This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014AP0381
P7_TA(2014)0381 Animal health ***I European Parliament legislative resolution of 15 April 2014 on the proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council on Animal Health (COM(2013)0260 — C7-0124/2013 — 2013/0136(COD)) P7_TC1-COD(2013)0136 Position of the European Parliament adopted at first reading on 15 April 2014 with a view to the adoption of Regulation (EU) No …/2014 of the European Parliament and of the Council on Animal Health the prevention and control of animal diseases which are transmissible among animals or to humans [Am. 1]
P7_TA(2014)0381 Diergezondheid ***I Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid (COM(2013)0260 — C7-0124/2013 — 2013/0136(COD)) P7_TC1-COD(2013)0136 Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen[Am. 1]
P7_TA(2014)0381 Diergezondheid ***I Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid (COM(2013)0260 — C7-0124/2013 — 2013/0136(COD)) P7_TC1-COD(2013)0136 Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen[Am. 1]
PB C 443 van 22.12.2017, pp. 393–610
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
22.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 443/393 |
P7_TA(2014)0381
Diergezondheid ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid (COM(2013)0260 — C7-0124/2013 — 2013/0136(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
(2017/C 443/60)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0260), |
|
— |
gezien artikel 294, lid 2, artikel 43, lid 2, artikel 114, lid 3, en artikel 168, lid 4, letter b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0124/2013), |
|
— |
gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond, |
|
— |
gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, |
|
— |
gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2013 (1), |
|
— |
na raadpleging van het Comité van de Regio’s, |
|
— |
gezien artikel 55 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie visserij (A7-0129/2014), |
|
1. |
stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast; |
|
2. |
verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen; |
|
3. |
verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen. |
(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
P7_TC1-COD(2013)0136
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 april 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de diergezondheid preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen[Am. 1]
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, artikel 114, lid 3, en artikel 168, lid 4, onder b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overdraagbare dierziekten en de maatregelen die nodig zijn om deze ziekten te bestrijden, kunnen een verwoestend effect hebben op individuele dieren, dierpopulaties, houders van dieren en de economie en kunnen van grote invloed zijn op de volksgezondheid en de voedselveiligheid . [Am. 2] |
|
(2) |
Zoals uit recente studies blijkt, kunnen overdraagbare dierziekten ook significante gevolgen hebben voor de volksgezondheid en de voedselveiligheid , zoals bijvoorbeeld in het geval van aviaire influenza en salmonella. [Am. 3] |
|
(3) |
Bovendien kan een negatieve wisselwerking worden vastgesteld met betrekking tot de biodiversiteit, de klimaatverandering en andere milieuaspecten. De klimaatverandering kan invloed hebben op het ontstaan van nieuwe ziekten, het vóórkomen van bestaande ziekten en de geografische spreiding van ziekteverwekkers en vectoren, met inbegrip van die welke in het wild levende dieren treffen. |
|
(3 bis) |
Een goede bestrijding van besmettelijke dierziekten, waaronder zoönotische infecties, vormt een voorwaarde voor een goed functionerende interne markt voor de handel in levende dieren, dierlijke producten en levensmiddelen. [Am. 4] |
|
(4) |
Om strenge normen voor de diergezondheid en de volksgezondheid in de Unie en een rationele ontwikkeling van de landbouw- en de aquacultuursector te waarborgen en om de productiviteit te verhogen, moet regelgeving inzake diergezondheid op het niveau van de Unie worden vastgesteld. Deze regelgeving is onder meer noodzakelijk om bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en om de verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen. |
|
(4 bis) |
In artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt erkend dat dieren wezens met gevoel zijn. De wetgeving van de Unie betreffende dierenwelzijn verplicht de eigenaars en de houders van dieren en de bevoegde autoriteiten zich te houden aan de voorschriften inzake dierenwelzijn die een humane behandeling waarborgen en onnodige pijn en onnodig lijden voorkomen. Deze bepalingen zijn wetenschappelijk onderbouwd en kunnen bijdragen tot verbetering van de diergezondheid. [Am. 5] |
|
(5) |
De huidige wetgeving van de Unie inzake diergezondheid bestaat uit een reeks onderling samenhangende basiswetgevingshandelingen die regelgeving vaststellen inzake diergezondheid die van toepassing is op de handel binnen de Unie, de binnenkomst in de Unie van dieren en producten, de uitroeiing van ziekten, diergeneeskundige controles, de melding van ziekten en financiële steun met betrekking tot verschillende diersoorten, maar een overkoepelend rechtskader dat voorziet in geharmoniseerde beginselen voor heel de sector, ontbreekt. |
|
(5 bis) |
Om de bepalingen van de wetgeving van de Unie inzake diergezondheid zo duidelijk mogelijk te maken en zo te waarborgen dat zij volledig en juist ten uitvoer worden gelegd, moet er een criterium en beginsel worden vastgesteld voor de organisatie van de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die krachtens deze verordening worden vastgesteld. [Am. 6] |
|
(6) |
„Voorkomen is beter dan genezen”, luidt het in de strategie voor diergezondheid voor de Unie (2007-2013) die de Commissie heeft vastgesteld in haar mededeling van 19 september 2007 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Beoogd wordt de diergezondheid te bevorderen door meer aandacht te besteden aan preventieve maatregelen, ziektesurveillance, ziektebestrijding en onderzoek, om de incidentie van dierziekten te verminderen en het effect van uitbraken die zich voordoen, tot een minimum te beperken. In de strategie wordt voorgesteld „één vereenvoudigd wetgevingskader voor diergezondheid” vast te stellen, daarbij convergentie met de internationale normen na te streven en terzelfder tijd vastbesloten voor strenge diergezondheidsnormen te zorgen. [Am. 7] |
|
(7) |
Met deze verordening wordt beoogd de in die strategie voor diergezondheid bedoelde verbintenissen en inzichten, met inbegrip van het „één gezondheid”-beginsel, uit te voeren en het rechtskader voor een gemeenschappelijk diergezondheidsbeleid van de Unie te consolideren door middel van één vereenvoudigd, flexibel wetgevingskader voor diergezondheid. |
|
(7 bis) |
In de mededeling van de Commissie over een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie wordt onderstreept dat een collectieve aanpak voor preventie- en biobeveiligingsmaatregelen moet worden gevolgd, aangezien besmettelijke ziekteverwekkers zich snel van het ene naar het andere bedrijf kunnen verspreiden. [Am. 8] |
|
(8) |
Dieren kunnen lijden aan een breed scala van besmettelijke of niet-besmettelijke ziekten. Veel ziekten kunnen worden behandeld, hebben enkel gevolgen voor het betrokken dier of verspreiden zich niet naar andere dieren of naar mensen. Anderzijds kunnen overdraagbare ziekten ruimere gevolgen voor de dier- of volksgezondheid op populatieniveau hebben. De regelgeving inzake diergezondheid in deze verordening moet uitsluitend tot laatstgenoemde ziekten worden beperkt. |
|
(9) |
Bij de vaststelling van die regelgeving inzake diergezondheid is het van wezenlijk belang om rekening te houden met het verband tussen diergezondheid en volksgezondheid, milieu, voedsel- en diervoederveiligheid, dierenwelzijn, voedselzekerheid en voedselzekerheid, economische, sociale en culturele aspecten en met name dierenwelzijn, gezien de wisselwerking tussen dierenwelzijn en diergezondheid . [Am. 9] |
|
(10) |
Bij Besluit 94/800/EG van de Raad (3) werden namens de toenmalige Europese Gemeenschap voor wat betreft het gedeelte van die aangelegenheden dat onder haar bevoegdheid valt, de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 bij deze Overeenkomst opgenomen overeenkomsten, waaronder de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-Overeenkomst), goedgekeurd. In de SPS-Overeenkomst wordt het gebruik van maatregelen geregeld die noodzakelijk zijn om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen, zodat deze maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen WTO-leden. Voor zover internationale normen bestaan, moeten zij als basis worden gebruikt. De leden hebben echter het recht om eigen relevante normen te bepalen, mits deze zijn gebaseerd op wetenschappelijke uitgangspunten. |
|
(11) |
In de SPS-Overeenkomst wordt met betrekking tot de voorschriften inzake diergezondheid voor het internationale handelsverkeer verwezen naar de normen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE). Om het risico op handelsverstoringen te beperken, moeten de EU-maatregelen inzake diergezondheid een adequaat niveau van convergentie met de OIE-normen nastreven. |
|
(12) |
Artikel 5, lid 7, van de SPS-Overeenkomst, dat voor de Unie is uitgelegd in de mededeling van de Commissie van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel, bepaalt dat een lid van die Overeenkomst in specifieke omstandigheden waarin er een significant risico voor de dier- of volksgezondheid bestaat, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, voorlopige maatregelen mag vaststellen op grond van de beschikbare relevante gegevens. In die situatie moet het WTO-lid ernaar streven om de bijkomende gegevens te verzamelen die nodig zijn voor een objectievere risicobeoordeling en om de maatregel binnen een redelijke termijn dienovereenkomstig opnieuw te bekijken. |
|
(13) |
De risicobeoordeling op basis waarvan de maatregelen op grond van deze verordening worden genomen, moet gebaseerd zijn op het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal en op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze worden uitgevoerd. Verder moet rekening worden gehouden met de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, die is opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4). |
|
(14) |
In Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) wordt regelgeving inzake volks- en diergezondheid vastgesteld voor bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten om de risico's voor de gezondheid van mensen en dieren als gevolg van die producten te voorkomen en tot een minimum te beperken, en in het bijzonder om de veiligheid van de voedsel- en voederketen te beschermen. Om overlappingen in de wetgeving van de Unie te vermijden moet deze verordening derhalve uitsluitend van toepassing zijn op dierlijke bijproducten en afgeleide producten waarvoor geen specifieke regelgeving is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1069/2009 en waarbij sprake is van een risico voor de diergezondheid. Verordening (EG) nr. 1069/2009 regelt bijvoorbeeld niet hoe dierlijke bijproducten en afgeleide producten in het kader van ziektebestrijdingsmaatregelen moeten worden gehanteerd; daarom worden deze kwesties in deze verordening behandeld. |
|
(15) |
Bovendien is al specifieke regelgeving met betrekking tot overdraagbare dierziekten, met inbegrip van die welke op de mens kunnen worden overgedragen (zoönosen), vastgelegd in Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad (6), Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (8) en specifieke regelgeving met betrekking tot overdraagbare ziekten bij de mens in Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (9). Die handelingen moeten ook na de vaststelling van deze verordening van kracht blijven. Derhalve moet deze verordening, om overlappingen in de wetgeving van de Unie te vermijden, uitsluitend op zoönosen van toepassing zijn indien in die andere wetgevingshandelingen van de Unie geen specifieke regelgeving is vastgelegd. |
|
(16) |
Ziekten bij populaties wilde dieren kunnen schadelijke gevolgen hebben voor de landbouw- en de aquacultuursector, voor de volksgezondheid, het milieu en de biodiversiteit. Derhalve moeten wilde dieren, die zowel slachtoffers als vectoren van deze ziekten kunnen zijn, in die gevallen onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. |
|
(17) |
Dierziekten worden niet alleen door rechtstreeks contact van het ene dier op het andere of van dieren op de mens overgedragen. Zij worden ook overgedragen via water en lucht, vectoren zoals insecten, of via zaad, eicellen en embryo's bij kunstmatige inseminatie, eiceldonatie of embryotransplantatie. Ziekteverwekkers kunnen ook voorkomen in levensmiddelen en andere producten van dierlijke oorsprong zoals leer, bont, veren, hoorn en elk ander materiaal dat van het lichaam van een dier afkomstig is. Bovendien kan allerlei ander materiaal, zoals vervoermiddelen, uitrusting, veevoeder en hooi en stro, ziekteverwekkers verspreiden. Doeltreffende regelgeving inzake diergezondheid moet dan ook toepasselijk zijn op alle wijzen van besmetting en materiaal dat daarbij betrokken is. |
|
(18) |
Dierziekten kunnen schadelijke gevolgen hebben voor de verspreiding van diersoorten in het wild en zo de biodiversiteit beïnvloeden. Micro-organismen die dierziekten veroorzaken kunnen daarom vallen onder de definitie van invasieve uitheemse soorten in het VN-Verdrag inzake biodiversiteit. Bij de maatregelen van deze verordening wordt ook rekening gehouden met de biodiversiteit; deze verordening moet daarom van toepassing zijn op de diersoorten en ziekteverwekkers — met inbegrip van die welke als invasieve uitheemse soorten worden gedefinieerd — die een rol spelen bij de overdracht van of worden getroffen door in deze verordening bedoelde ziekten. |
|
(19) |
De vóór deze verordening vastgestelde wetgeving van de Unie bevat afzonderlijke regelgeving inzake diergezondheid voor land- en waterdieren. In Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (10) wordt specifieke regelgeving vastgelegd voor waterdieren. De belangrijkste beginselen voor goed bestuur op het gebied van de diergezondheid en goede dierhouderij gelden in de meeste gevallen echter voor beide groepen diersoorten. Derhalve moet deze verordening van toepassing zijn op zowel land- als waterdieren en die regelgeving inzake diergezondheid in voorkomend geval op elkaar afstemmen. Toch weerspiegelt deze verordening op bepaalde vlakken, in het bijzonder de registratie en erkenning van inrichtingen en de traceerbaarheid en de verplaatsingen van dieren in de Unie, de in het verleden gevolgde aanpak, waarbij regelgeving inzake diergezondheid — en bijgevolg ook de voorschriften ter bescherming van de gezondheid — vanwege het verschillende milieu afzonderlijk voor landdieren en waterdieren werd vastgelegd. [Am. 10] |
|
(20) |
Verder wordt in vóór deze verordening vastgestelde wetgeving van de Unie en in het bijzonder in Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (11) basisregelgeving inzake diergezondheid vastgesteld voor andere diersoorten waarvoor geen regeling bestaat in andere wetgevingshandelingen van de Unie, zoals reptielen, amfibieën, zeezoogdieren en andere dieren die niet onder de definities van water- of landdieren van deze verordening vallen. Doorgaans houden dergelijke soorten geen significant gezondheidsrisico voor mensen of voor andere dieren in en daarom geldt er geen of slechts schaarse regelgeving inzake diergezondheid. Om onnodige administratieve lasten en kosten te vermijden, moet deze verordening de in het verleden gevolgde aanpak weerspiegelen, waarbij wordt voorzien in het rechtskader voor nadere regels inzake diergezondheid met betrekking tot de verplaatsingen van dergelijke dieren en de producten ervan, die moeten worden vastgesteld indien het risico dat vereist. |
|
(21) |
Het houden van gezelschapsdieren, met inbegrip van waterdieren voor sierdoeleinden in huishoudens en niet-commerciële sieraquaria, binnens- en buitenshuis, houdt in het algemeen een lager gezondheidsrisico in dan andere wijzen om op ruimere schaal dieren te houden of te verplaatsen, zoals die welke in de landbouw gebruikelijk zijn. De algemene voorschriften betreffende registratie, documentatie en verplaatsingen in de Unie hoeven dan ook niet van toepassing te zijn op dergelijke dieren, aangezien dit ongerechtvaardigde administratieve lasten en kosten zou veroorzaken. De voorschriften betreffende registratie en documentatie hoeven derhalve niet van toepassing te zijn op de houders van gezelschapsdieren. Bovendien moet specifieke regelgeving worden vastgesteld voor niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapsdieren in de Unie. |
|
(22) |
Enkele specifieke groepen dieren waarvoor in deze verordening bijzondere regelgeving inzake diergezondheid bestaat, moeten wegens de grote omvang van de groep als diersoorten worden opgenomen in een lijst in een bijlage. Dit is het geval voor de groep van zoogdieren met hoeven, die als hoefdieren (ungulata) wordt ingedeeld. Aanpassing van deze lijst kan in de toekomst noodzakelijk zijn vanwege een aangepaste taxonomie, wetenschappelijke ontwikkelingen of wetenschappelijk verantwoorde technische aanpassingen. Evenzo kan aanpassing van de lijst van soorten gezelschapsdieren noodzakelijk zijn vanwege maatschappelijke ontwikkelingen of gewijzigde gewoonten met betrekking tot het houden van gezelschapsdieren, in het bijzonder indien deze dieren ziekten overdragen. Teneinde rekening te houden met dergelijke wijzigingen, moet aan de Commissie derhalve de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de in de bijlagen I en II bij deze verordening opgenomen lijsten van gezelschapsdieren en hoefdieren. |
|
(23) |
Niet alle overdraagbare dierziekten kunnen of moeten met behulp van wettelijke maatregelen worden voorkomen en bestreden, bijvoorbeeld als de ziekte zich te wijd heeft verbreid, middelen voor diagnose niet beschikbaar zijn, of de particuliere sector zelf maatregelen kan nemen om de ziekte te bestrijden. Wettelijke maatregelen om overdraagbare dierziekten te voorkomen en te bestrijden kunnen voor de betrokken sectoren grote economische gevolgen hebben en het handelsverkeer verstoren. Daarom is het van wezenlijk belang dat dergelijke maatregelen enkel worden toegepast indien zij evenredig en noodzakelijk zijn, zoals wanneer een ziekte een significant risico voor de diergezondheid of de volksgezondheid inhoudt of vermoedelijk inhoudt. |
|
(24) |
Bovendien moeten de maatregelen ter preventie en bestrijding op maat zijn gesneden van elke overdraagbare dierziekte, om in te spelen op het unieke epizoötiologische profiel ervan en zijn gevolgen. Telkens moet dus ziektespecifieke regelgeving inzake preventie en bestrijding van toepassing zijn en moet er strikt rekening worden gehouden met afwijkende regionale omstandigheden . [Am. 11] |
|
(25) |
Een overdraagbare dierziekte gaat doorgaans gepaard met klinische of pathologische verschijnselen van de besmetting. Voor de toepassing van deze verordening, die beoogt de verspreiding van bepaalde overdraagbare dierziekten te bestrijden en deze ziekten uit te roeien, moet echter een ruimere definitie van ziekte gelden, die ook de andere dragers van de ziekteverwekker omvat. |
|
(26) |
Sommige overdraagbare dierziekten verspreiden zich niet gemakkelijk naar andere dieren of naar mensen en richten dus geen grootschalige schade aan de economie of de biodiversiteit aan. Zij vormen dan ook geen ernstige bedreiging voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie en kunnen dus desgewenst door nationale regelgeving worden aangepakt. |
|
(27) |
Bij overdraagbare dierziekten waarvoor geen maatregelen op het niveau van de Unie van toepassing zijn, maar die van een zeker economisch belang zijn voor de particuliere sector op lokaal niveau, moet deze sector, met de ondersteuning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, maatregelen nemen om die ziekten te voorkomen of te bestrijden, bijvoorbeeld door maatregelen inzake zelfregulering of de ontwikkeling van gedragscodes. |
|
(28) |
Gemakkelijk overdraagbare dierziekten kunnen zich, in tegenstelling tot de in de overwegingen 26 en 27 bedoelde overdraagbare dierziekten, snel over de grenzen heen verspreiden en kunnen, indien het daarbij om zoönosen gaat, ook gevolgen hebben voor de volksgezondheid en de voedselveiligheid. Deze verordening moet dan ook van toepassing zijn op gemakkelijk overdraagbare dierziekten en zoönosen. |
|
(29) |
In Actie nr. 5 van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie — wordt de preventieve rol van deze verordening en de daaruit voortvloeiende verwachte vermindering van het gebruik van antibiotica bij dieren beklemtoond. De resistentie van micro-organismen tegen antimicrobiële stoffen waarop zij vroeger reageerden, neemt toe. Door deze resistentie wordt de behandeling van besmettelijke ziekten bij mensen en dieren ingewikkelder. Micro-organismen die resistent zijn geworden tegen antimicrobiële stoffen moeten bijgevolg worden behandeld alsof het om overdraagbare ziekten ging, en deze verordening moet dus op hen van toepassing zijn. |
|
(30) |
Nieuwe aan bepaalde ziekten of soorten verbonden gevaren kunnen zich ontwikkelen, in het bijzonder door veranderingen in het milieu, het klimaat, de dierhouderij en de agrarische productie, maar ook door maatschappelijke veranderingen en door veranderingen in de economische en handelsbetrekkingen binnen en buiten de Unie . Bepaalde ziekten die momenteel in beperkte gebieden zijn verspreid, kunnen zich, wanneer ze niet volledig worden uitgeroeid, uitbreiden en schade berokkenen aan de economie van grotere gebieden. Bovendien kan wetenschappelijke vooruitgang kan ook leiden tot nieuwe kennis en een betere bekendheid met bestaande ziekten. Bovendien Anderzijds kunnen vandaag belangrijke ziekten en soorten in de toekomst worden gemarginaliseerd. Daarom moet het toepassingsgebied van deze verordening breed zijn en moet de regelgeving zijn gericht op ziekten met een hoge publieke relevantie. De OIE heeft met steun van de Europese Commissie in het kader van een studie met de titel „Listing and categorisation of priority animal diseases, including those transmissible to humans” („Opname in een lijst en indeling in categorieën van prioritaire dierziekten, met inbegrip van die welke op de mens overdraagbaar zijn”) een systeem voor het stellen van prioriteiten en de indeling in categorieën van ziekten ontwikkeld en een instrument om dat te doen. Deze verordening moet die aanpak in de wetgeving van de Unie introduceren. [Am. 12] |
|
(31) |
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot overdraagbare dierziekten op het niveau van de Unie te waarborgen, Er moet een geharmoniseerde lijst van overdraagbare dierziekten („in de lijst opgenomen ziekten”) worden vastgesteld, die in een tabel in een bijlage bij deze verordening moet worden opgenomen . Bijgevolg moeten Aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen toegekend om een dergelijke lijst vast te stellen tot wijziging of aanvulling van die lijst . [Am. 13] |
|
(32) |
Nieuwe ziekten die ernstige risico's voor de gezondheid van mensen of dieren kunnen inhouden en die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, de economie of het milieu, kunnen in de toekomst voorkomen. Na de beoordeling van die ziekten en na de vaststelling van eventuele tijdelijke noodmaatregelen kan het noodzakelijk zijn snel te reageren en dergelijke ziekten toe te voegen aan de lijst van opgenomen ziekten. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig de spoedprocedure handelingen vast te stellen in deze naar behoren gerechtvaardigde gevallen waarin risico's voor de gezondheid van mensen of dieren bestaan. |
|
(33) |
De in de lijst opgenomen ziekten zullen verschillende benaderingen vergen. Enkele uiterst besmettelijke ziekten die momenteel niet in de Unie voorkomen, vereisen strenge maatregelen om deze ziekten onmiddellijk uit te roeien zodra zij voorkomen. Andere ziekten die al kunnen voorkomen in delen van de Unie, vereisen verplichte of vrijwillige uitroeiing. In beide gevallen is het aangewezen beperkingen op de verplaatsingen van dieren en producten in te stellen, zoals een verbod op verplaatsingen naar en uit getroffen gebieden, of eenvoudigweg het uitvoeren van tests vóór de verzending. In andere gevallen kan het aangewezen zijn om enkel de verspreiding van de ziekte te surveilleren, zonder aanvullende maatregelen te nemen. Dit zou met name het geval zijn bij een nieuwe ziekte waarover niet veel bekend is. |
|
(34) |
Criteria moeten worden vastgesteld om te waarborgen dat alle essentiële aspecten in acht worden genomen wanneer wordt bepaald welke overdraagbare dierziekten in de in deze verordening bedoelde lijst moeten worden opgenomen, en dat op samenhangende en consistente wijze wordt uitgemaakt of de regelgeving van de verordening inzake preventie en bestrijding van ziekten van toepassing is op de afzonderlijke in de lijst opgenomen ziekten. Teneinde te waarborgen dat rekening wordt gehouden met de vooruitgang van wetenschap en techniek en met de ontwikkeling van de relevante internationale normen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van eventuele wijzigingen van deze criteria. |
|
(35) |
De in deze verordening vervatte regelgeving inzake preventie en bestrijding van een specifieke overdraagbare dierziekte moet van toepassing zijn op de diersoorten die de betrokken ziekte kunnen overdragen, doordat zij ziektegevoelig of ziektedragend zijn. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, Daarom moet een geharmoniseerde lijst worden vastgesteld van de soorten waarvoor de maatregelen voor specifieke in de lijst opgenomen ziekten op het niveau van de Unie van toepassing moeten zijn („in de lijst opgenomen soorten”) bijgevolg moeten ") , die in een tabel in een bijlage bij deze verordening moet worden opgenomen. Aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden moet de bevoegdheid worden toegekend om een dergelijke lijst overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging of aanvulling van die lijst . [Am. 14] |
|
(36) |
Op basis van het belang en de omvang van de gevolgen van een in de lijst opgenomen ziekte, de verspreiding, prevalentie en incidentie van de ziekte in de Unie , het risico op verspreiding ervan en de beschikbaarheid van maatregelen ter preventie en bestrijding van die in de lijst opgenomen ziekte, moet voor elke in de lijst opgenomen ziekte een afzonderlijke reeks specifieke regels van deze verordening inzake preventie en bestrijding van ziekten op samenhangende en consistente wijze van toepassing zijn. [Am. 15] |
|
(37) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering Op het niveau van de Unie moet worden uitgemaakt of de regels van deze verordening met betrekking tot de maatregelen ter preventie en bestrijding toepassing zijn op van de in de lijst opgenomen ziekten, wat in een lijst dient te worden aangegeven. Een dergelijke lijst moet op het niveau van de Unie worden uitgemaakt of de regelgeving van in een bijlage bij deze verordening van toepassing is op de in de lijst worden opgenomen ziekten en worden bijgewerkt. Bijgevolg moeten Aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden moet de bevoegdheid worden toegekend overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen welke regelgeving van toepassing is op de in de tot wijziging of aanvulling van die lijst. opgenomen ziekten. [Am. 16] |
|
(38) |
De exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren die met dieren werken, zijn het best geplaatst om de gezondheid van de dieren en de onschadelijkheid van de producten waarvoor zij verantwoordelijk zijn, te observeren en te waarborgen. Daarom moet bij hen de primaire verantwoordelijkheid liggen om maatregelen te nemen ter preventie en bestrijding van de verspreiding van ziekten bij de dieren en producten waarvoor zij verantwoordelijk zijn en om individueel en collectief te werken aan de verbetering van de praktijken op het gebied van diergezondheid . [Am. 17] |
|
(39) |
Biobeveiliging is een van de belangrijkste preventie-instrumenten waarover de exploitanten en anderen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, beschikken om te vermijden dat overdraagbare dierziekten worden binnengebracht, zich ontwikkelen en zich verspreiden naar, in of uit een dierenpopulatie. De rol van biobeveiliging wordt ook erkend in de effectbeoordeling voor de vaststelling van de diergezondheidswetgeving van de EU en daarin wordt specifiek ingegaan op de mogelijke gevolgen. Teneinde te waarborgen dat de door de exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren uitgevoerde biobeveiligingsmaatregelen voldoende soepel zijn, dat zij zijn aangepast aan het soort productie en de soorten of categorieën betrokken dieren, en dat rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden en technische ontwikkelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van aanvullende en nadere voorschriften inzake biobeveiliging. |
|
(40) |
Biociden, zoals ontsmettingsmiddelen voor diergeneeskundige hygiënedoeleinden of voor plaatsen waar levensmiddelen en diervoeders worden bewaard, insecticiden, insectenwerende middelen of rattenverdelgingsmiddelen, spelen een belangrijke rol in strategieën voor de biobeveiliging, zowel op het niveau van de landbouwbedrijven als tijdens het vervoer van dieren. Daarom moeten zij als een component van biobeveiliging worden beschouwd. |
|
(41) |
Kennis inzake diergezondheid, onder meer over de symptomen en gevolgen van ziekten en mogelijke preventiemiddelen, met inbegrip van biobeveiliging, behandeling en bestrijding, is een essentiële voorwaarde voor een efficiënt beheer op het gebied van de diergezondheid en voor de vroegtijdige opsporing van dierziekten. Exploitanten en andere personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, moeten daarom deze kennis waar nodig verwerven. Zij kunnen deze kennis op verschillende wijzen verwerven, bijvoorbeeld door formeel onderwijs, maar ook door middel van het in de landbouwsector bestaande bedrijfsadviseringssysteem of door niet-formele opleidingen, waaraan nationale en Europese landbouwers- en andere organisaties een waardevolle bijdrage kunnen leveren. Die alternatieve mogelijkheden om deze kennis te verwerven moeten in deze verordening eveneens worden erkend. Dat kan, rekening houdend met de verschillende posities en niveaus van verantwoordelijkheid, ook worden gezegd van houders van gezelschapsdieren. [Am. 18] |
|
(42) |
Dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren spelen een belangrijke rol bij alle aspecten van het beheer op het gebied van de diergezondheid, en in deze verordening moet algemene regelgeving betreffende hun rol en verantwoordelijkheden worden vastgesteld. |
|
(43) |
Dierenartsen beschikken over de opleiding en beroepskwalificaties die waarborgen dat zij de nodige kennis, vaardigheden en competenties hebben om onder meer ziekten te diagnosticeren en dieren te behandelen. Bovendien bestaat in sommige lidstaten om historische redenen of als gevolg van een tekort aan dierenartsen die zich met ziekten bij waterdieren bezighouden, een gespecialiseerd beroep „gezondheidwerkers voor waterdieren”. Zij zijn gewoonlijk geen dierenarts, maar beoefenen wel de geneeskunde met betrekking tot waterdieren. Daarom moet deze verordening het besluit van de lidstaten die dat beroep erkennen, respecteren. In die gevallen moeten gezondheidswerkers voor waterdieren binnen hun specifiek werkgebied dezelfde verantwoordelijkheden en verplichtingen als dierenartsen hebben. Deze aanpak stemt overeen met de Gezondheidscode voor waterdieren van de OIE. |
|
(44) |
Teneinde te waarborgen dat de dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren die activiteiten verrichten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, over passende kwalificaties beschikken en de nodige opleiding krijgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van hun kwalificatie en opleiding. |
|
(45) |
De lidstaten en met name de bevoegde autoriteit daarvan die verantwoordelijk is voor de diergezondheid, behoren tot de belangrijkste actoren bij de preventie en bestrijding van overdraagbare dierziekten. De voor de diergezondheid bevoegde autoriteit speelt een belangrijke rol bij surveillance-, uitroeiings- en ziektebestrijdingsmaatregelen, rampenplannen, het verhogen van de waakzaamheid voor ziekten, het vergemakkelijken van de verplaatsingen van dieren en het internationale handelsverkeer, door de afgifte van diergezondheidscertificaten. Om hun taken overeenkomstig deze verordening te kunnen uitvoeren moeten de lidstaten over adequate financiële en personele middelen en adequate infrastructuur beschikken op hun hele grondgebied, met inbegrip van laboratoriumcapaciteit en wetenschappelijke en andere relevante knowhow. |
|
(46) |
Wegens de beperkte middelen kan de bevoegde autoriteit niet altijd alle voor de toepassing van deze verordening noodzakelijke activiteiten uitvoeren. Om die reden moet worden voorzien in een rechtsgrondslag voor de delegatie van de uitvoering van deze activiteiten aan dierenartsen en andere gekwalificeerde beroepsbeoefenaars . Om dezelfde reden is het van het grootste belang dat die dierenartsen en beroepsbeoefenaars niet in belangenconflicten verkeren. Teneinde te waarborgen dat de noodzakelijke voorwaarden voor de algemene toepassing van maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten in de hele Unie worden vastgesteld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de delegatie van de uitvoering van die activiteiten aan dierenartsen en ten aanzien van de door hen benodigde opleiding. [Am. 19] |
|
(47) |
Het beste beheer van de diergezondheid kan enkel tot stand worden gebracht in samenwerking met de houders van dieren, exploitanten, dierenartsen, beroepsbeoefenaars in de diergeneeskunde, andere belanghebbenden en handelspartners. Om hun steun te verkrijgen moeten de besluitvormingsprocedures en toepassing van de maatregelen van deze verordening helder en transparant verlopen. Daarom moet de bevoegde autoriteit het nodige doen om het publiek te informeren, in het bijzonder wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat dieren of producten een risico inhouden voor de diergezondheid, of de volksgezondheid , de voedselveiligheid of het milieu en wanneer het een zaak van openbaar belang betreft. [Am. 20] |
|
(48) |
Om te vermijden dat ziekteverwekkers vrijkomen uit laboratoria, instituten en andere voorzieningen die met ziekteverwekkers werken, is het van groot belang dat zij passende maatregelen nemen inzake biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking. Daarom moet deze verordening voorzien in veiligheidsmaatregelen die moeten worden nageleefd bij het werken met en het vervoeren van die ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten. Deze verplichting moet ook gelden voor elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die bij een dergelijke activiteit betrokken is. Teneinde te waarborgen dat bij het werken met uiterst besmettelijke biologische agentia, vaccins en andere biologische producten de veiligheidsnormen worden nageleefd, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de veiligheidsmaatregelen in die laboratoria, instituten en voorzieningen en voor de verplaatsingen van ziekteverwekkers. |
|
(49) |
Vroegtijdige opsporing en een duidelijke structuur bij de melding en rapportage van ziekten zijn voor een doeltreffende ziektebestrijding van cruciaal belang. Om efficiënt en snel te kunnen reageren, moet elk vermoeden of elke bevestiging van een uitbraak van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit worden gemeld aan een dierenarts of een beroepsbeoefenaar in de sector gezondheid van waterdieren . Tezelfdertijd moet worden gezorgd voor een professionele aanpak van de melding en de rapportage, teneinde onnodig gezondheidsalarm te voorkomen. Deze meldingsplicht moet derhalve gelden voor elke natuurlijke persoon en rechtspersoon, zodat geen uitbraken van ziekten onopgemerkt blijven alle exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, en houders van gezelschapsdieren . [Am. 21] |
|
(50) |
Dierenartsen zijn belangrijke actoren bij het onderzoek naar ziekten en een belangrijke schakel tussen de exploitanten en de bevoegde autoriteit. Daarom moeten zij door de exploitant op de hoogte worden gesteld van abnormale sterftegevallen, andere ernstige ziekteproblemen of een sterk verlaagde productie met onbekende oorzaak. |
|
(51) |
Teneinde de doeltreffende en efficiënte melding te waarborgen en teneinde uiteenlopende omstandigheden in verband met abnormale sterftegevallen en andere ernstige symptomen te verduidelijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de criteria om uit te maken in welke omstandigheden de melding noodzakelijk is, en in voorkomend geval ten aanzien van de regelgeving voor verder onderzoek. |
|
(52) |
Bij bepaalde in de lijst opgenomen ziekten is het van groot belang dat de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk van de ziekten op de hoogte worden gesteld. Deze melding op het niveau van de Unie zal aangrenzende of andere getroffen lidstaten in staat stellen om in voorkomend geval voorzorgsmaatregelen te nemen. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van die melding op het niveau van de Unie, worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden toegekend. |
|
(53) |
Anderzijds vereisen sommige ziekten geen onmiddellijke melding en maatregelen. In die gevallen is het van wezenlijk belang informatie met betrekking tot het vóórkomen van die ziekten te verzamelen en te rapporteren teneinde de ziektesituatie onder controle te krijgen en waar nodig maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekten te nemen. Deze rapportageverplichting kan eveneens van toepassing zijn op ziekten waarvoor een melding op het niveau van de Unie verplicht is, indien aanvullende informatie is vereist voor de uitvoering van doeltreffende maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekten. Teneinde te waarborgen dat de juiste informatie en gegevens die noodzakelijk zijn om de verspreiding van de betrokken ziekte te voorkomen of om haar te bestrijden, tijdig worden verzameld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van hetgeen moet worden gerapporteerd. |
|
(54) |
Een belangrijk doel van de melding en rapportage van ziekten is het verkrijgen van betrouwbare, transparante en toegankelijke epizoötiologische gegevens. Een geautomatiseerd informatiesysteem om surveillancegegevens doeltreffend te verzamelen en te beheren moet op het niveau van de Unie worden gecreëerd voor in de lijst opgenomen ziekten en, in voorkomend geval, voor nieuwe ziekten of antimicrobieel resistente ziekteverwekkers. Dat systeem moet bevorderen dat de beschikbaarheid van gegevens wordt geoptimaliseerd, dat de uitwisseling van gegevens eenvoudiger wordt en dat de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden beperkt door de melding en rapportage van ziekten binnen de Unie en op internationaal niveau samen te voegen tot een enkel proces (namelijk door middel van de WAHIS/WAHID-databank van de OIE). Eveneens moet de samenhang met de uitwisseling van informatie overeenkomstig Richtlijn 2003/99/EG worden gewaarborgd. |
|
(55) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de regelgeving inzake melding en rapportage van ziekten op het niveau van de Unie, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van een lijst van ziekten waarvoor de in deze verordening bedoelde regelgeving inzake melding en rapportage op het niveau van de Unie geldt, en tot vaststelling van de noodzakelijke procedures, formaten, gegevens en informatie-uitwisseling met betrekking tot de melding en rapportage van ziekten. |
|
(56) |
Surveillance is een belangrijke component van het ziektebestrijdingsbeleid. Surveillance moet zorgen voor de vroegtijdige opsporing en efficiënte melding van overdraagbare dierziekten, zodat de sector en de bevoegde autoriteit, waar mogelijk, tijdig maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten kunnen nemen en haar kunnen uitroeien. Bovendien moet surveillance inhouden dat informatie wordt verstrekt over de diergezondheidsstatus van elke lidstaat en van de Unie, en dat daarbij de ziektevrije status wordt bevestigd en het handelsverkeer met derde landen wordt vergemakkelijkt. |
|
(57) |
De exploitanten observeren hun dieren regelmatig en zijn het best geplaatst om abnormale sterftegevallen of andere ernstige symptomen op te sporen. De exploitanten vormen dan ook de hoeksteen van elke surveillance en zijn van wezenlijk belang voor de surveillance door de bevoegde autoriteit. In de context van deze verordening moet ook worden erkend dat jagers dankzij hun ervaring met en kennis van ziekten onder wilde dieren een rol kunnen spelen bij de monitoring daarvan. Tevens zouden jachtverenigingen en houders van jachtrechten het werk van exploitanten bij het monitoren van wilde dieren kunnen aanvullen. [Am. 22] |
|
(58) |
Om nauwe samenwerking en uitwisseling van informatie tussen exploitanten en dierenartsen of gezondheidswerkers voor waterdieren te waarborgen en om de surveillance door de exploitanten aan te vullen, moeten, al naar gelang van het soort productie en andere relevante factoren, in de inrichtingen diergezondheidsinspecties worden uitgevoerd. Teneinde een niveau van surveillance te waarborgen dat evenredig is met de betrokken risico's in de verschillende soorten inrichtingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de criteria en de inhoud van die diergezondheidsinspecties in de verschillende soorten inrichtingen. |
|
(59) |
Het is van wezenlijk belang dat de bevoegde autoriteit beschikt over een systeem voor surveillance van de in de lijst opgenomen ziekten die aan surveillance zijn onderworpen. Dit moet ook gelden voor nieuwe ziekten, waarbij de mogelijke gezondheidsrisico's van die ziekte moeten worden beoordeeld en epizoötiologische gegevens voor die beoordeling moeten worden verzameld. Om optimaal gebruik van de middelen te waarborgen moet de informatie zo doeltreffend en efficiënt mogelijk worden verzameld, uitgewisseld en gebruikt. |
|
(60) |
De surveillancemethoden, -frequentie en -intensiteit moeten worden afgestemd op elke specifieke ziekte, rekening houdend met het specifieke doel van de surveillance, de diergezondheidsstatus in de betrokken regio en eventuele aanvullende surveillance door de exploitanten. |
|
(61) |
In sommige gevallen kan het, afhankelijk van het epizoötiologische profiel van een ziekte en de relevante risicofactoren, nodig zijn een gestructureerd surveillanceprogramma op te zetten. In dat geval moeten de lidstaten op epizoötiologie gebaseerde surveillanceprogramma's ontwikkelen. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de opzet van de surveillance, de criteria voor officiële bevestiging van uitbraken van en de gevalsdefinities van die ziekten en de voorschriften met betrekking tot de inhoud en de duur van surveillanceprogramma’s en de informatie die moet worden verstrekt. |
|
(62) |
Om de coördinatie tussen de lidstaten te bevorderen en om de samenhang van deze surveillanceprogramma's met de doelstellingen van de Unie te waarborgen, moeten zij ter informatie bij de Commissie en de andere lidstaten worden ingediend. Verder moet de lidstaat die het surveillanceprogramma uitvoert, ook regelmatig aan de Commissie verslag uitbrengen over de resultaten van dat surveillanceprogramma. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de surveillanceprogramma's, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van een lijst van aan surveillanceprogramma's onderworpen ziekten en tot vaststelling van geharmoniseerde procedures, formaten en uitwisseling van gegevens en informatie. |
|
(63) |
Lidstaten die niet vrij zijn van in de lijst opgenomen ziekten waarvoor de in deze verordening bedoelde uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen, of lidstaten waarvan niet bekend is dat zij vrij zijn van die ziekten, moeten verplichte uitroeiingsprogramma's vaststellen om die ziekten uit te roeien waarvan de uitroeiing in de Unie verplicht is. zij moeten vrijwillige uitroeiingsprogramma's kunnen vaststellen om die ziekten uit te roeien waarvan de uitroeiing in de Unie wordt beoogd, maar niet verplicht is. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de algemene toepassing in de hele Unie, moeten geharmoniseerde voorschriften voor die verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's worden vastgesteld. Teneinde een doeltreffende uitroeiing van ziekten te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de doelstellingen van de strategieën voor ziektebestrijding, de ziektebestrijdingsmaatregelen op grond van de verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma’s en de voorschriften voor die programma’s. [Am. 23] |
|
(63 bis) |
Anderzijds zijn er ook ziekten die voor de Unie zorgwekkend zijn maar waarvoor niet van de lidstaten hoeft te worden geëist dat zij die uitroeien. De lidstaten hebben de mogelijkheid vrijwillige uitroeiingsprogramma's voor dergelijke ziekten op te zetten, indien zij beslissen dat uitroeiing voor hen van belang is. Die vrijwillige uitroeiingsprogramma's zouden dan op Unieniveau moeten worden erkend. Een dergelijk programma moet bepaalde relevante ziektebestrijdingsmaatregelen omvatten. Indien de Commissie daarmee instemt, kan het de lidstaten de mogelijkheid bieden om, wanneer zij dieren uit andere lidstaten of uit derde landen ontvangen, bepaalde waarborgen te vereisen, zoals een aanvullende ziektetest en garanties over de testresultaten in een verplaatsingscertificaat. Hun programma kan ook in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie, indien de ziekte is opgenomen in de lijst van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (12) en zij een subsidieaanvraag indienen. [Am. 24] |
|
(63 ter) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de algemene toepassing in de hele Unie, moeten geharmoniseerde voorschriften voor die verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's worden vastgesteld. Teneinde een doeltreffende uitroeiing van ziekten te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de doelstellingen van de strategieën voor ziektebestrijding, de ziektebestrijdingsmaatregelen op grond van de verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's en de voorschriften voor die programma's. [Am. 25] |
|
(64) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de uitroeiingsprogramma's voor ziekten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van procedures voor de indiening van die programma's, prestatie-indicatoren en rapportage. |
|
(65) |
Verder moeten de lidstaten hun hele grondgebied, zones of compartimenten daarvan vrij kunnen verklaren van een of meer in de lijst opgenomen ziekten die onder de regelgeving inzake verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's vallen, om tegen de insleep van deze in de lijst opgenomen ziekten uit andere delen van de Unie of uit derde landen of grondgebieden te worden beschermd. Hiertoe moet een duidelijke geharmoniseerde procedure worden vastgesteld, met inbegrip van de criteria die nodig zijn om de ziektevrije status te verkrijgen. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de erkenning van de ziektevrije status in de Unie, is het noodzakelijk dat de ziektevrije status officieel wordt erkend en bijgevolg moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden voor de erkenning van deze status worden toegekend. |
|
(66) |
De OIE heeft in het kader van de Terrestrial Animal Health Code (gezondheidscode voor landdieren) en de Aquatic Animal Health Code (gezondheidscode voor waterdieren) het begrip compartimentering ingevoerd. In vóór deze verordening vastgestelde wetgeving van de Unie wordt dat begrip enkel erkend voor bepaalde, in specifieke wetgeving van de Unie bedoelde diersoorten en -ziekten, namelijk aviaire influenza en ziekten bij waterdieren. Deze verordening moet de mogelijkheid scheppen het systeem van compartimenten te gebruiken voor andere diersoorten en -ziekten. Teneinde de nadere voorwaarden en regelgeving voor de erkenning en de voorschriften voor compartimenten vast te stellen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen. |
|
(67) |
Teneinde hun handelspartners te informeren en het handelsverkeer te stimuleren, moeten de lidstaten bekendmaken of hun grondgebied of zones en compartimenten daarvan ziektevrij zijn. |
|
(68) |
Teneinde de nadere voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status vast te stellen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de criteria om die status te verkrijgen, het bewijsmateriaal ter staving van het ziektevrij zijn, bijzondere maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten, beperkende maatregelen, de informatie die moet worden verstrekt, afwijkingen, en voorwaarden voor de handhaving, schorsing, intrekking of herinvoering van de ziektevrije status. |
|
(69) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de procedures voor het verkrijgen van de ziektevrije status, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te bepalen welke in de lijst opgenomen ziekten het voorwerp van compartimentering kunnen zijn, en om nadere regelgeving vast te stellen met betrekking tot het formaat voor de indiening van aanvragen en de uitwisseling van informatie. |
|
(70) |
De aanwezigheid van een geheel niet-immune populatie van dieren die voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten gevoelig zijn, vereist constante waakzaamheid en paraatheid voor ziekten. In het verleden is gebleken dat rampenplannen een cruciaal instrument zijn om ziektenoodsituaties met succes het hoofd te bieden. Teneinde dit instrument, dat doeltreffend en efficiënt is om ziektenoodsituaties te bestrijden en dat soepel aan die noodsituaties kan worden aangepast, te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de nadere voorschriften en voorwaarden voor de rampenplannen. |
|
(71) |
Uit eerdere diergezondheidscrises zijn de voordelen van specifieke, gedetailleerde en snelle beheersprocedures voor ziektenoodsituaties gebleken. Deze organisatorische procedures moeten een snelle en doeltreffende reactie waarborgen en de coördinatie van de inspanningen van alle betrokken partijen verbeteren, met name van de bevoegde autoriteiten en de belanghebbenden. |
|
(72) |
Om te waarborgen dat rampenplannen toepasbaar zijn in echte noodsituaties is het van wezenlijk belang om te oefenen en om te testen of de systemen functioneren. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten simulatie-oefeningen uitvoeren, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende lidstaten en, indien dat relevant en haalbaar is, van derde landen en grondgebieden. |
|
(73) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van rampenplannen en simulatie-oefeningen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving voor de praktische uitvoering van die plannen en oefeningen. |
|
(74) |
Diergeneesmiddelen zoals vaccins, hyperimmuunsera en antimicrobiële stoffen spelen een belangrijke rol bij de preventie en bestrijding van overdraagbare dierziekten. In de effectbeoordeling voor de vaststelling van de diergezondheidswetgeving van de EU wordt met name het belang van vaccins als instrument bij de preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten beklemtoond. |
|
(75) |
De bestrijdingsstrategieën voor sommige overdraagbare dierziekten vereisen echter dat het gebruik van bepaalde diergeneesmiddelen wordt verboden of beperkt, aangezien het gebruik ervan de doeltreffendheid van die strategieën zou belemmeren. Hyperimmuunsera of antimicrobiële stoffen bijvoorbeeld kunnen de klinische verschijnselen van ziekten onderdrukken, de opsporing van een ziekteverwekker onmogelijk maken of een snelle en differentiële diagnose bemoeilijken en zo de correcte opsporing van ziekten in gevaar brengen , wat grote risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid kan inhouden . [Am. 26] |
|
(76) |
Deze bestrijdingsstrategieën kunnen echter aanzienlijk variëren naargelang de in de lijst opgenomen ziekten. Deze verordening moet daarom voorzien in regelgeving voor het gebruik van diergeneesmiddelen ter preventie en bestrijding van de in de lijst opgenomen bepaalde ziekten en in geharmoniseerde criteria om te bepalen of vaccins, hyperimmuunsera en antimicrobiële stoffen al dan niet mogen worden gebruikt, en hoe zij worden gebruikt. Teneinde een flexibele aanpak te waarborgen en rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende in de lijst opgenomen ziekten en met de beschikbaarheid van de doeltreffende behandelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de beperkingen, verboden of verplichtingen betreffende het gebruik van bepaalde diergeneesmiddelen in het kader van de bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten. In dringende gevallen en om nieuwe risico's met mogelijk verwoestende gevolgen voor de diergezondheid of de volksgezondheid, de economie, de maatschappij of het milieu te ondervangen, moet het mogelijk zijn om die maatregelen overeenkomstig de spoedprocedure vast te stellen. [Am. 27] |
|
(77) |
Voorts moeten de Unie en de lidstaten op grond van de conclusies van het deskundigenadvies over vaccin- en diagnosereagensbanken voor belangrijke dierziekten (13) de mogelijkheid hebben om voorraden van antigenen, vaccins en diagnosereagentia aan te leggen voor in de lijst opgenomen ziekten die een ernstige bedreiging vormen voor de diergezondheid of de volksgezondheid. De oprichting van een antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank van de Unie zou de doelstellingen van de Unie inzake diergezondheid bevorderen door een snelle en doeltreffende reactie mogelijk te maken wanneer de genoemde middelen nodig zijn, en zorgt voor een efficiënt gebruik van de beperkte middelen. |
|
(78) |
Teneinde een snelle en doeltreffende reactie te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de oprichting en het beheer van dergelijke banken, en de veiligheidsnormen en de voorschriften voor de werking daarvan. Deze verordening moet echter niet voorzien in regelgeving inzake de financiering van de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten, waaronder vaccinaties. |
|
(79) |
Er moeten criteria voor prioritaire toegang tot de middelen van de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie worden vastgesteld om in noodgevallen de doeltreffende verdeling ervan te waarborgen. Evenzo is het passend om voor de lidstaten die geen nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken hebben opgericht of die beschikken over beperkte voorraden bij de banken van de Unie, criteria vast te stellen voor de toegang tot de voorraden van de andere lidstaten. [Am. 28] |
|
(80) |
Om veiligheidsredenen in verband met bioterrorisme en agroterrorisme moet bepaalde gedetailleerde informatie over de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie vertrouwelijk worden behandeld en mag deze niet worden bekendgemaakt. |
|
(81) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor het beheer van de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van nadere regelgeving met betrekking tot welke biologische producten in die banken moeten worden opgenomen en voor welke ziekten, en nadere regelgeving betreffende de bevoorrading, hoeveelheden, opslag, levering, procedurele en technische voorschriften voor vaccins, antigenen en diagnosereagentia en de frequentie en inhoud van de informatieverstrekking aan de Commissie. |
|
(82) |
Bij het uitbreken van een in de lijst opgenomen ziekte die wordt geacht een hoog risico voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie te vormen, moeten onmiddellijk ziektebestrijdingsmaatregelen worden genomen om die in de lijst opgenomen ziekte uit te roeien teneinde de diergezondheid en de volksgezondheid en de betrokken sectoren te beschermen. |
|
(83) |
De primaire verantwoordelijkheid voor de preventie en bestrijding van de verspreiding van overdraagbare dierziekten moet bij de exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren liggen. Zij moeten onmiddellijk maatregelen nemen in geval van verdenking of bevestiging van uiterst besmettelijke ziekten. |
|
(84) |
De bevoegde autoriteit moet verantwoordelijk zijn om de eerste onderzoeken in te stellen teneinde de aanwezigheid van een uiterst besmettelijke en in de lijst opgenomen ziekte die wordt geacht een hoog risico voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie te vormen, al dan niet te bevestigen. |
|
(85) |
De bevoegde autoriteit moet voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen treffen om te voorkomen dat de in de lijst opgenomen ziekte zich kan verspreiden en moet een epizoötiologisch onderzoek uitvoeren. |
|
(85 bis) |
Overeenkomstig Richtlijn 2003/99/EG moeten de lidstaten elk jaar bij de Commissie een verslag indienen over de tendensen en bronnen van zoönoses, zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie. Evenzo moeten de lidstaten in het kader van de controleplannen en bestrijdingsprogramma's zoals bedoeld in Verordening (EG) xxxx /xxxx (Verordening inzake officiële controles) (14) (*1) en Verordening (EG) nr. 2160/2003 strategische maatregelen nemen voor de controle op en de preventie en bestrijding van andere besmettelijke dierziekten, ook als ze niet in de bijlage bij deze verordening vermeld staan. Die maatregelen moeten een strategie voor behoorlijke dierhouderij en een verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen omvatten. [Am. 29] |
|
(86) |
Zodra de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen ziekte is bevestigd, moet de bevoegde autoriteit onmiddellijk de nodige ziektebestrijdingsmaatregelen nemen, waaronder indien nodig de instelling van beperkingszones, om de ziekte uit te roeien en de verdere verspreiding ervan te voorkomen. |
|
(86 bis) |
Ziektebestrijdingsmaatregelen die wegens de uitbraak van een ziekte moeten worden genomen, kunnen een nadelige invloed hebben op de biodiversiteit en de instandhouding van genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren. Overeenkomstig het Verdrag inzake biodiversiteit en de EU-biodiversiteitsstrategie moet de bevoegde autoriteit bij haar besluit over de toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen rekening houden met de gevolgen voor de biodiversiteit en de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren. [Am. 30] |
|
(87) |
Indien een in de lijst opgenomen ziekte bij wilde dieren voorkomt, kan dit een risico vormen voor de volksgezondheid of de gezondheid van gehouden dieren , of omgekeerd . Daarom moet moeten bijzondere regelgeving regels worden vastgesteld om in voorkomend geval ziekten bij wilde dieren of, indien nodig, bij gehouden dieren te bestrijden en uit te roeien. [Am. 31] |
|
(88) |
Voor in de lijst opgenomen ziekten die niet uiterst besmettelijk zijn en waarvoor een verplichting tot uitroeiing geldt, moeten ziektebestrijdingsmaatregelen worden uitgevoerd om de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekten, met name naar niet-besmette gebieden, te voorkomen. Deze maatregelen kunnen echter beperkter zijn dan of verschillend van die welke van toepassing zijn op de gevaarlijkste in de lijst opgenomen ziekten. Daarom moet deze verordening voor die ziekten voorzien in bijzondere regelgeving. Ook de lidstaten die een vrijwillig uitroeiingsprogramma hebben vastgesteld, moeten dergelijke ziektebestrijdingsmaatregelen uitvoeren. Het niveau en de intensiteit van de ziektebestrijdingsmaatregelen moeten echter evenredig zijn en in overeenstemming met de kenmerken van de in de lijst opgenomen ziekte in kwestie, de verspreiding en het belang ervan voor de betrokken lidstaat of regio en voor de Unie als geheel. [Am. 32] |
|
(89) |
Teneinde de doeltreffende toepassing van de ziektebestrijdingsmaatregelen van deze verordening door de exploitanten, houders van gezelschapsdieren en bevoegde autoriteiten te waarborgen, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de ziektebestrijdingsmaatregelen voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en de risicofactoren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van nadere ziektebestrijdingsmaatregelen bij verdenking of bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte in inrichtingen, andere locaties en beperkingszones. |
|
(90) |
Teneinde de Commissie de mogelijkheid te bieden om tijdelijk bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen vast te stellen ingeval de ziektebestrijdingsmaatregelen van deze verordening ontoereikend of niet geschikt zijn om dat risico aan te pakken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om voor een beperkte periode bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen vast te stellen. |
|
(91) |
De registratie van bepaalde inrichtingen waar landdieren worden gehouden of waar met levende producten wordt gewerkt, en van bepaalde vervoerders die deze dieren of producten vervoeren, is noodzakelijk om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de surveillance adequaat uit te voeren en overdraagbare dierziekten te voorkomen, te bestrijden en uit te roeien. |
|
(92) |
Wanneer bepaalde soorten inrichtingen waar landdieren worden gehouden, waar met levende producten wordt gewerkt of waar levende producten worden opgeslagen, een bijzonder risico voor de diergezondheid inhouden, moeten die in het bezit zijn van een erkenning door de bevoegde autoriteit. |
|
(93) |
Om ongerechtvaardigde administratieve lasten en kosten te vermijden, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen, moet aan de lidstaten soepelheid worden geboden om het systeem voor registratie en erkenning aan de lokale en regionale omstandigheden en productiepatronen aan te passen. |
|
(94) |
Ter wille van de beperking van de administratieve lasten moeten de registratie en erkenningen waar mogelijk worden geïntegreerd in een systeem voor registratie of erkenning dat de lidstaat reeds voor andere doeleinden heeft ingesteld. |
|
(95) |
De exploitanten beschikken over kennis uit de eerste hand van hun dieren. Daarom moeten zij zorgen voor bijgewerkte documentatie die relevant is voor de beoordeling van de diergezondheidsstatus, voor de traceerbaarheid en voor een epizoötiologisch onderzoek wanneer een in de lijst opgenomen ziekte voorkomt. Deze documentatie moet voor de bevoegde autoriteit gemakkelijk toegankelijk zijn. |
|
(96) |
Teneinde de publieke toegankelijkheid van actuele informatie over de geregistreerde inrichtingen en vervoerders en erkende inrichtingen te waarborgen, moet de bevoegde autoriteit een register van dergelijke inrichtingen en vervoerders aanleggen en bewaren. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de in het register van inrichtingen en vervoerders op te nemen informatie en de voorschriften inzake documentatie, wat betreft de informatie die moet worden opgenomen, de afwijkingen van de voorschriften inzake documentatie en de specifieke aanvullende voorschriften voor levende producten. |
|
(97) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de voorschriften van deze verordening met betrekking tot de registratie en erkenning van inrichtingen en met betrekking tot de documentatie en de registers, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot de informatieverplichtingen, vrijstellingen en andere regelgeving, en het formaat en de operationele specificaties van de registers en de documentatie. |
|
(98) |
Efficiënte traceerbaarheid is een belangrijke component van het ziektebestrijdingsbeleid. Er moet worden voorzien in identificatie- en registratievoorschriften die specifiek zijn voor de verschillende soorten gehouden landdieren en levende producten, om de doeltreffende toepassing van de in deze verordening bedoelde regelgeving inzake preventie en bestrijding van ziekten te vergemakkelijken. Bovendien is het belangrijk om te voorzien in de mogelijkheid om een identificatie- en registratiesysteem in te stellen voor soorten waarvoor dergelijke regelingen momenteel niet bestaan, of wanneer gewijzigde omstandigheden en het risico dit vereisen. |
|
(99) |
Teneinde de goede werking van het identificatie- en registratiesysteem en de traceerbaarheid te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de verplichtingen inzake databanken, de aanwijzing van de bevoegde autoriteit, en nadere identificatie- en registratievoorschriften voor verschillende diersoorten en inzake documenten. |
|
(100) |
Het is aangewezen de administratieve lasten en kosten te beperken en het systeem voldoende soepel toe te passen wanneer aan de traceerbaarheidsvoorschriften kan worden voldaan op een andere wijze dan die welke in deze verordening wordt aangegeven. Daarom moet de Commissie bevoegd zijn overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de identificatie- en registratievoorschriften. |
|
(101) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van het identificatie- en registratiesysteem en de traceerbaarheid, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot de technische specificaties voor databanken, identificatiemiddelen, documenten en formaten, de termijnen, en criteria voor afwijkingen van dergelijke systemen. |
|
(102) |
Een belangrijk instrument om de insleep en verspreiding van een overdraagbare dierziekte te voorkomen is het instellen van beperkingen op verplaatsingen van dieren en producten die die ziekte kunnen overdragen. Verplaatsingen van dieren en producten beperken kan echter ernstige economische gevolgen hebben en de werking van de interne markt verstoren. Dergelijke beperkingen mogen derhalve alleen worden toegepast indien zij noodzakelijk zijn en evenredig met de betrokken risico's. Deze aanpak is in overeenstemming met de beginselen van de SPS-Overeenkomst en met de internationale OIE-normen. |
|
(103) |
Voor alle verplaatsingen van dieren moeten de algemene voorschriften van deze verordening gelden, zoals het verbod op verplaatsingen van dieren uit een inrichting waar abnormale sterftegevallen of andere symptomen met onbekende oorzaak voorkomen, of de voorschriften inzake ziektepreventie tijdens het vervoer. |
|
(104) |
Het huidige rechtskader van de Unie met betrekking tot de verplaatsingen van landdieren voorziet in de eerste plaats in geharmoniseerde regelgeving inzake verplaatsingen van landdieren en producten tussen de lidstaten, terwijl de lidstaten vrij zijn de noodzakelijke voorschriften voor verplaatsingen binnen hun grondgebied vast te stellen. In de effectbeoordeling voor de diergezondheidswetgeving van de EU werd een uitvoerige vergelijking gemaakt van de huidige situatie met een alternatief waarin ook de regelgeving inzake verplaatsingen binnen de lidstaten op het niveau van de Unie zou worden geharmoniseerd. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de huidige aanpak gehandhaafd moet blijven, aangezien een volledige harmonisatie van alle verplaatsingen heel complex zou zijn en de voordelen als gevolg van gemakkelijkere verplaatsingen tussen de lidstaten niet opwegen tegen de mogelijke negatieve gevolgen hiervan voor het vermogen om ziekten te bestrijden. |
|
(105) |
Op de verplaatsingen van dieren tussen de lidstaten is een reeks basisvoorschriften inzake diergezondheid van toepassing. Met name mogen dieren niet worden verplaatst uit inrichtingen met abnormale sterftegevallen of symptomen met onbekende oorzaak. Zelfs abnormale sterftegevallen mogen echter, indien zij verband houden met krachtens Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad (15) erkende wetenschappelijke procedures en indien zij niet het gevolg zijn van in de lijst opgenomen infectieziekten, geen reden zijn om de verplaatsingen van voor wetenschappelijke doeleinden bestemde dieren te verhinderen. Wel moeten deze sterftegevallen door de bevoegde autoriteit worden geregistreerd. [Am. 33] |
|
(106) |
Deze verordening moet echter voorzien in flexibiliteit om de verplaatsingen van soorten en categorieën landdieren die een laag risico voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten tussen de lidstaten opleveren, te vergemakkelijken. Bovendien moet worden voorzien in verdere mogelijkheden tot afwijking ingeval de lidstaten of exploitanten met succes alternatieve risicobeperkingsmaatregelen instellen, zoals een hoog niveau van biobeveiliging en doeltreffende systemen voor surveillance. |
|
(107) |
Hoefdieren en pluimvee zijn groepen diersoorten met een groot economisch belang, waarop bijzondere voorschriften voor verplaatsingen van toepassing zijn, die voortvloeien uit vóór deze verordening vastgestelde wetgeving van de Unie, namelijk Richtlijn 64/432/EEG van de Raad (16), Richtlijn 91/68/EEG van de Raad (17), Richtlijn 2009/156/EG van de Raad (18), Richtlijn 2009/158/EG van de Raad (19) en gedeeltelijk Richtlijn 92/65/EEG. De belangrijkste regelgeving inzake verplaatsingen van die soorten moet in deze verordening worden vastgesteld. De nadere voorschriften die grotendeels afhankelijk zijn van de ziekten die door de verschillende soorten of categorieën dieren kunnen worden overgedragen, moeten in latere handelingen van de Commissie worden geregeld, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken ziekten, soorten en categorieën dieren. |
|
(108) |
Aangezien het verplaatsen en verzamelen van hoefdieren en pluimvee een bijzonder hoog ziekterisico oplevert, is het aangewezen in deze verordening specifieke regelgeving vast te stellen om de gezondheid van de betrokken dieren te beschermen en de verspreiding van overdraagbare dierziekten te voorkomen. [Am. 34] |
|
(109) |
Afhankelijk van de in de lijst opgenomen ziekten en in de lijst opgenomen soorten is het noodzakelijk te voorzien in specifieke diergezondheidsvoorschriften voor bepaalde andere diersoorten dan gehouden hoefdieren en pluimvee. Ook voor deze soorten bestond reeds voor deze verordening regelgeving, met name in Richtlijn 92/65/EEG. Die richtlijn voorziet in specifieke regelgeving inzake verplaatsingen van diersoorten zoals bijen, hommels, apen, honden en katten enz. en deze verordening moet derhalve voorzien in een rechtsgrondslag voor de vaststelling van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen tot vaststelling van specifieke regelgeving inzake verplaatsingen van die diersoorten. |
|
(110) |
Geconsigneerde inrichtingen die doorgaans worden gebruikt voor het houden van proefdieren of dieren in een dierentuin, brengen gewoonlijk een hoog niveau van biobeveiliging, een gunstige en goed gecontroleerde gezondheidsstatus en minder verplaatsingen met zich mee, of enkel verplaatsingen binnen de gesloten keten van die inrichtingen. De status van de geconsigneerde inrichtingen, waarvan de exploitanten op vrijwillige basis de erkenning kunnen aanvragen, werd ingevoerd bij Richtlijn 92/65/EEG, waarin regelgeving en voorschriften inzake erkenning en verplaatsingsvoorschriften voor erkende instellingen, instituten en centra zijn vastgesteld. Dat systeem maakt het voor die inrichtingen mogelijk met minder verplaatsingsvoorschriften onderling dieren uit te wisselen en terzelfder tijd gezondheidsgaranties te bieden binnen de keten van geconsigneerde inrichtingen. Daarom hebben de exploitanten het in brede kring aanvaard en er op vrijwillige basis gebruik van gemaakt. Het is dan ook aangewezen het concept van geconsigneerde inrichtingen te behouden en in deze verordening eveneens regelgeving inzake verplaatsingen tussen die inrichtingen vast te stellen. |
|
(111) |
Voor wetenschappelijke doeleinden, zoals onderzoeks- of diagnosedoeleinden, en met name voor de doeleinden die zijn erkend overeenkomstig Richtlijn 2010/63/EU, kunnen verplaatsingen van dieren noodzakelijk zijn die niet voldoen aan de algemene diergezondheidsvoorschriften van deze verordening en die een groter risico voor de diergezondheid opleveren. Die soorten verplaatsingen mogen door de bepalingen van deze verordening niet worden verboden of onnodig beperkt, aangezien dit anders erkende onderzoeksactiviteiten kan verhinderen en de wetenschappelijke vooruitgang kan vertragen. Niettemin is het van wezenlijk belang dat in deze verordening regelgeving wordt vastgesteld om te waarborgen dat de verplaatsingen van die dieren op veilige wijze plaatsvinden en door de bevoegde autoriteit worden geregistreerd . [Am. 35] |
|
(112) |
Het patroon van de verplaatsingen van circusdieren, dieren die in dierentuinen worden gehouden, dieren die bestemd zijn voor tentoonstellingen en bepaalde andere dieren wijkt vaak af van het patroon van de verplaatsingen van andere gehouden diersoorten. Bij het aanpassen van regelgeving van de Unie inzake verplaatsingen van die dieren moet rekening worden gehouden met specifieke risico's en alternatieve risicobeperkingsmaatregelen. |
|
(113) |
Teneinde te waarborgen dat de doelstellingen van de overwegingen 102 tot en met 112 van deze verordening worden verwezenlijkt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van preventieve maatregelen tegen ziekten bij het vervoer, specifieke regelgeving inzake verplaatsingen van bepaalde diersoorten en inzake bijzondere omstandigheden, zoals het verzamelen of geweigerde zendingen, en bijzondere voorschriften of afwijkingen voor andere soorten verplaatsingen, zoals verplaatsingen voor wetenschappelijke doeleinden. |
|
(114) |
Om te waarborgen dat bijzondere regelgeving inzake verplaatsingen kan worden vastgesteld indien de regelgeving inzake verplaatsingen ontoereikend of niet geschikt is om de verspreiding van een bepaalde ziekte tegen te gaan, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend teneinde voor een beperkte periode bijzondere regelgeving inzake verplaatsingen vast te stellen. |
|
(115) |
Wanneer gehouden landdieren tussen de lidstaten worden verplaatst, moet aan de voorschriften voor dergelijke verplaatsingen worden voldaan. In het geval van diersoorten die een risico voor de gezondheid opleveren of die van groter economisch belang zijn, moeten de dieren vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteit uitgereikt diergezondheidscertificaat. |
|
(116) |
Voor zover dat technisch, praktisch en financieel haalbaar is, moeten technologische ontwikkelingen worden benut om voor de exploitanten en de bevoegde autoriteit de administratieve lasten met betrekking tot certificering en kennisgeving te beperken, door informatietechnologie te gebruiken om papieren dossiers te vervangen en om de kennisgevingsprocedures te vereenvoudigen, en door certificaten zo veel mogelijk voor verschillende doeleinden te gebruiken. |
|
(117) |
Ingeval een door de bevoegde autoriteit uitgereikt diergezondheidscertificaat niet is vereist, moet een exploitant die dieren naar een andere lidstaat verplaatst, een document met eigen verklaring opstellen waarin wordt bevestigd dat de dieren voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften van deze verordening. |
|
(118) |
Teneinde te waarborgen dat de doelstellingen van de overwegingen 115, 116 en 117 van deze verordening worden verwezenlijkt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van regelgeving inzake inhoud, informatieverplichtingen, en afwijkingen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering, specifieke regelgeving inzake certificering en de verplichting van officiële dierenartsen om vóór ondertekening van het diergezondheidscertificaat passende controles uit te voeren. |
|
(119) |
Kennisgeving van verplaatsingen van dieren en levende producten tussen de lidstaten en in sommige gevallen binnen het nationaal grondgebied van de lidstaten is van wezenlijk belang om de traceerbaarheid van dieren en van die levende producten te waarborgen, wanneer met deze verplaatsingen een risico voor de verspreiding van overdraagbare dierziekten is verbonden. Daarom is kennisgeving en registratie van die verplaatsingen noodzakelijk. Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van het Imsoc-systeem, zoals bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU) nr. xxxx/xxxx (*2) (verordening officiële controles). |
|
(120) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de regelgeving van deze verordening inzake diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot de modellen van de diergezondheidscertificaten, de documenten met eigen verklaring, het formaat en de termijnen voor de kennisgeving van verplaatsingen van land- en waterdieren, levende producten en, in voorkomend geval, ook producten van dierlijke oorsprong. |
|
(121) |
De specifieke aard van de verplaatsingen van gezelschapsdieren levert een risico voor de diergezondheid op dat significant afwijkt van dat van andere gehouden dieren. Daarom moet in deze verordening specifieke regelgeving moeten voor die verplaatsingen worden vastgesteld. Teneinde te waarborgen de reeds vastgestelde bepalingen van toepassing blijven. Zodoende wordt gewaarborgd dat gezelschapsdieren geen significant risico voor de verspreiding van overdraagbare dierziekten vormen. moet Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van nadere regelgeving inzake verplaatsingen van gezelschapsdieren, Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de diergezondheidsvoorschriften van deze verordening inzake verplaatsingen van gezelschapsdieren, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten die bij die verplaatsingen moeten worden genomen , onverminderd het bepaalde in Verordening (EU) nr . 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (20). [Am. 36] |
|
(122) |
Om diverse redenen kunnen wilde dieren een risico voor de diergezondheid of de volksgezondheid opleveren, bijvoorbeeld indien zij worden verplaatst naar een inrichting of een ander milieu. Eventueel moeten passende preventieve maatregelen voor de verplaatsingen van die dieren worden genomen om de verspreiding van overdraagbare dierziekten te voorkomen. Teneinde te waarborgen dat wilde dieren geen significant risico voor de verspreiding van overdraagbare dierziekten vormen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvullende voorschriften inzake verplaatsingen van wilde landdieren. |
|
(123) |
Levende producten kunnen een vergelijkbaar risico voor de verspreiding van overdraagbare dierziekten naar levende dieren opleveren. Daarnaast kent hun productie specifieke kenmerken, die verband houden met hoge gezondheidseisen voor het fokken van dieren en die strengere of bijzondere diergezondheidsvoorschriften met betrekking tot de donordieren vereisen. Teneinde veilige verplaatsingen van levende producten en de daarvoor verwachte strenge gezondheidsnormen te waarborgen en teneinde rekening te houden met enkele specifieke vormen van gebruik, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de nadere voorschriften voor het verplaatsen van levende producten van bepaalde diersoorten, ten aanzien van bijzondere voorschriften, zoals bijvoorbeeld het verplaatsen ervan voor wetenschappelijke doeleinden, en ten aanzien van afwijkingen van de verplichting tot diergezondheidscertificering. |
|
(124) |
Producten van dierlijke oorsprong kunnen een risico voor de verspreiding van overdraagbare dierziekten opleveren. De voedselveiligheidsvoorschriften met betrekking tot producten van dierlijke oorsprong in de wetgeving van de Unie waarborgen goede hygiënepraktijken en beperken de risico’s van die producten voor de diergezondheid. Voor bepaalde gevallen moeten echter specifieke maatregelen inzake diergezondheid, zoals ziektebestrijdings- en noodmaatregelen, in deze verordening worden vastgesteld om te waarborgen dat producten van dierlijke oorsprong geen dierziekten verspreiden. Teneinde in dergelijke gevallen veilige verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van nadere regelgeving inzake verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong in verband met de ziektebestrijdingsmaatregelen, de verplichting tot diergezondheidscertificering en afwijkingen van die regelgeving, wanneer het met die verplaatsingen verbonden risico en de genomen risicobeperkingsmaatregelen dat mogelijk maken. |
|
(125) |
Wanneer de lidstaten nationale maatregelen treffen met betrekking tot verplaatsingen van dieren en levende producten of besluiten nationale maatregelen te treffen om op hun grondgebied de gevolgen van andere dan in de lijst opgenomen overdraagbare dierziekten te beperken, mogen deze nationale maatregelen enkel strijdig zijn met de regelgeving betreffende de interne markt in de wetgeving van de Unie niet doorkruisen voor zover dit vanuit wetenschappelijk oogpunt gerechtvaardigd is om redenen van besmettingspreventie en in verhouding staat tot het risico . Derhalve moet het kader voor dergelijke nationale maatregelen worden vastgesteld en moet worden gewaarborgd dat zij binnen de volgens het recht van de Unie toegestane grenzen blijven. [Am. 37] |
|
(126) |
De registratie en erkenning van aquacultuurinrichtingen is noodzakelijk om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de surveillance adequaat uit te voeren en overdraagbare dierziekten te voorkomen, te bestrijden en uit te roeien. Richtlijn 2006/88/EG bepaalt dat alle inrichtingen waar waterdieren worden verplaatst, een vergunning nodig hebben. Dat stelsel van vergunningverlening moet in deze verordening worden gehandhaafd, hoewel in sommige officiële talen van de Unie voor dit stelsel in deze verordening andere termen worden gebruikt dan in Richtlijn 2006/88/EG. |
|
(127) |
Bij het slachten en verwerken van aquacultuurdieren waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen gelden, kunnen zich overdraagbare dierziekten verspreiden, bijvoorbeeld als gevolg van de lozing van ziekteverwekkers bevattende effluenten door verwerkingsinrichtingen. Verwerkingsinrichtingen die aan de risicobeperkingsmaatregelen voldoen, hebben derhalve een erkenning nodig voor het slachten en verwerken. Daarom moet deze verordening voorzien in de erkenning van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen. |
|
(128) |
Teneinde de publieke toegankelijkheid van actuele informatie over geregistreerde en erkende inrichtingen te waarborgen, moet de bevoegde autoriteit hieromtrent een register aanleggen en bewaren. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de informatie die moet worden opgenomen in het register van aquacultuurinrichtingen en ten aanzien van de documentatievoorschriften voor aquacultuurinrichtingen en vervoerders. |
|
(129) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de regelgeving van deze verordening inzake de registratie en erkenning van aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen en inzake de documentatie en de registers van inrichtingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot de informatieverplichtingen, afwijkingen en andere uitvoeringsbepalingen, en het formaat en de operationele specificaties van de registers en de documentatie. |
|
(130) |
Aangezien het in de meeste gevallen niet haalbaar is om waterdieren individueel te identificeren, vormt de documentatie in aquacultuurinrichtingen, in ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen en van vervoerders een essentieel hulpmiddel om de traceerbaarheid van waterdieren te waarborgen. Documentatie is ook nuttig voor de surveillance van de gezondheidssituatie van inrichtingen. |
|
(131) |
Net als bij landdieren moet geharmoniseerde regelgeving inzake verplaatsingen van waterdieren worden vastgesteld, met inbegrip van regelgeving inzake diergezondheidscertificering en de kennisgeving van verplaatsingen. |
|
(132) |
In Richtlijn 2006/88/EG wordt regelgeving inzake verplaatsingen van waterdieren vastgesteld, die zowel voor verplaatsingen binnen lidstaten als voor verplaatsingen tussen de lidstaten gelijkelijk van toepassing is. De belangrijkste bepalende factor in de regelgeving inzake verplaatsingen van waterdieren is de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten van de lidstaat, zones en compartimenten van bestemming. |
|
(133) |
Deze verordening moet voorzien in hetzelfde systeem. Om de lidstaten echter aan te moedigen de gezondheidssituatie van hun populaties waterdieren te verbeteren, zijn enkele aanpassingen en extra flexibiliteit noodzakelijk. |
|
(134) |
Teneinde de controle van verplaatsingen van waterdieren te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van bij het vervoer geldende preventieve maatregelen tegen ziekten, specifieke regelgeving inzake verplaatsingen van bepaalde categorieën waterdieren voor uiteenlopende doeleinden, specifieke voorschriften of afwijkingen voor bepaalde soorten verplaatsingen, zoals verplaatsingen voor wetenschappelijke doeleinden, en aanvullende voorschriften voor het verplaatsen van wilde waterdieren. |
|
(135) |
Om te waarborgen dat tijdelijke afwijkingen en specifieke voorschriften inzake verplaatsingen van waterdieren kunnen worden vastgesteld indien de regelgeving inzake verplaatsingen van deze verordening ontoereikend of niet geschikt is om de verspreiding van een bepaalde in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van bijzondere regelgeving inzake verplaatsingen of afwijkingen voor een beperkte periode. |
|
(136) |
De aquacultuurproductie in de Unie is uiterst gediversifieerd qua soorten en productiesystemen, en deze diversificatie neemt in hoog tempo toe. Dit kan rechtvaardigen dat op het niveau van de lidstaten nationale maatregelen worden genomen met betrekking tot andere ziekten dan die welke overeenkomstig deze verordening als in de lijst opgenomen ziekten worden beschouwd. Die nationale maatregelen moeten echter gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn en in de juiste verhouding staan tot de doeleinden. Tevens mogen zij de verplaatsingen tussen de lidstaten niet negatief beïnvloeden, behalve indien het noodzakelijk is om de insleep te voorkomen of de verspreiding van een ziekte tegen te gaan. Nationale maatregelen die de handel tussen de lidstaten negatief beïnvloeden, moeten worden goedgekeurd en geregeld worden geëvalueerd op het niveau van de Unie. |
|
(137) |
Momenteel hebben de in de lijst opgenomen ziekten slechts in zeer beperkte mate betrekking op andere diersoorten dan die welke in deze verordening als land- en waterdieren worden gedefinieerd, zoals reptielen, amfibieën, insecten en andere. Derhalve hoeft niet te worden geëist dat alle bepalingen van deze verordening op die dieren van toepassing zijn. Indien een ziekte met betrekking tot andere soorten dan die welke als land- of waterdieren worden gedefinieerd, echter in de lijst moet worden opgenomen, moeten de toepasselijke diergezondheidsvoorschriften van deze verordening voor die soorten gelden om te waarborgen dat passende en evenredige maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten kunnen worden genomen. |
|
(138) |
Teneinde te waarborgen dat wanneer het risico dit vereist, regelgeving kan worden vastgesteld inzake verplaatsingen van dieren die in deze verordening niet als land- of waterdieren worden gedefinieerd, en van de daarvan afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de registratie en erkenning van inrichtingen, de documentatie en de registers, de identificatie-, registratie- en traceerbaarheidsvoorschriften voor verplaatsingen, de diergezondheidscertificering en eigen verklaring en de verplichtingen inzake de kennisgeving van verplaatsingen van dieren en van die soorten afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong. |
|
(139) |
Indien noodzakelijk om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de diergezondheidsvoorschriften voor die andere diersoorten en daarvan afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van nadere regelgeving inzake die voorschriften. |
|
(140) |
Om de insleep van in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten in de Unie te voorkomen, is het noodzakelijk te beschikken over efficiënte regelgeving inzake binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die zulke ziekten kunnen overdragen. |
|
(141) |
De voorschriften voor binnenkomst in de Unie van dieren en producten moeten analoog zijn aan de voorschriften voor verplaatsingen in de Unie van dieren en producten van dezelfde categorie, soort en met hetzelfde beoogde gebruik. |
|
(142) |
Om te waarborgen dat dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of grondgebieden voldoen aan diergezondheidsvoorschriften welke garanties bieden die gelijkwaardig zijn aan die van de wetgeving van de Unie, is het van wezenlijk belang dat zij worden onderworpen aan passende controles door de bevoegde autoriteit van de derde landen of grondgebieden die naar de Unie uitvoeren. In voorkomend geval moet de gezondheidsstatus van een derde land of grondgebied van oorsprong worden gecontroleerd vooraleer de binnenkomst van die dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong te aanvaarden. Bijgevolg mogen enkel derde landen en grondgebieden die kunnen aantonen dat zij aan de diergezondheidsnormen voor binnenkomst in de Unie van dieren en producten voldoen, deze naar de Unie uitvoeren en hiertoe in een lijst worden ingeschreven. |
|
(143) |
Voor sommige soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bevatten de vóór deze verordening vastgestelde wetgevingshandelingen van de Unie nog geen lijsten van derde landen en grondgebieden vanwaaruit de binnenkomst in de Unie is toegestaan. In die gevallen en in afwachting van de vaststelling van regelgeving krachtens deze verordening, moet het de lidstaten worden toegestaan te bepalen uit welke landen en grondgebieden die dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong hun grondgebied mogen binnenkomen. Daarbij moeten de lidstaten rekening houden met de in deze verordening vermelde criteria voor de Unielijsten van derde landen en grondgebieden. |
|
(144) |
Om te waarborgen dat de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie waarin deze verordening voorziet, worden nageleefd en overeenstemmen met de beginselen van de gezondheidscodes voor dieren van de OIE, moeten alle dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van het derde land of grondgebied en waarin wordt bevestigd dat alle diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie zijn nageleefd. Afwijking van deze regel moet echter worden toegestaan voor goederen die een laag diergezondheidsrisico vormen. |
|
(145) |
Diergezondheidscertificaten kunnen op zichzelf staan, maar certificering is in de wetgeving van de Unie vaak voor andere doeleinden vereist, bijvoorbeeld om te bevestigen dat met betrekking tot dieren of producten is voldaan aan de voorschriften inzake volksgezondheid of dierenwelzijn. Dit mag niet uit het oog worden verloren. Om de administratieve lasten en kosten tot een minimum te beperken moet ook worden toegestaan dat die diergezondheidscertificaten informatie bevatten die in het kader van andere wetgeving van de Unie met betrekking tot de voedsel- en diervoederveiligheid is vereist. |
|
(146) |
Ziekten kunnen op andere wijzen worden verspreid dan door dieren, levende producten, producten van dierlijke oorsprong en dierlijke bijproducten en afgeleide producten. Bijvoorbeeld kunnen ook voertuigen, containers, hooi, stro, plantaardige producten, materiaal dat in contact kan zijn geweest met besmette dieren, en uitrusting ziekten verspreiden. Indien nodig moeten maatregelen worden genomen om te voorkomen dat ziekten op deze wijzen worden overgedragen. |
|
(147) |
Teneinde te waarborgen dat de voorschriften inzake binnenkomst in de Unie voldoende gedetailleerd zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling en wijziging van de criteria voor de lijsten van derde landen en grondgebieden, de criteria voor schorsing of intrekking van de inschrijving op die lijst, ter aanvulling van de regelgeving inzake erkenning van inrichtingen in derde landen en grondgebieden en afwijkingen, diergezondheidsvoorschriften inzake binnenkomst in de Unie van zendingen uit derde landen en grondgebieden, de inhoud van diergezondheidscertificaten, en de diergezondheidsvoorschriften voor ziekteverwekkers, ander materiaal, vervoermiddelen en uitrusting die dierziekten kunnen overdragen. |
|
(148) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de diergezondheidsvoorschriften inzake binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van regelgeving met betrekking tot onder meer de lijst van derde landen en grondgebieden vanwaaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan en met betrekking tot de modellen van de diergezondheidscertificaten. |
|
(149) |
In het verleden is gebleken dat wanneer een uitbraak van een ernstige ziekte zich voordoet in de lidstaten of in derde landen of grondgebieden vanwaaruit dieren of producten de Unie binnenkomen, de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten onmiddellijk moeten worden genomen om de insleep en verspreiding van de ziekte te beperken. Een dergelijke noodsituatie kan betrekking hebben op in de lijst opgenomen ziekten, nieuwe ziekten of andere gevaren voor de diergezondheid. In dat kader moet worden verduidelijkt welke reeks maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten van deze verordening kan worden genomen wanneer een in de lijst opgenomen of nieuwe ziekte of gevaar voorkomt. In al deze gevallen is het van wezenlijk belang dat onverwijld en op zeer korte termijn maatregelen kunnen worden genomen. Aangezien dergelijke maatregelen verplaatsingen in of naar de Unie zouden beperken, moeten zij indien mogelijk op het niveau van de Unie worden uitgevoerd. |
|
(150) |
Om een doeltreffende en snelle reactie op nieuwe risico's te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van noodmaatregelen. |
|
(151) |
In naar behoren gemotiveerde gevallen moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot onder meer het in een lijst opnemen van ziekten en soorten, de in de lijst opgenomen ziekten waarop de reeks regels inzake preventie en bestrijding van ziekten van toepassing moet zijn, de bevoorrading, voorraad, opslag en het leveren en andere procedures van de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, het vaststellen van bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen en afwijkingen voor een beperkte periode, de bijzondere regelgeving inzake verplaatsingen van land- en waterdieren voor een beperkte periode, de noodmaatregelen, en de lijst van derde landen en grondgebieden vanwaaruit binnenkomst in de Unie is toegestaan. |
|
(152) |
Deze verordening stelt algemene en specifieke regelgeving vast inzake preventie en bestrijding van overdraagbare dierziekten en waarborgt een geharmoniseerde aanpak van de diergezondheid in de hele Unie. Op sommige gebieden, zoals de algemene verantwoordelijkheden met betrekking tot de diergezondheid, melding, surveillance, registratie en erkenning of traceerbaarheid, moeten de lidstaten worden gemachtigd of aangemoedigd om aanvullende of strengere nationale maatregelen toe te passen. Dergelijke nationale maatregelen mogen echter uitsluitend worden toegestaan indien zij de doelstellingen inzake diergezondheid van deze verordening niet in het gedrang brengen, indien zij niet in strijd zijn met de regelgeving van deze verordening en mits zij geen belemmering vormen voor verplaatsingen van dieren en producten tussen de lidstaten, tenzij dat noodzakelijk is om de insleep van ziekten te voorkomen of de verspreiding van ziekten te bestrijden. |
|
(153) |
Om de administratieve lasten te beperken, moeten de in overweging 152 bedoelde nationale maatregelen worden onderworpen aan een vereenvoudigde kennisgevingsprocedure. De ervaring heeft geleerd dat de algemene kennisgevingsprocedure van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (21) een belangrijk instrument is om op niet-geharmoniseerde of gedeeltelijk geharmoniseerde gebieden richting te geven aan nationale technische regelgeving en de kwaliteit ervan te verbeteren wat een grotere transparantie, leesbaarheid en doeltreffendheid betreft. Derhalve is het dienstig deze algemene kennisgevingsprocedure van Richtlijn 98/34/EG toe te passen. |
|
(154) |
Momenteel is de regelgeving van de Unie inzake diergezondheid te vinden in de volgende wetgevingshandelingen van het Europees Parlement en de Raad en in latere handelingen van de Commissie die op grond daarvan zijn vastgesteld:
|
|
(155) |
De bepalingen van de in overweging 154 bedoelde wetgevingshandelingen moeten worden vervangen door deze verordening en door handelingen die de Commissie krachtens deze verordening later zal vaststellen. Derhalve moeten die wetgevingshandelingen worden ingetrokken. Om echter juridische duidelijkheid te waarborgen en te voorkomen dat er een juridisch vacuüm ontstaat, mag de intrekking slechts van kracht worden wanneer de respectieve gedelegeerde en uitvoeringshandelingen op grond van deze verordening zijn vastgesteld. Daarom moet de Commissie kunnen bepalen op welke data de intrekking van deze wetgevingshandelingen van kracht wordt. |
|
(156) |
De volgende handelingen van de Raad op het gebied van de diergezondheid zijn achterhaald en moeten ter wille van de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie uitdrukkelijk worden ingetrokken: Beschikking 78/642/EEG van de Raad (47); Richtlijn 79/110/EEG van de Raad (48); Richtlijn 81/6/EEG van de Raad (49); Beschikking 89/455/EEG van de Raad (50); Richtlijn 90/423/EEG van de Raad (51) en Beschikking 90/678/EEG van de Raad (52). |
|
(157) |
De voorschriften van deze verordening mogen pas van toepassing worden zodra alle gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die door de Commissie krachtens deze verordening moeten worden vastgesteld, van toepassing zijn. Er moet worden voorzien in een termijn van ten minste 36 maanden tussen de datum van inwerkingtreding van deze verordening en de datum van toepassing van de nieuwe regelgeving, teneinde de betrokken exploitanten voldoende tijd te geven om zich aan te passen. |
|
(158) |
Teneinde de rechtszekerheid te waarborgen met betrekking tot de toepassing van regelgeving inzake de identificatie en registratie van dieren, ziektebestrijdingsmaatregelen voor bepaalde zoönosen en niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapsdieren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de datum waarop de Verordeningen (EG) nr. 1760/2000, (EU) nr. XXX/XXX [Ex-998/2003] en (EG) nr. 21/2004 en Richtlijnen 92/66/EEG, 2000/75/EG, 2001/89/EG, 2002/60/EG, 2003/85/EG en 2005/94/EG en 2008/71/EG niet langer van kracht zijn. [Am. 40] |
|
(159) |
De uitvoeringsbevoegdheden waarin deze verordening voorziet, moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (53). |
|
(160) |
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging van de belanghebbenden overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 41] |
|
(161) |
Deze verordening mag niet leiden tot onevenredige administratieve lasten of economische gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Uitgaande van overleg met de belanghebbenden wordt in deze verordening rekening gehouden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen. Een eventuele algehele afwijking van de voorschriften van deze verordening voor die ondernemingen is niet in overweging genomen, gezien de doelstellingen van algemeen belang om de diergezondheid en de volksgezondheid te beschermen. Met betrekking tot de afzonderlijke voorschriften van deze verordening moet echter worden voorzien in een aantal afwijkingen voor die ondernemingen, rekening houdend met de betrokken risico's. |
|
(162) |
De doelstellingen van deze verordening, met name regelgeving inzake diergezondheid vast te stellen voor dieren, levende producten, producten van dierlijke oorsprong, dierlijke bijproducten en afgeleide producten, voor zover zij niet vallen onder specifieke regelgeving in andere wetgeving van de Unie, en voor ander materiaal dat bij de verspreiding van overdraagbare dierziekten kan zijn betrokken, kunnen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen op efficiëntere wijze op het niveau van de Unie worden bereikt met een gemeenschappelijk en gecoördineerd rechtskader voor de diergezondheid. Deze verordening is derhalve in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
DEEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Hoofdstuk 1
Onderwerp, toepassingsgebied en definities
Artikel 1
Onderwerp
1. Bij deze verordening stelt bepalingen vast met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen vastgesteld:
|
a) |
bepalingen met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen; |
|
b) |
instrumenten en mechanismen om makkelijker toe te kunnen werken naar de ziektevrij-verklaring van zones en grondgebieden; |
|
c) |
prioritaire acties, en |
|
d) |
de verdeling van bevoegdheden inzake diergezondheid. [Am. 42] |
Die bepalingen voorzien in:
|
a) |
het stellen van prioriteiten voor en de indeling in categorieën van ziekten die de Unie aanbelangen en de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de diergezondheid, in deel I; |
|
b) |
de vroegtijdige opsporing, de melding en de rapportage van ziekten, surveillance, uitroeiingsprogramma's en de ziektevrije status, in deel II; |
|
c) |
waakzaamheid en paraatheid voor en bestrijding van ziekten, in deel III; |
|
d) |
de registratie en erkenning van inrichtingen en vervoerders en de verplaatsingen en de traceerbaarheid van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie, in deel IV; |
|
e) |
de binnenkomst van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong in de Unie en de uitvoer van dergelijke zendingen uit de Unie, in deel V; |
|
f) |
de noodmaatregelen die in een ziektenoodsituatie moeten worden genomen, in deel VI. |
2. De in lid 1 bedoelde bepalingen:
|
a) |
waarborgen
|
|
b) |
houden rekening met
|
Artikel 2
Toepassingsgebied van deze verordening
1. Deze verordening is van toepassing op:
|
a) |
gehouden en niet-gehouden dieren en wilde dieren; [Am. 49] |
|
b) |
levende producten; |
|
c) |
producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
dierlijke bijproducten en afgeleide producten, onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1069/2009; |
|
e) |
voorzieningen, vervoermiddelen, uitrusting en alle andere bronnen van besmetting en materialen die bij de verspreiding van overdraagbare dierziekten betrokken zijn of kunnen zijn. |
2. Deze verordening is van toepassing op overdraagbare ziekten, inclusief zoönosen, onverminderd de bepalingen van:
|
a) |
Beschikking nr. 2119/98/EG; |
|
b) |
Verordening (EG) nr. 999/2001; |
|
c) |
Richtlijn 2003/99/EG; |
|
d) |
Verordening (EG) nr. 2160/2003. |
Artikel 3
Toepassingsgebied van deel IV inzake registratie, erkenning, traceerbaarheid en verplaatsingen
1. Deel IV, titel I, is van toepassing op:
|
a) |
landdieren en dieren die geen landdieren zijn maar die ziekten van landdieren kunnen overdragen; |
|
b) |
van landdieren afkomstige levende producten; |
|
c) |
van landdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong. |
2. Deel IV, titel II, is van toepassing op:
|
a) |
waterdieren en dieren die geen waterdieren zijn maar die ziekten van waterdieren kunnen overdragen; |
|
b) |
van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong. |
3. Deel IV, titel III, is van toepassing op:
|
a) |
andere dieren dan die welke vallen onder de definitie van landdieren of waterdieren, in de zin van artikel 4, lid 1, punt 4; |
|
b) |
levende producten en producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van de onder a) bedoelde dieren. |
4. Deel IV, titel I, hoofdstukken 1 en 3, en titel II, hoofdstukken 1 en 2, zijn niet van toepassing op gezelschapsdieren.
Artikel 4
Definities
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
„dieren”: gewervelde en ongewervelde dieren; |
|
2) |
„landdieren”: vogels, landzoogdieren, bijen en hommels; |
|
3) |
„waterdieren”: dieren van de volgende soorten, in alle levensfasen, inclusief eieren, sperma en gameten:
|
|
4) |
„andere dieren”: dieren van andere soorten dan die welke vallen onder de definitie van land- of waterdieren; |
|
5) |
„gehouden dieren”: levende dieren die door de mens worden gehouden; in het geval van waterdieren, aquacultuurdieren; [Am. 50] |
|
(5 bis) |
„niet-gehouden huisdieren”: dieren die niet of niet meer door mensen verzorgd worden; [Am. 51] |
|
6) |
„aquacultuur”: de kweek van waterdieren, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken dieren te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu en waarbij de dieren in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom blijven van een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen, met uitsluiting van de oogst of vangst voor menselijke consumptie van wilde waterdieren die vervolgens in afwachting van de slacht tijdelijk worden gehouden zonder te worden gevoerd; |
|
7) |
„aquacultuurdieren”: waterdieren die het voorwerp zijn van aquacultuur technieken om de aangroei van de betrokken dieren te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu ; [Am. 52] |
|
8) |
„wilde dieren”: dieren die geen gehouden dieren en geen niet-gehouden huisdieren zijn; [Am. 53] |
|
9) |
„pluimvee”: vogels die worden gekweekt of in gevangenschap worden gehouden voor:
|
|
10) |
„in gevangenschap levende vogels”: andere vogels dan pluimvee die om andere dan de in punt 9 vermelde redenen in gevangenschap worden gehouden, waaronder vogels die voor voorstellingen, races, tentoonstellingen, wedstrijden, het kweken of het verkopen worden gehouden; |
|
11) |
„gezelschapsdier”: een dier van de in bijlage I vermelde soorten dat:
|
|
12) |
„houder van een gezelschapsdier”: een natuurlijk persoon die een gezelschapsdier houdt; |
|
13) |
„niet-commerciële verplaatsing”: elke verplaatsing voor andere dan handelsdoeleinden, overeenkomstig de definitie van gezelschapsdieren die direct noch indirect financiële winst oplevert of overdracht van eigendom tot stand brengt of een en ander beoogt artikel 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 576/2013 ; [Am. 54] |
|
14) |
„ziekte”: het voorkomen van besmettingen en plagen bij dieren, die worden veroorzaakt door een of meer ziekteverwekkers die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen, al dan niet gepaard gaand met klinische of pathologische verschijnselen; |
|
15) |
„in de lijst opgenomen ziekten”: ziekten die zijn opgenomen in de in artikel 5, lid 2, bedoelde lijst; |
|
16) |
„nieuwe ziekte”: een niet in de lijst opgenomen ziekte die aan de in artikel 6, lid 1, onder a), bedoelde criteria voor in de lijst opgenomen ziekten kan voldoen doordat:
|
|
17) |
„ziekteprofiel”: de in artikel 6, lid 1, onder a, bedoelde ziektecriteria; |
|
18) |
„in de lijst opgenomen soort”: diersoort of groep diersoorten die is opgenomen in de in artikel 7, lid 2, bedoelde lijst of, in het geval van nieuwe ziekten, diersoort of groep van diersoorten die voldoet aan de in artikel 7, lid 2, bedoelde criteria voor in de lijst opgenomen soorten; |
|
19) |
„gevaar”: een ziekteverwekker in of een toestand van een dier of product dat een nadelig gevolg kan hebben voor de gezondheid van mensen of dieren; |
|
20) |
„risico”: de wetenschappelijk aangetoonde of aantoonbare waarschijnlijkheid dat een nadelig gevolg voor de diergezondheid of volksgezondheid biologische en economische gevolgen kan hebben, en de vermoedelijke , wetenschappelijk bewezen of bewijsbare omvang daarvan; [Am. 56] |
|
21) |
„biobeveiliging”: de som van de beheers- en fysieke maatregelen die zijn bedoeld om het risico te verminderen dat ziekten of tegen antimicrobiële stoffen resistente micro-organismen worden geïntroduceerd, zich ontwikkelen en zich verspreiden naar, in of uit: [Am. 57]
|
|
22) |
„exploitant”: een natuurlijk of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor dieren en producten, met inbegrip van houders en vervoerders van dieren, maar met uitzondering van houders van een gezelschapsdier en dierenartsen; |
|
23) |
„persoon die zich beroepsmatig met dieren bezighoudt”: een natuurlijk of rechtspersoon die beroepshalve met dieren of producten bezig is, anders dan een exploitant of dierenarts; [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie] |
|
24) |
„inrichting”: een ruimte, structuur of milieu waarin dieren of levende producten worden gehouden, behalve:
|
|
25) |
„levende producten”:
|
|
26) |
„producten van dierlijke oorsprong”:
|
|
27) |
„dierlijke bijproducten”: hele kadavers of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere van dieren afkomstige producten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met uitzondering van levende producten; |
|
28) |
„afgeleide producten”: producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten; |
|
29) |
„producten”:
|
|
30) |
„officiële controle”: officiële controle als gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. XXX/XXX (*3) [Verordening officiële controles]; |
|
31) |
„gezondheidsstatus”: de ziektestatus voor alle in de lijst opgenomen ziekten voor een in de lijst opgenomen soort wat betreft:
|
|
32) |
„zone”:
|
|
33) |
„stroomgebied”: een door natuurlijke elementen, zoals heuvels of bergen, omsloten gebied of bekken waar alle water in afvloeit; |
|
34) |
„compartiment”: een subpopulatie dieren in een of meer inrichtingen en, in het geval van waterdieren, een of meer aquacultuurinrichtingen, met een gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem en een afzonderlijke gezondheidsstatus voor een of meer specifieke ziekten, waarop passende surveillance-, ziektebestrijdings- en biobeveiligingsmaatregelen van toepassing zijn; |
|
35) |
„quarantaine”: de isolering van dieren onder toezicht van de bevoegde autoriteit, ter voorkoming van direct of indirect contact met andere dieren, zodat ziekten zich niet kunnen verspreiden terwijl de dieren voor een bepaalde tijdsduur worden geobserveerd en in voorkomend geval worden getest en behandeld; |
|
36) |
„epizoötiologische eenheid”: een groep dieren die dezelfde kans op blootstelling aan een ziekteverwekker lopen; |
|
37) |
„uitbraak”: een of meer gevallen in een inrichting, huishouden of andere plaats waar dieren worden gehouden of zich bevinden; [Am. 59] |
|
38) |
„geval”: de officiële bevestiging dat een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte aanwezig is in een levend of dood dier; |
|
39) |
„beperkingszone”: zone waarin beperkende maatregelen voor verplaatsingen van bepaalde dieren of producten en andere ziektebestrijdingsmaatregelen gelden, teneinde te voorkomen dat een bepaalde ziekte wordt verspreid naar gebieden waar geen beperkende maatregelen gelden; een beperkingszone kan in voorkomend geval beschermings- en surveillancezones omvatten; |
|
40) |
„beschermingszone”: zone met een of meer ziektegevallen die wordt ingesteld na de officiële bevestiging van een uitbraak en waar ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn om de verspreiding van de ziekte vanuit die zone te voorkomen; |
|
41) |
„surveillancezone”: zone rond de beschermingszone, die wordt ingesteld na de officiële bevestiging van een uitbraak en waar ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn om de verspreiding van de ziekte vanuit die zone en de beschermingszone te voorkomen; |
|
42) |
„broedeieren”: eieren van pluimvee, bestemd om te worden bebroed; |
|
43) |
„hoefdieren”: de in bijlage II genoemde dieren; |
|
44) |
„inrichting voor levende producten”:
|
|
45) |
„broederij”: een inrichting waar eieren worden verzameld, opgeslagen en uitgebroed met het oog op de voorziening van:
|
|
46) |
„vervoerder”: een exploitant die voor eigen rekening of voor een derde dieren vervoert; |
|
47) |
„geconsigneerde inrichting”: elke permanente, geografisch beperkte inrichting die op vrijwillige basis tot stand is gekomen en die is erkend met het oog op verplaatsingen, waar dieren:
|
|
48) |
„verzameling”: het verzamelen van gehouden landdieren uit meer dan één inrichting gedurende kortere tijd dan de voor die diersoort vereiste verblijfsduur; |
|
49) |
„verblijfsduur”: de minimumtijd gedurende welke een dier in een inrichting moet blijven alvorens het van daaruit kan worden verplaatst; |
|
50) |
„Imsoc”: het geautomatiseerde informatiebeheersysteem, bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU) nr. XXX/XXX (*4) [Verordening officiële controles]; |
|
(50 bis) |
„verwerkingsinrichting”: een levensmiddelenbedrijf dat is erkend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (54) , [Am. 60] |
|
(50 ter) |
„ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen”: een levensmiddelenbedrijf dat is erkend overeenkomstig artikel 177 en deel IV, titel II; |
|
51) |
„ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen”: een levensmiddelenbedrijf dat is erkend overeenkomstig:
|
|
(51 bis) |
„dierenarts”: een beroepsbeoefenaar met een grondige wetenschappelijke opleiding en een vergunning van de wettelijke autoriteit om in alle aspecten van de diergeneeskunde zijn vaardigheden op onafhankelijke en ethische wijze en met persoonlijke verantwoording in het belang van de dieren, de klant en de maatschappij uit te oefenen; [Am. 63] |
|
(51 ter) |
„officiële dierenarts”: een dierenarts die door de bevoegde autoriteit is aangewezen en de passende kwalificaties heeft om officiële controles en andere officiële activiteiten uit te voeren overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. xxx/xxx (*5) (Verordening officiële controles). [Am. 64] |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van:
|
a) |
gezelschapsdieren in bijlage I; |
|
b) |
hoefdieren in bijlage II. |
Hoofdstuk 2
In de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten, en in de lijst opgenomen soorten
Artikel 5
Opnemen van ziekten in een lijst
1. De ziektespecifieke voorschriften voor de preventie en bestrijding van ziekten waarin deze verordening voorziet, zijn van toepassing op:
|
a) |
de in de lijst bijlage -I opgenomen ziekten; [Am. 65] |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. Een tabel met de Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen een lijst op van de in lid 1, onder a), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten , is opgenomen in bijlage -I . De Commissie is bevoegd om, rekening houdend met de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en na open raadpleging van belanghebbenden en deskundigen, overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van de in deze bijlage opgenomen ziekten om rekening te houden met de met de vooruitgang van wetenschap en techniek en met de ontwikkeling van de relevante internationale normen en de gewijzigde omstandigheden op het gebied van volksgezondheid en diergezondheid. .[Am. 66]
In die lijst bevat tabel zijn de ziekten opgenomen die voldoen aan de in dit lid, onder a) en b), bedoelde voorwaarden, rekening houdend met de evaluatie van de in artikel 6 bedoelde criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst: [Am. 67]
|
a) |
ziekten die waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen zullen hebben op ten minste een van de volgende gebieden:
|
|
b) |
ziekten waarvoor risicobeperkingsmaatregelen bestaan of kunnen worden ontwikkeld die in verhouding staan tot de aan die ziekten verbonden risico's. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 70]
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met Indien in het geval van een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt dwingende redenen van urgentie zulks vereisen, is de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde 254 bepaalde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen . [Am. 71]
Artikel 6
Criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst
1. Wanneer de Commissie beoordeelt of een ziekte voldoet aan de voorwaarden om de lijst van ziektes overeenkomstig artikel 5, lid 2, te wijzigt, worden opgenomen in de lijst, houdt zij rekening met de volgende criteria om te bepalen of een ziekte voldoet aan de voorwaarden om te worden opgenomen in de lijst : [Am. 72]
|
a) |
het ziekteprofiel, dat het volgende omvat:
|
|
b) |
de gevolgen van de ziekte voor:
|
|
c) |
het vermogen om een crisissituatie te veroorzaken en het mogelijke gebruik bij bioterrorisme; |
|
d) |
de haalbaarheid, beschikbaarheid en doeltreffendheid van de volgende maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte:
|
|
e) |
de gevolgen van maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte voor:
|
2. De Commissie is bevoegd om na een open raadpleging van belanghebbenden en deskundigen overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de criteria in lid 1 van dit artikel om rekening te houden met de vooruitgang van wetenschap en techniek en met de ontwikkeling van de pertinente internationale normen. [Am. 75]
Artikel 7
Opnemen van soorten in een lijst
1. De ziektespecifieke voorschriften voor in de lijst opgenomen ziekten waarin wordt voorzien door deze verordening en de krachtens deze verordening vastgestelde regelgeving zijn van toepassing op de in de lijst opgenomen bijlage -I vermelde soorten. [Am. 76]
2. De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen een lijst op is bevoegd om, na open raadpleging van belanghebbenden en deskundigen en rekening houdend met de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen in de in bijlage -I vervatte tabel van de in lid 1 bedoelde soorten , om rekening te houden met de vooruitgang op technisch gebied, de wetenschappelijke ontwikkelingen en de gewijzigde omstandigheden op het gebied van volksgezondheid en diergezondheid . [Am. 77]
In die lijst bevat worden de diersoorten of groepen van diersoorten opgenomen die een groot gevaar voor de verspreiding van specifieke in de lijst opgenomen ziekten opleveren, rekening houdend met de volgende criteria: [Am. 78]
|
a) |
de gevoeligheid van de risicolopende dierpopulatie; |
|
b) |
de duur van de incubatie- en besmettingstijd voor de dieren; |
|
c) |
het vermogen van die dieren om drager te zijn van die specifieke ziekten. |
|
c bis) |
de vraag of de dieren als fokdier, gebruiksdier of slachtdier worden gehouden. [Am. 79] |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 80]
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met Indien in het geval van een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in dwingende redenen van urgentie zulks vereisen, is de procedure van artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. 254 van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen . [Am. 81]
Artikel 8
Toepassing van de regelgeving inzake de preventie en bestrijding van ziekten op in de lijst opgenomen ziekten
1. De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen is bevoegd om, na open raadpleging van belanghebbenden en deskundigen en rekening houdend met de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast hoe te stellen tot wijziging van bijlage -I en betreffende de toepassing van de in de volgende punten bedoelde regelgeving inzake de preventie en bestrijding van ziekten worden toegepast op in de lijst opgenomen ziekten: [Am. 82]
|
a) |
in de lijst opgenomen ziekten die waarvoor, zodra zij worden ontdekt, onverwijld uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen, vallen onder de bepalingen inzake: [Am. 83]
|
|
b) |
in de lijst opgenomen ziekten die in alle lidstaten moeten worden bestreden met als uiteindelijk doel ze in de gehele Unie uit te roeien, vallen onder de bepalingen inzake de preventie en bestrijding van ziekten met betrekking tot: [Am. 84]
|
|
c) |
in de lijst opgenomen ziekten die voor bepaalde lidstaten van belang zijn en waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat ze zich verspreiden naar andere delen van de Unie die officieel vrij van die ziekten zijn of een uitroeiingsprogramma hebben, vallen onder de bepalingen inzake de preventie en bestrijding van ziekten met betrekking tot: [Am. 85]
|
|
d) |
in de lijst opgenomen ziekten die onder de bepalingen onder de punten a), b) en c) vallen alsmede andere ziekten waarvoor maatregelen nodig zijn om verspreiding in samenhang met binnenkomst in de Unie of verplaatsingen tussen lidstaten te voorkomen, vallen onder de bepalingen inzake de preventie en bestrijding van ziekten met betrekking tot: [Am. 86]
|
|
e) |
in de lijst opgenomen ziekten die onder de bepalingen onder de punten a) en b) vallen alsmede andere ziekten waarop controle binnen de Unie nodig is, vallen onder de bepalingen inzake de preventie en bestrijding van ziekten met betrekking tot: [Am. 87]
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 88]
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met Indien in het geval van een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde dwingende redenen van urgentie zulks vereisen, is de procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. van artikel 254 van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen . [Am. 89]
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende criteria: [Am. 90]
|
a) |
de omvang van de gevolgen van de ziekte voor de diergezondheid en de volksgezondheid, het dierenwelzijn en de economie; |
|
b) |
de prevalentie, incidentie en verspreiding van de ziekte in de Unie; |
|
c) |
de beschikbaarheid, haalbaarheid en doeltreffendheid van de verschillende in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van de betrokken ziekte , met strikte inachtneming van de heersende regionale omstandigheden . [Am. 91] |
Hoofdstuk 3
Verantwoordelijkheid voor de diergezondheid
AFDELING 1
EXPLOITANTEN, PERSONEN DIE ZICH BEROEPSMATIG MET DIEREN BEZIGHOUDEN EN HOUDERS VAN GEZELSCHAPSDIEREN
Artikel 9
Verantwoordelijkheid voor de diergezondheid en voor biobeveiligingsmaatregelen
1. Exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren
|
a) |
zijn verantwoordelijk voor de gezondheid van de gehouden dieren en de producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen; |
|
b) |
nemen, gebruikmakend van professionele gidsen voor goede praktijken, en met name goede microbiologische praktijken, en rekening houdend met de betrokken risico's, passende biobeveiligingsmaatregelen om de gezondheid van die gehouden dieren en producten te garanderen en om te beletten dat ziekten worden geïntroduceerd, zich ontwikkelen en vermeerderen bij en zich verspreiden onder en van bij die gehouden dieren en producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, tenzij dat om wetenschappelijke doeleinden specifiek is toegestaan, op een wijze die passend is voor: [Am. 92]
|
|
b bis) |
nemen de beginselen van behoorlijke dierhouderij in acht; [Am. 93] |
|
b ter) |
zorgen voor gecontroleerd gebruik van diergeneesmiddelen. [Am. 94] |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot biobeveiligingsmaatregelen die een aanvulling vormen op de voorschriften van lid 1, onder b, van dit artikel.
Artikel 10
Basiskennis van diergezondheid
1. Exploitanten, en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren verwerven kennis van: [Am. 95]
|
a) |
dierziekten, met inbegrip van die welke op de mens kunnen worden overgedragen; |
|
b) |
de beginselen van biobeveiliging, behoorlijke dierhouderij en verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen ; [Am. 96] |
|
c) |
de interactie tussen diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van de mens. |
2. De overeenkomstig lid 1 vereiste kennis en de omvang daarvan zijn afhankelijk van:
|
a) |
de categorieën en soorten gehouden dieren of producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen; |
|
b) |
het soort productie; |
|
c) |
de verrichte taken. |
3. De in lid 1 bedoelde kennis wordt verworven op een van de volgende manieren:via beroepservaring of -opleiding overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende lidstaat. Die opleiding kan ook door beroepsorganisaties worden verzorgd.
|
a) |
door beroepservaring of -opleiding; |
|
b) |
door bestaande programma's in de landbouw- of de aquacultuursector die relevant zijn voor de diergezondheid; |
|
c) |
door formeel onderwijs. [Am. 97] |
Afdeling 2
Dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren
Artikel 11
Verantwoordelijkheid van dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren
1. Tijdens hun activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten dierenartsen:
|
a) |
alle dienstige maatregelen treffen om het binnenbrengen, de ontwikkeling en de verspreiding van ziekten te beletten; |
|
a bis) |
exploitanten adviezen geven over maatregelen om de risico's op zoönoses, ziekteverwekkers in levensmiddelen, residuen en verontreinigende stoffen tot een minimum te beperken ter waarborging van de voedselveiligheid; [Am. 98] |
|
b) |
zorgen voor de vroegtijdige opsporing van ziekten door het stellen van precieze en differentiële diagnosen teneinde de aanwezigheid van een ziekte uit te sluiten of te bevestigen alvorens met een symptomatische behandeling wordt begonnen; |
|
c) |
een actieve rol spelen bij:
|
|
d) |
bij de uitvoering van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten samenwerken met de bevoegde autoriteit, exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren. |
|
d bis) |
exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden op basis van de meest recente kennis advies verstrekken over biobeveiliging en andere diergezondheidskwesties, voor zover dat relevant is voor het soort inrichting en de categorieën en soorten gehouden dieren in de inrichting. [Am. 102] |
2. Gezondheidswerkers voor waterdieren mogen ten aanzien van waterdieren activiteiten verrichten die in deze verordening aan dierenartsen worden toegewezen indien zij naar nationaal recht daartoe gemachtigd zijn. In dat geval is lid 1 op hen van toepassing.
2 bis. Beroepsbeoefenaren in de sector bijengezondheid mogen ten aanzien van bijen en hommels activiteiten verrichten die in deze verordening aan dierenartsen worden toegewezen indien zij naar nationaal recht daartoe gemachtigd zijn. In dat geval is lid 1 op hen van toepassing. [Am. 103]
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de kwalificaties van dierenartsen , overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (55), en gezondheidswerkers voor beroepsbeoefenaren in de sector gezondheid van waterdieren die activiteiten verrichten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. [Am. 104]
AFDELING 3
Lidstaten
Artikel 12
Verantwoordelijkheid van de lidstaten
1. Om te garanderen dat de voor diergezondheid bevoegde autoriteit de noodzakelijke en dienstige maatregelen kan nemen en de activiteiten kan uitvoeren die op grond van deze verordening vereist zijn, waarborgen de lidstaten haar:
|
a) |
gekwalificeerd personeel, voorzieningen, uitrusting, financiële middelen en een doeltreffende organisatie die het hele grondgebied van de lidstaat bestrijkt; |
|
b) |
toegang tot laboratoria met gekwalificeerd personeel, voorzieningen, uitrusting en financiële middelen die een snelle en juiste diagnose en differentiële diagnose van in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten garanderen; |
|
c) |
voldoende geschoolde dierenartsen voor de in artikel 11 bedoelde activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. |
2. De lidstaten bieden de exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden ondersteuning om de in artikel 10 bedoelde basiskennis van diergezondheid te verwerven, te onderhouden en te ontwikkelen via pertinente programma's in de landbouw- of aquacultuursector of via formeel onderwijs, en zien erop toe dat het vereiste kennisniveau wordt bereikt . [Am. 105]
2 bis. De lidstaten stellen vast op welke wijze exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, en houders van gezelschapsdieren de in artikel 10 bedoelde basiskennis over diergeneeskunde kunnen verwerven, bijhouden en uitbreiden. [Am. 106]
Artikel 12 bis
Strategische maatregelen voor niet in de lijst opgenomen ziekten
De lidstaten nemen strategische maatregelen voor de controle op en de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten, met inbegrip van de ziekten die niet in de bijlage bij deze verordening opgenomen zijn, mede om het risico van ontwikkeling van antimicrobiële resistentie te verkleinen. Deze maatregelen worden genomen in het kader van de nationale controleplannen en bestrijdingsprogramma's als bedoeld in artikel X van Verordening (EU) nr. xxxx/xxxx (*6) (Verordening officiële controles) en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2160/2003. [Am. 107]
Artikel 12 ter
Grenscontroles
De lidstaten waarborgen, met technische bijstand op het niveau van de Unie wanneer het gaat om in bijlage -I bij deze verordening opgenomen dierziekten, dat de noodzakelijke preventieve, op risico's gebaseerde biobeveiligingsmaatregelen langs hun buitengrenzen worden toegepast, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de betrokken derde landen. [Am. 108]
Artikel 13
Delegatie van andere officiële activiteiten door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit kan aan dierenartsen en gekwalificeerde beroepsorganisaties een of meer van de volgende activiteiten delegeren: [Am. 109]
|
a) |
activiteiten met betrekking tot de in deel II, hoofdstuk 1, bedoelde melding en rapportage en de in deel II, hoofdstuk 2, bedoelde surveillance; |
|
b) |
activiteiten met betrekking tot:
|
1 bis. De bevoegde autoriteit kan een of meer van de in lid 1 genoemde activiteiten delegeren aan beroepsbeoefenaren in de sector bijengezondheid. [Am. 110]
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de omstandigheden en de voorwaarden waaronder de in lid de leden 1 en 1 bis bedoelde activiteiten kunnen worden gedelegeerd; [Am. 111] |
|
b) |
de vraag welke andere dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde activiteiten aan dierenartsen mogen worden gedelegeerd, in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden; |
|
c) |
minimumvereisten voor de in artikel 12, lid 1, onder c), bedoelde opleiding van dierenartsen , overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG . [Am. 112] |
Bij de vaststelling van die gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de aard van die taken en met de internationale verplichtingen van de Unie en de lidstaten.
Artikel 14
Informatie voor het publiek
Wanneer op redelijke gronden kan worden vermoed dat dieren of producten een risico inhouden, maatregelen noodzakelijk zijn vanwege een vermoeden van een uitbraak van een dierziekte, neemt de bevoegde autoriteit de nodige stappen om het publiek te informeren over de aard van het risico en de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om dat risico te voorkomen of te beheersen, gelet op de aard, de ernst en de noodzaak onnodige paniek te vermijden, de omvang van dat risico en het belang van het publiek om te worden geïnformeerd. [Am. 113]
De bevoegde autoriteit neemt alle nodige maatregelen om de burgers te informeren over de basisbeginselen van de preventie en verspreiding van dierziekten en met name over het gevaar dat personen die buiten de Unie reizen ziekteverwekkers binnenbrengen in de Unie. [Am. 114]
Afdeling 4
Laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke en rechtspersonen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten
Artikel 15
Verplichtingen van laboratoria, voorzieningen en anderen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten
1. Laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke of rechtspersonen die met het oog op onderzoek, onderwijs, diagnosticering of de productie van vaccins en andere biologische producten werken met ziekteverwekkers, moeten, in voorkomend geval rekening houdend met internationale normen:
|
a) |
dienstige biobeveiligings-, bioveiligheids- en biologische-inperkingsmaatregelen nemen om te voorkomen dat de ziekteverwekkers ontsnappen en vervolgens in contact komen met dieren buiten het laboratorium of de andere voorziening waar voor onderzoeksdoeleinden wordt gewerkt met ziekteverwekkers; |
|
b) |
ervoor zorgen dat de verplaatsing van ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten tussen laboratoria of andere voorzieningen geen risico inhoudt op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen voor laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke of rechtspersonen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten wat betreft:
|
a) |
biobeveiligings-, bioveiligheids- en biologische-inperkingsmaatregelen; |
|
b) |
verplaatsingsvoorschriften voor ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten. |
DEEL II
MELDING VAN ZIEKTEN EN RAPPORTAGE, SURVEILLANCE, UITROEIINGSPROGRAMMA'S, ZIEKTEVRIJE STATUS
Hoofdstuk 1
Melding van ziekten en rapportage
Artikel 16
Melding binnen lidstaten
1. Natuurlijke en rechtspersonen Exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, en houders van gezelschapsdieren melden onverwijld: [Am. 115]
|
a) |
een uitbraak of een vermoedelijke uitbraak van een in artikel 8, lid 1, onder e, bedoelde in de lijst opgenomen ziekte aan de bevoegde autoriteit; [Am. 116] |
|
b) |
abnormale sterftegevallen en andere ernstige symptomen van overdraagbare ziekten of een sterk verlaagde productie bij dieren met onbekende oorzaak aan een dierenarts of beroepsbeoefenaar in de sector gezondheid van waterdieren , zodat verder onderzoek kan worden verricht, met inbegrip van bemonstering voor laboratoriumonderzoek indien de situatie dat vereist. [Am. 117] |
1 bis. Dierenartsen of beroepsbeoefenaren in de sector gezondheid van waterdieren melden een uitbraak of een vermoedelijke uitbraak van een in artikel 8, lid 1, onder e), bedoelde in de lijst opgenomen ziekte onverwijld aan de bevoegde autoriteit. [Am. 118]
1 ter. Bij aanwijzingen voor een zoönose stellen de artsen de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis. [Am. 119]
2. De lidstaten kunnen beslissen dat de in lid 1, onder b, bedoelde meldingen worden gericht tot de bevoegde autoriteit.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de criteria om uit te maken of sprake is van de in lid 1, onder b, van dit artikel bedoelde omstandigheden die melding vereisen; |
|
b) |
nadere bepalingen voor het verdere onderzoek, bedoeld in lid 1, onder b, van dit artikel. |
Artikel 17
Melding in de Unie
1. De lidstaten melden aan de Commissie en de andere lidstaten onverwijld elke uitbraak van in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder e), waarvoor een onverwijlde melding vereist is om, rekening houdend met het ziekteprofiel, tijdig de nodige risicobeheersmaatregelen te kunnen nemen.
2. De in lid 1 bedoelde melding bevat de volgende informatie over de uitbraak:
|
a) |
de ziekteverwekker en in voorkomend geval het subtype; |
|
b) |
de datum waarop de uitbraak vermoed en bevestigd werd; |
|
c) |
de plaats van de uitbraak; |
|
d) |
eventuele daarmee samenhangende uitbraken; |
|
e) |
de door de uitbraak getroffen dieren; |
|
f) |
eventuele ziektebestrijdingsmaatregelen die in verband met de uitbraak zijn getroffen; |
|
g) |
de mogelijke of bekende oorsprong van de in de lijst opgenomen ziekte; |
|
h) |
de gehanteerde diagnosemethoden. |
3. De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast welke te stellen tot vaststelling van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder e, die de lidstaten overeenkomstig lid 1 van dit artikel onverwijld moeten melden. [Am. 120]
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 121]
Artikel 18
Rapportage in de Unie
1. De lidstaten rapporteren bij de Commissie en de andere lidstaten informatie over in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder e, waarvoor:
|
a) |
geen onverwijlde melding van uitbraken in de zin van artikel 17, lid 1, vereist is; |
|
b) |
een onverwijlde melding van uitbraken in de zin van artikel 17, lid 1, vereist is, maar waarvoor aan de Commissie en de andere lidstaten aanvullende informatie moet worden meegedeeld betreffende:
|
2. De in lid 1 bedoelde rapporten bevatten informatie over:
|
a) |
de opsporing van de in lid 1 bedoelde in de lijst opgenomen ziekten; |
|
b) |
de resultaten van surveillance indien dat overeenkomstig krachtens artikel 29, onder b, punt ii, vastgestelde bepalingen vereist is; |
|
c) |
de resultaten van surveillanceprogramma's indien dat overeenkomstig artikel 27, lid 3, en krachtens artikel 29, onder b, punt ii, vastgestelde bepalingen vereist is; |
|
d) |
uitroeiingsprogramma's indien dat overeenkomstig artikel 33 en de bepalingen van een krachtens artikel 35 vastgestelde uitvoeringshandeling vereist is. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijziging en aanvulling van de voorschriften in lid 2 van dit artikel en betreffende de rapportage over andere aangelegenheden wanneer dat noodzakelijk is voor een doeltreffende toepassing van de bepalingen van deze verordening inzake preventie en bestrijding van ziekten. [Am. 122]
Artikel 19
Gemeenschappelijke bepalingen voor melding en rapportage in de Unie
1. De in artikel 17, lid 1, en artikel 18, lid 1, bedoelde melding in de Unie en rapportage in de Unie vinden plaats op tijdstippen en met frequenties die transparantie en de tijdige toepassing van de nodige risicomanagementmaatregelen garanderen, rekening houdend met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
het soort uitbraak. |
2. Met het oog op de in artikel 17, lid 1, en artikel 18, lid 1, bedoelde melding in de Unie en rapportage in de Unie stellen de lidstaten meldings- en rapportageregio's in.
Artikel 20
Geautomatiseerd informatiesysteem voor melding in de Unie en rapportage in de Unie
De Commissie creëert en beheert een geautomatiseerd informatiesysteem voor de werking van de mechanismen en instrumenten voor de in de artikelen 17, 18 en 19 bedoelde melding in de Unie en rapportage in de Unie.
Artikel 21
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de melding in de Unie en de rapportage in de Unie en het geautomatiseerd informatiesysteem
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen bepalingen vast voor de melding in de Unie en de rapportage in de Unie en het geautomatiseerd informatiesysteem, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20, inzake:
|
a) |
de informatie die de lidstaten moeten verstrekken bij de in artikel 17, lid 1, en artikel 18, lid 1, bedoelde melding in de Unie en rapportage in de Unie; |
|
b) |
de procedures voor het creëren en het gebruik van het in artikel 20 bedoelde geautomatiseerd informatiesysteem, en overgangsmaatregelen voor de migratie van de gegevens en de informatie van de bestaande systemen naar het nieuwe en voor de volledige werking ervan; |
|
c) |
het formaat en de structuur van de gegevens die moeten worden ingevoerd in het in artikel 20 bedoelde geautomatiseerd informatiesysteem; |
|
d) |
de termijnen voor en de frequentie van de in artikel 17, lid 1, en artikel 18, lid 1, bedoelde melding in de Unie en rapportage in de Unie; |
|
e) |
de in artikel 19, lid 2, bedoelde regio's voor melding in de Unie en rapportage in de Unie. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 2
Surveillance
Artikel 22
Surveillanceplicht van de exploitanten
Teneinde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten op te sporen
|
a) |
observeren de exploitanten de gezondheid en het gedrag welzijn van de dieren waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen; [Am. 123] |
|
a bis) |
gaan zij na of er zich in de dierlijke producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, veranderingen voordoen die het vermoeden kunnen wekken dat ze worden veroorzaakt door een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte; [Am. 124] |
|
b) |
gaan zij na of zich in de normale productieparameters van de inrichtingen, dieren of levende producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, veranderingen voordoen die het vermoeden kunnen wekken dat zij worden veroorzaakt door een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte; |
|
c) |
houden zij in het oog of zich bij dieren waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, abnormale sterftegevallen of andere symptomen van een ernstige symptomen overdraagbare ziekte voordoen. [Am. 125] |
|
c bis) |
stemmen zij in met diergezondheidsinspecties door een dierenarts om de aanwezigheid van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten te voorkomen, uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 23 voorziene criteria; de inspecties dienen eveneens om de exploitant advies over biobeveiliging te verstrekken. [Am. 126] |
Exploitanten kunnen deelnemen aan bestaande vrijwillige collectieve maatregelen voor de surveillance van dierziekten. [Am. 127]
Artikel 23
Diergezondheidsinspecties
1. De exploitanten zorgen ervoor dat in de inrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn een dierenarts of een andere gekwalificeerde beroepsbeoefenaar waar nodig diergezondheidsinspecties uitvoert wanneer dat wegens de aan de inrichting verbonden risico's verantwoord is, rekening houdend met: [Am. 128]
|
a) |
het soort inrichting; |
|
b) |
de categorieën en soorten gehouden dieren in de inrichting; |
|
b bis) |
de epizoötiologische situatie in de zone of regio; [Am. 129] |
|
c) |
elke andere pertinente surveillance, kwaliteitsborging of officiële controles waaraan de gehouden dieren en het soort inrichting onderworpen zijn. |
Die diergezondheidsinspecties worden verricht met een frequentie die voor een bevredigende dierziektepreventie zorgt en in verhouding staat tot de aan de inrichting verbonden risico's. De bevoegde autoriteit stelt gedetailleerde voorschriften vast inzake de inhoud en de frequentie van de diergezondheidsinspecties voor de verschillende risiconiveaus die de verschillende soorten inrichtingen opleveren. [Am. 130]
Zij kunnen worden gecombineerd met andere inspecties.
2. De in lid 1 bedoelde diergezondheidsinspecties beogen:
|
a) |
het opsporen van mogelijke informatie over de aanwijzingen voor in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten; [Am. 131] |
|
b) |
het verstrekken aan de exploitant van advies over biobeveiliging en andere diergezondheidskwesties, voor zover dat relevant is voor het soort inrichting en de categorieën en soorten gehouden dieren in de inrichting. |
|
b bis) |
het verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteit als aanvulling op de in artikel 25 voorziene surveillance. [Am. 132] |
Artikel 24
Bevoegdheidsdelegatie inzake diergezondheidsinspecties
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de aanvulling van:
|
|
b) |
de bepaling van de soorten inrichtingen waar diergezondheidsinspecties moeten worden uitgevoerd. [Am. 133] |
Artikel 25
Surveillanceplicht van de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit surveilleert voor aanwezigheid van in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder e), en voor nieuwe ziekten.
2. De surveillance wordt aldus opgezet dat de aanwezigheid van in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder e), en van nieuwe ziekten tijdig wordt opgespoord door het inwinnen, vergelijken en analyseren van relevante informatie betreffende de ziektesituatie. Deze surveillance is een aanvulling en steunt op de surveillance die wordt uitgevoerd door de exploitanten, zowel individueel, als in het kader van collectieve vrijwillige programma's. [Am. 134]
3. De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde surveillancegegevens doeltreffend en efficiënt worden ingewonnen en verwerkt.
Artikel 26
Methodiek, frequentie en intensiteit van de surveillance
De opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de in artikel 25, lid 1, bedoelde surveillance zijn dienstig voor en evenredig met de doelstellingen van de surveillance, rekening houdend met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de betrokken risicofactoren; |
|
c) |
de gezondheidsstatus in:
|
|
d) |
de surveillance door de exploitanten overeenkomstig artikel 22 of door andere overheidsinstellingen. |
Artikel 27
Surveillanceprogramma's
1. De bevoegde autoriteit verricht de in artikel 25, lid 1, bedoelde surveillance in het kader van een surveillanceprogramma, wanneer gestructureerde surveillance noodzakelijk is wegens:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de betrokken risicofactoren. |
|
b bis) |
de in het verleden opgedane ervaringen met ziekten in de lidstaat, een zone of een compartiment [Am. 135] |
2. Lidstaten die een surveillanceprogramma in de zin van lid 1 opstellen, delen dat mee aan de Commissie en de andere lidstaten.
3. Lidstaten die uitvoering geven aan een surveillanceprogramma in de zin van lid 1, brengen aan de Commissie regelmatig rapport uit over de resultaten van dat surveillanceprogramma.
Artikel 28
Bevoegdheidsdelegatie
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de in artikel 26 bedoelde surveillance; |
|
b) |
de criteria voor de officiële bevestiging en gevalsdefinities van in artikel 8, lid 1, onder e), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten en, in voorkomend geval, nieuwe ziekten; |
|
b bis) |
de vaststelling van de in artikel 8, lid 1, onder e), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten waarvoor surveillanceprogramma's moeten gelden; [Am. 136] |
|
c) |
de aan in artikel 27, lid 1, bedoelde surveillanceprogramma's gestelde eisen inzake:
|
Artikel 29
Uitvoeringsbevoegdheden
De Commissie stelt voor de surveillance en surveillanceprogramma's, bedoeld in de artikelen 26 en 27 en de krachtens artikel 28 vastgestelde regelgeving, bij uitvoeringshandelingen voorschriften vast inzake:
|
a) |
de vaststelling voor welke van de in artikel 8, lid 1, onder e), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten surveillanceprogramma's moeten gelden; [Am. 137] |
|
b) |
de vorm en de procedure om:
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 3
Uitroeiingsprogramma's
Artikel 30
Verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's
1. Lidstaten die niet voor hun hele grondgebied of zones of compartimenten daarvan vrij zijn van of bekend staan als vrij van een of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b):
|
a) |
stellen een programma op om die in de lijst opgenomen ziekte uit te roeien of om aan te tonen dat zij vrij zijn van die ziekte, dat moet worden uitgevoerd in de dierpopulaties die met die ziekte te maken hebben en dat de relevante delen van hun grondgebied of de relevante zones of compartimenten daarvan bestrijkt („verplicht uitroeiingsprogramma”); |
|
b) |
leggen het ontwerp van het verplichte uitroeiingsprogramma ter goedkeuring voor aan de Commissie. |
2. Lidstaten die niet vrij zijn van of niet bekend staan als zijnde vrij van een of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), en die besluiten om een programma voor de uitroeiing van die in de lijst opgenomen ziekte op te stellen dat moet worden uitgevoerd in de dierpopulaties die met die ziekte te maken hebben en dat de relevante delen van hun grondgebied of zones of compartimenten daarvan bestrijkt („vrijwillig uitroeiingsprogramma”), leggen dat programma ter goedkeuring voor aan de Commissie , in welk geval:
|
a) |
de lidstaat vraagt om erkenning van diergezondheidswaarborgen binnen de Unie voor die ziekte met betrekking tot verplaatsingen van dieren of producten; of |
|
b) |
het vrijwillige uitroeiingsprogramma in aanmerking komt voor financiële steun van de Unie . [Am. 140] |
3. De Commissie verleent bij uitvoeringshandelingen goedkeuring voor:
|
a) |
ontwerpen van verplichte uitroeiingsprogramma's die haar overeenkomstig lid 1 ter goedkeuring zijn voorgelegd; |
|
b) |
ontwerpen van vrijwillige uitroeiingsprogramma's die haar overeenkomstig lid 2 ter goedkeuring zijn voorgelegd. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte die een risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast zoals bedoeld in dit lid, onder a).
De Commissie kan de lidstaten bij uitvoeringshandelingen voorschrijven om waar nodig overeenkomstig de punten a) en b) goedgekeurde uitroeiingsprogramma's bij uitvoeringshandelingen te wijzigen of te beëindigen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 141]
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de doelstellingen, de ziektebestrijdingsstrategieën en de tussentijdse doelstellingen van verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's; |
|
b) |
afwijkingen van de in lid 1, onder b), en lid 2 van dit artikel bedoelde verplichting om verplichte uitroeiingsprogramma's en vrijwillige uitroeiingsprogramma's ter goedkeuring in te dienen, wanneer die goedkeuring niet nodig is omdat met betrekking tot die programma's bepalingen zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 31, lid 2, artikel 34, lid 2, en artikel 35; |
|
c) |
de informatie die de lidstaten aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten verstrekken inzake de onder b) bedoelde afwijkingen van het vereiste van goedkeuring van verplichte uitroeiingsprogramma's en vrijwillige uitroeiingsprogramma's. |
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de krachtens dit lid, onder b), vastgestelde bepalingen te wijzigen of in te trekken.
Artikel 31
Maatregelen in het kader van de verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's
1. Verplichte uitroeiingsprogramma's en vrijwillige uitroeiingsprogramma's omvatten ten minste de volgende maatregelen:
|
a) |
ziektebestrijdingsmaatregelen om de ziekteverwekker uit te roeien in inrichtingen, compartimenten en zones waar de ziekte voorkomt en om herinfectie te voorkomen; |
|
b) |
surveillance overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 26 tot en met 29, met het oog op het aantonen van:
|
|
c) |
ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen indien de resultaten van de surveillance positief zijn. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de in lid 1, onder a), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen; |
|
b) |
ziektebestrijdingsmaatregelen om te voorkomen dat de betrokken dierpopulatie opnieuw met de betrokken ziekte wordt besmet in inrichtingen, zones en compartimenten; |
|
c) |
de opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de surveillance, bedoeld in artikel 26; |
|
d) |
de in lid 1, onder c), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van positieve resultaten voor de in de lijst opgenomen ziekte; |
|
e) |
vaccinatie. |
Artikel 32
Inhoud van de in te dienen verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's
Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 30, leden 1 en 2, verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen, nemen zij daarin de volgende informatie op:
|
a) |
een beschrijving van de epizoötiologische situatie van de in de lijst opgenomen ziekte waarop het verplichte of het vrijwillige uitroeiingsprogramma betrekking heeft; |
|
b) |
een beschrijving en afbakening van het geografische en bestuurlijke gebied waarop het verplichte of het vrijwillige uitroeiingsprogramma betrekking heeft; |
|
c) |
een beschrijving van de ziektebestrijdingsmaatregelen in het verplichte of het vrijwillige uitroeiingsprogramma, bedoeld in artikel 31, lid 1, en de krachtens artikel 31, lid 2, vastgestelde regelgeving; |
|
d) |
de geschatte looptijd van het verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma; |
|
e) |
de tussentijdse doelstellingen en de ziektebestrijdingsstrategieën ter uitvoering van het verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma; |
|
f) |
een analyse van de verwachte kosten en baten van het verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma. |
|
f bis) |
de nauwkeurige vermelding van alle openbare autoriteiten en/of particuliere instanties die in verschillende functies betrokken zijn bij de programma's, alsook duidelijke informatie over hun respectieve rollen en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de programma's. [Am. 142] |
Artikel 33
Rapportage
De lidstaat die een verplicht of vrijwillig uitroeiingsprogramma uitvoert, verstrekt de Commissie:
|
a) |
regelmatig tussentijdse rapporten betreffende de monitoring van de in artikel 32, onder e), bedoelde tussentijdse doelstellingen van de lopende verplichte of vrijwillige programma's; |
|
b) |
een eindrapport na afloop ervan. |
Artikel 34
Uitvoeringstermijn van uitroeiingsprogramma's
1. Verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's zijn van toepassing tot de volgende situatie is bereikt:
|
a) |
de voorwaarden voor het aanvragen van de ziektevrije status van het grondgebied van de lidstaat of van een zone als bedoeld in artikel 36, lid 1, of van een compartiment als bedoeld in artikel 37, lid 1, zijn vervuld; of |
|
b) |
in het geval van vrijwillige uitroeiingsprogramma's, de voorwaarden voor het aanvragen van de ziektevrije status kunnen niet worden vervuld en het programma beantwoordt niet langer aan zijn doel; in dat geval wordt het door de bevoegde autoriteit of door de Commissie ingetrokken volgens de procedure op grond waarvan het was opgesteld. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvulling en wijziging van de in lid 1 van dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de uitvoeringstermijn van verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's.
Artikel 35
Uitvoeringsbevoegdheden en delegatie van bevoegdheden met betrekking tot prestatie-indicatoren [Am. 143]
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen de voorschriften vast voor de informatie, vorm en procedure met betrekking tot de regelgeving van de artikelen 30 tot en met 33 over:
|
a) |
het ter goedkeuring indienen van ontwerpen van verplichte en vrijwillige uitroeiingsprogramma's; |
|
b) |
prestatie-indicatoren; [Am. 144] |
|
c) |
de rapportage aan de Commissie en de andere lidstaten over de resultaten van de uitvoering van verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van indicatoren ter meting van de prestaties van verplichte of vrijwillige uitroeiingsprogramma's als bedoeld in de artikelen 30, 31 en 32. [Am. 145]
Hoofdstuk 4
Ziektevrije status
Artikel 36
Ziektevrije lidstaten en zones
1. Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om zijn gehele grondgebied of een of meer zones daarvan vrij te verklaren van één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), mits aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
op het gehele grondgebied van de lidstaat of in de zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft, komt geen enkele diersoort voor die is opgenomen in de lijst voor de ziekte waarop het verzoek voor het verkrijgen van de ziektevrije status betrekking heeft; |
|
b) |
van de ziekteverwekker is bekend dat hij op het gehele grondgebied van de lidstaat, of in de zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft, niet kan overleven; |
|
c) |
in het geval van in de lijst opgenomen ziekten die enkel door vectoren worden overgedragen, komt op het gehele grondgebied van de lidstaat of in de zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft geen van de vectoren voor of is bekend dat die daar niet kunnen overleven; |
|
d) |
het vrij zijn van de in de lijst opgenomen ziekte is aangetoond door middel van:
|
2. Verzoeken van lidstaten voor het verkrijgen van de ziektevrije status bevatten bewijsmateriaal om te staven dat aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van de ziektevrije status is voldaan.
3. Wanneer aan de in de leden 1 en 2 gestelde voorwaarden is voldaan, willigt de Commissie, na zo nodig wijzigingen te hebben aangebracht, bij een uitvoeringshandeling de verzoeken van lidstaten voor het verkrijgen van de ziektevrije status in.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 37
Compartimenten
1. Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om voor in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), de ziektevrije status van compartimenten te erkennen, en de ziektevrije status van dat compartiment te beschermen in geval van uitbraken van een of meer van die in de lijst opgenomen ziekten op zijn grondgebied, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de insleep van de in de lijst opgenomen ziekte of ziekten waarop het verzoek betrekking heeft, kan, rekening houdend met het ziekteprofiel, op het niveau van het compartiment doeltreffend worden voorkomen; |
|
b) |
het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is aan één gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem onderworpen om de ziektevrije status van alle inrichtingen die er deel van uitmaken te garanderen; |
|
c) |
het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is door de bevoegde autoriteit erkend voor verplaatsingen van dieren en producten daarvan overeenkomstig:
|
2. Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om voor een of meer in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), de ziektevrije status van compartimenten te erkennen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de insleep van de in de lijst opgenomen ziekte of ziekten waarop het verzoek betrekking heeft, kan, rekening houdend met het ziekteprofiel, op het niveau van het compartiment doeltreffend worden voorkomen; |
|
b) |
er is voldaan aan een of meer van de volgende voorwaarden:
|
|
c) |
de exploitanten van de inrichtingen van het compartiment hebben een gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem om de ziektevrije status van het compartiment te garanderen; |
|
d) |
het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is door de bevoegde autoriteit erkend voor verplaatsingen van dieren en producten daarvan overeenkomstig:
|
3. Verzoeken van lidstaten voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten overeenkomstig de leden 1 en 2 bevatten bewijsmateriaal om te staven dat aan de in die leden gestelde voorwaarden is voldaan.
4. Wanneer aan de in de leden 1 of 2 en aan de in lid 3 gestelde voorwaarden is voldaan, erkent de Commissie, na zo nodig wijzigingen te hebben aangebracht, bij uitvoeringshandelingen de ziektevrije status van compartimenten.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de eisen voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten, bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, rekening houdend met het profiel van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), b) en c), betreffende ten minste:
|
|
b) |
de nadere bepalingen voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten door de bevoegde autoriteit, bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel; |
|
c) |
compartimenten die zich op het grondgebied van meer dan één lidstaat bevinden. |
Artikel 38
Lijsten van ziektevrije zones of compartimenten
Elke lidstaat maakt en handhaaft een bijgewerkte lijst van:
|
a) |
ziektevrije grondgebieden of zones, bedoeld in artikel 36, lid 1; |
|
b) |
ziektevrije compartimenten, bedoeld in artikel 37, leden 1 en 2. |
De lidstaten maken die lijsten openbaar.
Artikel 39
Bevoegdheidsdelegatie inzake de ziektevrije status van lidstaten en zones
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
nadere bepalingen inzake de ziektevrije status van lidstaten en zones daarvan, rekening houdend met de verschillende ziekteprofielen, met betrekking tot:
|
|
b) |
afwijkingen van het in artikel 36, lid 1, bedoelde vereiste dat de Commissie voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), de ziektevrije status erkent wanneer die erkenning niet nodig is omdat voor het ziektevrij zijn nadere bepalingen zijn vastgesteld in krachtens punt a) van dit artikel vastgestelde regelgeving; |
|
c) |
de informatie die de lidstaten aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten verstrekken ter staving van de verklaringen betreffende de ziektevrije status, zonder dat overeenkomstig artikel 36, lid 3, een uitvoeringshandeling is vastgesteld, zoals bepaald in punt b van dit artikel. |
Artikel 40
Uitvoeringsbevoegdheden
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen eisen vast inzake de ziektevrije status van grondgebieden, zones en compartimenten die betrekking hebben op de bepalingen van de artikelen 36, 37 en 38 en de bepalingen in krachtens artikel 39 vastgestelde gedelegeerde handelingen, met betrekking tot:
|
a) |
het bepalen voor welke van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), b) en c), overeenkomstig artikel 37 ziektevrije compartimenten mogen worden ingesteld; |
|
b) |
de eisen betreffende de te verstrekken informatie, en de vorm van en de procedures voor:
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 41
Handhaving van de ziektevrije status
1. De lidstaten handhaven de ziektevrije status van hun grondgebied of van zones of compartimenten daarvan slechts zolang de volgende voorwaarden vervuld zijn:
|
a) |
aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de ziektevrije status in artikel 36, lid 1, artikel 37, leden 1 en 2, en krachtens lid 3 van dit artikel en artikel 39 vastgestelde bepalingen is voldaan; |
|
b) |
er wordt met inachtneming van de in artikel 26 gestelde eisen, surveillance verricht om te controleren dat het grondgebied, de zone of het compartiment vrij blijft van de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend; |
|
c) |
overeenkomstig de bepalingen in de delen IV en V gelden beperkingen op verplaatsingen naar het grondgebied, de zone of het compartiment van dieren, en in voorkomend geval van hun producten, van soorten die in de lijst zijn opgenomen voor de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend; |
|
d) |
er worden andere biobeveiligingsmaatregelen toegepast om de insleep te voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend. |
2. Wanneer de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor handhaving van de ziektevrije status niet langer vervuld zijn, deelt een lidstaat dat onverwijld mee aan de Commissie.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status:
|
a) |
surveillance in de zin van lid 1, onder b); |
|
b) |
biobeveiligingsmaatregelen in de zin van lid 1, onder c). |
Artikel 42
Opschorting, intrekking en herinvoering van de ziektevrije status
1. Wanneer een lidstaat redenen heeft om aan te nemen of door een kennisgeving van de Commissie wordt gewaarschuwd dat een van de voorwaarden voor de handhaving van zijn status als ziektevrije lidstaat, ziektevrije zone of compartiment daarvan is geschonden, [Am. 146]
|
a) |
schort hij onverwijld de verplaatsingen op van de in de lijst opgenomen soort voor de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status is goedgekeurd of erkend, naar andere lidstaten, zones of compartimenten met een voor die in de lijst opgenomen ziekte hogere gezondheidsstatus neemt hij de nodige maatregelen afhankelijk van het risico dat het verplaatsen van dieren inhoudt voor de desbetreffende ziekte ; [Am. 147] |
|
b) |
neemt hij, indien dat dienstig is ter voorkoming van de verspreiding van een in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status is goedgekeurd of erkend, onverwijld de in deel III, titel II, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen. |
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen worden opgeheven wanneer nader onderzoek het volgende bevestigt:
|
a) |
de vermoede schending heeft niet plaatsgevonden; of |
|
b) |
de vermoede schending heeft geen wezenlijk effect gehad en de lidstaat kan garanderen dat de voorwaarden voor handhaving van zijn ziektevrije status opnieuw vervuld zijn. |
3. Wanneer nader onderzoek door de lidstaat bevestigt dat het zeer waarschijnlijk is dat de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor hij de ziektevrije status had verkregen, is voorgekomen of dat andere ernstige schendingen van de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status hebben plaatsgevonden, deelt de lidstaat dat onverwijld mee aan de Commissie.
4. Wanneer De Commissie van de lidstaat de in lid 3 van dit artikel bedoelde mededeling heeft ontvangen dat de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status niet langer zijn vervuld, trekt daarop onverwijld zij bij uitvoeringshandelingen de krachtens artikel 36, lid 3, verleende goedkeuring van de ziektevrije status van een lidstaat of zone of de krachtens artikel 37, lid 4, verleende erkenning van de ziektevrije status van een compartiment in. [Am. 148]
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van uiterste urgentie, stelt de Commissie, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde in de lijst opgenomen ziekte zich snel verspreidt met het risico van zeer ernstige gevolgen voor de diergezondheid of de volksgezondheid, de economie of de samenleving, volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende bepalingen inzake de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde schorsing, intrekking en herinvoering van de ziektevrije status , door de betrokken lidstaat te treffen maatregelen en te verrichten onderzoeken .[Am. 149]
Hoofdstuk 4 bis.
Officiële laboratoria voor diergezondheid [Am. 150]
Artikel 42 bis
Europees netwerk van officiële laboratoria voor diergezondheid
1. Het Europees netwerk van laboratoria bestaat uit de referentielaboratoria van de Unie, de nationale referentielaboratoria en de officiële laboratoria voor diergezondheid.
2. De laboratoria van het Europees netwerk werken onderling samen bij de uitvoering van hun taken en plichten om ervoor te zorgen dat het toezicht op dierziekten en de in deze verordening bedoelde bestrijdings- en uitroeiingsprogramma's zijn gebaseerd op de meest geavanceerde wetenschappelijke normen en op deugdelijke en betrouwbare diagnoses. [Am. 151]
Artikel 42 ter
Referentielaboratoria van de Unie
1. De Commissie wijst referentielaboratoria van de Unie aan voor ziekten waarvoor, vanwege de gevolgen ervan voor de volksgezondheid of de economie, de doelstellingen van deze verordening absoluut moeten worden verwezenlijkt.
2. Die aanwijzing gebeurt via een openbare selectieprocedure en wordt periodiek herzien.
3. De referentielaboratoria van de Unie:
|
a) |
werken overeenkomstig de norm EN ISO/IEC 17025 betreffende „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria” en worden overeenkomstig die norm beoordeeld en geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie die werkt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (56); |
|
b) |
zijn onpartijdig en vrij van belangenconflicten ten aanzien van de uitoefening van hun taken als referentielaboratoria van de Unie; |
|
c) |
beschikken over behoorlijk gekwalificeerde personeelsleden die voldoende zijn opgeleid betreffende de op hun bevoegdheidsterrein toegepaste analyse-, test- en diagnosetechnieken, alsook over ondersteunend personeel indien nodig; |
|
d) |
beschikken over of hebben toegang tot de infrastructuur, uitrusting en producten die nodig zijn voor het uitvoeren van de hun toegewezen taken; |
|
e) |
zorgen ervoor dat hun personeelsleden goede kennis van de internationale normen en praktijken hebben en dat bij hun werk rekening wordt gehouden met de laatste ontwikkelingen van het onderzoek op nationaal niveau, op het niveau van de Unie en op internationaal niveau; |
|
f) |
zijn behoorlijk geëquipeerd om hun taken in noodsituaties te verrichten; |
|
g) |
zijn in voorkomend geval behoorlijk geëquipeerd om aan de toepasselijke normen inzake biobeveiliging te voldoen, rekening houdend met de meest recente ontwikkelingen op het gebied van onderzoek op nationaal, internationaal en op Unieniveau; zijn behoorlijk geëquipeerd om hun taken in noodsituaties te verrichten; zijn in voorkomend geval behoorlijk geëquipeerd om aan de toepasselijke normen inzake biobeveiliging te voldoen. |
4. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen de specifieke taken en plichten van de referentielaboratoria van de Unie vast en, in voorkomend geval, de minimumvoorschriften voor de benodigde installaties en uitrusting en het benodigde personeel. [Am. 152]
Artikel 42 quater
Nationale referentielaboratoria
1. Voor elk referentielaboratorium van de Unie dat overeenkomstig artikel 42 ter, lid 1, is aangewezen, wijzen de lidstaten een of meer nationale referentielaboratoria aan.
2. De nationale referentielaboratoria moeten voldoen aan de in artikel 42 ter, lid 2, gestelde eisen.
3. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen de specifieke taken en plichten van de nationale referentielaboratoria vast en, in voorkomend geval, de minimumvoorschriften voor de nodige installaties en uitrusting en het nodige personeel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 153]
Artikel 42 quinquies
Algemene coördinatie van de laboratoria
1. De referentielaboratoria van de Europese Unie en de nationale referentielaboratoria zullen, op de gebieden die binnen hun bevoegdheid vallen:
|
i. |
garanderen dat de in artikel 42 sexies bedoelde officiële laboratoria voor diergezondheid beschikken over actuele informatie betreffende beschikbare methodes; |
|
ii. |
vergelijkende proeven tussen laboratoria organiseren en zorgen voor de actieve deelname van die laboratoria; |
|
iii. |
de opleidingsbehoeften van het personeel van de laboratoria vaststellen en erin voorzien; |
|
iv. |
de kwaliteit en geschiktheid van de reagentia en kits die bij de laboratoriumdiagnoses worden gebruikt, evalueren en referentiemateriaal produceren en verspreiden. |
2. De referentielaboratoria van de Unie en de nationale referentielaboratoria staan in voor de algemene coördinatie van het netwerk van laboratoria voor diergezondheid die onder hun territoriale bevoegdheid vallen. [Am. 154]
Artikel 42 sexies
Officiële laboratoria voor diergezondheid
1. De bevoegde autoriteiten wijzen officiële laboratoria aan voor het verrichten van laboratoriumanalyses en diagnoses op het gebied van dierziekten.
2. Het door de bevoegde autoriteiten als officieel laboratorium aangewezen laboratorium:
|
a) |
beschikt over de vereiste deskundigheid, uitrusting en infrastructuur om analyses, tests of diagnoses op monsters te verrichten; |
|
b) |
beschikt over een voldoende aantal voldoende gekwalificeerde, opgeleide en ervaren personeelsleden; |
|
c) |
is onpartijdig en vrij van belangenconflicten ten aanzien van de uitoefening van zijn taken als officieel laboratorium; |
|
d) |
kan tijdig de nodige analyse-, test- en diagnoseresultaten leveren; |
|
e) |
beschikt over een kwaliteitsborgingssysteem om te waarborgen dat de toegepaste methoden voor laboratoriumanalyses en diagnoses deugdelijke en betrouwbare resultaten opleveren. |
3. De officiële laboratoria voor diergezondheid werken samen met de nationale referentielaboratoria van de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun taken en plichten conform de meest geavanceerde wetenschappelijke en kwaliteitsnormen worden verricht. [Am. 155]
DEEL III
WAAKZAAMHEID EN PARAATHEID VOOR ZIEKTEN EN ZIEKTEBESTRIJDING
TITEL I
Waakzaamheid en paraatheid voor ziekten
Hoofdstuk 1
Rampenplannen en simulatieoefeningen
Artikel 43
Rampenplannen
1. De lidstaten stellen rampenplannen en, waar nodig, gedetailleerde handleidingen op met de maatregelen die in de lidstaat moeten worden getroffen wanneer zich een geval of een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), of van een nieuwe ziekte voordoet, en werken die bij, zodat grote waakzaamheid en paraatheid voor ziekten en een snelle respons worden gewaarborgd.
2. De rampenplannen en, in voorkomend geval, de gedetailleerde handleidingen voorzien ten minste in:
|
a) |
de instelling van een hiërarchisch gestructureerde taakverdeling binnen de bevoegde autoriteit en met andere overheidsinstellingen om te zorgen voor een snelle en doeltreffende besluitvorming op nationaal, regionaal en lokaal niveau; |
|
b) |
het kader voor de samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de andere betrokken overheidsinstellingen om ervoor te zorgen dat maatregelen op een samenhangende en gecoördineerde wijze worden genomen; |
|
c) |
toegang tot
|
|
d) |
de beschikbaarheid van de volgende centra en groepen die beschikken over de nodige deskundigheid om de bevoegde autoriteit te helpen:
|
|
e) |
de uitvoering van de ziektebestrijdingsmaatregelen in de zin van titel II, hoofdstuk 1, voor de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), en voor nieuwe ziekten; |
|
f) |
in voorkomend geval bepalingen inzake noodvaccinatie; |
|
g) |
beginselen voor de geografische afbakening van door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 64, lid 1, ingestelde beperkingszones; |
|
h) |
in voorkomend geval, coördinatie met naburige lidstaten en aangrenzende derde landen en grondgebieden. |
2 bis. De lidstaten raadplegen de belanghebbenden bij het opstellen en bijwerken van rampenplannen. [Am. 157]
Artikel 44
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringsbevoegdheden inzake rampenplannen
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot gedetailleerde eisen en voorwaarden voor de in artikel 43, lid 1, bedoelde rampenplannen en ter aanvulling van de vereisten van artikel 43, lid 2, rekening houdend met:
|
a) |
de doelstellingen van de rampenplannen, die moeten zorgen voor een grote waakzaamheid en paraatheid voor ziekten en een snelle respons; |
|
b) |
het ziekteprofiel van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a); |
|
c) |
nieuwe kennis van en de ontwikkelingen inzake in de lijst opgenomen ziekten en instrumenten voor ziektebestrijding. [Am. 158] |
2. De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen eisen inzake de praktische tenuitvoerlegging in de lidstaten van de in artikel 43, lid 1, bedoelde rampenplannen vast, die betrekking hebben op:
|
a) |
de aangelegenheden bedoeld in artikel 43, lid 2, onder a) en c) tot en met h); |
|
b) |
andere operationele aspecten van de rampenplannen in de lidstaten; |
|
c) |
gedetailleerde eisen en voorwaarden voor de praktische uitvoering van de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 45
Simulatieoefeningen
1. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat regelmatig simulatieoefeningen voor de in artikel 43, lid 1, bedoelde rampenplannen worden gehouden:
|
a) |
teneinde in de lidstaat te zorgen voor een grote waakzaamheid en paraatheid voor ziekten en een snelle respons; |
|
b) |
teneinde de doelmatigheid van die rampenplannen te verifiëren. |
2. Voor zover dat haalbaar en dienstig is, worden simulatieoefeningen gehouden in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de naburige lidstaten en aangrenzende derde landen en grondgebieden.
3. De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten op hun verzoek een verslag over de voornaamste resultaten van de simulatieoefeningen.
4. Indien zulks dienstig en nodig is, stelt de Commissie voor de praktische uitvoering van simulatieoefeningen in de lidstaten bij uitvoeringshandelingen bepalingen vast inzake:
|
a) |
de frequentie, de inhoud en de vorm van simulatieoefeningen; |
|
b) |
simulatieoefeningen betreffende meer dan één in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a); |
|
c) |
samenwerking tussen naburige lidstaten en met aangrenzende derde landen en gebieden. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 2
Gebruik van diergeneesmiddelen voor de preventie en bestrijding van ziekten
Artikel 46
Gebruik van diergeneesmiddelen voor de preventie en bestrijding van ziekten
1. De lidstaten kunnen treffen maatregelen treffen betreffende het verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen voor in de lijst opgenomen besmettelijke ziekten, om te zorgen voor een zo efficiënt mogelijke preventie of bestrijding van die ziekten, mits die maatregelen stroken met de bepalingen inzake het gebruik van diergeneesmiddelen in krachtens artikel 47 vastgestelde gedelegeerde handelingen. [Am. 159]
Die maatregelen kunnen het volgende omvatten:
|
a) |
het verbod en de beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen; |
|
b) |
het verplichte gebruik van diergeneesmiddelen. |
2. Wanneer de lidstaten beoordelen of ter preventie en bestrijding van een bepaalde in de lijst opgenomen ziekte al dan niet diergeneesmiddelen mogen worden gebruikt, en zo ja, hoe, houden zij rekening met de volgende criteria: [Am. 160]
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte in:
|
|
c) |
de beschikbaarheid, de doeltreffendheid en de risico's van de diergeneesmiddelen , evenals de schadelijke effecten van antimicrobiële resistentie ; [Am. 161] |
|
d) |
de beschikbaarheid van diagnostische tests voor het opsporen van besmettingen bij dieren die met de diergeneesmiddelen worden behandeld; |
|
e) |
de economische, sociale en milieueffecten en de gevolgen voor het dierenwelzijn van het gebruik van de diergeneesmiddelen in vergelijking met andere beschikbare strategieën voor de preventie en bestrijding van ziekten. |
3. De lidstaten treffen passende preventiemaatregelen voor het gebruik van diergeneesmiddelen voor wetenschappelijk onderzoek, of voor het onder gecontroleerde omstandigheden ontwikkelen en testen daarvan, teneinde de diergezondheid en de volksgezondheid te beschermen.
3 bis. Met het oog op vermindering van de antimicrobiële resistentie en overeenkomstig Actie nr. 5 van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie — brengen de lidstaten uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening verslag uit bij de Commissie over het gebruik van diergeneesmiddelen die antibiotica bevatten op hun grondgebied. Vervolgens stelt de Unie uiterlijk binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening passende streefcijfers voor de vermindering daarvan vast. [Am. 162]
Artikel 47
Bevoegdheidsdelegatie inzake het gebruik van diergeneesmiddelen
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
het verbod en de beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen; |
|
b) |
specifieke voorwaarden voor het gebruik van diergeneesmiddelen voor een specifieke in de lijst opgenomen ziekte; [Am. 163] |
|
c) |
het verplichte gebruik van diergeneesmiddelen; |
|
d) |
risicobeperkende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten door dieren die zijn behandeld met de diergeneesmiddelen of door producten van die dieren; [Am. 164] |
|
e) |
surveillance na het gebruik van vaccins en andere diergeneesmiddelen voor specifieke in de lijst opgenomen ziekten. [Am. 165] |
|
e bis) |
bepalingen inzake het doel waarvoor dieren die een noodvaccinatie hebben ondergaan mogen worden gebruikt. [Am. 166] |
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bepalingen houdt de Commissie rekening met de criteria van artikel 46, lid 2.
3. Indien dit bij nieuwe risico's om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de procedure van artikel 254 van toepassing op krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde regelgeving.
Hoofdstuk 3
Antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken
Artikel 48
Oprichting van antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie
1. Voor in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarvoor vaccinatie niet verboden is bij een krachtens artikel 47, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie oprichten en daarvoor beheersverantwoordelijkheid dragen, teneinde voorraden van een of meer van de volgende biologische producten op te slaan en te vervangen:
|
a) |
antigenen; |
|
b) |
vaccins; |
|
c) |
bronmateriaal voor vaccins; |
|
d) |
diagnosereagentia. |
1 bis. De Commissie zorgt voor een versnelde ontwikkelings- en registratieprocedure voor nieuwe ziekteverwekkers en/of de invoer van naar behoren geregistreerde diergeneesmiddelen. [Am. 167]
2. De Commissie ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie:
|
a) |
voldoende grote voorraden van de juiste soorten antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia voor de specifieke in de lijst opgenomen ziekte aanhouden, rekening houdend met de in het kader van de in artikel 43, lid 1, bedoelde rampenplannen geraamde behoeften van de lidstaten; |
|
b) |
regelmatig voorraden antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia ontvangen en die tijdig vervangen; |
|
c) |
worden beheerd en verplaatst overeenkomstig de passende normen voor biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking, bedoeld in artikel 15, lid 1, en krachtens artikel 15, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
het beheer, de opslag en de vervanging van voorraden van de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, bedoeld in de leden 1 en 2; |
|
b) |
de eisen op het gebied van biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking voor de werking van die banken, rekening houdend met de eisen in artikel 15, lid 1, en in krachtens artikel 15, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Artikel 49
Toegang tot de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie
1. Voor zover voorraden beschikbaar zijn, levert de Commissie op verzoek de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten uit de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie aan:
|
a) |
lidstaten; |
|
b) |
derde landen of grondgebieden, mits dat in de eerste plaats gericht is op het voorkomen van de verspreiding van een ziekte naar de Unie. |
2. Indien slechts beperkte voorraden beschikbaar zijn, stelt de Commissie prioriteiten vast voor de in lid 1 bedoelde toegang, rekening houdend met:
|
a) |
de ziekteomstandigheden waaronder het verzoek wordt ingediend; |
|
b) |
het bestaan van een nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank in de verzoekende lidstaat of het verzoekende derde land of grondgebied; |
|
c) |
het bestaan van EU-maatregelen voor verplichte vaccinatie, voorgeschreven in krachtens artikel 47, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Artikel 50
Uitvoeringsbevoegdheden inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen bepalingen vast inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, waarin voor de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten wordt bepaald:
|
a) |
welke van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie moeten worden opgenomen voor welke van de in artikel 8, lid 1, onder a), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten; |
|
b) |
welke soorten van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank van de Unie moeten worden opgenomen, en in welke hoeveelheden voor elke in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarvoor de bank bestaat; |
|
c) |
welke eisen gelden met betrekking tot de levering, de opslag en de vervanging van die biologische producten; |
|
d) |
de levering van die biologische producten uit de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie aan de lidstaten en aan derde landen en grondgebieden; |
|
e) |
procedurele en technische eisen voor het opnemen van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, en voor het aanvragen van toegang ertoe. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), die een risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
Artikel 51
Vertrouwelijkheid van informatie inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie
De informatie over de hoeveelheden en subtypes van de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten die zijn opgeslagen in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie wordt als gerubriceerde informatie beschouwd en wordt niet bekendgemaakt.
Artikel 52
Nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken
1. Lidstaten die een nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank hebben opgericht voor in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarvoor antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie bestaan, zorgen ervoor dat hun nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken voldoen aan de eisen op het gebied van biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking van artikel 15, lid 1, onder a), en krachtens artikel 15, lid 2, en artikel 48, lid 3, onder b), vastgestelde gedelegeerde handelingen.
2. De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten bijgewerkte informatie over:
|
a) |
het bestaan of de oprichting van nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken als bedoeld in lid 1; |
|
b) |
de soorten antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia en de hoeveelheden daarvan in die banken; |
|
c) |
eventuele wijzigingen in de werking van die banken. |
3. De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen bepalingen vaststellen met betrekking tot de inhoud, de frequentie en de vorm van de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatieverstrekking.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
TITEL II
Ziektebestrijdingsmaatregelen
Hoofdstuk 1
In de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a)
Afdeling 1
Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte bij gehouden dieren
Artikel 53
Verplichtingen van exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, melden personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, exploitanten en houders van gezelschapsdieren de aanwijzingen of het vermoeden overeenkomstig artikel 16, lid 1, aan de bevoegde autoriteit en aan dierenartsen, en nemen zij in afwachting van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 54, lid 1, en artikel 55, lid 1, passende ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder c), d) en e), om de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte van de getroffen dieren, inrichtingen en locaties die onder hun verantwoordelijkheid vallen, naar andere dieren of naar mensen te voorkomen.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen ter aanvulling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen door exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren.
Artikel 54
Onderzoek door de bevoegde autoriteit bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, verricht de bevoegde autoriteit onverwijld een onderzoek om de aanwezigheid van die in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.
2. Met betrekking tot het in lid 1 bedoelde onderzoek zorgt de bevoegde autoriteit er in voorkomend geval voor dat officiële dierenartsen:
|
a) |
een klinisch onderzoek verrichten op een representatieve steekproef van de gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte; |
|
b) |
passende steekproeven van die gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten en andere steekproeven nemen voor laboratoriumonderzoek in door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen laboratoria; |
|
c) |
laboratoriumonderzoek verrichten teneinde de aanwezigheid van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen ter aanvulling van de bepalingen inzake het in lid 1 van dit artikel bedoelde onderzoek door de bevoegde autoriteit.
Artikel 55
Voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit
1. Bij een vermoeden dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, en in afwachting van de resultaten van het in artikel 54, lid 1, bedoelde onderzoek en van de toepassing van de in artikel 61, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, neemt de bevoegde autoriteit de volgende voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen:
|
a) |
het instellen van officiële surveillance op de inrichting, het huishouden, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, de vervoerder, de veehandel of de inrichting voor dierlijke bijproducten, of iedere andere plaats waar de ziekte vermoed wordt voor te komen; [Am. 168] |
|
b) |
het opstellen van een inventaris van:
|
|
c) |
toezicht op de toepassing van passende biobeveiligingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van die verwekker van de in de lijst opgenomen ziekte naar andere dieren of de mens; [Am. 171] |
|
d) |
wanneer dit zinvol is om verdere verspreiding van de ziekteverwekker te voorkomen, isolering van de gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten, en verhindering van contact met wilde dieren; |
|
e) |
beperking van de verplaatsingen van gehouden dieren, producten en, in voorkomend geval, personen, voertuigen en elk ander materiaal of middel waardoor de ziekteverwekker kan zijn verspreid naar of uit de inrichting, huishoudens, levensmiddelen- en diervoederbedrijven, vervoerders, de veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of enige andere plaats waar die in de lijst opgenomen ziekte vermoed wordt voor te komen, voor zover dit nodig is om de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen; [Am. 172] |
|
f) |
alle andere nodige ziektebestrijdingsmaatregelen, rekening houdend met de in afdeling 4 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen en ervoor zorgend dat de getroffen dieren bij bestrijdingsmaatregelen verschoond blijven van alle vermijdbare pijn en vermijdbaar lijden , met betrekking tot: [Am. 173]
|
|
g) |
het inleiden van het in artikel 57, lid 1, bedoelde epizoötiologisch onderzoek. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen ter aanvulling van die in lid 1 van dit artikel, met betrekking tot de specifieke en gedetailleerde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen naargelang van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), rekening houdend met de risico's die dit inhoudt voor:
|
a) |
de soort of de categorie dieren; |
|
b) |
het soort productie. |
Artikel 56
Herziening en uitbreiding van de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen
De in artikel 55, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen:
|
a) |
worden in voorkomend geval door de bevoegde autoriteit herzien naar aanleiding van de bevindingen van:
|
|
b) |
worden zo nodig uitgebreid tot andere locaties als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder e). |
Afdeling 2
Epizoötiologisch onderzoek
Artikel 57
Epizoötiologisch onderzoek
1. De bevoegde autoriteit voert een epizoötiologisch onderzoek wanneer wordt vermoed of bevestigd dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij dieren.
2. Het in lid 1 bedoelde epizoötiologisch onderzoek heeft tot doel:
|
a) |
de vermoedelijke oorsprong van de in de lijst opgenomen ziekte en de wijze van verspreiding ervan op te sporen; |
|
b) |
de vermoedelijke duur van het voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte te berekenen; |
|
c) |
contactinrichtingen en epizoötiologische eenheden daarvan, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, de veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen waar dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de verdachte in de lijst opgenomen ziekte geïnfecteerd, geïnfesteerd of besmet kunnen zijn, op te sporen; [Am. 175] |
|
d) |
informatie te verkrijgen over de verplaatsingen van gehouden dieren, personen, producten, voertuigen en elk ander materiaal of middel waardoor de ziekteverwekker kan zijn verspreid gedurende de periode voorafgaande aan de melding van het vermoeden of de bevestiging van het voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte; |
|
e) |
informatie te verkrijgen over de waarschijnlijke verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte in het omliggende milieu, inclusief de aanwezigheid en de verspreiding van de vectoren van de ziekte. |
Afdeling 3
bevestiging van een ziekte bij gehouden dieren
Artikel 58
Officiële bevestiging door de bevoegde autoriteit van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a)
1. De bevoegde autoriteit baseert de officiële bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), op de volgende informatie:
|
a) |
de resultaten van de klinische en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in artikel 54, lid 2; |
|
b) |
het in artikel 57, lid 1, bedoelde epizoötiologisch onderzoek; |
|
c) |
andere beschikbare epizoötiologische gegevens. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de eisen waaraan moet zijn voldaan om de in lid 1 van dit artikel bedoelde officiële bevestiging te geven.
Artikel 59
Opheffing van voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer de aanwezigheid van de in de lijst opgenomen ziekte of van een nieuwe ziekte is uitgesloten [Am. 176]
De bevoegde autoriteit blijft de in artikel 55, lid 1, en artikel 56 bedoelde voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen toepassen totdat op grond van de informatie, bedoeld in artikel 58, lid 1, of krachtens artikel 58, lid 2, vastgestelde regelgeving, de aanwezigheid van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), of van een nieuwe ziekte is uitgesloten. [Am. 177]
Afdeling 4
Ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer een ziekte bij gehouden dieren is bevestigd
Artikel 60
Door de bevoegde autoriteit te nemen onmiddellijke ziektebestrijdingsmaatregelen
Indien een uitbraak van een in artikel 8, lid 1, onder a), bedoelde in de lijst opgenomen ziekte bij gehouden dieren overeenkomstig artikel 58, lid 1, officieel bevestigd wordt,
|
a) |
verklaart de bevoegde autoriteit de inrichting, het huishouden, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, vervoerder, de veehandel, de inrichting voor dierlijke bijproducten of iedere andere plaats die getroffen is, onverwijld officieel besmet met die in de lijst opgenomen ziekte; [Am. 178] |
|
b) |
stelt zij onverwijld een voor die in de lijst opgenomen ziekte passende beperkingszone in; |
|
c) |
past zij onverwijld het in artikel 43, lid 1, bedoelde rampenplan toe teneinde de ziektebestrijdingsmaatregelen ten volle te coördineren. |
Artikel 61
Getroffen inrichtingen en andere locaties
1. In geval van een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), bij gehouden dieren in een inrichting, een huishouden, een levensmiddelen- of diervoederbedrijf, een vervoerder, een veehandel, een inrichting voor dierlijke bijproducten of een andere locatie, neemt de bevoegde autoriteit onverwijld één of meer van de volgende ziektebestrijdingsmaatregelen om de verdere verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen: [Am. 179]
|
a) |
verplaatsingsbeperkingen voor personen, dieren, producten, voertuigen of alle andere materialen of stoffen die besmet kunnen zijn en kunnen bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte; |
|
b) |
op humane wijze afmaken en opruiming of slachten van dieren die besmet kunnen zijn en kunnen bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte; , mits zulks op zodanige wijze geschiedt dat de dieren verschoond blijven van alle vermijdbare pijn, angst of lijden [Am. 180] |
|
c) |
vernietiging, verwerking, bewerking of behandeling van producten, diervoeder of alle andere stoffen, of de behandeling van uitrusting, vervoermiddelen, planten of plantaardige producten, of water die besmet kunnen zijn, zoals vereist is om te verzekeren dat een ziekteverwekker of vector van de ziekteverwekker is vernietigd; |
|
d) |
vaccinatie of behandeling met andere diergeneesmiddelen van gehouden dieren overeenkomstig artikel 46, lid 1, en krachtens artikel 47, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen , bij voorkeur vaccinatie waarbij dieren in leven blijven en zonder dat dit negatieve handelsconsequenties heeft voor handel in de Unie en met derde landen ; [Am. 181] |
|
e) |
isolering, quarantaine of behandeling van dieren en producten die waarschijnlijk besmet zijn en bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte; |
|
f) |
reiniging, ontsmetting, desinfestatie of toepassing van andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen op de inrichting, het huishouden, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, vervoerder, de veehandel, de inrichting voor dierlijke bijproducten of andere locaties die getroffen zijn, om het risico van verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte te beperken; [Am. 182] |
|
g) |
nemen van een voldoende aantal geschikte monsters om het in artikel 57, lid 1, bedoelde epizoötiologisch onderzoek te voltooien; |
|
h) |
laboratoriumonderzoek van monsters. |
2. Wanneer de bevoegde autoriteit bepaalt welke van de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen aangewezen zijn, houdt zij rekening met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
het soort productie, en epidemiologische eenheden in de getroffen inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties. [Am. 183] |
|
b bis) |
het effect van de maatregelen op het gebied van de genetische diversiteit van landbouwhuisdieren en de noodzaak om het genenreservoir van landbouwhuisdieren in stand te houden. [Am. 184] |
3. De bevoegde autoriteit verleent slechts toestemming voor de herbevolking van de inrichtingen, huishoudens of andere locaties wanneer: [Am. 185]
|
a) |
alle dienstige ziektebestrijdingsmaatregelen en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in lid 1, met succes zijn beëindigd; |
|
b) |
voldoende tijd is verstreken om te beletten dat de getroffen inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten, of andere locaties, opnieuw worden besmet met de in de lijst opgenomen ziekte die de in lid 1 bedoelde uitbraak heeft veroorzaakt. [Am. 186] |
Artikel 62
Epidemiologisch verbonden inrichtingen en locaties
1. De bevoegde autoriteit breidt de in artikel 61, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen uit tot andere inrichtingen, epizoötiologische eenheden daarvan, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven , vervoerders, veehandel of inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen of vervoermiddelen waar het in artikel 57, lid 1, bedoelde epizoötiologisch onderzoek of de uitslagen van klinische of laboratoriumonderzoeken of andere epidemiologische gegevens het vermoeden wekken dat de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waartegen die maatregelen zijn getroffen, daarnaar, daarvan of daardoor wordt verspreid. [Am. 187]
2. Indien uit het in artikel 57, lid 1, bedoelde epizoötiologisch onderzoek blijkt dat de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarschijnlijk afkomstig is uit een andere lidstaat of dat het waarschijnlijk is dat die in de lijst opgenomen ziekte zich naar een andere lidstaat heeft verspreid, deelt de bevoegde autoriteit dat mee aan die lidstaat en aan de Commissie . [Am. 188]
3. In de in lid 2 bedoelde gevallen werken de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten samen bij een verder epizoötiologisch onderzoek en bij de toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen.
Artikel 63
Gedelegeerde bevoegdheid inzake ziektebestrijdingsmaatregelen in getroffen en epidemiologisch verbonden inrichtingen en locaties
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen over de ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 61 en 62 in de getroffen en epidemiologisch verbonden inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven of inrichtingen voor dierlijke bijproducten en locaties moeten nemen voor elke in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a).
Die nadere bepalingen betreffen:
|
a) |
de voorwaarden en vereisten voor de in artikel 61, lid 1, onder a) tot en met e), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen; |
|
b) |
de procedures voor de in artikel 61, lid 1, onder f, bedoelde reiniging, ontsmetting en desinfestatie, in voorkomend geval met vermelding van het gebruik van biociden daartoe; |
|
c) |
de voorwaarden en vereisten voor de in artikel 61, lid 1, onder g) en h), bedoelde bemonstering en laboratoriumonderzoeken; |
|
d) |
de gedetailleerde voorwaarden en eisen voor de herbevolking, bedoeld in artikel 61, lid 3; |
|
e) |
de in artikel 62 bedoelde noodzakelijke ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in epidemiologisch verbonden inrichtingen, locaties en vervoermiddelen. |
Artikel 64
Het instellen van beperkingszones door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit stelt rond de getroffen inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties waar de uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), bij gehouden dieren is opgetreden, een beperkingszone in, in voorkomend geval rekening houdend met: [Am. 189]
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de geografische ligging van de beperkingszones; |
|
c) |
de ecologische en hydrologische kenmerken van de beperkingszones; |
|
d) |
de meteorologische omstandigheden; |
|
e) |
de aanwezigheid, de verspreiding en het type van de vectoren in de beperkingszones; |
|
f) |
de resultaten van het epizoötiologisch onderzoek, bedoeld in artikel 57, lid 1, en andere studies en epidemiologische gegevens; |
|
g) |
de resultaten van laboratoriumonderzoeken; |
|
h) |
de toegepaste ziektebestrijdingsmaatregelen. |
|
h bis) |
de directe en indirecte kosten voor de getroffen sectoren en de economie als geheel; [Am. 190] |
Bij het instellen van de beperkingszone neemt de bevoegde autoriteit het evenredigheidsbeginsel in aanmerking. [Am. 191]
De beperkingszone omvat in voorkomend geval een beschermings- en surveillancezone van een bepaalde omvang en configuratie.
2. De bevoegde autoriteit moet de situatie voortdurend beoordelen en onderzoeken en, wanneer dat nodig is ter voorkoming van de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a):
|
a) |
past zij de grenzen van de beperkingszone aan; |
|
b) |
stelt zij extra beperkingszones in. |
3. Indien de beperkingszones op het grondgebied van verschillende lidstaten zijn gelegen, werken de bevoegde autoriteiten van die lidstaten samen om de in lid 1 bedoelde beperkingszones in te stellen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen voor de vaststelling en de aanpassing van beperkingszones, met inbegrip van beschermings- en surveillancezones.
Artikel 65
Ziektebestrijdingsmaatregelen in een beperkingszone
1. Ter voorkoming van de verdere verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), neemt de bevoegde autoriteit in de beperkingszone een of meer van de volgende ziektebestrijdingsmaatregelen:
|
a) |
identificatie van inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, de veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen waar zich gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten bevinden; [Am. 192] |
|
b) |
inspecties bij inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, de veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen waar zich gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten bevinden, en zo nodig onderzoeken, bemonsteringen en laboratoriumonderzoeken van de monsters; [Am. 193] |
|
c) |
vaststelling van voorwaarden voor de verplaatsing van personen, dieren, producten, diervoeder, voertuigen of alle andere materialen of stoffen die besmet kunnen zijn of kunnen bijdragen tot de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte in en vanuit de beperkingszones, en voor het vervoer door de beperkingszones; |
|
d) |
biobeveiligingseisen voor:
|
|
e) |
vaccinatie en behandeling met andere diergeneesmiddelen van gehouden dieren overeenkomstig artikel 46, lid 1, en krachtens artikel 47, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen; |
|
f) |
reiniging, ontsmetting en desinfestatie; |
|
g) |
de aanwijzing of, in voorkomend geval, de goedkeuring van een levensmiddelenbedrijf voor het slachten met voorafgaande bedwelming, van dieren of het behandelen van producten van dierlijke oorsprong afkomstig uit de beperkingszones; [Am. 194] |
|
h) |
de identificatie en traceerbaarheidsvoorschriften voor verplaatsingen van dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; |
|
i) |
andere noodzakelijke biobeveiligings- en risicobeperkingsmaatregelen om het risico van verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte te beperken. |
2. De bevoegde autoriteit neemt alle nodige maatregelen om de personen in de beperkingszones volledig op de hoogte te stellen van de geldende beperkingen en van de aard van de ziektebestrijdingsmaatregelen.
3. Wanneer de bevoegde autoriteit bepaalt welke van de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen, houdt zij rekening met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de soorten productie; |
|
c) |
de haalbaarheid, beschikbaarheid en doeltreffendheid van die ziektebestrijdingsmaatregelen. |
Artikel 66
Verplichtingen van de exploitanten in beperkingszones
1. Exploitanten die dieren en producten houden in de beperkingszone, bedoeld in artikel 64, lid 1, brengen alle geplande verplaatsingen van gehouden dieren en producten, binnen of vanuit de beperkingszone, aan de bevoegde autoriteit ter kennis.
2. Zij verplaatsen de gehouden dieren en producten alleen overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit.
Artikel 67
Bevoegdheidsdelegatie inzake de ziektebestrijdingsmaatregelen in beperkingszones
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de ziektebestrijdingsmaatregelen die in een beperkingszone, bedoeld in artikel 65, lid 1, moeten worden genomen voor elke in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a).
Die nadere voorschriften betreffen:
|
a) |
de voorwaarden en vereisten voor de in artikel 65, lid 1, onder a), c), d), e), g), h) en i), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen; |
|
b) |
beginselen met betrekking tot de procedures voor de in artikel 65, lid 1, onder f, bedoelde reiniging, ontsmetting en desinfestatie, in voorkomend geval met vermelding van het gebruik van biociden daartoe; [Am. 195] |
|
c) |
de surveillance die noodzakelijk is na de toepassing van de ziektebestrijdingsmaatregelen en de in artikel 65, lid 1, onder b, bedoelde laboratoriumonderzoeken; |
|
d) |
andere specifieke ziektebestrijdingsmaatregelen om de verspreiding van specifieke in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), te beperken. |
Artikel 68
Handhaving van ziektebestrijdingsmaatregelen in beperkingszones en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit past de in deze afdeling bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen toe totdat:
|
a) |
de ziektebestrijdingsmaatregelen die passend zijn voor de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), ten gevolge waarvan de beperkingen zijn ingesteld, zijn uitgevoerd; |
|
b) |
de definitieve reiniging, ontsmetting en desinfestatie is uitgevoerd die passend is voor:
|
|
c) |
afhankelijk van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarvoor de ziektebestrijdingsmaatregelen zijn toegepast en het soort inrichting of locatie, in de beperkingszone passende surveillance is verricht waaruit blijkt dat die in de lijst opgenomen ziekte is uitgeroeid. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteit krachtens lid 1 van dit artikel moet nemen met betrekking tot:
|
a) |
de procedures voor de definitieve reiniging, ontsmetting en desinfestatie, en, in voorkomend geval, het gebruik van biociden daartoe; |
|
b) |
de opzet, de middelen, de methoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de surveillance met het oog op het opnieuw verwerven van de ziektevrije status na de uitbraak; |
|
c) |
de herbevolking van de beperkingszones na voltooiing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, rekening houdend met de herbevolkingsvoorwaarden van artikel 61, lid 3; |
|
d) |
andere ziektebestrijdingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om de ziektevrije status opnieuw te verwerven. |
Artikel 69
Noodvaccinatie
1. Indien dat nodig is voor een doeltreffende bestrijding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), waarvoor de ziektebestrijdingsmaatregelen ten gevolge van de uitbraak van toepassing zijn, kan de bevoegde autoriteit:
|
a) |
een vaccinatieprogramma opstellen; |
|
b) |
vaccinatiezones instellen. |
2. Bij haar beslissing over het vaccinatieprogramma en het instellen van vaccinatiezones, bedoeld in lid 1 van dit artikel, houdt de bevoegde autoriteit rekening met:
|
a) |
de voorschriften voor noodvaccinatie in de rampenplannen, bedoeld in artikel 43, lid 1; |
|
b) |
de voorschriften voor het gebruik van vaccins in artikel 46, lid 1, en krachtens artikel 47, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
3. De in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde vaccinatiezones voldoen aan de voorschriften inzake risicobeperkingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten en inzake surveillance, neergelegd in krachtens artikel 47, lid 1, onder d) en e), vastgestelde gedelegeerde handelingen.
3 bis. Dieren die een noodvaccinatie hebben gekregen mogen worden verwerkt volgens de bepalingen van artikel 47, lid 1, onder f). [Am. 196]
3 ter. Indien het gebruikte vaccin veilig is verklaard voor menselijke consumptie, dient het vervolgens slachten van niet-besmette, ingeënte dieren te worden vermeden. [Am. 197]
Afdeling 5
Wilde dieren en zwerfhuisdieren [Am. 198]
Artikel 70
Wilde dieren en zwerfhuisdieren [Am. 199]
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij wilde dieren en zwerfhuisdieren , of dat officieel bevestigd is: [Am. 200]
|
a) |
verricht de getroffen lidstaat, voor zover dat voor die in de lijst opgenomen ziekte pertinent is, surveillance van de populatie wilde dieren; |
|
a bis) |
verricht de getroffen lidstaat, voor zover dat voor die in de lijst opgenomen ziekte pertinent is, surveillance van de populatie zwerfhuisdieren; [Am. 201] |
|
b) |
neemt de getroffen lidstaat de nodige maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten om de verdere verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen of die ziekte uit te roeien en zorgt deze ervoor dat de getroffen dieren bij bestrijdingsmaatregelen verschoond blijven van alle vermijdbare pijn en vermijdbaar lijden . [Am. 202] |
2. De in lid 1, onder b), bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten houden rekening met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de getroffen wilde dieren en zwerfhuisdieren ; [Am. 203] |
|
b bis) |
het contact tussen wilde dieren en gehouden dieren en het daarmee samenhangende risico van wederzijdse besmetting; [Am. 204] |
|
b ter) |
rechtstreekse contact tussen de betrokken dieren en mensen en fysieke nabijheid van mensen; [Am. 205] |
|
c) |
de ziektebestrijdingsmaatregelen die krachtens de regelgeving van de afdelingen 1 tot en met 4 moeten worden genomen wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, of dat officieel bevestigd is. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
surveillance overeenkomstig lid 1, onder a); |
|
b) |
maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten overeenkomstig lid 1, onder b). |
Wanneer de Commissie die gedelegeerde handelingen vaststelt, houdt zij rekening met het ziekteprofiel en de in de lijst opgenomen soorten voor de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in lid 1.
Afdeling 6
Aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen van de lidstaten, coördinatie door de Commissie en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften
Artikel 71
Aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen van de lidstaten, coördinatie van maatregelen door de Commissie en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften inzake de afdelingen 1 tot en met 5
1. De lidstaten kunnen ziektebestrijdingsmaatregelen nemen ter aanvulling van die van artikel 61, lid 1, artikel 62, artikel 65, leden 1 en 2, en artikel 68, lid 1, en in krachtens artikel 67 en artikel 68, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen, mits die maatregelen stroken met de bepalingen van deze verordening en noodzakelijk en evenredig zijn om de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), tegen te gaan, rekening houdend met:
|
a) |
de specifieke epizoötiologische omstandigheden; |
|
b) |
het soort inrichting, andere locaties en productie; |
|
c) |
de getroffen categorieën en soorten dieren; |
|
d) |
economische of sociale omstandigheden. |
2. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van:
|
a) |
de door de bevoegde autoriteit genomen ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 58, 59, 61, 62, 64 en 65, artikel 68, lid 1, artikel 69, artikel 70, leden 1 en 2, en krachtens artikel 63, artikel 67, artikel 68, lid 2, en artikel 70, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen; |
|
b) |
eventuele door hen genomen aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in lid 1. |
3. De Commissie evalueert de ziektesituatie en de overeenkomstig dit hoofdstuk getroffen ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit en aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen van de lidstaat, en kan onder voorwaarden die passend zijn voor de epizoötiologische situatie, bij uitvoeringshandelingen voor een beperkte termijn bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen voorschrijven in de volgende gevallen:
|
a) |
die ziektebestrijdingsmaatregelen blijken niet geschikt voor de epizoötiologische situatie; |
|
b) |
de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), lijkt zich ondanks de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen ziektebestrijdingsmaatregelen te verspreiden. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
Hoofdstuk 2
In de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c)
Artikel 71 bis
Reikwijdte van hoofdstuk 2
De volgende bepalingen van hoofdstuk 2 gelden met betrekking tot de in artikel 8, lid 1, onder c, opgenomen ziekten uitsluitend voor lidstaten die een nationaal programma hebben vastgesteld. [Am. 206]
Afdeling 1
Ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer een ziekte bij gehouden dieren wordt vermoed
Artikel 72
Verplichtingen van exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), voorkomen bij gehouden dieren, melden exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren de aanwijzingen en het vermoeden overeenkomstig artikel 16, lid 1, aan de bevoegde autoriteit en aan dierenartsen, en nemen zij in afwachting van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 74, lid 1, passende ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 74, lid 1, onder a), en in krachtens artikel 74, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen ter voorkoming van de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte van de getroffen dieren, inrichtingen en locaties die onder hun verantwoordelijkheid vallen, naar andere dieren of naar mensen.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen ter aanvulling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen door exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren.
Artikel 73
Onderzoek door de bevoegde autoriteit bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), voorkomt bij gehouden dieren, verricht de bevoegde autoriteit onverwijld een onderzoek om de aanwezigheid van die in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.
2. Met betrekking tot het in lid 1 bedoelde onderzoek zorgt de bevoegde autoriteit er in voorkomend geval voor dat officiële dierenartsen:
|
a) |
een klinisch onderzoek verrichten op een representatieve steekproef van de gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte; |
|
b) |
passende monsters nemen van de gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten en andere monsters nemen voor laboratoriumonderzoek in door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen laboratoria; |
|
c) |
een laboratoriumonderzoek verrichten teneinde de aanwezigheid van de betrokken in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen ter aanvulling van de regels betreffende het in lid 1 van dit artikel bedoelde onderzoek.
Artikel 74
Voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), voorkomt bij gehouden dieren, en in afwachting van de resultaten van het in artikel 73, lid 1, bedoelde onderzoek en van de toepassing van de in artikel 78, leden 1 en 2, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, neemt de bevoegde autoriteit de volgende voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen:
|
a) |
toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen om de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte vanuit de getroffen gebieden, inrichtingen, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, vervoerders, veehandel, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen te beperken; [Am. 207] |
|
b) |
zo nodig instelling van een epizoötiologisch onderzoek, rekening houdend met de regels voor dergelijke onderzoeken, als bedoeld in artikel 57, lid 1, en eventueel krachtens artikel 57, lid 2, vastgestelde regelgeving. |
2. De voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in lid 1, zijn passend en evenredig aan het risico dat verbonden is aan de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), rekening houdend met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de getroffen gehouden dieren; |
|
c) |
de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone, het compartiment of de inrichting waar wordt vermoed dat die in de lijst opgenomen ziekte voorkomt; |
|
d) |
de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in artikel 55, lid 1, artikel 56 en elke krachtens artikel 55, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende regels ter aanvulling van die in lid 1 van dit artikel, rekening houdend met het bepaalde in lid 2 van dit artikel, met betrekking tot:
|
a) |
de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen om de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in lid 1, onder a), te voorkomen; |
|
b) |
de toepassing van de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in lid 1, onder a), op andere inrichtingen, epizoötiologische eenheden daarvan, huishoudens, levensmiddelen- of diervoederbedrijven vervoerders, veehandel of inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen; [Am. 208] |
|
c) |
het instellen van tijdelijke beperkingszones die gelet op het ziekteprofiel passend zijn. |
Artikel 75
Herziening en uitbreiding van de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen
De in artikel 74, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen:
|
a) |
worden in voorkomend geval door de bevoegde autoriteit herzien naar aanleiding van de bevindingen van het in artikel 73, lid 1, bedoelde onderzoek en, in voorkomend geval, het in artikel 74, lid 1, onder b), bedoelde epizoötiologisch onderzoek; |
|
b) |
worden zo nodig uitgebreid tot andere locaties als bedoeld in artikel 74, lid 3, onder b). |
Afdeling 2
bevestiging van ziekte bij gehouden dieren
Artikel 76
Officiële bevestiging van ziekte door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit baseert de officiële bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), op de volgende informatie:
|
a) |
de resultaten van de klinische en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in artikel 73, lid 2; |
|
b) |
in voorkomend geval, het in artikel 74, lid 1, onder b), bedoelde epizoötiologisch onderzoek. |
|
c) |
andere beschikbare epizoötiologische gegevens. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de eisen waaraan moet zijn voldaan om de in lid 1 van dit artikel bedoelde officiële bevestiging te geven.
Artikel 77
Opheffing van voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer is uitgesloten dat de ziekte voorkomt
De bevoegde autoriteit blijft de in artikel 74, lid 1, en artikel 75 bedoelde voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen toepassen totdat de aanwezigheid van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), is uitgesloten overeenkomstig artikel 76, lid 1, of krachtens artikel 76, lid 2, vastgestelde regelgeving.
Afdeling 3
Ziektebestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van ziekte bij gehouden dieren
Artikel 78
Ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit
1. Wanneer een uitbraak van een in artikel 8, lid 1, onder b), bedoelde in de lijst opgenomen ziekte bij gehouden dieren officieel bevestigd is overeenkomstig artikel 76, lid 1:
|
a) |
past de bevoegde autoriteit in een lidstaat, zone of compartiment waarvoor een in artikel 30, lid 1, bedoeld verplicht uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, de in dat verplicht uitroeiingsprogramma voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe; |
|
b) |
zet de bevoegde autoriteit in een lidstaat, gebied, zone of compartiment waarvoor nog geen in artikel 30, lid 1, bedoeld verplicht uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, dat verplicht uitroeiingsprogramma op en past de daarin voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe. |
2. Wanneer een uitbraak van een in artikel 8, lid 1, onder c), bedoelde in de lijst opgenomen ziekte bij gehouden dieren officieel bevestigd is overeenkomstig artikel 76, lid 1:
|
a) |
past de bevoegde autoriteit in een lidstaat, zone of compartiment waarvoor een in artikel 30, lid 2, bedoeld vrijwillig uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, de in dat vrijwillig uitroeiingsprogramma voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe; |
|
b) |
past de bevoegde autoriteit in een lidstaat, gebied, zone of compartiment waarvoor geen in artikel 30, lid 2, bedoeld vrijwillig uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, zo nodig maatregelen toe om de verspreiding van die ziekte te bestrijden en te voorkomen. [Am. 209] |
3. De in lid 2, onder b, van dit artikel bedoelde maatregelen zijn evenredig aan het risico dat verbonden is aan die in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), rekening houdend met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de getroffen gehouden dieren , met name als zij tot een bedreigd ras of een bedreigde soort behoren; [Am. 210] |
|
c) |
de gezondheidsstatus van de lidstaat, het gebied, de zone, het compartiment of de inrichting waar de in de lijst opgenomen ziekte officieel is bevestigd; |
|
d) |
de ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in de inrichtingen, andere plaatsen en beperkingszones, bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 4, van deze titel. |
Artikel 79
Bevoegdheidsdelegatie voor de door de bevoegde autoriteit te nemen ziektebestrijdingsmaatregelen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen inzake de in artikel 78, lid 2, onder b), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van uitbraken van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), bij gehouden dieren, rekening houdend met de criteria van artikel 78, lid 3.
Afdeling 4
Wilde dieren en zwerfhuisdieren [Am. 211]
Artikel 80
Wilde dieren en zwerfhuisdieren [Am. 212]
1. Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), voorkomt bij wilde dieren en zwerfhuisdieren , of wanneer dat officieel bevestigd is: [Am. 213]
|
a) |
past de bevoegde autoriteit van de getroffen lidstaat op het hele grondgebied van de lidstaat, het gebied of de zone waarvoor een in artikel 30, lid 1, bedoeld verplicht uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, de in dat verplicht uitroeiingsprogramma voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe; |
|
b) |
zet de bevoegde autoriteit van de getroffen lidstaat op het hele grondgebied van de lidstaat, het gebied of de zone waarvoor geen in artikel 30, lid 1, bedoeld verplicht uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, dat verplicht uitroeiingsprogramma op en past in voorkomend geval de daarin voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe om de verspreiding van die ziekte te bestrijden en te voorkomen; |
2. In geval van een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in die niet onder de bepalingen van artikel 8, lid 1, onder c), onder b ) valt, bij wilde dieren en zwerfhuisdieren : [Am. 214]
|
a) |
past de bevoegde autoriteit van de getroffen lidstaat op het hele grondgebied van de lidstaat of in het gebied, de zone of het compartiment waarvoor een in artikel 30, lid 2, bedoeld vrijwillig uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, de in dat vrijwillig uitroeiingsprogramma voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen toe; |
|
b) |
past de bevoegde autoriteit van de getroffen lidstaat op het hele grondgebied van de lidstaat of in het gebied, de zone of het compartiment waarvoor geen in artikel 30, lid 2, bedoeld vrijwillig uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, zo nodig maatregelen toe om de verspreiding van die ziekte te bestrijden en te voorkomen. |
3. De in lid 2, onder b), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen houden rekening met:
|
a) |
het ziekteprofiel; |
|
b) |
de getroffen wilde dieren en zwerfhuisdieren ; [Am. 215] |
|
b bis) |
het contact tussen wilde dieren en gehouden dieren en het daarmee samenhangende risico van wederzijdse besmetting; [Am. 216] |
|
b ter) |
het rechtstreekse contact tussen de betrokken dieren en mensen en de fysieke nabijheid van mensen; [Am. 217] |
|
c) |
de ziektebestrijdingsmaatregelen die krachtens de voorschriften van hoofdstuk 1, afdelingen 1 tot en met 4, van deze titel moeten worden genomen wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte voorkomt bij gehouden dieren, of dat officieel bevestigd is. |
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere bepalingen ter aanvulling van de in lid 2, onder b), van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van uitbraken van een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), bij wilde dieren en zwerfhuisdieren . [Am. 218]
Afdeling 5
Coördinatie door de Commissie en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften
Artikel 81
Coördinatie van maatregelen door de Commissie en tijdelijke bijzondere voorschriften inzake de afdelingen 1 tot en met 4
1. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 76, lid 1, de artikelen 77 en 78, artikel 80, leden 1 en 2, en gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld krachtens artikel 76, lid 2, artikel 79 en artikel 80, lid 4, heeft genomen met betrekking tot een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b).
2. De Commissie evalueert de ziektesituatie en de overeenkomstig dit hoofdstuk getroffen ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit, en kan onder voorwaarden die passend zijn voor de epizoötiologische situatie, bij uitvoeringshandelingen voor een beperkte termijn voor een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), bijzondere voorschriften inzake ziektebestrijdingsmaatregelen vaststellen, wanneer:
|
a) |
die ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit niet geschikt worden bevonden voor de epizoötiologische situatie; |
|
b) |
in voorkomend geval, die in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), zich ondanks de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen ziektebestrijdingsmaatregelen lijkt te verspreiden. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b en c), die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
DEEL IV
REGISTRATIE, ERKENNING, TRACEERBAARHEID EN VERPLAATSINGEN
TITEL I
Landdieren, levende producten en van landdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong
Hoofdstuk 1
Registratie, erkenning, documentatie en registers
AFDELING 1
REGISTRATIE VAN INRICHTINGEN EN VERVOERDERS
Artikel 82
Verplichting van exploitanten om inrichtingen ter registreren
1. Exploitanten van inrichtingen waar landdieren worden gehouden of waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, behandeld of opgeslagen, moeten met het oog op hun registratie overeenkomstig artikel 88, alvorens zij die activiteiten aanvatten:
|
a) |
de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle soortgelijke inrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn; |
|
b) |
de bevoegde autoriteit informatie verstrekken over:
|
2. De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
significante wijzigingen in de inrichting wat de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten betreft; |
|
b) |
de stopzetting van de activiteiten in de inrichting. |
3. Inrichtingen die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 89, lid 1, hoeven de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie niet te verstrekken.
Artikel 83
Afwijkingen van de verplichting van exploitanten om inrichtingen te registreren
In afwijking van artikel 82, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën inrichtingen vrijstellen van de verplichting tot registratie. Daarbij houden zij rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de categorieën, soorten en aantallen van de gehouden landdieren en levende producten die in de inrichting aanwezig zijn en de capaciteit van de inrichting; |
|
b) |
het soort inrichting; |
|
c) |
de verplaatsingen van gehouden landdieren of levende producten naar en uit de inrichting. |
Artikel 84
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de verplichting van exploitanten om inrichtingen te registreren
De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot:
|
a) |
de gegevens die exploitanten moeten verstrekken voor de registratie van inrichtingen, bedoeld in artikel 82, lid 1; |
|
b) |
de soorten inrichtingen die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot registratie overeenkomstig artikel 83, mits zij geen significant risico vormen en mits rekening wordt gehouden met de criteria in dat artikel. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 85
Registratieverplichtingen van vervoerders van gehouden hoefdieren en gedelegeerde handelingen
1. Vervoerders van gehouden hoefdieren die die dieren vervoeren tussen lidstaten, moeten met het oog op hun registratie overeenkomstig artikel 88, alvorens zij die activiteiten aanvatten:
|
a) |
de bevoegde autoriteit in kennis stellen van hun activiteiten; |
|
b) |
de bevoegde autoriteit informatie verstrekken over:
|
2. De vervoerders stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
significante wijzigingen met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten; |
|
b) |
de stopzetting van de vervoersactiviteiten. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling en wijziging van de regels van lid 1 inzake de verplichting van andere vervoerders om de voor de registratie van hun activiteiten vereiste informatie te verstrekken, rekening houdend met de risico's die met dergelijke transporten verbonden zijn.
Artikel 86
Afwijkingen van de verplichting om vervoerders van gehouden hoefdieren te registreren
In afwijking van artikel 85, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën vervoerders vrijstellen van de verplichting tot registratie. Daarbij houden zij rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de afstanden waarover zij die gehouden landdieren vervoeren; |
|
b) |
de categorieën, soorten en aantallen van de gehouden landdieren die zij vervoeren. [Am. 219] |
Artikel 87
Uitvoeringshandelingen met betrekking tot de verplichting om vervoerders te registreren
De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de gegevens die de vervoerder moet verstrekken voor de registratie van zijn activiteiten, bedoeld in artikel 85, lid 1; |
|
b) |
de soorten vervoerders die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot registratie overeenkomstig artikel 86, mits het soort vervoer geen significant risico vormt en mits rekening wordt gehouden met de criteria in dat artikel. [Am. 220] |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 88
Verplichting van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de registratie van inrichtingen en vervoerders
De bevoegde autoriteit registreert:
|
a) |
inrichtingen in het register van inrichtingen en vervoerders, bedoeld in artikel 96, lid 1, indien de exploitant de overeenkomstig artikel 82, lid 1 vereiste informatie heeft verstrekt; |
|
b) |
vervoerders in dat register van inrichtingen en vervoerders, bedoeld in artikel 96, lid 1, indien de vervoerder de overeenkomstig artikel 85, lid 1 vereiste informatie heeft verstrekt. |
Afdeling 2
Erkenning van bepaalde soorten inrichtingen
Artikel 89
Erkenning van bepaalde inrichtingen en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten van de volgende soorten inrichtingen dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in overeenkomstig artikel 91, lid 1, en beginnen hun activiteiten pas wanneer hun inrichting overeenkomstig artikel 92, lid 1, is erkend;
|
a) |
inrichtingen voor het verzamelen van hoefdieren en pluimvee, van waaruit die dieren worden verplaatst naar een andere lidstaat; |
|
b) |
inrichtingen voor levende producten voor runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen, van waaruit levende producten van die dieren worden verplaatst naar een andere lidstaat; |
|
c) |
broederijen, van waaruit broedeieren of pluimvee worden verplaatst naar een andere lidstaat; |
|
d) |
inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden, van waaruit pluimvee dat bestemd is voor andere doeleinden dan de slacht of het uitbroeden van eieren wordt vervoerd naar een andere lidstaat; |
|
e) |
elke andere soort inrichting voor gehouden landdieren die een significant risico inhoudt en erkenning behoeft op grond van regelgeving in een krachtens lid 3, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling. |
2. De exploitanten beëindigen de activiteiten in een inrichting, bedoeld in lid 1, wanneer:
|
a) |
de bevoegde autoriteit haar erkenning overeenkomstig artikel 95, lid 2, intrekt of schorst; of |
|
b) |
in geval van een voorwaardelijke erkenning overeenkomstig artikel 94, lid 3, de inrichting niet kan voldoen aan de overblijvende voorwaarden van artikel 94, lid 3, en geen definitieve erkenning krijgt krachtens artikel 92, lid 1. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling en wijziging van de regelgeving inzake de erkenning van de in lid 1 van dit artikel bedoelde inrichtingen, met betrekking tot:
|
a) |
afwijkingen van de verplichting voor exploitanten van de soorten inrichtingen, bedoeld in lid 1, onder a) tot en met d), om bij de bevoegde autoriteit erkenning door de bevoegde autoriteit aan te vragen, wanneer die inrichtingen geen significant risico vormen; |
|
b) |
de soorten inrichtingen die overeenkomstig lid 1, onder e), moeten worden erkend; |
|
c) |
bijzondere regelgeving voor de beëindiging van de activiteiten van inrichtingen voor levende producten, bedoeld in lid 1, onder b). |
4. Bij de vaststelling van de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de categorieën en soorten of rassen gehouden landdieren of levende producten in een inrichting; [Am. 221] |
|
b) |
het aantal soorten en het aantal gehouden landdieren of levende producten in een inrichting; |
|
c) |
het soort inrichting en het soort productie; |
|
d) |
de verplaatsingen van gehouden landdieren of levende producten naar en uit die soorten inrichtingen. |
Artikel 90
Erkenning van de status van geconsigneerde inrichtingen
De exploitanten van inrichtingen die de status van geconsigneerde inrichting wensen te verkrijgen:
|
a) |
dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in tot erkenning overeenkomstig artikel 91, lid 1; |
|
b) |
verplaatsen geen gehouden dieren naar een geconsigneerde inrichting als bedoeld in de voorschriften van artikel 134, lid 1, en in de krachtens artikel 134, lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen voordat hun inrichtingen van de bevoegde autoriteit de erkenning van die status hebben verkregen overeenkomstig de artikelen 92 en 94. |
Artikel 91
Informatieplicht van de exploitanten voor het verkrijgen van een erkenning en uitvoeringshandelingen
1. Bij hun aanvraag tot erkenning van hun inrichting overeenkomstig artikel 89, lid 1, en artikel 90, onder a), verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit informatie betreffende:
|
a) |
de naam en het adres van de exploitant; |
|
b) |
de locatie van de inrichting en een beschrijving van de voorzieningen; |
|
c) |
de categorieën, soorten en aantallen gehouden landdieren of levende producten in de inrichting; |
|
d) |
het soort inrichting; |
|
e) |
andere aspecten in verband met de specificiteit van de inrichting die relevant zijn voor het bepalen van het risico dat ermee verbonden is. |
2. De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
significante wijzigingen in de inrichtingen met betrekking tot de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde aspecten; |
|
b) |
de stopzetting van de activiteiten in de inrichting. |
3. De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot de informatie die de exploitanten overeenkomstig lid 1 van dit artikel moeten verstrekken in hun aanvraag tot erkenning van hun inrichtingen.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 92
Verlening van en voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit verleent inrichtingen slechts de in artikel 89, lid 1, en artikel 90, onder a), bedoelde erkenning als deze inrichtingen: [Am. 222]
|
a) |
voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende voorschriften betreffende:
|
|
b) |
beschikken over voorzieningen en uitrusting die:
|
|
c) |
geen onaanvaardbaar risico voor verspreiding van ziekten inhouden, rekening houdend met de geldende risicobeperkingmaatregelen; |
|
d) |
beschikken over voldoende goed opgeleid personeel voor de activiteit van de inrichting; |
|
e) |
voorzien zijn van een systeem waarmee de exploitant aan de bevoegde autoriteit kan aantonen dat de punten a) tot en met d) worden nageleefd. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorschriften inzake:
|
a) |
quarantaine, isolatie en andere biobeveiligingsmaatregelen zoals bedoeld in lid 1, onder a), i); |
|
b) |
surveillance zoals bedoeld in lid 1, onder a), ii); |
|
c) |
voorzieningen en uitrusting zoals bedoeld in lid 1, onder b); |
|
d) |
de verantwoordelijkheid, vakkundigheid en opleiding van het personeel en de dierenartsen, zoals bedoeld in lid 1, onder d); |
|
e) |
het nodige toezicht en gezag van de bevoegde autoriteit. |
3. Bij de vaststelling van de regelgeving in krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico's die met elk soort inrichting verbonden zijn; |
|
b) |
de categorieën en soorten gehouden landdieren; |
|
c) |
het soort productie; |
|
d) |
typische verplaatsingspatronen voor het soort inrichting en voor de soorten en de categorieën dieren die in deze inrichtingen worden gehouden. |
Artikel 93
Reikwijdte van de erkenning van inrichtingen
Bij de overeenkomstig artikel 92, lid 1, verleende erkenning van een inrichting op grond van een overeenkomstig artikel 89, lid 1, en artikel 90, onder a), ingediende aanvraag bepaalt de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk:
|
a) |
voor welke van de soorten inrichtingen, bedoeld in artikel 89, lid 1, artikel 90 en krachtens artikel 89, lid 3, onder b), vastgestelde regelgeving, de erkenning geldig is; |
|
b) |
voor welke categorieën en soorten gehouden landdieren of levende producten van die soorten de erkenning geldig is. |
Artikel 94
Procedures voor het verlenen van de erkenning door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit stelt procedures op die exploitanten moeten volgen wanneer zij een aanvraag indienen voor de erkenning van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 89, lid 1, artikel 90 en artikel 91, lid 1 , evenals een uiterste termijn waarbinnen de in het volgende lid bedoelde inspectiebezoeken ter plaatse moeten plaatsvinden .. [Am. 223]
2. Na ontvangst van een aanvraag tot erkenning van een exploitant overeenkomstig artikel 89, lid 1, onder a), en artikel 90, onder a), verricht de bevoegde autoriteit een inspectiebezoek ter plaatse.
2 bis. De bevoegde autoriteit verleent aan een inrichting een voorwaardelijke erkenning wanneer uit de aanvraag van de exploitant en het daarop volgende inspectiebezoek ter plaatse van de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voorschriften voor erkenning zoals bedoeld in artikel 92, lid 1, en in de krachtens artikel 92, lid 2, vastgestelde regelgeving. [Am. 224]
3. De bevoegde autoriteit kan aan een inrichting een voorwaardelijke erkenning verlenen wanneer uit de aanvraag van de exploitant en het daarop volgende inspectiebezoek ter plaatse van de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, blijkt dat de inrichting voldoet aan de belangrijkste voorschriften die voldoende garanties bieden dat een dergelijke inrichting geen significant risico vormt, en de bedoeling heeft te voldoen aan alle voorschriften voor de erkenning zoals bedoeld in artikel 92, lid 1, en in de krachtens artikel 92, lid 2, vastgestelde regelgeving.
4. Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 3 van dit artikel een voorwaardelijke erkenning heeft verleend, kan zij de definitieve erkenning pas verlenen wanneer uit een volgend inspectiebezoek ter plaatse, uitgevoerd binnen drie maanden na de datum van de voorwaardelijke erkenning, blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voorwaarden voor erkenning zoals bedoeld in artikel 92, lid 1, en in de krachtens artikel 92, lid 2, vastgestelde regelgeving.
Indien uit het inspectiebezoek ter plaatse blijkt dat de inrichting duidelijk vooruitgang heeft geboekt, maar nog steeds niet aan alle voorwaarden voldoet, dan kan de bevoegde autoriteit de voorwaardelijke erkenning verlengen en geeft zij de nodige richtsnoeren om bij te dragen tot het verhelpen van de tekortkoming . De totale geldigheidsduur van de voorlopige erkenning mag echter niet meer dan zes maanden bedragen. [Am. 225]
Artikel 95
Herziening, opschorting en intrekking van erkenningen door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit evalueert de erkenningen van inrichtingen die zijn verleend overeenkomstig de artikelen 92 en 94. De bevoegde autoriteit bepaalt op basis van de risicofactor de frequentie van de evaluaties of een minimale of maximale termijn waarbinnen deze moeten plaatsvinden, en de gevallen waarin kan die termijn niet kan worden gehaald. [Am. 226]
2. Indien de bevoegde autoriteit bij de inrichtingen ernstige tekortkomingen vaststelt inzake de naleving van de vereisten van artikel 92, lid 1, en van de krachtens artikel 92, lid 2, vastgestelde regelgeving en indien de exploitant geen afdoende garanties kan bieden dat deze tekortkomingen zullen worden verholpen, leidt de bevoegde autoriteit de procedure tot intrekking van de erkenning van de inrichting in.
De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting opschorten, indien de exploitant kan garanderen die tekortkomingen binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.
3. Een overeenkomstig lid 2 opgeschorte of ingetrokken erkenning wordt enkel opnieuw verleend wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de inrichting volledig voldoet aan alle voorschriften van deze verordening die op dat soort inrichting van toepassing zijn.
Afdeling 3
Door de bevoegde autoriteit gehouden register van inrichtingen en vervoeders
Artikel 96
Register van inrichtingen en vervoerders
1. De bevoegde autoriteit moet registers aanleggen en bijhouden van:
|
a) |
alle inrichtingen en vervoerders die overeenkomstig artikel 88 zijn geregistreerd; |
|
b) |
alle inrichtingen die overeenkomstig de artikelen 92 en 94 zijn erkend. |
Zij maakt dat register toegankelijk voor de Commissie, de andere lidstaten en het publiek. [Am. 227]
2. Wanneer dit dienstig en pertinent is, kan de bevoegde autoriteit de in lid 1, onder a), bedoelde registratie en de in lid 1, onder b), bedoelde erkenning combineren met een registratie voor andere doeleinden.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de in het register te vermelden gegevens als bedoeld in lid 1; |
|
b) |
aanvullende voorschriften voor de registers van inrichtingen voor levende producten die hun activiteiten beëindigd hebben; |
|
c) |
de openbaarheid van het in lid 1 bedoelde register. |
4. De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot het formaat en de procedure voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde register van inrichtingen en vervoerders en van erkende inrichtingen.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 4
Documentatie
Artikel 97
Documentatieplicht van exploitanten van andere inrichtingen dan inrichtingen voor levende producten
1. De exploitanten van inrichtingen die moeten worden geregistreerd overeenkomstig artikel 88, of die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 92, lid 1, zorgen voor het bewaren en bijwerken van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:
|
a) |
de soorten, de categorieën, de aantallen en , in voorkomend geval, de identificatie van gehouden landdieren in hun inrichting; [Am. 228] |
|
b) |
de verplaatsingen van gehouden landdieren van en naar hun inrichting, naar gelang van het geval onder vermelding van:
|
|
c) |
de papieren of elektronische documenten die gehouden landdieren die in hun inrichting aankomen of die verlaten, dienen te vergezellen overeenkomstig artikel 106, onder b), artikel 107, onder b), artikel 109, onder c), artikel 110, onder b), artikel 113, onder b), artikel 140, leden 1 en 2, artikel 162, lid 2, en krachtens de artikelen 114 en 117 en artikel 141, lid 1, onder b) en c), vastgestelde regelgeving; |
|
d) |
eventuele veterinairrechtelijke vraagstukken behandeling van diergezondheidsproblemen betreffende gehouden dieren in hun inrichting; [Am. 229] |
|
e) |
biobeveiligingsmaatregelen, surveillance, behandelingen, testresultaten en andere relevante gegevens indien van toepassing voor:
|
|
f) |
de resultaten van diergezondheidsinspecties die zijn vereist overeenkomstig artikel 23, lid 1, en de krachtens artikel 24 vastgestelde regelgeving. |
2. Inrichtingen die overeenkomstig artikel 83 zijn vrijgesteld van de registratieplicht kunnen door de lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens bij te houden. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle verleende vrijstellingen en houden een register bij van alle inrichtingen op hun grondgebied die een vrijstelling genieten. [Am. 230]
3. De exploitanten van inrichtingen bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie in de inrichting en:
|
a) |
stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit; |
|
b) |
bewaren die gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 98
Documentatieplicht voor inrichtingen voor levende producten
1. De exploitanten van inrichtingen voor levende producten zorgen voor het bewaren en bijwerken van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:
|
a) |
het ras, de leeftijd en de identificatie van de voor de productie van levende producten gebruikte donordieren; |
|
b) |
het tijdstip en de plaats van winning, verwerking en opslag van de gewonnen, geproduceerde of verwerkte levende producten; |
|
c) |
de identificatie van de levende producten en gedetailleerde gegevens over hun bestemming, indien die beschikbaar zijn; |
|
d) |
de papieren of elektronische documenten die levende producten die in de inrichting aankomen of die verlaten, dienen te vergezellen overeenkomstig artikel 159, artikel 162, lid 2, en krachtens artikel 160, leden 3 en 4, vastgestelde regelgeving; |
|
d bis) |
de resultaten van klinische en laboratoriumonderzoeken; [Am. 231] |
|
e) |
de gebruikte laboratoriumtechnieken. |
2. Inrichtingen die overeenkomstig artikel 84 zijn vrijgesteld van de registratieplicht kunnen door de lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens bij te houden. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle verleende vrijstellingen en houden een register bij van alle inrichtingen op hun grondgebied die een vrijstelling genieten. [Am. 232]
3. De exploitanten van inrichtingen voor levende producten bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie in de inrichting en:
|
a) |
stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit; |
|
b) |
bewaren die gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 99
Documentatieplicht voor vervoerders
1. Vervoerders van levende producten zorgen voor het bewaren en bijwerken van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:
|
a) |
de door hen aangedane inrichtingen; |
|
b) |
de categorieën, soorten en aantallen van de door hen vervoerde levende producten; |
|
c) |
de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van de vervoermiddelen. |
2. Vervoerders die overeenkomstig artikel 86 zijn vrijgesteld van de registratieplicht kunnen door de lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens bij te houden. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle verleende vrijstellingen en houden een register bij van alle inrichtingen op hun grondgebied die een vrijstelling genieten. [Am. 233]
3. De vervoerders bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie:
|
a) |
op een dusdanige wijze dat de bevoegde autoriteit er op haar verzoek onmiddellijk toegang toe kan krijgen; |
|
b) |
gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 100
Bevoegdheidsdelegatie inzake documentatie
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regelgeving ter aanvulling van de documentatievoorschriften van de artikelen 97, 98 en 99 inzake:
|
a) |
afwijkingen van de documentatievoorschriften voor:
|
|
b) |
gegevens die moeten worden bijgehouden ter aanvulling van de gegevens, bedoeld in artikel 97, lid 1, artikel 98, lid 1, en artikel 99, lid 1; |
|
c) |
aanvullende documentatievoorschriften voor levende producten die zijn gewonnen, geproduceerd of verwerkt in een inrichting voor levende producten die haar activiteiten heeft beëindigd. |
2. Wanneer de Commissie de regelgeving vaststelt van de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in lid 1, houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico's die met elk soort inrichting of vervoerder verbonden zijn; |
|
b) |
de categorieën en soorten gehouden landdieren of levende producten die zich in de inrichting bevinden of worden vervoerd; |
|
c) |
het soort productie in de inrichting of het soort vervoer; |
|
d) |
de typische verplaatsingspatronen voor het soort inrichting en de categorie van de desbetreffende dieren; |
|
e) |
het aantal gehouden landdieren of het volume levende producten dat zich in de inrichting bevindt of door de vervoerder wordt vervoerd. |
Artikel 101
Uitvoeringsbevoegdheid met betrekking tot documentatie
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen regelgeving vast met betrekking tot:
|
a) |
het formaat van de documentatie, bedoeld in artikel 97, lid 1, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, en de krachtens artikel 100 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
het in elektronische vorm bijhouden van de documentatie, bedoeld in artikel 97, lid 1, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, en de krachtens artikel 100 vastgestelde regelgeving; |
|
c) |
de procedures voor het bijhouden van de documentatie, bedoeld in artikel 97, lid 1, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, en de krachtens artikel 100 vastgestelde regelgeving. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 2
Traceerbaarheidsvoorschriften voor gehouden landdieren en levende producten
Afdeling 1
gehouden landdieren
Artikel 102
Verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de vaststelling van een identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren
1. De lidstaten beschikken over een identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren en, in voorkomend geval, voor de registratie van hun verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met:
|
a) |
de soort of de categorie gehouden landdieren; |
|
b) |
het aan die soort of categorie verbonden risico. |
2. Het in lid 1 bedoelde systeem bevat de volgende elementen:
|
a) |
de middelen om gehouden landdieren individueel of in groep te identificeren; |
|
b) |
de in artikel 104 bedoelde identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten voor de identificatie en tracering van gehouden landdieren; |
|
c) |
bijgewerkte documentatie in inrichtingen, als bedoeld in artikel 97, lid 1, onder a) en b); |
|
d) |
een in artikel 103, lid 1, bedoeld geautomatiseerd gegevensbestand van gehouden landdieren. |
3. Het in lid 1 bedoelde systeem wordt aldus ontworpen dat:
|
a) |
de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten is gewaarborgd; |
|
b) |
de traceerbaarheid van gehouden landdieren, hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en hun binnenkomst in de Unie wordt vergemakkelijkt; |
|
c) |
de efficiënte interoperabiliteit, integratie en compatibiliteit van de elementen van dat systeem is gewaarborgd; |
|
d) |
wordt gewaarborgd dat het systeem, voor zover nodig, is aangepast aan:
|
|
e) |
een samenhangende aanpak wordt gewaarborgd voor de verschillende diersoorten die onder het systeem vallen. |
4. De lidstaten kunnen in voorkomend geval:
|
a) |
het gehele of een deel van het in lid 1 bedoelde systeem gebruiken voor andere doelen dan die van lid 3, onder a) en b); |
|
b) |
de in artikel 104 bedoelde identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten samenvoegen met de diergezondheidscertificaten of documenten met de eigen verklaring, bedoeld in artikel 140, leden 1 en 2, artikel 148, lid 1, en krachtens artikel 141, onder b) en c), en artikel 148, leden 3 en 4, vastgestelde regelgeving; |
|
c) |
een andere autoriteit aanwijzen of een andere instantie of een natuurlijke persoon machtiging verlenen voor de praktische toepassing van het in lid 1 bedoelde identificatie- en registratiesysteem. |
Artikel 103
Verplichting van de lidstaten tot instelling van een geautomatiseerd gegevensbestand van gehouden landdieren
1. De lidstaten zetten een geautomatiseerd gegevensbestand op en houden het bij, voor het opslaan van:
|
a) |
de volgende gegevens in verband met gehouden dieren die tot een runder-, schapen- of geitensoort behoren:
|
|
b) |
de volgende gegevens over gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren: en de inrichtingen waar zij worden gehouden;
|
|
c) |
de volgende gegevens in verband met gehouden dieren die tot een soort paardachtigen behoren:
|
|
d) |
gegevens inzake gehouden landdieren van andere dan de onder a), b) en c) bedoelde soorten, indien krachtens lid 2 vastgestelde regelgeving daarin voorziet. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het waar nodig registreren van gegevens inzake andere dan de onder a), b) en c) van dit artikel genoemde diersoorten in het in dat lid bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand, rekening houdende met de risico's die die diersoorten opleveren, om:
|
a) |
de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten te waarborgen; |
|
b) |
de traceerbaarheid van gehouden landdieren, hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en hun binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken. |
2 bis. Uiterlijk op 1 januari 2018 voeren de lidstaten een registratieplicht voor honden in. Uiterlijk op 31 juli 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de ervaringen van de lidstaten met de registratie en identificatie van honden, met name met betrekking tot zwerfdieren. Dit verslag wordt zo nodig aangevuld met een voorstel betreffende de minimumvereisten voor het in lid 1 bedoelde gegevensbestand. [Am. 236]
Artikel 104
Verplichting van de bevoegde autoriteit met betrekking tot identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten voor de identificatie en tracering van gehouden landdieren
De bevoegde autoriteit:
|
a) |
geeft identificatiedocumenten voor gehouden landdieren af wanneer dat is voorgeschreven door artikel 106, onder b, artikel 109, onder c), artikel 112, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), artikel 113, onder b), of krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
geeft verplaatsingsdocumenten en andere documenten af voor de identificatie en tracering van gehouden landdieren wanneer dat is voorgeschreven door artikel 107, onder b), artikel 110, onder b), artikel 113, onder b), of krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving. |
Artikel 105
Openbaarheid van gegevens over identificatiemiddelen
De bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van en maakt gegevens openbaar over:
|
a) |
contactpunten voor de overeenkomstig artikel 103, lid 1, door de lidstaten ingestelde geautomatiseerde gegevensbestanden; |
|
b) |
de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten overeenkomstig artikel 104, rekening houdend met artikel 102, lid 4, onder c); |
|
c) |
de identificatiemiddelen die moeten worden gebruikt voor elke categorie en soort gehouden landdieren, overeenkomstig artikel 106, onder a), artikel 107, onder a), artikel 109, lid 1, artikel 110, onder a), artikel 112, lid 1, onder a), en lid 2, onder a), artikel 113, onder a), en krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving; |
|
d) |
het voorgeschreven formaat voor de afgifte van de in artikel 104 bedoelde identificatiedocumenten en andere documenten. |
Artikel 106
Verplichting van de exploitanten tot identificatie van gehouden dieren die tot een rundersoort behoren
De exploitanten die tot een rundersoort behorende dieren houden:
|
a) |
zorgen ervoor dat die gehouden dieren individueel geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel; |
|
b) |
zorgen ervoor dat voor die gehouden dieren door de bevoegde autoriteit, een daartoe aangewezen autoriteit of een gemachtigde instantie een identificatiedocument is afgegeven dat een uniek, levenslang geldig document is, en dat dit document:
|
|
c) |
geven de gegevens over de verplaatsingen van die gehouden dieren van en naar de inrichting door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 103, lid 1, en krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving. |
Artikel 107
Verplichting van de exploitanten tot identificatie van gehouden dieren die tot een schapen- of geitensoort behoren
De exploitanten die tot een schapen- of geitensoort behorende gehouden dieren houden:
|
a) |
zorgen ervoor dat die gehouden dieren individueel geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel; |
|
b) |
zorgen ervoor dat wanneer die gehouden dieren worden verplaatst uit de inrichting waar zij worden gehouden, zij vergezeld gaan van een correct ingevuld verplaatsingsdocument dat door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 104 is afgegeven; |
|
c) |
geven de gegevens over de verplaatsingen van die gehouden dieren van en naar de inrichting door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 103, lid 1, en krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving. |
Artikel 108
Afwijkingen voor identificatie- en verplaatsingsdocumenten voor gehouden dieren die tot een runder-, schapen- of geitensoort behoren
In afwijking van artikel 104, artikel 106, onder b), en artikel 107, onder b), kunnen de lidstaten exploitanten vrijstellen van de verplichting om ervoor te zorgen dat gehouden dieren die tot een runder-, schapen- of geitensoort behoren tijdens verplaatsingen binnen de lidstaat vergezeld gaan van identificatiedocumenten of verplaatsingsdocumenten, mits:
|
a) |
de gegevens in het verplaatsings- of identificatiedocument zijn opgenomen in het in artikel 103, lid 1, bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand; |
|
b) |
het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden dieren die tot een runder-, schapen- of geitensoort behoren dezelfde mate van traceerbaarheid garandeert als identificatiedocumenten en verplaatsingsdocumenten. |
Artikel 109
Verplichting van de exploitanten tot identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een soort paardachtigen behoren
1. De exploitanten die tot een soort paardachtigen behorende gehouden dieren houden, zorgen ervoor dat die dieren individueel worden geïdentificeerd aan de hand van:
|
a) |
een uniek levensnummer, dat wordt geregistreerd in het in artikel 103, lid 1, bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand; |
|
b) |
een methode die het gehouden dier ondubbelzinnig verbindt met het in dit lid, onder c), bedoelde identificatiedocument dat door de bevoegde autoriteit is afgegeven overeenkomstig artikel 104; |
|
c) |
een correct ingevuld uniek, levenslang geldig identificatiedocument. |
2. De exploitanten van gehouden dieren die tot een soort paardachtigen behoren, geven de gegevens over die dieren door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 103, lid 1, en krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving.
Artikel 110
Verplichting van de exploitanten tot identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren
De exploitanten die tot een varkenssoort behorende gehouden dieren houden:
|
a) |
zorgen ervoor dat die gehouden dieren geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel; |
|
b) |
zorgen ervoor dat wanneer die gehouden dieren worden verplaatst uit de inrichting waar zij worden gehouden, zij vergezeld gaan van een correct ingevuld verplaatsingsdocument dat door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 104 is afgegeven; |
|
c) |
geven de gegevens over de inrichting waar die dieren worden gehouden door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 103, lid 1, en krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving. |
Artikel 111
Afwijkingen inzake de verplaatsingen van gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren
In afwijking van artikel 110, onder b), kunnen de lidstaten exploitanten vrijstellen van de verplichting om ervoor te zorgen dat gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren tijdens verplaatsingen binnen de lidstaat vergezeld gaan van correct ingevulde verplaatsingsdocumenten die zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit, mits:
|
a) |
de gegevens in die verplaatsingsdocumenten zijn opgenomen in het geautomatiseerde gegevensbestand dat de lidstaat overeenkomstig artikel 103, lid 1, heeft ingesteld; |
|
b) |
het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren dezelfde mate van traceerbaarheid garandeert als die verplaatsingsdocumenten. |
Artikel 112
Verplichting van de houders van gezelschapsdieren om gezelschapslanddieren te identificeren en te registreren
1. De houders van gezelschapsdieren zorgen ervoor dat gezelschapslanddieren van de in deel A van bijlage I opgenomen soorten die worden verplaatst van de ene lidstaat naar een andere voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 576/2013. [Am. 239]
|
a) |
individueel geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel; [Am. 240] |
|
b) |
vergezeld gaan van een correct ingevuld en bijgewerkt identificatiedocument dat door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 104 is afgegeven. [Am. 241] |
2. De houders van gezelschapsdieren zorgen ervoor dat gezelschapslanddieren van de in deel B van bijlage I opgenomen soorten bij verplaatsing die worden verplaatst van de ene lidstaat naar een andere, en indien zulks krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving vereist is: voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 576/2013. [Am. 242]
|
a) |
individueel of in groep worden geïdentificeerd; [Am. 243] |
|
b) |
vergezeld gaan van correct ingevulde en bijgewerkte identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten of andere documenten voor de identificatie en tracering van dieren, naar gelang van de betrokken diersoort. [Am. 244] |
Artikel 113
Plicht van de exploitanten tot identificatie van andere gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en gezelschapsdieren
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden landdieren van andere soorten dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen, en andere dan gezelschapsdieren, aan de onderstaande voorschriften voldoen indien zulks krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving vereist is:
|
a) |
zij worden individueel of in groep geïdentificeerd; |
|
b) |
zij gaan vergezeld van correct ingevulde en bijgewerkte identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten of andere documenten voor de identificatie en tracering van dieren, naar gelang van de betrokken diersoort. |
Artikel 114
Bevoegdheidsdelegatie inzake identificatie en registratie
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de aanwijzing van andere autoriteiten of de verlening van machtiging aan instanties of natuurlijke personen, bedoeld in artikel 102, lid 4, onder c); [Am. 245] |
|
b) |
bijzondere voorschriften inzake:
|
|
c) |
de gegevens die moeten worden opgenomen in:
|
|
d) |
bijzondere voorschriften voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren om de efficiënte werking van het in artikel 102, lid 1, bedoelde identificatie- en registratiesysteem te waarborgen; |
|
e) |
bijzondere voorschriften voor gehouden landdieren die de Unie binnenkomen vanuit derde landen en grondgebieden. |
|
f) |
identificatie- en registratievoorschriften voor gezelschapslanddieren van de in bijlage I, deel B, opgenomen soorten en zo nodig voor gehouden landdieren van andere soorten dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen, rekening houdende met de risico's die de betrokken soort oplevert, om:
|
Artikel 115
Bevoegdheidsdelegatie inzake afwijkingen van de traceerbaarheidsvoorschriften
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de identificatie- en registratievoorschriften van de artikelen 106, 107, 109 en 110 voor exploitanten op voorwaarde dat volledige traceerbaarheid gewaarborgd is : [Am. 248]
|
a) |
in gevallen waarin één of meer van deze elementen niet noodzakelijk zijn om te voldoen aan de voorschriften van artikel 102, lid 3, onder a) en b); |
|
b) |
wanneer andere traceerbaarheidsmaatregelen in de lidstaten verzekeren dat de mate van traceerbaarheid van de betrokken dieren niet in het gedrang wordt gebracht. |
Artikel 116
Aspecten waarmee bij de vaststelling van in de artikelen 114 en 115 bedoelde gedelegeerde handelingen rekening moet worden gehouden
Wanneer de Commissie de regelgeving vaststelt van de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in de artikelen 114 en 115, houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de categorieën en soorten gehouden landdieren; |
|
b) |
de risico's voor die gehouden landdieren; |
|
c) |
het aantal dieren in de inrichting; |
|
d) |
het soort productie in de inrichtingen waar die landdieren worden gehouden; |
|
e) |
de verplaatsingspatronen van de soorten en categorieën gehouden landdieren; |
|
f) |
overwegingen betreffende de bescherming en het behoud van soorten gehouden landdieren; |
|
g) |
de prestaties van de andere traceerbaarheidselementen van het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren, bedoeld in artikel 102, lid 2. |
Artikel 117
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de traceerbaarheid van gehouden landdieren
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen regelgeving vast voor de toepassing van de voorschriften in de artikelen 106, 107, 109, 110, 112 en 113 en in de krachtens artikel 103, lid 2, artikel 114 en artikel 115 vastgestelde gedelegeerde handelingen, betreffende:
|
a) |
technische specificaties, formaten en operationele voorschriften voor:
|
|
b) |
de uiterste termijnen voor:
|
|
c) |
de praktische toepassing van vrijstellingen van de identificatie en registratie waarin is voorzien in de krachtens artikel 115 vastgestelde regelgeving. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 2
levende producten
Artikel 118
Traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van gehouden dieren die tot een runder-, schapen-, geiten- of varkenssoort of een soort paardachtigen behoren en van pluimvee
1. De exploitanten die levende producten produceren, verwerken of opslaan, merken levende producten van gehouden dieren die tot een runder-, schapen-, geiten- of varkenssoort of een soort paardachtigen behoren aldus dat een duidelijke tracering mogelijk is van:
|
a) |
de donordieren; |
|
b) |
de datum van verzameling; |
|
b bis) |
het ras; [Am. 249] |
|
c) |
de inrichtingen voor levende producten waar zij zijn gewonnen, geproduceerd, verwerkt en opgeslagen. |
2. Het in lid 1 bedoelde merkteken wordt aldus ontworpen dat wordt gezorgd voor:
|
a) |
de doeltreffende toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten; |
|
b) |
de traceerbaarheid van die levende producten, van hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en van hun binnenkomst in de Unie. |
Artikel 119
Bevoegdheidsdelegatie inzake de traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van gehouden dieren die tot een runder-, schapen-, geiten- of varkenssoort of een soort paardachtigen behoren, ter wijziging en aanvulling van de regelgeving in artikel 118; |
|
b) |
traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van andere gehouden landdieren dan runderen, geiten, schapen, paardachtigen en varkens, waar dit nodig is voor:
|
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de soorten gehouden landdieren waarvan de levende producten afkomstig zijn; |
|
b) |
de gezondheidsstatus van de donordieren; |
|
c) |
de risico's die met die levende producten verbonden zijn; |
|
d) |
het soort levende producten; |
|
e) |
het soort winning, verwerking of opslag; |
|
f) |
de verplaatsingspatronen van de soorten en categorieën gehouden landdieren en hun levende producten; |
|
g) |
overwegingen betreffende de bescherming en het behoud van soorten gehouden landdieren; |
|
h) |
andere elementen die kunnen bijdragen tot de traceerbaarheid van levende producten. |
Artikel 120
Uitvoeringsbevoegdheden inzake de traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten
De Commissie stelt bij uitvoeringshandelingen regelgeving vast met betrekking tot:
|
a) |
technische voorschriften en specificaties voor de in artikel 118, lid 1, bedoelde merking; |
|
b) |
operationele voorschriften voor de traceerbaarheidsvoorschriften in krachtens artikel 119, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 3
Verplaatsingen van andere gehouden landdieren dan gezelschapslanddieren binnen de Unie
Afdeling 1
Algemene voorschriften voor verplaatsingen
Artikel 121
Algemene voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren
1. De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om erop toe te zien dat door de verplaatsing van gehouden landdieren de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts uit inrichtingen, en ontvangen slechts gehouden landdieren indien de dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij zijn afkomstig van inrichtingen die:
|
|
b) |
zij voldoen aan de identificatie- en registratievoorschriften van de artikelen 106, 107, 109, 110 en 113 en aan de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 114, onder a) tot en met d), en artikel 117. |
|
b bis) |
de verplaatsing voldoet aan Verordening (EG) nr. 1/2005 (57) van de Raad. [Am. 250] |
Artikel 122
Preventieve maatregelen in verband met vervoer
1. De exploitanten treffen passende en noodzakelijke preventieve en gezondheidsbevorderende maatregelen om het volgende te waarborgen: [Am. 251]
|
a) |
de gezondheidsstatus van de gehouden landdieren loopt geen gevaar tijdens het vervoer; |
|
b) |
het vervoer van gehouden landdieren veroorzaakt op de verzamelplaatsen, de laad- en losplaatsen, de herlaadplaatsen, de rustplaatsen en de plaatsen van bestemming geen mogelijkheid tot verspreiding onder mensen en dieren van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); [Am. 252] |
|
c) |
de maatregelen betreffende reiniging, ontsmetting en desinfestatie van uitrusting en vervoermiddelen en andere passende biobeveiligingsmaatregelen worden getroffen in overeenstemming met de risico’s die met het vervoer verbonden zijn. |
|
c bis) |
de toepasselijke voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 worden in acht genomen. [Am. 253] |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van uitrusting en vervoermiddelen en het gebruik van biociden voor deze doeleinden; |
|
b) |
andere passende biobeveiligingsmaatregelen zoals bedoeld in lid 1, onder c). |
Afdeling 2
Verplaatsingen tussen lidstaten
Artikel 123
Algemene voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten
1. De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een andere lidstaat indien de dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij zijn afkomstig van een inrichting:
|
|
b) |
zij zijn vóór de datum van de geplande verplaatsing naar een andere lidstaat gedurende een passende periode niet in contact geweest met gehouden landdieren waarvoor verplaatsingsbeperkingen gelden zoals bedoeld onder a), ii) en iii), of met gehouden landdieren van in de lijst opgenomen soorten waarvoor een lagere gezondheidsstatus geldt; om de kans op de verspreiding van ziekten te beperken wordt daarbij rekening gehouden met de volgende aspecten:
|
|
c) |
zij voldoen aan de desbetreffende voorschriften van de afdelingen 3 tot en met 8. |
2. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat gehouden landdieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst, rechtstreeks naar hun plaats van bestemming in een andere lidstaat worden verzonden, tenzij de dieren met het oog op het dierenwelzijn moeten stoppen op een rustplaats.
Artikel 124
Verplichtingen van de exploitanten op de plaats van bestemming
1. De exploitanten van inrichtingen en slachthuizen die gehouden landdieren uit een andere lidstaat ontvangen:
|
a) |
controleren:
|
|
b) |
controleren de aanwezigheid van de diergezondheidscertificaten zoals bedoeld in artikel 140 en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 141, onder b) en c), of van de eigen verklaringen zoals bedoeld in artikel 148 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 148, lid 2; |
|
c) |
stellen de bevoegde autoriteit in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:
|
2. Bij onregelmatigheden zoals bedoeld in lid 1, onder c), isoleert de exploitant de dieren waarop de onregelmatigheid betrekking heeft tot de bevoegde autoriteit over deze dieren een beslissing heeft genomen.
Artikel 125
Verbod op verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten
In het geval van gehouden landdieren die bestemd zijn voor de slacht ter uitroeiing van een ziekte in het kader van een uitroeiingsprogramma zoals bedoeld in artikel 30, leden 1, 2, en 3, verplaatsen de exploitanten deze dieren niet naar een andere lidstaat, tenzij de lidstaat van bestemming en de lidstaten van doorvoer vóór die verplaatsing daartoe de uitdrukkelijke toestemming verleent verlenen; [Am. 254]
Artikel 126
Algemene voorschriften voor exploitanten voor verplaatsingen van gehouden landdieren door lidstaten maar bestemd voor uitvoer uit de Unie naar derde landen of grondgebieden
De exploitanten zien erop toe dat gehouden landdieren die bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land of grondgebied en over het grondgebied van een andere lidstaat gaan, voldoen aan de voorschriften van de artikelen 121, 122, 123 en 125.
Afdeling 3
Specifieke voorschriften voor verplaatsingen van hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten
Artikel 127
Verplaatsing van gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten
De exploitanten verplaatsen gehouden hoefdieren en pluimvee slechts van een inrichting in de ene lidstaat naar een andere lidstaat indien de dieren met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij vertonen op het ogenblik van de verplaatsing geen klinische symptomen of tekenen van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
b) |
zij hebben voldaan aan een passende verblijfsduur voor de in de lijst opgenomen ziekten, rekening houdend met de soorten en categorieën van gehouden hoefdieren en pluimvee die worden verplaatst; |
|
c) |
in de inrichting van oorsprong zijn geen gehouden hoefdieren of pluimvee binnengebracht gedurende een periode die passend is voor de in de lijst opgenomen ziekten en voor de soorten en categorieën van hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst , behalve wanneer er passende biobeveiligingsmaatregelen zijn genomen ; [Am. 255] |
|
d) |
zij vormen geen significant risico voor de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekten op de plaats van bestemming. |
Artikel 128
Bevoegdheidsdelegatie voor verplaatsing van gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de verblijfsduur en biobeveiligingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 127, onder b); [Am. 256] |
|
b) |
de periode vóór de verplaatsing zoals bedoeld in artikel 127, onder c), waarin het nodig is het binnenbrengen van gehouden hoefdieren of pluimvee in inrichtingen te beperken; |
|
c) |
aanvullende voorschriften om overeenkomstig artikel 127, onder d), te waarborgen dat gehouden hoefdieren en pluimvee geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
d) |
andere risicobeperkingsmaatregelen tot wijziging en ter aanvulling van de voorschriften van artikel 127. |
2. Wanneer de Commissie de regelgeving vaststelt van de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in lid 1, houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), die relevant zijn voor de in de lijst opgenomen soorten of categorieën gehouden hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst; |
|
b) |
de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), in de inrichtingen, compartimenten, zones en lidstaten van oorsprong en bestemming; |
|
c) |
het soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en bestemming; |
|
d) |
het soort verplaatsing; |
|
e) |
de categorieën en soorten gehouden hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst; |
|
f) |
de leeftijd van de gehouden hoefdieren die worden verplaatst en van het pluimvee dat wordt verplaatst; |
|
g) |
andere epizoötiologische factoren. |
Artikel 129
Gehouden hoefdieren en pluimvee, verplaatst naar een andere lidstaat en bestemd voor de slacht
1. De exploitanten van slachthuizen die uit een andere lidstaat gehouden hoefdieren en pluimvee ontvangen, slachten deze dieren , met voorafgaande bedwelming, zo snel mogelijk na hun aankomst, uiterlijk binnen de termijn die moet worden bepaald in de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen. [Am. 257]
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het tijdstip van slachting zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Afdeling 4
Het verzamelen van gehouden hoefdieren en pluimvee
Artikel 130
Afwijking voor verzamelingen
1. In afwijking van artikel 123, lid 2, mogen de exploitanten voor gehouden hoefdieren en pluimvee ten hoogste de volgende drie verzamelingen inplannen:
|
a) |
één verzameling in de lidstaat van oorsprong; |
|
b) |
één verzameling in de lidstaat van doorgang; |
|
c) |
één verzameling in de lidstaat van bestemming; [Am. 258] |
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde verzamelingen vinden slechts plaats in een inrichting die daartoe is erkend overeenkomstig artikel 92, lid 1, en artikel 94, leden 3 en 4.
De lidstaat van oorsprong mag echter op zijn grondgebied toestaan dat de verzameling plaatsheeft op vervoermiddelen waarmee gehouden hoefdieren en pluimvee rechtstreeks van de inrichting van oorsprong worden opgehaald, op voorwaarde dat de dieren daarna niet worden afgeladen voordat:
|
a) |
zij bij de inrichting of de uiteindelijke plaats van bestemming zijn aangekomen; of |
|
b) |
een verzameling plaatsvindt, zoals bedoeld in lid 1, onder b) en c). |
Artikel 131
Voorschriften inzake ziektepreventie voor verzamelingen
De exploitanten zien bij verzamelingen toe op het volgende:
|
a) |
de gehouden hoefdieren en het pluimvee hebben bij een verzameling dezelfde gezondheidsstatus; wanneer dat niet het geval is, wordt de lagere gezondheidsstatus toegepast op alle aldus verzamelde dieren; |
|
b) |
de gehouden hoefdieren en het pluimvee worden zo snel mogelijk na het verlaten van de inrichting van oorsprong verzameld en verplaatst naar hun uiteindelijke plaats van bestemming in een andere lidstaat, uiterlijk binnen de termijn die moet worden bepaald in de krachtens artikel 132, onder c), vastgestelde gedelegeerde handelingen; [Am. 259] |
|
c) |
de noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gehouden hoefdieren en het pluimvee bij een verzameling:
|
|
d) |
de gehouden hoefdieren of het pluimvee zijn geïdentificeerd en gaan, in voorkomend geval, vergezeld van de volgende documenten:
|
Artikel 132
Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot verzamelingen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen , mits wetenschappelijk onderbouwd en met inachtneming van de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, met betrekking tot: [Am. 260]
|
a) |
specifieke regelgeving voor verzamelingen, wanneer andere risicobeperkingsmaatregelen getroffen zijn ter aanvulling van die bedoeld in artikel 131, onder b) en c); |
|
b) |
de voorwaarden waaronder de lidstaten van oorsprong toestemming kunnen verlenen voor een verzameling op vervoermiddelen, zoals bedoeld in artikel 130, lid 2, tweede alinea; |
|
c) |
de termijn tussen het tijdstip van vertrek van gehouden hoefdieren of pluimvee uit de inrichting van oorsprong en het tijdstip van vertrek uit de verzameling naar hun eindbestemming in een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 131, onder b); [Am. 261] |
|
d) |
biobeveiligingsmaatregelen zoals bedoeld in lid 131, onder c). |
Afdeling 5
Verplaatsingen van andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten
Artikel 133
Verplaatsing van andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren of pluimvee slechts van een inrichting in de ene lidstaat naar een andere lidstaat wanneer deze dieren op de plaats van bestemming geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d).
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende uitvoeringsbepalingen om te waarborgen dat andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren of pluimvee geen in lid 1 van dit artikel bedoeld significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d).
3. Wanneer de Commissie de uitvoeringsbepalingen vaststelt voor de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in lid 2, houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), die relevant zijn voor de in de lijst opgenomen soorten of categorieën gehouden landdieren die worden verplaatst; |
|
b) |
de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), in de inrichtingen, compartimenten, zones en lidstaten van oorsprong en op de plaats van bestemming; |
|
c) |
het soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming; |
|
d) |
het soort verplaatsing met betrekking tot het einddoel waarvoor de dieren op hun bestemming worden gebruikt; |
|
e) |
de categorieën en soorten gehouden landdieren die worden verplaatst; |
|
f) |
de leeftijd van de gehouden landdieren die worden verplaatst; |
|
g) |
andere epizoötiologische factoren. |
Afdeling 6
afwijking en aanvulling van risicobeperkingsmaatregelen
Artikel 134
Dieren bestemd voor geconsigneerde inrichtingen en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een geconsigneerde inrichting indien de dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij zijn afkomstig van een andere geconsigneerde inrichting; |
|
b) |
zij vormen geen significant risico voor de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen soorten of categorieën dieren in de geconsigneerde inrichting van bestemming, tenzij een dergelijke verplaatsing voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
uitvoeringsbepalingen voor het verplaatsen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen ter aanvulling van die bedoeld in lid 1 van dit artikel; |
|
b) |
specifieke regelgeving voor verplaatsingen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen waar de getroffen risicobeperkingsmaatregelen waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de gezondheid van de gehouden landdieren binnen die geconsigneerde inrichting of in naburige inrichtingen. |
Artikel 135
Afwijkingen voor verplaatsingen van gehouden landdieren voor wetenschappelijke doeleinden en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan, mits de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong daarmee instemt, voor wetenschappelijke doeleinden toestemming verlenen voor verplaatsingen van gehouden landdieren naar het grondgebied van die lidstaat die niet voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 121 en 122, artikel 123, lid 1), onder a), ii) en artikel 124.
2. De bevoegde autoriteiten staan de in lid 1 bedoelde afwijkingen slechts toe onder de volgende voorwaarden:
|
a) |
de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming en die van de plaats van oorsprong:
|
|
b) |
deze verplaatsingen van deze dieren verlopen onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming en, indien van toepassing, van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doortocht. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en de aanvulling van de regelgeving voor afwijkingen door de bevoegde autoriteiten zoals bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel.
Artikel 136
Afwijkingen met betrekking tot recreatieve doeleinden, sportieve en culturele evenementen, het laten grazen en werken in grensgebied
1. De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan afwijkingen toestaan van de voorschriften van de afdelingen 2 tot en met 5, met uitzondering van artikel 123, onder a) en b), en de artikelen 124 en 125, voor verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten binnen de Unie, indien deze verplaatsingen plaatsvinden:
|
a) |
voor recreatieve doeleinden in grensgebied; |
|
b) |
voor in grensgebied georganiseerde tentoonstellingen en sportieve, culturele of soortgelijke evenementen; |
|
c) |
voor het laten grazen van gehouden landdieren op door lidstaten gedeeld weiland; |
|
d) |
voor het laten werken van gehouden landdieren in grensgebied van lidstaten. |
2. De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming staat afwijkingen toe voor de in lid 1 bedoelde verplaatsingen van gehouden landdieren indien de lidstaten van oorsprong en bestemming hierover overeenstemming hebben bereikt en passende risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen.
3. De in lid 2 bedoelde lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde toegestane afwijkingen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en de aanvulling van de regelgeving voor afwijkingen door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Artikel 137
Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot afwijkingen voor circussen, tentoonstellingen, sportieve evenementen, recreatieve doeleinden, dierentuinen, dierenwinkels en groothandelsbedrijven
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
specifieke voorschriften ter aanvulling van de regelgeving van de afdelingen 2 tot en met 5 met betrekking tot de verplaatsingen van gehouden landdieren voor de volgende doeleinden:
|
|
b) |
afwijkingen van de voorschriften van de afdelingen 2 tot en met 5, met uitzondering van artikel 123, onder a) en b), en de artikelen 124 en 125, voor de onder a) bedoelde verplaatsingen van gehouden landdieren. |
Artikel 138
Uitvoeringsbevoegdheid inzake tijdelijke afwijkingen voor verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën gehouden landdieren
De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor tijdelijke afwijkingen van de voorschriften van dit hoofdstuk betreffende verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën gehouden landdieren in de volgende gevallen:
|
a) |
de met de verplaatsing van dergelijke dieren verbonden risico’s worden niet doeltreffend beperkt door de verplaatsingsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 127, artikel 129, lid 1, de artikelen 130 en 131, artikel 133, lid 1, artikel 134, lid 1, artikel 135, leden 1 en 2, en artikel 136, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 128, lid 1, artikel 129, lid 2, artikel 132, artikel 133, lid 2, artikel 134, lid 2, artikel 135, lid 3, artikel 136, lid 4, en artikel 137; of |
|
b) |
de in de lijst opgenomen ziekte zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), lijkt zich ondanks de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 6 te verspreiden. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ziekten die een risico op bijzonder zwaarwegende gevolgen opleveren en rekening houdend met de in artikel 139 bedoelde aspecten stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
Artikel 139
Aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de in deze afdeling bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
Wanneer de Commissie regelgeving vaststelt voor de gedelegeerde handelingen en de uitvoeringshandelingen zoals bedoeld in artikel 134, lid 2, artikel 135, lid 3, artikel 136, lid 4, en de artikelen 137 en 138 houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico’s die verbonden zijn met de in deze bepalingen bedoelde verplaatsingen; |
|
b) |
de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), op de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming; |
|
c) |
de in de lijst opgenomen diersoorten voor de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
d) |
de getroffen biobeveiligingsmaatregelen op de plaats van oorsprong, de plaats van bestemming en onderweg; |
|
e) |
eventuele specifieke omstandigheden waarin de gehouden landdieren in inrichtingen worden gehouden; |
|
f) |
specifieke verplaatsingspatronen voor het soort inrichting en de soorten en categorieën van de betrokken gehouden landdieren; |
|
g) |
andere epizoötiologische factoren. |
Afdeling 7
Diergezondheidscertificering
Artikel 140
Verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat
1. De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een andere lidstaat indien deze vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 146, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat en de dieren behoren tot de volgende soorten en categorieën:
|
a) |
hoefdieren; |
|
b) |
pluimvee; |
|
c) |
andere gehouden landdieren dan hoefdieren en pluimvee, bestemd voor een geconsigneerde inrichting; |
|
d) |
andere gehouden landdieren dan die bedoeld in de punten a), b), en c), van dit lid, indien van toepassing overeenkomstig de krachtens artikel 141, lid 1, onder c) vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
2. De exploitanten verplaatsen geen gehouden landdieren binnen een lidstaat of van de ene lidstaat naar de andere, tenzij deze vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 146, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat en aan de voorwaarden zoals bedoeld in de onderstaande punten a) en b) is voldaan: [Am. 262]
|
a) |
het is toegestaan dat de gehouden landdieren worden verplaatst uit een beperkingszone zoals bedoeld in artikel 55, lid 1, onder f), ii), artikel 56 en artikel 64, lid 1, en voor de dieren gelden ziektebestrijdingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 55, lid 1, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1, of artikel 78, leden 1 en 2, of in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, artikel 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 81, lid 3, of artikel 248; |
|
b) |
de gehouden landdieren behoren tot soorten waarvoor deze ziektebestrijdingsmaatregelen gelden. |
3. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat het in lid 1 van dit artikel bedoelde diergezondheidscertificaat de gehouden landdieren vergezelt van de plaats van oorsprong tot de uiteindelijke plaats van bestemming, tenzij in de krachtens artikel 144 vastgestelde regelgeving specifieke maatregelen zijn vastgesteld.
Artikel 141
Bevoegdheidsdelegatie in verband met de verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
afwijkingen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, voor verplaatsingen van gehouden landdieren die geen significant risico vormen voor de verspreiding van een ziekte door:
|
|
b) |
bijzondere regelgeving voor voorschriften inzake diergezondheidscertificering zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, waarbij de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de aspecten van lid 2 van dit artikel, specifieke risicobeperkingsmaatregelen treft voor surveillance of biobeveiliging die:
|
|
c) |
de voorschriften inzake diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van andere soorten en categorieën gehouden landdieren dan die bedoeld in artikel 140, lid 1, onder a), b) en c), wanneer de diergezondheidscertificering verplicht is om te waarborgen dat de verplaatsingen in kwestie voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6. |
2. Wanneer de Commissie bijzondere regelgeving vaststelt zoals bedoeld in lid 1, onder b), houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
het vertrouwen van de bevoegde autoriteit in de biobeveiliging van de exploitanten, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 9, lid 2; |
|
b) |
het vermogen van de bevoegde autoriteit om noodzakelijke en passende maatregelen en acties te treffen zoals vereist volgens artikel 12, lid 1, van deze verordening; |
|
c) |
het niveau van de verworven basiskennis inzake diergezondheid, zoals bedoeld in artikel 10, en de ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 12, lid 2; |
|
d) |
de uitvoering van de diergezondheidsinspecties zoals bedoeld in artikel 23 en in de krachtens artikel 24 vastgestelde regelgeving, indien geen andere relevante systemen voor surveillance en kwaliteitsborging of officiële controles zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, onder c) worden toegepast; |
|
e) |
de uitvoering van de kennisgeving en de verslaglegging aan de Unie door de bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 17 tot en met 20 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 17, lid 3, artikel 18, lid 3 en artikel 21; |
|
f) |
de toepassing van de surveillance, zoals bedoeld in artikel 25, en van de surveillanceprogramma’s, zoals bedoeld in artikel 27 en in de krachtens de artikelen 28 en 29 vastgestelde regelgeving. |
3. De Commissie houdt bij het vaststellen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering, zoals bedoeld in lid 1, onder c) van dit artikel, rekening met de aspecten zoals bedoeld in lid 1, onder a), i) tot en met iv).
Artikel 142
Inhoud van diergezondheidscertificaten
1. Het diergezondheidscertificaat bevat de volgende gegevens:
|
a) |
de inrichting of plaats van oorsprong, de inrichting of plaats van bestemming en, indien van toepassing, de inrichtingen voor het verzamelen of voor het laten rusten van de gehouden landdieren; |
|
b) |
een beschrijving van de gehouden landdieren; |
|
c) |
het aantal gehouden landdieren; |
|
d) |
de identificatie en de registratie van de gehouden landdieren, indien vereist overeenkomstig de artikelen 106, 107, 109, 110 en 113 en overeenkomstig de krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving, tenzij in overeenstemming met artikel 115 afwijkingen zijn toegestaan; en |
|
e) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de gehouden landdieren voldoen aan de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6. |
2. Het diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van de wetgeving van de Unie vereist zijn.
Artikel 143
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten, zoals bedoeld in artikel 142, lid 1, voor verschillende categorieën en soorten gehouden landdieren en met betrekking tot specifieke soorten verplaatsingen, zoals bedoeld in de krachtens artikel 144 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
aanvullende gegevens die in het in artikel 142, lid 1, bedoelde diergezondheidscertificaat moeten worden opgenomen. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 144
Bevoegdheidsdelegatie in verband met specifieke soorten verplaatsingen van gehouden landdieren
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke maatregelen ter aanvulling van de verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 140 en in de krachtens artikel 141 vastgestelde regelgeving, voor de volgende soorten verplaatsingen van gehouden landdieren:
|
a) |
verplaatsingen van gehouden hoefdieren en pluimvee, waarbij dieren worden verzameld, zoals bedoeld in artikel 130, voordat de uiteindelijke plaats van bestemming wordt bereikt; |
|
b) |
verplaatsingen van gehouden landdieren die hun weg naar de eindbestemming niet kunnen voortzetten en naar hun plaats van oorsprong moeten terugkeren of naar een andere bestemming moeten worden verplaatst om een of meer van de volgende redenen:
|
|
c) |
verplaatsingen van gehouden landdieren voor tentoonstellingen en sportieve, culturele of soortgelijke evenementen, en daarna de terugkeer van die dieren naar hun plaats van oorsprong. |
Artikel 145
Verplichtingen van de exploitanten tot samenwerking met de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering
De exploitanten:
|
a) |
verstrekken de bevoegde autoriteit alle noodzakelijke gegevens voor het invullen van het diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 140, leden 1 en 2, en in de krachtens artikel 143, lid 1, of artikel 144 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
onderwerpen de gehouden landdieren indien nodig aan de in artikel 146, lid 3, bedoelde documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles. |
Artikel 146
Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering
1. De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsing van gehouden landdieren naar een andere lidstaat, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 140 of de krachtens artikel 141, lid 1, en artikel 143, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen, op voorwaarde dat aan de volgende verplaatsingsvoorschriften is voldaan:
|
a) |
de voorschriften zoals bedoeld in artikel 121, artikel 122, lid 1, de artikelen 123, 125, 126, 127, 129, 130 en 131, artikel 133, lid 1, artikel 134, lid 1, artikel 135 en artikel 136; |
|
b) |
de voorschriften zoals bedoeld in de krachtens artikel 122, lid 2, artikel 128, lid 1, artikel 132, artikel 133, lid 2, artikel 134, lid 2, artikel 135, lid 4, en artikel 136, lid 4 en artikel 137 vastgestelde gedelegeerde handelingen; |
|
c) |
de voorschriften zoals bedoeld in de krachtens artikel 138 vastgestelde uitvoeringshandelingen. |
2. Diergezondheidscertificaten:
|
a) |
worden gecontroleerd en ondertekend door de officiële dierenarts; |
|
b) |
blijven geldig voor een periode, zoals bedoeld in de regelgeving vastgesteld krachtens lid 4, onder c), waarin de gecertificeerde gehouden landdieren de in het certificaat vervatte diergezondheidsgaranties moeten blijven bieden. |
3. De officiële dierenarts ondertekent het diergezondheidscertificaat pas nadat hij heeft gecontroleerd dat de in het certificaat bedoelde gehouden landdieren voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk door middel van de documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles zoals bedoeld in de krachtens lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de soorten documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren die de officiële dierenarts moet uitvoeren overeenkomstig lid 3 van dit artikel om na te gaan of aan de voorschriften van dit hoofdstuk is voldaan; |
|
b) |
de termijnen voor de uitvoering van dergelijke documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles, en voor de afgifte van diergezondheidscertificaten door de officiële dierenarts voorafgaand aan de verplaatsing van zendingen gehouden landdieren; |
|
c) |
de geldigheidsduur van diergezondheidscertificaten. |
Artikel 147
Elektronische diergezondheidscertificaten
Elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via Imsoc, kunnen de in artikel 146, lid 1, bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
deze elektronische diergezondheidscertificaten bevatten alle gegevens die het modelformulier van diergezondheidscertificaten moet bevatten overeenkomstig artikel 142 en de krachtens artikel 143 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
de traceerbaarheid van de gehouden landdieren en het verband tussen die dieren en het elektronische diergezondheidscertificaat zijn gewaarborgd. |
Artikel 148
Eigen verklaring van de exploitanten voor verplaatsingen naar andere lidstaten
1. Indien voor de gehouden landdieren niet vereist is dat zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 140, leden 1 en 2, geven de exploitanten op de plaats van oorsprong een document met eigen verklaring af voor verplaatsingen van gehouden landdieren van hun plaats van oorsprong in de ene lidstaat naar hun plaats van bestemming in een andere lidstaat en zien zij erop toe dat het document de dieren vergezelt.
2. Het in lid 1 bedoelde document met eigen verklaring bevat over de gehouden landdieren de volgende gegevens:
|
a) |
hun plaats van oorsprong, hun plaats van bestemming, en indien van toepassing, alle verzamel- of rustplaatsen; |
|
b) |
een beschrijving van de gehouden landdieren, hun soort, categorie en aantal; |
|
c) |
identificatie en registratie, indien dat is vereist overeenkomstig de artikelen 106, 107, 109 en 110, en artikel 113, onder a), en de krachtens de artikelen 114 en 117 vastgestelde regelgeving; |
|
d) |
de noodzakelijke gegevens om aan te tonen dat de gehouden landdieren voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
uitvoeringsbepalingen betreffende de inhoud van het document met eigen verklaring zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel voor verschillende categorieën en soorten dieren; |
|
b) |
gegevens die in het document met eigen verklaring moeten worden opgenomen ter aanvulling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens. |
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van documenten met eigen verklaring zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 8
Kennisgeving van verplaatsingen van gehouden lanndieren naar andere lidstaten
Artikel 149
Verplichting van de exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren naar andere lidstaten
De exploitanten stellen de bevoegde autoriteit in de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van geplande verplaatsingen van gehouden landdieren van die lidstaat naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:
|
a) |
de dieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig de artikelen 146 en 147 en de krachtens artikel 146, lid 4, vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
de dieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor gehouden landdieren indien zij uit een beperkingszone worden verplaatst en op deze dieren ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn zoals bedoeld in artikel 140, lid 2; |
|
c) |
kennisgeving is vereist overeenkomstig de krachtens artikel 151, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Voor de in het eerste lid van dit artikel beschreven doeleinden verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om deze in staat te stellen overeenkomstig artikel 150, lid 1, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis te stellen van de verplaatsingen van de gehouden landdieren.
Artikel 150
Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor de kennisgeving van verplaatsingen aan andere lidstaten
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van verplaatsingen van gehouden landdieren zoals bedoeld in artikel 149.
2. De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt indien mogelijk via Imsoc.
3. Voor het beheer van de kennisgevingen van verplaatsingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, duiden de lidstaten regio’s aan.
4. In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de exploitant toestemming verlenen de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren geheel of gedeeltelijk via Imsoc naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming te versturen.
Artikel 151
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen voor de kennisgeving van verplaatsingen door de exploitanten en door de bevoegde autoriteit
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de verplichting voor de exploitanten om overeenkomstig artikel 149 vooraf kennisgeving te doen van verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten voor andere categorieën of soorten dieren dan die bedoeld onder a) en b) van dat artikel, wanneer de traceerbaarheid van dergelijke verplaatsingen van die soorten of categorieën dieren noodzakelijk is om te waarborgen dat aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 is voldaan; |
|
b) |
de gegevens die noodzakelijk zijn om kennisgeving te doen van verplaatsingen van gehouden landdieren zoals bedoeld in de artikelen 149 en 150; |
|
c) |
de noodprocedures voor de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren bij stroomonderbrekingen en andere storingen in Imsoc; |
|
d) |
de voorschriften inzake de aanduiding van regio's door de lidstaten voor het beheer van de kennisgevingen van verplaatsingen zoals bedoeld in artikel 150, lid 3. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot:
|
a) |
het formaat van de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren door:
|
|
b) |
de uiterste termijnen voor:
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 4
Verplaatsingen van gezelschapslanddieren binnen de Unie
Artikel 152
Niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapslanddieren en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. Houders van gezelschapsdieren verrichten slechts niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapslanddieren van de in bijlage I vermelde soorten van de ene lidstaat naar de een andere indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EU) nr. 576/2013. [Am. 263]
|
a) |
deze gezelschapslanddieren zijn geïdentificeerd en gaan vergezeld van een identificatiedocument indien dat is vereist overeenkomstig artikel 112 of overeenkomstig de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 114, onder e), en artikel 117; [Am. 264] |
|
b) |
tijdens die verplaatsing zijn passende maatregelen getroffen ter preventie en bestrijding van ziekten, om te waarborgen dat de gezelschapslanddieren geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en van nieuwe ziekten naar gehouden landdieren op de plaats van bestemming en tijdens het vervoer. [Am. 265] |
2. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EU) nr. 576/2013, is de Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten, om te waarborgen dat de gezelschapslanddieren geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en van nieuwe ziekten naar dieren op de plaats van bestemming en tijdens het vervoer, en houdt daarbij indien nodig rekening met de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming. [Am. 266]
3. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EU) nr. 576/2013, kan de Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel en de krachtensin in lid 2 van dit artikel vastgestelde regelgeving bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten . [Am. 267]
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 254, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 5
Verplaatsing van wilde landdieren
Artikel 153
Wilde landdieren
1. De exploitanten verplaatsen wilde dieren slechts van een habitat in de ene lidstaat naar een habitat of inrichting in een andere lidstaat indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de verplaatsingen van de wilde dieren uit hun habitat worden zodanig verricht dat zij onderweg of op de plaats van bestemming geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), of van nieuwe ziekten; |
|
b) |
de wilde dieren zijn niet afkomstig uit een habitat in een beperkingszone waarvoor verplaatsingsbeperkingen gelden omdat er een in de lijst opgenomen ziekte voorkomt zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), of een nieuwe ziekte voor de in de lijst opgenomen soorten, zoals bedoeld in artikel 70, lid 2, onder c), artikel 80, leden 1 en 2, en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 70, lid 3, onder b), artikel 71, lid 3, artikel 80, lid 4, en artikel 81, lid 3, of omdat er noodmaatregelen gelden zoals bedoeld in de artikelen 245 en 246 en de krachtens artikel 248 vastgestelde regelgeving, tenzij overeenkomstig deze regelgeving afwijkingen zijn toegestaan; |
|
c) |
de wilde dieren gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat of van andere documenten, indien diergezondheidscertificering noodzakelijk is om te waarborgen dat is voldaan aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen zoals bedoeld onder a) en b) van dit lid en aan de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 154, lid 1, onder c) en d); |
|
d) |
de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis gesteld van de verplaatsing, wanneer overeenkomstig de krachtens artikel 154, lid 1, onder c), vastgestelde regelgeving een diergezondheidscertificaat is vereist. |
2. Wanneer overeenkomstig de krachtens artikel 154, lid 1, onder c), vastgestelde regelgeving een diergezondheidscertificaat is vereist, gelden voor verplaatsingen van wilde landdieren de voorschriften van de artikelen 142 en 145, artikel 146, leden 1, 2 en 3 en artikel 147, en de regelgeving vastgesteld krachtens de artikelen 143 en 144 en artikel 146, lid 4.
3. Wanneer overeenkomstig lid 1, onder d), van dit artikel de kennisgeving van verplaatsingen is vereist, gelden voor verplaatsingen van wilde landdieren de voorschriften van de artikelen 149 en 150 en de regelgeving vastgesteld krachtens de in artikel 151 bedoelde gedelegeerde handelingen.
Artikel 154
Bevoegdheden inzake verplaatsingen van wilde landdieren
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van wilde landdieren zoals bedoeld in artikel 153, lid 1, onder a) en b); |
|
b) |
de diergezondheidsvoorschriften voor het binnenbrengen van wilde landdieren wanneer zij uit het wild worden overgebracht:
|
|
c) |
de soorten verplaatsingen van wilde landdieren waarvoor of de situaties waarin een diergezondheidscertificaat of een ander document dergelijke verplaatsingen moet begeleiden, en de voorschriften met betrekking tot de inhoud van dergelijke diergezondheidscertificaten of andere documenten; |
|
d) |
de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming bij verplaatsingen van wilde landdieren tussen lidstaten en de gegevens die een dergelijke kennisgeving moet bevatten. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen ter specificatie van de voorschriften zoals bedoeld in artikel 153 en van de gedelegeerde regelgeving vastgesteld krachtens lid 1, met betrekking tot:
|
a) |
modelformulieren van diergezondheidscertificaten en andere documenten die de verplaatsingen van wilde landdieren moeten vergezellen, indien dat is bepaald in de krachtens artikel 1, onder c), vastgestelde gedelegeerde handelingen; |
|
b) |
het formaat van de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong en de termijnen voor dergelijke kennisgevingen, indien dat is bepaald in de krachtens artikel 1, onder d), vastgestelde regelgeving. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 6
Verplaatsingen van levende producten binnen de Unie
Afdeling 1
Algemene voorschriften
Artikel 155
Algemene voorschriften voor verplaatsingen van levende producten
1. De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om erop toe te zien dat door de verplaatsing van levende producten de gezondheidsstatus van gehouden landdieren op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. De exploitanten verplaatsen levende producten slechts uit hun inrichtingen en ontvangen slechts dergelijke levende producten indien deze producten voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij zijn afkomstig van inrichtingen die:
|
|
b) |
zij voldoen aan de traceerbaarheidsvoorschriften van artikel 118, lid 1, en aan de krachtens artikel 119, lid 1, vastgestelde regelgeving. |
3. De exploitanten leven de voorschriften van artikel 122 na voor het vervoer van levende producten van gehouden landdieren.
4. De exploitanten verplaatsen levende producten niet van een inrichting in de ene lidstaat naar een inrichting in een andere lidstaat, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming daartoe de uitdrukkelijke toestemming verleent, wanneer die levende producten moeten worden vernietigd ter uitroeiing van een ziekte in het kader van een uitroeiingsprogramma zoals bedoeld in artikel 30, leden 1 en 2.
Artikel 156
Verplichtingen van de exploitanten op de plaats van bestemming
1. De exploitanten van inrichtingen op de plaats van bestemming die levende producten ontvangen van een inrichting uit een andere lidstaat:
|
a) |
controleren de aanwezigheid van:
|
|
b) |
stellen de bevoegde autoriteit in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:
|
2. Bij onregelmatigheden zoals bedoeld in lid 1, onder b), houdt de exploitant de levende producten waarop de onregelmatigheid betrekking heeft onder zijn toezicht tot de bevoegde autoriteit over deze producten een beslissing heeft genomen.
Afdeling 2
Verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten
Artikel 157
Verplichtingen van de exploitanten inzake verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten
1. De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee slechts naar een andere lidstaat indien deze producten voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij worden gewonnen, geproduceerd, behandeld en opgeslagen in inrichtingen voor levende producten die daartoe overeenkomstig artikel 92, lid 1, en artikel 94 zijn erkend; |
|
b) |
zij voldoen aan de traceerbaarheidsvoorschriften voor het soort levende producten overeenkomstig artikel 118 en de krachtens artikel 119 vastgestelde regelgeving; |
|
c) |
zij zijn gewonnen van donordieren die voldoen aan de noodzakelijke diergezondheidsvoorschriften om te waarborgen dat de levende producten geen in de lijst opgenomen ziekten verspreiden; |
|
d) |
zij zijn gewonnen, geproduceerd, behandeld, opgeslagen en vervoerd op een manier die waarborgt dat geen in de lijst vermelde ziekten worden verspreid. |
2. De exploitanten verplaatsen geen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee van een inrichting voor levende producten waarvoor met betrekking tot de in de lijst opgenomen soorten verplaatsingsbeperkingen gelden overeenkomstig:
|
a) |
artikel 55, lid 1, onder a), c) en e), artikel 55, lid 1, onder f), ii), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 74, lid 1, en artikel 78, leden 1 en 2; |
|
b) |
de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79 en artikel 81, lid 2; en |
|
c) |
de noodmaatregelen zoals bedoeld in de artikelen 246 en 247 en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248, tenzij in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 247 afwijkingen zijn toegestaan. |
Artikel 158
Bevoegdheidsdelegatie voor verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de in artikel 157 bedoelde verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten ter specificatie van:
|
a) |
regelgeving voor de winning, productie, behandeling en opslag van levende producten van deze gehouden dieren in erkende inrichtingen zoals bedoeld in artikel 157, lid 1, onder a); |
|
b) |
diergezondheidsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 157, lid 1, onder c):
|
|
c) |
laboratoriumtests en andere tests op gehouden donordieren en levende producten; |
|
d) |
diergezondheidsvoorschriften voor de winning, productie, behandeling, opslag of voor andere bewerkingen en voor vervoer zoals bedoeld in artikel 157, lid 1, onder d); |
|
e) |
afwijkingen van de regelgeving van artikel 157 voor exploitanten, rekening houdend met de risico’s van dergelijke levende producten en de getroffen risicobeperkingsmaatregelen. |
Afdeling 3
Diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen
Artikel 159
Verplichtingen van de exploitanten met betrekking tot diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee slechts wanneer deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong bij verplaatsingen:
|
a) |
naar een andere lidstaat; |
|
b) |
binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
2. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de levende producten vergezelt van de plaats van oorsprong tot de plaats van bestemming.
3. De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsingen van de in lid 1 bedoelde levende producten.
4. Voor de diergezondheidscertificering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde levende producten gelden de artikelen 142, 145, 146 en 147 en de regelgeving vastgesteld krachtens de artikelen 143 en 144 en artikel 146, lid 4, en voor eigen verklaringen betreffende verplaatsingen van levende producten gelden artikel 148, lid 1, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 148, lid 2.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel voor de verplaatsingen van levende producten van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee die geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten door:
|
a) |
de aard van de levende producten of de diersoort waarvan deze producten afkomstig zijn; |
|
b) |
de methoden voor productie en behandeling die in de inrichting voor levende producten worden toegepast; |
|
c) |
het beoogde gebruik van de levende producten; |
|
d) |
andere getroffen risicobeperkingsmaatregelen voor het soort en de categorie levende producten en de inrichtingen voor levende producten. |
Artikel 160
Inhoud van diergezondheidscertificaten
1. Het diergezondheidscertificaat voor levende producten zoals bedoeld in artikel 159 bevat ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de inrichting voor levende producten van oorsprong en de inrichting of plaats van bestemming; |
|
b) |
het soort levende producten en de soorten gehouden donordieren; |
|
c) |
het volume van de levende producten; |
|
d) |
het merkteken van de levende producten, wanneer artikel 118, lid 1, en de krachtens artikel 119, lid 1, vastgestelde regelgeving dat vereisen; |
|
e) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de levende producten van de zending voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften voor de desbetreffende soorten zoals bedoeld in de artikelen 155 en 157 en in de krachtens artikel 158 vastgestelde regelgeving. |
2. Het diergezondheidscertificaat voor levende producten zoals bedoeld in artikel 159 mag andere gegevens bevatten die overeenkomstig andere wetgeving van de Unie zijn vereist.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de gegevens die krachtens lid 1 van dit artikel in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld; |
|
b) |
diergezondheidscertificering voor verschillende soorten levende producten en van verschillende diersoorten. |
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten voor levende producten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 161
Kennisgeving van verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten
1. De exploitanten:
|
a) |
stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verplaatsing van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:
|
|
b) |
verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 in kennis te stellen van de verplaatsing van de levende producten. |
2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig de krachtens artikel 151 vastgestelde regelgeving in kennis van verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee.
3. De artikelen 149 en 150 en de krachtens artikel 151 vastgestelde regelgeving zijn van toepassing op de kennisgeving van levende producten.
Afdeling 4
Verplaatsingen van levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee naar andere lidstaten
Artikel 162
Levende producten afkomstig van andere gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee
1. De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee slechts naar een andere lidstaat, indien deze, naargelang van de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming, geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen diersoorten op de plaats van bestemming.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot diergezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen van levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee. Zij houdt daarbij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid (1), onder d), voor de in de lijst opgenomen soorten; |
|
b) |
de soorten dieren waarvan de levende producten zijn gewonnen en het soort levende producten; |
|
c) |
de gezondheidsstatus op de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming; |
|
d) |
het soort winning, productie, behandeling en opslag; |
|
e) |
andere epizoötiologische factoren. |
3. Wanneer overeenkomstig lid 2 van dit artikel diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen van levende producten zijn vereist:
|
a) |
gelden voor dergelijke certificering de regelgeving van de artikelen 159, 160 en 161 en de krachtens artikel 159, lid 5, en artikel 160, lid 3, vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
gelden voor kennisgeving van verplaatsingen de voorschriften van artikel 161, leden 1 en 2. |
Afdeling 5
Afwijkingen
Artikel 163
Levende producten bestemd voor wetenschappelijke doeleinden en gedelegeerde handelingen
1. In afwijking van de afdelingen 1 tot en met 4 kan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming toestemming verlenen voor verplaatsingen van levende producten bestemd voor wetenschappelijke doeleinden die niet voldoen aan de voorschriften van deze afdelingen, met uitzondering van artikel 155, lid 1, artikel 155, lid 2, onder c), artikel 155, lid 3, en artikel 156, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
voordat toestemming wordt verleend, moet de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming de noodzakelijke risicobeperkingsmaatregelen treffen om te waarborgen dat die verplaatsingen van levende producten geen gevaar opleveren voor de gezondheidsstatus onderweg en op de plaats van bestemming met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
b) |
de verplaatsingen van deze levende producten worden uitgevoerd onder het toezicht van de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming. |
2. Wanneer overeenkomstig lid 1 een afwijking wordt toegestaan, stelt de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming de lidstaten van oorsprong en de lidstaten van doorgang in kennis van de toegestane afwijking en van de voorwaarden waaronder deze is toegestaan.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor afwijkingen toegestaan door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Hoofdstuk 7
Productie, verwerking en distributie van producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie
Artikel 164
Algemene verplichtingen van de exploitanten inzake diergezondheid en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om te waarborgen dat producten van dierlijke oorsprong in geen enkel stadium van de productie, de verwerking en van de distributie ervan in de Unie de verspreiding veroorzaken van:
|
a) |
in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), rekening houdend met de gezondheidsstatus van de plaats van productie, verwerking of bestemming; |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. De exploitanten zien erop toe dat producten van dierlijke oorsprong niet afkomstig zijn van inrichtingen of levensmiddelenbedrijven of worden verkregen van dieren die afkomstig zijn van inrichtingen:
|
a) |
waarvoor noodmaatregelen gelden zoals bedoeld in de artikelen 246 en 247 en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248, tenzij in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248 afwijkingen zijn toegestaan van de voorschriften van lid 1. |
|
b) |
waarvoor verplaatsingsbeperkingen gelden voor de gehouden landdieren en voor de producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in artikel 31, lid 1, artikel 55, lid 1, onder e), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), en artikel 78, leden 1 en 2, en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 66, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79 en artikel 81, lid 2, tenzij overeenkomstig deze regelgeving afwijkingen van deze verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere voorschriften tot wijziging en aanvulling van lid 2 van dit artikel betreffende de verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong, rekening houdend met:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en de betrokken diersoorten en |
|
b) |
de daarmee verbonden risico's. |
Artikel 165
Verplichtingen van de exploitanten inzake diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen de volgende producten van dierlijke oorsprong binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat slechts indien deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong:
|
a) |
producten van dierlijke oorsprong:
|
|
b) |
producten van dierlijke oorsprong:
|
2. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de producten van dierlijke oorsprong vergezelt van hun plaats van oorsprong tot hun plaats van bestemming.
3. De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsingen van de in lid 1 bedoelde producten van dierlijke oorsprong.
4. De artikelen 145, 146 en 147 en de regelgeving vastgesteld krachtens de artikelen 143 en 144 en artikel 146, lid 4, zijn van toepassing op de diergezondheidscertificering van verplaatsingen van de producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot diergezondheidscertificaten van lid 1 van dit artikel en de voorwaarden voor die afwijkingen, voor verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong die geen significant risico vormen voor de verspreiding van ziekten door:
|
a) |
het soort producten van dierlijke oorsprong; |
|
b) |
de risicobeperkingsmaatregelen die van toepassing zijn op de producten van dierlijke oorsprong, waardoor het risico op verspreiding van ziekten wordt beperkt; |
|
c) |
het beoogde gebruik van de producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
de plaats van bestemming van de producten van dierlijke oorsprong. |
Artikel 166
Inhoud van diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. Het diergezondheidscertificaat voor producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in artikel 165, lid 1, bevat ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de inrichting of plaats van oorsprong en de inrichting of plaats van bestemming; |
|
b) |
een beschrijving van de producten van dierlijke oorsprong; |
|
c) |
de hoeveelheid producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
de identificatie van de producten van dierlijke oorsprong, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 65, lid 1, onder h), of overeenkomstig de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 67, onder a); |
|
e) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de producten van dierlijke oorsprong voldoen aan de voorschriften inzake verplaatsingsbeperkingen, zoals bedoeld in artikel 164, lid 2, en in de krachtens artikel 164, lid 3, vastgestelde regelgeving. |
2. Het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat voor producten van dierlijke oorsprong kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking de gegevens die in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten voor producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 167
Kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong naar andere lidstaten
1. De exploitanten:
|
a) |
stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verplaatsing van producten van dierlijke oorsprong wanneer de zendingen vergezeld moeten gaan van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 165, lid 1; |
|
b) |
verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 in kennis te stellen van de verplaatsing van producten van dierlijke oorsprong. |
2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig artikel 150 en de krachtens artikel 151 vastgestelde regelgeving in kennis van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong.
3. De artikelen 149 en 150 en de krachtens artikel 151 vastgestelde regelgeving zijn van toepassing op de kennisgeving van producten van dierlijke oorsprong.
Hoofdstuk 8
Toepassingsgebied van nationale maatregelen
Artikel 168
Nationale maatregelen met betrekking tot verplaatsingen van dieren en levende producten
1. Het staat de lidstaten vrij nationale maatregelen te treffen met betrekking tot verplaatsingen van gehouden landdieren en levende producten daarvan op hun eigen grondgebied.
2. Deze nationale maatregelen:
|
a) |
houden rekening met de regelgeving inzake verplaatsingen van dieren en levende producten van de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6, en zijn niet strijdig met die regelgeving; |
|
b) |
vormen geen belemmering voor het verplaatsen van dieren en producten tussen de lidstaten; |
|
c) |
gaan niet verder dan hetgeen wenselijk en noodzakelijk is om de insleep en de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), te voorkomen. |
Artikel 169
Nationale maatregelen ter beperking van de gevolgen van andere ziekten dan de in de lijst opgenomen ziekten
Indien een andere ziekte dan de in de lijst opgenomen ziekten een significant risico vormt voor de diergezondheidssituatie van gehouden landdieren in een lidstaat, kan de desbetreffende lidstaat nationale maatregelen treffen ter bestrijding om introductie en verspreiding van die ziekte tegen te gaan , op voorwaarde dat deze maatregelen:
|
a) |
geen alleen een belemmering vormen voor het verplaatsen van dieren en producten tussen lidstaten wanneer dit wetenschappelijk gerechtvaardigd is om een besmettelijke ziekte te kunnen beheersen ; |
|
b) |
in redelijke verhouding tot het risico staan en niet verder gaan dan hetgeen wenselijk en noodzakelijk is om die ziekte te bestrijden. |
De lidstaten stellen de Commissie vooraf in kennis van alle voorgestelde nationale maatregelen als bedoeld in de eerste alinea die een nadelige invloed op verplaatsingen tussen lidstaten kunnen hebben.
Indien niet is voldaan aan de voorwaarden van de eerste alinea, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen bezwaar maken tegen de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde nationale maatregelen of deze wijzigen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld en worden onmiddellijk van kracht. [Am. 268]
TITEL II
Waterdieren en van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong
Hoofdstuk 1
Registratie, erkenning, documentatie en registers
Afdeling 1
Registratie van aquacultuurinrichtingen
Artikel 170
Verplichting van de exploitanten tot registratie van aquacultuurinrichtingen
1. Om zich te laten registreren overeenkomstig artikel 171 moeten de exploitanten van aquacultuurinrichtingen voordat zij dergelijke activiteiten starten:
|
a) |
de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle aquacultuurinrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn; |
|
b) |
de bevoegde autoriteit gegevens verstrekken over:
|
2. De in lid 1 bedoelde exploitanten van aquacultuurinrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
elke significante wijziging in de aquacultuurinrichting met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten; |
|
b) |
een eventuele stopzetting van de activiteiten in de aquacultuurinrichting. |
3. Op aquacultuurinrichtingen die erkenningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 174, lid 1, is de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting tot informatieverstrekking niet van toepassing.
4. Een exploitant kan een aanvraag tot registratie zoals bedoeld in lid 1 indienen voor een groep aquacultuurinrichtingen, op voorwaarde dat deze voldoen aan de voorwaarden onder a) of aan de voorwaarden onder b):
|
a) |
zij zijn gelegen in een epizoötiologisch verbonden gebied en alle exploitanten in dat gebied werken met een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem; |
|
b) |
zij staan onder de verantwoordelijkheid van dezelfde exploitant, en
|
De regelgeving van de leden 1 tot en met 3 van dit artikel, de regelgeving van artikel 171, lid 2, en de krachtens artikel 173 vastgestelde regelgeving, die van toepassing zijn op afzonderlijke aquacultuurinrichtingen, gelden bij een aanvraag tot registratie voor een groep inrichtingen voor de gehele groep aquacultuurinrichtingen.
Artikel 171
Verplichtingen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de registratie van aquacultuurinrichtingen
De bevoegde autoriteit registreert:
|
a) |
aquacultuurinrichtingen in het register van aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in artikel 183, lid 1, indien de exploitant de overeenkomstig artikel 170, lid 1, vereiste gegevens heeft verstrekt; |
|
b) |
groepen aquacultuurinrichtingen in dat register van aquacultuurinrichtingen, indien aan de in artikel 170, lid 4, bedoelde voorwaarden is voldaan. |
Artikel 172
Afwijkingen van de verplichting van de exploitanten tot registratie van aquacultuurinrichtingen
In afwijking van artikel 170, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën aquacultuurinrichtingen vrijstellen van de verplichting tot registratie. Daarbij houden zij rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de categorieën, soorten en aantallen aquacultuurdieren die in de aquacultuurinrichting aanwezig zijn en het volume van de aquacultuurdieren en de capaciteit van de aquacultuurinrichting; |
|
b) |
het soort aquacultuurinrichting; |
|
c) |
de verplaatsingen van aquacultuurdieren naar en uit de aquacultuurinrichting. |
Artikel 173
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot afwijkingen van de verplichting om aquacultuurinrichtingen te registreren
De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot:
|
a) |
de gegevens die exploitanten moeten verstrekken voor de registratie van de aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in artikel 170, lid 1; |
|
b) |
de soorten aquacultuurinrichtingen waarvoor de lidstaten afwijkingen kunnen toestaan van de verplichting tot registratie zoals bedoeld in artikel 172, op voorwaarde dat zij geen significant risico vormen en mits rekening wordt gehouden met de criteria van artikel 172. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 2
Erkenning van bepaalde soorten aquacultuurinrichtingen
Artikel 174
Erkenning van bepaalde aquacultuurinrichtingen en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten van de volgende soorten aquacultuurinrichtingen dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in overeenkomstig artikel 178, lid 1, en starten niet met hun activiteiten voordat hun aquacultuurinrichting overeenkomstig artikel 179, lid 1, is erkend:
|
a) |
aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om van daaruit levend of als producten van dierlijke oorsprong van aquacultuurdieren te worden verplaatst. Een dergelijke aanvraag is echter niet vereist indien de verplaatsing enkel gebeurt [Am. 269]
|
|
b) |
andere aquacultuurinrichtingen die een groot risico vormen door:
|
1 bis. In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit exploitanten van aquacultuurinrichtingen vrijstellen van de verplichting om erkenning aan te vragen, wanneer de aquacultuurdieren uitsluitend worden verplaatst:
|
i) |
in het kader van een rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden voor menselijke consumptie aan de eindverbruiker; of |
|
ii) |
naar plaatselijke kleinhandelszaken die rechtstreeks leveren aan de eindgebruiker, |
mits deze verplaatsingen niet een aanzienlijk risico met zich meebrengen. [Am. 272]
2. De exploitanten beëindigen de activiteiten in een aquacultuurinrichting zoals bedoeld in lid 1 in de volgende gevallen:
|
a) |
de erkenning wordt overeenkomstig artikel 182, lid 2, door de bevoegde autoriteit ingetrokken of geschorst; of |
|
b) |
de aquacultuurinrichting kan in geval van een voorwaardelijke erkenning, die is verleend overeenkomstig artikel 181, lid 3, niet aan de overblijvende voorwaarden van artikel 181, lid 3, voldoen en krijgt geen definitieve erkenning overeenkomstig artikel 182, lid 4. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanvulling en de wijziging van de regelgeving voor de erkenning van aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel met betrekking tot:
|
a) |
afwijkingen van de verplichting voor exploitanten om voor de in lid 1, onder a), bedoelde soorten aquacultuurinrichtingen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in te dienen; |
|
b) |
de soorten aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 1, onder b), moeten worden erkend. |
4. Bij de vaststelling van de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de soorten en categorieën aquacultuurdieren die in een aquacultuurinrichting worden gehouden; |
|
b) |
het soort aquacultuurinrichting en het soort productie; |
|
c) |
typische verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting en de desbetreffende soort of categorie aquacultuurdieren. |
5. Een exploitant kan een aanvraag tot erkenning indienen voor een groep aquacultuurinrichtingen indien aan de voorwaarden van artikel 175, onder a) en b), is voldaan.
Artikel 175
Erkenning van groepen aquacultuurinrichtingen door de bevoegde autoriteit
De bevoegde autoriteit kan een erkenning verlenen zoals bedoeld in artikel 179, lid 1, voor een groep aquacultuurinrichtingen, mits deze voldoen aan de voorwaarden onder a) of b):
|
a) |
zij zijn gelegen in een epizoötiologisch verbonden gebied en alle exploitanten werken met een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem; verzendingscentra, zuiveringscentra en soortgelijke inrichtingen die in een dergelijk epizoötiologisch verbonden gebied gelegen zijn, moeten echter afzonderlijk worden erkend; |
|
b) |
zij staan onder de verantwoordelijkheid van dezelfde exploitant; en
|
De regelgeving van artikel 176, de artikelen 178 tot en met 182 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 178, lid 2, en artikel 179, lid 2, die van toepassing zijn op afzonderlijke aquacultuurinrichtingen, gelden bij de erkenning van een groep aquacultuurinrichtingen voor de gehele groep aquacultuurinrichtingen.
Artikel 176
Erkenning van de status van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen
De exploitanten van aquacultuurinrichtingen die de status van geconsigneerde inrichting wensen te verkrijgen:
|
a) |
dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in tot erkenning overeenkomstig artikel 178, lid 1; |
|
b) |
verplaatsen geen aquacultuurdieren naar een geconsigneerde aquacultuurinrichting overeenkomstig de voorschriften van artikel 203, lid 1, en de krachtens artikel 203, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen voordat hun inrichting de erkenning van die status heeft verkregen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 179 of artikel 181. |
Artikel 177
Erkenning van verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen [Am. 273]
De exploitanten van natuurlijke en rechtspersonen die voornemens zijn ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen te exploiteren, zien erop toe dat hun inrichtingen door de bevoegde autoriteit zijn erkend voor het slechten slachten van waterdieren voor ziektebestrijding ziektebestrijdingsdoeleinden overeenkomstig artikel 61, lid 1, onder b), artikel 62, artikel 68, lid 1, en artikel 78, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 63, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, en artikel 78, lid 3. [Ams. 274 en 275]
Artikel 178
Informatieplicht van de exploitanten voor het verkrijgen van een erkenning en uitvoeringshandelingen
1. Bij hun aanvraag tot erkenning van hun inrichting overeenkomstig artikel 174, lid 1, artikel 175, artikel 176, onder a), en artikel 177 verstrekken de toekomstige exploitanten de bevoegde autoriteit gegevens betreffende: [Am. 276]
|
a) |
de naam en het adres van de exploitant; |
|
b) |
de locatie van de inrichting en een beschrijving van de voorzieningen; |
|
c) |
de categorieën, soorten en aantallen aquacultuurdieren die zij voornemens zijn te gaan houden in de inrichting; [Am. 277] |
|
d) |
het soort inrichting; |
|
e) |
indien van toepassing, de gegevens betreffende de erkenning van een groep aquacultuurinrichtingen overeenkomstig artikel 175; |
|
f) |
andere aspecten van de aquacultuurinrichting die relevant zijn voor het bepalen van het risico dat ermee verbonden is; |
|
f bis) |
de methode van watervoorziening en -lozing die in de inrichting wordt toegepast. [Am. 278] |
2. De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
significante wijzigingen in de inrichtingen met betrekking tot de in lid 1, onder c), bedoelde aspecten; |
|
b) |
een eventuele stopzetting van de activiteiten in de inrichting. |
3. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot de gegevens die de exploitanten moeten verstrekken in hun aanvraag tot erkenning van hun inrichtingen, overeenkomstig lid 1 van dit artikel; Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 179
Verlening van de erkenning en voorwaarden voor de erkenning en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit verleent de erkenning voor aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in artikel 174, lid 1, artikel 176, onder a), groepen aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in artikel 175 en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen zoals bedoeld in artikel 177 slechts indien dergelijke inrichtingen:
|
a) |
voldoen aan de volgende voorschriften, voor zover van toepassing, betreffende:
|
|
b) |
beschikken over voorzieningen en uitrusting:
|
|
c) |
niet leiden tot een onaanvaardbaar risico voor verspreiding van ziekten, rekening houdend met de getroffen risicobeperkingmaatregelen; |
|
d) |
beschikken over een systeem dat de exploitant in staat stelt om aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat aan de voorschriften onder a), b) en c) is voldaan. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel voor wat betreft:
|
a) |
quarantaine, isolering en andere biobeveiligingsmaatregelen zoals bedoeld in lid 1, onder a), i); |
|
b) |
surveillance zoals bedoeld in lid 1, onder a), ii); |
|
c) |
voorzieningen en uitrusting zoals bedoeld in lid 1, onder b). |
3. Bij de vaststelling van de regelgeving voor de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico’s die met elk soort inrichting verbonden zijn; |
|
b) |
de soorten en categorieën aquacultuurdieren of waterdieren; |
|
c) |
het soort productie; |
|
d) |
typische verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting en voor de soorten en categorieën dieren die in deze inrichtingen worden gehouden. |
Artikel 180
Toepassingsgebied van de erkenning van inrichtingen
De bevoegde autoriteit vermeldt in erkenningen van aquacultuurinrichtingen of ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen, verleend krachtens artikel 179, lid 1, uitdrukkelijk:
|
a) |
voor welke soorten aquacultuurinrichtingen, zoals bedoeld in artikel 174, lid 1 en artikel 176, onder a), groepen aquacultuurinrichtingen, zoals bedoeld in artikel 175, en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen, zoals bedoeld in artikel 177 en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 174, lid 3, onder b), de erkenning geldig is; |
|
b) |
voor welke soorten en categorieën aquacultuurdieren de erkenning geldig is. |
Artikel 181
Procedures voor het verlenen van de erkenning door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit stelt procedures op die de exploitanten moeten volgen wanneer zij een aanvraag indienen voor de erkenning van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 174, lid 1, en de artikelen 176 en 177.
2. Na ontvangst van een aanvraag tot erkenning van een exploitant overeenkomstig artikel 174, lid 1, en de artikelen 176 en 177 voert de bevoegde autoriteit een inspectie ter plaatse uit.
3. De bevoegde autoriteit kan aan een inrichting een voorwaardelijke erkenning verlenen wanneer blijkt uit de aanvraag van de exploitant en de daaropvolgende inspectie ter plaatse van de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, dat de inrichting voldoet aan alle belangrijke voorschriften die voldoende garanties bieden dat een dergelijke inrichting geen significant risico vormt, en de bedoeling heeft te voldoen aan de overblijvende voorschriften voor de erkenning zoals bedoeld in artikel 179, lid 1, en in de krachtens artikel 179, lid 2, vastgestelde regelgeving.
4. Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 3 van dit artikel een voorwaardelijke erkenning heeft verleend, kan zij de definitieve erkenning pas verlenen na een volgende inspectie ter plaatse, die wordt uitgevoerd binnen drie maanden na de voorwaardelijke erkenning, waaruit blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voorwaarden voor de erkenning zoals bedoeld in artikel 179, lid 1, en in de krachtens artikel 179, lid 2, vastgestelde regelgeving.
Indien uit de inspectie ter plaatse blijkt dat de inrichting duidelijk vooruitgang heeft geboekt, maar nog steeds niet aan alle voorwaarden voldoet, dan kan de bevoegde autoriteit de voorwaardelijke erkenning verlengen. De totale geldigheidsduur van de voorlopige erkenning mag echter niet meer dan zes maanden bedragen.
Artikel 182
Herziening, schorsing en intrekking van erkenningen door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit evalueert de erkenningen van inrichtingen die zijn verleend overeenkomstig de artikelen 179, lid 1. De bevoegde autoriteit bepaalt op basis van de risicofactor de frequentie van de evaluaties of een minimale of maximale termijn waarbinnen deze moeten plaatsvinden, en de gevallen waarin kan die termijn niet kan worden gehaald. [Am. 279]
2. Indien de bevoegde autoriteiten in een inrichting ernstige tekortkomingen vaststelt wat betreft de naleving van de voorschriften van artikel 179, lid 1, en van de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 179, lid 2, en indien de exploitant geen afdoende garanties kan bieden dat deze tekortkomingen zullen worden verholpen, stelt de bevoegde autoriteit de procedure in tot intrekking van de erkenning van de inrichting.
De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting schorsen, indien de exploitant kan garanderen de tekortkomingen binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.
3. Een overeenkomstig lid 2 ingetrokken of geschorste erkenning wordt enkel opnieuw verleend wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de inrichting volledig voldoet aan alle voorschriften van deze verordening die op dat soort inrichting van toepassing zijn.
Afdeling 3
Register van de bevoegde autoriteit van aquacultuurinrichtingen, verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen [Am. 280]
Artikel 183
Register van aquacultuurinrichtingen, verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen [Am. 281]
1. De bevoegde autoriteit stelt registers op en houdt de registers bij van:
|
a) |
alle aquacultuurinrichtingen die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 171; |
|
b) |
alle aquacultuurinrichtingen die zijn erkend overeenkomstig artikel 179, lid 1; |
|
c) |
alle verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die zijn erkend overeenkomstig artikel 179, lid 1. [Am. 282] |
2. Het register van aquacultuurinrichtingen zoals bedoeld in lid 1 bevat de volgende gegevens:
|
a) |
de naam en het adres van de exploitant en het registratienummer; |
|
b) |
de geografische ligging van de aquacultuurinrichting of, indien van toepassing, van de groep aquacultuurinrichtingen; |
|
c) |
het soort productie dat in de inrichting wordt toegepast; |
|
d) |
indien van toepassing, de methode van watervoorziening en –lozing die de inrichting wordt toegepast; |
|
e) |
de soorten aquacultuurdieren die in de inrichting worden gehouden; |
|
f) |
actuele gegevens over de gezondheidsstatus van de geregistreerde aquacultuurinrichting of, indien van toepassing, van de groep van inrichtingen, met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d). |
3. Van de overeenkomstig artikel 179, lid 1, erkende inrichtingen maakt de bevoegde autoriteit ten minste de gegevens van lid 2, onder a), c), e) en f), van dit artikel op elektronische wijze openbaar.
4. Waar nodig en waar pertinent kan de bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde registratie combineren met de registratie voor andere doeleinden.
Artikel 184
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot het register van aquacultuurinrichtingen
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 254 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de in het register van aquacultuurinrichtingen te vermelden gegevens zoals bedoeld in artikel 183, lid 1; |
|
b) |
de openbaarheid van dat register van inrichtingen. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot het formaat en de procedures voor het register van inrichtingen zoals bedoeld in artikel 183, leden 1 en 3.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 4
documentatie en traceerbaarheid
Artikel 185
Documentatieverplichting van de exploitanten van aquacultuurinrichtingen
1. De exploitanten van aquacultuurinrichtingen die moeten worden geregistreerd overeenkomstig artikel 171, of die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 179, lid 1, zorgen voor actuele documentatie die ten minste de volgende gegevens bevat:
|
a) |
alle verplaatsingen van aquacultuurdieren en van producten van dierlijke oorsprong die van die dieren afkomstig zijn naar en uit de aquacultuurinrichting, met vermelding indien van toepassing van:
|
|
b) |
de papieren of elektronische diergezondheidscertificaten die overeenkomstig artikel 208 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 211, onder b) en c), en artikel 213, lid 2, de verplaatsingen van aquacultuurdieren bij aankomst in de aquacultuurinrichting dienen te vergezellen; |
|
c) |
de sterfte in elke epizoötiologische eenheid en andere ziekteproblemen in de aquacultuurinrichting die relevant zijn voor het soort productie; |
|
d) |
biobeveiligingsmaatregelen, surveillance, behandelingen, testresultaten en ander relevante gegevens indien van toepassing voor:
|
|
e) |
de resultaten van de diergezondheidsinspecties, indien vereist overeenkomstig artikel 23, lid 1, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 24. |
2. De exploitanten van aquacultuurinrichtingen:
|
a) |
houden de in lid 1, onder a), bedoelde gegevens bij, zodat die het traceren van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming van de aquacultuurdieren kunnen waarborgen; |
|
b) |
bewaren de in lid 1 bedoelde gegevens met betrekking tot de aquacultuurinrichting en stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit; |
|
c) |
bewaren de in lid 1 bedoelde gegevens gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 186
Documentatieverplichting voor verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen [Am. 283]
1. De exploitanten van verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 177 houden actuele documentatie bij van alle verplaatsingen van aquacultuurdieren en van producten van dierlijke oorsprong die afkomstig zijn van dergelijke dieren naar en uit dergelijke inrichtingen. [Am. 284]
2. De exploitanten van verwerkingsinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen: [Am. 285]
|
a) |
bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie met betrekking tot de ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen en stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit; |
|
b) |
bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 187
Documentatieverplichting voor vervoerders
1. De vervoerders van aquacultuurdieren en wilde waterdieren bestemd voor aquacultuur of uitzetting in de natuur om het wildbestand weer op peil te brengen houden actuele documentatie bij over: [Am. 286]
|
a) |
sterftecijfers van de aquacultuurdieren en wilde waterdieren tijdens het vervoer, zoals gebruikelijk voor het soort vervoer en de soort vervoerde aquacultuurdieren en wilde waterdieren; |
|
b) |
de aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die het vervoermiddel heeft aangedaan; |
|
c) |
elke waterverversing tijdens het vervoer, met vermelding van de herkomst van het nieuwe water en de plaatsen van lozing van gebruikt water. |
2. Vervoerders:
|
a) |
houden de in lid 1 bedoelde documentatie bij en stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit; |
|
b) |
bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. |
Artikel 188
Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot documentatie
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regelgeving ter aanvulling van de documentatievoorschriften zoals bedoeld in de artikelen 185, 186 en 187 inzake:
|
a) |
afwijkingen van de documentatievoorschriften voor:
|
|
b) |
gegevens die de exploitanten moeten bijhouden ter aanvulling van de gegevens zoals bedoeld in artikel 185, lid 1, artikel 186, lid 1, en artikel 187, lid 1; |
|
c) |
de minimumduur voor de verplichte bewaring van documentatie zoals bedoeld in de artikelen 185, 186 en 187. |
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico’s die met elk soort aquacultuurinrichting verbonden zijn; |
|
b) |
de categorieën of soorten aquacultuurdieren in de aquacultuurinrichting; |
|
c) |
het soort productie dat in de inrichting wordt toegepast; |
|
d) |
typische verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting of ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen; |
|
e) |
het aantal aquacultuurdieren of het volume ervan in de inrichting of tijdens het vervoer. |
Artikel 189
Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot documentatie
De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot:
|
a) |
het formaat van de documentatie die moet worden bewaard overeenkomstig de artikelen 185, 186 en 187; |
|
b) |
het elektronisch bijhouden van die documentatie; |
|
c) |
de operationele specificaties voor de documentatie. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 2
Verplaatsingen van andere waterdieren dan gezelschapswaterdieren binnen de Unie
Afdeling 1
Algemene voorschriften
Artikel 190
Algemene voorschriften voor het verplaatsen van waterdieren
1. De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om erop toe te zien dat door de verplaatsing van waterdieren de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. De exploitanten verplaatsen geen waterdieren naar een aquacultuurinrichting of voor menselijke consumptie of laten geen waterdieren vrij in het wild, wanneer deze dieren vallen onder:
|
a) |
de verplaatsingsbeperkingen voor de betrokken categorieën en soorten overeenkomstig de regelgeving van artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, de artikelen 62, 64 en 65, artikel 70, leden 1 en 2, artikel 74, lid 1, artikel 78, leden 1 en 2, artikel 80, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 80, lid 4 en artikel 81, lid 2; of |
|
b) |
de noodmaatregelen van de artikelen 244 en 247 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248. |
De exploitanten mogen deze waterdieren echter wel verplaatsen indien afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan voor dergelijke verplaatsingen of vrijlatingen, zoals bedoeld in deel III, titel II, of van de noodmaatregelen, zoals bedoeld in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248.
3. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat waterdieren na het verlaten van hun plaats van oorsprong rechtstreeks naar hun uiteindelijke plaats van bestemming worden verzonden.
Artikel 191
Preventieve maatregelen tegen ziekte met betrekking tot vervoer en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten treffen passende en noodzakelijke preventieve maatregelen tegen ziekten om het volgende te waarborgen:
|
a) |
de gezondheidsstatus van de waterdieren loopt geen gevaar tijdens het vervoer; |
|
b) |
het vervoer van waterdieren veroorzaakt onderweg en op de plaatsen van bestemming geen mogelijkheid tot verspreiding onder mensen of dieren van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
c) |
de maatregelen betreffende reiniging, ontsmetting en desinfestatie van uitrusting en vervoermiddelen en andere passende biobeveiligingsmaatregelen worden getroffen in overeenstemming met de risico’s die met het vervoer verbonden zijn. |
|
d) |
iedere verversing van water tijdens het vervoer van waterdieren bestemd voor aquacultuur gebeurt op plaatsen die en onder de voorwaarden die geen gevaar vormen voor de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d) van:
|
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van uitrusting en vervoermiddelen overeenkomstig lid 1, onder c), en het gebruik van biociden voor deze doeleinden; |
|
b) |
andere passende biobeveiligingsmaatregelen tijdens het vervoer zoals bedoeld in lid 1, onder c); |
|
c) |
verversing van het water tijdens het vervoer zoals bedoeld in lid 1, onder d). |
Artikel 192
Wijziging van het beoogde gebruik
1. Waterdieren die worden vervoerd om te worden vernietigd of geslacht overeenkomstig de maatregelen zoals bedoeld onder a) of b), worden niet voor andere doeleinden gebruikt:
|
a) |
ziektebestrijdingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 31, lid 1, artikel 55, lid 1, de artikelen 56, 61, 62, 64, 65, 67 en 70, artikel 74, lid 1, en de artikelen 78 en 80 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 66, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3 en artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 80, lid 3 en artikel 81, lid 2; |
|
b) |
noodmaatregelen zoals bedoeld in de artikelen 246 en 247 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248. |
2. Waterdieren die worden vervoerd voor menselijke consumptie, aquacultuur, vrijlating in het wild of voor alle andere specifieke doeleinden, worden uitsluitend voor de beoogde doeleinden gebruikt.
Artikel 193
Verplichtingen van de exploitanten op de plaats van bestemming
1. Voordat de waterdieren worden uitgeladen, doen de exploitanten van inrichtingen en levensmiddelenbedrijven die aquacultuurdieren waterdieren ontvangen het volgende : [Am. 287]
|
a) |
controleren de aanwezigheid van een van de volgende documenten:
|
|
a bis) |
inspecteren de zending op onregelmatigheden; [Am. 288] |
|
b) |
stellen de bevoegde autoriteit in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:
|
2. Bij onregelmatigheden zoals bedoeld in lid 1, onder b), isoleert geeft de exploitant geen toestemming voor het uitladen van de aquacultuurdieren waarop de onregelmatigheid betrekking heeft tot de bevoegde autoriteit over deze dieren een beslissing heeft genomen. [Am. 290]
Artikel 194
Algemene voorschriften voor verplaatsingen van aquacultuurdieren door lidstaten maar bestemd voor uitvoer uit de Unie naar derde landen of grondgebieden
De exploitanten zien erop toe dat aquacultuurdieren die bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land of grondgebied en over het grondgebied van een andere lidstaat gaan, voldoen aan de voorschriften van de artikelen 190, 191 en 192.
Afdeling 2
Waterdieren bestemd voor aquacultuurinrichtingen of voor vrijlating in het wild
Artikel 195
Abnormale sterftegevallen of andere ernstige symptomen
1. De exploitanten verplaatsen geen waterdieren van een aquacultuurinrichting of uit het wild naar een andere aquacultuurinrichting of laten deze niet vrij in het wild, wanneer deze dieren afkomstig zijn van een aquacultuurinrichting of omgeving met:
|
a) |
abnormale sterftegevallen; of |
|
b) |
andere ernstige symptomen met onbekende oorzaak. |
2. In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling toestemming verlenen voor een dergelijke verplaatsing of vrijlating van waterdieren, op voorwaarde dat de waterdieren afkomstig zijn van een afdeling van de aquacultuurinrichting of een omgeving in het wild die niet is verbonden met de epizoötiologische eenheid waarin de abnormale sterftegevallen of andere symptomen zich hebben voorgedaan.
Artikel 196
Verplaatsingen van aquacultuurdieren gehouden waterdieren bestemd voor lidstaten, zones of compartimenten die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt en gedelegeerde handelingen [Am.291]
1. De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren gehouden waterdieren slechts uit een aquacultuurinrichting inrichting voor de onder de punten a) of en b) van dit artikel bedoelde doeleinden indien deze aquacultuurdieren dieren afkomstig zijn van een overeenkomstig artikel 36, lid 3, of artikel 37, lid 4, ziektevrij verklaarde lidstaat, of een ziektevrij verklaarde zone of ziektevrij verklaard compartiment daarvan, wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), ingeval de dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor die in de lijst opgenomen ziekten, en indien de aquacultuurdieren gehouden waterdieren : [Am. 292]
|
a) |
bestemd zijn voor invoer in een lidstaat, of een zone of compartiment daarvan:
|
|
b) |
bestemd zijn voor:
|
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de verplaatsings- en vrijlatingsvoorschriften van lid 1 van dit artikel die geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), door:
|
a) |
de soorten, categorieën en de levensfase van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 294] |
|
b) |
het soort inrichting van oorsprong en het soort inrichting van bestemming; |
|
c) |
het beoogde gebruik van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 295] |
|
d) |
de plaats van bestemming van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 296] |
|
e) |
de behandelingen, bewerkingsmethoden en andere bijzondere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong of op de plaats van bestemming worden toegepast. |
Artikel 197
Afwijkingen door de lidstaten met betrekking tot de verplichtingen van de exploitanten voor verplaatsingen van aquacultuurdieren tussen lidstaten, zones of compartimenten waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt
In afwijking van artikel 196, lid 1, kunnen lidstaten aan exploitanten toestemming verlenen voor het verplaatsen van aquacultuurdieren naar een zone of een compartiment in een andere lidstaat op hun grondgebied waarvoor overeenkomstig artikel 30, leden 1 en 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), vanuit een andere zone of compartiment in een andere lidstaat waarvoor eveneens een dergelijk programma voor dezelfde in de lijst opgenomen ziekten is vastgesteld, op voorwaarde dat een dergelijke verplaatsing geen gevaar vormt voor de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone of het compartiment van bestemming. [Am. 297]
Artikel 198
Maatregelen van de lidstaten met betrekking tot het in het wild vrijlaten van aquacultuurdieren
De lidstaten kunnen voorschrijven dat aquacultuurdieren waterdieren slechts in het wild worden vrijgelaten wanneer zij afkomstig zijn van een overeenkomstig artikel 36, lid 1, of artikel 37, lid 1, ziektevrij verklaarde lidstaat, of een ziektevrij verklaarde zone of ziektevrij verklaard compartiment, wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), waarvoor de soort aquacultuurdieren waterdieren die wordt verplaatst een in de lijst opgenomen soort is, ongeacht de gezondheidsstatus van het gebied waar de aquacultuurdieren waterdieren worden vrijgelaten. [Am. 298]
Artikel 199
Verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor lidstaten, zones of compartimenten die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt en gedelegeerde handelingen
1. De artikelen 196 en 197 zijn tevens van toepassing op verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor aquacultuurinrichtingen, verwerkingsinrichtingen of ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen met verplichte: [Am. 299]
|
a) |
registratie overeenkomstig artikel 171; of |
|
b) |
erkenning overeenkomstig de artikelen 174 tot en met 177. |
2. Bij verplaatsingen van wilde waterdieren van een habitat naar een andere treffen de exploitanten preventieve maatregelen tegen ziekten zodat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d) naar waterdieren op de plaats van bestemming.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de preventieve maatregelen tegen ziekten die de exploitanten moeten treffen zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.
Afdeling 3
Waterdieren bestemd voor menselijke consumptie
Artikel 200
Verplaatsingen van aquacultuurdieren gehouden waterdieren bestemd voor menselijke consumptie in de lidstaten, zones of compartimenten die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt en gedelegeerde handelingen [Am. 300]
1. De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren gehouden waterdieren die zijn bestemd voor menselijke consumptie slechts uit een aquacultuurinrichting inrichting voor de onder a) of b) van dit lid bedoelde doeleinden indien deze aquacultuurdieren dieren afkomstig zijn van een overeenkomstig artikel 36, lid 3, of artikel 37, lid 4, ziektevrij verklaarde lidstaat, of een ziektevrij verklaarde zone of ziektevrij verklaard compartiment daarvan, wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) of c), ingeval de dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor die in de lijst opgenomen ziekten, en indien zij bestemd zijn voor: [Am. 301]
|
a) |
invoer in een lidstaat, of een zone of compartimenten daarvan, die of dat overeenkomstig artikel 36, lid 3, of artikel 37, lid 4, ziektevrij verklaard is of waarvoor overeenkomstig artikel 30, leden 1 en 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld voor een of meer in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c); |
|
b) |
menselijke consumptie. |
2. In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten aan exploitanten toestemming verlenen voor het binnenbrengen van aquacultuurdieren gehouden waterdieren in een zone of een compartiment waarvoor overeenkomstig artikel 30, leden 1 en 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), vanuit een andere zone of compartiment waarvoor eveneens een dergelijk programma voor dezelfde in de lijst opgenomen ziekten is vastgesteld, op voorwaarde dat een dergelijke verplaatsing geen gevaar vormt voor de gezondheidsstatus van de lidstaat, of de zone of het compartiment daarvan. [Am. 302]
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de verplaatsingsvoorschriften zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel voor verplaatsingen van aquacultuurdieren gehouden waterdieren die geen significant risico vormen voor de verspreiding van ziekten door: [Am. 303]
|
a) |
de soorten, categorieën en de levensfase van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 304] |
|
b) |
de houderijmethoden voor de aquacultuurdieren waterdieren en het soort productie die worden toegepast in de aquacultuurinrichting inrichting van oorsprong en van bestemming; [Am. 305] |
|
c) |
het beoogde gebruik van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 306] |
|
d) |
de plaats van bestemming van de aquacultuurdieren gehouden waterdieren ; [Am. 307] |
|
e) |
de behandelingen, bewerkingsmethoden en andere bijzondere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong of op de plaats van bestemming worden toegepast. |
Artikel 201
Verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor lidstaten, zones of compartimenten die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt en gedelegeerde handelingen
1. Artikel 200, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 200, lid 3, zijn tevens van toepassing op verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor menselijke consumptie en voor lidstaten, of zones of compartimenten daarvan, die overeenkomstig artikel 36, lid 3, of artikel 37, lid 4, ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt overeenkomstig artikel 30, leden 1 of 2, indien dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn om te waarborgen dat deze wilde waterdieren geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1 onder d) naar waterdieren op de plaats van bestemming.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van lid 1 van dit artikel met betrekking tot verplaatsingsvoorschriften voor wilde waterdieren bestemd voor menselijke consumptie.
Afdeling 4
Waterdieren die niet bestemd zijn voor inrichtingen, voor vrijlating in het wild of voor menselijke consumptie
Artikel 202
Verplaatsingen van waterdieren die niet bestemd zijn voor inrichtingen, voor vrijlating in het wild of voor menselijke consumptie en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten treffen de noodzakelijke preventieve maatregelen om erop toe te zien dat verplaatsingen van waterdieren die niet bestemd zijn voor inrichtingen, voor vrijlating in het wild of voor menselijke consumptie geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d) naar waterdieren op de plaats van bestemming.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de preventieve maatregelen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel om te waarborgen dat de waterdieren geen in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), verspreiden en houdt daarbij rekening met de in lid 3 van dit artikel bedoelde aspecten.
3. Bij de vaststelling van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), die relevant zijn voor de in de lijst opgenomen soorten of categorieën waterdieren; |
|
b) |
de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), in de compartimenten, zones of lidstaten van oorsprong en bestemming; |
|
c) |
de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming; |
|
d) |
het soort verplaatsing van waterdieren; |
|
e) |
de soorten en categorieën waterdieren; |
|
f) |
de leeftijd van de waterdieren; |
|
g) |
andere epizoötiologische factoren. |
Afdeling 5
Afwijkingen van de afdelingen 1 tot en met 4 en aanvullende risicobeperkingsmaatregelen
Artikel 203
Waterdieren bestemd voor geconsigneerde aquacultuurinrichtingen en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen waterdieren slechts naar een geconsigneerde aquacultuurinrichting indien de dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij zijn afkomstig van een andere geconsigneerde aquacultuurinrichting; |
|
b) |
zij vormen geen significant risico voor de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen soorten en categorieën dieren in de geconsigneerde aquacultuurinrichting van bestemming, tenzij een dergelijke verplaatsing voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
nadere voorschriften voor het verplaatsen van waterdieren naar geconsigneerde aquacultuurinrichtingen ter aanvulling van die bedoeld in lid 1 van dit artikel; |
|
b) |
specifieke regelgeving voor het verplaatsen van aquacultuurdieren naar geconsigneerde inrichtingen waar de getroffen risicobeperkingsmaatregelen waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de gezondheid van aquacultuurdieren binnen de geconsigneerde aquacultuurinrichting of in naburige inrichtingen. |
Artikel 204
Afwijking voor verplaatsingen van waterdieren voor wetenschappelijke doeleinden en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan, mits de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong daarmee instemt, toestemming verlenen voor verplaatsingen van waterdieren naar haar grondgebied voor wetenschappelijke doeleinden die niet voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 190, leden 1 en 3, en de artikelen 191, 192 en 193.
2. De bevoegde autoriteiten staan de in lid 1 bedoelde afwijkingen voor de verplaatsingen van waterdieren voor wetenschappelijke doeleinden slechts toe onder de volgende voorwaarden:
|
a) |
de bevoegde autoriteiten van de plaats van bestemming en de plaats van oorsprong:
|
|
b) |
de verplaatsingen van deze waterdieren verlopen onder het toezicht van de bevoegde autoriteiten van de plaats van oorsprong, de plaats van bestemming en, indien van toepassing, van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doorgang. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en de aanvulling van de regelgeving voor afwijkingen door de bevoegde autoriteiten zoals bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel.
Artikel 205
Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot specifieke voorschriften en afwijkingen voor tentoonstellingen, dierentuinen, dierenwinkels, tuinvijvers, commerciële aquaria en groothandels
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
specifieke voorschriften ter aanvulling van de regelgeving van de afdelingen 1 tot en met 4 van dit hoofdstuk met betrekking tot de verplaatsingen van waterdieren voor de volgende doeleinden:
|
|
b) |
afwijkingen van de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4, met uitzondering van artikel 190, leden 1 en 3 en de artikelen 191, 192 en 193, voor de onder a) bedoelde verplaatsingen van waterdieren, mits passende biobeveiligingsbepalingen ervoor zorgen dat de verplaatsingen geen aanzienlijk risico vormen voor de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming . [Am. 308] |
Artikel 206
Uitvoeringsbevoegdheid inzake tijdelijke afwijkingen voor verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën waterdieren
De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor tijdelijke afwijkingen van de regelgeving van dit hoofdstuk betreffende verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën waterdieren in de volgende gevallen:
|
a) |
de met bepaalde verplaatsingen van die waterdieren verbonden risico’s worden niet doeltreffend beperkt door de verplaatsingsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 195, artikel 196, lid 1, de artikelen 197 en 198, artikel 199, leden 1 en 2, artikel 200, artikel 201, lid 1, artikel 202, lid 1, artikel 203, lid 1 en artikel 204, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 196, lid 2, artikel 199, lid 3, artikel 201, lid 2, artikel 202, lid 2, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en artikel 205; of |
|
b) |
de in de lijst opgenomen ziekte zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), lijkt zich ondanks de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5 te verspreiden. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte die een risico op bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, en rekening houdend met de in artikel 205 bedoelde aspecten stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
Artikel 207
Aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de in deze afdeling bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
Wanneer de Commissie de regelgeving vaststelt voor de gedelegeerde handelingen en de uitvoeringshandelingen zoals bedoeld in artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en de artikelen 205 en 206, houdt zij rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de risico’s die met de verplaatsing verbonden zijn; |
|
b) |
de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), op de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming; |
|
c) |
de in de lijst opgenomen soorten waterdieren voor de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d); |
|
d) |
de getroffen biobeveiligingsmaatregelen; |
|
e) |
eventuele specifieke omstandigheden waarin de aquacultuurdieren waterdieren worden gehouden; [Am. 309] |
|
f) |
specifieke verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting inrichting en de desbetreffende soorten of categorieën aquacultuurdieren waterdieren ; [Am. 310] |
|
g) |
andere epizoötiologische factoren. |
Afdeling 6
Diergezondheidscertificering
Artikel 208
Verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat aquacultuurdieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat
1. De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren slechts als deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong, als de dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor de onder a) bedoelde in de lijst opgenomen ziekten en als de dieren worden verplaatst om een van de volgende redenen:
|
a) |
zij zijn bestemd om te worden binnengebracht in een lidstaat, of een zone of compartiment daarvan, die of dat overeenkomstig artikel 36, lid 3, artikel 37, lid 4, ziektevrij is verklaard of waarvoor overeenkomstig artikel 30, leden 1 of 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld voor een of meer in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c); en |
|
b) |
zij zijn bestemd om voor een van de volgende doeleinden te worden gebruikt:
|
2. De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren slechts als deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong, als de dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor de onder a) bedoelde relevante ziekten en als de dieren worden verplaatst om een van de volgende redenen:
|
a) |
het is toegestaan dat zij worden verplaatst uit een beperkingszone waar ziektebestrijdingsmaatregelen gelden zoals bedoeld in artikel 55, lid 1, onder f), ii), de artikelen 56 en 64, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1, artikel 78, leden 1 en 2, of de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 67 en 68, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 81, lid 2, en artikel 248 voor een of meer in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a) en b); |
|
b) |
zij zijn bestemd voor een van de volgende doeleinden:
|
3. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat het diergezondheidscertificaat de aquacultuurdieren vergezelt van de plaats van oorsprong tot de plaats van bestemming, tenzij in de krachtens artikel 214 vastgestelde regelgeving specifieke maatregelen zijn vastgesteld.
Artikel 209
Verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat andere waterdieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat en uitvoeringsbevoegdheid
1. De exploitanten verplaatsen andere waterdieren dan aquacultuurdieren zoals bedoeld in artikel 208, leden 1 en 2, slechts als deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong indien wegens het risico dat met het verplaatsen van deze waterdieren is verbonden, diergezondheidscertificering noodzakelijk is om te waarborgen dat aan de volgende verplaatsingsvoorschriften voor in de lijst opgenomen soorten dieren is voldaan:
|
a) |
de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5 en de krachtens deze afdelingen vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
ziektebestrijdingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, de artikelen 62 en 64, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1 en artikel 78, leden 1 en 2, of de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63, 67 en 68, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79 en artikel 81, lid 2; |
|
c) |
noodmaatregelen zoals bedoeld in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 248. |
2. Artikel 208 is tevens van toepassing op wilde waterdieren bestemd voor een aquacultuurinrichting, tenzij de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van oordeel is dat de certificering niet mogelijk is door de aard van de plaats van oorsprong van deze wilde waterdieren.
3. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen regelgeving vast met betrekking tot de verplichting van de exploitanten zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, om te waarborgen dat wilde waterdieren bestemd voor een aquacultuurinrichting vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 210
Afwijkingen van de nationale diergezondheidscertificering door de lidstaten
In afwijking van de voorschriften voor diergezondheidscertificering van de artikelen 208 en 209 kunnen de lidstaten afwijkingen toestaan voor verplaatsingen binnen hun grondgebied van bepaalde zendingen waterdieren zonder diergezondheidscertificaat, op voorwaarde dat zij beschikken over een alternatief systeem om te waarborgen dat dergelijke zendingen traceerbaar zijn en voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor dergelijke verplaatsingen zoals bedoeld in de afdelingen 1 tot en met 5.
Artikel 211
Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot diergezondheidscertificering voor waterdieren
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot diergezondheidscertificaten zoals bedoeld in de artikelen 208 en 209 en de voorwaarden voor die afwijkingen voor verplaatsingen van waterdieren die geen significant risico vormen voor de verspreiding van ziekten door:
|
|
b) |
bijzondere regelgeving voor diergezondheidscertificering zoals bedoeld in de artikelen 208 en 209, waarbij de bevoegde autoriteit andere risicobeperkingsmaatregelen treft die:
|
|
c) |
uitvoeringsbepalingen betreffende de diergezondheidscertificaten die de verplaatsingen van waterdieren voor wetenschappelijke doeleinden moeten vergezellen zoals bedoeld in artikel 204, lid 1. |
Artikel 212
Inhoud van diergezondheidscertificaten
1. Het diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de inrichting of de plaats van oorsprong, de inrichting of de plaats van bestemming en, indien nodig in verband met de verspreiding van ziekten, elke onderweg bezochte inrichting of plaats; |
|
b) |
een beschrijving van de waterdieren; |
|
c) |
het aantal waterdieren en het volume of gewicht van de waterdieren; |
|
d) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de dieren voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5. |
2. Het diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn.
Artikel 213
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten zoals bedoeld in artikel 212, lid 1:
|
a) |
uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de inhoud van die diergezondheidscertificaten, zoals bedoeld in artikel 212, lid 1, voor verschillende categorieën en soorten waterdieren; |
|
b) |
aanvullende gegevens die in het in artikel 212, lid 1, bedoelde diergezondheidscertificaat moeten worden opgenomen. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van de diergezondheidscertificaten.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 214
Verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat de diergezondheidscertificaten de waterdieren vergezellen naar de plaats van bestemming en gedelegeerde handelingen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke maatregelen ter aanvulling van de voorschriften voor diergezondheidscertificering zoals bedoeld in artikel 208, voor de volgende soorten verplaatsingen van waterdieren:
|
a) |
verplaatsingen van waterdieren die hun weg naar de eindbestemming niet kunnen voortzetten en naar hun plaats van oorsprong moeten terugkeren of naar een andere bestemming moeten worden verplaatst om een of meer van de volgende redenen:
|
|
b) |
verplaatsingen van waterdieren voor tentoonstellingen en sportieve, culturele of soortgelijke evenementen, en daarna de terugkeer naar hun plaats van oorsprong. |
Artikel 215
Verplichtingen van de exploitanten tot samenwerking met de bevoegde autoriteiten voor diergezondheidscertificering
De exploitanten:
|
a) |
verstrekken de bevoegde autoriteit alle noodzakelijke gegevens voor het invullen van het diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in de artikelen 208 en 209 en in de krachtens de artikelen 211, 213 en 214 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
onderwerpen de waterdieren indien nodig aan documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles zoals bedoeld in artikel 216, lid 3, en in de krachtens artikel 216, lid 4, vastgestelde regelgeving. |
Artikel 216
Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering en gedelegeerde handelingen
1. De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsing van waterdieren, wanneer dat is vereist overeenkomstig de artikelen 208 en 209 of de krachtens de artikelen 211 en 214 vastgestelde regelgeving, op voorwaarde dat, in voorkomend geval, aan de volgende diergezondheidsvoorschriften is voldaan:
|
a) |
de voorschriften zoals bedoeld in artikel 190, artikel 191, lid 1, de artikelen 192, 194 en 195, artikel 196, lid 1, de artikelen 197 en 198, artikel 199, leden 1 en 2, artikel 200, artikel 202, lid 1, artikel 203, lid 1, en artikel 204, leden 1 en 2; |
|
b) |
de voorschriften zoals bedoeld in de gedelegeerde handelingen, vastgesteld krachtens artikel 191, lid 2, artikel 196, lid 2, artikel 199, lid 3, artikel 200, lid 3, artikel 201, lid 2, artikel 202, lid 2, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en artikel 205; |
|
c) |
de voorschriften zoals bedoeld in de krachtens artikel 206 vastgestelde uitvoeringshandelingen. |
2. Diergezondheidscertificaten
|
a) |
worden gecontroleerd en ondertekend door de officiële dierenarts; |
|
b) |
blijven geldig voor een periode, zoals bedoeld in de krachtens lid 4, onder b), vastgestelde regelgeving, waarin de gecertificeerde waterdieren de in het certificaat vervatte diergezondheidsgaranties moeten blijven bieden. |
3. De officiële dierenarts ondertekent het diergezondheidscertificaat pas nadat hij heeft gecontroleerd dat de in het certificaat bedoelde waterdieren voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk door middel van de documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles zoals bedoeld in de krachtens lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen, in voorkomend geval rekening houdend met de desbetreffende soorten en categorieën waterdieren en de diergezondheidsvoorschriften.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de soorten documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken voor verschillende soorten en categorieën waterdieren die de officiële dierenarts moet uitvoeren overeenkomstig lid 3 van dit artikel om na te gaan of aan de voorschriften van dit hoofdstuk is voldaan; |
|
b) |
de termijnen voor de uitvoering van dergelijke documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken, en voor de afgifte van diergezondheidscertificaten door de officiële dierenarts voorafgaand aan de verplaatsing van zendingen waterdieren. |
Artikel 217
Elektronische gezondheidscertificaten
Elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via Imsoc, kunnen de in artikel 208 bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien deze elektronische diergezondheidscertificaten:
|
a) |
alle gegevens bevatten die het modelformulier van diergezondheidscertificaten moet bevatten overeenkomstig artikel 212, lid 1, en de krachtens artikel 213 vastgestelde regelgeving; |
|
b) |
de traceerbaarheid van de waterdieren en het verband tussen die dieren en het elektronische diergezondheidscertificaat waarborgen. |
Artikel 218
Eigen verklaring van de exploitanten voor verplaatsingen van aquacultuurdieren waterdieren naar andere lidstaten en gedelegeerde handelingen [Am. 311]
1. Indien voor de waterdieren niet wordt vereist dat zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in de artikelen 208 en 209 of in de krachtens de artikelen 211 en 214 vastgestelde regelgeving, geven de exploitanten op de plaats van oorsprong een document met eigen verklaring af voor verplaatsingen van aquacultuurdieren waterdieren van hun plaats van oorsprong in de ene lidstaat naar de plaats van bestemming in een andere lidstaat en zien zij erop toe dat het document de waterdieren vergezelt. [Am. 312]
2. Het in lid 1 bedoelde document met eigen verklaring bevat over de waterdieren ten minste de volgende gegevens: [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]
|
a) |
hun plaats van oorsprong en hun plaats van bestemming en, indien van toepassing, alle plaatsen onderweg; |
|
b) |
een beschrijving van de aquacultuurdieren waterdieren , de soort, de hoeveelheid, het gewicht of het volume naargelang van de relevantie voor de betrokken dieren; [Am. 314] |
|
c) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de aquacultuurdieren waterdieren voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5. [Am. 315] |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
uitvoeringsbepalingen betreffende de inhoud van het document met eigen verklaring zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel voor verschillende soorten en categorieën aquacultuurdieren waterdieren ; [Am. 316] |
|
b) |
gegevens die in het document met eigen verklaring moeten worden opgenomen ter aanvulling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens. |
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor een modelformulier van het document met eigen verklaring zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afdeling 7
Kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren naar andere lidstaten
Artikel 219
Verplichting van de exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren tussen lidstaten
De exploitanten stellen de bevoegde autoriteit in de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verplaatsing van waterdieren van de ene lidstaat naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:
|
a) |
de waterdieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig de artikelen 208 en 209 of regelgeving vastgesteld krachtens artikel 211 en artikel 214, lid 2; |
|
b) |
de waterdieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor waterdieren indien zij uit een beperkingszone worden verplaatst, zoals bedoeld in artikel 208, lid 2, onder a); |
|
c) |
de verplaatste aquacultuurdieren en wilde waterdieren zijn bestemd voor:
|
|
d) |
kennisgeving is vereist overeenkomstig de krachtens artikel 221 vastgestelde gedelegeerde handelingen. |
Voor de in het eerste lid van dit artikel beschreven kennisgeving verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit in de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om deze in staat te stellen overeenkomstig artikel 220, lid 1, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis te stellen van de verplaatsing.
Artikel 220
Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren naar andere lidstaten
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van verplaatsingen van waterdieren zoals bedoeld in artikel 219, lid 1, tenzij voor een dergelijke kennisgeving overeenkomstig artikel 221, lid 1, onder c), een afwijking is toegestaan.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving geschiedt indien mogelijk via Imsoc.
3. Voor het beheer van de kennisgevingen van verplaatsingen door de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, duiden de lidstaten regio's aan.
4. In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de exploitant toestemming verlenen de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren geheel of gedeeltelijk via Imsoc naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming te versturen.
Artikel 221
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen voor de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren door de bevoegde autoriteit
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de verplichting voor de exploitanten om overeenkomstig artikel 219, lid 1, kennisgeving te doen van verplaatsingen tussen lidstaten van waterdieren van andere categorieën of soorten dan die bedoeld in artikel 219, lid 1, onder a), b) en c), wanneer de traceerbaarheid van dergelijke verplaatsingen noodzakelijk is om de naleving van de diergezondheidsvoorschriften van dit hoofdstuk te waarborgen; |
|
b) |
de gegevens die noodzakelijk zijn voor de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren door de exploitanten en de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in artikel 219, lid 1, en artikel 220, lid 1; |
|
c) |
afwijkingen van de kennisgevingsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 219, lid 1, onder c), voor categorieën of soorten waterdieren of soorten verplaatsingen die geen significant risico vormen; |
|
d) |
de noodprocedures voor kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren bij stroomonderbrekingen of andere storingen in Imsoc; |
|
e) |
de voorschriften inzake de aanduiding van regio's door de lidstaten, zoals bedoeld in artikel 220, lid 3. |
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot:
|
a) |
het formaat van de kennisgevingen:
|
|
b) |
de uiterste termijnen voor:
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 3
Verplaatsingen van gezelschapswaterdieren binnen de Unie
Artikel 222
Niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapswaterdieren en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. Houders van gezelschapsdieren verrichten enkel niet-commerciële verplaatsingen van gezelschapswaterdieren van de inde lijst van bijlage I opgenomen soorten indien passende maatregelen zijn getroffen ter preventie en bestrijding van ziekten om te waarborgen dat de gezelschapswaterdieren geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d) en van nieuwe ziekten naar dieren op de plaats van bestemming en tijdens het vervoer.
2. Artikel 112 en de regelgeving in de krachtens artikel 114, onder f), vastgestelde gedelegeerde handelingen en in de krachtens artikel 117 vastgestelde uitvoeringshandelingen zijn van toepassing voor de identificatie, de registratie en de traceerbaarheid van gezelschapswaterdieren.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten, om te waarborgen dat de gezelschapswaterdieren geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en van nieuwe ziekten naar dieren op de plaats van bestemming en tijdens het vervoer, en houdt daarbij indien nodig rekening met de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming.
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen met betrekking tot de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel en de krachtens lid 2 van dit artikel vastgestelde regelgeving.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 4
Productie, verwerking en distributie van andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren binnen de Unie
Artikel 223
Algemene verplichtingen van de exploitanten inzake diergezondheid en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om te waarborgen dat andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren in geen enkel stadium van de productie, de verwerking en van de distributie ervan in de Unie de verspreiding veroorzaken van:
|
a) |
in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), rekening houdend met de gezondheidsstatus van de plaats van productie, verwerking en bestemming; |
|
b) |
nieuwe ziekten. |
2. De exploitanten zien erop toe dat andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren niet afkomstig zijn van inrichtingen of levensmiddelenbedrijven of worden verkregen van dieren die afkomstig zijn van inrichtingen of levensmiddelenbedrijven:
|
a) |
waarvoor noodmaatregelen gelden zoals bedoeld in de artikelen 246 en 247 en in de krachtens artikel 248 vastgestelde regelgeving, tenzij afwijkingen van die regelgeving zijn toegestaan overeenkomstig deel VI; |
|
b) |
waar verplaatsingsbeperkingen gelden voor de waterdieren en producten van dierlijke oorsprong van waterdieren, zoals bedoeld in artikel 31, lid 1, artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), artikel 78, leden 1 en 2 en artikel 80, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 80, lid 3, en artikel 81, lid 2, tenzij overeenkomstig die regelgeving afwijkingen zijn toegestaan. |
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere voorschriften ter aanvulling van lid 2 van dit artikel betreffende de verplaatsing van andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren, rekening houdend met:
|
a) |
de ziekten en de soorten waterdieren waarbij de ziekte voorkomt, waarvoor noodmaatregelen of verplaatsingsbeperkingen gelden zoals bedoeld in lid 2; |
|
b) |
het soort producten van dierlijke oorsprong van waterdieren; |
|
c) |
de risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming worden toegepast op de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren; |
|
d) |
het beoogde gebruik van de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren; |
|
e) |
de plaats van bestemming van de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren. |
Artikel 224
Diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen
1. De exploitanten verplaatsen de volgende andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren slechts indien deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong:
|
a) |
producten van dierlijke oorsprong van waterdieren waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor noodmaatregelen gelden zoals bedoeld in de krachtens artikel 248 vastgestelde regelgeving is toegestaan, wanneer deze producten van dierlijke oorsprong van waterdieren afkomstig zijn van waterdieren van soorten waarvoor deze noodmaatregelen gelden; |
|
b) |
producten van dierlijke oorsprong van waterdieren waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen gelden overeenkomstig artikel 31, lid 1, artikel 55, lid 1, onder c), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 63, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), artikel 78, leden 1 en 2, en artikel 80, leden 1 en 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 79, artikel 80, lid 3, en artikel 81, lid 2, is toegestaan, wanneer deze producten van dierlijke oorsprong afkomstig zijn van waterdieren van soorten waarvoor deze ziektebestrijdingsmaatregelen gelden. |
2. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de producten van dierlijke oorsprong vergezelt van hun plaats van oorsprong tot hun plaats van bestemming.
3. De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsingen van de andere in lid 1 bedoelde producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren.
4. Artikel 212, de artikelen 214 tot en met 217 en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 213 en artikel 216, lid 4, zijn van toepassing op de certificering van verplaatsingen van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften en uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het diergezondheidscertificaat dat andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren dient te vergezellen, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, rekening houdend met de volgende aspecten:
|
a) |
het soort producten van dierlijke oorsprong; |
|
b) |
de risicobeperkingsmaatregelen die van toepassing zijn op de producten van dierlijke oorsprong, ter beperking van het risico op verspreiding van ziekten; |
|
c) |
het beoogde gebruik van de producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
de plaats van bestemming van de producten van dierlijke oorsprong. |
Artikel 225
Inhoud van diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. Het diergezondheidscertificaat voor andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren bevat ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de inrichting of plaats van oorsprong en de inrichting of plaats van bestemming; |
|
b) |
een beschrijving van de producten van dierlijke oorsprong; |
|
c) |
de hoeveelheid of het volume van de producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
de identificatie van de producten van dierlijke oorsprong, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 65, lid 1, onder h), of overeenkomstig de krachtens artikel 66 vastgestelde regelgeving; |
|
e) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de producten van dierlijke oorsprong van de zending voldoen aan de voorschriften inzake verplaatsingsbeperkingen zoals bedoeld in artikel 223, lid 2, en in de krachtens artikel 223, lid 3, vastgestelde regelgeving. |
2. Het diergezondheidscertificaat voor andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en de aanvulling van de gegevens die in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 226
Kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong naar andere lidstaten
1. De exploitanten:
|
a) |
stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verplaatsing van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren, wanneer de zendingen vergezeld moeten gaan van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 224, lid 1; |
|
b) |
verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 in kennis te stellen van de verplaatsing van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren. |
2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van verplaatsingen van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren overeenkomstig artikel 220, lid 1.
3. De artikelen 219 en 220 en de krachtens artikel 221 vastgestelde regelgeving zijn van toepassing op de kennisgeving andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren.
Hoofdstuk 5
Nationale maatregelen
Artikel 227
Nationale maatregelen ter beperking van de gevolgen van andere dan in de lijst opgenomen ziekten
1. Wanneer een andere ziekte dan de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), een significant risico vormt voor waterdieren in een lidstaat, kan de betrokken lidstaat nationale maatregelen treffen om te voorkomen dat die ziekte wordt binnengebracht of om de verspreiding ervan te bestrijden.
De lidstaten zien erop toe dat die nationale maatregelen niet verder gaan dan hetgeen wenselijk en noodzakelijk is om binnen de lidstaat de insleep van de ziekte te voorkomen of de verspreiding ervan te bestrijden.
2. De lidstaten stellen de Commissie vooraf in kennis van alle voorgestelde nationale maatregelen zoals bedoeld in lid 1 die een nadelige invloed op verplaatsingen tussen lidstaten kunnen hebben.
3. De in lid 2 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen worden door de Commissie middels uitvoeringshandelingen goedgekeurd en indien nodig gewijzigd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4. De in lid 3 bedoelde goedkeuring wordt enkel gegeven indien het noodzakelijk is verplaatsingsbeperkingen tussen lidstaten om de insleep van de in lid 1 bedoelde ziekte te voorkomen of de verspreiding ervan te bestrijden, rekening houdend met de globale gevolgen van de ziekte en van de maatregelen op de Unie.
TITEL III
Dieren van andere soorten dan die welke vallen onder de definitie van landdieren en waterdieren, en levende producten en producten van dierlijke oorsprong van deze andere dieren
Artikel 228
Diergezondheidsvoorschriften voor andere dieren, en levende producten en producten van dierlijke oorsprong van deze andere dieren
Wanneer andere dieren tot een in de lijst opgenomen soort voor een in de lijst opgenomen ziekte zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), behoren en wanneer deze dieren of daarvan afkomstige levende producten of producten van dierlijke oorsprong een risico vormen voor de volksgezondheid of de diergezondheid, zijn de volgende diergezondheidsvoorschriften van toepassing:
|
a) |
de voorschriften met betrekking tot registratie, erkenning, documentatie en registers voor inrichtingen en vervoerders zoals bedoeld in titel I, hoofdstuk I, en titel II, hoofdstuk 1; |
|
b) |
de voorschriften met betrekking tot traceerbaarheid zoals bedoeld in de artikelen 102 tot en met 105, en de artikelen 112 en 113 voor andere dieren en artikel 119 voor levende producten; |
|
c) |
verplaatsingsvoorschriften:
|
|
d) |
de verplichtingen van exploitanten en de bevoegde autoriteit inzake diergezondheidscertificering en de verplichtingen van exploitanten inzake eigen verklaringen:
|
|
e) |
met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen door de exploitanten en door de bevoegde autoriteit: de voorschriften zoals bedoeld in de artikelen 149, 150 en 151, de artikelen 161 en 167, de artikelen 219, 220 en 221 en artikel 226. |
Artikel 229
Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot diergezondheidsvoorschriften voor andere dieren, en levende producten en producten van dierlijke oorsprong van andere dieren
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanvulling en de wijziging van de voorschriften voor andere dieren, en de daarvan afkomstige levende producten of producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in artikel 228, die nodig zijn om het risico van de daar bedoelde ziekten te beperken, met betrekking tot:
|
a) |
de voorschriften voor registratie, erkenning, documentatie en registers voor inrichtingen of vervoerders die andere dieren en daarvan afkomstige levende producten of producten van dierlijke oorsprong houden respectievelijk vervoeren, zoals bedoeld in artikel 228, onder a); |
|
b) |
de traceerbaarheidsvoorschriften voor andere dieren en de daarvan afkomstige levende producten, zoals bedoeld in artikel 228, onder b); |
|
c) |
de verplaatsingsvoorschriften voor andere dieren en de daarvan afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in artikel 228, onder c); |
|
d) |
de voorschriften met betrekking tot de verplichtingen van exploitanten en de bevoegde autoriteit inzake diergezondheidscertificering en de verplichtingen van exploitanten inzake eigen verklaringen voor andere dieren en de daarvan afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in artikel 228, onder d); |
|
e) |
de voorschriften met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen door de exploitanten en de bevoegde autoriteit voor andere dieren en de daarvan afkomstige levende producten en producten van dierlijke oorsprong, zoals bedoeld in artikel 228, onder e). |
2. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot uitvoeringsbepalingen voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Bij de vaststelling van de in de leden 1 en 2 bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen houdt de Commissie rekening met een of meer van de volgende criteria:
|
a) |
de soorten of categorieën andere dieren die behoren tot overeenkomstig artikel 7, lid 2, in de lijst opgenomen soorten voor een of meer in de lijst opgenomen ziekten, waarop bepaalde maatregelen van deze verordening ter preventie en bestrijding van de ziekten van toepassing zijn; |
|
b) |
het profiel van de in de lijst opgenomen ziekte waardoor soorten en categorieën van onder a) bedoelde andere dieren kunnen worden getroffen; |
|
c) |
de haalbaarheid, beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten voor de in de lijst opgenomen soorten waarop dergelijke maatregelen betrekking hebben; |
|
d) |
het voornaamste terrestrische of aquatische milieu waarin deze andere dieren leven; |
|
e) |
de soorten ziekten waardoor deze andere dieren kunnen worden getroffen, namelijk ziekten die landdieren of ziekten die waterdieren treffen, ongeacht het onder b) bedoelde voornaamste leefmilieu. |
DEEL V
BINNENKOMST IN DE UNIE EN UITVOER
Hoofdstuk 1
Binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en grondgebieden
Afdeling 1
Voorschriften voor binnenkomst in de Unie
Artikel 230
Voorschriften voor binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong
1. Lidstaten geven slechts toestemming voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of grondgebieden indien de zendingen aan de volgende voorschriften voldoen:
|
a) |
zij zijn afkomstig uit een derde land of grondgebied dat overeenkomstig artikel 231 is opgenomen in de lijst voor de specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, of uit een zone of een compartiment daarvan, tenzij voor die zending een afwijking of een aanvullende regelgeving, vastgesteld krachtens artikel 241, lid 1, geldt; |
|
b) |
zij zijn afkomstig van erkende en in de lijst opgenomen inrichtingen, indien overeenkomstig artikel 234 en de krachtens artikel 235 vastgestelde regelgeving een erkenning en een inschrijving op de lijst worden vereist; |
|
c) |
zij voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie zoals bedoeld in de krachtens artikel 236, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen, indien voor de dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong van de zending dergelijke voorschriften zijn vastgesteld; |
|
d) |
zij gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat, verklaringen en andere documenten, indien dat is vereist volgens artikel 239, lid 1, of de krachtens artikel 239, lid 4, vastgestelde regelgeving. |
2. De exploitanten bieden zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of grondgebieden aan voor officiële controle zoals bedoeld in artikel 45 van Verordening (EU) nr. xxxx/xxxx (*7) [Verordening officiële controles] bij het punt van binnenkomst in de Unie, tenzij krachtens die verordening een afwijking is toegestaan.
Afdeling 2
Inschrijving op de lijst van derde landen en grondgebieden
Artikel 231
Lijsten van derde landen en grondgebieden waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan en uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen
1. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen lijsten op van derde landen en grondgebieden waaruit de binnenkomst in de Unie van specifieke soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan. Zij houdt daarbij rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de wetgeving inzake diergezondheid van het derde land of grondgebied en de regelgeving inzake binnenkomst in het land of grondgebied van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit andere derde landen en grondgebieden; |
|
b) |
de garanties die de bevoegde autoriteit van het derde land of grondgebied verstrekt met betrekking tot de efficiëntie van de tenuitvoerlegging en de controle van de onder a) bedoelde wetgeving inzake diergezondheid; |
|
c) |
de organisatie, structuur, middelen en juridische bevoegdheid van de bevoegde autoriteit in het derde land of grondgebied; |
|
d) |
de procedures voor diergezondheidscertificering in het derde land of grondgebied; |
|
e) |
de diergezondheidsstatus van het derde land of grondgebied, of van zones en compartimenten daarvan, met betrekking tot:
|
|
f) |
de garanties die de bevoegde autoriteit van het derde land of grondgebied kan bieden inzake de naleving van of de gelijkwaardigheid met de relevante in de Unie geldende diergezondheidsvoorschriften; |
|
g) |
de regelmaat en de snelheid waarmee het derde land of grondgebied aan de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) gegevens verstrekt met betrekking tot besmettelijke dierziekten op zijn grondgebied, met name gegevens met betrekking tot ziekten die worden vermeld in de Terrestrial Animal Health Code (gezondheidscode voor landdieren) of de Aquatic Animal Health Code (gezondheidscode voor waterdieren) van het OIE; |
|
h) |
de resultaten van de controles die de Commissie in het derde land of grondgebied heeft uitgevoerd; |
|
i) |
alle ervaring inzake binnenkomst van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit het derde land of grondgebied en de resultaten van officiële controles van dergelijke dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bij het punt van binnenkomst in de Unie. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2. In afwachting van de vaststelling van de lijsten van derde landen en grondgebieden zoals bedoeld in lid 1, en op voorwaarde dat dergelijke lijsten niet reeds eerder zijn opgesteld krachtens de wetgeving van de Unie zoals bedoeld in artikel 258, lid 2, bepalen de lidstaten de derde landen en grondgebieden waaruit specifieke soorten of categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie mogen binnenkomen.
Voor de in de eerste alinea vermelde doelstellingen houden de lidstaten rekening met de in lid 1, onder a) tot en met i), van dit artikel bedoelde criteria voor opname in de lijsten van derde landen en grondgebieden.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van lid 2 van dit artikel, om de mogelijkheid te beperken dat de lidstaten bepalen uit welke derde landen en grondgebieden een specifieke soort of categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie binnenkomen, indien dit noodzakelijk is wegens het risico dat een specifieke soort of categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong vormt.
Artikel 232
In de lijsten van derde landen en grondgebieden op te nemen gegevens
De Commissie verstrekt voor elke derde land of grondgebied van de in artikel 231, lid 1, bedoelde lijst de volgende gegevens:
|
a) |
de categorieën of soorten dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong die de Unie uit dat derde land of grondgebied mogen binnenkomen; |
|
b) |
of de overeenkomstig punt a) vermelde dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie mogen binnenkomen vanuit het volledige grondgebied van dat derde land of grondgebied of slechts vanuit één of meer zones of compartimenten daarvan. |
Artikel 233
Schorsing en intrekking van de inschrijving op de lijst van derde landen en grondgebieden en uitvoeringshandelingen
1. De Commissie gaat middels uitvoeringshandeling over tot de schorsing of intrekking van de inschrijving op de in artikel 231, lid 1 bedoelde lijst, van een derde land of grondgebied, of een zone of compartiment daarvan, om een van de volgende redenen:
|
a) |
het derde land of grondgebied, of een of meer zones of compartimenten daarvan, voldoen niet langer aan de criteria van artikel 231, lid 1, indien deze relevant zijn voor de binnenkomst in de Unie van een specifieke soort of categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; |
|
b) |
de diergezondheidssituatie in het derde land of grondgebied, of in een zone of compartiment daarvan, vereist een schorsing of intrekking van de inschrijving op die lijst om de diergezondheidsstatus van de Unie te beschermen; |
|
c) |
het derde land of grondgebied verstrekt geen actuele gegevens over de diergezondheidssituatie en over andere in artikel 231, lid 1, bedoelde aspecten, hoewel de Commissie daarom verzoekt; |
|
d) |
het derde land of grondgebied weigert op zijn grondgebied de Commissie een controle namens de Unie te laten uitvoeren. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ernstig risico op de insleep in de Unie van een in de lijst opgenomen ziekte zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), stelt de Commissie volgens de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen een derde land of grondgebied, of een zone of compartiment daarvan, waarvan de inschrijving op de in artikel 231, lid 1, bedoeld lijst was geschorst of ingetrokken, opnieuw in de lijst opnemen om een van de volgende redenen:
|
a) |
om de redenen zoals bedoeld in lid 1, onder a) of c), van dit artikel, op voorwaarde dat het derde land of grondgebied aantoont dat het voldoet aan de criteria om in de lijst te worden opgenomen zoals bedoeld in artikel 231, lid 1; |
|
b) |
om de redenen zoals bedoeld in lid 1, onder b), van dit artikel, op voorwaarde dat het derde land of grondgebied passende garanties biedt dat een oplossing werd gevonden voor de diergezondheidssituatie of de volksgezondheidssituatie die de schorsing of intrekking van de inschrijving op de lijst had veroorzaakt, of dat deze diergezondheidssituatie of volksgezondheidssituatie niet langer een bedreiging vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie; [Am. 317] |
|
c) |
om de redenen zoals bedoeld in lid 1, onder d), van dit artikel, op voorwaarde dat:
|
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regelgeving tot wijziging en aanvulling van de criteria voor de schorsing en intrekking van de inschrijving op de in artikel 231, lid 1, bedoelde lijst van een derde land of grondgebied, of van zones of compartimenten daarvan, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Afdeling 3
Erkenning en inschrijving op de lijst van inrichtingen in derde landen en grondgebieden
Artikel 234
Erkenning en inschrijving op de lijst van inrichtingen
1. De lidstaten verlenen slechts toestemming voor binnenkomst in de Unie van landdieren en levende producten daarvan die afkomstig zijn van een soort inrichting waarvoor in de Unie een erkenning is vereist overeenkomstig artikel 89, lid 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 89, lid 3, en artikel 90, indien die inrichting in het derde land of grondgebied:
|
a) |
voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften in dat derde land of grondgebied die gelijkwaardig zijn aan de geldende regelgeving voor dat soort inrichting in de Unie; |
|
b) |
erkend is en door de bevoegde autoriteit van het derde land of grondgebied van verzending in de lijst is opgenomen. |
2. De Commissie verzamelt de lijsten van de in lid 1, onder b), bedoelde erkende inrichtingen die zij van de bevoegde autoriteiten van de derde landen of grondgebieden heeft ontvangen.
3. De Commissie verstrekt de lidstaten elke nieuwe of bijgewerkte lijst van erkende inrichtingen die zij van derde landen of grondgebieden ontvangt en maakt deze openbaar.
Artikel 235
Bevoegdheidsdelegatie voor de erkenning en de inschrijving op de lijst van inrichtingen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften van artikel 234, lid 1, onder b), indien in het derde land of grondgebied andere risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen die gelijkwaardige garanties bieden voor de diergezondheid in de Unie;
Afdeling 4
Binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong
Artikel 236
Bevoegdheidsdelegatie voor diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor:
|
a) |
de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of grondgebieden; |
|
b) |
het verplaatsen binnen de Unie van en het werken met deze dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong na binnenkomst in de Unie. |
2. De diergezondheidsvoorschriften van lid 1, onder a), zijn:
|
a) |
even streng als de diergezondheidsvoorschriften van deze verordening en de regelgeving die krachtens deze verordening is vastgesteld en die van toepassing is op verplaatsingen binnen de Unie van de desbetreffende soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; of |
|
b) |
gelijkwaardig aan de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong van deel IV van deze verordening. |
3. In afwachting van de vaststelling van in lid 1 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen tot vaststelling van diergezondheidsvoorschriften voor een specifieke soort of categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong en op voorwaarde dat dergelijke voorschriften niet reeds eerder zijn vastgesteld krachtens de wetgeving van de Unie zoals bedoeld in artikel 258, lid 2, kunnen de lidstaten nationale regelgeving toepassen, op voorwaarde dat deze:
|
a) |
voldoet aan de voorschriften van lid 2 van dit artikel en daarin rekening wordt gehouden met de aspecten zoals bedoeld in de artikelen 237 en 238; |
|
b) |
niet minder streng is dan de regelgeving van deel IV, titels I en II. |
Artikel 237
Aspecten waarmee rekening wordt gehouden in de in artikel 236 bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van dieren
Bij de vaststelling van de in artikel 236, lid 1, bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van specifieke soorten en categorieën dieren houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
b) |
de gezondheidsstatus van de Unie met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
c) |
de in de lijst opgenomen soorten met betrekking tot die in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
d) |
de leeftijd en het geslacht van de dieren; |
|
e) |
de oorsprong van de dieren; |
|
f) |
het soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming; |
|
g) |
de beoogde plaats van bestemming; |
|
h) |
het beoogde gebruik van de dieren; |
|
i) |
de getroffen risicobeperkingsmaatregelen in de derde landen of grondgebieden van oorsprong of van doorvoer, of na aankomst op het grondgebied van de Unie; |
|
j) |
de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op verplaatsingen van die dieren binnen de Unie; |
|
k) |
andere epizoötiologische factoren; |
|
l) |
internationale handelsnormen met betrekking tot diergezondheid die van toepassing zijn op die soorten en categorieën dieren. |
Artikel 238
Aspecten waarmee rekening wordt gehouden in de in artikel 236 bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van levende producten en producten van dierlijke oorsprong
Bij de vaststelling van de in artikel 236, lid 1, bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van levende producten en producten van dierlijke oorsprong houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
a) |
de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
b) |
de gezondheidsstatus van de dieren waarvan de levende producten of de producten van dierlijke oorsprong afkomstig zijn en die van de Unie met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
c) |
het soort en de aard van specifieke levende producten of producten van dierlijke oorsprong, de behandelingen, bewerkingsmethoden en andere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong, de plaats van doorzending van de zending, of op de plaats van bestemming zijn toegepast; |
|
d) |
het soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming; |
|
e) |
de beoogde plaats van bestemming; |
|
f) |
het beoogde gebruik van de levende producten of de producten van dierlijke oorsprong; |
|
g) |
de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op verplaatsingen van die levende producten en producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie; |
|
h) |
andere epizoötiologische factoren; |
|
i) |
internationale handelsnormen met betrekking tot diergezondheid die van toepassing zijn op de specifieke levende producten en producten van dierlijke oorsprong. |
Afdeling 5
diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten
Artikel 239
Diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten voor binnenkomst in de Unie
1. De lidstaten verlenen slechts toestemming voor binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wanneer deze vergezeld gaan van:
|
a) |
een door de bevoegde autoriteit van het derde land of grondgebied van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat; |
|
b) |
verklaringen of andere documenten, indien deze overeenkomstig de krachtens lid 4, onder a), vastgestelde regelgeving zijn vereist. |
2. De lidstaten staan de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong slechts toe indien het in lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat door een officiële dierenarts in een derde land of grondgebied is gecontroleerd en ondertekend overeenkomstig certificeringsvoorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van artikel 146, lid 3, of artikel 216, lid 3, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 146, lid 4, of artikel 216, lid 4.
3. De lidstaten staan toe dat elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via Imsoc de in artikel 1 bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien deze elektronische diergezondheidscertificaten:
|
a) |
alle gegevens bevatten die de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde diergezondheidscertificaten overeenkomstig artikel 240, lid 1, en de krachtens artikel 240, lid 3, vastgestelde regelgeving moeten bevatten; |
|
b) |
de traceerbaarheid van de zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong en het verband tussen deze zendingen en het elektronische diergezondheidscertificaat waarborgen |
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
afwijkingen van de diergezondheidsvoorschriften van lid 1, onder a), voor zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong en specifieke regelgeving voor de diergezondheidscertificering die zendingen die geen significant risico vormen voor de diergezondheid of de volksgezondheid binnen de Unie, om een of meer van de volgende factoren:
|
|
b) |
de voorschriften die bepalen dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bij binnenkomst in de Unie vergezeld moeten gaan van verklaringen of andere documenten die nodig zijn om aan te tonen dat de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie van de krachtens artikel 236, lid 1, vastgestelde regelgeving. |
Artikel 240
Inhoud van diergezondheidscertificaten
1. Het in artikel 239, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de naam en het adres van:
|
|
b) |
een beschrijving van de dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; |
|
c) |
het aantal of het volume van de dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; |
|
d) |
indien van toepassing, de identificatie en de registratie van de dieren of levende producten; |
|
e) |
de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de zending voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie zoals bedoeld in artikel 230 en artikel 236, lid 3, en in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 236, lid 1, en artikel 241. |
2. Het in artikel 239, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
de gegevens die het in artikel 239, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat moet vermelden, ter aanvulling van de gegevens zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel; |
|
b) |
de gegevens die de in artikel 239, lid 1, onder b), bedoelde verklaringen of andere documenten moeten vermelden. |
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten zoals bedoeld in artikel 239, lid 1. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5. In afwachting van de vaststelling van regelgeving middels gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen krachtens de leden 3 en 4 van dit artikel voor een specifieke soort of categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, en op voorwaarde dat dergelijke regelgeving niet reeds eerder is vastgesteld krachtens de wetgeving van de Unie zoals bedoeld in artikel 258, lid 2, kunnen de lidstaten nationale regelgeving toepassen, op voorwaarde dat deze voldoet aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel.
Afdeling 6
Afwijkingen en aanvullende voorschriften voor bepaalde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong
Artikel 241
Afwijkingen en aanvullende voorschriften voor bepaalde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften zoals bedoeld in artikel 230, lid 1, en de artikelen 234 en 239 en aanvullende voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van:
|
a) |
dieren:
|
|
b) |
producten van dierlijke oorsprong:
|
|
c) |
levende producten en producten van dierlijke oorsprong:
|
Deze gedelegeerde handelingen houden rekening met de aspecten zoals bedoeld in de artikelen 237 en 238.
2. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen voorschriften vaststellen:
|
a) |
betreffende modelformulieren voor diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten voor de in lid 1 bedoelde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong; |
|
b) |
waarin voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten de codes uit de Gecombineerde Nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in de regelgeving vastgelegd krachtens artikel 45, lid 2, onder b), van Verordening EU nr. xxxx/xxxx (*8) [Verordening officiële controles]. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 2
Binnenkomst in de Unie van andere goederen dan dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en gebieden
Artikel 242
Ziekteverwekkers en gedelegeerde handelingen
1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die ziekteverwekkers binnenbrengt in de Unie:
|
a) |
ziet erop toe dat de binnenkomst in de Unie daarvan geen risico vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten; |
|
b) |
treft passende maatregelen ter preventieve en bestrijding van ziekten om te waarborgen dat de binnenkomst in de Unie van die ziekteverwekkers geen risico van bioterrorisme oplevert. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften voor binnenkomst in de Unie van ziekteverwekkers inzake:
|
a) |
de verpakking van ziekteverwekkers; |
|
b) |
andere risicobeperkingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om het vrijkomen en het verspreiden van ziekteverwekkers te voorkomen. |
Artikel 243
Plantaardig materiaal en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van plantaardig materiaal, waarlangs in de lijst opgenomen ziekten of een nieuwe ziekten kunnen worden overgedragen; |
|
b) |
voorschriften betreffende:
|
2. De Commissie stelt de in lid 1 van dit artikel bedoelde diergezondheidsvoorschriften vast in geval van een ongunstige ziektesituatie in derde landen of grondgebieden met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), of nieuwe ziekten, en houdt daarbij rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de vraag of een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte die via plantaardig materiaal kan worden overgedragen een ernstig risico vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie; |
|
b) |
de waarschijnlijkheid dat dieren van in de lijst opgenomen soorten voor een specifieke in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte rechtstreeks of onrechtstreeks in contact zullen komen met het in lid 1 bedoelde plantaardige materiaal; |
|
c) |
de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van alternatieve risicobeperkingsmaatregelen in verband met dat plantaardig materiaal, die het in lid 2, onder a), bedoelde risico op overdracht kunnen uitschakelen of beperken. |
3. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen waarin voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde plantaardige materiaal de codes uit de Gecombineerde Nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 45, lid 2, onder b), van Verordening EU nr. xxxx/xxxx (*9) [Verordening officiële controles].
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 244
Vervoermiddelen, uitrusting, verpakkingsmateriaal, transportwater, diervoeders en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
1. De exploitanten die dieren en producten in de Unie binnenbrengen, treffen passende en noodzakelijke preventieve maatregelen tegen ziekten tijdens het vervoer, zoals bedoeld in artikel 122, lid 1, en artikel 191, lid 1.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
|
a) |
specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van:
|
|
b) |
voorschriften betreffende:
|
3. De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde diergezondheidsvoorschriften vast in geval van een ongunstige ziektesituatie met betrekking tot een of meer in de lijst opgenomen ziekten, zoals bedoeld in artikel 8,lid 1, onder d), of nieuwe ziekten die een ernstig risico vormen voor de diergezondheid en de volksgezondheid in de Unie, in:
|
a) |
een aangrenzend derde land; |
|
b) |
het derde land van oorsprong; |
|
c) |
een derde land van doorvoer. |
4. De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen waarin voor de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde goederen de codes uit de Gecombineerde Nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 45, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. xxxx/xxxx (*10) [Verordening officiële controles].
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk 3
Uitvoer
Artikel 245
Uitvoer uit de Unie
1. De lidstaten treffen passende maatregelen om erop toe te zien dat de uitvoer en de wederuitvoer uit de Unie naar een derde land of grondgebied van dieren en producten plaatsvindt in overeenstemming met de regelgeving voor de verplaatsingen van dieren en producten tussen lidstaten zoals bedoeld in deel IV, rekening houdend met de diergezondheidsstatus in het derde land of grondgebied van bestemming, of een zone of compartiment daarvan, met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van het invoerende derde land of grondgebied, of indien dat is vastgesteld in de wetten, verordeningen, normen, codes of praktijken en andere geldende juridische en administratieve procedures in dat land of grondgebied, kan de uitvoer en de wederuitvoer uit de Unie echter plaatsvinden overeenkomstig die bepalingen.
2. Indien de bepalingen van een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en een derde land of grondgebied van toepassing zijn, moeten de dieren en de producten die uit de Unie naar dat derde land of grondgebied worden uitgevoerd, aan die bepalingen voldoen.
DEEL VI
NOODMAATREGELEN
Afdeling 1
Noodmaatregelen met betrekking tot verplaatsingen van dieren en producten binnen de Unie en vervoermiddelen en andere materialen die met dergelijke dieren en producten in contact kunnen zijn gekomen
Artikel 246
Noodmaatregelen die de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet treffen bij een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte of van een nieuwe ziekte of indien zich op het grondgebied een gevaar voordoet
1. Bij een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte of van een nieuwe ziekte, of indien zich een gevaar voordoet dat waarschijnlijk een ernstig risico vormt, treft de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het gevaar zich voordoet, afhankelijk van de ernst van de situatie en van de desbetreffende ziekte of het desbetreffende gevaar onverwijld een of meer van de volgende noodmaatregelen om de verspreiding van de ziekte of van het gevaar te voorkomen:
|
a) |
bij in de lijst opgenomen ziekten:
|
|
b) |
bij nieuwe ziekten en gevaren:
|
|
c) |
andere noodmaatregelen die passend worden geacht om op doeltreffende en efficiënte wijze de verspreiding van de ziekte of het gevaar te voorkomen en te bestrijden. |
2. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit stelt de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van:
|
a) |
een uitbraak of een gevaar dat zich voordoet zoals bedoeld in lid 1; |
|
b) |
de krachtens lid 1 getroffen noodmaatregelen. |
Artikel 247
Noodmaatregelen die moeten worden getroffen door andere lidstaten dan de lidstaat waar de uitbraak of het gevaar zich voordoet
1. De bevoegde autoriteit van de andere lidstaten dan de lidstaat waar de uitbraak of het gevaar, zoals bedoeld in artikel 246, lid 1, zich voordoet, treft een of meer in artikel 246, lid 1, bedoelde noodmaatregelen wanneer zij vaststelt dat op haar grondgebied dieren of producten afkomstig uit de in artikel 246, lid 1, bedoelde lidstaat voorkomen, of vervoermiddelen of andere materialen die met dergelijke dieren of goederen in contact kunnen zijn geweest.
2. In afwachting van de vaststelling van noodmaatregelen door de Commissie overeenkomstig artikel 248, kan de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit bij een ernstig risico op tijdelijke basis de in artikel 246, lid 1, bedoelde noodmaatregelen treffen, afhankelijk van de ernst van de situatie met betrekking tot de dieren of producten die afkomstig zijn van de inrichtingen of van elke andere locatie of, indien van toepassing, van de beperkingszones van de lidstaat waar de ziekte of het gevaar, zoals bedoeld in artikel 246, lid 1, zich voordoet, of van de vervoermiddelen of de andere materialen die met dergelijke dieren in contact kunnen zijn gekomen.
3. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit stelt de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van:
|
a) |
de uitbraak of het gevaar dat zich voordoet zoals bedoeld in lid 1; |
|
b) |
de krachtens de leden 1 en 2 getroffen noodmaatregelen. |
Artikel 248
Noodmaatregelen van de Commissie
1. Bij een uitbraak of gevaar zoals bedoeld in artikel 246, lid 1, en wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 246, lid 1, en artikel 247, leden 1 en 2, noodmaatregelen hebben getroffen, beoordeelt de Commissie de situatie en de getroffen noodmaatregelen en stelt zij middels een uitvoeringshandeling een of meer in artikel 246, lid 1, bedoelde noodmaatregelen vast met betrekking tot de dieren en producten en de vervoermiddelen en andere materialen die met deze dieren of producten in contact kunnen zijn gekomen, in de volgende gevallen:
|
a) |
de Commissie is niet in kennis gesteld van krachtens artikel 246, lid 1, en artikel 247, leden 1 en 2 getroffen maatregelen; |
|
b) |
de Commissie acht de krachtens artikel 246, lid 1, en artikel 247, leden 1 en 2, getroffen maatregelen ongeschikt; |
|
c) |
de Commissie acht het noodzakelijk de krachtens artikel 246, lid 1, en artikel 247, leden 1 en 2, door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten getroffen maatregelen goed te keuren of te vervangen om ongerechtvaardigde belemmeringen voor verplaatsingen van dieren en producten te voorkomen. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's op verspreiding van een ziekte of van een gevaar, kan de Commissie overeenkomstig artikel 255, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen.
Afdeling 2
Noodmaatregelen met betrekking tot zendingen dieren en producten uit derde landen en grondgebieden en vervoermiddelen en andere materialen die met dergelijke zendingen in contact kunnen zijn gekomen
Artikel 249
Noodmaatregelen die de bevoegde autoriteit van de lidstaat moet treffen
Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat kennis krijgt van een zending dieren of producten uit een derde land of grondgebied, of van vervoermiddelen of materialen die in contact kunnen zijn gekomen met een dergelijke zending, die waarschijnlijk in de Unie een ernstig risico zal vormen door een mogelijke infectie of besmetting met in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten of gevaren, moet die autoriteit onverwijld:
|
a) |
afhankelijk van de ernst van de situatie een of meer van de volgende noodmaatregelen treffen om het risico te beperken:
|
|
b) |
de Commissie en de andere lidstaten via Imsoc in kennis stellen van de risico’s die met de desbetreffende zending verbonden zijn en van de oorsprong van de zending. |
Artikel 250
Noodmaatregelen van de Commissie
1. Wanneer een in de lijst opgenomen ziekte, een nieuwe ziekte of een gevaar dat waarschijnlijk een ernstig risico zal vormen, zich voordoet of zich verspreidt in een derde land of grondgebied, of om gewichtige redenen van diergezondheid of volksgezondheid, kan de Commissie afhankelijk van de ernst van de situatie op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat middels een uitvoeringshandeling een of meer van de volgende noodmaatregelen vaststellen:
|
a) |
de schorsing van de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, producten en vervoermiddelen of andere materialen die in contact kunnen zijn gekomen met dergelijke zendingen, die de ziekte of het gevaar in de Unie kunnen verspreiden; |
|
b) |
de vaststelling van bijzondere voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, producten, vervoermiddelen of andere materialen die in contact kunnen zijn gekomen met dergelijke zendingen, die de ziekte of het gevaar in de Unie kunnen verspreiden; |
|
c) |
elke andere passende noodmaatregel ter bestrijding van ziekten om de verspreiding van de ziekte of het gevaar in de Unie te voorkomen. |
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's, stelt de Commissie na overleg met de betrokken lidstaat onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure.
Artikel 251
Noodmaatregelen van de lidstaten indien de Commissie niet optreedt
1. Indien een lidstaat de Commissie verzoekt noodmaatregelen te treffen overeenkomstig artikel 250, en de Commissie dit niet heeft gedaan:
|
a) |
kan die lidstaat in afwachting van de vaststelling van noodmaatregelen door de Commissie overeenkomstig lid 2 van dit artikel op tijdelijke basis een of meer van de in artikel 249, onder punt a), bedoelde noodmaatregelen treffen voor zendingen dieren, producten, vervoermiddelen en andere materialen die in contact kunnen zijn gekomen met dergelijke zendingen, afkomstig uit het in artikel 250, lid 1, bedoelde derde land of grondgebied, afhankelijk van de ernst van de situatie op het grondgebied; |
|
b) |
stelt die lidstaat onverwijld de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van deze noodmaatregelen, onder vermelding van de reden waarom deze maatregelen werden vastgesteld. |
2. De Commissie beoordeelt de situatie en de door de lidstaat overeenkomstig lid 1 van dit artikel getroffen noodmaatregelen en zij stelt, indien nodig, middels een uitvoeringshandeling een of meer in artikel 250 bedoelde noodmaatregelen vast.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 255, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico’s, stelt de Commissie onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 255, lid 3, bedoelde procedure.
DEEL VII
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
TITEL I
Procedurebepalingen
Artikel 252
Wijziging van de bijlagen I en II
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van de bijlagen I en II om rekening te houden met de vooruitgang op technisch gebied, de wetenschappelijke ontwikkelingen en de gewijzigde omstandigheden op het gebied van volksgezondheid en diergezondheid. [Am. 318]
Artikel 253
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden en op voorwaarde dat het vereiste van een coherente, begrijpelijke en eenvoudig toepasbare wetgeving in acht wordt genomen . Om te zorgen voor de volledige toegankelijkheid en de correcte interpretatie en toepassing van het bepaalde in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen, moet de Commissie een organisatiecriterium vaststellen ter vereenvoudiging van de structuur en ter beperking van het aantal van de gedelegeerde handelingen die zij zal vaststellen. . [Am. 319]
2. De in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 3, artikel 13, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 3, artikel 17, lid 3, artikel 18, lid 3, artikel 24, artikel 28, artikel 30, lid 4, artikel 31, lid 2, artikel 34, lid 2, artikel 35, lid 2 bis, artikel 37, lid 5, artikel 39, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 5, artikel 44, lid 1, artikel 47, artikel 48, lid 3, artikel 53, lid 2, artikel 54, lid 3, artikel 55, lid 2, artikel 58, lid 2, artikel 63, artikel 64, lid 4, artikel 67, artikel 68, lid 2, artikel 70, lid 3, artikel 72, lid 2, artikel 73, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 76, lid 2, artikel 79, artikel 80, lid 4, artikel 85, lid 3, artikel 89, lid 3, artikel 92, lid 2, artikel 96, lid 3, artikel 100, lid 1, artikel 103, lid 2, de artikel 114 en 115, artikel 119, lid 1, artikel 122, lid 2, artikel 128, lid 1, artikel 129, lid 2, artikel 132, artikel 133, lid 2, artikel 134, lid 2, artikel 135, lid 3, artikel 136, lid 4, artikel 137, artikel 141, lid 1, artikel 143, lid 1, artikel 144, artikel 146, lid 4, artikel 148, lid 3, artikel 151, lid 1, artikel 152, lid 2, artikel 154, lid 1, artikel 158, artikel 159, lid 5, artikel 160, lid 3, artikel 162, lid 2, artikel 163, lid 3, artikel 164, lid 3, artikel 165, lid 5, artikel 166, lid 3, artikel 174, lid 3, artikel 179, lid 2, artikel 184, lid 1, artikel 188, lid 1, artikel 191, lid 2, artikel 196, lid 2, artikel 199, lid 3, artikel 200, lid 3, artikel 201, lid 2, artikel 202, lid 2, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, artikel 205, artikel 211, artikel 213, lid 1, artikel 214, artikel 216, lid 4, artikel 218, lid 3, artikel 221, lid 1, artikel 222, lid 3, artikel 223, lid 3, artikel 224, lid 5, artikel 225, lid 3, artikel 229, lid 1, artikel 231, lid 3, artikel 233, lid 3, artikel 235, artikel 236, lid 1, artikel 239, lid 4, artikel 240, lid 3, artikel 241, lid 1, artikel 242, lid 2, artikel 243, lid 1, artikel 244, lid 2, artikel 252, artikel 259, lid 2, artikel 260, lid 2, en artikel 261, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd een termijn van 5 jaar met ingang van (*11). De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 320]
3. De in artikel 229, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van (*).
|
(*) |
Datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling of een andere door de wetgever vastgestelde datum. [Am. 321] |
3 bis. De gedelegeerde handelingen stoelen op toegankelijke wetenschappelijke informatie en worden vastgesteld na overleg met belanghebbenden en deskundigen en met inachtneming van de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. [Am. 322]
4. Het Europees Parlement of de Raad kan de in lid 1 van dit artikel vermelde en in artikel 229, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig lid 2 van dit artikel en artikel 229, lid 1 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 254
Spoedprocedure
1. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.
2. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 253, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.
Artikel 255
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.
TITEL II
Sancties
Artikel 256
Sancties
De lidstaten stellen de regelgeving vast inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat deze regelgeving wordt uitgevoerd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op … (*12) in kennis van deze bepalingen en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.
TITEL III
Maatregelen van de lidstaten
Artikel 257
Maatregelen van de lidstaten
1. Lidstaten kunnen binnen hun grondgebied aanvullende maatregelen treffen of strengere maatregelen dan die van deze richtlijn uitsluitend inzake:
|
a) |
de verantwoordelijkheid voor de diergezondheid als bedoeld in deel I, hoofdstuk 3; |
|
b) |
melding binnen de lidstaten zoals bedoeld in artikel 16; |
|
c) |
surveillance zoals bedoeld in deel II, hoofdstuk 2; |
|
d) |
registratie, erkenning, documentatie en registers zoals bedoeld in deel IV, titel I, hoofdstuk 1, en titel II, hoofdstuk 1; |
|
e) |
traceerbaarheidsvoorschriften voor gehouden landdieren en levende producten zoals bedoeld in deel IV, titel I, hoofdstuk 2. |
2. De in lid 1 bedoelde nationale maatregelen zijn in overeenstemming met de regelgeving van deze verordening en:
|
a) |
zij vormen in geen geval alleen een belemmering voor verplaatsingen van dieren en producten tussen lidstaten wanneer dit wetenschappelijk gerechtvaardigd is om een besmettelijke ziekte te kunnen beheersen ; |
|
b) |
zij zijn in geen geval in strijd met de in lid 1 bedoelde regelgeving. [Am. 323] |
DEEL VIII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 258
Intrekkingen
1. Beschikking 78/642/EEG, Richtlijn 79/110/EEG, Richtlijn 81/6/EEG, Beschikking 89/455/EEG, Richtlijn 90/423/EEG en Beschikking 90/678/EEG worden ingetrokken.
2. De volgende handelingen worden met ingang van … (*13) ingetrokken:
|
— |
Richtlijn 64/432/EEG; |
|
— |
Richtlijn 77/391/EEG; |
|
— |
Richtlijn 78/52/EEG; |
|
— |
Richtlijn 80/1095/EEG; |
|
— |
Richtlijn 82/894/EEG; |
|
— |
Richtlijn 88/407/EEG; |
|
— |
Richtlijn 89/556/EEG; |
|
— |
Richtlijn 90/429/EEG; |
|
— |
Richtlijn 91/68/EEG; |
|
— |
Beschikking 91/666/EEG; |
|
— |
Richtlijn 92/35/EEG; |
|
— |
Richtlijn 92/65/EEG; |
|
— |
Richtlijn 92/66/EEG; |
|
— |
Richtlijn 92/118/EEG; |
|
— |
Richtlijn 92/119/EEG; |
|
— |
Beschikking 95/410/EG; |
|
— |
Richtlijn 2000/75/EG; |
|
— |
Beschikking 2000/258/EG; |
|
— |
Verordening (EG) nr. 1760/2000; [Am. 324] |
|
— |
Richtlijn 2001/89/EG; |
|
— |
Richtlijn 2002/60/EG; |
|
— |
Richtlijn 2002/99/EG; |
|
— |
Richtlijn 2003/85/EG; |
|
— |
Verordening (EU) nr. [XXX/XXX [Number to be inserted… non-commercial movements of pet animals and repealing Regulation (EC) No 998/2003]; [Am. 325] |
|
— |
Verordening (EG) nr. 21/2004; [Am. 326] |
|
— |
Richtlijn 2004/68/EG; |
|
— |
Richtlijn 2005/94/EG; |
|
— |
Richtlijn 2006/88/EG; |
|
— |
Richtlijn 2008/71/EG; [Am. 327] |
|
— |
Richtlijn 2009/156/EG; |
|
— |
Richtlijn 2009/158/EG. |
Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.
3. De handelingen die de Commissie vaststelt krachtens de in lid 2 bedoelde handelingen van de Raad en het Europees Parlement blijven van kracht voor zover zij niet in strijd zijn met de regelgeving van deze verordening.
Artikel 259
Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van Verordening (EG) nr. 1760/2000, Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 2008/71/EG
1. Niettegenstaande artikel 258, lid 2, van deze verordening blijven Verordening (EG) nr. 1760/2000, Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 2008/71/EG van toepassing tot de datum die wordt bepaald in een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 252 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de datum waarop de in lid 1 van dit artikel bedoelde handelingen niet meer van toepassing zijn.
Die datum is de datum waarop de overeenkomstige regelgeving die moet worden vastgesteld krachtens de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in artikel 103, lid 2, en de artikelen 114 en 115 van deze verordening, van toepassing wordt. [Am. 328]
Artikel 260
Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van Richtlijn 92/66/EEG, Richtlijn 2000/75/EG, Richtlijn 2001/89/EG, Richtlijn 2002/60/EG, Richtlijn 2003/85/EG en Richtlijn 2005/94/EG
1. Niettegenstaande artikel 258, lid 2, van deze verordening blijven Richtlijn 92/66/EEG, Richtlijn 2000/75/EG, Richtlijn 2001/89/EG, Richtlijn 2002/60/EG, Richtlijn 2003/85/EG en Richtlijn 2005/94/EG van toepassing tot de datum die moet worden bepaald in een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de datum waarop de in lid 1 van dit artikel bedoelde richtlijnen niet meer van toepassing zijn.
Die datum is de datum waarop de overeenkomstige regelgeving, die moet worden vastgesteld krachtens de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in artikel 44, lid 1, artikel 47, lid 1, artikel 48, lid 3, artikel 53, lid 1, artikel 54, lid 3, artikel 58, lid 2, artikel 63, artikel 64, lid 4, artikel 67, artikel 68, lid 2 en artikel 70, lid 3, van deze verordening, van toepassing wordt.
Artikel 261
Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van Verordening (EU) nr. [XXX/XXX betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren]
1. Niettegenstaande artikel 258, lid 2 van deze verordening blijft Verordening (EU) nr. [XXX/XXX] van toepassing tot de datum die moet worden bepaald in een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 253 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de datum waarop verordening XXX/XXX niet meer van toepassing is.
Die datum is de datum waarop de overeenkomstige regelgeving, die moet worden vastgesteld krachtens de gedelegeerde handelingen zoals bedoeld in artikel 114, onder f), artikel 152, lid 2, en artikel 222, lid 3, van deze verordening, van toepassing wordt. [Am. 329]
Artikel 261 bis
Verslag aan het Europees Parlement en de Raad
Uiterlijk op 31 december 2019 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit. Het verslag van de Commissie bevat een overzicht van de impact van deze verordening, met inbegrip van de ervaringen met haar gedelegeerde bevoegdheden overeenkomstig artikel 253, en gaat eventueel vergezeld van voorstellen ter zake. [Am. 330]
Artikel 262
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van … [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te ,
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
Voor de Raad
De voorzitter
(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014.
(3) Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).
(6) Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1).
(7) Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).
(8) Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1).
(9) Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap (PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1).
(10) Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).
(11) Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).
(12) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(13) Doc. SANCO/7070/2010.
(14) Verordening (EU) xxxx/xxxx van het Europees Parlement en de Raad betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, 1829/2003, 1831/2003, 1/2005, 396/2005, 834/2007, 1099/2009, 1069/2009 en 1107/2009, de Verordeningen (EU) nr. 1151/2012 en 652/2014 en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG, 2008/120/EG en 2009/128/EG (verordening officiële controles) (EE L …).
(*1) Datum en referentienummer van 2013/0140(COD).
(15) Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).
(16) Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977).
(17) Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19).
(18) Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1).
(19) Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74).
(*2) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(20) Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1).
(21) Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37).
(22) Richtlijn 77/391/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende een gemeenschappelijke actie met het oog op de uitroeiing van brucellose, tuberculose en leukose bij runderen (PB L 145 van 13.6.1977, blz. 44).
(23) Richtlijn 78/52/EEG van de Raad van 13 december 1977 tot vaststelling van de communautaire criteria voor de nationale programma's voor de versnelde uitroeiing van brucellose, tuberculose en endemische leukose bij runderen (PB L 15 van 19.1.1978, blz. 34).
(24) Richtlijn 80/1095/EEG van de Raad van 11 november 1980 houdende voorschriften welke ertoe strekken het grondgebied van de Gemeenschap vrij van klassieke varkenspest te maken en te houden (PB L 325 van 1.12.1980, blz. 1).
(25) Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58).
(26) Richtlijn 88/407/EEG van de Raad van 14 juni 1988 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in diepgevroren sperma van runderen en de invoer daarvan (PB L 194 van 22.7.1988, blz. 10).
(27) Richtlijn 89/556/EEG van de Raad van 25 september 1989 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen (PB L 302 van 19.10.1989, blz. 1).
(28) Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62).
(29) Beschikking 91/666/EEG van de Raad van 11 december 1991 betreffende de vorming van communautaire reserves van mond-en-klauwzeervaccins (PB L 368 van 31.12.1991, blz. 21).
(30) Richtlijn 92/35/EEG van de Raad van 29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardenpest (PB L 157 van 10.6.1992, blz. 19).
(31) Richtlijn 92/66/EEG van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PB L 260 van 5.9.1992, blz. 1).
(32) Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49).
(33) Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (PB L 62 van 15.3.1993, blz. 69).
(34) Beschikking 95/410/EG van de Raad van 22 juni 1995 tot vaststelling van de voorschriften voor de steekproefsgewijze microbiologische test in de inrichting van oorsprong van slachtpluimvee met als bestemming Finland en Zweden (PB L 243 van 11.10.1995, blz. 25).
(35) Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74).
(36) Beschikking 2000/258/EG van de Raad van 20 maart 2000 houdende aanwijzing van een specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren (PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40).
(37) PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1.
(38) Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5).
(39) Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).
(40) Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11).
(41) Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (PB L 306 van 22.11.2003, blz. 1).
(42) PB L …
(43) Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).
(44) Richtlijn 2004/68/EG van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en de doorvoer via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 321).
(45) Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16).
(46) Richtlijn 2008/71/EG van de Raad van 15 juli 2008 met betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens (PB L 213 van 8.8.2008, blz. 31).
(47) Beschikking 78/642/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende gezondheidsmaatregelen ten aanzien van de Republiek Botswana (PB L 213 van 3.8.1978, blz. 15).
(48) Richtlijn 79/110/EEG van de Raad van 24 januari 1979 houdende machtiging van de Italiaanse Republiek om de kennisgeving en de tenuitvoerlegging van de nationale programma's voor de versnelde uitroeiing van brucellose en tuberculose bij runderen uit te stellen (PB L 29 van 3.2.1979, blz. 24).
(49) Richtlijn 81/6/EEG van de Raad van 1 januari 1981 waarbij de Helleense Republiek wordt toegestaan de nationale programma's voor de versnelde uitroeiing van brucellose en tuberculose bij runderen mede te delen en ten uitvoer te leggen (PB L 14 van 16.1.1981, blz. 22).
(50) Beschikking 89/455/EEG van de Raad van 24 juli 1989 tot instelling van een communautaire actie betreffende het opzetten van proefprojecten voor de bestrijding van rabiës met het oog op de uitroeiing of de voorkoming daarvan (PB L 223 van 2.8.1989, blz. 19).
(51) Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot wijziging van Richtlijn 85/511/EEG tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond-en-klauwzeer, Richtlijn 64/432/EEG van de Raad inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens en Richtlijn 72/462/EEG inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 13).
(52) Beschikking 90/678/EEG van de Raad van 13 december 1990 houdende erkenning van bepaalde delen van het grondgebied van de Gemeenschap als officieel vrij van varkenspest of vrij van varkenspest (PB L 373 van 31.12.1990, blz. 29).
(53) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(*3) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(*4) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(54) Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55).
(*5) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(55) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(*6) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(56) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(57) Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).
(*7) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(*8) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(*9) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(*10) Referentienummer van de verordening uit document COD 2013/0140.
(*11) Datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling (of een andere door de wetgever vastgestelde datum).
(*12) Een jaar na de datum van toepassing van deze verordening.
(*13) Datum van toepassing van deze verordening.
Bijlage -I
Deel 1
Ziekten bij landdieren
|
Onderworpen aan de voorschriften van |
Artikel 8, lid 1, onder a) Onmiddellijke bestrijding en uitroeiing van ziekten |
Artikel 8, punt 1, onder b) Verplichte uitroeiing |
Artikel 8, lid 1, onder c) Optionele „vrijwillige” uitroeiing |
Artikel 8, lid 1, onder d) Handel |
Artikel 8, lid 1, onder e) Melding, rapportage en surveillance |
In de lijst opgenomen soorten |
|
Klassieke varkenspest |
X |
X |
0 |
X |
X |
Suidae en Tayassuidae |
|
Blauwtong |
X |
X |
0 |
X |
X |
Alle herkauwers Vectoren: Culicoides, enz. |
|
Epizoötische hemorragische ziekte bij herten |
X |
X |
0 |
X |
X |
Alle herkauwers Vectoren: Culicoides, enz. |
|
Vesiculaire varkensziekte |
X |
X |
0 |
X |
X |
Suidae en Tayassuidae |
|
Hoogpathogene aviaire influenza |
X |
X |
0 |
X |
X |
Pluimvee, in gevangenschap levende vogels en wilde vogels |
|
Laagpathogene aviaire influenza (H5, H7) |
X |
X |
0 |
X |
X |
Pluimvee en in gevangenschap levende vogels |
|
Afrikaanse varkenspest |
X |
X |
0 |
X |
X |
Suidae en Tayassuidae Vectoren/reservoirs: zachte teken van het geslacht Ornithodorus |
|
Mond- en klauwzeer |
X |
X |
0 |
X |
X |
Huisdieren of wilde dieren van de orde Artiodactyla, onderordes Ruminantia, Suina en Tylopoda; (Ook bepaalde maatregelen: Rodentia en Proboscidae) |
|
Runderpest |
X |
X |
0 |
X |
X |
Hoefdieren |
|
Pest bij kleine herkauwers (peste des petits ruminants, PPR) |
X |
X |
0 |
X |
X |
Bovidae en Suidae |
|
Riftvalleykoorts |
X |
X |
0 |
X |
X |
Alle andere soorten hoefdieren dan die van de familie Suidae Vectoren: muggen (Aedes, Culex), knutten (Culicoides) |
|
Nodulaire dermatose |
X |
X |
0 |
X |
X |
Bovidae en Giraffidae |
|
Schapen- en geitenpokken |
X |
X |
0 |
X |
X |
Bovidae |
|
Besmettelijke runderperipneumonie |
X |
0 |
0 |
X |
X |
Soorten van het geslacht Bos |
|
Paardenpest |
X |
X |
0 |
X |
X |
Equidae Vectoren: knutten: Culicoides |
|
Paardenencefalomyelitis (Incl. EEE, WEE en Japanse encefalomyelitis) |
X |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae Vectoren: muggen, vogels, andere reservoirs… |
|
Venezolaanse paardenencefalomyelitis |
X |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae Vectoren: muggen, vogels, andere reservoirs… |
|
West-Nijlvirus |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae Vectoren: muggen |
|
Pseudovogelpest |
X |
X |
0 |
X |
X |
Pluimvee, andere in gevangenschap levende vogels, incl. duiven |
|
Vesiculaire stomatitis |
X |
X |
0 |
X |
X |
Hoefdieren |
|
Teschener ziekte |
X |
0 |
0 |
X |
X |
Suidae |
|
Kwade droes |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae |
|
Dourine |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae |
|
Infectieuze anemie bij paarden |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Equidae |
|
Rabiës |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Bovidae, Suidae, Ovidae, Capridae, Equidae, Carnivora en Chiroptera |
|
Miltvuur |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Bovidae, Camelidae, Cervidae, Elephantidae, Equidae en Hippopotamidae |
|
Rundertuberculose (OPMERKING: Mycobacterium tuberculosis complex: bovis, caprae) |
0 |
X |
X (bij apen en Felidae) |
X |
X |
Mammalia, met name Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae en Tragulidae |
|
Brucella melitensis* |
0 |
X |
0 |
X |
X |
Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae en Tragulidae |
|
Brucella abortus* |
0 |
X |
0 |
X |
X |
Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae en Tragulidae |
|
Brucella ovis* (besmettelijke epididymitis) |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Hippopotamidae en Tragulidae |
|
Brucella suis* |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Cervidae, Leporidae, Ovibos moschatus, Suidae en Tayassuidae |
|
Aviaire chlamydiose |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Psittaciformes |
|
Enzoötische boviene leukose |
0 |
X |
0 |
X |
X |
Runderen (incl. Bison bison en Bubalus bubalus) |
|
Kleine bijenkastkever (Aethina tumida) |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Apis en Bombus |
|
Tropilaelapsmijt (Tropilealaps spp.) |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Apis |
|
Amerikaans vuilbroed |
0 |
0 |
0 |
X |
X |
Apis |
|
Apenpokken |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Rodentia en niet-menselijke primaten |
|
Ebola |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Niet-menselijke primaten (apen) |
|
Ziekte van Aujeszky |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Varkens |
|
Kaasachtige lymfadenitis (Corynebacterium pseudotuberculosis) |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Longadenomatose |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Paratuberculose |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Zwoegerziekte |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Capriene virale artritis/encefalitis |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Besmettelijke agalactie |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Borderdisease |
0 |
0 |
0 |
X |
0 |
Schapen en geiten |
|
Infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Runderen |
|
Boviene [genitale] campylobacteriosis — C. foetus ssp. Venerealis |
0 |
0 |
0 |
X |
0 |
Runderen |
|
Boviene virale diarree/mucosal disease |
0 |
0 |
0 |
X |
0 |
Runderen |
|
Trichomonas foetus |
0 |
0 |
0 |
X |
0 |
Runderen |
|
Overdraagbare gastro-enteritis |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Varkens |
|
Europees vuilbroed |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Bijen |
|
Vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Honden |
|
Salmonella die van belang is voor de diergezondheid: Salmonella pullorum, Salmonella gallinarum en Salmonella arizonae |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Pluimvee |
|
Zoönotische salmonellose (anders dan hierboven) |
X |
0 |
X |
X |
X |
Pluimvee (Ook bepaalde maatregelen: varkens) |
|
Mycoplasma gallisepticum en Mycoplasma meleagridis |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Pluimvee: M. gallisepticum — kippen en kalkoenen M. meleagridis — kalkoenen |
|
Tuberculose (anders dan rundertuberculose)** |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Apen, felidae, herkauwers |
|
Tularemie |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Haasachtigen |
|
Myxomatose |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Haasachtigen |
|
Hemorragische ziekte bij konijnen |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Haasachtigen |
|
Virale enteritis (nertsen) |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Nertsen |
|
Aleoetse nertsziekte |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Nertsen |
|
Varroase |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Bijen |
|
Acariase |
0 |
0 |
X |
X |
0 |
Bijen |
|
Krim-Congo-hemorragische koorts |
0 |
0 |
0 |
X |
0 |
Loopvogels |
|
TSE's (Verordening (EG) nr. 999/2001 en Richtlijn 92/65/EG) |
||||||
|
Boviene spongiforme encefalopathie |
X |
X |
0 |
X |
X |
Runderen, schapen en geiten |
|
Scrapie |
X |
X |
0 |
X |
X |
Schapen of geiten |
|
Chronic Wasting Disease |
X |
X |
0 |
X |
X |
Cervidae |
|
Andere TSE's dan BV/OV/CP |
X |
X |
0 |
0 |
X |
Alle dieren |
|
Zoönosen (Richtlijn 2003/99/EG en Verordening (EG) nr. 2075/2005 voor trichinellose) |
||||||
|
Trichinellose |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Varkens, paarden, everzwijnen en andere wilde dieren (die gevoelig zijn voor trichinellabesmetting) |
|
Listeriose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Niet nader gespecificeerd |
|
Campylobacteriose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Niet nader gespecificeerd |
|
Verocytotoxine-producerende E. coli |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Niet nader gespecificeerd |
|
Leptospirose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Yersiniose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Vibriose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Toxoplasmose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Cryptosporidiose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Cysticercose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Anisakiase |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Borreliose |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Botulisme |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Influenzavirus |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Echinokokkose [hydatidose] - Echinokokkose en de verwekkers daarvan |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Niet nader gespecificeerd |
|
Risico's van antimicrobiële resistentie (AMR) (resistente micro-organismen en determinanten van antimicrobiële resistentie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
X |
Pluimvee, varkens en runderen |
|
Calicivirus |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Hepatitis A virus |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Door arthropoden overgedragen virussen |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
|
Andere zoönoses en zoönoseverwekkers |
0 |
0 |
0 |
0 |
X*** |
Niet nader gespecificeerd |
Deel 2
Ziekten bij waterdieren
|
Onderworpen aan de voorschriften van |
Artikel 8, lid 1, onder a) Onmiddellijke bestrijding en uitroeiing van ziekten |
Artikel 8, punt 1, onder b) Verplichte uitroeiing |
Artikel 8, lid 1, onder c) Optionele „vrijwillige” uitroeiing |
Artikel 8, lid 1, onder d) Handel |
Artikel 8, lid 1, onder e) Melding en surveillance |
In de lijst opgenomen soorten |
|
Epizoötische hematopoïetische necrose |
X |
X |
0 |
X |
X |
Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss) en baars (Perca fluviatilis) |
|
Besmetting met Bonamia exitiosa |
X |
X |
0 |
X |
X |
Australische platte oester (Ostrea angasi) en Chileense oester (O. chilensis) |
|
Besmetting met Perkinsus marinus |
X |
X |
0 |
X |
X |
Japanse oester (Crassostrea gigas) en Noord-Amerikaanse oester (C. virginica) |
|
Besmetting met Microcytos mackini |
X |
X |
0 |
X |
X |
Japanse oester (Crassostrea gigas), Noord-Amerikaanse oester (C. virginica), Olympia platte oester (Ostrea conchaphila) en Europese platte oester (O. edulis) 2002/99 (95/70) |
|
Taurasyndroom |
X |
X |
0 |
X |
X |
Noordelijke witte garnaal (Penaeus setiferus), Pacifische blauwe garnaal (P. stylirostris), en Pacifische witte garnaal (P. vannamei) |
|
Besmetting met het yellow-head-virus (YHV) |
X |
X |
0 |
X |
X |
Azteken-garnaal (Penaeus aztecus), noordelijke roze garnaal (P. duorarum), kurumagarnaal (P. japonicus), grote tijgergarnaal shrimp (P. monodon), Noordelijke witte garnaal (Penaeus setiferus), Pacifische blauwe garnaal (P. stylirostris), en Pacifische witte garnaal (P. vannamei) |
|
Virale hemorragische septikemie (VHS) |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Haring (Clupea spp.), houtingen (Coregonus sp.), snoek (Esox lucius), schelvis (Gadus aeglefinus), Pacifische kabeljauw (Gadus macrocephalus), Atlantische kabeljauw (Gadus morhua); Pacifische zalmsoorten (Oncorhynchus spp.), regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), meun (Onos mustelus), zeeforel (Salmo trutta), tarbot (Scophthalmus maximus), sprot (Sprattus sprattus), vlagzalm (Thymallus thymallus) en olijfgroene bastaardheilbot (Paralichthys olivaceus) |
|
Infectieuze hematopoïetische necrose (IHN) |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Ketazalm (Oncorhynchus keta), cohozalm (O. kisutch), masouzalm (O. masou), regenboogforel (O. kisutch), rode zalm (O. nerka), Amagozalm (O. rhodurus), chinook zalm (O. tshawytscha) en Atlantische zalm (Salmo salar) |
|
Koi-herpesvirus (KHV) |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Gewone karper en koikarper (Cyprinus carpio) |
|
Infectieuze zalmanemie (ISA) |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), Atlantische zalm (Salmo salar) en zeeforel (S. trutta) |
|
Besmetting met Marteilia refringens |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Australische platte oester (O. angasi), Chileense oester (O. chilensis),Europese platte oester (O. edulis), Argentijnse platte oester (O. puelchana), mossel (Mytilus edulis) en Middellandse Zeemossel (M. galloprovincialis) |
|
Besmetting met Bonamia ostreae |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Australische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (Ostrea chilensis)Olympia platte oester (O. conchaphila), Aziatische oester (O. denselammellosa)Europese platte oester (O. edulis), Argentijnse platte oester (O. puelchana) |
|
Besmetting met het witte-vlekkenvirus |
0 |
0 |
X |
X |
X |
Alle tienpotige kreeftachtigen (orde Decapoda) |
Opmerkingen:
|
* |
OIE-code = in de toekomst B. abortus, B. melitensis of B. suis in één hoofdstuk, met aanbevelingen voor (volgens het huidige ontwerp): bovidae [rund (Bos taurus, B. indicus, B. frontalis, B. javanicus en B. grunniens), bison (Bison bison en B. bonasus) en waterbuffel (Bubalus bubalis)], schapen (Ovis aries) en geiten (Capra aegagrus), varkens (Sus scrofa), kameelachtigen [dromedaris (Camelus dromedarius), Bactrische kameel (Camelus bactrianus), lama (Lama glama), alpaca (Lama pacos), guanaco (Lama guanicoe) en vicuña (Vicugna vicugna)], hertachtigen [ree (Capreolus capreolus), edelhert (Cervus elaphus elaphus), wapitihert (C. elaphus canadensis), sikahert (C. nippon), sambarhert (C. unicolor unicolor), Timorhert (C. timorensis), damhert (Dama dama), witstaarthert, zwartstaarthert, muildierhert (Odocoileus spp.) en rendier (Rangifer tarandus)] en Europese haas (Lepus europaeus). |
|
** |
M. tuberculosis is niet opgenomen in de lijst van de OIE, maar is opgenomen in hoofdstuk 6.11 over door niet-menselijke primaten overdraagbare zoönosen als M. tuberculosis-complex, voor specifieke aanbevelingen inzake tests of behandelingen tijdens de quarantaine. |
|
*** |
Optioneel in Richtlijn 2003/99/EG, afhankelijk van de epidemiologische situatie in de lidstaten. |
In Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (1) (over dierlijke bijproducten) worden „ernstige overdraagbare ziekten” als volgt omschreven: De door de OIE in artikel 1.2.3 van de Terrestrial Animal Health Code, uitgave 2010, en hoofdstuk 1.3 van de Aquatic Animal Health Code, uitgave 2010, genoemde ziekten worden voor de toepassing van de algemene veterinairrechtelijke beperkende maatregelen, als bepaald in artikel 6, lid 1, onder b) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, als ernstige overdraagbare ziekten beschouwd. [Am. 331]
(1) Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).
BIJLAGE I
Soorten gezelschapsdieren
DEEL A
Honden (Canis lupus familiaris)
Katten (Felis silvestris catus)
Fretten (Mustela putorius furo)
DEEL B
Ongewervelde dieren (met uitzondering van bijen en hommels en weekdieren en schaaldieren)
Waterdieren voor sierdoeleinden
Amfibieën
Reptielen
Vogels: alle soorten vogels, met uitzondering van pluimvee
Zoogdieren: andere knaagdieren en konijnen dan die bestemd voor de voedselproductie.
BIJLAGE II
Soorten hoefdieren
|
Taxonomie |
||
|
Orde |
Familie |
Geslacht/Soort |
|
Perissodactyla |
Equidae |
Equus spp. |
|
Tapiridae |
Tapirus spp. |
|
|
Rhinoceritidae |
Ceratotherium spp., Dicerorhinus spp., Diceros spp., Rhinoceros spp. |
|
|
Artiodactyla |
Antilocapridae |
Antilocapra ssp. |
|
Bovidae |
Addax ssp., Aepyceros ssp., Alcelaphus ssp., Ammodorcas ssp., Ammotragus ssp., Antidorcas ssp., Antilope ssp., Bison ssp., Bos ssp.(met inbegrip van Bibos, Novibos, Poephagus), Boselaphus ssp., Bubalus ssp. (met inbegrip van Anoa), Budorcas ssp., Capra ssp., Cephalophus ssp., Connochaetes ssp., Damaliscus ssp.(met inbegrip van Beatragus), Dorcatragus ssp., Gazella ssp., Hemitragus ssp., Hippotragus ssp., Kobus ssp., Litocranius ssp., Madogua ssp., Naemorhedus ssp. (met inbegrip van Nemorhaedus en Capricornis), Neotragus ssp., Oreamuos ssp., Oreotragus ssp., Oryx ssp., Ourebia ssp., Ovibos ssp., Ovis ssp., Patholops ssp., Pelea ssp., Procapra ssp., Pseudois ssp., Pseudoryx ssp., Raphicerus ssp., Redunca ssp., Rupicapra ssp., Saiga ssp., Sigmoceros-Alecelaphus ssp., Sylvicapra ssp., Syncerus ssp., Taurotragus ssp., Tetracerus ssp., Tragelaphus ssp. (met inbegrip van Boocerus). |
|
|
Camelidae |
Camelus ssp., Lama ssp., Vicugna ssp. |
|
|
Cervidae |
Alces ssp., Axis-Hyelaphus ssp., Blastocerus ssp., Capreolus ssp., Cervus-Rucervus ssp., Dama ssp., Elaphurus ssp., Hippocamelus ssp., Hydropotes ssp., Mazama ssp., Megamuntiacus ssp., Muntiacus ssp., Odocoileus ssp., Ozotoceros ssp., Pudu ssp., Rangifer ssp. |
|
|
Giraffidae |
Giraffa ssp., Okapia ssp. |
|
|
Hippopotamindae |
Hexaprotodon-Choeropsis ssp., Hippopotamus ssp. |
|
|
Moschidae |
Moschus ssp. |
|
|
Suidae |
Babyrousa ssp., Hylochoerus ssp., Phacochoerus ssp., Potamochoerus ssp., Sus ssp., |
|
|
Tayassuidae |
Catagonus ssp., Pecari-Tayassu ssp. |
|
|
Tragulidae |
Hyemoschus ssp., Tragulus-Moschiola ssp. |
|
|
Proboscidae |
Elephantidae |
Elephas ssp., Loxodonta ssp. |
BIJLAGE III
Concordantietabel als bedoeld in artikel 257, lid 2
1. Richtlijn 64/432/EEG
|
Richtlijn 64/432/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk), artikel 150, lid 3, en artikel 220, lid 3 |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 |
Artikelen 121 en 123 Artikel 121, lid 2, artikel 123, lid 1, en artikel 146, leden 3 en 4 |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, leden 2 en 3 |
Artikel 121, lid 1 Artikel 122, leden 1 en 2 |
|
Artikel 5, lid 1 Artikel 5, lid 2 Artikel 5, lid 2, onder a) Artikel 5, lid 2, onder b) Artikel 5, lid 3 Artikel 5, lid 4 Artikel 5, lid 5 |
Artikel 140, lid 1, artikelen 142 en 143 Artikel 146, leden 3 en 4 Artikel 144, onder a) Artikel 141, lid 1, onder b) Artikel 146, leden 3 en 4 Artikel 150 Artikelen 130, 132 en 150 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 127, 128 en 129 |
|
Artikel 6 bis |
— |
|
Artikel 7 |
Artikelen 129 en 130, artikel 131, onder a), en artikel 132 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 16, 17 en 18, artikel 16, lid 3, artikel 17, lid 3, artikel 18, lid 3, en artikel 19 |
|
Artikel 9 |
Artikel 30, lid 1, artikelen 31 en 32, artikel 30, leden 3 en 4, en artikel 31, lid 2 |
|
Artikel 10 |
Artikel 30, lid 2, artikelen 31, 32, 36, 41 en 42, artikelen 39 en 40, artikel 41, lid 3, en artikel 42, leden 5 en 6 |
|
Artikel 11, lid 1 Artikel 11, lid 2 Artikel 11, lid 3 Artikel 11, lid 4 Artikel 11, leden 5 en 6 |
Artikel 89, lid 1, onder a), artikelen 92 en 93, en artikel 92, lid 2 Artikelen 97, 100 en 101 Artikelen 93 en 94 Artikel 95 Artikel 92, lid 1, onder d), en lid 2, onder d) |
|
Artikel 12, lid 1 Artikel 12, lid 2 Artikel 12, lid 3 Artikel 12, lid 4 Artikel 12, leden 5 en 6 |
Artikel 122 Artikelen 99 en 100 Artikel 122, lid 1, onder a) en b) Artikel 140, lid 3 — |
|
Artikel 13, leden 1 en 2 Artikel 13, lid 3 Artikel 13, lid 4 Artikel 13, leden 5 en 6 |
Artikelen 89, 92, 93, 94, 97, 100 en 101 Artikel 95 — Artikel 96 |
|
Artikel 14, leden 1 en 2 Artikel 14, lid 3, A en B Artikel 14, lid 3, C Artikel 14, leden 4 tot en met 6 |
— — Artikel 103 — |
|
Artikel 15, lid 1 Artikel 15, leden 2 tot en met 4 |
Artikel 256 — |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 17 bis |
— |
|
Artikel 18 |
Artikel 103 |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
2. Richtlijn 77/391/EEG
|
Richtlijn 77/391/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2, lid 1 Artikel 2, lid 2 Artikel 2, lid 3 Artikel 2, lid 4 |
Artikel 30, lid 1 Artikelen 31 en 32 Artikel 33 Artikelen 36 en 41 |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 Artikel 3, lid 3 Artikel 3, lid 4 |
Artikel 30, lid 1 Artikelen 31 en 32 Artikel 33 Artikelen 36 en 41 |
|
Artikel 4 |
Artikel 30, lid 1, artikelen 31, 32, 33, 36 en 41 |
|
Artikel 5 |
— |
|
Artikel 6 |
— |
|
Artikel 7 |
— |
|
Artikel 8 |
— |
|
Artikel 9 |
— |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
3. Richtlijn 78/52/EEG
|
Richtlijn 78/52/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 Artikel 3, lid 3 Artikel 3, lid 4 |
Artikel 30, lid 1, artikelen 31, 34, en 35 — — Artikel 30, lid 1, en artikel 31 |
|
Artikel 4 |
Artikel 30, lid 1, artikelen 31 en 35 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 16, 17, 18, 46 en 47 |
|
Artikel 6, lid 1 Artikel 6, lid 2 Artikel 6, lid 3 |
Artikelen 73 tot en met 75 Artikelen 76 en 77 Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 12 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 13 |
Artikelen 16, 17, 18, 46 en 47 |
|
Artikel 14, lid 1 Artikel 14, lid 2 Artikel 14, lid 3 |
Artikelen 73 tot en met 75 Artikelen 76 en 77 Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 15 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 17 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 18 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 19 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 20 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
Artikelen 16, 17, 18, 46 en 47 |
|
Artikel 23 |
Artikelen 73 tot en met 79 |
|
Artikel 24 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 25 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 26 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 27 |
Artikel 121, lid 1, en artikel 123, lid 1, onder b) |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
— |
|
Artikel 30 |
— |
4. Richtlijn 80/1095/EEG
|
Richtlijn 80/1095/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 30, lid 1, en artikel 36 |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 30, lid 1, artikelen 34 en 35 |
|
Artikel 3 bis |
Artikel 30, lid 1, artikelen 34 en 35 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 31, 32 en 35 |
|
Artikel 4 bis |
Artikelen 31, 32 en 35 |
|
Artikel 5 |
— |
|
Artikel 6 |
Artikel 30, lid 1, onder b), en lid 3, en artikel 31 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 36, 39 en 40 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 41 en 42 |
|
Artikel 9 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 12 bis |
— |
|
Artikel 13 |
— |
5. Richtlijn 82/894/EEG
|
Richtlijn 82/894/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 17, 19, 20 en 21 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 17,18, 19, 20 en 21 |
|
Artikel 5 |
Artikel 21, onder b) en c) |
|
Artikel 6 |
— |
|
Artikel 7 |
— |
|
Artikel 8 |
— |
6. Richtlijn 88/407/EEG
|
Richtlijn 88/407/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 157 en 158 |
|
Artikel 4 |
Artikel 158, onder b) en c) |
|
Artikel 5 |
Artikelen 89, 92, 95 en 96 |
|
Artikel 6, lid 1 Artikel 6, lid 2 Artikel 6, leden 3 en 4 |
Artikelen 159 en 160 — — |
|
Artikel 8 |
Artikel 230, lid 1, onder a), en artikel 231 |
|
Artikel 9 |
Artikel 230, lid 1, onder b), en artikelen 234 en 235 |
|
Artikel 10 |
Artikel 230, lid 1, onder c), en artikelen 231, 236 en 238 |
|
Artikel 11 |
Artikel 230, lid 1, onder d), en artikelen 239 en 240 |
|
Artikel 12 |
Artikel 230, lid 2 |
|
Artikel 15 |
Artikelen 246 tot en met 251 |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
7. Richtlijn 89/556/EEG
|
Richtlijn 89/556/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 157, 158 en 159 |
|
Artikel 5, lid 1 Artikel 5, lid 2 Artikel 5, leden 2 bis en 3 |
Artikelen 89 en 92 Artikel 96 Artikel 92 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 159 en 160 |
|
Artikel 7 |
Artikel 230, lid 1, onder a), en artikel 231 |
|
Artikel 8 |
Artikel 230, lid 1, onder b), artikel 234 en artikel 235 |
|
Artikel 9 |
Artikel 230, lid 1, onder c), artikel 236 en artikel 238 |
|
Artikel 10 |
Artikel 230, lid 1, onder d), artikel 239, en artikel 240 |
|
Artikel 11 |
Artikel 230, lid 2, en artikelen 249 t/m 251 |
|
Artikel 14 |
Artikelen 246 tot 248 |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
8. Richtlijn 90/429/EEG
|
Richtlijn 90/429/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 157 en 158 |
|
Artikel 4 |
— |
|
Artikel 5, lid 1 Artikel 5, lid 2 |
Artikelen 89 en 92 Artikel 96 |
|
Artikel 6, lid 1 Artikel 6, lid 2 |
Artikelen 159 en 160 — |
|
Artikel 7 |
Artikel 230, lid 1, onder a), en artikel 231 |
|
Artikel 8 |
Artikel 230, lid 1, onder b), artikel 234 en artikel 235 |
|
Artikel 9 |
Artikel 230, lid 1, onder c), artikel 236 en artikel 238 |
|
Artikel 10 |
Artikel 230, lid 1, onder d), artikel 239 en artikel 240 |
|
Artikel 11, lid 1 Artikel 11, leden 2 en 3 |
Artikel 230, lid 2 — |
|
Artikel 12 |
Artikel 239 |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
Artikelen 246 tot 251 |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
9. Richtlijn 91/68/EEG
|
Richtlijn 91/68/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk), artikel 150, lid 3, en artikel 220, lid 3 |
|
Artikel 3, leden 1, 2, 3 en 5 Artikel 3, lid 4 |
Artikelen 127 en 128 Artikel 136 |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 2 Artikel 4, lid 3 |
Artikel 121, lid 2, onder b), artikel 127 en artikel 128 Artikel 125 Artikel 128 |
|
Artikel 4 bis |
Artikel 128 |
|
Artikel 4 ter, leden 1 tot en met 3 Artikel 4 ter, lid 4 Artikel 4 ter, lid 5 Artikel 4 ter, lid 6 |
Artikel 128 Artikel 130 Artikel 129 Artikel 121, lid 1, en artikel 122 |
|
Artikel 4 quater, leden 1 en 2 Artikel 4 quater, lid 3 |
Artikel 128 Artikelen 130 en 132 |
|
Artikel 5 |
Artikel 128 |
|
Artikel 6 |
Artikel 128 |
|
Artikel 7, leden 1 tot en met 3 Artikel 7, lid 4 |
Artikelen 30, 31 en 32 — |
|
Artikel 8, leden 1 tot en met 3 Artikel 8, lid 4 |
Artikelen 36, 39 en 40 — |
|
Artikel 8 bis, lid 1 Artikel 8 bis, lid 2 Artikel 8 bis, lid 3 Artikel 8 bis, lid 4 Artikel 8 bis, lid 5 |
Artikel 89, lid 1, onder a), en artikelen 92, 93 en 131 Artikel 97, artikel 100 Artikelen 93, 94 en 96 Artikel 95 Artikel 92, lid 1, onder d), en lid 2, onder d) |
|
Artikel 8 ter, lid 1 Artikel 8 ter, lid 2 Artikel 8 ter, lid 3 Artikel 8 ter, lid 4 |
Artikel 82, artikel 89, lid 1, onder a), en artikelen 92, 93, 97, 100 en 131 Artikelen 89, 92 en 93 Artikel 95 — |
|
Artikel 8 quater, lid 1 Artikel 8 quater, lid 2 Artikel 8 quater, lid 3 Artikel 8 quater, leden 4 en 5 |
Artikelen 85 en 122 Artikel 99 Artikel 122, lid 1, onder a) — |
|
Artikel 9 |
Artikelen 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146 en 150 |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
Artikel 141, onder b) |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
10. Beschikking 91/666/EEG
|
Beschikking 91/666/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 48 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 48, 49 en 50 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 48 en 50 |
|
Artikel 6 |
Artikel 15 en artikel 48, lid 3, onder b) |
|
Artikel 7 |
Artikel 50 |
|
Artikel 8 |
— |
|
Artikel 9 |
— |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
11. Richtlijn 92/35/EEG
|
Richtlijn 92/35/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 16 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 57 en 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 60 tot 69 |
|
Artikel 7 |
Artikel 57 |
|
Artikel 8 |
Artikel 64 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 65, 66 en 67 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 65, 66 en 67 |
|
Artikel 11 |
Artikel 68 |
|
Artikel 12 |
Artikel 71, lid 1 |
|
Artikel 13 |
Artikel 65, lid 2 |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
Artikelen 43, 44 en 45 |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
12. Richtlijn 92/65/EEG
|
Richtlijn 92/65/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
— |
|
Artikel 4 |
Artikelen 121, 123, 16, 17, 18, artikel 30, lid 2, artikelen 140 tot en met 143, artikelen 146 en 148 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 133, 134, 140, 141 |
|
Artikel 6, onder A Artikel 6, onder B |
Artikelen 121, 123, 127, 128, 134, 137, 140 tot en met 143 — |
|
Artikel 7, onder A Artikel 7, onder B |
Artikelen 121, 123, 127, 128, 134, 137 en 140 tot en met 143 — |
|
Artikel 8 |
Artikelen 121, 123, 133 en 140 tot en met 143 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 121, 123, 133 en 140 tot en met 143 |
|
Artikel 10, leden 1 tot en met 4 Artikel 10, leden 5 tot en met 7 |
Artikelen 121, 123, 133, 140 tot en met 143 — |
|
Artikel 10 bis |
— |
|
Artikel 11, lid 1 Artikel 11, leden 2 en 3 Artikel 11, lid 4 Artikel 11, lid 5 |
Artikel 155 Artikelen 155, 157 en 158, artikel 140 tot en met 143 Artikelen 92 en 96 Artikel 162 |
|
Artikel 12, lid 1 Artikel 12, lid 2 Artikel 12, lid 3 Artikel 12, lid 4 Artikel 12, lid 5 Artikel 12, lid 6 |
— Artikel 246 tot en met 248 Artikelen 82, 97 en 100 Artikelen 140 tot en met 146, en artikelen 149 tot en met 151. — Artikel 256 |
|
Artikel 13, lid 1 Artikel 13, lid 2 |
Artikelen 133, 140 tot en met 146, en artikel 148 Artikelen 90, 92, 93 tot en met 96 |
|
Artikel 14 |
Artikelen 30, 31 en 32 |
|
Artikel 15 |
Artikelen 36, 39, 40 en 41 |
|
Artikel 16 |
Artikel 230, lid 1, en artikel 236 |
|
Artikel 17, lid 1 Artikel 17, lid 2 Artikel 17, lid 3 Artikel 17, leden 4 en 5 |
Artikel 230, lid 1, onder a), b) en c) Artikel 231 Artikelen 231, 234 en 235 — |
|
Artikel 18 |
Artikel 230, lid 1, onder d), artikel 239 |
|
Artikel 19 |
Artikel 236 |
|
Artikel 20 |
Artikel 230, lid 2, artikelen 246 tot en met 248 |
|
Artikel 21 |
Artikelen 141, 142, 143, 160, 209 en 211 |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
Artikel 230, lid 1, onder d), artikel 239 en artikel 241, lid 1, onder a), v), en onder c), iv) |
|
Artikel 25 |
— |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
— |
|
Artikel 30 |
— |
13. Richtlijn 92/66/EEG
|
Richtlijn 92/66/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 16 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 56, artikel 57, lid 1, en artikel 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 60 tot en met 63 |
|
Artikel 6 |
Artikel 63 |
|
Artikel 7 |
Artikel 57, artikel 43, lid 2, onder d) |
|
Artikel 8 |
Artikelen 55 en 56 |
|
Artikel 9, lid 1 Artikel 9, leden 2 tot en met 7 |
Artikel 64 Artikelen 65 tot en met 68 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 11 |
Artikel 67, onder b), artikel 68, lid 1, onder b), en lid 2, onder a) |
|
Artikel 12 |
Artikel 54 |
|
Artikel 13 |
Artikel 65, lid 2 |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 17 |
Artikel 47 |
|
Artikel 18 |
Artikel 65, onder e), artikelen 67 en 69 |
|
Artikel 19, leden 1 tot en met 3 Artikel 19, lid 4 Artikel 19, lid 5 |
Artikelen 53 tot en met 56 Artikel 57, lid 1, artikelen 60 tot en met 63 Artikel 71, lid 2 |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
Artikelen 43 en 44 |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
14. Richtlijn 92/118/EEG
|
Richtlijn 92/118/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 164, artikel 223 en artikel 228, onder c), v) |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 2 |
Artikel 164, artikel 223 en artikel 228, onder c), v) — |
|
Artikel 5 |
Artikelen 164 en 223 |
|
Artikel 6 |
Artikel 15, lid 1, onder b), en lid 2, onder b) |
|
Artikel 7, lid 1 Artikel 7, lid 2 Artikel 7, lid 3 Artikel 7, lid 4 |
— Artikelen 246 tot en met 248 — Artikel 256 |
|
Artikel 8 |
— |
|
Artikel 9 |
Artikelen 230 en 236 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 230, 236, 239 en 241 |
|
Artikel 11 |
Artikel 241, lid 1, onder c), ii) |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
Artikel 241, lid 1, onder c), i) |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
Artikel 241, lid 1, onder c), v) |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
15. Richtlijn 92/119/EEG
|
Richtlijn 92/119/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 16 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 57 en artikel 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 60 tot en met 63 |
|
Artikel 6 |
Artikel 70 en artikel 71, lid 2 |
|
Artikel 7 |
Artikel 63 |
|
Artikel 8 |
Artikel 57 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 10 |
Artikel 64 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 65 tot en met 68 en artikel 71, lid 2 |
|
Artikel 12 |
Artikelen 65 tot en met 68 |
|
Artikel 13 |
Artikel 67, onder a) |
|
Artikel 14 |
Artikel 65, lid 2 |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
Artikel 63, onder b), artikel 67, onder b), artikel 68, lid 1, onder b), en lid 2, onder a) |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
Artikelen 46, 47 en 69 |
|
Artikel 20 |
Artikelen 43, 44 en 45 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
— |
16. Beschikking 95/410/EEG
|
Beschikking 95/410/EEG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikelen 127 tot en met 129 |
|
Artikel 2 |
Artikel 128, lid 1, onder c) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 140, 142 en 143 |
|
Artikel 4 |
— |
|
Artikel 5 |
— |
|
Artikel 6 |
— |
17. Richtlijn 2000/75/EG
|
Richtlijn 2000/75/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 16 |
|
Artikel 4, leden 1 en 2 Artikel 4, lid 3 Artikel 4, lid 4 Artikel 4, lid 5 Artikel 4, lid 6 |
Artikelen 54 en 55 Artikel 53 Artikel 56 Artikel 70 Artikel 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 60 tot en met 64 |
|
Artikel 7 |
Artikel 57 |
|
Artikel 8 |
Artikel 64, 68 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 10, lid 1 Artikel 10, lid 2 |
Artikelen 64 en 67 Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 13 |
Artikel 71, lid 1 |
|
Artikel 14 |
Artikel 65, lid 2 |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
Artikelen 43, 44 en 45 |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
18. Verordening (EG) nr. 1760/2000.
|
Verordening (EG) nr. 1760/2000. |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 102 |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 102, lid 2, en artikel 105 |
|
Artikel 4 |
Artikel 106, onder a), artikelen 108, 114, 115 en 117 |
|
Artikel 5 |
Artikel 103, lid 1, onder a) |
|
Artikel 6 |
Artikel 104, artikel 106, onder b), artikelen 108, 114, 115 en 117 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 97, 100, 101 en artikel 106, onder b), i), en onder c) |
|
Artikel 8 |
Artikel 105 |
|
Artikel 9 |
— |
|
Artikel 10, onder a) tot en met c) Artikel 10, onder d) en e) Artikel 10, onder f) |
Artikelen 114, 115 en 117 — Artikel 258 |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
[Am. 332]
19. Richtlijn 2001/89/EG
|
Richtlijn 2001/89/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 16, 17, 18 en 21 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 57, lid 1, en artikel 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 60 tot en met 63 en artikel 71, lid 2 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 63 en 71 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 62, 63 en artikel 65, lid 1, onder b) |
|
Artikel 8 |
Artikel 57 |
|
Artikel 9 |
Artikel 64 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 65 tot en met 68 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 65 tot en met 68 |
|
Artikel 12 |
Artikel 65, lid 1, onder f), artikel 67, onder b), en artikel 68, lid 1, onder b) |
|
Artikel 13 |
Artikel 61, lid 3, artikel 63, onder d), en artikel 68 |
|
Artikel 14 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 15 |
Artikel 70 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 70 en 30 t/m 35 |
|
Artikel 17 |
Artikel 15, artikel 54, leden 2 en 3, artikel 65, lid 1, onder b), en artikel 67, onder c) |
|
Artikel 18 |
Artikelen 15, 46 en 47 |
|
Artikel 19 |
Artikel 65, lid 1, onder e), en artikelen 67 en 69 |
|
Artikel 20 |
Artikel 70 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
Artikelen 43, 44 en 45 |
|
Artikel 23 |
Artikel 43, lid 2, onder d), en artikel 44 |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
— |
|
Artikel 30 |
— |
|
Artikel 31 |
— |
20. Richtlijn 2002/60/EG
|
Richtlijn 2002/60/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 16, 17, 18 en 21 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 56, artikel 57, lid 1, en artikel 59 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 60 tot en met 63 en artikel 71, lid 2 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 63 en 71 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 8 |
Artikel 57 |
|
Artikel 9 |
Artikel 64 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 65, 67 en 68 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 65, 67 en 68 |
|
Artikel 12 |
Artikel 65, lid 1, onder f), artikel 67, onder b), en artikel 68, lid 1, onder b) |
|
Artikel 13 |
Artikel 61, lid 3, artikel 63, onder d), en artikel 68 |
|
Artikel 14 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 15 |
Artikel 70 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 70 en 30 t/m 35 |
|
Artikel 17 |
Artikel 61, onder f), en artikel 63 |
|
Artikel 18 |
Artikel 15, artikel 54, leden 2 en 3, artikel 65, lid 1, onder b), en artikel 67, onder c) |
|
Artikel 19 |
Artikelen 15, 46 en 47 |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
Artikelen 43, 44 en 45 |
|
Artikel 22 |
Artikel 43, lid 2, onder d), en artikel 44 |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
— |
|
Artikel 30 |
— |
21. Richtlijn 2002/99/EG
|
Richtlijn 2002/99/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 164, artikel 223 en artikel 228, onder c), v) |
|
Artikel 4 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), artikelen 67, 164 en 223 en artikel 229, lid 1, onder d) |
|
Artikel 5 |
Artikelen 165, 166, 224 en 225 |
|
Artikel 6 |
— |
|
Artikel 7 |
Artikelen 236 en 238 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 231, 232 en 233 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 239 en 240 |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
22. Richtlijn 2003/85/EG
|
Richtlijn 2003/85/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 16, 17, 18 en 21 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 53 tot en met 56 en artikel 57, lid 1 |
|
Artikel 5 |
Artikel 55, lid 1, onder d) en e), en lid 2 |
|
Artikel 6 |
Artikel 55, lid 1, onder f), i), en lid 2, en artikel 56, onder b) |
|
Artikel 7 |
Artikel 55, lid 1, onder f), ii) |
|
Artikel 8 |
Artikel 55, lid 1, onder f), en lid 2 |
|
Artikel 9 |
Artikel 59 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 60, 61 en 63 |
|
Artikel 11 |
Artikel 61, lid 1, onder f), artikel 63, onder b), artikel 65, lid 1, onder f), en artikel 67, onder b) |
|
Artikel 12 |
Artikel 65, lid 1, onder h) en i), en artikel 67 |
|
Artikel 13 |
Artikel 57 |
|
Artikel 14 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 15 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 61, 62 en 63 |
|
Artikel 17 |
Artikel 71, leden 2 en 3 |
|
Artikel 18 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 19 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 20 |
Artikel 71, leden 2 en 3 |
|
Artikel 21 |
Artikel 64 |
|
Artikel 22 |
Artikelen 65 tot en met 67 |
|
Artikel 23 |
Artikelen 65 tot en met 67 |
|
Artikel 24 |
Artikel 67 en artikel 71, lid 1 |
|
Artikel 25 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), en artikel 67 |
|
Artikel 26 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), en artikelen 67 en 164 |
|
Artikel 27 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), en artikelen 67 en 164 |
|
Artikel 28 |
Artikel 65, lid 1, onder c, onder d), iii), en artikel 67 |
|
Artikel 29 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 30 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 31 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 32 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 33 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 34 |
Artikel 67, artikel 140, lid 2, artikel 159, lid 1, onder b), artikel 165, lid 1, onder b) |
|
Artikel 35 |
Artikel 71 |
|
Artikel 36 |
Artikel 68 |
|
Artikel 37 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 38 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 39 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), en artikelen 67 en 164 |
|
Artikel 40 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), i), onder g), h) en i), en artikelen 67 en 164 |
|
Artikel 41 |
Artikel 65, lid 1, onder c), onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 42 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 43 |
Artikel 71 |
|
Artikel 44 |
Artikel 68 |
|
Artikel 45 |
Artikelen 64, 69 en 71 |
|
Artikel 46 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 47 |
Artikel 65, lid 1, onder h), en artikel 67 |
|
Artikel 48 |
Artikel 140 |
|
Artikel 49 |
Artikelen 15, 46 en 47 |
|
Artikel 50 |
Artikelen 46, 47 en 69 |
|
Artikel 51 |
Artikelen 46, 47 en 69 |
|
Artikel 52 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 53 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 54 |
Artikelen 46, 47, 65, 67, en artikel 69, lid 3 |
|
Artikel 55 |
Artikelen 46, 47, 65, 67, en artikel 69, lid 3 |
|
Artikel 56 |
Artikel 47, artikel 68, lid 1, onder c), en artikel 69, lid 3 |
|
Artikel 57 |
Artikel 47, artikel 68, lid 1, onder c), en artikel 69, lid 3 |
|
Artikel 58 |
Artikel 65, lid 1, onder c), en artikel 67 |
|
Artikel 59 |
Artikelen 36, 38, 39, 40 en 68 |
|
Artikel 60 |
Artikelen 36, 38, 39, 40 en 68 |
|
Artikel 61 |
Artikelen 36, 38, 39, 40 en 68 |
|
Artikel 62 |
Artikel 68 |
|
Artikel 63 |
Artikel 140, lid 2, artikelen 159 en 165 |
|
Artikel 64 |
Artikel 69, lid 3, en artikel 128 |
|
Artikel 65 |
Artikel 15 |
|
Artikel 66 |
— |
|
Artikel 67 |
— |
|
Artikel 68 |
— |
|
Artikel 69 |
— |
|
Artikel 70 |
Artikel 15 |
|
Artikel 71 |
Artikel 54, leden 2 en 3, artikel 58, artikel 61, lid 1, onder g), artikel 63, onder c), artikel 65, lid 1, onder b), artikel 67, onder c), artikel 68, lid 1, onder c), en lid 2, onder b) |
|
Artikel 72 |
Artikel 43 |
|
Artikel 73 |
Artikel 45 |
|
Artikel 74 |
Artikel 43, lid 2, onder d) |
|
Artikel 75 |
Artikel 44 |
|
Artikel 76 |
Artikel 43, lid 2, onder d), en artikel 44 |
|
Artikel 77 |
Artikel 44 |
|
Artikel 78 |
Artikel 43, lid 2, onder d) |
|
Artikel 79 |
Artikel 52 |
|
Artikel 80 |
Artikel 48 |
|
Artikel 81 |
Artikel 48, lid 3, en artikel 50 |
|
Artikel 82 |
Artikel 48, lid 3, en artikel 50 |
|
Artikel 83 |
Artikel 49 |
|
Artikel 84 |
Artikel 48, lid 3, en artikel 50 |
|
Artikel 85 |
Artikelen 70 en 71 |
|
Artikel 86 |
Artikel 256 |
|
Artikel 87 |
— |
|
Artikel 88 |
Artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 89 |
— |
|
Artikel 90 |
— |
|
Artikel 91 |
— |
|
Artikel 92 |
— |
|
Artikel 93 |
— |
|
Artikel 94 |
— |
|
Artikel 95 |
— |
23. Verordening (EG) nr. 998/2003
|
Verordening (EG) nr. 998/2003 |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
— |
|
Artikel 3 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 4 |
Artikel 112, artikel 114, onder e), en artikel 117 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 152, 222 en 228 |
|
Artikel 6 |
— |
|
Artikel 7 |
Artikel 152, leden 2 en 3, en artikel 222, leden 2 en 3 |
|
Artikel 8 |
Artikel 241, lid 1, onder a), ii) |
|
Artikel 9 |
Artikel 241, lid 1, onder a), ii) |
|
Artikel 10 |
Artikel 231 |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14, eerste en tweede alinea Artikel 14, derde alinea Artikel 14, vierde alinea |
Artikel 239 — Artikel 236, lid 1, onder b), en artikel 241, lid 1, onder a), ii) |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
Artikel 152, leden 2 en 3, artikel 222, leden 2 en 3, artikel 228 en artikel 241, lid 1, onder a), ii) |
|
Artikel 18 |
Artikelen 246 tot en met 251 |
|
Artikel 19 |
Artikel 4, lid 2, onder b), artikel 152, leden 2 en 3, artikel 222, leden 2 en 3, artikel 228 en artikel 241, lid 1, onder a), ii) |
|
Artikel 19 bis, lid 1 Artikel 19 bis, lid 2 |
Artikel 114, onder e), en artikel 117 Artikel 152, leden 2 en 3 |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
|
Artikel 25 |
— |
24. Verordening (EU) nr. 21/2004.
|
Verordening (EU) nr. 21/2004. |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 102 |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 |
Artikel 102, lid 2 Artikel 105 |
|
Artikel 4, leden 1 en 2 Artikel 4, lid 3 Artikel 4, leden 4 tot en met 7 Artikel 4, lid 8 Artikel 4, lid 9 |
Artikel 107, onder a), artikelen 114, 115 en 117 Artikel 114, onder b), en artikel 115, onder a) Artikel 114 Artikel 105 Artikel 114, onder b) |
|
Artikel 5 |
Artikelen 97, 100, 101, 105 en artikel 106, onder b) en c) |
|
Artikel 6 |
Artikel 105, onder b), artikel 107, onder b), artikel 108, artikel 114, onder c), ii), en artikelen 115 en 117 |
|
Artikel 7 |
Artikel 96 |
|
Artikel 8, lid 1 Artikel 8, lid 2 Artikel 8, leden 3 tot en met 5 |
Artikel 103 Artikel 107, onder c) Artikel 103 |
|
Artikel 9 |
Artikel 114, onder b), en artikel 117 |
|
Artikel 10, lid 1, onder a) Artikel 10, lid 1, onder b) Artikel 10, lid 1, onder c) Artikel 10, lid 2 |
— Artikel 256 Artikel 258 Artikel 117 |
|
Artikel 11 |
Artikel 105 |
|
Artikel 12, lid 1 Artikel 12, lid 2 Artikel 12, leden 4 tot en met 7 |
— Artikel 256 — |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
[Am. 333]
25. Richtlijn 2004/68/EG
|
Richtlijn 2004/68/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 |
Artikel 230, lid 1, onder a) Artikel 233, lid 1 |
|
Artikel 4 |
Artikel 231, lid 1 |
|
Artikel 5 |
Artikel 231, leden 1 en 3, en artikel 232 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 236 en 237 |
|
Artikel 7 |
Artikel 236, lid 1, onder a), en lid 2, en artikel 237 |
|
Artikel 8 |
Artikel 236, artikel 239, lid 4, en artikel 241, lid 1, onder a) |
|
Artikel 9 |
Artikel 236, lid 1, en artikel 239, lid 4 |
|
Artikel 10 |
Artikel 236, lid 1, en artikel 239, lid 4 |
|
Artikel 11 |
Artikel 230, lid 1, onder d), en artikelen 239 en 240 |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
— |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
— |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
26. Richtlijn 2005/94/EG
|
Richtlijn 2005/94/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikel 9 |
|
Artikel 4 |
Artikelen 27 en 28 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 16, 17, 18 en 21 |
|
Artikel 6 |
Artikel 57 |
|
Artikel 7 |
Artikelen 53 tot en met 56 en artikel 57, lid 1 |
|
Artikel 8 |
Artikel 55, lid 2 |
|
Artikel 9 |
Artikel 59 |
|
Artikel 10 |
Artikel 55, lid 1, onder e) en f), en artikel 56 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 12 |
Artikel 63 |
|
Artikel 13 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 14 |
Artikel 63, onder a) |
|
Artikel 15 |
Artikel 62 en artikel 63, onder e) |
|
Artikel 16 |
Artikel 64 |
|
Artikel 17 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 18 |
Artikel 65, lid 1, onder a) en b), en artikel 67 |
|
Artikel 19 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 20 |
Artikel 65, lid 1, onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 21 |
Artikel 65, lid 1, onder c) en i), en artikel 67 |
|
Artikel 22 |
Artikel 65, lid 1, onder c) en i), en artikel 67 |
|
Artikel 23 |
Artikel 65, lid 1, onder c), en artikel 67 |
|
Artikel 24 |
Artikel 65, lid 1, onder c), en artikel 67 |
|
Artikel 25 |
Artikel 65, lid 1, onder c), en artikel 67 |
|
Artikel 26 |
Artikel 65, lid 1, onder c), en artikel 67 |
|
Artikel 27 |
Artikel 65, lid 1, onder d), ii), en artikel 67 |
|
Artikel 28 |
Artikel 65, lid 1, onder f), en artikel 67, onder b) |
|
Artikel 29 |
Artikel 68 |
|
Artikel 30 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 31 |
Artikel 68 |
|
Artikel 32 |
Artikelen 64, 65, 67 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 33 |
Artikel 67 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 34 |
Artikel 37, artikel 65, lid 1, onder i), artikel 67 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 35 |
Artikelen 54 en 61 |
|
Artikel 36 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 37 |
Artikelen 61 en 63 |
|
Artikel 38 |
Artikelen 61, 63, 65 en 67 |
|
Artikel 39 |
Artikelen 61 en 63 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 40 |
Artikelen 61 en 63 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 41 |
Artikelen 61 en 63 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 42 |
Artikelen 62 en 63 |
|
Artikel 43 |
Artikel 64 |
|
Artikel 44 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 45 |
Artikel 68 |
|
Artikel 46 |
Artikel 64, lid 4, artikel 67 en artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 47 |
Artikelen 61, 63 en 71 |
|
Artikel 48 |
Artikel 68, lid 1, onder b), en lid 2, onder a) |
|
Artikel 49 |
Artikel 61, lid 3, en artikel 68 |
|
Artikel 50 |
Artikel 15, artikel 54, lid 2, onder b) en c), en lid 3, artikel 58, lid 2, en artikel 63, lid 5 |
|
Artikel 51 |
— |
|
Artikel 52 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 53 |
Artikel 69 |
|
Artikel 54 |
Artikelen 46, 47, 65, 67 en 69 |
|
Artikel 55 |
Artikelen 46, 47, 65, 67 en 69 |
|
Artikel 56 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 57 |
Artikel 47 |
|
Artikel 58 |
Artikelen 48 tot en met 51 |
|
Artikel 59 |
Artikel 52 |
|
Artikel 60 |
— |
|
Artikel 61 |
Artikel 256 |
|
Artikel 62 |
Artikelen 43 tot en met 45 |
|
Artikel 63 |
— |
|
Artikel 64 |
— |
|
Artikel 65 |
— |
|
Artikel 66 |
— |
|
Artikel 67 |
— |
|
Artikel 68 |
— |
|
Artikel 69 |
— |
27. Richtlijn 2006/88/EG
|
Richtlijn 2006/88/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 en artikel 3, lid 2 |
|
Artikel 3 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 2 Artikel 4, lid 3 Artikel 4, lid 4 Artikel 4, lid 5 |
Artikelen 170, 171, 174 en 175 Artikel 177 Artikel 183, lid 2 Artikelen 170, 171, 172 en 173 — |
|
Artikel 5 |
Artikel 179 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 183 en 184 |
|
Artikel 7 |
— |
|
Artikel 8 |
Artikelen 185, 186, 187 en 188 |
|
Artikel 9 |
Artikel 179, lid 1, onder a), i), en leden 2 en 3 |
|
Artikel 10 |
Artikel 179, lid 1, onder a), ii), en leden 2 en 3 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 190 en 204 |
|
Artikel 12 |
Artikel 190 |
|
Artikel 13 |
Artikel 191 |
|
Artikel 14, leden 1 en 2 Artikel 14, leden 3 en 4 |
Artikel 208 Artikelen 219 en 220 |
|
Artikel 15, leden 1 en 2 Artikel 15, lid 3 Artikel 15, lid 4 |
Artikelen 195 en 196 Artikel 192 Artikelen 195, 196 en 198 |
|
Artikel 16 |
Artikel 196 |
|
Artikel 17 |
Artikel 196 |
|
Artikel 18 |
Artikelen 200 en 201 |
|
Artikel 19 |
Artikelen 200 en 201 |
|
Artikel 20 |
Artikel 199 |
|
Artikel 21 |
Artikelen 202, 203 en 205 |
|
Artikel 22 |
Artikel 230, lid 1, onder a) |
|
Artikel 23 |
Artikelen 231 en 232 |
|
Artikel 24 |
Artikel 230, lid 1, onder d), en artikel 239 |
|
Artikel 25 |
Artikelen 236, 239 en 240 |
|
Artikel 26 |
Artikel 16 |
|
Artikel 27 |
Artikelen 17 en 18 |
|
Artikel 28 |
Artikelen 53 tot en met 55, en artikelen 72 tot en met 74. |
|
Artikel 29 |
Artikel 57 |
|
Artikel 30 |
Artikelen 59 en 77 |
|
Artikel 31 |
— |
|
Artikel 32 |
Artikelen 60, 61, 62 en 64 |
|
Artikel 33 |
Artikelen 65 en 67 |
|
Artikel 34 |
Artikel 61, lid 1, onder b) en c), en artikel 63 |
|
Artikel 35 |
Artikel 61, lid 3, en artikel 63 |
|
Artikel 36 |
— |
|
Artikel 37 |
Artikel 68 |
|
Artikel 38 |
Artikelen 76 en 78 |
|
Artikel 39 |
Artikelen 78 en 79 |
|
Artikel 40 |
Artikel 80 |
|
Artikel 41 |
Artikel 246, lid 1, onder b) en c) |
|
Artikel 42 |
Artikel 71, lid 3 |
|
Artikel 43 |
Artikel 227 |
|
Artikel 44 |
Artikelen 26, 27, 30 en 31 |
|
Artikel 45 |
Artikel 32 |
|
Artikel 46 |
Artikel 34 |
|
Artikel 47 |
Artikelen 43 en 44 |
|
Artikel 48 |
Artikelen 46 en 47 |
|
Artikel 49 |
Artikel 36 |
|
Artikel 50 |
Artikelen 36 en 37 |
|
Artikel 51 |
Artikel 38 |
|
Artikel 52 |
Artikel 41 |
|
Artikel 53 |
Artikel 42 |
|
Artikel 54 |
— |
|
Artikel 55 |
— |
|
Artikel 56 |
— |
|
Artikel 57, onder a) Artikel 57, onder b) Artikel 57, onder c) |
— Artikel 54, lid 2, onder c), en lid 3, artikel 58, artikel 61, lid 1, onder h), artikel 63, onder c), en artikel 67, onder b) en c) — |
|
Artikel 58 |
— |
|
Artikel 59 |
Artikel 38, artikel 183 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 60 |
Artikel 256 |
|
Artikel 61 |
— |
|
Artikel 62 |
— |
|
Artikel 63 |
— |
|
Artikel 64 |
— |
|
Artikel 65 |
— |
|
Artikel 66 |
— |
|
Artikel 67 |
— |
28. Richtlijn 2008/71/EG
|
Richtlijn 2008/71/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 |
Artikelen 96 en 115 — |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 2 |
Artikelen 97 en 115 Artikel 110 |
|
Artikel 5, lid 1 Artikel 5, lid 2 |
Artikel 110, onder a), artikel 114, onder b), en artikel 117 Artikel 110, onder a), en artikel 111 |
|
Artikel 6, lid 1 Artikel 6, lid 2 |
Artikel 110, onder a), en artikelen 115 en 117 — |
|
Artikel 7 |
Artikel 103, lid 1, onder b), en lid 2 |
|
Artikel 8 |
Artikel 110, artikel 114, onder d) |
|
Artikel 9 |
Artikel 256 |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
[Am. 334]
29. Richtlijn 2009/156/EG
|
Richtlijn 2009/156/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
Artikelen 123 en 136 |
|
Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 2 Artikel 4, lid 3 Artikel 4, lid 4 Artikel 4, lid 5 Artikel 4, lid 6 |
Artikel 127 en artikel 146, lid 3 Artikelen 127 en 128 Artikel 125 Artikelen 109, 114 en 117 Artikel 123, lid 1, onder a), en artikelen 127 en 128 Artikelen 30 tot en met 35 |
|
Artikel 5 |
Artikelen 127 en 128 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 127 en 128 en artikel 141, onder b) |
|
Artikel 7, lid 1 Artikel 7, lid 2 Artikel 7, lid 3 |
Artikel 123, lid 2, en artikel 130 Artikelen 127, 128 en 129 Artikelen 127, 128 en 129 |
|
Artikel 8 |
Artikel 109, lid 1, onder c), artikel 114, artikel 117 en artikelen 140 tot en met 143 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 246 tot en met 248 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 10 |
— |
|
Artikel 11 |
— |
|
Artikel 12, leden 1, 2 en 3 Artikel 12, leden 4 en 5 |
Artikel 230, lid 1, onder a), en artikel 231 Artikel 236 |
|
Artikel 13 |
Artikelen 231 en 236 |
|
Artikel 14 |
Artikel 236 |
|
Artikel 15 |
Artikel 236 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 236, 238 en 239 |
|
Artikel 17 |
Artikel 236 |
|
Artikel 18 |
— |
|
Artikel 19 |
Artikel 236 |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
— |
30. Richtlijn 2009/158/EG
|
Richtlijn 2009/158/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 4 (gedeeltelijk) |
|
Artikel 3 |
— |
|
Artikel 4 |
— |
|
Artikel 5 |
Artikelen 123, 127, 128, 157 en 158 |
|
Artikel 6 |
Artikelen 121, 123 en 157 |
|
Artikel 7 |
Artikel 96 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 157 en 158 |
|
Artikel 9 |
Artikelen 127 en 128 |
|
Artikel 10 |
Artikelen 127 en 128 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 127 en 128 |
|
Artikel 12 |
Artikelen 127 en 128 |
|
Artikel 13 |
Artikel 128 |
|
Artikel 14 |
Artikel 128 |
|
Artikel 15, lid 1, onder a) Artikel 15, lid 1, onder b) tot en met d) Artikel 15, lid 2 |
Artikelen 157 en 158 Artikelen 127 en 128 Artikelen 30 tot en met 35 |
|
Artikel 16 |
Artikelen 30 tot en met 35 |
|
Artikel 17 |
Artikelen 36, 39 en 40 |
|
Artikel 18 |
Artikel 121 en 122, artikel 123, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 129 en artikel 155, lid 3 |
|
Artikel 19 |
Artikel 128 |
|
Artikel 20 |
Artikelen 140 tot en met 147, en artikelen 159 en 160 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
Artikel 230, lid 1, onder a), en artikelen 231 en 232 |
|
Artikel 24 |
Artikel 236 |
|
Artikel 25 |
Artikel 236 |
|
Artikel 26 |
Artikel 239 |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
Artikelen 236, 237 en 238 |
|
Artikel 29 |
Artikelen 236 en 241 |
|
Artikel 30 |
Artikel 236 |
|
Artikel 31 |
Artikelen 246 tot en met 248 |
|
Artikel 32 |
— |
|
Artikel 33 |
— |
|
Artikel 34 |
— |
|
Artikel 35 |
— |
|
Artikel 36 |
— |
|
Artikel 37 |
— |
|
Artikel 38 |
— |