This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013SC0392
COMMISSION STAFF WORKING DOCUMENT Analysis by the Commission services of the budgetary situation in the Netherlands following the adoption of the COUNCIL RECOMMENDATION to the Netherlands of 2 December 2009 with a view to bringing an end to the situation of an excessive government deficit Accompanying the document Recommendation for a COUNCIL RECOMMENDATION with a view to bringing an end to the situation of an excessive government deficit in the Netherlands
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Analyse door de Commissie van de begrotingssituatie in Nederland na vaststelling van de AANBEVELING VAN DE RAAD aan Nederland van 2 december 2009 om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen bij de aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Analyse door de Commissie van de begrotingssituatie in Nederland na vaststelling van de AANBEVELING VAN DE RAAD aan Nederland van 2 december 2009 om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen bij de aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen
/* SWD/2013/0392 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE Analyse door de Commissie van de begrotingssituatie in Nederland na vaststelling van de AANBEVELING VAN DE RAAD aan Nederland van 2 december 2009 om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen bij de aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD om het buitensporige overheidstekort in Nederland te verhelpen /* SWD/2013/0392 final */
1. Inleiding De Raad heeft op 2
december 2009 op grond van artikel 126, lid 6, VWEU besloten dat er in
Nederland een buitensporig tekort bestond en overeenkomstig artikel 126,
lid 7, VWEU en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van
7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de
tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten, een aanbeveling
tot dit land gericht om uiterlijk in 2013 het buitensporige tekort te
corrigeren. Om het overheidstekort op
geloofwaardige en duurzame wijze onder de 3 % van het bbp terug te
dringen, werd de Nederlandse autoriteiten aanbevolen om in 2010 de
begrotingsmaatregelen ten uitvoer te leggen en om vervolgens: "(a)
gedurende de periode 2011-2013 een gemiddelde jaarlijkse begrotingsinspanning
van ¾ % van het bbp [te] realiseren, wat ook een bijdrage zou moeten
leveren aan het stoppen van de snelle stijging van de brutoschuldquote, die
volgens de prognoses de referentiewaarde zal overschrijden; (b) de maatregelen
[te] specificeren die nodig zijn om, als het conjunctuurklimaat dit mogelijk
maakt, het buitensporige tekort uiterlijk in 2013 te corrigeren en het tekort
sneller terug te dringen indien de economische of budgettaire omstandigheden
gunstiger uitvallen dan thans wordt verwacht." De Raad stelde
2 juni 2010 vast als uiterste datum om effectief gevolg te geven aan
deze aanbevelingen. De Commissie concludeerde
op 15 juni 2010 dat Nederland, afgaande op de voorjaarsprognoses 2010
van de diensten van de Commissie, effectief gevolg had gegeven aan de
aanbeveling van de Raad van 2 december 2009 om het buitensporige
tekort binnen de vastgelegde termijn te bestrijden, en achtte daarom verdere
stappen in de buitensporigtekortprocedure op dat moment niet noodzakelijk. In
het bijzonder was gebleken dat Nederland in 2010 de begrotingsmaatregelen ten
uitvoer had gelegd die in de begroting van 2010 waren vastgelegd. De door de Raad
vastgelegde termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort nadert
zijn einde. In dit document wordt derhalve geëvalueerd of Nederland effectief
gevolg heeft gegeven aan de correctie van het buitensporige overheidstekort en
wordt een nieuw aanpassingstraject voorgesteld om het overheidstekort op
duurzame wijze onder de drempel van 3 % van het bbp te houden. In het
document wordt in het bijzonder gekeken naar de beleids- en
begrotingsontwikkelingen die hebben plaatsgevonden na de Commissiemededeling
aan de Raad van 15 juni 2010. 2. Recente macro-economische en
begrotingsontwikkelingen en vooruitzichten voor 2014 Nederland
maakt een langdurige economische neergang door die sinds 2011 nog ernstiger is
geworden (tabel 1). De reële bbp-groei bleek veel lager te liggen dan was
voorzien in het aan de BTP-aanbeveling van de Raad van 2009 ten grondslag
liggende scenario. De tegenvallende ontwikkeling was voor een aanzienlijk deel
te wijten aan negatieve vermogens- en vertrouwenseffecten. Deze effecten houden
verband met balansaanpassingen die in hoge mate een weerspiegeling vormen van
de aanpassingen op de huizenmarkt. Nadat het reële bbp in 2009 met 3,7 %
kromp, ontwikkelde de economische groei zich gematigd positief in 2010 en 2011,
met een reële groei van het bbp van respectievelijk 1,6 % en 1 %. Dat
was hoofdzakelijk te danken aan de toename van de mondiale vraag, waardoor de
netto-uitvoer een positieve bijdrage aan de groei kon leveren. Sinds
het tweede kwartaal van 2011 was de groei op kwartaalbasis in Nederland
negatief, afgezien van de eerste helft van 2012 toen de groei iets boven nul
lag. Het reële bbp daalde in het derde kwartaal van 2012 met 1 %; dit was
de sterkste daling sinds 2009. In het vierde kwartaal liep de output nog verder
terug met 0,4 %, waarbij de particuliere consumptie met 1,1 % daalde
tot een niveau dat voor het laatst in 2001 werd bereikt. In het eerste kwartaal
van 2013 was er een licht herstel, voornamelijk als gevolg van het hogere
energieverbruik. Desondanks krimpt de particuliere consumptie op kwartaalbasis
sinds het eerste kwartaal van 2011. Dat is voornamelijk toe te schrijven aan
het matige beschikbare inkomen van huishoudens, de impact van
consolidatiemaatregelen, negatieve vermogenseffecten door dalende huizenprijzen
en lagere pensioenen die worden betaald uit pensioenfondsen van de tweede
pijler. Daarnaast leiden de aanhoudende onzekerheid en getemperde verwachtingen
ertoe dat het consumentenvertrouwen zich dicht bij een historisch dieptepunt
bevindt, waaronder met name de consumptie door huishoudens te lijden heeft. In
2012 is het reële bbp met 1 % gekrompen; de enige positieve bijdrage was
van externe aard en voornamelijk te danken aan een aanzienlijk handelsoverschot
op het gebied van de goederenhandel. Volgens
de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zal de reële
bbp-groei in 2013 -0,8 % bedragen, maar wordt dit cijfer vanaf het tweede
kwartaal van het jaar geleidelijk weer positief. Verwacht wordt dat de
ontwikkeling van de handel tot het herstel zal bijdragen, terwijl de
binnenlandse vraag volgens de vooruitzichten nog tot ver in 2013 zwak blijft.
Onzekerheid over de algemene economische vooruitzichten, de uitvoering van
hervormingsvoorstellen en mogelijke aanvullende consolidatiemaatregelen trekken
een extra wissel op de binnenlandse vraag. Verwacht wordt dat de binnenlandse
vraag in 2014 geleidelijk zal aantrekken en daarmee een bijdrage zal leveren
aan een broos herstel en dat het reële bbp in dat jaar met 0,9 % zal
groeien. Tabel
1: Vergelijking van macro-economische ontwikkelingen en prognoses Nederland
heeft er destijds voor gekozen de begrotingsaanpassing uit te stellen tot 2011.
Deze keuze werd in de aanbeveling van de Raad van 2009 onderschreven, waarbij
hij expliciet adviseerde de begroting van 2010 ten uitvoer te leggen en pas in
2011 met de consolidatie te beginnen. In reactie hierop stelde Nederland in eerste
instantie een meerjarenpakket op van hoofdzakelijk op de uitgavenzijde gerichte
maatregelen voor de periode 2011-2015, waarmee werd beoogd het buitensporige
tekort al eerder dan aanbevolen te corrigeren. Nadat
de groei van het reële bbp in 2009 en 2010 iets hoger was uitgevallen dan was
voorspeld in de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie waarop
de BTP-aanbeveling gebaseerd was, verslechterden de economische prestaties van
Nederland vanaf 2011 aanmerkelijk. De overheidsfinanciën lieten een
soortgelijke ontwikkeling zien, met aanvankelijk een lichte overschrijding van
de begrotingsdoelstellingen tot en met 2011. In 2011 bedroeg het
overheidstekort -4,5 % van het bbp. Vervolgens
daalde het nominale tekort tot 4,1 % van het bbp in 2012 en naar
verwachting zal het blijven dalen tot 3,6 % in 2013[1]. Zonder
aanvullende beleidsmaatregelen zal het tekort in 2014 naar verwachting
3,6 % van het bbp bedragen. Dit is te wijten aan de negatieve impact die
de tegenvallende economie op het begrotingstekort heeft. De overheid zet de
restrictieve begrotingskoers voort overeenkomstig de maatregelen die zijn
opgenomen in het meerjarige begrotingsaanpassingstraject en zijn bevestigd in
het stabiliteitsprogramma 2013. Het niet-gecorrigeerde structurele saldo zal
naar verwachting gedurende de aanpassingsperiode 2010-2013 jaarlijks gemiddeld
met circa 0,7 % van het bbp verbeteren, maar zal in 2014 met ongeveer 0,3
procentpunt achteruitgaan. Op basis van de voorjaarsprognoses 2013 van de
diensten van de Commissie zou de gemiddelde begrotingsinspanning in de periode
2011-2013 derhalve dicht bij de vereiste ¾ % van het bbp liggen. Hierbij
is geen rekening gehouden met aanpassingen op basis van tegenvallende groei of
effecten van de groeisamenstelling. De ongunstige begrotingsontwikkelingen zijn
te wijten aan de nominale en reële bbp-groei alsmede aan het feit dat de
potentiële groei achterblijft bij de verwachtingen die ten grondslag liggen aan
de BTP-aanbeveling van 2009 (tabel 1). De
schulddynamiek in Nederland is ongunstig geweest. Omvangrijke overheidsingrepen
in 2008 ter ondersteuning van Nederlandse banken hebben in belangrijke mate
bijgedragen aan de toename van de schuldquote van de overheid. Volgens de
voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zal de schuldquote
geleidelijk oplopen tot 71,2 % van het bbp in 2012, 74,6 % van het
bbp in 2013 en 75,8 % van het bbp in 2014. Dit is hoofdzakelijk het gevolg
van hardnekkige nominale tekorten in combinatie met een nauwelijks groeiend
nominaal bbp, terwijl de EFSF- en ESM-transacties die ten laste komen van de
overheidsschuld slechts een betrekkelijk gering opwaarts effect hebben. In de
stijging van de verwachte brutoschuldquote voor 2013 is rekening gehouden met
de schuldverhogende transacties van circa 1 % van het bbp in verband met
de nationalisatie van SNS Reaal begin 2013 (bovenop de tekortverhogende
maatregelen van rond de 0,6 % van het bbp). Wat
de oorzaken van het tekort betreft, kan worden geconstateerd dat de sterk
wisselende economische groei vooral de overheidsontvangsten heeft aangetast.
Het aanvankelijke herstel na de financiële crisis, waarbij de economische
activiteit in 2010 en de eerste helft van 2011 sterker toenam dan verwacht,
leidde in eerste instantie tot vrij goede resultaten aan de ontvangstenzijde
(tabel 2 in hoofdstuk 3.1). Vervolgens bleven de ontvangsten evenwel achter bij
de plannen, met name in de tweede helft van 2011 en in 2012, als gevolg van de
haperende groei. Deze ongunstige trend zal zich waarschijnlijk voortzetten en
vormt de voornaamste oorzaak van de zwakke tekortvooruitzichten. Uit de
algemene trends blijkt de conjunctuurgevoeligheid van de ontvangsten die
kenmerkend is voor Nederland. De stijging van de uitgaven in 2010, een jaar
waarin een minder restrictief begrotingsbeleid is gevoerd, was te danken aan
economische prestaties die de verwachtingen overtroffen. Toen de
bezuinigingsmaatregelen in de jaren daarna effect begonnen te sorteren, vond er
een bescheiden ontwikkeling plaats. Binnen het Nederlandse begrotingskader
wordt er uitgegaan van een strenge scheiding tussen ontvangsten en uitgaven,
dat wil zeggen automatische stabilisatie aan de ontvangstenzijde. Binnen de EU
staat men positief tegenover deze praktijk, waarbij uitgavenoverschrijdingen
binnen de grenzen van de maxima worden gecompenseerd. Momenteel
is het niet mogelijk om het nominale tekort in 2013 terug te brengen tot minder
dan 3 % van het bbp. Hiermee is ook rekening gehouden in het
stabiliteitsprogramma 2013, waarin wel is vastgelegd dat het buitensporig
tekort in 2014 wordt gecorrigeerd. Het overheidstekort dat in het
stabiliteitsprogramma voor 2013 wordt verwacht, komt grotendeels overeen met de
voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie; de risico's met
betrekking tot deze projectie lijken over het algemeen aanvaardbaar. De
projectie betreffende het nominale tekort voor 2014 ligt in lijn met het
basisscenario en ongewijzigd beleid overeenkomstig de voorjaarsprognoses 2013
van de diensten van de Commissie (waarbij het bezuinigingspakket van 4,3
miljard euro of circa 0,6 % van het bbp niet is meegeteld dat op 1 maart
2013 is gepresenteerd, maar in april 2013 door de regering tot nader order is
opgeschort als gevolg van het akkoord met de sociale partners). In
het stabiliteitsprogramma 2013 hebben de Nederlandse autoriteiten aanvullende
bezuinigingsmaatregelen toegezegd, indien die nodig zijn om het nominale
overheidstekort in 2014 terug te brengen tot onder de drempel van 3 % van
het bbp. Er
zijn echter niet onaanzienlijke implementatierisico's verbonden aan de
budgettaire vooruitzichten voor 2014 en daarna. Wat
de maatregelen betreft die in het regeerakkoord zijn opgenomen, houden deze
risico's vooral verband met de efficiëntieverbeteringen die worden verwacht van
de overheveling van taken naar de gemeenten. In het stabiliteitsprogramma 2013
is bepaald dat een aanvullend bezuinigingspakket van 4,3 miljard euro voor
2014, dat de regering heeft ingetrokken als gevolg van de overeenkomst met de
sociale partners, wellicht alsnog op tafel komt en wordt opgenomen in de
begroting voor 2014 die in september aan het parlement wordt gepresenteerd,
inden er meer moet worden bezuinigd om het buitensporig tekort in 2014 te
corrigeren. Als gevolg van de overeenkomst die eind april 2013 met belanghebbenden
is bereikt, is de vrijwillige nullijn in de gezondheidszorg (0,1 tot
0,2 % van het bbp) van tafel en maakt deze maatregel geen deel meer uit
van het pakket, waardoor er behoefte is aan andere maatregelen. In de
voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie wordt er zelfs van
uitgegaan dat er meer dan de in het stabiliteitsprogramma vastgelegde 4,3
miljard euro moet worden bezuinigd om het nominale tekort in 2014 onder de
3 % van het bbp te brengen. 3. Doeltreffende actie 3.1. Achtergrondinformatie De onderhavige beoordeling
van de doeltreffende actie is gebaseerd op de voorjaarsprognoses 2013 van de
diensten van de Commissie. Er is rekening gehouden met de economische en
budgettaire ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan nadat de laatste aanbeveling
van de Raad in december 2009 op grond van artikel 126, lid 7, VWEU is
vastgesteld. In het kader van de beoordeling zijn ten eerste de in de
aanbeveling van de Raad aanbevolen begrotingsinspanning, de ogenschijnlijke
begrotingsinspanning, berekend op basis van de gemiddelde jaarlijkse
verandering van het structurele begrotingssaldo, en de gecorrigeerde
structurele inspanning met elkaar vergeleken. Bij de correctie van de
verandering van het structurele begrotingssaldo is rekening gehouden met (i) de
impact van wijzigingen van de potentiële productiegroei in verhouding tot de
basis van het groeiscenario in de aanbeveling van de Raad, en (ii) de impact op
de inkomsten van wijzigingen van het belastinggehalte van de economische
activiteit (samenstelling van de economische groei of van andere
meevallers/tegenvallers) in verhouding tot de verwachting op basis van de
standaard langetermijnelasticiteit. Deze top-downbenadering van de beoordeling
wordt ondersteund door een nauwkeurige analyse, met inbegrip van een
bottom-upbeoordeling van de consolidatiemaatregelen die de Nederlandse regering
heeft ondernomen. Tabel 2: Totale ontwikkeling van de overheidsuitgaven en
-ontvangsten Tabel 2 heeft betrekking
op de ontwikkeling van de nominale overheidsuitgaven en ontvangsten vanaf de
najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie, met inbegrip van de
prognoseperiode betreffende 2014. De overheidsuitgaven waren in 2009 en 2010
uiteindelijk hoger dan in eerste instantie was verwacht, maar waren in 2011
lager dan in het BTP-basisscenario dat ten grondslag lag aan de aanbeveling van
2009. De inkomsten daarentegen waren in 2009 veel lager dan verwacht, maar
hoger dan verwacht in 2010 en 2011. Uit de tabel blijkt dat het oplopende
tekort in 2009 hoofdzakelijk te wijten was aan het feit dat de ontvangsten veel
lager dan verwacht uitvielen. In de laatste jaren zal de nominale groei van de
uitgaven ondanks aanzienlijke ontvangstverhogende maatregelen naar verwachting
lager zijn dan de stijging van de ontvangsten; dit toont aan in hoeverre er
naar uitgavenbeperkingen wordt gestreefd. 3.2. Beoordeling
van doeltreffende actie en uitvoering van de begroting 2011-2013 en daarna –
overzicht Het structurele saldo was
in 2010, 2011 en 2012 respectievelijk -4,0 %, -3,7 % en -2,6 %
van het bbp. Volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de
Commissie zal er in 2013 een verbetering van het structurele saldo optreden
(-2,0 % van het bbp), waarna de situatie bij ongewijzigd beleid in 2014
weer enigszins verslechtert tot -2,3 %. De gemiddelde jaarlijkse
ogenschijnlijke budgettaire inspanning wordt voor de periode 2011-2013 geraamd
op 0,7 % van het bbp. Gecorrigeerd voor de neerwaartse ontwikkeling van de
potentiële productiegroei die heeft plaatsgevonden sinds de BTP-aanbeveling van
2009 en voor de gevolgen van de samenstelling van de economische groei voor de
ontvangsten, overtreft de gecorrigeerde gemiddelde jaarlijkse structurele
inspanning (1,1 % van het bbp) de in de BTP-aanbeveling van de Raad van
2009 voorgeschreven gemiddelde jaarlijkse begrotingsinspanning (¾ % van
het bbp) in de periode 2011-2013 met een ruime marge (zie tabel 3). Tabel 3 – Verandering van het structurele saldo, gecorrigeerd voor
wijzigingen van de potentiële output gap en meevallers/tegenvallers Door via een
bottom-upbenadering de vanaf 2011 uitgevoerde en vastgestelde discretionaire
bezuinigingsmaatregelen op te sommen, wordt bevestigd dat er een aanzienlijke
meerjarige consolidatie-inspanning is ondernomen. Tabel 4 heeft betrekking op
de algehele omvang van de discretionaire maatregelen. Het tweede-ronde-effect
van die maatregelen op de macro-economische ontwikkelingen is volledig verwerkt
in de prognoses van de diensten van de Commissie[2].
Voor de periode 2011-2013 bedraagt de totale begrotingsinspanning zoals
berekend op basis van de bottom-upbenadering 4 % van het bbp, ofwel
1,3 % van het bbp per jaar, min of meer gelijkelijk verdeeld over
ontvangsten- en uitgavenmaatregelen. Tabel 4 – Samenstelling
van de begrotingsaanpassing Bron: berekeningen van
de diensten van de Commissie De desbetreffende
discretionaire maatregelen omvatten een aantal achtereenvolgende pakketten die
de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Hierbij inbegrepen zijn de uitfasering van
de budgettaire stimulans in 2010, inclusief enkele aanvullende maatregelen (5
miljard euro); een eerste ronde besparingen op de begroting in september 2010,
uitgevoerd door het kabinet-Rutte I (19 miljard euro); in het Kunduz-akkoord
van april 2012 vastgelegde maatregelen (9 miljard euro); en tot slot het
regeerakkoord van het kabinet-Rutte II uit september 2012 (15 miljard euro). Uit
tabel 4 blijkt dat het zwaartepunt van de consolidatie-inspanning op het jaar
2013 ligt, waarbij de nadruk zeer op netto belastingverhogingen is gelegd. Tabel 5 heeft betrekking
op de belangrijkste begrotingsmaatregelen voor de periode 2011-2013. In 2013
zullen belangrijke eenmalige transacties van invloed zijn op het tekort. Zo
valt de impact van de verkoop van de 4G-licenties voor mobiele telefonie en de
nationalisatie van SNS Reaal (beide van invloed op het begrotingssaldo van
2013) min of meer tegen elkaar weg. Per saldo hebben de eenmalige maatregelen
echter een tekortverlagend effect van circa 0,2 % van het bbp, met name
dankzij de uitkering van dividend door De Nederlandsche Bank en de restitutie
van overheidsbijdragen voor de uitbreiding van de haven door het Havenbedrijf
Rotterdam. De maatregelen zijn in 2011 en 2012 volgens plan uitgevoerd. Bij de
uitvoering van de begrotingen voor beide jaren hebben er geen grote
overschrijdingen plaatsgevonden, waardoor wordt bevestigd dat Nederland over
een stevig begrotingskader beschikt[3].
Daarnaast ligt de uitvoering van door voorgaande regeringen geplande
consolidatiemaatregelen voor 2013 en daarna op schema. Tabel 5: belangrijkste begrotingsmaatregelen voor 2011-2013 || Ontvangsten || Uitgaven || 2011 || · Verhoging verzekeringspremies (0,05 % v.h. bbp) || · Loonmatiging bij de centrale overheid (-0,2 % v.h. bbp) · Internationale samenwerking (-0,1 % v.h. bbp) || 2012 || · Beperking alleenstaande-ouderkorting (0,1 % v.h. bbp) · Terugdraaiing verhoging eigen risico zorgverzekering (0,1 % of GDP) || · Zorgtoeslagen (-0,1 % v.h. bbp) · Kinderopvangtoeslagen (-0,1 % v.h. bbp) || 2013 || · Correctie behandeling aftrekbaarheid pensioenen. (Vanaf 2013 komen minder pensioenpremies in aanmerking voor fiscale aftrekbaarheid.) (0,1 % v.h. bbp) · Verhoging btw-tarief met 2 procentpunt in oktober 2012 (0,7 % v.h. bbp) · Fiscaal vergroeningspakket en verhoging van de accijnzen op alcohol, tabak en frisdrank (0,25 % v.h. bbp) · Beperking aftrekbaarheid hypotheekrente voor nieuwe hypotheken (0 % v.h. bbp; structurele besparingen lang na de programmaperiode) · Niet-uitvoering van het vitaliteitspakket (0,1 % v.h. bbp) || · Zorgtoeslagen (-0,1 % v.h. bbp) · Basisonderwijs (-0,1 % v.h. bbp) · Verhoging van de eigen bijdrage voor gespecialiseerde gezondheidszorg in combinatie met andere maatregelen (-0,3 % v.h. bbp) · Verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd (0 % v.h. bbp, maar aanzienlijke structurele besparingen na de programmaperiode) · Bevriezen van salarissen (voor ambtenaren en niet-indexering van bepaalde belastingschijven van de inkomstenbelasting) (-0,5 % v.h. bbp) || Opmerking: Een plusteken houdt in dat de inkomsten/uitgaven stijgen als gevolg van deze maatregel. || Uit de raming van de
begrotingsconsolidatie op basis van de afzonderlijke maatregelen blijkt voor de
beoordelingsperiode 2011-2013, waarin de doeltreffende actie is beoordeeld, een
grote mate van overeenstemming met de BTP-aanbevelingen uit 2009. Wat betreft
2011-2013 leveren de twee benaderingen goeddeels dezelfde cijfers op met
betrekking de gemiddelde begrotingsinspanning, namelijk tussen de 1,1 en
1,3 % van het bbp. Hierdoor wordt de conclusie bevestigd dat de
begrotingsinspanning voor de beoordelingsperiode 2011-2013 naar verwachting de
door de Raad aanbevolen inspanning ruimschoots overtreft. 3.3. Begrotingsvooruitzichten
voor 2014 en daarna De
begroting is in 2011-2013 over het algemeen volgens plan uitgevoerd, waardoor
het structurele saldo aanzienlijk is verbeterd. Het zal echter niet lukken om
het buitensporige tekort in 2013 weg te werken, hoewel er zelfs tijdens de
recessie een omvangrijke begrotingsinspanning is geleverd. De
voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie voor 2014 omvatten uitsluitend
maatregelen uit het regeerakkoord die in door het parlement aangenomen
begrotingswetten zijn vastgelegd. Op basis daarvan wordt verwacht dat het
nominale overheidssaldo in 2014 3,6 % van het bbp bedraagt. De gespecificeerde en
overeengekomen maatregelen die in de meerjarige begrotingsprognoses zijn
vervat, houden in dat de consolidatie in 2014 moet worden voortgezet. Verder
zullen eenmalige maatregelen in verband met het door De Nederlandsche Bank
uitgekeerde dividend en een crisisheffing voor banken een neerwaarts effect
hebben op het nominale tekort. Toch wordt verwacht dat het overheidstekort in
2014 op 3,6 % van het bbp zal blijven steken doordat de ontvangsten
vermoedelijk laag zullen blijven als gevolg van het zwakke herstel. Voor 2014
zijn er discretionaire maatregelen met een omvang van circa 0,9 % van het
bbp gepland, die volledig aan de uitgavenzijde liggen. De verandering van het
onderliggende saldo die met de macrobenadering (op basis van de output gap) is
berekend en waarbij rekening is gehouden met ongewijzigd beleid, toont aan dat
de onderliggende begrotingssituatie in 2014 enigszins zal verslechteren, en wel
met circa 0,3 % van het bbp. De Nederlandse
autoriteiten zijn vastbesloten om het buitensporig tekort weg te werken om met
dat doel voor ogen het nominale tekort in 2014 onder de 3 % van het bbp te
brengen. De volledig gespecificeerde en gekwantificeerde maatregelen in het
stabiliteitsprogramma 2013 zijn echter niet afdoende om deze doelstelling te
verwezenlijken[4].
Bovendien lijkt voor de periode na 2014 een houdbaar aanpassingstraject, zoals
vereist op grond van het EU-kader voor het begrotingstoezicht, op basis van het
huidige beleid niet te zijn gewaarborgd. Dat kan betekenen dat de vorderingen
richting MTD niet zijn gewaarborgd. Er zijn
uitvoeringsrisico's verbonden aan de maatregelen die zijn verwerkt in de
voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie en die deel uitmaken
van de begrotingsplannen voor de middellange termijn. In Nederland worden
regeerakkoorden gewoonlijk grotendeels ongewijzigd ten uitvoer gelegd. Recentelijk
zijn er echter in verscheidene gevallen substantiële wijzigingen aangebracht,
onder meer naar aanleiding van een herbeoordeling van de oorspronkelijke
voorstellen door de coalitiepartners en het tussen de sociale partners bereikte
akkoord. Een andere soort begrotingsrisico heeft betrekking op de omvangrijke
decentralisatiemaatregelen die zijn gepland. Zo worden delen van de begroting
en verantwoordelijkheden op het gebied van jongeren en langdurige zorg
overgedragen aan de gemeenten. Dit decentralisatieproces gaat gepaard met een
verlaging van de desbetreffende budgets die bovenop de algemene besparingen op
aan de gemeenten ter beschikking gestelde middelen komt. Het valt te bezien of
de impliciet geplande verbeteringen kunnen worden verwezenlijkt en in hoeverre
decentralisatie leidt tot grotere tekorten bij subnationale overheden[5]. Voor zover
eventuele overschrijdingen beperkt blijven, kunnen deze worden gecompenseerd
binnen de reeks uitgavenmaxima. Mochten er toch aanhoudende afwijkingen
plaatsvinden, dan dienen deze te worden aangepakt door middel van nieuwe
maatregelen. 4. Voorgesteld nieuw
aanpassingstraject Volgens
het macro-economische basisscenario dat in de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten
van de Commissie is uitgestippeld, zal Nederland met het huidige beleid naar
verwachting het buitensporige tekort niet binnen de in de aanbeveling van de
Raad van 2 december 2009 vastgelegde termijn wegwerken (tabel 6). Dit ondanks
het feit dat de gecorrigeerde gemiddelde jaarlijkse structurele inspanning voor
de periode 2011-2013, rekening houdend met de impact van wijzigingen van de
potentiële productiegroei en met wijzigingen van het inkomstengehalte van de
economisch activiteiten in verhouding tot de standaardelasticiteiten, groter is
dan de door de Raad aanbevolen structurele begrotingsinspanning. Bovendien
zullen het reële en potentiële bbp in de aanpassingsperiode naar
waarschijnlijkheid aanzienlijk lager uitvallen dan werd verwacht ten tijde van
de BTP-aanbeveling van 2009. De onverwacht slechte economische ontwikkelingen
hebben ernstige gevolgen voor de overheidsfinanciën gehad. Rekening houdend met
al deze factoren en in het bijzonder met de aanzienlijke verslechtering van de
begrotingssituatie doordat de algemene toestand van de economie zwakker is dan
die waarvan in de oorspronkelijke aanbeveling van de Raad overeenkomstig
artikel 126, lid 7, VWEU werd uitgegaan, is het passend om 2014 als nieuwe
termijn voor de correctie van het buitensporige tekort van Nederland vast te
stellen. Tabel 6 – Prognose van de belangrijkste macro-economische
en budgettaire variabelen volgens het basisscenario Bron: voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de
Commissie Als
gevolg van het toekennen van een extra jaar voor de correctie van het
buitensporige tekort moet nu een nominaal tekort van 3,6 % van het bbp in
2013 en van 2,8 % van het bbp in 2014 worden gerealiseerd (tabel 7). Op
basis van deze streefcijfers is een verbetering van het structurele begrotingssaldo
vereist van 0,6 % in 2013 en 0,7 % van het bbp in 2014. Al met al
zouden de Nederlandse autoriteiten, met het oog op de genoemde structurele
streefcijfers, aanvullende consolidatiemaatregelen moeten nemen van 0 %
van het bbp in 2013 en minstens 1 % van het bbp in 2014, bovenop de reeds
in het basisscenario opgenomen maatregelen. In deze streefcijfers wordt
rekening gehouden met de noodzaak om de negatieve tweede-ronde-effecten van de
begrotingsconsolidatie op de overheidsfinanciën, in de vorm van een ongunstige
beïnvloeding van de bbp-groei, te neutraliseren. Tabel 7 – Prognose van
de belangrijkste macro-economische en budgettaire variabelen volgens het
BTP-scenario Bron: diensten van de Commissie De
economische crisis van de afgelopen jaren heeft zwakke punten in het
begrotingskader aan het licht gebracht. Opeenvolgende regeringen hebben hun
begrotingsplannen voor de middellange termijn door middel van aanzienlijke
consolidatiemaatregelen aangepast, mede omdat aanvankelijke uitgavenmaxima
bleken te zijn gebaseerd op te optimistisch ingeschatte groeicijfers. Volgens
het regeerakkoord mogen automatische stabilisatoren zich vrijelijk binnen elk
afzonderlijk uitgavenmaximum bewegen, zo lang de algehele begrotingssituatie
van het land in overeenstemming met de Europese begrotingsregels blijft.
Rentebetalingen worden niet bij het algehele uitgavenmaximum meegerekend, maar
andere conjunctuurgevoelige uitgaven (met name werkloosheids- en sociale
uitkeringen) worden binnen het uitgavenmaximumskader gehouden. Hierdoor wordt
de werking van de automatische stabilisatoren bij economische neergang
belemmerd. Daarnaast zijn eventuele maatregelen om de toezegging zich aan de
European bepalingen te houden, te operationaliseren, niet in detail uitgewerkt.
De consolidatie van de overheidsfinanciën zou kunnen worden ondersteund door de
oriëntering en het institutionele kader voor de overheidsfinanciën voor de
middellange termijn in grotere mate bindend en transparant te maken, onder meer
door middel van wetgeving die de EU-begrotingsregels omzet in nationale
wetgeving en door het begrotingskader voor de middellange termijn in het
rechtskader te integreren. 5. Conclusies Op basis van de momenteel beschikbare informatie wordt de gemiddelde
jaarlijkse begrotingsinspanning na correctie voor de effecten van de gewijzigde
potentiële productiegroei en voor ontwikkelingen van de ontvangsten geraamd op
circa 1,1 % van het bbp. De berekende gecorrigeerde structurele inspanning
ligt derhalve ruim boven de op grond van de aanbeveling van de Raad vereiste
gemiddelde jaarlijkse begrotingsinspanning van ¾ % van het bbp voor
2010-2013. De bottom-upbenadering bevestigt een gemiddelde omvang van de
consolidatiemaatregelen van circa 1,3 % van het
bbp voor 2011-2013. Voor 2013 hebben de Nederlandse
autoriteiten een begroting vastgesteld die aanzienlijke maatregelen behelst,
die echter niet afdoende zijn om het buitensporige tekort zoals door de Raad in
2009 aanbevolen al in 2013 te corrigeren. Dit is het gevolg van de moeilijke
economische situatie waarmee Nederland wordt geconfronteerd, die ertoe leidt
dat de groei van het reële en potentiële bbp sterk achterblijven bij het
traject waarop het macro-economische scenario is gebaseerd waarvan de
aanbeveling van de Raad van 2009 is uitgegaan, en die ernstige consequenties
voor de overheidsfinanciën heeft. Gezien deze situatie is het passend om 2014
als nieuwe termijn voor de correctie van het buitensporige tekort van Nederland
vast te stellen, overeenkomstig de toezeggingen van de autoriteiten in het
stabiliteitsprogramma 2013. Om hieraan tegemoet te komen moeten de
begrotingsdoelstellingen voor 2013 strikt worden nageleefd en moeten er in 2014
aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. Als gevolg van het
toekennen van een extra jaar voor de correctie van het buitensporige tekort,
moet er een tussentijds nominaal tekort van 3,6 % van het bbp voor 2013
(3,8 % van het bbp zonder eenmalig maatregelen) en 2,8 % van het bbp
voor 2014 (bijna 3 % zonder eenmalig maatregelen) worden gerealiseerd. Op
basis van deze streefcijfers is een verbetering van het structurele
begrotingssaldo vereist van 0,6 % van het bbp in 2013 en 0,7 % van
het bbp in 2014 om het nominale overheidstekort in 2014 terug te dringen tot
onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp. Tabel 8: Vergelijking
van de belangrijkste macro-economische en budgettaire prognoses [1] In de voorjaarsprognoses 2013 zijn
wel de maatregelen verwerkt die op basis van het regeerakkoord zijn voorzien
voor 2014, maar niet het op 1 maart 2013 voorgestelde aanvullende pakket
consolidatiemaatregelen voor een totaalbedrag van 4,3 miljard euro dat
overeenkomstig het sociaal akkoord van 11 april 2013 tot nader order is
opgeschort. [2] De impact van de maatregelen is
grotendeels in overeenstemming met de door het uitgevoerde CPB onafhankelijke
beoordeling (Tekortreducerende maatregelen 2011-2017, W. Suyker,
http://cpb.nl/publicatie/tekortreducerende-maatregelen-2011-2017). [3] Volgens het begrotingskader van
Nederland moet elke tegenvaller worden gecompenseerd binnen hetzelfde
uitgavenmaximum, of, als dat niet mogelijk is, binnen een ander
uitgavenmaximum. Ontvangsten worden als automatische stabilisatoren gebruikt en
mogen vrijelijk bewegen, tenzij de algehele begrotingssituatie niet meer
overeenkomt met het SGP. [4] Het SP bevat een reeks mogelijke
aanvullende maatregelen die in eerste instantie in maart 2013 door de regering
zijn aangekondigd, maar die onlangs door de regering zijn opgeschort
overeenkomstig het akkoord met de sociale partners en eventueel pas in de zomer
opnieuw in overweging worden genomen, indien de omstandigheden dat vereisen. Met
deze maatregelen is in deze beoordeling geen rekening gehouden. [5] Nederland zal op korte termijn de
regels van het begrotingspact omzetten in nationale wetgeving. Hierdoor kan de
centrale overheid tekorten op subnationale overheidsniveaus beter onder
controle houden.