel 7, lid 5, dient hij in geval dat de aanbeveling niet wordt gevolgd, de belangrijkste redenen daarvoor mee te delen aan de klager en aan de Toezichthouder, mits dit het lopende onderzoek niet schaadt. Deze redenen worden uiteengezet in een omstandige nota die bij het eindverslag van het onderzoek wordt gevoegd.

8.           De directeur-generaal kan, met opgave van een termijn, het advies van de Toezichthouder vragen over elke onder diens opdracht vallende aangelegenheid die verband houdt met de inachtneming van de procedurewaarborgen, onder andere over besluiten om de betrokkene overeenkomstig artikel 9, lid 3, niet in kennis te stellen.

9.           (Onverminderd de termijnen waarin artikel 90 bis van het Statuut voorziet, zal in gevallen waarin door een ambtenaar of een ander personeelslid van de EU een klacht in de zin van artikel 90 bis van het Statuut is ingediend bij de directeur-generaal alsook een klacht over dezelfde aangelegenheid bij de Toezichthouder, de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder afwachten voordat hij de klacht beantwoordt.)

Artikel 9 ter

Voorafgaande toestemming voor sommige onderzoeksmaatregelen

1.           Onverminderd de onafhankelijkheid van het Bureau met betrekking tot de wijze waarop het lopende onderzoek wordt verricht, dient de directeur-generaal eerst de toestemming van de Toezichthouder te vragen wanneer het Bureau gebruik wenst te maken van zijn bevoegdheid om in het kader van een intern onderzoek de kantoren van een lid van een EU-instelling te doorzoeken in de gebouwen van een EU-instelling of afschriften te maken van documenten of andere gegevensdragers die zich in die kantoren bevinden, ongeacht de aard van de drager waarop de gegevens zijn opgeslagen. Het Bureau zal daartoe alle voor de beoordeling van het verzoek om toestemming nodige informatie verstrekken. Deze procedure draagt een vertrouwelijk karakter en door de Toezichthouder wordt geen informatie erover bekendgemaakt.

2.           Bij het nemen van een besluit om al dan niet toestemming te verlenen voor de hiervoor bedoelde onderzoeksmaatregelen, dient de Toezichthouder objectief te beoordelen of de voorgenomen maatregelen wettig zijn en of hetzelfde doel niet met minder intrusieve middelen kan worden bereikt. De Toezichthouder beantwoordt het verzoek zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 48 uur na de ontvangst ervan. Antwoordt hij niet binnen deze termijn, dan wordt dit als toestemming beschouwd.

3.           In naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen kan het Bureau vragen om de in lid 2 bedoelde termijn in te korten tot 24 uur, mits de Toezichthouder daarmee instemt. De termijn kan eveneens worden verlengd tot ten hoogste 72 uur op met redenen omkleed verzoek van de Toezichthouder.

Artikel 9 quater

Aanstelling en statuut van de Toezichthouder

1.           De Toezichthouder en zijn plaatsvervanger worden door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming aangesteld voor een termijn van vijf jaar die niet verlengbaar is. Na afloop van hun ambtstermijn blijven zij in functie totdat in hun vervanging is voorzien.

Na een oproep tot kandidaatstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie een lijst op van geschikte kandidaten voor het ambt van Toezichthouder en een plaatsvervanger, nadat het Comité van toezicht een gunstig advies heeft uitgebracht over de selectieprocedure.

Tezamen met het besluit tot aanstelling van de Toezichthouder en een plaatsvervanger zal ook een reservelijst worden vastgesteld van mogelijke kandidaten om de Toezichthouder gedurende de resterende tijd van zijn ambtstermijn te vervangen in geval van terugtreding, overlijden, blijvende ongeschiktheid of ontslag.

De Toezichthouder en zijn plaatsvervanger worden administratief bij de Commissie ingedeeld. De Commissie verzorgt hun secretariaat, in nauw overleg met de Toezichthouder.

2.           De Toezichthouder en zijn plaatsvervanger oefenen hun taken in volledige onafhankelijkheid uit en vragen noch aanvaarden daarbij instructies van niemand. Zij mogen geen enkele functie hebben binnen het Bureau. Bij de uitoefening van hun taken houden zij terdege rekening met de in de wetgeving van de Unie vervatte regels inzake de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de strijd tegen fraude.

3.           Indien de Toezichthouder of zijn plaatsvervanger niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan hij door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming van zijn functie worden ontheven.

4.           De Toezichthouder brengt jaarlijks over zijn werkzaamheden verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau. In dit verslag wordt niet verwezen naar afzonderlijke onderzoeken en wordt de vertrouwelijkheid van onderzoeken in acht genomen, zelfs als deze zijn afgesloten."

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de [twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement                        Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.           KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.        Benaming van het voorstel/initiatief

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 in verband met de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.2.        Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur[3]

Beleidsterrein: te bepalen

1.3.        Aard van het voorstel/initiatief

¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie

¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie[4]

ý Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie

¨ Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie

1.4.        Doelstellingen

1.4.1.     De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie

Fraudebestrijding – Artikel 325 VWEU

1.4.2.     Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteiten

Specifieke doelstelling nr. 7.1.a

Betrokken ABM/ABB-activiteit(en)

24.01. Administratieve uitgaven voor het beleidsterrein fraudebestrijding

1.4.3.     Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben voor de begunstigden/doelgroepen.

De aanstelling van een "Toezichthouder op de procedurewaarborgen" moet leiden tot:

- een betere bescherming van de procedurerechten van personen die in OLAF-onderzoeken betrokken zijn;

- een beter toezicht op de naleving van de procedureregels bij onderzoeken;

- controle achteraf van de inachtneming van de procedurewaarborgen voor elke in een OLAF-onderzoek betrokken persoon door de Toezichthouder op de procedurewaarborgen, na indiening van een klacht;

- voorafgaande toestemming door de Toezichthouder voor sommige onderzoeksmaatregelen ten aanzien van leden van EU-instellingen (wettigheidstoetsing en beoordeling of dezelfde doelen niet met minder intrusieve middelen kunnen worden bereikt).

1.4.4.     Resultaat- en effectindicatoren

Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd.

- snelle behandeling van klachten door de Toezichthouder;

- snelle verlening door de Toezichthouder van toestemming, op vraag van OLAF, om de kantoren te doorzoeken en/of afschriften te maken van documenten van leden van EU-instellingen.

1.5.        Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.     Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen moet in interne en externe OLAF-onderzoeken betrokken personen de beschikking geven over een nieuwe procedure om klacht in te dienen tegen mogelijke schending van hun procedurerechten. Het zal voor de buitenwereld ook de verantwoordingsplicht van OLAF vergroten.

De Toezichthouder zal ook toestemming geven aan OLAF om kantoren te doorzoeken en afschriften te maken van documenten, waardoor rekening wordt gehouden met de bijzondere wijze waarop de betrokkenen zijn verkozen of aangesteld.

1.5.2.     Toegevoegde waarde van de deelname van de EU: Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

OLAF is een orgaan van de EU en bijgevolg moet elk aanvullende controlemechanisme ook op dat niveau worden geïnstalleerd. De Toezichthouder op de procedurewaarborgen moet het hoogste niveau van bescherming van de procedurerechten garanderen, met een zo gering mogelijk effect op de duur en de effectiviteit van OLAF-onderzoeken. Hij dient tevens te onderzoeken of sommige onderzoeksmaatregelen ten aanzien van leden van EU-instellingen wettig zijn en of hetzelfde resultaat niet met minder intrusieve middelen kan worden bereikt. Deze aanpak is gerechtvaardigd vanwege het bijzondere statuut van de leden van EU-instellingen, de manier waarop zij zijn verkozen of aangesteld en hun statutaire onafhankelijkheid.

1.5.3.     Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

De raadadviseur-auditeur bij mededingingsprocedures verschaft onderzochte ondernemingen een effectief middel om klacht in te dienen wegens mogelijke schending van sommige procedurerechten door de Commissie. De Toezichthouder op de procedurewaarborgen moet aan personen die in een OLAF-onderzoek zijn betrokken, een toetsingsmechanisme bieden dat is geïnspireerd op het mechanisme dat op mededingingsgebied bestaat en is aangepast aan het rechtskader voor fraudeonderzoeken.

In het verleden zijn reeds voorstellen besproken om een dergelijke klachtenprocedure, buiten OLAF, te installeren. De Commissie heeft naar aanleiding van haar eerdere voorstel tot wijziging van Verordening 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF (COM(2006)244 def) de functie van "adviseur-revisor" voorgesteld en in het gewijzigd voorstel van 2011 – COM(2011)135 – het concept van een "toetsingsprocedure". Beide voorstellen waren erop gericht een snelle toetsing van de naleving van de procedurerechten van in OLAF-onderzoeken betrokken personen mogelijk te maken. De wetgever vond beide voorstellen echter onaanvaardbaar omdat een hoge mate van onafhankelijkheid van OLAF moeilijk te verenigen was met eisen van kostenefficiëntie en begrotingsneutraliteit.

De Commissie stelt nu voor om een onafhankelijke, maar administratief bij haar onder te brengen "Toezichthouder op de procedurele waarborgen" aan te stellen. Het ambt van Toezichthouder zou de volledige onafhankelijkheid ten aanzien van OLAF, de Commissie en de andere EU-instellingen uitdrukkelijk waarborgen.

De herziene OLAF-verordening die in oktober 2013 in werking is getreden, voorziet in een aantal procedurerechten voor personen die in interne en externe onderzoeken van OLAF betrokken zijn, alsook voor getuigen.

1.5.4.     Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere relevante instrumenten: Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

OLAF-verordening 883/2013 had tot doel een krachtigere governance van OLAF, een sterkere verankering van de procedurerechten bij interne en externe onderzoeken en een betere uitwisseling van informatie tussen OLAF en de instellingen en de nationale autoriteiten tot stand te brengen. Het ambt van Toezichthouder vervolledigt Verordening 883/2013 met een procedure om klachten met betrekking tot de rechten waarin de herziene verordening voorziet onafhankelijk af te handelen.

Het initiatief is tevens verenigbaar en coherent met de Verordening tot instelling van een Europees Openbaar Ministerie (COM(2013) 534 final). De instelling van een Europees Openbaar Ministerie (EOM) zal de manier waarop in de Unie onderzoeken worden ingesteld naar fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, grondig veranderen. Als er in de toekomst strafbare handelingen zijn gepleegd waarvoor het EOM bevoegd is, dan zal dit als gerechtelijk orgaan het betrokken onderzoek verrichten en niet – zoals thans het geval is – OLAF, dat administratieve onderzoeken verricht. Deze verandering zou voor personen die het voorwerp uitmaken van een onderzoek door het EOM gepaard gaan met de gebruikelijke procedurewaarborgen die door een gerechtelijk orgaan worden gehanteerd. De versterking van de procedurewaarborgen voor de in OLAF-onderzoeken betrokken personen door de aanstelling van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen is in zekere zin een voorbereidende stap in de richting van de instelling van het EOM.

1.6.        Duur en financiële gevolgen

¨ Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur

– ¨  Voorstel/initiatief is van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

– ¨  Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ

ý Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur

– Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

– gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.        Beheersvorm(en)[5]

Uit de begroting 2014

ý Direct beheer door de Commissie

– ý via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie;

– ¨  door uitvoerende agentschappen;

¨ Gedeeld beheer met de lidstaten

¨ Indirect beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan:

– ¨ derde landen of de door hen aangewezen organen;

– ¨ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

– ¨de EIB en het Europees Investeringsfonds;

– ¨ in de artikelen 208 en 209 van het Financieel Reglement genoemde organen;

– ¨ publiekrechtelijke organen;

– ¨ privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

– ¨ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

– ¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

– Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Opmerkingen

2.           BEHEERSMAATREGELEN

2.1.        Regels inzake het toezicht en de verslagen

2.1.1.     Vermeld frequentie en voorwaarden. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De Toezichthouder zou jaarlijks over zijn werkzaamheden verslag uitbrengen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau.

2.2.        Beheers- en controlesysteem

2.2.1.     Mogelijke risico's. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

- een eventueel gebrek aan onafhankelijkheid van de Toezichthouder;

- een eventuele onderbezetting van zijn secretariaat.

2.2.2.     Informatie over het opgezette interne controlesysteem. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Gelet op het onafhankelijkheidsvereiste, zou de Toezichthouder onderworpen moeten zijn aan de 16 internecontrolenormen van de Commissie, met bijzondere aandacht voor de bescherming van persoonsgegevens. Hij zou daarbij gecontroleerd en beoordeeld worden door de dienst Interne Audit van de Commissie. Tot slot zou een ex-post controle door de Europese Rekenkamer kunnen worden verricht.

2.2.3.     Raming van de kosten en baten van de controles en beoordeling van het verwachte foutenrisico. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Te bepalen na overeenstemming over het controlesysteem (IAS).

2.3.        Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen.

De werkzaamheden van de Toezichthouder op de procedurewaarborgen en van het Comité van toezicht en van hun respectieve secretariaten zijn duidelijk van elkaar gescheiden.

3.           GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.        Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

· Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgaven || Bijdrage

Nummer […][Rubriek………………………………………...……….]– In te vullen na akkoord van het DG waarbij de Toezichthouder zou worden ingedeeld || GK/NGK ([6]) || van EVA-landen[7] || van kandidaat-lidstaten[8] || van derde landen || in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement

|| […][XX.YY.YY.YY] || GK/NGK || NEE || NEE || NEE || NEE

· Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgaven || Bijdrage

Nummer […]Rubriek………………………………………...……….] || GK/NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement

|| […][XX.YY.YY.YY] || || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE

3.2.        Geraamde gevolgen voor de uitgaven

[Dit gedeelte dient te worden ingevuld met behulp van de spreadsheet met begrotingsgegevens van administratieve aard (tweede document als bijlage bij dit financieel memorandum) die op CISNET is gezet voor overleg tussen de diensten.]

3.2.1.     Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader || Nummer || […][Omschrijving…...….]

DG: <…….> || || || Jaar N[9] || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL

Ÿ Beleidskredieten || || || || || || || ||

Nummer begrotingsonderdeel || Vastleggingen || (1) || || || || || || || ||

Betalingen || (2) || || || || || || || ||

Nummer begrotingsonderdeel || Vastleggingen || (1a) || || || || || || || ||

Betalingen || (2a) || || || || || || || ||

Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[10] || || || || || || || ||

Nummer begrotingsonderdeel || || (3) || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor DG <….> || Vastleggingen || =1+1a +3 || || || || || || || ||

Betalingen || =2+2a +3 || || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor RUBRIEK <….> van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || =4+ 6 || || || || || || || ||

Betalingen || =5+ 6 || || || || || || || ||

Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere rubrieken

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarig financieel kader (Referentiebedrag) || Vastleggingen || =4+ 6 || || || || || || || ||

Betalingen || =5+ 6 || || || || || || || ||

Rubriek van het meerjarig financieel kader || 5 || " Administratieve uitgaven "

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

|| || || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL

DG: <…> - te bepalen ||

Ÿ Personele middelen || 0,198 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 2,178

§ Andere werkingskosten (Bijzonder adviseur en plaatsvervanger) || 0,045 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,495

Ÿ Andere administratieve uitgaven || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,06

TOTAAL DG <….> || Kredieten || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

TOTAAL kredieten voor RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

|| || || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL

TOTAAL kredieten voor de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

Betalingen || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

3.2.2.     Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt uiteengezet:

Vastleggingskredieten in miljoen EUR (tot op 3 decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL

OUTPUTS

Soort[11] || Gem. kosten van de output || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Aantal || Kos-ten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1[12] || || || || || || || || || || || || || || || ||

- Output || || || || || || || || || || || || || || || || || ||

- Output || || || || || || || || || || || || || || || || || ||

- Output || || || || || || || || || || || || || || || || || ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || || || || || || || || || || || || || || ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2… || || || || || || || || || || || || || || || ||

- Output || || || || || || || || || || || || || || || || || ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 || || || || || || || || || || || || || || || ||

TOTALE KOSTEN || || || || || || || || || || || || || || || ||

3.2.3.     Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.1.  Samenvatting

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

– ý  Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

|| 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL

RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || ||

Personele middelen || 0,198 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 0,396 || 2,178

Andere werkingskosten (Bijzonder adviseur en plaatsvervanger) || 0,045 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,090 || 0,495

Andere administratieve uitgaven || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,01 || 0,06

Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

TOTAAL || 0,253 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 0,496 || 2,733

In de voor personele middelen benodigde kredieten zal worden voorzien door de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of in het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de bestaande budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Het cijfer voor "Personele middelen" omvat de kosten voor de indienstneming van 2 AD's en 1 AST/SC, waarbij dat voor het eerste jaar is gehalveerd om rekening te houden met de geringere werklast die in het eerste jaar van de Toezichthouder wordt verwacht.

Het cijfer voor "Andere werkingskosten" omvat de kosten van de Toezichthouder, die een AD15 "Bijzondere adviseur" zou zijn en zou worden bezoldigd voor het effectief aantal gewerkte dagen. Het onderdeel omvat ook de kosten van de plaatsvervanger, die niet afzonderlijk moeten worden weergegeven en geen extra uitgaven meebrengen, aangezien enkel op hem een beroep zou worden gedaan wanneer de Toezichthouder verhinderd is en dus geen bezoldiging zou ontvangen.

Op basis van de verwachte werklast, worden de activiteiten van de Toezichthouder (en zijn plaatsvervanger) geraamd op 25% van een normale maandelijkse voltijdse bezigheid in het eerste jaar van activiteit (5,5 dagen per maand) en 50% daarna (11 dagen per maand).

Ook wordt uitgegaan van 2 dagen dienstreizen per maand.

3.2.3.2.  Geraamde personeelsbehoeften

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

– ý  Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

|| 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020

XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 1,5 || 3 || 3 || 3 || 3 || 3

XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || ||

XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || ||

10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || ||

Ÿ Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)[13] ||

XX 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen") || || || || || ||

XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties) || || || || || ||

XX 01 04 jj[14] || - zetel || || || || || ||

- delegaties || || || || || ||

XX 01 05 02 (AC, END, INT - onderzoek door derden) || || || || || ||

10 01 05 02 (AC, END, INT – eigen onderzoek) || || || || || ||

Ander begrotingsonderdeel (25 01 02 03) || 0,25 || 0,5 || 0,5 || 0,5 || 0,5 || 0,5

TOTAAL || 1,75 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

De benodigde personele middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || In ontvangst nemen en beoordelen van klachten in verband met procedurerechten, ingediend door personen die in een OLAF-onderzoek zijn betrokken.

Extern personeel ||

3.2.4.     Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader

– ý  Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidige meerjarige financiële kader.

– ¨  Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarige financiële kader

Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

– ¨  Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[15].

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

3.2.5.     Bijdrage van derden aan de financiering

– ý Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden.

– Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten (miljoen EUR tot op 3 decimalen)

|| Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || Totaal

Medefinancieringsbron || || || || || || || ||

TOTAAL medegefinancierde kredieten || || || || || || || ||

3.3.        Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

– ý  Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

– ¨  Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

– ¨         voor de eigen middelen

– ¨         voor de diverse ontvangsten

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[16]

Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel …………. || || || || || || || ||

Vermeld voor de diverse 'toegewezen' ontvangsten het betrokken begrotingsonderdeel voor uitgaven.

Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten.

[1]               PB C, , blz.

[2]               COM(2013) 534 final van 17 juli 2013.

[3]               ABM: op activiteiten gebaseerd beheer – ABB: op activiteiten gebaseerde budgettering.

[4]               In de zin van artikel 54, lid 2, onder a) of b), van het Financieel Reglement.

[5]               Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html

[6]               GK = gesplitste kredieten / NGK = niet-gesplitste kredieten.

[7]               EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.

[8]               Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan.

[9]               Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen.

[10]             Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.

[11]             Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.).

[12]             Zoals beschreven in punt 1.4.2. ‘Specifieke doelstelling(en)…’

[13]             AC= Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); JED= Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties). INT = Intérimaire (uitzendkracht); JED= Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties).

[14]             Onder het maximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).

[15]             Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord (voor de periode 2007-2013).

[16]             Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25 % aan inningskosten.

Top