This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013SC0529
COMMISSION STAFF WORKING DOCUMENT EXECUTIVE SUMMARY OF THE IMPACT ASSESSMENT Accompanying the document COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL, THE EUROPEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE AND THE COMMITTEE OF THE REGIONS Together towards competitive and resource-efficient urban mobility
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem
/* SWD/2013/0529 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem /* SWD/2013/0529 final */
1. Algemene context In de Europa 2020-strategie voor slimme,
duurzame en inclusieve groei[1],
die in 2010 is vastgesteld, wordt gewezen op het belang van een gemoderniseerd
en duurzaam Europees vervoerssysteem en wordt benadrukt dat ook aandacht moet
worden besteed aan stedelijk vervoer. In het Witboek Vervoer uit 2011[2] wordt de mogelijkheid
van een Europees ondersteuningsnetwerk voor stedelijke mobiliteitsplannen
vermeld. 2. Omschrijving van het
probleem Ondanks de bestaande maatregelen en wetgeving
van de EU op individuele beleidsgebieden als stedelijke mobiliteit,
verkeersveiligheid, klimaatverandering, luchtkwaliteit, geluid en de
aanverwante maatregelen in de lidstaten, heeft een groot aantal steden in
Europa nog steeds te kampen met gemeenschappelijke uitdagingen zoals congestie
en toegankelijkheid, naadloze mobiliteit langs het TEN-T, verkeersongevallen op
het stedelijk wegennet, luchtverontreiniging, CO2-emissies en
geluidsoverlast. Het voornaamste probleem is dat de
EU-doelstellingen die van cruciaal belang zijn voor een concurrerend en
duurzaam vervoerssysteem, namelijk naadloze mobiliteit op het TEN-T, een
verbetering van de verkeersveiligheid, de terugdringing van CO2-emissies
en geluidsoverlast, en een betere luchtkwaliteit, gevaar lopen door ontwikkelingen
op vervoersgebied in stedelijke gebieden. Dit heeft negatieve gevolgen voor het
welzijn van de burgers en de doeltreffendheid van bedrijven die gelegen zijn in
stedelijke gebieden. De algemene oorzaak van dit probleem heeft te
maken met falende regelgeving op stedelijk niveau en het feit dat de
marktmechanismen alleen niet in staat zijn om dit probleem op te lossen. Het
falen van de regelgeving is dan weer gekoppeld aan het feit dat veel lokale
autoriteiten bij hun optreden niet effectief zijn omdat stedelijke
mobiliteit niet op geïntegreerde wijze wordt benaderd. Zij pakken de
verschillende beleidsgebieden afzonderlijk aan, zonder noodzakelijkerwijs te
zoeken naar mogelijke synergieën of tegenstrijdigheden. 3. Subsidiariteitsanalyse Het recht van de EU om op te treden op
vervoersgebied is vastgesteld in de artikelen 90 en 91 van het VWEU
(gemeenschappelijk vervoersbeleid) en in de artikelen 170 en 171 van het VWEU,
titel XVI (trans-Europese netwerken). De noodzaak om op EU-niveau actie te ondernemen
op het gebied van stedelijke mobiliteit houdt verband met het feit dat de
stedelijke vervoerssystemen een integrerend onderdeel vormen van het Europese
vervoerssysteem en derhalve ook van belang zijn voor het gemeenschappelijk
vervoersbeleid. Aangezien het meeste vervoer van goederen en personen begint en
eindigt in een stad, mag de stedelijke dimensie van het TEN-T niet worden
verwaarloosd. EU-ingrijpen op het gebied van stedelijke
mobiliteit kan een meerwaarde opleveren omdat het zorgt voor een beter
gecoördineerd beleidskader voor de geïntegreerde stedelijke mobiliteitsplanning
van de Europese steden, waardoor de acties van die steden doeltreffender
worden. De EU kan een duidelijke politieke boodschap geven die moet resulteren
in een sterkere politieke wil op nationaal, regionaal en lokaal niveau. De EU
heeft ook het potentieel om via hefboomwerking meer resultaten te bereiken en
om het effect te vergroten van de inspanningen op gebieden zoals de
verspreiding van informatie en kennis, de uitbreiding van de kennisbasis,
capaciteitsopbouw, praktisch advies en steun aan de autoriteiten, netwerken,
onderzoek en uitwisseling van beste praktijken om geïntegreerde benaderingen
van stedelijke mobiliteit te bevorderen. Dit initiatief
besteedt veel aandacht aan de plaatselijke omstandigheden en legt niet
willekeurig specifieke maatregelen op aan steden. Het zal gericht zijn op de
ondersteuning van de nationale autoriteiten, met een kader voor een
geïntegreerde benadering van stedelijke mobiliteit en met volledige
inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en van verschillende
organisatorische structuren op lokaal niveau. 4. Doelstellingen De algemene doelstelling is het
volledig potentieel van stedelijke gebieden te ontsluiten, teneinde bij te
dragen tot een meer concurrerend en hulpbronnenefficiënt vervoerssysteem. De specifieke doelstelling is ervoor
te zorgen dat stedelijke gebieden in de EU gebruik
maken van een geïntegreerde benadering van stedelijke mobiliteit. De operationele doelstellingen zijn: ·
de stedelijke gebieden in de EU een beleidskader
bezorgen dat alle beleidskwesties omvat die nodig zijn om de stedelijke
mobiliteit uiterlijk in 2020 op geïntegreerde wijze te benaderen; ·
de stedelijke gebieden in de EU een beheerskader
bezorgen dat alle procedures en processen omvat die nodig zijn om de
stedelijke mobiliteit uiterlijk in 2020 op geïntegreerde wijze te benaderen. 5. Beleidsopties Op basis van de openbare raadpleging,
ontmoetingen met deskundigen en belanghebbenden, onafhankelijk onderzoek, ervaringen
uit eerdere initiatieven en eigen analyse hebben de diensten van de Commissie
een reeks beleidsopties vastgesteld die het potentieel hebben om de
geïdentificeerde kerndoelstelling van het Witboek Vervoer van de EU te
verwezenlijken: 5.1. Optie 0B: Ongewijzigd
beleid In dit scenario steunt de EU een
bottom-up-aanpak (het zogenaamde "business as usual"-scenario) om
geïntegreerde stedelijke mobiliteitsplanning te bevorderen. De Commissie zal
haar huidige activiteiten voortzetten. In deze aanpak zal de Commissie door haar
activiteiten het gebruik van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen verder
aanmoedigen en daarbij de nadruk leggen op een alomvattend beleidskader en een
minimaal beheerskader. 5.2. Optie 1B:
Niet-bindende aanbeveling over duurzame stedelijke mobiliteitsplannen De EU zal de autoriteiten in de lidstaten
stimuleren om vrijwillig duurzame stedelijke mobiliteitsplannen op te stellen
en uit te voeren door hen aanbevelingen over dit thema bezorgen. Deze
aanbevelingen zullen de lidstaten aanmoedigen om nationale beleidskaders op te
zetten die hen ertoe aanzetten duurzame stedelijke mobiliteitsplannen in hun
stedelijke gebieden op te stellen en uit te voeren. 5.3. Optie 2A:
Verplichte opstelling van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen door de
lidstaten voor bepaalde stedelijke gebieden De EU zal de autoriteiten in de lidstaten
verplichten om duurzame stedelijke mobiliteitsplannen op te stellen en uit te
voeren voor bepaalde categorieën stedelijke gebieden. In optie 2A mogen de
lidstaten zelf bepalen (bijvoorbeeld op basis van de omvang van de bevolking)
voor welke stedelijke gebieden zij het noodzakelijk achten verplichte duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen op te stellen en uit te voeren om de doelstelling
van dit initiatief te verwezenlijken. Dit verplichte kader op EU-niveau zal van
nature de vorm aannemen van een wettelijk instrument. Om het
subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen en rekening te houden met de
verschillende situaties in steden en lidstaten is een richtlijn - en niet een verordening
- in dit geval het passende instrument. 5.4. Optie 3A:
Verplichte ontwikkeling van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen in door de
EU vastgestelde stedelijke gebieden (minimaal beleids- en beheerskader) De EU zal de autoriteiten in de lidstaten
verplichten om duurzame stedelijke mobiliteitsplannen op te stellen en uit te
voeren voor bepaalde categorieën stedelijke gebieden. In optie 3A bepaalt de EU
voor welke stedelijke gebieden duurzame stedelijke mobiliteitsplannen moeten
worden opgesteld en uitgevoerd (bijvoorbeeld op basis van de omvang van de
bevolking). Deze verplichte benadering heeft enkel
betrekking op de minimumeisen, zowel wat het beleids- als wat het beheerskader
betreft, zoals omschreven in punt 5.1.3 hierboven. Om dezelfde redenen als voor
optie 2A, zal ook optie 3A de vorm aannemen van een richtlijn. 5.5. Schematisch
overzicht van de geselecteerde beleidsopties en uitvoering Tabel 4: Geselecteerde beleidsopties (voor alle opties: beheerskader: minimum) || A Beleidskader MINIMUM || B Beleidskader UITGEBREID 0) Ongewijzigd beleid: O&O, financiering, beste praktijken, campagnes, lokale capaciteitsopbouw || nvt || Optie 0B 1) Niet-bindende aanbeveling over duurzame stedelijke mobiliteitsplannen || nvt || Optie 1B De opstelling en uitvoering van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen verplicht stellen: || || 2) De lidstaten bepalen zelf (bijvoorbeeld op basis van de omvang van de bevolking) voor welke stedelijke gebieden duurzame stedelijke mobiliteitsplannen moeten worden opgesteld en uitgevoerd || Optie 2A || nvt 3) De EU bepaalt voor welke stedelijke gebieden duurzame stedelijke mobiliteitsplannen moeten worden opgesteld en uitgevoerd (bijvoorbeeld op basis van de omvang van de bevolking). || Optie 3A || nvt 6. Effectbeoordeling 6.1. Effect
van de beleidsopties op het gebruik van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen In vergelijking met het scenario van
ongewijzigd beleid, wordt verwacht dat de verplichte aanpak (opties 2A en 3A)
tot gevolg zal hebben dat veel meer gebruik wordt gemaakt van volledige duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen. In het geval van een vrijwillige benadering
(optie 1B) zal het gebruik van volledige duurzame stedelijke mobiliteitsplannen
minder sterk toenemen, afhankelijk van de plaatselijke situatie en stimulansen.
Binnen de bindende aanpak kan redelijkerwijze worden betoogd dat het gebruik
van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen iets hoger zou zijn voor optie 3A
dan voor optie 2A. De reden hiervoor is dat de EU-definitie van steden die
duurzame stedelijke mobiliteitsplannen moeten toepassen waarschijnlijk
uitgebreider zal zijn in deze optie, aangezien de definitie beter afgestemd zal
zijn op het bereiken van de doelstelling van het Witboek Vervoer om een meer
concurrerend en zuinig vervoerssysteem tot stand te brengen. 6.2. Verband
tussen het gebruik van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen en de
economische, sociale en milieueffecten van dit initiatief We mogen ervan uitgaan dat hoe meer steden een
volledig duurzaam stedelijk mobiliteitsplan uitvoeren, hoe groter de potentiële
milieu-, sociale en economische effecten zullen zijn. Daarom wordt in de
volgende delen, die betrekking hebben op de beoordeling van de effecten,
betoogd dat opties 0B, 1B, 2A en 3A een steeds groter effect hebben op de
potentiële economische/sociale en milieueffecten. 6.3. Belangrijkste economische
effecten 6.3.1. Congestie
en het vrije verkeer van personen en goederen Mensen en bedrijven vestigen zich in
stedelijke gebieden om gemakkelijk toegang te krijgen tot banen, diensten en
hulpbronnen. Congestie vermindert deze toegankelijkheid en dus ook de
aantrekkelijkheid en commerciële mogelijkheden van de locatie. De opstelling en
uitvoering van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen zal leiden tot minder
congestie. Reistijden zullen beter voorspelbaar worden en er zullen minder
passagiersuren en tonuren verloren gaan, waardoor gezinnen, de overheid en
bedrijven tijd en kosten kunnen besparen. 6.3.2. Trans-Europees vervoersnetwerk
(TEN-T) Aangezien het verkeer in steden nauw is
verweven met het verkeer op de ringwegen rond de steden, hebben duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen ook een invloed op het aangrenzende
vervoersnetwerk. Als duurzame stedelijke mobiliteitsplannen de
verkeerscongestie in stedelijke gebieden doen afnemen, zal dit positief zijn
voor de logistiek van het TEN‑T; het verbetert immers de toegang tot
snelwegen en zorgt voor betere verbindingen met belangrijke vervoersknooppunten
(havens, luchthavens) in stedelijke gebieden en voor een betere organisatie van
de stedelijke logistiek in het algemeen. 6.3.3. Verschuiving naar andere
vervoerswijzen De invoering van duurzame stedelijke
mobiliteitsplannen zal een positief effect hebben op de verschuiving naar
andere vervoerswijzen aangezien zij lopen, fietsen en het openbaar vervoer
stimuleren. 6.3.4. Onderzoek
& innovatie, economische ontwikkeling en het concurrentievermogen van de
industrie in de EU De ontwikkeling van een kader voor duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen op het niveau van de EU kan ervoor zorgen dat
Europa toonaangevend wordt op het gebied van knowhow over geïntegreerde
stedelijke mobiliteitsplanning en kan derhalve de concurrentiekracht van de
EU-industrie versterken. Het kader voor duurzame stedelijke mobiliteitsplannen
kan ook andere positieve effecten hebben op de concurrentiekracht van de
EU-industrie aangezien een van de onderliggende doelstellingen van duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen erin bestaat de efficiëntie en de
kosteneffectiviteit van het vervoer van personen en goederen te verbeteren. 6.3.5. Kleine
en middelgrote ondernemingen Het algemene effect van duurzame stedelijke
mobiliteitsplannen op kleine en middelgrote ondernemingen zal naar verwachting
positief zijn aangezien de congestiegerelateerde kosten van ondernemingen in
steden zullen dalen. Ook al is het onmogelijk het totale effect van duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen op kleine en middelgrote ondernemingen in cijfers
uit te drukken, de voordelen zullen in elk geval groter zijn dan de kosten
omdat de congestie zal afnemen en de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van
steden met duurzame stedelijke mobiliteitsplannen zullen verbeteren. 6.3.6. Gevolgen voor de begroting Administratiekosten Dit initiatief heeft gevolgen voor lokale,
regionale en nationale overheden omdat de administratieve kosten voor de opstelling
en uitvoering van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen hoger zijn dan voor
traditionele vervoers- en infrastructuurplannen. De uitvoering van duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen kan leiden tot extra administratieve lasten,
bijv. aanvullende vergunningen voor aanbieders van logistieke diensten om
toegang te krijgen tot een aan beperkingen onderworpen gebied in een bepaalde
stad. Kostenbesparingen Anderzijds zullen de lokale, regionale en
nationale overheden kosten besparen door de opstelling en uitvoering van een
meer gecoördineerde, effectieve en efficiënte combinatie van maatregelen binnen
een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan. Uit de resultaten van de eerste ronde
lokale vervoersplannen in het Verenigd Koninkrijk blijkt dat de voordelen van geïntegreerde
vervoersplannen waarschijnlijk groter zijn dan de kosten, en dat deze plannen
dus "waar voor hun geld" bieden. 6.4. Belangrijkste sociale effecten 6.4.1. Verkeersveiligheid Verkeersveiligheidsmaatregelen in het kader
van een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan zullen de hoge kosten van
verkeersongevallen doen dalen, zowel voor de maatschappij als voor individuen.
De kosten van ernstige verkeersongevallen bedragen momenteel ongeveer 2 %
van het bbp van de EU[3];
het redden van levens en het beperken van ernstige letsels is dan ook een
kostenefficiënte investering. 6.4.2. Gezondheid De uitvoering van een duurzaam stedelijk
mobiliteitsplan en de bijbehorende maatregelen, zoals zones met beperkte
toegang, heeft een impact op de emissies van vervuilende stoffen. Als de
luchtkwaliteit verbetert, zullen minder mensen te kampen hebben met
aandoeningen aan de luchtwegen en hartproblemen, en zullen dus ook de
gezondheidskosten dalen. Maatregelen in het kader van een duurzaam stedelijk
mobiliteitsplan, zoals snelheidsbeperkingen of isoleren, zullen ook de
blootstelling aan lawaai doen afnemen. Dit zal eveneens de gezondheidskosten
doen dalen, aangezien geluidsoverlast het risico op hart- en vaatziekten doet
toenemen. Maatregelen om
een verschuiving naar fietsen en lopen teweeg te brengen, zullen bijdragen tot
een actievere levensstijl en minder overgewicht. 6.4.3. Werkgelegenheid en sociale
inclusie Investeringsmaatregelen in het kader van een
duurzaam stedelijk mobiliteitsplan om de toegankelijkheid van economische
centra te verbeteren, zullen leiden tot een betere sociale inclusie van burgers
in voorstedelijke gebieden. Zij krijgen immers betere toegang tot openbaar
vervoer, waardoor potentiële bestemmingen voor economische activiteiten
gemakkelijker bereikbaar worden. Wanneer er meer alternatieve vervoerswijzen
beschikbaar zijn, zal ook de sociale inclusie van burgers die niet over een
auto beschikken, verbeteren. Door toegang te bieden tot diensten en
opportuniteiten zal de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. 6.5. Belangrijkste milieueffecten 6.5.1. Luchtkwaliteit De uitvoering van een duurzaam stedelijk
mobiliteitsplan en de bijbehorende maatregelen, zoals zones met beperkte
toegang, heeft een impact op de emissies van vervuilende stoffen. Een betere
luchtkwaliteit leidt tot minder milieuschade en lagere gezondheidskosten. 6.5.2. Het
energieverbruik en de emissies van broeikasgassen in het vervoer, met inbegrip
van mogelijke territoriale effecten De uitvoering van een duurzaam stedelijk
mobiliteitsplan en de bijbehorende maatregelen, zoals het bevorderen van
niet-gemotoriseerde vervoerswijzen, alternatieven voor de auto en goede toegang
tot openbaar vervoer, zullen waarschijnlijk leiden tot een daling van (de toename
van) het energieverbruik en een beperking van de CO2-emissies. Het JRC
heeft een beoordeling uitgevoerd van de effecten op het niveau van de EU, met
bijzondere aandacht voor de territoriale dimensie. Als we alle potentiële beleidsmaatregelen in een duurzaam stedelijk
mobiliteitsplan in acht nemen, blijkt uit de beoordeling dat tegen 2030 de CO2-emissies
op EU-niveau met 7 tot 8,8 % zullen afnemen in vergelijking met wat er zou
gebeuren als de huidige tendensen en beleidsmaatregelen worden voortgezet. 7. Vergelijking van de opties 7.1. Effectiviteit In vergelijking met het basisscenario (optie 0B)
zullen alle andere beleidsopties effectiever bijdragen tot de ontsluiting van
het potentieel van stedelijke gebieden en dus ook tot een meer concurrerend en
hulpbronnenefficiënt vervoerssysteem, omdat zij alle het gebruik van duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen stimuleren. Omdat bij de verplichte beleidsopties
(2A en 3A) meer gebruik zal worden gemaakt van duurzame stedelijke
mobiliteitsplannen, zal het effect ervan groter zijn dan bij optie 1B, welke
alleen zou leiden tot niet-bindende aanbevelingen. 7.2. Efficiëntie Alle beleidsopties zijn efficiënt: ze bieden
waar (effectiviteit) voor geld (kosten). Het verschil tussen minimumeisen
(opties 2A en 3A) of uitgebreide eisen (optie 1B) voor het beleidskader voor
duurzame stedelijke mobiliteitsplannen, zal geen significante invloed hebben op
dit evenwicht. Aangezien de vrijwillige benadering de steden echter meer
vrijheid laat bij het kiezen van het passende kader, voeren de belanghebbenden
aan dat de administratieve belasting zou kunnen dalen omdat bepaalde wettelijke
eisen mogelijkerwijs overbodig worden, zonder dat de effectiviteit daaronder te
lijden heeft. Beleidsoptie 1B is dus waarschijnlijk efficiënter dan
beleidsopties 2A en 3A. 7.3. Coherentie Alle opties sporen met de overkoepelende
doelstellingen van het EU-beleid. Alle beleidsopties leiden tot netto positieve
economische, sociale en milieubaten. Bovendien zorgen beleidsopties 2A en 3A
voor een coherent kader voor duurzame stedelijke mobiliteitsplannen, aangezien
bepaalde steden verplicht zullen worden om het referentiekader voor duurzame
stedelijke mobiliteitsplannen ten uitvoer te leggen. In optie 1B dient dit
referentiekader alleen als richtsnoer; de steden zullen niet verplicht worden
alle onderdelen ervan ten uitvoer te leggen. Daarom kan worden geconcludeerd
dat, hoewel alle beleidsopties coherent zijn, beleidsopties 2A en 3A iets
coherenter zijn dan beleidsoptie 1B. 7.4. Steun van belanghebbenden De respondenten van de openbare raadpleging
zijn grotendeels voorstander van EU-steunmaatregelen met betrekking tot optie 0.
Slechts 29 % van de geregistreerde respondenten is echter voorstander van een
verplicht kader voor duurzame stedelijke mobiliteitsplannen in EU-steden
(opties 2 en 3). De steun voor een niet-wetgevende benadering werd ook
uitgedrukt tijdens overlegvergaderingen met belanghebbenden en leden van het
Comité van de Regio’s. 8. Voorkeursoptie Op basis van de analyse van de effecten en de
vergelijking van de opties wordt geconcludeerd dat optie 1B de voorkeur geniet
(niet-bindende aanbevelingen voor duurzame stedelijke mobiliteitsplannen, met
uitgebreide eisen voor het beleidskader). De reden hiervoor is dat deze optie
het best scoort op het gebied van effectiviteit, efficiëntie, coherentie en
steun van belanghebbenden. Niet-bindende aanbevelingen hebben verscheidene
voordelen ten opzichte van een wetgevende benadering. De steden kunnen veel
gedetailleerder worden begeleid, hetgeen resulteert in meer flexibiliteit en
een grotere effectiviteit. Bovendien is de buy-in van alle categorieën
belanghebbenden waarschijnlijk hoger in het geval van de vrijwillige optie.
Aangezien stedelijke mobiliteit op het niveau van de lidstaten op sterk
uiteenlopende wijze wordt benaderd en vergelijkbare gegevens en statistieken op
dit ogenblik slechts in beperkte mate voorhanden zijn, zijn niet-bindende
aanbevelingen voor de opstelling en toepassing van duurzame stedelijke
mobiliteitsplannen dan ook de optimale weg vooruit op dit moment. 9. Toezicht en evaluatie De diensten van de Commissie zullen toezicht
houden op de uitvoering en effectiviteit van dit initiatief door middel van een
reeks instrumenten, waaronder het toekomstige Europees platform inzake plannen
voor duurzame stedelijke mobiliteit. Zij zullen tegen 2020 het gebruik van
geïntegreerde benaderingen van stedelijke mobiliteit in de Europese Unie
evalueren. Op grond van deze elementen gaan zij na of er behoefte is aan
verdere actie. [1] (COM(2010) 2020 definitief). [2] COM(2011) 144. [3] WHO (2004), World report on road traffic injury
prevention.