This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014DC0545
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL Guidelines for the analysis of the balance between fishing capacity and fishing opportunities according to Art 22 of Regulation (EU) No 1380/2013 of the European Parliament and the Council on the Common Fisheries Policy
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid
/* COM/2014/0545 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid /* COM/2014/0545 final */
MEDEDELING
VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Richtsnoeren
voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en
vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van
het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid[1] 1. Inleiding Vloten
die niet in evenwicht zijn met de bestanden die zij exploiteren, hebben in het
verleden in grote mate bijgedragen tot de overbevissing van bestanden in de
Europese wateren. In het nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de
noodzaak van maatregelen voor het beheer van de vangstcapaciteit bevestigd: de
lidstaten moeten maatregelen nemen om de vangstcapaciteit van hun vloten op
termijn aan te passen aan hun vangstmogelijkheden. Het evenwicht tussen de
vloten en de bestanden die zij exploiteren, wordt door elke lidstaat
geanalyseerd en geëvalueerd overeenkomstig deze door de Commissie ontwikkelde
gemeenschappelijke richtsnoeren[2].
Deze richtsnoeren moeten ook worden gebruikt voor het opstellen van het
jaarverslag van de Commissie aan de Raad en het Parlement inzake het evenwicht
tussen de vangstcapaciteit van de vloten van de lidstaten en hun
vangstmogelijkheden[3]. De
gemeenschappelijke richtsnoeren die door de Commissie zijn ontwikkeld, zullen
ook vanaf 2014 een belangrijke rol spelen omdat een rechtstreeks verband wordt
gelegd tussen het vlootverslag en de maatregelen voor de vloot in het kader van
het nieuw Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)[4],
in het kader waarvan de verlening van overheidssteun voor de definitieve
beëindiging van de visserijactiviteiten van vissersvaartuigen in de periode 2014-2020[5]
wordt voortgezet. Er is een specifieke ex-antevoorwaarde in verband met het
vlootverslag vastgesteld die rechtstreeks van invloed kan zijn op de
verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het nieuw EFMZV[6].
Volgens de regels van het EFMZV is de steun voor definitieve beëindiging
beperkt en gericht op gevallen waarin een vlootsegment niet effectief in
evenwicht is met de vangstmogelijkheden die voor dat segment beschikbaar zijn[7]. In
de in dit document opgenomen nieuwe richtsnoeren voor het vlootverslag wordt
een gemeenschappelijke aanpak vastgesteld voor de inschatting van het evenwicht
op termijn tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden. Er moet rekening
worden gehouden met zowel de beschikbare vangstmogelijkheden als de invloed die
de vloten hierop hebben. Te dien einde wordt aanbevolen om, per vlootsegment,
te beoordelen in hoeverre elke vloot afhankelijk is van bevissing boven de
streefcijfers voor de bestanden, en om te beoordelen hoeveel bestanden die een
belangrijk deel van hun vangsten uitmaken, een biologisch risico lopen als
gevolg van lage dichtheid en in belangrijke mate worden beïnvloed door de
vloot. Op die manier kan een beoordeling worden gemaakt van de
onevenwichtigheid tussen elk vlootsegment en de bestanden waarvan elk
vlootsegment afhankelijk is. Conclusies over de onevenwichtigheid kunnen ook
worden ontleend aan andere parameters. Het feit dat een vlootsegment
niet-winstgevend of onderbenut is, kan er bijvoorbeeld op duiden dat het
vlootsegment niet in evenwicht is met de bestanden. Wanneer veel vaartuigen in
een vissersvlootsegment periodiek of permanent niet kunnen uitvaren en inactief
zijn, of wanneer veel vaartuigen minder tijd besteden aan de visserij dan zij
zouden kunnen, is het betrokken vlootsegment wellicht te groot voor de
beschikbare bestanden waarvan de vaartuigen afhankelijk zijn, met name als de
economische prestaties slecht zijn. 2. Doel en beginselen Het
doel van deze richtsnoeren is te voorzien in een gemeenschappelijke
methodologie om te beoordelen welk evenwicht na verloop van tijd wordt bereikt
tussen de vlootcapaciteit en de vangstmogelijkheden van elk vlootsegment. Deze
richtsnoeren zijn gericht op: het
gebruiken van standaardmethoden om te zorgen voor een gelijk speelveld wanneer
de verschillende vlootsegmenten met elkaar worden vergeleken; het volgen van
de best mogelijke wetenschappelijke, economische en technische praktijken[8],
en het garanderen van compatibiliteit met standaard biologische, economische en
sociale beoordelingen; het
gebruiken van gegevens die overeenkomstig het gegevensverzamelingskader (GVK)
zijn verzameld, teneinde vergelijkingen te vergemakkelijken en dubbel werk te
voorkomen. De
beoordeling van het vlootsegment moet een samenvattende beoordeling zijn op
basis van de bovenstaande elementen. Een standaardmethode voor een algehele
beoordeling per vlootsegment wordt hieronder beschreven. 3. Meting van de parameters De
lidstaten worden verzocht om jaarlijks een klein aantal biologische,
economische en technische parameters te berekenen en de resultaten te
vergelijken met standaardwaarden. Met het oog op een beheersbare werklast en
genormaliseerde analyses moeten deze parameters worden berekend met behulp van
verzamelde GVK-gegevens[9]. De
biologische indicatoren zijn bedoeld om de mate van onevenwichtigheid weer te
geven tussen elk vlootsegment en de bestanden die het exploiteert. Indien
mogelijk en beschikbaar, zullen deze indicatoren aanduiden waar deze
onevenwichtigheden zich bevinden. Voorts
moeten indicatoren voor de winstgevendheid op korte en lange termijn worden
berekend, alsook indicatoren voor het gebruik van het vaartuig. Deze
indicatoren geven informatie over de economische en operationele toestand van
een vissersvlootsegment, die nuttig kan zijn voor de analyse van het evenwicht,
maar ook voor andere operationele besluiten die op het niveau van de lidstaat
worden genomen. 4. Beoordeling van het
evenwicht De
indicatoren zijn bedoeld om gecombineerd te worden gebruikt, teneinde
conclusies te trekken over de onevenwichtigheid per afzonderlijk vlootsegment.
Geaggregeerde analyses over veel verschillende visserijen in één lidstaat zijn
niet nuttig. In
het algemeen zijn vlootsegmenten die gezonde bestanden bevissen en die daarbij
op korte en lange termijn winstgevend zijn, naar alle waarschijnlijkheid in
evenwicht. Vlootsegmenten
die niet in evenwicht zijn met de vangstmogelijkheden die ze exploiteren,
worden normaal gesproken beschouwd als onevenwichtig, zelfs wanneer de
economische indicatoren wijzen op winstgevendheid op de korte en lange termijn.
Het GVB heeft betrekking op het evenwicht (en de onevenwichtigheid) op
termijn, dus moet er worden gekeken naar een aantal jaren in plaats van één
jaar. Aangezien
door het ontbreken van omvattende bestandsbeoordelingen de biologische
indicatoren voor een groot aantal bestanden niet konden worden berekend, is het
wellicht nodig alternatieve indicatoren te selecteren of te ontwikkelen. Indien
de biologische indicator niet beschikbaar is, omdat de waarden van F en Fmsy
voor meer dan 60 % van de tot de vangst behorende bestanden ontbreken, kan
de duurzamevangstindicator niet zinvol worden gebruikt om te beoordelen of een
vlootsegment al dan niet in evenwicht is. In dergelijke gevallen moeten de
lidstaten, om de onevenwichtigheden te helpen beoordelen, beschikbare
informatie gebruiken over een of meer soorten die om redenen van historische
overvloed of consistentie kunnen worden beschouwd als indicatoren voor de
invloed van visserijactiviteiten op een geëxploiteerd ecosysteem. Vlootsegmenten
met zwakke economische prestaties die gezonde bestanden bevissen, kunnen te
maken krijgen met een lage winstgevendheid als gevolg van andere factoren (bv.
lage verkoopprijs van de vis, hoge productiekosten, consumentenvoorkeuren,
geringe vraag, stijging van de brandstofprijzen, hoge invoer of
substitutie-effecten) die niet noodzakelijkerwijs betrekking hebben op een
gebrek aan evenwicht tussen de capaciteit en de beschikbare hulpbronnen.
Nationale autoriteiten moeten in die situatie verkerende vlootsegmenten
nauwlettend volgen om te voorkomen dat de bestanden hier op de middellange tot
lange termijn negatieve gevolgen van ondervinden. Als duidelijke biologische en
economische indicatoren ontbreken, kan het feit dat de grenswaarden van de
indicatoren voor het vaartuiggebruik worden overschreden, wijzen op een
onevenwichtige situatie. In elk geval moet de situatie
worden geanalyseerd aan de hand van gestandaardiseerde parameters, wil men in
staat zijn conclusies te trekken die gestoeld zijn op een gemeenschappelijke
basis. Adequate waarden in dit verband worden in hoofdstuk 7 vermeld. Indien de
indicatoren op een onevenwichtige situatie lijken te wijzen, maar een lidstaat
toch van oordeel is dat het betrokken vlootsegment in evenwicht is met de
bestanden (of omgekeerd), moet hiervoor een ondersteunende analyse aan de
Commissie worden verstrekt. 5. Geleidelijke
tenuitvoerlegging De
algemene doelstelling moet zijn dat de lidstaten op termijn een stabiel en
blijvend evenwicht bereiken tussen de vangstcapaciteit van hun vloten en de
vangstmogelijkheden. Hoewel vangstmogelijkheden niet altijd noodzakelijkerwijs
overeenstemmen met het MSY-doel, is de eerste biologische indicator ontworpen
met deze algemene doelstelling voor ogen. Terwijl
er wordt gewerkt aan een geleidelijke overgang naar het MSY-doel, bestaat de
mogelijkheid dat de jaarlijkse vangstmogelijkheden tijdens deze overgang het
MSY-doel overschrijden indien dat onmiddellijk wordt toepast. In dergelijke
situaties zullen de biologische indicatoren de drempelwaarden voor MSY
waarschijnlijk overschrijden. Het zou echter niet aangaan om tijdens de
overgangfase waarin de vangstmogelijkheden overeenkomstig het GVB aan het
MSY-doel worden aangepast, te concluderen dat een vlootsegment
noodzakelijkerwijs onevenwichtig is. De lidstaten moeten dit soort
omstandigheden uiteenzetten in hun jaarverslagen. 6. Actieplan Voor
de vlootsegmenten met duidelijk aantoonbare onevenwichtigheid moet de betrokken
lidstaat een actieplan voorbereiden en opnemen in het verslag over het
evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden. In dit actieplan moet
worden vermeld aan de hand van welke doelstellingen en instrumenten
aanpassingen voor het verkrijgen van een evenwicht moeten worden aangebracht en
volgens welk tijdschema een en ander zijn beslag moet krijgen. In het plan moet
worden gespecificeerd welke oorzaken aan de basis van de onevenwichtigheid
liggen en met name of het onevenwicht terug te voeren is op een biologische,
economische of technische achtergrond, zoals berekend overeenkomstig hoofdstuk 7. 7. Indicatoren 7.1
Biologische indicatoren Er
worden twee indicatoren gebruikt om te beoordelen of vaartuigen afhankelijk
zijn van overbeviste bestanden of een hoog biologisch risico voor een uitgeput
bestand vormen. De indicatoren en de berekeningsmethoden worden beschreven in
hoofdstuk 10. De
duurzamevangstindicator is een maatstaf voor de mate waarin een vlootsegment
afhankelijk is van overbeviste bestanden. In dit geval wordt 'overbevist'
beoordeeld op basis van de Fmsy-waarden over langere tijd, en wordt
de afhankelijkheid in economische zin berekend. Aangezien Fmsy wordt
omschreven als een bereik, wordt het overschrijden van de bovengrens van dit
bereik opgevat als 'overbevissing'. Drempelwaarde: Indicatorwaarden hoger dan 1 geven
aan dat een vlootsegment voor zijn inkomen, gemiddeld genomen, afhankelijk is
van vangstmogelijkheden die structureel zijn vastgesteld op niveaus die het
niveau van exploitatie overeenkomstig MSY overstijgen. Dit kan wijzen op
onevenwichtigheid, indien dit gedurende drie opeenvolgende jaren is
voorgekomen. Bij kleine pelagische soorten moeten kortere tijdsbestekken in
overweging worden genomen. De
indicator voor bedreigde bestanden is een maatstaf voor de hoeveelheid
bestanden die gevolgen ondervinden van de activiteiten van het vlootsegment en
die biologisch kwetsbaar zijn, dat wil zeggen, bestanden die zich op een laag
niveau bevinden, die het risico lopen zichzelf niet weer te kunnen aanvullen,
en die ofwel een belangrijk aandeel vormen in de vangsten van het vlootsegment,
ofwel worden bevist door een vlootsegment dat belangrijk is voor het algehele
effect van de bevissing van dat bestand. Indien een vlootsegment invloed heeft
op een of meer bestanden met een hoog biologisch risico, is dit een indicator
voor een potentiële onevenwichtigheid op het gebied van capaciteit. Drempelwaarde: Wanneer een vlootsegment meer dan 10 %
van de vangsten uit een bestand haalt dat gevaar loopt, kan dit worden
beschouwd als een aanwijzing voor onevenwichtigheid. 7.2
Economische indicatoren Er
worden twee indicatoren gebruikt om te beoordelen of vlootsegmenten op de lange
termijn economisch duurzaam zijn (waardoor kapitaalinvesteringen mogelijk zijn)
en hun kosten op korte termijn kunnen dekken. De technische grondslag voor de
berekening van deze indicatoren wordt beschreven in hoofdstuk 11. De
eerste indicator (rendement op investeringen) vergelijkt de
langetermijnrendabiliteit van het vissersvlootsegment met andere beschikbare
investeringen. Als deze waarde kleiner is dan elders beschikbare langlopende
rente tegen een laag risico, dan wijst dit erop dat het vlootsegment wellicht
is overgekapitaliseerd. Drempelwaarde: Indien het rendement op investeringen[10]
onder nul uitkomt en lager is dan de beste beschikbare risicovrije rente op
lange termijn, is dit een indicatie van economische inefficiëntie op lange
termijn die kan wijzen op het bestaan van onevenwichtigheid. De
tweede indicator geeft de verhouding tussen de lopende inkomsten en de
kostendekkende inkomsten weer. Aan de hand hiervan wordt gemeten in hoeverre
het vlootsegment uit economisch oogpunt in staat is om dagelijks te blijven
vissen: dekt het inkomen de loonkosten van de bemanning, de brandstofkosten en
de lopende kosten van het vaartuig? Indien dit niet het geval is, kan er sprake
zijn van een onevenwichtigheid. Drempelwaarde: Als de verhouding tussen de lopende
inkomsten en de kostendekkende inkomsten minder is dan één, is dit een
indicatie van economische inefficiëntie op korte termijn, die kan wijzen op het
bestaan van een onevenwichtigheid. 7.3
Indicatoren voor het vaartuiggebruik Deze indicatoren
beschrijven hoe intensief de vaartuigen in een vlootsegment worden gebruikt. De
berekening van deze indicatoren wordt beschreven in hoofdstuk 12. De eerste
indicator beschrijft het aandeel vaartuigen dat helemaal niet actief is (dat
wil zeggen vaartuigen die niet één keer in het jaar zijn gaan vissen). De tweede
indicator heeft betrekking op het gemiddelde activiteitsniveau van vaartuigen
die ten minste één keer in het jaar uit vissen zijn geweest, rekening houdend
met het seizoensgebonden karakter van de visserij en andere beperkingen. Onder normale
omstandigheden kan worden verwacht dat 10 % of minder van de vaartuigen in
een vlootsegment inactief is, als gevolg van grote reparatiewerkzaamheden,
opknapbeurten, verbouwingen of in afwachting van verkoop en overdrachten. Drempelwaarde:
Als meer dan 20 % van het vlootsegment periodiek inactief is of als het
gemiddelde activiteitsniveau van vaartuigen in een vlootsegment periodiek
minder dan 70 % van de potentiële, werkbare activiteit van vergelijkbare
vaartuigen bedraagt, kan dit een teken zijn van technische inefficiëntie die
kan wijzen op het bestaan van een onevenwichtigheid, tenzij een en ander kan
worden verklaard door andere redenen, zoals onverwachte klimatologische of door
de mens veroorzaakte omstandigheden of noodmaatregelen zoals voorzien in het
GVB. 8. Werkmethode en het gebruik van gegevens Om
dubbel werk te vermijden en omwille van consistentie met andere economische en
biologische gegevens, moeten de beoordelingen die hier zijn opgenomen, worden
berekend op basis van gegevens zoals verzameld en gestructureerd volgens het
vigerende gegevensverzamelingskader. Natuurlijk moet alles in het werk worden
gesteld om de volledigheid van de GVK-gegevens te garanderen, overeenkomstig de
verplichtingen van de lidstaten volgens het gemeenschappelijk visserijbeleid. Het
is essentieel de indicatoren afzonderlijk per vlootsegment te beoordelen, omdat
de verschillende vlootsegmenten voor elke lidstaat zeer uiteenlopende kenmerken
kunnen hebben. Daar
biologische en economische parameters in de loop der tijd variëren, verdient
het aanbeveling dat de lidstaten bij de bepaling van het evenwicht tijdreeksen
van ten minste drie jaar berekenen en in aanmerking nemen. Het
is mogelijk dat er coherentieproblemen blijven bestaan, met name voor de
economische gegevens en indicatoren. Indien de vlootsegmenten onregelmatige
economische prestaties vertonen, wordt van de lidstaten verwacht dat zij dit
controleren en zo nodig aangeven of inkomsten of kosten zijn beïnvloed door
plotselinge kortetermijnschokken. 9. Aanvullende informatie die in de nationale
vissersvlootverslagen moet worden opgenomen. De
nationale vissersvlootverslagen moeten ook de volgende informatie bevatten: a) een beschrijving van de
vissersvlootsegmenten in verband met de visserijen: ontwikkeling(en) in het
voorgaande jaar, ook voor visserijen waarvoor meerjarige beheersplannen of
herstelplannen gelden; b) het effect op de vangstcapaciteit van
de regelingen tot vermindering van de visserij-inspanning die zijn vastgesteld
in het kader van meerjarige beheers- of herstelplannen of, in voorkomend geval,
van nationale regelingen; c) informatie over de naleving van de
regeling voor toevoeging/onttrekking; d) een beknopt verslag over de sterke en
zwakke punten van het systeem voor het beheer van de vloot, met een plan voor
verbeteringen en met informatie over de mate waarin de instrumenten voor het
vlootbeleid in acht zijn genomen; e) informatie over wijzigingen in de administratieve procedures
met betrekking tot het beheer van de vloot. Deze
punten mogen worden behandeld door te verwijzen naar andere documenten, mits
die publiekelijk beschikbaar zijn. f) voor de
vlootsegmenten waarvoor onevenwichtigheid is aangetoond, moet een actieplan
worden opgenomen waarin wordt aangegeven aan de hand van welke doelstellingen
en instrumenten aanpassingen voor het bereiken van het evenwicht moeten worden
aangebracht en volgens welk tijdschema een en ander zijn beslag moet krijgen. 10. Biologische duurzaamheidsindicatoren 10.1
Duurzamevangstindicator Deze
indicator weerspiegelt de mate waarin een vlootsegment afhankelijk is van
overbeviste bestanden. 'Overbevist' betekent hier dat een bestand wordt bevist
boven Fmsy, de visserijsterfte die overeenkomt met de maximale
duurzame opbrengst. De
gegevensvereisten zijn: volledige biologische beoordelingen van de beviste
bestanden, dat wil zeggen wanneer de huidige visserijsterfte is vastgesteld;
schattingen van Fmsy, of bestaande vervangwaarden hiervoor (Fmax
of F0.1) en de waarde van de vangst uit elk bestand. Wanneer
een vlootsegment één bestand bevist, wordt de indicator eenvoudigweg als volgt
berekend, waarbij
F de meest recente waarde van de visserijsterfte is die beschikbaar is in
wetenschappelijke beoordelingen (bv. ICES- en WTECV-advies). Deze parameter
komt sterk overeen met de vorige indicator F/Ft, met het verschil dat Fmsy
nu als de standaarddoelstelling in het geheel van het gemeenschappelijk
visserijbeleid wordt gebruikt. De
indicator is uitgebreid tot vloten die actief zijn in verschillende visserijen
(tijdens het jaar) en tot gemengde visserijen. Wanneer een vlootsegment vis van
een aantal soorten (n) vangt, dan is de indicator het gemiddelde van de
hierboven genoemde indicator voor elk bestand (i), gewogen op basis van de
waarde van de aanlandingen Vi van dat bestand ([11]).
De indicator wordt dan als volgt berekend Deze
indicator functioneert op dezelfde wijze, of het vlootsegment nu tijdens
dezelfde visserijactiviteiten vangsten uit andere bestanden bovenhaalt, of dat
dit gebeurt tijdens in de tijd gestaffelde verschillende gerichte visserijen
binnen hetzelfde visserijseizoen. Aangezien
de berekening van deze indicator bepaalde voorbereiding en databankberekeningen
vereist, doet de Commissie momenteel het nodige om deze waarden beschikbaar te
stellen aan de lidstaten, op basis van de GVK-gegevens en de beoordelingen van
de ICES en het WTECV. De
berekening van de indicator hangt af van de beschikbaarheid van de
gekwantificeerde wetenschappelijke adviezen voor de betrokken bestanden[12].
De
berekening van de biologische indicatoren op basis van de vangst per
inspanningseenheid of biomassa-indexen wordt in het algemeen niet aanbevolen,
aangezien deze meestal geen informatie verschaffen. 10.2
Indicator voor bedreigde visbestanden Met
de in punt 7.1 beschreven indicator voor bedreigde visbestanden worden geen
gevallen vastgesteld waarin bestanden met een hoog biologisch risico worden
geëxploiteerd. De
lidstaten worden verzocht om als aanvullende indicator voor het identificeren
van dergelijke situaties het aantal bestanden te berekenen dat momenteel als
bestand met een hoog biologisch risico wordt beoordeeld en dat door de vloot in
kwestie wordt geëxploiteerd. In dit verband betekent 'geëxploiteerd door' dat
bestanden met een hoog risico meer dan 10 % van de vangsten van de vloot
uitmaken, of dat de vloot meer dan 10 % van de vangsten uit dergelijke
bestanden haalt. Voor
deze berekening wordt met een bestand met een hoog biologisch risico een
bestand bedoeld dat: a) volgens
de beoordeling onder het met het Blim-punt overenstemmende
biologische niveau ligt, of b) valt
onder hetzij een advies om de visserij te sluiten, de gerichte visserij te
verbieden of de visserij tot het laagst mogelijke niveau te verminderen, hetzij
een soortgelijk advies van een internationaal raadgevend orgaan, zelfs wanneer
dit advies op beperkte gegevens is gebaseerd, of c) valt
onder een verordening tot vaststelling van vangstmogelijkheden waarin is
bepaald dat de vis ongedeerd in zee moet worden teruggezet of dat de aanlanding
ervan verboden is, of d) op
de 'rode lijst' van de IUCN staat of op de CITES-lijst is geplaatst. Dit
kan, per vlootsegment dat n visbestanden vangt, als volgt worden uitgedrukt: waarbij
Ci
= vangst, Ct = de totale vangst uit alle door het vlootsegment beviste
bestanden, Ti = totale vangst van het door alle segmenten beviste bestand i,
voor n bestanden die tot een van bovenstaande categorieën a) tot en met c)
behoren. 11. Economische indicatoren De
economische indicatoren kunnen de mate van economische over- of
onderkapitalisatie van een vloot laten zien, zowel op korte als op lange
termijn. Twee
indicatoren moeten worden berekend: het rendement op investeringen in
vergelijking met het potentieel rendement dat zou zijn verkregen door de waarde
van de vaste activa elders te investeren (levensvatbaarheid op lange termijn)
en de verhouding tussen de lopende inkomsten en kostendekkende inkomsten
(levensvatbaarheid op korte termijn). Voor
beide indicatoren moet voor vergelijkingsdoeleinden het rentetarief worden
gebruikt dat in elke lidstaat van toepassing is op een langlopende investering
tegen een laag risico. De Commissie stelt voor gebruik te maken van de
geharmoniseerde langetermijnrente voor de beoordeling van de convergentie. Deze
wordt berekend door de Europese Centrale Bank en isbeschikbaar op http://www.ecb.int/stats/money/long/html/index.en.html. Om
rekening te houden met de sterke schommelingen van de rentetarieven die de
afgelopen jaren in de meeste lidstaten als gevolg van de economische crisis van
toepassing waren, stelt de Commissie voor om gebruik te maken van het
rekenkundig gemiddelde van de rente over de voorgaande vijf jaar. Voor de
evaluatie van het evenwicht van 2013 zal derhalve de rentevoet voor de periode 2008-2012
worden gebruikt. In
2013 heeft de Commissie het WTECV verzocht deze parameters ter beschikking te
stellen van de lidstaten op basis van de GVK-informatie. Wat
de andere indicatoren betreft, moeten deze parameters per vlootsegment worden
berekend. 11.1 Rendement op investeringen versus
het op één na beste alternatief Het
rendement op investeringen voor een vloot is de nettowinst (winst na kapitaalafschrijving)
van de vloot, gedeeld door de totale waarde van de vaste activa van de vloot.
De handelswaarde van de in bezit gehouden visserijrechten is niet opgenomen.
Alle gegevens voor de berekening van het rendement op investeringen, moeten in
het kader van het GVK beschikbaar zijn. Gegevens over de directe
inkomenssubsidies moet buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening.
Lidstaten wordt echter gevraagd een tabel te verstrekken met daarin de
subsidies die sinds 2008 per vlootsegment zijn toegekend. De
voorgestelde methode luidt als volgt: Rendement op investeringen = nettowinst / waarde van
de vaste activa Waarbij: Netto winst = (inkomsten uit aanlandingen + overige
inkomsten) – (bemanningskosten + onbetaalde arbeid + energiekosten + reparatie-
en onderhoudskosten + andere variabele kosten + niet-variabele kosten +
afschrijvingen) En
waarbij: Waarde van de vaste activa = vervangingswaarde
vaartuig + geschatte waarde van de visserijrechten In
het ideale geval bestaat de waarde van de vaste activa uit zowel materiële
vaste activa (vaartuig, vistuig, elektronica, enz.) als immateriële activa
(geschatte waarde van visserijrechten, zoals quota, vergunningen, enz.). Voor
de berekening van de waarde van de vaste activa van de vloot worden de
lidstaten verzocht te overwegen gebruik te maken van de
permanente-inventarismethode en rekening te houden met recent advies van de
werkgroep PGECON[13]
over beste praktijken voor de berekening van de afgeschreven vervangingswaarden
van de vloot. Wanneer
geen gegevens over de immateriële activa beschikbaar zijn, moet in plaats
daarvan het rendement op materiële vaste activa worden berekend, met behulp van
precies dezelfde berekeningsmethode, maar zonder de geschatte waarde van de
visserijrechten in aanmerking te nemen. Het
berekende rendement op investeringen (of het rendement op materiële vaste activa)
geeft de winstgevendheid per eenheid (uitgedrukt in procenten) van het
geïnvesteerde kapitaal in de visserijsector weer. Het
rendement op investeringen (of het rendement op materiële vaste activa) wordt
vervolgens vergeleken met de rente van een langlopende investering tegen een
laag risico die is berekend zoals hierboven wordt voorgesteld. Deze rentevoet
geeft de winstgevendheid weer die hetzelfde geïnvesteerde kapitaal zou hebben
opgeleverd indien het geïnvesteerd was in het op één na beste alternatief
(normaal gesproken langlopende staatsobligaties). De
daaruit voortvloeiende formule voor de indicator wordt dan rendement op
investeringen – langlopende rente tegen een laag risico. Indien
de waarde van de vaste activa voor een aantal jaren niet beschikbaar is of
ontbreekt, of om enige reden niet betrouwbaar is, kunnen de lidstaten het
nettowinstpercentage nemen om bovenstaande vergelijking te maken. De lidstaten
moeten in ieder geval per periode en per vlootsegment aangeven welke indicator
ze hebben gebruikt. 11.2 Toepassing en interpretatie Waarden
van rendement op investeringen die positief of groter zijn dan de langlopende
rente tegen een laag risico, leiden tot een positieve waarde van de indicator,
waaruit blijkt dat er buitengewone winsten worden geboekt – een teken van
economische onderkapitalisatie. Waarden van rendement op investeringen die
positief, maar kleiner zijn dan de langlopende rente tegen een laag risico,
leiden tot negatieve waarden van de indicator, waaruit blijkt dat het op de lange
termijn gunstiger zou zijn elders te investeren – een teken dat er
waarschijnlijk sprake is van overkapitalisatie van de vloot en dat deze
derhalve economisch inefficiënt is. Negatieve rendementen op investeringen
kunnen op zichzelf op economische overkapitalisatie duiden. Rekenvoorbeeld (uitgaande van een
langlopende rente tegen een laag risico van 5 %) De waarden voor het kalenderjaar (000 EUR) || Vlootsegment 1 || Vlootsegment 2 || Vlootsegment 3 Inkomsten uit aanlandingen + overige inkomsten || 1 500 || 700 || 1 000 Bemanningskosten + kosten voor onbetaalde arbeid + brandstofkosten + reparatie- en onderhoudskosten + andere variabele kosten + niet-variabele kosten || 800 || 481 || 850 Kapitaalkosten (afschrijvingen + rentebetalingen) || 400 || 200 || 200 Nettowinst || 300 || 39 || -50 Waarde van de vaste activa van de vloot (vervangingswaarde vaartuig + geschatte waarde van de visserijrechten) || 2 000 || 1 500 || 1 500 Rendement op investeringen = nettowinst / kapitaalwaarde || 15 % || 2,6 % || -2,5 % Rendement op investeringen – risicovrije, langlopende rente || +10 % || -2,4 % || -7,5 % 11.3
Verhouding tussen lopende inkomsten en kostendekkende inkomsten De kostendekkende inkomsten zijn de
inkomsten die benodigd zijn om zowel de vaste als variabele kosten te dekken
zonder dat er verliezen worden geleden en winsten worden geboekt. De lopende
inkomsten zijn de totale operationele inkomsten van het vlootsegment, die
bestaan uit de inkomsten van aanlandingen en andere dan visserij-inkomsten.
Alle gegevens voor deze berekening moeten beschikbaar zijn in het kader van de
nationale GVK-programma's van de lidstaten, met uitzondering van alternatieve
kosten. Gegevens over de directe inkomenssubsidies moeten buiten beschouwing
worden gelaten bij de berekening. Daarnaast moeten eventuele inkomsten en
uitgaven uit het leasen van visserijrechten worden opgenomen in de berekening.
Het opnemen van die gegevens moet worden vermeld. De formule voor de berekening van
de kostendekkende inkomsten is als volgt: Kostendekkende
inkomsten = (vaste kosten) / (1 - [variabele kosten / lopende inkomsten]) Waarbij: Variabele
kosten = bemanningskosten
+ niet-betaalde arbeid + energiekosten + reparatie- en onderhoudskosten +
andere variabele kosten En
waarbij: Vaste
kosten = niet-variabele kosten + afschrijvingen En lopende
inkomsten = inkomsten uit aanlandingen + overige inkomsten De verhouding wordt berekend door
de lopende inkomsten te delen door de kostendekkende inkomsten, d.w.z. Verhouding = lopende
inkomsten / kostendekkende inkomsten De berekening van de verhouding
geeft, zoals hierboven vermeld, het kortetermijnbeeld weer van de financiële
levensvatbaarheid. Indien dat met de beschikbare gegevens mogelijk is, kunnen
de lidstaten ook opteren voor het verstrekken van een economische
langetermijnanalyse van de levensvatbaarheid van lopende
inkomsten/kostendekkende inkomsten. Hiervoor moeten de alternatieve kosten bij
de vaste kosten worden opgeteld: Vaste kosten = niet-variabele
kosten + afschrijvingen + alternatieve kapitaalkosten Alternatieve
kapitaalkosten = waarde van de vaste activa x langlopende rente met een laag
risico. De lidstaten moeten vermelden van
welk concept van lopende inkomsten/kostendekkende inkomsten zij gebruikmaken. 11.4 Toepassing en interpretatie De verhouding tussen de lopende
inkomsten en de kostendekkende inkomsten van een vloot geven aan in hoeverre de
lopende inkomsten van een vloot de inkomsten benaderen die vereist zijn om op
korte termijn het break-evenpunt te bereiken. Als de verhouding groter is dan 1,
is er voldoende inkomen om de variabele, vaste en kapitaalkosten te dekken,
waaruit blijkt dat het segment winstgevend is, met een mogelijke
onderkapitalisatie. Als de verhouding daarentegen kleiner is dan 1, is er
onvoldoende inkomen om de variabele, vaste en kapitaalkosten te dekken, waaruit
blijkt dat het segment niet rendabel is, met een mogelijke overkapitalisatie.
Als het resultaat van de lopende inkomsten/kostendekkende inkomsten negatief
is, betekent dit dat alleen al de variabele kosten de lopende inkomsten
overschrijden, waaruit blijkt dat hoe hoger het inkomen is, hoe groter het
verlies zal uitvallen. Als de parameters voor
afschrijvingen en alternatieve kapitaalkosten worden weggelaten uit de
berekening, geeft de verhouding alleen aan hoeveel inkomen er vereist is om
alleen de operationele kosten op korte termijn te dekken, zonder eventuele
buitengewone winsten in aanmerking te nemen. De integratie van deze begrippen
biedt een langetermijnvisie op verwachtingen van de toekomstige
levensvatbaarheid van de vloot, maar zal tot op zekere hoogte overlappen met de
toepassing van het rendement op investeringen (of rendement op materiële vaste
activa) als een indicator voor de lange termijn. Rekenvoorbeeld:
Verhouding van de lopende inkomsten tot de kostendekkende inkomsten || De waarden voor een bepaald kalenderjaar (000 EUR) Gebruik totaalcijfers van het segment || Vlootsegment 1 || Vlootsegment 2 1 || Lopende inkomsten = inkomsten uit aanlandingen + overige inkomsten || 113 000 || 115 000 2 || Vaste kosten = niet-variabele kosten + afschrijvingen + alternatieve kapitaalkosten || 24 000 || 28 000 3 || Variabele kosten = bemanningskosten + kosten voor onbetaald werk + energiekosten + reparatie- en onderhoudskosten + andere variabele kosten || 90 000 || 85 000 4 || Kostendekkende inkomsten = 2 / ( 1 - [ 3 / 1 ] ) || 117 913 || 107 333 5 || Lopende inkomsten / kostendekkende inkomsten = 1 / 4 || 0,96 || 1,07 12. Indicatoren voor het vaartuiggebruik 12.1
Indicator voor inactieve vaartuigen Inactieve
vaartuigen vormen een onbenutte capaciteit en als zodanig verminderen zij de
gehele technische efficiëntie en de bezettingsgraad van de totale vloot. De
indicator wordt berekend op basis van de GVK-vaartuiglengteklassen in plaats
van vaartuigsegmenten, omdat informatie over het vistuig en de gerichte
visserij niet beschikbaar is. Er moet een tabel worden verstrekt waarin het
aandeel van de inactieve vaartuigen van de totale vloot wordt weergegeven,
onder opgave van het aantal vaartuigen, GT en kW. 12.2
Indicator voor het vaartuiggebruik De indicator
voor het vaartuiggebruik is het gemiddelde, per vlootsegment, van de verhouding
tussen de daadwerkelijk uitgevoerde inspanning en de maximale inspanning die
een vloot kan leveren. Deze indicator is gebaseerd op als betrouwbaar
beschouwde gegevens en maakt het mogelijk om op basis van een snelle berekening
te beoordelen welk aandeel van de vloot in de gegeven omstandigheden wordt
gebruikt voor visserijactiviteiten. Er bestaan twee versies van deze indicator,
gebaseerd op ofwel waargenomen ofwel theoretische maximale activiteitsniveaus.
De lidstaten moeten kiezen welke het meest geschikt is en alleen deze indicator
melden aan de Commissie. De
indicator die is gebaseerd op waargenomen maximale activiteit wordt als volgt
berekend: De
verhouding tussen de gemiddelde inspanning per vaartuig in een vlootsegment en
de waargenomen maximale inspanning die daadwerkelijk in het referentiejaar door
een vaartuig in het segment is verricht (in kW-dagen of GT-dagen). Deze indicator kan ook als volgt in
termen van visserijdagen worden berekend: De
verhouding tussen het gemiddeld aantal dagen op zee per vaartuig en het
maximumaantal dagen op zee dat is waargenomen in een vlootsegment. De andere versie van de technische
indicator is van toepassing wanneer het maximumaantal waargenomen dagen op zee
binnen een vlootsegment voor elk referentiejaar beperkt is door externe
factoren. Er kunnen economische (bv. de oliecrisis), ecologische (bv.
buitengewone weersomstandigheden) en sociale (bv. niet vissen in het weekend)
redenen van invloed zijn op het maximumaantal waargenomen dagen op zee per
vaartuig voor bepaalde jaren, waardoor dit aantal niet noodzakelijkerwijs de
werkelijke technische capaciteit van de vloot weerspiegelt. In dergelijke gevallen kunnen de
lidstaten de verhouding ook op basis van het theoretische maximumaantal dagen
op zee berekenen. Voor deze berekening wordt de 'waargenomen maximale
inspanning die een vaartuig daadwerkelijk binnen het segment heeft verricht'
uit de vorige berekeningen vervangen door een theoretisch maximumaantal dagen
op zee waarop kon worden gevist indien er geen externe beperkingen waren (bv.
indien er geen inspanningsregeling van toepassing was). Voor deze waarde wordt
een standaardwaarde van 220 dagen gehanteerd als er geen gegevens voorhanden
zijn, maar anders moet deze op basis van natuurlijke, technische en sociale
voorwaarden worden geschat. Deze waarde moet door elke lidstaat worden bepaald
met gebruikmaking van deskundigenadvies en beschikbare informatie. De gekozen indicator moet worden
ingediend en beoordeeld gedurende een periode van meerdere jaren om aan te
tonen of de verhoudingen in de loop van de tijd stabiel zijn. De berekening kan in kW-dagen of
GT-dagen worden gedaan, afhankelijk van de vloot; bv. een voorkeur voor kW voor
sleepnetten, aangezien vaartuigen met grotere motoren meestal meer vangst
hebben dan die met kleinere motoren, en GT-dagen voor passief vistuig. 12.3 Toepassing en interpretatie Gegevens (dagen op zee per vaartuig
in GT en kW) zijn op het niveau van de lidstaten beschikbaar, aangezien deze op
grond van de gegevensverzamelingsverordening en het gegevensverzamelingskader
beschikbaar moeten zijn. Het maximumaantal dagen op zee is echter een
aanvullende berekening die momenteel buiten het GVK valt, maar er zal jaarlijks
een oproep worden gedaan om met betrekking tot deze parameter gegevens te
verzamelen. Voor de berekening van deze
indicator moet rekening worden gehouden met alle actieve vaartuigen in de
vloot. Een vaartuig is actief als het tijdens een bepaalde periode in het
referentiejaar tot vissen is gemachtigd en in het referentiejaar ten minste één
dag op zee heeft geregistreerd. Een vaartuig is inactief als het tijdens het
referentiejaar al dan niet tot vissen is gemachtigd, maar in het referentiejaar
geen tijd op zee en geen aanlanding heeft geregistreerd. Deze indicatoren geven aan in
hoeverre de vlootcapaciteit kan worden verminderd zonder de totale vlootoutput
(aanlandingen) te verminderen. De technische indicator kan daarom als
'uitgangssituatie-indicator' per vlootsegment worden beschouwd. De marge tussen de berekende waarde
en 1 geeft de technische onderbenutting van de vaartuigen aan. Met betrekking
tot het 'stoplichtsysteem' zal een indicator van meer dan 0,9 (dat wil zeggen
waar de gemiddelde activiteit meer is dan 90 % van de maximale activiteit)
uitsluitend worden waargenomen in vlootsegmenten met een voornamelijk homogeen
activiteitsniveau, hetgeen in de praktijk kan worden aangemerkt als een groen
licht. Waarden (afhankelijk van de homogeniteit van de vloot) lager dan 0,7
kunnen worden beschouwd als aanzienlijke onderbenutting, hetgeen kan wijzen op
technische overcapaciteit (rood licht). Als er een theoretisch
maximumaantal dagen wordt toegepast in plaats van het waargenomen maximumaantal
dagen, kunnen er aanzienlijke verschillen ontstaan tussen de waarden van de
berekende technische indicator, en moeten de gevolgen zorgvuldig worden
uiteengezet. Rekenvoorbeeld: De verhouding
tussen de werkelijk verrichte inspanning per vaartuig en de maximale inspanning
(waargenomen en theoretisch) voor een groep van drie vaartuigen. Vaartuig || Capaciteit1) || Huidige inspanning2) || Maximale inspanning (op basis van waargenomen max.) 3) || Theoretische maximale inspanning4) || Technische indicator (waargenomen) 5) || Technische indicator (theoretisch)6) kW || dagen || kW-dagen || dagen || kW-dagen || dagen || kW-dagen Vaartuig 1 || 100 || 80 || 8 000 || 150 || 15 000 || 220 || 22 000 || 0,53 || 0,36 Vaartuig 2 || 200 || 110 || 22 000 || 150 || 30 000 || 220 || 44 000 || 0,73 || 0,50 Vaartuig 3 || 400 || 150 || 60 000 || 150 || 60 000 || 220 || 88 000 || 1,00 || 0,68 || || || Totaal 90 000 || || Totaal 105 000 || || Totaal 154 000 || Gemiddelde 0,86 || Gemiddelde 0,58 1) De capaciteit moet voor alle
segmenten in kW worden uitgedrukt; waar mogelijk, en met name voor de segmenten
met passief vistuig, verdient het aanbeveling om ook GT te gebruiken. 2) Deze kolom geeft de
afzonderlijke activiteit- en inspanningsgegevens van vaartuigen aan. 3) Deze kolom bevat de waargenomen
maximale benutting (150 dagen) voor elk vaartuig van de vloot. 4) Deze kolom bevat de theoretische
maximale benutting (220 dagen) voor elk vaartuig van de vloot. 5) Deze kolom toont de berekende
technische indicator op basis van de waargenomen maximale benuttingsgraad
(kW-dagen in kolom 2 gedeeld door kW-dagen in kolom 3, om tot een gemiddelde
voor het segment te komen) 6) Deze kolom toont de berekende
technische indicator op basis van de theoretische maximale benuttingsgraad
(kW-dagen in kolom 2 gedeeld door kW-dagen in kolom 4, om tot een gemiddelde
voor het segment te komen) Elke lidstaat moet kiezen welke
technische indicator ze indienen, zoals beschreven in punt 7.3. Deze keuze moet
worden onderbouwd. [1] Verordening
(EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement ne de Raad van 11 december 2013 inzake
het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003
en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002
en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad, PB L 354
van 28.12.2013, blz. 22. [2] Artikel 22, lid
2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [3] Artikel 22, lid 4,
tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [4] Verordening EG nr. 508/2014 van het
Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende het Europees Fonds
voor Maritieme Zaken en Visserij en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2328/2003,
(EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006, (EG) nr. 791/2007 van de Raad, en
Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad, PB L 149
van 20.5.2014, blz. 1. [5] Overheidssteun voor
definitieve beëindiging uit hoofde van het EFMZV is ook beperkt in de tijd (31
december 2017). [6] Bijlage IV bij
Verordening (EU) nr. 508/2014. [7]Artikel 34, lid 1, onder
b), van Verordening (EU) nr. 508/2014. [8] Deze richtsnoeren zijn
gebaseerd op het advies van het WTECV (SGBRE 10-01, EWG 10-11 en PLEN 10-03),
met inbegrip van de opmerkingen van vier lidstaten, en op de ervaring uit 2013
waarover verslag wordt uitgebracht in STECF EWG 13-28. [9] Zie Verordening
(EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling
van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van
gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk
advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid, PB L 60 van 5.3.2008. [10] De ervaring leert dat de
intrinsieke kapitaalwaarde vaak niet beschikbaar of niet betrouwbaar is.
Nettowinst zou rendement op investeringen (of rendement op de vaste materiële
activa) in dergelijke gevallen kunnen vervangen. [11] Wanneer de waarden niet beschikbaar zijn, kunnen
hoeveelheden worden gebruikt, maar de lidstaten moeten aangeven of soorten een
hoge of lage waarde hebben. [12] In gevallen waarin meer dan 60 % van de
vangstwaarde afkomstig is van bestanden waarvoor geen F- en Fmsy-waarden
beschikbaar zijn, wordt de indicator ook geacht niet beschikbaar te zijn. [13]
Planningsgroep inzake economische vraagstukken (PGECON), 16-19 april 2012,
Salerno (Italië)